Friezen, West Friesland.
Inleiding.
Oorlog is er al vanouds en zeer
gewoon. Meestal is de drijfveer dat er ergens rijkere gewesten zijn die
veroverd moeten worden om dat te verwerven. Maar het was ook vaak de eer van de
hogere lieden, zogenaamde edelen, die tot dat doel eer en aanzien probeerden te
halen. In Griekenland was dat al in oude tijden bekend, ze wilden geen koning
hebben, maar een democratie waarin je een leider kiest die na verloop van tijd
weer vervangen kan worden. In tijden van grote nood kwam een koning met vele
volmachten die hen dan redden moet. Het probleem met een koning is dat hij dan
wel het volk verlost van die ellende, maar door zijn familie en kinderen of
prinsen ook weer tot dat ambt te zetten misschien nog voor meer ellende zorgt
dan dat ze al hadden. Want de eerste koning had een speciale gave om dat doel
te bereiken, zijn kinderen niet of minder en mogen dan eigenlijk ook die titel
niet voeren. Maar die hadden wel de rechten en probeerden er steeds meer bij te
krijgen. Vaak lees je dat ze zo ‘edel’ waren dat ze totaal geen belang bij de
burgers hadden, alleen voor de inkomsten. Dat komt hier in het vervolg ook uit
steeds tot uiting. Ontevreden burgers zochten dan ook iemand die hen zou kunnen
aanvoeren, want leiderschap is dan zeer belangrijk. Of zonder een sterke man of
iemand van adel wordt je zo door een ander overvallen.
Goed trouwen is belangrijk bij
de adel en vandaar dat er al jong getrouwd en vele edelen familie van elkaar
waren en elkaar zo nodig hadden. Door zo te trouwen kon je machtig worden en
grote rijken verkrijgen. Het gaat tenslotte niet om het welzijn van de burger,
maar om de macht van de adel. Het geld voor de oorlog haalden ze van de burgers
en ze betaalden dan de burgers om tegen hun eigen onderdanen of buren te
vechten. Immers een stuk land brengt een bepaalde geldsom op, daar kan je een
lening op afsluiten om die te veroveren.
Ondanks dat de edelen geregeld
verslagen worden komen ze of hun zonen altijd terug die op een of andere manier
zich weer verzoenen en min of hun oude rechten terug krijgen.
Het samengaan van adel en
geestelijkheid zorgde voor nog meer overlast. Immers ze studeerden vaak op
dezelfde scholen, waren vaak verwant en de een kreeg dan een stuk land met
inkomsten en de ander kreeg dan een bisschoptitel met inkomsten. Dan trouw je
zodat er nog meer land bij komt zodat de liefde dan ver te zoeken is en er vele
bastaarden kwamen. Die geestelijkheid had ook geen belang bij de burger en
besteedde de minder aantrekkelijke delen tegen een bepaalde som uit. Op die
manier kwamen er ‘geestelijken’ die het werk uitvoeren en gewoon getrouwd waren
en met de komst van gereformeerden gemakkelijk overstapten omdat ze daar
getrouwd konden blijven.

Vorm van het
land.
Het is nu
moeilijk voor te stellen hoe Holland er een paar duizend jaar geleden uitzag.
Er is nogal wat veranderd. Je moet het zo zien dat ons land rond die tijd een
grote delta was, van Antwerpen tot de Duitse grens, een enorm groot
waddengebied. De grote rivieren werden door de Veluwe gesplitst en gingen er
rechts of links omheen. Die van de rechterkant gingen voor de zandvlakte van
Drenthe richting zee. Daaromheen waren enorm veel ven of veengebieden, Drenthe
was vrijwel van geen kant bereikbaar, er was op die zandvlaktes ook weinig te
halen. Meer was dat bij de rivieren die de landen bevloeiden zodat er goed
weideland ontstond, visgronden, watervogels, aan en afvoerroutes via havens.
Ook werd het land vanuit de zee overstroomd met zout water zoals nu de Waddeneilanden.
Dat was vroeger dus veel groter dan nu en strekte zich wel van de Veluwe en de
punt van Drenthe tot diep in België.
Ik wil niet zo
diep gaan en meer boven Amsterdam blijven, 1 voorbeeld; De lis, Franse lys,
wordt afgebeeld in de vlag van Brussel en dat al sinds historische tijden omdat
In de rivier waar nu Brussel
ligt lag het Saint Gaugericus Island, Frans: île Saint-Géry, Hollands; Sint-Gorikseiland,wat
het grootste eiland in de Senne of Zenne was en vandaar komt ook Brussel, van Bruocsella
of Broekzele wat een nederzetting in een moeras betekent.
Naamgeving plaatsen. Zie onder
Volkoomen onder het kopje plaatsnamen voor meer en uitgebreide informatie en
wapens.
Oterleek, Schermer,
1256 Oterleke, 1289 Otterleec; leek met Fries oter; uitwaarts of buitenwaarts
en leek, de Kromme Leek stroomde vroeger van Hoorn naar Medemblik, leek of lek
zie je in het Engels als lake en in Frans als lac, ook de namen Aa’s en Ee’s
(Eems) slaan op water, Frans eau, Latijn aqua.
Medemblik, eerder
Medemolaca, Medemblec, 1312 Medemleke; middelste leek, de Kromme Leek, naar de
ligging tussen Oterleek en de Oosterleek. Er wordt beweerd dat het een zetel
der oude Friese koningen is geweest. Een slot, maar zeer veranderd, is door
Floris V gesticht om de Friezen in bedwang te houden. Oterleek, Schermer, 1256 Oterleke, 1289 Otterleec; leek
met Fries oter; uitwaarts of buitenwaarts en leek, de Kromme Leek stroomde
vroeger van Hoorn naar Medemblik.
Krommenie, bij Zaanstad, is een naam die stamt uit de 13de eeuw, van
Crommenye, Crommenee; kromme ee, een water tussen Wijkermeer en Langmeer of
zoals het vroeger vermeld wordt Y of Ye, de IJ; een water tussen Wijkermeer en
Langmeer.
Alkmaar, eerder
Alcmere, Alechmeer, Almere of Elmere,
Aelmere; binnenzee of van Allecmere; overal meer, het lag ingeklemd tussen
meren. Het kan ook van alke; modder, omdat het oude Alkmaar moerassig was en
dat vooral vanwege de ligging aan de Schermer; helder water, dat in
tegenstelling tot Alkmaar; modderig water. Alkmaar had maar een kleine zandrug
waarop wel wat huizen of hoeven gestaan hebben. De rest was moerassig en
waterachtig. Om daar te wonen moet je dus kanalen graven zodat je ook een
verhoging krijgt. Aan de straatnamen bij de kaasmarkt is dit nog te zien.
Houttil, waar til een ophaalbrug is, een oversteekplaats met een houten brug.
Laat is een afwatering en gedempte Nieuwesloot. Dat moerassige land ging wel
door tot de haven van Oudorp waar het vroegere Voormeer liep. Het Voormeer liep
mogelijk tot de Mient (West-Fries voor meente, algemene weide). Zo is het
Verdronkenoord, Groot en Klein Nieuwland daar wel uit gevormd. Dat Voormeer had
door een vernauwing, het Zeglis, een verbinding met de Schermer en andere
wateren, dat werd ’s avonds met een op het water drijvende balk, zogenaamde
boom, afgesloten. Zie het biermuseum “ de Boom”.
Maar rond 1250 was er de strijd om de Friezen te onderwerpen. Die is
lang geweest. Al in 993 sneuvelde graaf Arnoud in de buurt van Winkel tegen de
Friezen. De Roomse koning Wilhelm of Willem II wilde de Friezen ook onderwerpen.
In het zuiden had hij geen last, daar liep het kanaal van Egmond naar Oudorp en
bij Heiloo kwam daar de Herenweg bij. De Westerse weg eindigde dan bij Vroonen,
de hoofdstad van de Friezen die daar wel een versterking gehad hebben op de
plaats waar nu nog resten van een oude burcht staan. Dus aan die kant moest hij
de Friezen observeren en maakte daartoe een afslag van de Westerse weg die nu
nog naar hem heet, de Koningsweg. Die liep tot aan de Herenweg. Rond die hoek
bouwde hij een kasteel, Torenburcht, nu vervallen maar leeft in de straatnaam
Torenburg nog voort. Van die sterkte voerde een dam naar de Koningsweg die
deels Dijk heet naar de oorspronkelijke gedaante. Die voerde naar de Kooltuin,
de tuin van de daartoe behorende hof. Waarschijnlijk liep die weg langs de kerk
die nu nog opvallend scheef in de stad ligt en niet aansluit op de Langestraat.
Het was dus een vestingstad, Willem II bracht daar dus bouwlieden en
waarschijnlijk ook een leger. De stad groeide dan zeker door die activiteiten.
Zo werd Alkmaar groter en kreeg het van Willem II enige rechten in 1254
waardoor het zelfstandig werd. Maar het zat Willem niet mee, hij werd in Hoogwoud
verslagen, zakte door het ijs en werd afgemaakt op 28 januari 1255.
Bij edelen houdt de strijd dan niet op. In 1294 kwam graaf Johan of Jan
die dan Vroonen verwoestte op 27 maart 1294. Waarschijnlijk waren de Friezen
ook wel verzwakt vanwege de overstromingen en de vorming van het IJsselmeer
waardoor de achterban moeilijk bereikt kon worden. Dus is Alkmaar al die tijd
wel een legerplaats geweest. Door de vernietiging van Vroonen kwam het centrum
nu te liggen in Alkmaar. En vooral omdat de Beemster en Purmer en andere
polders droog gelegd werden waardoor de handel zich nu op Alkmaar concentreerde
die een goede ligging en vaarwegen had. Ook omdat Oudorp zijn haven zich
verplaatste naar Alkmaar waar het bekend is als Luttik (klein) Oudorp.
Volgens anderen, die Alkmaar graag oud zien, is het afgeleid van
Germaans alha; tempel of huis. Lijkt onwaarschijnlijk gezien voorgaan en omdat
alle oude wegen om Alkmaar gaan richting de eerder belangrijke plaatsen Oudorp
en Vroonen.
Rond 1500 had de stad een 3000 inwoners, rond 1800 een 8000.
Berkmeer, 1639 Berckmeer, meer met op de oevers berken.
Gouw; Gouw; weg
langs water, midden Nederlands gou, goo, meervoud ghouwe, in gaweg of goweg;
streek- of dorpsweg, zie Delfgauw, zo’ n belangrijke weg liep vaak langs water
en zou ga of go als water zijn opgevat zodat gaweg of goweg weg langs water
ging betekenen, tenslotte verdween ‘ weg’ en bleef gas of go over. Ook in Gaag
of Goog, ouder Golda; gouden water, zie Gouda, a; water, vergelijk Henegouwen.
Vele streken in N. Holland heten gouw.
Landsmeer, 1326
Lansmeer; meer in Land; streek tussen Waterland bij het IJ.
Opmeer, Upmere, 1343
Opmeer; aan het meer, naar zijn vroegere ligging.
Wogmeer, bij Obdam, 1343 Wogmeir; meer van Wogo.
Wormer, bij Purmerend,
eerder in Wermere, 1280 Wormare, 1343 Wermer; wand van gevlochten tenen in een
meer, of van warm water, zie Warmenhuizen.
Wormerveer, bij
Amsterdam, 1575 Wormerveer; de overzetplaats over de Zaan als verbinding tussen
de Wormer.
Vele
plaatsen met horn er in waren toen vermoedelijk havens, horen; iets waarin je
wat bewaart en zo haven of horn of als hoek waarin je beschut liggen kon.
Avenhorn, bij Hoorn, in
1312 Lutekedrecht, 1396 Lutticdracht; kleine overtocht, 1457 Avenhorn; haven
van Ave.
Barsingerhorn, bij Schagen, 1289 Bersincshorne, 1396 Bersingerhorn; haven van Bersing.
Dirkshorn, onder Schagen, 1573 Dierickshorn; haven van Diederik.
Hoorn, 1298 Hoerne,
1312 Horne; haven.
Schermerhorn, bij Alkmaar op wat ooit Schermereiland genoemd werd, 14de eeuw
Den Horn, 1573 Schermerhorn; haven bij de Schermer, die laatste heette in de 11de
eeuw Skirmere, van skir; helder en meer.
Tuitjenhorn, bij Warmenhuizen, 128 Tutinghehorne, 1289 Tutinchorne; haven met een
uitvaart omdat er lang geleden een begraafplaats was, onwaarschijnlijk, eerder
een haven die er buiten lag en naar Schagen voerde.
Uithoorn, bij
Mijdrecht, 1292 Uthornen; buitenwaarts gelegen haven.
Er werden grachten gegraven, Gracht,
Graft of Greft, van graft of delven, zie Assendelft en Delft, in
Beverwijk noemt men een delf een sloot, in Zeeland noemt men een sloot dulf.
Graft, bij de
Rijp, eerder Greft, 1420 graft; gracht of sloot.
De
Rijp,
1346 Ripe, 1573 Ryp; oeverkant of smalle strook, was in de 14de eeuw
niet meer dan een kleine bij Graft behorende buurtschap en was gesitueerd op
een strook langs de zuidelijke rand van de oudste bedijking. Vandaar de
aanduiding "rijp", dat wil zeggen oeverrand. De Rijp had een
belangrijke haven van waaruit men op walvisvaart ging. Ook Zaandam is nauw
verbonden geweest met de walvisvaart, wat nog in het gemeentewapen gezien kan
worden.
Zijlvest: een vestiging
op een belangrijke plaats, er werden sluizen bij gebouwd voor de ontwatering,
dat werd een zijl genoemd zoals ‘Haarlem te Zijl”. Die zijn heet in Oud-Fries sil;
Midden Noord-Duits sîl en in Zeeland sas. In Gronings zielvest of
zielvestenij. In de betekenis „sluis” is het woord vooral in het oosten
van ons land bekend geweest en nog in Friesland en Groningen.
Waterachtige gronden waarbij het
ene stuk grond met het ander verbonden werd, een dam, zie de damplaatsen als;
Amsterdam. In 203 kwam Amsterdam onder water te staan door de Kennemers die de
dijk doorstaken zodat het zeewater tot Breukelen vloeide en men met de boot
naar Utrecht kon varen en de rest werd in brand gestoken. Dat gat zou het jaar
daarop gedicht worden, maar het was te diep waardoor men genoodzaakt was een
dam in de rivier Amstel te leggen, dus Amstels-dam, daar waar nu Papenbrug is,
daarna kwamen er sluizen die meer terug gelegd warden zoals op de Middeldam.
Heeft veel te lijden gehad van grote stormen als in 1169 waar kastelen weg
spoelden, duinen overliepen, mensen en vee verdronken, ook in 1412 en 1400,
1570 was er een geweldige storm waar volgens oude schrijvers wel 400 000 mensen
omkwamen, de Allerheiligenvloed. In 1665 had men pest, daarop oorlog te water
en daarna te land, dijken braken en mensen kwamen om, ook in 1675. Amsterdam is
vooral gegroeid na de stormen die de Zuiderzee vormden en het zo een toegang of
haven gaf tot de Noordzee. Vooral toen Stavoren verzandde werd de haven steeds
belangrijker.
Edam, eerder Eedam,
1357 Yedamme; dam in de Ee.
Monnickendam, 1346
Monickedijc, 1532 Monnckendijck, naar de dijk die op de 12de eeuw
werd aangelegd en nu verdwenen is. Mogelijk gesticht door Friese monniken, die
hadden een klooster op Marken.
Spaarndam, bij
Haarlem,1334 Sparndam; dam die rond 1220 gelegd is in de Spaarne.
Volendam, 1573 Follendam,
naar de in 1357 aangelegde dam waarmee de voor Ye van de zee werd afgesloten,
vollen; vullen.
Zaandam, verdeeld in
Oost en Westzijde, in 1214 in Sadne, 1316 Zaenderdam; dam bij een bron.
Soms wat lagere gronden met
brak, braak of broekachtige grond, waar
dijken doorbraken en waar meer heesters als wilgen groeiden,
Benningbroek, bij Hoorn,
1343 Benningbroec, 1396 Benningbroec; drassig land van Benno.
Broek in Waterland, bij
Monnikendam, 1342 Broec, 1420 Broec in
Waterlant; drassig land bij Monnikendam.
Hensbroek, bij Alkmaar,
1312 Hensbroec, 1343 Hensbroeke, 1480 Hensbroeck, drassig lang van Hein.
Grootebroek, Lutjebroek, 1312
Lutekebroec; 1507 Luttekenbroic; lutje of lutke: klein laagland, dat woord is verwant met luttig, luttel, Fries lijts wat
je ziet in Lijtsewierum voor
Lutkewierum en Engels little.
Klein genoemd tegenover Grootebroek.
Lutjewinkel is zo een
kleine hoek, bij Niedorp, 1745 Lutke
Winckel; kleine hoek, men sprak van achter winkels in de zin van schuilhoeken
en noemde hoektanden ook winkeltanden, zie hoek in winkelhaak, omdat nu bij
eenvoudige en vooral kleinere plaatsen slechts een hoek van het woonvertrek
afgezonderd werd voor de handel en waarom ook een toonbank hoekbank heette, zo
kreeg de winkel, in afgeleide betekenis, de zin van verkoopplaats.
Winkel, 1289 Winckele, 1342 Winkel; hoek van een huis of ingesloten stuk land.
Spanbroek, bij Hoorn,
eerder Spanbroech, 1343 Spambroek; drassig land van Span of van spang; vlonder.
Andere natte plaatsen.
Akersloot, eerder Ekkerslato, Akersloet; akker met
sloot. Acker is in het Middelnederlands een akker, maar ook een
landmaat, vooral in de noordelijke gewesten. In Vollenhove, Kuinder en
IJsselham was 1 akker 28 voet (30cm) breed en in Drenthe 24 voet. In een
verstoeling van het Lange Loopveld onder Amstelveen van 20 december 1486: „ende
deze negen hoven ende vier halve hoven hebben zevenhondert ende anderhalve ackeren”.
Uit de mededeling daar dat elke acker een roede in het Lange Loopveld te
onderhouden had zou men kunnen afleiden dat alle akkers even groot, dus van een
bepaalde maat waren.
Heeft echter
drie eikels in zijn wapen als verwijzing naar aker, aecker of eikel. Zie
Akerbaan, Akerbuurt, Akerpolder en Akerendam en lang geleden was er te
Amsterdam op een gevelsteen, hoek Damrak en Kapelsteeg een eikel te zien met
het onderschrift; D’ aker. Zie ook de naam aardaker voor Lathyrus tuberosus.
Ook zou het sloot af kunnen stammen van een vorm van lo; hoogte, het ligt op
een zandrug.
Berkhout, Berkou of
Berkwout, bij Hoorn, 1312 Berchout;
land waar berken groeien, dus ook vochtig,
Delft, van delven,
de naam van een sloot.
Assendelft, Assendelft,
bij Zaanstad, 11de eeuw Asmedelf, 1342 Assendelf; sloot van Askmanna
of Noormannen of vanuit het erbij gelegen Assum begonnen.
Weide
of bouwlanden.
Blokker, verdeeld in Ooster en Wester Blokker, al in de 13de eeuw
onderscheidde men een oostelijk en westelijk Blokker. In 1312 bloecwere,
blocwer, een
verwijzing naar het rechthoekige en vierkante land dat beloken of besloten werd
door de twee sloten die aan weerszijden van het land zijn gelegen. Zie ook Blokdijk, Blokhuizen, De Blokken en
Blokum.
Het erbij
gelegen Zwaag is een naam die meer voorkomt. 1312 Svaech, 1396 Zwaech; weiland, swaech
’weide, weidestreek of laag gelegen land’ en
verwant met Middenhoogduits sweige, sweig; „rinderherde”,
en daartoe bijbehorende weideplaats, sweigerîe; sweigguot, -hof,
kœse, -kue, -lehen, -mate en anderszin, een swad is een
rij afgemaaid gras. Dus een weideplaats die beschermd moest worden door er
een dijk bij te bouwen, Zwaagdijk.
Hier en daar zag je ook nog een
verhoging waar bomen op groeiden en zo de wouden
ontstonden
Aartswoud, bij Hoorn,
1312 Nedartswoude, 1342 Edaertswoude; woud van Edaeert.
Hauwert, in 1313
Oudeboxwoude; oude bos van Bok, genoemd ter onderscheiding van het nieuwe
Nueweboxwoude dat nu Nibbixwoud heet, in 1494 echter Hauwaert. Hauwert komt
niet zomaar uit de lucht vallen hoewel je hier geen terp ziet; hauw kan
gemeenschappelijke grond betekenen of beter hof, wert is wierde. De weg
eindigde vroeger in Hauwerter Zak wat ontstaan is door een overstroming tussen
Hauwert en Wervershoof, de Neuvel. Daarna is Zwaagdijk gebouwd en verloor
Hauwert zijn doorgaande functie.
Hoogwoud, bij Hoorn, 1312
Houchoucwoude, 1343 Hogoutwoude; woud en oud dat hoog gelegen is. De daar
aanwezige doopvont is die waarin de Friese koning Radboud reeds een voet in had
gezet toen hij aan bisschop Wulfram vroeg of dit de weg was om in de hemel te
komen. Op het bevestigend antwoord zei hij verder; ‘maar hoe is het dan met
mijn vader, grootvader en al mijn voorouders gegaan want die zijn niet gedoopt,
zijn die dan niet in de hemel?’ ‘Neen’, zei Wulfram, ‘die niet, alleen gedoopte
Christenenkunnen kunnen er komen’. ‘Dan wil ik niet gedoopt zijn’, sprak
Radboud, ‘ik ben liever met mijn vaderen en heel mijn geslacht buiten de hemel
dan met u en de uwen er in’. En hij trok zijn voet terug en ging heen.
Nabij Hoogwoud was het dat graaf
Willem II, de Roomse koning op zijn tocht tegen de Friezen door het ijs zakte
en afgemaakt werd op 28 januari 1255.
Midwoud, bij Medemblik,
1312 Midwoude, 1396 Midden-oude; woud, vochtig bos dat in het midden ligt
tussen Oostwoud en Westwoud.
Nibbixwoud, bij Hoorn,
1312 Nueweboxwoude, 1396 Nyeboxwoude; nieuwe Boxwoude ter onderscheiding van de
oude, Hauwert, dat ook Boxwoude heette; vochtig bos van bukshout wat niet
waarschijnlijk is, beter van de naam Bok.
Oostwoud, bij
Wervershoof, 1312 Oestenwoude, 1396 Oestwoude; woud, vochtig bos dat oostelijk
gelegen is, ligt wel westelijk van Westwoud en niet oostelijk. Dat duidt er op
dat de ontginning van het Westfriese woudengebied van twee kanten ondernomen
is.
Westwoud, 1313
Westenwoude, 1336 Westen woude; westelijk woud ten opzichte van Oostwoud.
Schagen, Schagen, eerder Scagha, Scagon, 1180
Scagen, van saga; een bosje, dus een hoger gelegen plaats waar gebouwd kon
worden.
Lambertschaag, bij
Medemblik, 1312 Lambrechtcoch, in 1396 als Lambrechtkage, naar de
kerkpatroon van het naburige Abbekerk, H. Lambertus, kage, kaag of koog;
buitendijks gebied, later ook tot skagen, skaag en schaag, zie Schagen.
Scharwoude, bij
Grosthuizen, 1311 Scaderwout, 1312
Scaderwoude; vochtig bos op slijkerige grond of Middelnederlands scaer;
aan een steile oever.
Heim,
Hiem of heem;
woonplaats, vaak tot hem verkort en als er een c of k in voorkomt, ook wel n en
in cum of kom veranderd of in um eindigen. Dit zijn vermoedelijk alle wat
oudere plaatsen.
Bakkum, 1420 Bachem; woonplaats van Bakke of van Germaans baka; welving of
hoogte.
Bussum, bij Naarden,
1306 Bussen; bos, de uitgang um staat onder invloed van plaatsen als Hilversum.
Blaricum, bij Naarden,
1307 Blarinchem, 1342 Blarichem; woonstede van Bladheri.
Castricum, bij Bakkum,
ooit Castringchem, Latijns castri; legerplaats, en heem; woonplaats. Maar de
locatie van Castricum was, zo men meende, in de Romeinse tijd ver buiten de
grenzen van het rijk en er is nooit een permanent Romeins legerkamp geweest. De
Romeinen gingen tot de Rijn, maar de Rijn liep toen wel tot Egmond, zie Egmond.
Mogelijk speelde die vestiging een rol bij de opstand der Friezen tegen de
Romeinen in het jaar 28. Dat werd tot de slag van Badehenna waar een 900
Romeinse soldaten sneuvelden. Bij onderhoud aan de Velser tunnel zijn 2
Romeinse havenforten gevonden, ook skeletdelen van drijvende lijken en een
officier onder veldkeien begraven. Verder slingerkogels, dan zou daar het
Badehenna geweest zijn waar die slag tegen de Friezen plaatsvond.
Etersheim, onder Hoorn,
1277 Eitersem, 1342 Ettersem, 1393 Etershem woonplaats van Eiter of afgelegen
plaats
Haarlem, Haerlem,
eerder Haralem in de 10de eeuw bij een inventarisatie van Utrechtse
bezittingen waar het vermeld wordt met 3 boerderijen, van hem of heem of heim’
woonplaats, en harula van haar; zandige rug.
Hallum, bij Egmond
Binnen, bij het huidige Adelbertusputje. Hallum: Angelsaksisch holm: zee,
vergelijk helmplant. Dat werd eerder
gespeld als Heckmunde, Ekmund, Egmunde, zelfs Heckmunde en Haecmunde waar ook weer de Eg en mond in voorkomt. Of
van Aeg: zee, mund is hand of bescherming, dus een monding, dat van de Rijn.
Hem,
bij
Hoorn, in 1343 genoemd als Rottaerdshem en in 1396 als Hem; woonplaats. Ook
werd him of hem wel een binnenpolder genoemd.
Heemskerk, eerder
Heimezenkyrke, 1345 Hemeskerke; eigen kerk van Heimezo.
Heemstede, bij Haarlem,
eerder Hemstede en Heemstenden, uit heem; woonplaats, en stede; plaats.
Hilversum, in 1305 Hilfersem of Hilvercem; woonplaats van Hilfert of
tussen de heuvels.
Huizen, bij Naarden,
1381 Husen, Huyssem, 1396 Husen; met heem en een samenstelling van huis
Kinheim, van Cynhâm:
geschikte woonplaats, heem, of Cannin: 100, naam van de (C)Kaninefaten, de
Kennemers, ze werden van de Friezen gescheiden door de Rijn dat daar Kynheim
heette en van de Rijn via de Vecht naar Egmond liep, zie Egmond .
Loenen, bij Utrecht,
eerder Luona, Lonen, Lona bij Melis Stoke, van Luna; de maan, omdat de maan
hier vanouds is aanbeden, zie Hazelunen, Luningen en dergelijke. Sassenheim,
Sassenheim, eerder Sasheim,
Saxheim, 1358 Sasnem; woonplaats van Saxo of Sakser, zie Sexbierum.
Wognum, bij Hoorn, in
1063 als Woggunghe in de abdij van
Echternach, 11de eeuw als Wokgunge in een oorkonde die ook spreekt
van een kapel waar nu de N. H. Kerk staat die aan de abdij van Limmen behoorde,
later Wagnem; woonplaats van Woggo.
Ook waren er zandgronden die
geest- of gaastgronden genoemd
werden, soms groter of kleiner en soms wat uitgerekt. Geest (gheest) is een wat
hoger gelegen zandgrond en vaak ook wat minder vruchtbare grond. De Friese vorm
is gaast en gast, zie Gaasterland, hoewel in Friesland de
naam ook in plaatsnamen voorkomt: Rinsumageest, Westergeest en Wijgeest
(Kollumerland) en ook elders: De Geest in Zundert. In een uitspraak van
's Graven raden omtrent geschillen in West Friesland van 1319: „Item segghen
wi, dat di gheest van Vroenen” — de zandstrook waarop nu St.
Pancras ligt — „dicken ende wateringhen maken sal” (van Mieris II, 212b).
Oegstgeest, eerder Osgeresgeest, 1201 Osgest; akker op geestgrond van Osger.
Uitgeest, bij Beverwijk, eerder Hutghest, 1162 Utgest; buitenwaarts gelegen geest
of akkerland die daar een einde neemt.
Overige;
Amersfoort,
eerder Amsvorde, Hemesfurt en Heemsfurt, genoemd naar de rivier de Heem
of Heem, betekent zoveel als fort van de Eem, fort kan ook van forde; een
doorwaadbare plaats betekenen of van furt of fort wat overtocht betekent, zie
Frankfort, Erfurt, Steinfort etc.
Anna
Paulownapolder, bij Alkmaar, is ingedijkt in 1845 en 1846 en genoemd naar
de gemalin van koning Willem II.
Bergen, bij Alkmaar,
1230 de Barge, later Barghen; bij de bergen
Beverwijk, bij Haarlem,
eerder Beverhem, Beorhem; plaats van bever. Of Bever is beevaart, bedevaart,
omdat het in de eerste helft van de 11de eeuw naar de patrones van
de kerk Agathakerk, Agathenkiricha geheten is.
Bobeldijk; bij Blokker, 1608 Bobeldyck, mogelijk naar de waterbies die er groeide
en dijk.
Breezand; brede zand.
Binnenwijzend, bij Hoorn,
1312 Binnenwisen, 1494 Binnewysen; dijk en waternaam Wijzend, vergelijk
Oosterwijzend, het wijst het gebied aan ten zuiden van Westwoud en werd daarvan
door een dijkje gescheiden dat in 2010 weg gehaald is. Of dat wijzend van
aanwijzen komt, die wijst naar een waterkering aangewezen van de overheid, het
dijkje.
Callantsoog, bij Schagen,
eerder Callinge tot Kallinge, 1396 Calense, samentrekking van ’t Oghe, eerder
een eilandje in de kop van N. Holland en Calense; het dorpje op dat eiland,
oog: eiland, oog is een oud Fries woord voor eiland, âge: eiland, zie
bijvoorbeeld Schiermonnikoog, eiland van Kallo. Het heilige eiland der Friezen?
Datheiligdom
van moeder Aarde wordt door Tacitus aldus beschreven en de godin wordt door hem
Nerthus genoemd; ‘ Op een eiland in de oceaan vindt men een maagdelijk woud en
daarin met een kleed overdekte gewijde wagen. Alleen de priester mag die
aanraken. Hij weet wanneer de godin onder het deksel gekomen is en volgt haar,
die door 2 koeien getrokken wordt, eerbiedig na. Dan heeft men vrolijke dagen
en feesten op alle plaatsen die zij met haar bezoek verwaardigt. Men begint
geen oorlog, sluit alle strijd op en kent vrede en rust totdat diezelfde
priester de godin, nu verzadigd van het bijzijn der stervelingen, naar het woud
terug brengt. Vervolgens worden de wagen en kleren en zelfs de godin in het
meer afgewassen. Die dienst wordt door slaven verricht die het meer terstond
inzwelgt. Vandaar een geheimzinnige schrik en heilige onbekendheid met dat wat
niemand ziet dan in de schaduwen des doods.’ (Tacitus d. Mor. Germ.40.)
Van
Eeden; ‘Callantsoog heette eerder Callinge, een naam die me onwillekeurig
herinnert aan Caligula. Nemen we in aanmerking de richting van de oude Romeinse
heirweg, wiens overblijfselen in de Anno Paulowna polder zijn gevonden, dan is
er niets vreemds in het denkbeeld dat Caligula over deze weg zijn tocht naar
het Noorden heeft gemaakt en dat hij zijn naam gaf aan de plaats waar die weg
eindigde’.
Camperduin, Kamperduin,
bij Schoorl, eerder Campthorpa, 1639 Camp tot Camper Duyn; afgesloten hooiland
dat zich later ontwikkelde met en tot duin. Catrijp, bij Schoorl, 1745 Catryp; strook land, vooral langs het
water. Het woord kat kan verschillende betekenissen hebben, zie Katwijk
Eembrugge, ligt aan de
Eem, bij Eemnes, 1346 Eenbrugghe, waar een brug over die rivier geslagen is, in
Latijn Emi-pons.
Eemnes, 1306
Emmenesse; in water uitstekend land in de rivier Eem, een dorp van Eemland, was
vanouds zeer groot.
Enkhuizen, Enkhuizen, 1312
Enchusen, 1343 Enghusen; eng bijeen liggend bouwland.
De Goorn, bij Avenhorn,
ca. 1312 als den Gore, oude naam voor goor; modder- of slijkland.
Groet,
bij
Schoorl, eerder Grothen en in 1343 als Groeden: vruchtbare
kleigrond. De plaatsnaam zou verwijzen naar het groeien, het feit dat het
gebied waarin
Groet is gelegen ooit
buitendijks is aangeslibd en daarna begroeid is geraakt.
Egmond
aan
zee, 1514 Egmondt up tzee; aan zee gelegen Egmond; een enge monding, eerder Heckmunde: mond, wat uitloop van een stroom
betekent en van Eg: eng. De eerdere uitloop van de Rijn.
Egmond aan den
Hoef,
1465 op den Hoef in den ban van Egmond, 1573 De hoeff tho Egmonde; hoeve bij
Egmond.
Egmond
binnen,
922 Ekmunde, later Egmunda en Hallum, de plaats die verdwenen is en bij het
huidige Adelbertusputje lag, zie Hallum.
Hargen, bij Schoorl,
eerder Horgana, Haragum, in 1420 Hargan; heiligdom of offersteen. Angelsaksisch
Härg: kerk.
Petten, bij Zijpe,
1224 Putthem, eerder Pathem of Padhem, heim; plaats en pad: moeras, dus een
laagte net zoals Putten, lage plaats of kuil. Het is mogelijk het zeedorp dat
eerder als Portus Epatiacus de voorhaven was van de koopstad Vroonen waar
Willibrordus de vijfde christenkerk in Nederland oprichtte. Petten lag veel
verder westwaarts en is waarschijnlijk
meerdere keren oostwaarts geplaatst totdat het eindelijk achter de
tegenwoordige zeedijk een veilige plaats kreeg. Het bestond vroeger uit twee
gedeelten, het ene in de Zijpe ten noorden en het andere in het zuiden in de
Hondsbos naar de zijde van Camperduin.In 1170 stroomde het water bij Petten over
de duinen en akkers.
Heerhugowaard, 1343 den
Waert, 1630 Heerhuygenwaert; in water gelegen land met het tweede deel dat
genoemd is naar de baljuw Hugo van Assendelft die een waterkering had laten
aanleggen tussen de nog niet bedijkte Waert en de niet ingepolderde Schermer,
zogenaamde Heer Huygendijk.
Heiloo, Heiloo, 11de eeuw
Heiligenlo; heilig lo; bos, naar voorchristelijk heiligdom, de runksputte of
runxputje, van runen; geheim, mogelijk naar een eerder heiligdom. In de nacht
van 8 op 9 december 1713 werd het Maria bron. Naar de overlevering is op die
plek water uit de grond gekomen door een gebed van Willibrordus en dat het
daarom geneeskracht heeft. Een hoogte niet ver van het dorp waarop naar men
zegt de heilige stond als hij preekte heet nog de Preekstoel.
Den
Helder,
1577 Helderbuyert, 1639 Helder; helling, aflopend stuk land aan zee.
Hippolytushoef, op Wieringen,
1342 Ypolshof, 1396 Ecclesia beati Ypoliti; hoeve met grondstuk. Caesar maakt
gewag van de Villa Cryptoricis die op Wieringen zou zijn gelegen welke naam
door de eerste christen zendelingen met behoud van de klank in die van de
heilige is veranderd.
IJmuiden, bij Velsen,
is ontstaan na het doorgraven van Holland op zijn smalst die toen maar een paar
kilometer breed was en de eerste spade werd in de grond gestoken op 8 maart
1865 en november 1876 werd het kanaal voor scheepvaart geopend. Uitgang muiden
betekent riviermond, zie IJsselmuiden, Genemuiden, Arnemuiden etc.
Den
Ilp,
bij Ilpendam, genoemd naar het gelijknamige water.
Jisp, bij Purmerend,
oudtijds Gisp geheten, 1344 Gyspe, 1438 Jhispe; gistende of borrelende water.
Katwijk, bij Rijnsburg. De stam der Katten uit het land
verdreven hebben zich om de oude mond van de Rijn gezet en de naam van beide
Katwijken is hiervan afkomstig. Bij Katwijk aan Zee was er vroeger een slot,
het machtige Huis te Britten, ook Brittenburg geheten. Zou gesticht zijn door
Agrippina, de vrouw van Germanicus, is door de zee verzwolgen. Waar
Willibrordus uit Brittannië gekomen is wordt het huis ter Britten of
Brittenburg genoemd. Dat zou zijn bij de monden van de Rijn waar een eiland lag
met de naam Brittia, recht over de monden van de Rijn, tussen de eilanden Thule
en Brittannië. Dat grote eiland werd door 3 volkeren bewoond, Engelsen, Friezen
en Britten en van Brittannië onderscheiden. Zie Tiel.
Kwadijk, bij Purmerend, 1396 Codijck, 1481 Koedijk, 1639 Quadijck;
van koedijk.
Langedijk, een streek
van vier dorpen, namelijk Broek, Zuid Scharwoude, Noord Scharwoude en Oudkarspel.
Ze kregen in 1415 als een plaats stadsrechten van Willem VI die al in 1426
ingetrokken werd.
Limmen, bij Alkmaar,
wordt in de 10de eeuw al vermeld als Limbon, 1108 Limbon, 1108
Limben; naar een water de Limb, dit komt uit een betekenis ‘ de moeizaam
stromende; waarbij men erop wijzen kan dat het zeegat bij Egmond waar onze
rivier in de zee stroomde in de 9de eeuw verzandde, dus zijn
stroomsnelheid heeft verloren.
Marken, bij
Monnickendam, eerder Makerhoevede, 1345 Markerhoefde; mark; grensmarkering,
later in de betekenis van eigen marktorganisatie.
Muiden, Muiden,
Muyden, eerder Amuthon, Amude; de mond van de Aa ofwel de rivier de Vecht.
Naarden, eerder
Naruthi, Naerdinc, in 1233 Neerdinc, Naerdinx of Nardinck omdat ze naast de
Zuiderzee ligt of van de nauwe zeestraat.
Nieuwe
Niedorp,
bij Alkmaar, 1206 Nyedorp, Nyeuwe Nyerop; nieuwe Nieuwdorp, dat tegenover
Oudorp .
Oosthuizen, bij Edam,
eerder Asthusa minore, 1345 littic Oesthusen, 1507 Luttikenosthusen; oostelijk
gelegen klein dorp ten opzichte van Groot Oosthuizen dat nu Groshuizen heet.
Oostzaan, bij Zaandam,
1318 Oestzanenden, 1343 Oestsaenden; oostelijk gelegen van de water Zaan. Westzaan, bij Zaandam, 1318
Westzaenden, 1396 Westzanen; westelijk gelegen van het water de Zaan ter
onderscheiding van Oostzaan.
Petten, bij Zijpe,
1224 Putthem, eerder Pathem of Padhem, heim; plaats en pad: moeras, dus een
laagte net zoals Putten, lage plaats of kuil. Het oude Petten lag veel verder
westwaarts en is waarschijnlijk meerdere
keren oostwaarts geplaatst totdat het eindelijk achter de tegenwoordige zeedijk
een veilige plaats kreeg.
In 1170 stroomde het water bij
Petten over de duinen en akkers.
Purmerend komt in 1355 voor als dorp, 1396 Purmereynde; het einde van de polder
Purmer.
Sassenheim, bij Warmond, eerder Sasheim, Saxheim, 1358 Sasnem; woonplaats van Saxo
of Sakser, zie Sexbierum.
Schellinkhout, Schellinghout,
bij Venhuizen, 1312 Scellinchout, 1396 Scillinchout; hout en ruzie of geschil
of van beter van grens.
Sint
Pancras,
in 1506 Ecclesia S. Pancratii, 1639 Sint Pancraes; naar de Heilige Pancratius
of Sint Pancras, een van de ijsheiligen. Eerder heette het Vroonen, Vronen, eerder Fronlo, gewijd aan Frô: zonnegod, lo; bos,
looibos of verhoogd bos, meest eikenbos. In vroon ligt oorspronkelijk de
betekenis van iets heiligs, meer dan alledaags. Vroonland is een land dat een
heer toebehoort, vroonwateren waarin je niet mocht vissen, vroonvis waarmee
meestal de zalm werd aangeduid, elft en steur. Ook Franeker betekent vroonakker.
Schoorl, in de tiende
eeuw als Scoronlo, 1094 Scorla,
1343 Scoerle; lo; bos, zie Heiloo, score; oeverland, Engels shore, Deens skaar, verwant aan
Angelsaksisch syran: schuren, scherp afsnijden of steil, betekent stijl bos op
oeverrand, zie Engels shore en Schoorldam.
Sint Maarten, bij Schagen, 1319 Ste Maertijn, 1396 Ecclesia beati Martini, zie
Maartensdijk die dezelfde afbeelding heeft in het gemeentewapen.
Terschelling, 1296
Schellinghe, 1398 die Scellinghe, strijd of scheiding, grens. Van Eeden;
‘Volgens de oude schrijvers waren Terschelling en Ameland in de 7de
eeuw nog aan Friesland, als een gedeelte van Oostergoo, verbonden en wat
Terschelling tot de 13de eeuw slechts door een smalle stroom, het
Flie, van Vlieland, beter Flieland, gescheiden. Door die schrijvers wordt het
inbreken van de Zuiderzee aan de monniken toegeschreven die om het water af te
voeren van hun landerijen kanalen groeven waarmee de zee een gemakkelijke
doortocht werd gebaand.’
Texel, Tessel, van
Germaans theswar; rechts. Van Eeden; “ Toen een negentien eeuwen geleden de
Romeinen onder Drusus een sterkte op Texel bouwden was, (Den Burg) volgens de
overlevering, de Haaks, thans een grote zandbank ver ten westen van het eiland,
niet alleen met Texel verenigd, maar zelfs met een dicht woud bedekt, nog
tegenwoordig vinden vissers er takken en boomstronken. Voor de 9de
eeuw was Texel met Wieringen verenigd en vormde met een groot deel van N.
Holland een graafschap of gauw, in de oorkonden Tyesla genoemd die ten zuiden
grensde aan Kennemerland. Het Marsdiep was toen waarschijnlijk een van de
uitlopers van de IJssel.’
Twisk, bij
Medemblik, 1311 Tvisken, 1345 Twisch; tussen, een plaats die tussen anderen is
gelegen.
Velsen, eerder
Felisun, ook Velison, 15de eeuw Velson; stromend water bij wilgen.
Heette ook wel Bevervoort, vrijwel gelijk met Beverwijk.
Vreeswijk, Vreeswyk, bij
Nieuwegein, eerder Fresionowic, 1217 Vreswik; plaats van de Friezen.
Wadway, bij Opmeer,
eerder Waddeweye; 1312 Watwey; wad; doorwaadbare plaats, en way, Fries wei; weg.
Wervershoof, eerder
Warfartshove, 1344 Walvairshoeve, 1499 Werfertsoeff, in oude kroniek van
Medemblik wordt gesproken van Werenfrits Hoeve, nu Werferts Hoof, dat naar de
H. Werenfrid die als volgeling van H. Willibrord daar gepreekt zou hebben. De
wierde en de hoeve zijn nog duidelijk zichtbaar in de Neuvel, het oude centrum
van Wervershoof; werf, een hoeve op een werde of wier. Deze plaats werd op een
landkaart van 1288 Werfaertshof als een banne (rechtsgebied) genoemd.
Wieringerwaard, bij Zijpe, 12de
eeuw Wirense, Wirensi, 12de eeuw Wirom, Wiron, Wireon, in 1858
Wieringerwaard; land aan water, vergelijk Waarland dat behoort bij Wieringen. Wieringen met het suffix ingi zoals in
Callantsoog, hoogte of eiland.
Wijdenes, bij
Venhuizen, 1312 Widenesse, 1344 Wijdenesse; wijde nes; in water uitstekend
land.
Zandvoort, eerder
Santfort, 1343 tSantvoirden; zand en voorde, hier wel als droge weg tussen
drassig land.
Zandwerven, bij
Spanbroek, 1653 Sandwerven, een werf bij een zandrug.
Zijpe, bij Schagen,
van Middelnederlands sipen, tot sijpelen; klein slootje, de Sipe.
Oude Kaart van
Noord-Holland, uit collectie: Topografisch-historische atlas
Titel:
Hollands Noorderkwartier in 1288
Maker: Naar oude oorkonden
ontworpen door Mr. G. de Vries Az. ; Gegravd. d.C. Eckstein, Am. 1e Kle. Top.
Bur. M. v. O.
Uitgever: Bloemendaal :
Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland, [1958(?)].
Materiële
omschrijving: 1 historiekaart : in kleur ; ca. 80x60 cm.
Datering:
1288.
Waar geen verhoging waren
maakten men zelfs heuvels voordat men besloot dijken te maken rond 950.
Dat deed men door steeds wier aan te voeren waardoor sommige plaatsen wel meer
dan 9m opgehoogd werden. De laatste onderzoekingen hebben
aangetoond, dat de meeste terpen op de oude zware klei zijn aangelegd en in hun
onderste lagen veel mest bevatten wat op de aanwezigheid van vee wijst. De
meeste terpen zijn niet ineens gebouwd, maar langzamerhand hoger opgetrokken,
naarmate de vloeden hoger stegen. Dat deden ze met zeewier dat vroeger massaal
langs de kusten voorkwam, het wier of wiert, in Duits Wier, in vroeg Nederlands
en Oost-Fries is het wir, Angelsaksisch war betekent een zeekruid, mogelijk van
een vorm wir wat draaien betekent. Die naam zie je nog steeds overal terug. Het
zijn woorden die gebruikt werden voordat er dijken waren en er wier gebruikt
werd als ophoging tegen de aanvallen van de zee. Dijken en wierhoofden
werden gemaakt door dit wier op hopen in het water te gooien. Hoewel reeds kort
na de Romeinse tijd dijken werden aangelegd die het zeewater konden keren bleef
men met het bouwen van terpen zeker tot in de 8ste eeuw doorgaan;
ook nog later werd hier en daar een terp gemaakt voor een bijzonder doel,
bijvoorbeeld als veilige plaats voor een kerk, enz.
Bijna alle terpen werden
bewoond, de kleinere droegen een enkel huis of state; op de grotere
ontwikkelden zich gehuchten en dorpen, ja de steden in de kleistreken rusten
gedeeltelijk op terpen, onder andere Leeuwarden op twee terpen bij een inham
der Middelzee en op de kerkterp van Oldehove (Eekhoff, Beschrijving van
Leeuwarden I).
Wierden.
Wieren zijn kunstmatige
ophogingen in het land. Je moet het zo zien dat de eerste mensen langs de venen
en zandruggen naar de Wadden trokken en daar vermoedelijk palen met draden of
matten gemaakt hebben van mogelijk zeewier dat vroeger veel voorkwam, dat om
vis te vangen. Daar viel het wier met vis in en zette zich zand neer en met het
wier maakten ze een verhoging. Ze gingen dan steeds verder de Wadden in een maakten
daar nieuwe wierplaatsen die steeds hoger werden, soms wel tot 9 meter., omdat
het land daar lager en ze meer last hadden van de zee en de tijdingen. Hoe
verder je dus komt hoe jonger de terpen zijn. Voor de komst van de monniken
werden die dorpen niet beschreven, maar ze zijn wel oud en omdat de monniken
begonnen met verkavelen en dijken aan te leggen moeten de dorpen met wier of
iets dergelijks ouder zijn dan 950. De laatste onderzoekingen hebben
aangetoond, dat de meeste terpen op de oude zware klei zijn aangelegd en in hun
onderste lagen veel mest bevatten wat op de aanwezigheid van vee wijst.
De naam wierden zien we in het
oud-Hoogduits als Werfen wat ophogen betekent, zo is ook de naam via warf naar
werf ontstaan. De betekenis „hoogte” komt ook goed uit in „werve”, de naam van een soort van
kleine ronde stellen die men vroeger bouwde op de schorren en gorzen in
Zeeland. Die verhogingen werden in Groningen ook weerden genoemd, (wieren en
weeren). „Weer” vindt men nog in Groningen.
In Gelderland en Utrecht was in de
middeleeuwen de gewone vorm „weerd”; later ging die over in het jongere
„waard”. Dat in de benaming uterweerd
(uiterwaard).
Die uitgang wier, wird, werd,
wer, ward, warf, warven, waerft, werf, werve en dergelijke zie je door
Groningen en heel Friesland en zal dan ook vermoedelijk richting Antwerpen gaan
omdat de Friezen vroeger over dat gebied heersten voordat de grote stormen meer
meren maakten in die gebieden en later veroverd werden dor de Franken en
christelijk werden waardoor de namen vaak veranderden.
Het woord wier schijnt oudtijds
een ruimere betekenis gehad te hebben, namelijk die van hoogte in het algemeen. Want het Roode Klif, de natuurlijke
hoogte ten Zuidoosten van Stavoren uit het Pleistoceen van Gaasterland, heette
bij de oude Friezen Reawier, de naam wier staat dan voor een kunstmatig opgeworpen hoogte evenals terp,
maar in de regel kleiner dan een terp
en dan ook niet bebouwd of veelal nabij een boerenwoning of een state en ook
als hoge begraafplaats. Dat laatste wel omdat er op die hoogte vaak een toren
gebouwd werd ter bescherming, verder een kerk waar dan een begraafplaats bij
ligt. Werven of warven zullen ook naam hebben gegeven aan een groot gedeelte
van het tegenwoordige zuidoost Friesland, namelijk aan Stellingwerf waar
stellingen of stallingen waren, een soort van rechters, en aan Schoterwerf, dat
is Schoterland, een voormalige gemeente in het zuiden van Friesland gelegen
langs de Tjonger.
Terpen zijn dus groter dan
wieren, vaak een natuurlijke zandrug. Bijna alle terpen werden bewoond, de
kleinere droegen een enkel huis of state; op de grotere ontwikkelden zich
gehuchten en dorpen. Vandaar dat ook veel plaatsnamen in Friesland met „terp, therp, thorp en torp’ voorkomen.
Banne, vergelijk verbannen.
Het is dus ook logisch dat er op
die werf, warve, warf, waerft een openbare vergadering werd gehouden, een
banne, waarop landsbelangen, bestuur, wetgeving en rechtszaken werden
besproken, het was de enigste veilige plaats in die zeegebieden. Halsema, Reg.
Ommel. 288 en vooral blz. 291. ‘De bekende algemene vergaderingen der
Friezen van alle zeven „zeelanden” bij de Upstalboom bij Aurich hadden plaats
tot in de 14de eeuw’. Ban of banne, ook wel gerechtsban(ne) noemde
men weleer in Holland een lager rechtsgebied. In het oude Zuid- en
Noord-Holland tot en met Rijnland en Woerden sprak men echter gewoonlijk van
ambachten. Maar ten Noorden daarvan, dus in Kennemerland en Kennemergevolg,
Waterland en West-Friesland werden de landelijke rechtsdistricten zelden of
nooit „ambacht”, maar algemeen ban of banne genoemd. ‘Middelnederlands
woordenboek’.
Deze warven of
gemeenlands (algemene) vergaderingen werden reeds vroeg gehouden. Dit blijkt
bijvoorbeeld uit de Willekeuren van Langewold van 13 mei 1207. (Oorkondeboek
Groningen en Drenthe., I, 33; van Richthofen, Fries. Rechtsqu., 359)
.In de algemene oude Friese Landrechten (21ste Landrecht) wordt
reeds gezegd (in het Hollands vertaald): „Ende men hem dat toezegt op der
luiden warf ende het gebannen gerecht” (Schotanus, Frieslanl.,
67). Op deze vergaderingen waren het de rechters (redgers in Hunzegoo en
Fivelgoo en grietmannen in het Westerkwartier) die de zaken leidden; zij werden
daar ook als de hoofden van het volk beschouwd. Zo in de verzoening der Friezen
van Westergoo met de graaf van Holland van 4 juli 1310. „Et nos Grietmanni
conjudices totaque communitas de Westergoo” (Chbk Vriesl. I, 149). De
eigenlijke landdagen, de zogenaamde Liuda Warve, werden slechts weinig
gehouden. Belangrijke zaken, ook soms staatsbelangen, werden behandeld op
warven der rechters, die op geregelde tijden, zo nodig ook op andere
tijdstippen werden gehouden. Dit waren de bijzondere of particuliere
warven, zoals zij later genoemd werden in tegenstelling met de algemene
warven die toen in de stad Groningen werden gehouden. Ook de zijl- en
dijkrechters in de Groninger Ommelanden kwamen nu en dan bij elkaar op warven.
De aard van hetgeen aan hun zorgen was toevertrouwd, namelijk waterkering en
waterlozing, leidde vanzelf tot zo’n samenwerking. Daarover werd op de warven,
ook waren en waardagen geheten, gehandeld. Zeer waarschijnlijk zijn de
zijlvestenijen door die gemeenschappelijke belangen ontstaan. In de Zijlvester
Brief van het Adewarder Zijlvest van 1 mei 1282: „Voertmeer so sel alle man
vrede hebben to den werve, in den werve ende van den werve,
waer de voersziilrechters werve sette.” (Oorkbk Groningen. en
Drenthje II, 63; Driessen, Mon. Gron. IV, 709 e.v.).
In het Handvest van Vrouwe
Jacoba van Kennemerland en Kennemergevolg van 11 april 1426: „Eerst dat onse gemeyne
Ondersaten, Buren ende Ghemeynte voorschreven, een ghemeynen Werf houden
sullen moghen tot wat tyden dat zy willen oft wanneer sij 't te doen hebben
sullen, met allen den ghenen die sy bij hun trecken willen, binnen onse landen ende
palen van Hollandt geseten, ende met hun wesen, ende in de voorschreven Werve
komen willen ende op dese tijdt samenlijck overdraghen zijn in eene verbonde
als Kennemer ende Kennemer-ghevolgh, die Stede van Beverwyck, enz.” (van
Santen, Handvest. Kennermerland., 39; Lams, Handvest. Kennemerland.,
55).
Werven of warven zullen ook naam
hebben gegeven aan een groot gedeelte van het tegenwoordige zuidoost Friesland,
namelijk aan Stellingwerf waar
stellingen of stallingen, een soort van rechters, en aan Schoterwerf, dat is
Schoterland. A°. 1310: „Coetuum de Stellingwerf et Scoterwerf” (Nom. Geogr.
Neerl. IV, 68) en A°. 1400: „Stellinghe ende rechters, greetmans ende die
ghemeente van Stellingwarf, Scoterland ende Bornevrede ....” (Ald., 69),
Zie ook blz. 74 en 76 aldaar.
Oudste vermeldingen van Friezen.
Er is ook weinig overgeleverd
van onze voorouders, wat we weten is de Romeinse kijk op onze gebieden die voor
hen wat vreemd was. Betere of andere berichten van onze voorouders zijn vrijwel
niet aanwezig. In Latijnse oorkonden wordt het woord wier of terp gewoonlijk
door „insula” vertaald, onder andere Mariënweerd,
de abdij aan de Linge: „Insula beate Marie”. Plinius verhaalt een 60 jaar na
Christus; ‘De oceaan breidt zich door gedurig verloop van dag en nacht daar
zeer wijdt uit en bedekt het in een eeuwige strijd van de natuur met
vertwijfeling of een gedeelte daar aarde of zee is. Daar woont een ellendig
volk op hoge heuvels die met verheven hutten (terpen) bezet zijn tot boven de
hoogste vloed en omringt van het water net zoals de scheepslieden die
schipbreuk geleden hebben. Omtrent hun woningen vangen ze vissen’. Beschrijving
van Amsterdam, C. Commelin, Waarschijnlijk aten ze eenzijdig voedsel,
vis, vogels en vlees, want Plinius verhaalt in zijn 25ste boek, 3de
hoofdstuk, over een ziekte in Nederland waartegen de Friezen een plant
gebruikten die ze brittanica of vibones noemden. Die ziekte is kennelijk
scheurbuik. Zuring zou de Vera antiquorum herba brittanica zijn die door
de oude bewoners van Brittannië aan de krijgslieden van Caesar gegeven zou zijn
als middel tegen scheurbuik.
Tacitus meldt dat in dat gebied
de Frissi wonen die naar hun krachten verdeeld zijn in grote en kleine Friezen.
Beide volkeren wonen aan de boorden van de Rijn en daarboven om grote meren die
door de Romeinse vloten bevaren worden. Doordat de Saxers (Saksers) zich
uitbreidden begaven de Chaucis, die van landaard met de Friezen overeen kwamen,
onder hun regering. Toen smolten de Friezen zich ook samen met de Saxers en
bevoeren de oceaan en wierpen zich onder het beleid van de broers Hengist en
Horsa op het eiland Brittannië in 449. (zie de naam Sexbierum, Sussex en andere
Engelse namen) Dat lukte in zover dat de Britten naar de bergen van Wales
stoven en alles opgaven. Vandaar de overeenkomst in Friese, Saksische en
Engelse taal. En aangezien de heilige leraars uit Engeland kwamen, maar van
Friese afkomst, konden ze zeer goed het evangelie preken in onze Duitse taal,
dat dan volgens Ludgerus een metgezel van Willibrord.
Cluverus meent dat rond 360 v.
Chr. er een verschrikkelijke storm langs de kusten geweest zou zijn waardoor
veel mensen en vee omkwamen zodat de eilanden aan de Friese kust van het land
afgescheurd werden en vele binnenwateren gemaakt werden. De IJsel zou zich toen
in het meer Flevum gestort hebben, de voorloper van de Zuiderzee. De Friezen
waren toen genoodzaakt om dijken, dammen en terpen te maken. Er moest dus wat
gebeuren, dat kon alleen door gezamenlijke inspanning en strak geleide
organisatie die ook kennis moesten hebben. Dat hebben de eerste
geloofsverkondigers gedaan, ze hebben in het begin toch vele goede dingen
gedaan want ze zorgden voor de eerste landontginning en bebouwing. Daarom
werden ze wel rijk met alle consequenties daarvan.
Onze Christelijke samenleving is
niet ontstaan vanuit Rome, maar indirect uit Ierland. Daar heeft St. Patrick
gepreekt. Er zijn vele legende van hem zoals in Ierland nog overal te zien is.
Maar een van de goede dingen die hij gedaan heeft is dat de priesters en
monniken leren, schrijven en lezen moesten en daardoor grote kennis kregen.
Twee honderd jaar na zijn aankomst bloeide in Ierland een geleerdheid in
literatuur waar het continent niets tegenover zetten kon. Met die kennis
zijn ze hier gekomen om ons te bekeren. Dat zal in het begin niet gemakkelijk
gegaan zijn, maar ze hadden kennis en kwamen zo tot de heersers. Had je de
heerser bekeerd dan ook gelijk het volk en zo lezen we dat sommige heiligen op
een dag wel tienduizenden mensen doopten. Die waren dan nog wel niet
christelijk, ze bleven hun goden trouw maar geleidelijk aan veranderde hun
namen en werd het geloof aangepast aan de heidense gebruiken en nieuwe
gebruiken ingevoerd.
West Friesland rond 1100 voor de
grote stormen.
Oude wegen.De abdij van Egmond Binnen ligt
als een spin in het web van wegen. Daar zullen de eerste zendelingen begonnen
zijn met hun werk. Ze hebben daar een hoeve gesticht, Egmond aan de Hoef. We
moeten bij zendelingen denken aan vrome mensen die ook vaklieden waren. Die hebben
de wegen verbeterd, vernieuwd en waarschijnlijk zijn die verbonden met andere
abdijen elders in het land. Ze verkavelden, ontgonnen, groeven sloten en
kanalen, maar dat deden ze niet alleen, daar hielp het volk mee en de voorman
van die gravers was de graaf., vergelijk dijkgraaf Ze hielpen de graaf om een
burgt te bouwen en werden daardoor burgers genoemd, later ook beschermers van
de stad. En een vorst komt van de voorste, de eerste man die ten strijde trok.
Hertog van die voor het heir toog en de plaats waar het leger overnachtte was
een herberg, vergelijk het Engelse harbour; haven.
Vanuit die abdij gaan de twee
belangrijkste wegen. De eerste is de Heir, Heer of Herenweg. De tweede is
de Westerweg. Die namen kom
je overal tegen, soms worden ze onderbroken vanwege een andere naamgeving of
dat ze verdwenen zijn door een of andere oorzaak.
Herenweg.
Naar beneden gaat de Herenweg
tot Bakkum naar Castricum en via het Kerkplein met de zeer oude kerk naar slot
Assumburg in Heemstede (hoewel er hier een rare knik in zit die niet logisch
is) tot Haarlem bij Langoed Waterland, via de Sint Bavo Kerk, via
Heiligland en bij Haarlemmerhout wordt het tot Hillegom weer Herenweg en verder
tot Rijnsburg etc.
Boven de abdij gaat de Herenweg
via Egmond aan Zee naar boven. Ter hoogte van Bergen stopt de weg opeens. Vlak
ervoor is er nog een oude Herenweg afslag naar Bergen. Trek je de lijn van die
splitsing rechtdoor verschijnt die weer na de Duinweg te Schoorl.
Waarschijnlijk is die weg hier onder gewaaid door opstuivend zand. Van Schoorl
gaat de weg naar Groet waar het na Hargen door een wiel (doorbraak) onderbroken
wordt en in Camperduin weer verschijnt richting zee. Ga je omhoog zie je hier
verschillende wielen liggen vanwege dijkdoorbraken. De oude kerk in Groet staat
op een terpje, wierde of werf wat betekent dat het vroeger wel in het centrum
stond, een rond dorp dus waarvan het bovenste deel weggespoeld is.
Trek je die lijn van het kerkje
door naar Sint Maarten zie je daar de Herenweg weer verschijnen. Die gaat naar
Schagen, maar wordt onderbroken door verschillende wielen wat betekent dat hier
verschillende rampen gebeurd zijn.
In Schagen zie je de Herenstraat
in het centrum weer verschijnen. Daar heeft ook een oud slot gestaan. Trek je
die weg door langs de Gedempte Gracht richting Barsingerhorn zie je weer de
Heerenweg verschijnen die doorloopt naar Kolhorn waar die onderbroken wordt
door de Wieringermeer. Trek je de weg door via de Groetweg kom in rechte lijn
na eerst langs de Zuiderzeestraat nog een stukje weg en die ligt richting
Aartswoud. Trek je die rechtdoor kom je via de Schoolstraat weer in de Herenweg
naar Hoogwoud en zie je na de Middenweg in Opmeer weer de Herenweg in het
centrum.
Die gaat via de Spanbroekerweg
via de Westeinderweg ! na Wadway naar de Kerkstraat naar Wognum. Vandaar naar
Hauwert. Daar eindigde die weg op de plaats die bekend stond als Hauwerter Zak.
Daar is een overstroming geweest wat nog te zien is in de wiel en bekend staat
als de Eendenkooi. Dat was wel in 1169 toen hele streken weggevaagd werden en
de Zuiderzee voor een groot deel gevormd werd.
Trek je de weg door naar
Wervershoof kom je uit in de Neuvel, vermoedelijk ooit bekend als den Heuvel.
In de Neuvel was een straat die Reerwert heet, wert van wierde. Nu is er nog
een Beerwerf. Daar staat op een hoge wierde of werf de boerderij van vroeger
Voc Koomen. De Neuvel is dus een terp wat de naam Wervershoof aangeeft en nog
goed te zien is. Vanwege die doorbraak is die weg nooit hersteld en heeft men
later een dijk gemaakt langs de Zuiderzee richting Hoorn, Zwaagdijk, zodat de
weg van Hauwert onbelangrijk werd. In 1288 wordt Zwaagdijk al vermeld. Vlakbij
de eendenkooi liggen nog wat heuveltjes, terpjes, plaatsen waar in natte tijden
het vee gebracht werd. Prof Waterbolk heeft hier opgravingen gedaan omdat hij
meende dat het oude grafheuvels waren. Maar je begraaft de doden niet in natte
plekken, maar in droge zoals Hoogwoud en Westwoud. Hij vond dus niets.
Trek je de weg van Wervershoof
rechtdoor kom je op de Dorpsstraat. Die eindigt in een rare bocht bij de
Zeeweg. In die bocht staan mooie oude boerderijen die wat schril afsteken bij
de kleine arbeidershuisjes aan de Zeeweg. Hier is dus iets gebeurd. Trek je de
weg echter recht door kom je in het Hogelandje in Andijk waar nog een boerderij
op een terpje staat. Ook stond voor die boerderij een andere die afgebroken is
en volgens de bewoners van de boerderij ook op een terp stond waar ze een sloot
mee gedempt hebben. Daar eindigt de weg. Waarschijnlijk is dit hele gebied
overstroomd geweest.
Maar in Stiens is er wel een
Hege Hearewei. In Marum lage Herenweg die over gaat in Hearrewei. Die Herenweg
zie je weer in het oude monnikenbolwerk Aduard en komt ook voor in Groningen
vanaf de Grote Markt richting Haren. Ook zie je die naam in Donkerbroek etc.
Tweede
Herenweg.
Vanaf de Abdij in Egmond Binnen
is rechter kant een weg die naar Limmen gaat door een dat stuk braak, broek of
brak land, waar vroeger de stroom Kynheim stroomde, naar het Runxputje (runen:
geheim) richting Herenweg die daar nog Hoogeweg heet. Links gaat de weg
ook naar de Westerstraat.
Aan de Hoogeweg rechts daarvan
staat het klooster dat zorgt voor de staties en kerk. Opvallend is dat het
klooster op een verhoging staat, een terpje. Gaan we links richting Heiloo
verschijnt al gauw de Herenweg. Die loopt langs het oude kerkje van Heiloo dat
ook op een terpje staat. Nog is de weg goed te zien langs de Kennemerstraatweg
aan dat oude weggetje met die dikke rij bomen die tenslotte oplost in de
Kennemerstraatweg. Dat wel vanwege de smalle strook die daar zeer nat was zodat
aan beide zijden niet of weinig gebouwd werd. Daar was wel een tolhuis met
oversteek van het water vanuit Egmond aan de Hoef, zie de naam Heiloeër Tolweg.
Vermoedelijk ging die weg gelijk met het water naar de Herenweg in Alkmaar
richting de haven van Oudorp via de Heiloeër Dijk. In Oudorp verschijnt de
Herenweg weer waar die samengaat met de Westerweg bij het oude kerkje dat ook
op een terp staat.
Ga je die omhoog kom je in het
oude Vroonen, nu St. Pancras. Die weg voert omhoog tot het eind van Sint
Pancras. Daar stopt het opeens. Hier is dus iets gebeurd. Daar begint dan ook
het gebied van Heerhugowaard.
Kanaal.
Bij Egmond aan de Hoef staat het
oude slot. Daar woonde de voorman van de gravers, de graaf. Vlak daarbij ligt
een huis, de Eenhoorn, horn in betekenis als horen of haven. Vandaar gaat een
kanaal door het brakke, braak of broekland richting Heiloo waar de nauwste en
waarschijnlijk natste verbinding was en de oude weg op zijn smalst waar nu nog
vrijwel geen huizen staan en wel een tolweg was zoals de naam Heiloeër Tolweg
nog aangeeft. Verder via Heilooërdijk en nog bestaande wateren richting
Einsteinweg naar het Ouddorperdijkje langs het poortje dat het Heiligland
afsluit.
Westerweg.
De tweede weg, Westerse of Westelijk
weg. Opvallend is dat die naam ook overall voorkomt of ze nu in het zuiden
oosten of noorden liggen, ze heten Westerse weg. Gaan we naar beneden bij het
Runxsputje gaat de Westerweg over in Uitgeesterweg, Startingerweg, Buurtweg,
Hoogegeest (geest of gaastgronden) langs het kanaal richting Oudorp via Baanpad
waar het weer Westerweg wordt voor de oude kerk.
Gaan we omhoog voert de weg
eerst links van de trein in Heiloo en later rechts door het bos, over de weg
langs het Westerhout en komt uit bij de rotonde. Dat is vlakbij de kerk waar
ook een Geeststraat is als zijnde het droogste stuk grond. Als je goed
kijkt bij het eind van de Westerstraat zie je dat die rechtdoor gaat, dus
vermoedelijk om Alkmaar heen liep, richting Snaarmanslaan, Spoorstraat en zo
via Huiswaard naar de molen op de Munikenweg langs die oude kastelen die daar
stonden vanwege het verkeer en tolgelden naar de aansluiting van de Herenweg in
Oudorp. Die kastelen warden dus gebouwd aan een belangrijke weg wat je
tegenwoordig niet meer ziet omdat nu ze in een stuk weiland liggen.
(Rechts van Sint Pancras ligt nu
een nieuwe weg die ook Westerweg heet.) Trek je de weg door vanaf Sint Pancras
door Heerhugowaard kom je bij de Scarpelweg uit in Oude Niedorp en Niedorp in
tegenstelling tot Oudorp. Die splitst zich daar en gaat links via de Oude
Verlaatweg naar Zijdewind waar de weg verloren gaat onder andere door de wielen
onder Schagen. Daar boven zie je weer een Westerweg bij Callantsoog, oog van
eiland als Schiermonnikoog, het heilige eiland der Friezen? Zijn de
Waddeneilanden ook niet gedeeltelijk ontstaan na de vorming van de Zuiderzee?
Immers waar is al die grond gebleven die er was voor het ontstaan van de
Zuiderzee? Is die niet mee gespoeld met het uitstromende Zuiderzee water en vormde
zo de basis voor de grotere Waddeneilanden.
Vanuit Oude Niedorp rechts gaat
de dijk over in Zuiderweg en komt via de Westerboekelweg in Hoogwoud waar ook
een oude kerk op een terpje staat. Verder zou je deze weg zo kunnen doortrekken
naar Twisk. Die eindigt daar ook abrupt, maar zou zo via het Zuiderpad van
Opperdoes naar Medemblik kunnen gaan waar het kasteel van Radboud staat bij de
Westerhaven en Westersingel.
IJsselmeer. Is dit weer de
Westerweg naar Wervershoof en zo naar Egmond? In Makkum is er een Westerweg. Of
kwam die uit Enkhuizen?
In Enkhuizen is weer een van de
westelijke straten. Begint in Enkhuizen en gaat recht door naar Hoorn. Toch is
die niet geheel recht. In Westwoud eindigt de weg op twee plaatsen. De eerste
is de Streekweg die in de bocht van Westwoud naar beneden en omhoog gaat. Trek
je die lijn echter door komt die precies uit richting kerk van Zwaag. De tweede
ligt naar beneden en is de Dijkweg; veelzeggende naam. Die stopt ook opeens en
gaat ook naar boven. Is die onderbreking ook vanwege de storm die de weg tussen
Hauwert en Wervershoof verbrak? Of is dit vanwege het Weeltje, een wiel, dat de
dijk van Zwaagdijk doorbrak in 1675 waardoor het achterliggende land ook onder
water kwam? Het ligt er vlak achter en zou voor die doorbraak gezorgd kunnen
hebben.
Vanuit Zwaag komt de weg op de
Keern, omdat daar de dijk keerde.
Gaat via Berkhout Oost en
Westeinde vermoedelijk naar de Goorn en Ursem langs de Schermer richting
Oudorp. De Ursemer plas, is dit ook een wiel gevormd door een doorbraak?
In Binnenwijzend was tot vorig
jaar nog een oeroud dijkje wat wel bestemd was om het water vanuit Venhuizen
weg te houden en Westwoud te beschermen. Daar moest mijn moeder altijd overheen
om naar de school in Westwoud te gaan.
Doorbraken, rampen, wielen.
De monniken legden droog,
verkavelden en bewerkten de gronden en verkregen zo grote stukken land. Dat
gebeurde op vele plaatsen in het Noorden, Aduard had een bekend klooster en er
waren er vele in Friesland.
Rond 900 begonnen de hoeven of
abdijen op te komen die de eerste paar eeuwen veel ingepolderd hebben en zo
machtige bezittingen vormden. In stukken van rond 1250 wordt voor het eerst
gewag gemaakt van één ringdijk om West-Friesland: de aaneenschakeling van vele
bestaande dijken en dijkjes. De dijk wordt in 1250 voor het eerst genoemd in
een giftbrief van de toenmalige abt van de Egmondse Abdij. Er wordt gesproken
over een doorbraak van een stuk dijk tussen Sint Maarten en Valkkoog in 1248,
die met een dam ('Scagerdam' of Valkkogerdijk ) werd gedicht. Het gaat hier
vermoedelijk om het oudste dijkvak, dat als verdediging tegen de zee in de
Omringdijk is gelegd.
De invloed van de abdij te
Egmond bepaalde zich in hoofdzaak tot Kennemerland en volgens sommigen was de
houding van de monniken ten opzichte van West Friesland zelfs negatief te
noemen. Dat was van de monniken die tot het klooster uit het Friese Hemelum
behoorden bepaald niet te zeggen. Zelfs na het ontstaan van de Zuiderzee bleven
zij hun bezittingen houden in Benningbroek, Sijbekarspel, Twisk en andere
dorpen. Vanuit hun vestiging nabij Grootebroek verrichtten ze veel vruchtbare
arbeid ten nutte van de plaatselijke bevolking, onder andere bij het ontwateren
en in cultuur brengen van het land ten noorden van de Streek (West Friesland:
Rabobanken West-Friesland, 1984 – 2005, :N.J. Groot en J. Groot) Dat
geeft tegelijk ook de Friese aard weer, Friesland en W. Friesland waren toen 1.
Er waren dan ook grote groepen
gravers aan het werk. Die het meeste gezag had voerde de gravers aan en
bestuurde het dijkwerk en naar dat hij meer grond te besturen had des te verder
strekte zijn gebied en kreeg hij de titel van graaf. Zie de naam
dijkgraaf bij polder schappen. Hieruit ontstaan tenslotte de heerlijkheden met
de vloeden zoals die van Egmond, Brederode, Arkels, Foreesten en dergelijke.
Dat waren altijd nog Friese graven. Zelfs de graven van Holland werden nog
lange tijd Friezen genoemd, pas in de 10de eeuw kwam het woord
Hollandse graaf op. Rond 1100 kwamen de leenmannen op die uitgroeiden tot graaf
en daarmee kwamen de oorlogen, ook omdat bisschoptitels en adellijke titels
door edelen beheerst werden. De ene zoon kreeg het rijk, de ander de
bisschopstitel, het ging voornamelijk om de inkomsten. Dat was geen goede zaak
voor de verkaveling, de polders waren klein en onafhankelijk, iedereen moest
maar voor zijn eigen gebied zorgen. Dijken waren te laag, het water dreigde,
dijken werden regelmatig doorbroken en zo ontstonden allerlei meren in
West-Friesland.
In 1169 kwam de zee ook over de
(lage) dijken en zelfs over de duinen waardoor hele stukken land tot eiland
werden. De Friezen leden het meest omdat alle land tussen Texel, Medemblik en
Stavoren verdronk en de Zuiderzee zeer groot werd. De invloed van de Noordzee
groeide en groeide, en reikte tenslotte tot de Veluwe. Zo ontstond uiteindelijk
het grote meerstelsel bij Texel en Vlieland wat uiteindelijk de Waddenzee zou
worden en liep het eerste gedeelte onder van de Wieringermeer. Maar ook de al
bekende watergebieden in Waterland werden een stuk groter. Die storm
veroorzaakte wel een definitie scheiding tussen de kleine en grote Friezen
waardoor Friesland van West Friesland afgescheurd werd, vermoedelijk rond 1150.
De veenruggen tussen Medemblik en Stavoren raakten steeds verder aangetast. Stavoren
werd tenslotte vernietigd wat een voordeel was voor Amsterdam die ook een
grotere boezem kreeg. De rivier 't Vlie, die West-Friesland en Friesland qua
land al scheidde, nam land in en liet zo de Zuiderzee ontstaan. West Friesland
werd toen eeuwenlang in het noorden en oosten bedreigd door het water van deze
Zuiderzee, die in open verbinding stond met de Noordzee. Bij storm brak het
zeewater vaak door de dijken heen. De West Friese dijk moest daarom regelmatig
hersteld, opgehoogd en soms helemaal verplaatst worde, waardoor dorpen in de
Zuiderzee ‘verdronken’ Door het steeds maar stijgende grondwater was aan het
eind van de dertiende eeuw alleen nog veeteelt mogelijk. Van een gebied dat
boven de zeespiegel lag veranderde West-Friesland in een landschap dat door
dijken aan alle kanten beschermd moest worden om niet onder water te lopen. De
illusie dat met het sluiten van de ring het gebied voorgoed veilig was werd
regelmatig wreed verstoord. Bij storm en hoog water moesten in de 14de
en 15de eeuw vele akkers en dorpen aan de zee worden prijsgegeven.
Het was de graaf van Holland,
Floris V, die rond 1280 de door hem onderworpen West-Friezen te hulp schoot bij
hun strijd tegen het water. Hij deed dat met geld en mankracht uit andere
gebieden. Onder Floris V wordt iedereen die land bezit, ongeacht rang of stand,
"dijkplichtig". In ruil daarvoor beloofden de West-Friezen, dat zij
hun rooftochten in het Kennemerlandse zouden staken. Veel vertrouwen in die
belofte had hij niet en daarom bouwde hij dwangburchten om de West-Friezen in
het gareel te houden. Van enkele burchten zijn slechts fundamenten
overgebleven. Alleen Kasteel Radhoud in Medemblik is nog deels als dwangburcht
te herkennen. Floris V voerde met de volgende woorden de dijkplicht in: 'allen,
die land hebben, is 't klooster, is 't ridder, is 't pape, is 't knape,
d' ene gelike den andere'. Dijkenbouw en -onderhoud werd een 'gemene'
zaak, een vorm van democratie, die wij nu nog terugvinden in de naam voor een
waterschapshuis: gemeenlandshuis. Hoe 'gemeen' het er aan toe ging wordt aardig
geïllustreerd hij het sluiten van het gevaarlijke zeegat van Schardam in 1315,
daar werkten veel gastarbeiders uit Kennemerland aan.
Graaf Willem III voerde in 1321
de 'verstoeling' in. Dat betekende, dat elk dorp moest zorgen, dat binnenwegen,
sluizen en sluistochten in goede staat bleven. Er stonden aanzienlijke boetes
op het overtreden van de verstoeling.
De dijk werd verdeeld in
partjes, meestal van zes meter. Verhoefslaagd noemde men dat. Opmerkelijk is
dat die maat van zes meter eveneens gehanteerd werd (en nog wordt!) bij het
verdelen van percelen grond waar een huis op gebouwd kon worden. Je ziet dat
nog steeds in oude plaatsen. De oorspronkelijke maat kan je nog terugvoeren
naar tijden voordat er ingepolderd werd. De plaats van de huizen veranderde
niet, er werd op die plaats weer een nieuwe gezet of 2 samengevoegd.
Opmerkelijk is ook, bijvoorbeeld in Alkmaar, dat die huizen scheef staan, dus
de zijmuur staat niet haaks op de voorgevel. De voorkant loopt recht aan de
weg, de zijkanten staan scheef in een hoek van een 20 graden. Toch kon men wel
recht bouwen. Dat werd gedaan zodat bij een mogelijke vloed het water sneller
op en af kon lopen. Bij haakse huizen zou je een opstopping kunnen krijgen door
wier of wrakhout en met de druk van het water zou dan een huis kunnen
bezwijken.
Geleidelijk aan werd er
verkaveld, droog gelegd en nieuwe karspels of kerkdorpen, gevestigd. Je ziet de
vorm nog aan de lintbebouwing, dat zijn plaatsen gegraven langs kanalen of
dijken.
Halverwege de 13de
eeuw begon men steeds meer gebieden met elkaar te verbinden met dijken. En zo
ontstond langzaam een netwerk van dijken over het hele West-Friese gebied. Door
het gebruik van tussendijken binnen het gebied ontstonden er allerlei gebiedjes
die omringd werden door dijken. In de loop van de tijd verdwenen er diverse
dijkverbindingen en zelfs hele terpen met dijken en zo ontstond het grote met
elkaar verbonden dijkenstelsel, dat nu bekend staat als de West-Friese
Omringdijk. Die is een 126km lang en ontstaan door de koppeling van allemaal
korte dijken. Vanaf de drooglegging periode, die werd ingezet met het
droogleggen van de Zijpe in 1597, verdween langzaam de zeewerende functie van
het dijkstelsel.
Het water
geselde de weke veenmassa's onder klinkende namen als Allerheiligenvloed,
Marcellusvloed, Matthiasvloed en Sint Geronsstorm. In 1334, 1362, 1373, 1400 en
1421 de St. Elisabetsvloed werden de dijken tussen Medemblik en Enkhuizen
bedreigd, ook in Zeeland en heel Holland was in watersnood, de Omringdijk kende
doorbraken die soms 10 jaar later nog niet helemaal hersteld waren. Vooral de watervloed van 1570 of
Allerheiligenvloed waarin volgens de kronieken wel 400 000 mensen omgekomen
zijn.
In 1609 kwam het water nog hoger en zo ook het jaar daarop 1610, verder in 1621
toen de Velzerdijk bij Haarlem het begaf, in 1625 stond het water bijna midden
op de Dam, Kerstnacht van 1637 kwam het water zo hoog dat men met schuiten over
sommige straten kon varen, in 1651 was het weer raak, dijken braken door zodat
het water over de Warmoesstraat vloeide en de kelders onderliepen. Toen in 1675
half West-Friesland onder water kwam te staan ten gevolge van de dijkdoorbraak
bij Scharwoude, brak ook de Zwaagdijk door. De schilderachtige, sinds 1940 half
gedempte plas van nu, het Weeltjes, (van wiel, de vorm van het doorgebroken
water) was toen het zoveelste gat vol ellende.
Na enkele eeuwen 'doorzakken'
werkten de tijsluisjes niet meer. Toen slaagden Floris van Alkemade en Jan
Grietenzoon er in om een molen - als werktuig al bij de Romeinen bekend - te
construeren waarmee 'water kon worden uitgeworpen'. Dat was in 1408 en in 1456
werd de Burghornpolder droog gemalen, een van de eerste.
Met behulp van
een scheprad werd het overtollige polderwater naar een hoger niveau - de zee of
een boezem - geschept. Opmerkelijk is dat toen men eenmaal begonnen was met
bemaling de bodem in versneld tempo daalde. De spons werd als het ware leeg
geknepen en kreeg daardoor minder volume. De opvoerhoogte van een schepradmolen
was echter beperkt, zodat men met tussenstapjes moest gaan werken. De eerste
molen bracht het water een meter omhoog in een kolk van waaruit een tweede het
wederom een meter hoger bracht. Door deze wijze van bemalen werd het mogelijk
om dieper gelegen meren droog te leggen. Want ook dat werk diende zich aan.
Zijpe en Hazerpolder werd in 1597 definitief ingepolderd.
De oppervlakten
van de Heerhugowaard en vooral van de Schermer en de Beemster, waren zo groot
geworden dat de waterbewegingen bij storm een bedreiging vormden voor het oude
land.
Met drooglegging werd echter niet alleen de veiligheid gediend; ook
de landbouwbelangen voeren er wel bij. De vraag naar agrarische producten was
zo groot geworden dat een uitbreiding van de landbouwgronden welkom was. De
positieve invloed die 'stadse' grondbezitters bij het droogleggen van de
Heerhugowaard, de Wogmeer kwam vooral door het werk van Leeghwater. Die werd
geboren als zoon van een timmerman. Hij kreeg het oppertoezicht over de
poldermolens die bij de droogmaking van de Beemster (1612) werden gebruikt.
Mede onder zijn leiding werden in Noord-Holland tussen 1607 en 1643 diverse
plassen drooggelegd: Heerhugowaard (1625), Purmer (1622), Schermer (1635),
Starnmeer en Wormer (1626). Bij het Beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 had hij
de leiding bij het droogleggen van de moerassen rondom het door de Staatse
troepen belegerde 's-Hertogenbosch. De achterliggende landen liepen steeds
minder gevaar. De Westfriese omringdijk werd gesloten.
Volkeren.
Batavieren.
Batavieren komt van Keltisch
betrouw, van bat of bet, wat beter of meer betekent, en ouwe, van een grazige
weide betekent wat we nog zien in het woord landouwe of landstreek. Ook de naam
Veluwe zou in vergelijking met de vruchtbare Betodwe (Betuwe) gemaakt zijn want
vaal betekent die vale kleur zoals heide is. Het is die landstreek boven de
Rijn bij Kleef en daar Waal heet.
Tacitus; ‘De Batavieren hebben
de uiterste grenzen van Gallië ingenomen, woest en zonder inwoners en tegelijk
het eiland tussen de schorren gelegen’. Dus het land dat van het vaste land
afgesneden was waar overal droge plaatsen waren en omgeven door water als
IJsel, Rijn of Maas. Waarschijnlijk was dat gebied wat tussen Rotterdam en
Utrecht ligt.
Friezen.
Daar woonden al Friezen en
Marsatiers. De Batavieren waren handlangers van de Romeinen, de Friezen zijn
nooit overwonnen geweest wat de naam ook uitdrukt, Fries of Vrij.
Oude wijven geloven dat de
Friese oorsprong zo is: ‘Adel, koning van Pharrasien langs de Ganges was door
een wondheler ontzield en die liet een zoon na, Friso, die door de dwingeland
Agrammis uit zijn rijk gestoten werd. Hij volgde de voetsporen van Alexander de
Grote en voerde met zijn broers Saxo en Bruno in vier en twintig schepen door
Azië en Europa en kwam via de Rijn na veel moeilijkheden in de Zuiderzee, ging
daar te land en bouwde Stavoren’. Volgens die tocht moeten ze over bergen
gezeild zijn, anders kunnen ze er niet komen. Dat zou 313 voor Christus zijn.
Beschrijving van Amsterdam, C.
Commelin.Tacitus spreekt zo van onze landaard; ‘Ze komen op gezette tijden
tezamen, tenzij iets toevalligs of plotseling gebeurt of met nieuwe of volle
maan. Uit hun vrijheid ontstaat een gebrek dat ze niet tegelijk verschijnen,
maar er gaat een dag of twee of drie overheen met het verzamelen van de
vergaderden. Naar dat het volk het goed vindt zitten ze gewapend met elkaar
aan. De priesters gebieden te zwijgen en bij hen berust ook de macht tot
straffen. Thans spreekt de koning of vorst, naar ieders ouderdom, naar ieders
adel, naar eer in oorlog, naar ieders begaafdheid en meer met gezag om aan te
raden dan macht om te gebieden. Als het gesprek hen niet bevalt tonen ze dat
aan door geraas, als het goed is kloppen ze de korte schilden tezamen’.
Een koning was niet meer als een
heer en doener van de gemeente. Tacitus; ‘De vorsten beraadslagen over geringe
en over grote zaken alle tezamen. In deze bijeenkomst worden de graven gekozen
die rechtspleging uitoefenen over dorpen en vlekken’. De uitmuntendste van de
adel mochten met elkaar geen besluit maken zonder het volk te raadplegen.
De koningen hadden meer de naam
dan de daad wiens achtbaarheid in heldenstukken tegen de vijand bestond. Deze
koningen werden in moederlijke taal vorsten genoemd wat zoveel als
voorsten betekent. Tacitus zegt dat ze meer stuurden door goed voorbeeld dan
gebod en vooral in de slag door de vijand in de ogen te zien. En zelfs wanneer
de legers te velde lagen mochten alleen de priesters straffen en dat door de
wil van God dan op last van de oversten. De inkomsten van deze vorsten waren
mager. Tacitus zegt dat iedereen vrijwillig een gedeelte van het vlees of
vruchten naar hen bracht tot noodzakelijkheid. Ze hadden geen lijfwacht.
Uit gelijke herkomst is het
woord hertog als die voor het heir toog, voor het leger toog, want in
vredestijd was er een losse volksbeheersing. Tacitus zegt; ‘Ge kan een heer
niet van zijn knecht onderscheiden door enige zachtheid van opvoeding. Ze wonen
tussen dezelfde beesten en op dezelfde grond tot de tijd dat de ouderdom de
vrij geborene afzondert en de manhaftigheid zodanige herkent’.
Toch waren er een paar klassen,
edelen, vrijen, vrijgelatene en slaven die alleen trouwen mochten met iemand
van die stand. Trouw je boven je stand moet je dat met het leven boeten. Slaven
waren tweevormig, of door gevangenis in een ongelukkige strijd of met dobbelen.
Kleding.
De Friezen
waren van harde aard. Tot hun twintigste jaar gingen ze naakt en ook in de
bitterste koude, volgens Pomponius Mela. Tacitus; ’Ze dragen een rijrok met een
gesp of bij gebrek er van wordt het met een doorn gesloten. De andere delen van
het lichaam zijn bloot’. Hiervoor zegt Caesar; ‘Ze zijn tot die gewoonte
gebracht dat ze in de koudste plaatsen geen gewaad als wat vellen hebben (welke
kleinigheid het meeste lichaam bloot laat) en wassen zich in stromen… Het wordt
zeer schandalig gehouden als een vrouw gemeenschap voor haar twintigste jaar
gehad heeft…. Ze baden zonder onderscheidt in de vloeden, gebruiken korte
vellen en het voorste deel van het lichaam is bloot’. Dat was niet alleen bij
de Friezen zo, maar ook in Engeland. Julius Caesar schrijft in het 5de
boek van zijn oorlog tegen de Fransen dat alle Engelsen zich met Glastum (wede)
plegen te bestrijken wat een blauwe kleur maakt. Hetzelfde betuigt Plinius ook
in het eerste kapittel van zijn twee en twintigste boek en zegt aldus; ‘in
Frankrijk is er een kruid wat van gedaante op de weegbree lijkt en daar Glastum
genoemd wordt waarmee de gehuwde vrouwen en jonge dochters in Engeland hun gans
lichaam bestrijken en gaan dan zo heel naakt en bloot in sommige feesten of
kerkgangen’. Bij de komst van de Romeinen zagen die dat de ouden Britten of
Britons zich er mee verfden om hen schrik aan te jagen. Het woord Brittain zou
dan afgeleid zijn van het oude Keltisch woord brith of brit: dat verven
betekent, vandaar stamt de naam Britons en Britten. Dat woord was te ruw voor
de Romeinen, dus noemden ze de stam met de meer welluidende naam Britannia.
De Picten, een andere Engelse
volksstam, werden zo genoemd door de Romeinen omdat zij, net als de Britons,
zichzelf beschilderden, naar het schijnt om er aantrekkelijker uit te zien,
later een soort barbarisme of terreur en de blauwe kleur werd gebruikt om
vijanden af te schrikken. Mogelijk deden ze dit ook om insecten weg te houden
wat later nog lang in oude boerderijen gebruikt werd.
Diodorus Siculus; ‘Ze hebben
niet alleen geel haar, maar trachten ook door kunst die eigenschap van de kleur
te vermeerderen. Want ze wassen het dikwijls met hun loog en kammen het van het
voorhoofd naar de kruin en dan naar de hals om er beter uit te zien…. Sommige
scheren de baarden af en andere laten die wat groeien, de adel schrabt de
wangen glad, maar laten de knevels op die manier groeien dat ze over de mond
hangen en als ze eten blijft de spijs in het haar zitten, wanneer ze drinken
wordt de drank als door een zeef getrokken’. Silius noemt ze goudgeel harige.
Tacitus; ‘Ze hebben geel haar en grote lichamen’.
Goden.
De bardi of barden dichten
liederen waarmee alle geschiedenis onderhouden wordt, de waarzeggers verzorgen
de godsdienst, de druïden wisten van de geheimen van de natuur, maar praatten
ook over goede en kwade zeden. Aan hen worden ook alle twijfelachtige
uitkomsten gebracht om de wil van de goden te ontvouwen. Caesar zegt dat de
tucht van de druïden in Brittannië is uitgevonden. Mela voegt erbij dat de
voornaamste adel de wijsheid van de druïden leren. Caesar zegt; ’En vooral
staan ze hier op dat de zielen niet sterven, maar na de dood van andere tot
andere verhuizen. En ze oordelen zulks het allermeest door dapperder te worden
omdat de vrees van de dood weggenomen is. Ze praten veel van de sterren en hun
loop, van de uitgestrektheid van de wereld en landen, van de natuur en macht
van de onsterfelijke goden. Twintig jaar duurt de onderwijzing en ze achten het
ongeoorloofd om hun geheimen op het papier te schrijven. Het lijkt me dat dit
om twee redenen gebeurt, zodat hun tucht niet onder de gewone man komt en ten
tweede omdat de leerlingen op het schrijven vertrouwen en minder oefenen in het
onthouden’.
Ook volgen hooggeachte
priesteressen de legers en voorspellen de toekomende dingen. Vermaard was in
Duitsland Velleda die als een godin aanbeden werd, verder Altrunia, Ganna en andere.
Tacitus; ’Mummius Lupercus is als een geschenk aan Velleda gezonden. Deze maagd
van Bructerse afkomst voert volgens oude herkomst een bewind over een
uitgestrekt gebied onder de Duitsers waar ze de meeste vrouwen voor waarzeggers
aanzien en dat bijgeloof groeit aan en ze worden voor godinnen gehouden. En
toen groeide het gezag van Velleda zeer aan want ze voorspelde de voorspoed van
de Duitsers en de nederlaag van de Romeinse regimenten… Maar het werd geweigerd
Velleda aan te spreken. Men mag haar niet zien zodat haar achtbaarheid meer
bewaard blijft. Zelf woont ze in een hoge toren. Een uitverkorene van haar
naaste bloedverwant brengt als een tussenbode van de god de raadpleging en
antwoord’.
De naam Altrunia stamt van alt,
oud, en run, geheim of eerder een heks of toveres. Strabo beschrijft hun
kleren; ‘Ze graan grijs behaard in het witte gewaden met korte tabbaarden van
hennep, onder met gespen toe gebonden en een koperen ring’. Caesar; ‘Toen hij
de gevangen ondervroeg waarom Ariovistus geen kans waagde begreep hij deze
oorzaak omdat het bij de Duitsers gewoonte was dat de huismoeders door het lot
van de waarzeggerij uitslag gaven of het wel of niet oorbaar was om slag te
leveren en die gaven tot antwoord dat het voor de Duitsers onmogelijk was om te
overwinnen voor de nieuwe maan scheen.’
Het is verder bekend dat onze
voorouders het allermeest de zon, Thesus en de maan gediend hebben. Daarom
heeft vanouds de zon al vanouds af in alle Europese spraken dezelfde naam tot
in woest Indië. In Duits Son, Engels sun, Zweeds en Deens sole of soel, Latijn
sol, Dalmatië sonce, Pools slonce, Bohemen slunce en omdat er 1 zon is aan de
hemel is er ook maar 1 god. Hiervan zijn nog de woorden over die van zon (son)
afkomstig zijn en een eenheid uitdrukken als sonderlijk, insonderheid,
bijsonder en sondag als dag van de godsdienst. Orpheus stemt daarin overeen;
’Jupiter, zingt hij, Pluto, de zon en Bacchus zijn 1 god’.
Thesus is dezelfde als Vulcanus
en Mars waaraan ze gewend waren als ze slag zullen leveren hun gevangen en
geroofde vee te offeren. Procopius zegt; ‘Het beste van hun offerhanden is een
mens, de eerste in de slag gevangen. Deze wordt ter eren van Mars gekeeld als
de opperste god’. En met geen minder wreedheid zijn Seyba, Altrunia, Velleda en
Oraja gediend. Deze druïden verrichten zulke mensenslachtingen. Tacitus
verhaalt de nederlaag van Varus; ‘In de dichtbij gelegen bosjes, zegt hij,
stonden de woeste altaren waarbij de ritmeesters en hopmannen de hals
afgesneden werden’. Diodorus Siculus zegt erbij dat ze de mens die als offer
geschikt was met een zwaard dwars over de borst hakten en uit zijn val trekken
ze de zenuwen en gutsen van bloed waar ze de komende uitkomsten voorspelden. Zo
ook later de Noormannen die van Amstelland en omstreken meester waren en
jaarlijks in januari aan Theutatis 99 mensen offerden en zoveel paarden, honden
en hanen. Met het bloed ervan dat in schalen opgevangen werd zijn de altaren en
bomen gesprengd. Na het offer werden blijde maaltijden ingesteld. Volgens
Caesar werden ze ook aan gewijde bomen vast gemaakt en met pijlen doorschoten
of werden ze binnen grote afzettingen tegelijk met koeien en paarden verbrand.
Caesar; ‘Ze oordelen dat diegene die aan dieverij of struikroverij schuldig
geweest zijn als aangenaamste voor de goden, als die ontbreken komen ze ook tot
straf van de onschuldige’. De afgekapte hoofden werden aan bomen gespijkerd of
gebalsemd en in kisten opgesloten en als het vijanden geweest waren aan hun
nakomelingen vertoont als bewijs van dapperheid van de voorouders.
Dit deden de druïden in eiken
bossen in een lang kleed en met het loof van die bomen gekroond, onbetamelijk
was het de goden in gebouwen in te sluiten of in een kerk of hun onmetelijke
grootheid naar een menselijke gelijkenis af te beelden. Sommige dichte bosjes
droegen godennamen die ingewijd waren door waarzeggerij en benodigde eerbied.
Het is niemand geoorloofd daar binnen te treden, tenzij met een koord gebonden
vanwege de overmacht van de godheid en zichzelf als mindere te erkennen. Indien
iemand per ongeluk struikelt mag hij niet opstaan maar moet uit het bos kruipen
tot bewijs van onderdanigheid onder god de al bestuurder. Echter maakten
sommigen ook beelden van afgestorven helden om anderen aan te moedigen. Zo is
van de oudste tijden af zeer berucht de Irman saul of Harmans zuil ten ere van
Arminius vanwege zijn zege op de Romeinen. De afbeelding was een gewapende man
die in zijn rechterhand een vaandel droeg waarin een roos stond om de korte
tijd uit te drukken die de overwinningen doorgaans behouden, in de linker een
schaal die wat overslaat als afbeelding van de wisselvalligheid van de
veldslagen. Op de borst was een beer te zien, op het schild een leeuw die het
forse hart van een krijgsman vertoonde en zijn felle indruk. Het veld rondom
stond met bloemen die de drift van de helden aantoonde die niet aangenamer dan
dapperheid in hachelijke kansen aantoonde.
Verder Mercurius die bij onze
voorouders zoals ook bij alle Kelten Theuth genoemd werd waarvan de naam
Duitser, Thuitsen en Teuthischon afkomstig is, bij de Egyptenaren Thouth, soms
Thot of Thijt en schijnt eenzelfde oorsprong van het woord tijd te hebben want
de ouders stelden het begin van de wereld en de tijd als hetzelfde. En omdat de
zon en maan die tijd afmeten hebben ze die voor de schepper aanbeden. Hierom is
het ook dat de Grieken de eerste god Saturnus naar de tijd Kronios noemden die
zijn eigen kinderen opat omdat de volgende dag de dood van de voorgaande
veroorzaakte. Theut is dezelfde als de Griekse Hermes en Latijnse Mercurius, de
Ammonit Molec en Milcom wiens offers door mensenslachting verricht werden. Men
paste hem ook in latere eeuwen toe op de naam Wodan die vergeleken wordt met
Gwoodan, de Perzische Ghoda. De Egyptenaren vangen hun jaar aan met de
herfstmaand en God en noemden die maand Thod.
Rode Klif.
In Friesland
bij Gaasterland onder Stavoren is er aan de kust nog steeds een behoorlijke
verhoging te zien, de Roode Klif, waar, als ik me herinner, een bord staat met ‘Liever
dood dan slaaf’, als teken van de Friese vrijheidsdrang.
Zo leest men in
vele oude Friese kronieken over vuurgeesten bijvoorbeeld bij Occo Scarlensis,
dat er uit het rode klif, een heuvel bij Stavoren gelegen, in het jaar 130 een
verschrikkelijke vlam was, drie dagen achter elkaar, die uit de grond opging.
Op de vierde dag zag men daar een grote draak hemelwaarts vliegen, zodat
"elck die het zag, de hairen van vervaardheid ten berghe rhezen".
(187)
Enige dagen
later was het weer raak en nu 8 dagen lang. In dezelfde tijd kwam uit een graf
dat men gedolven had, zoveel zout water opwellen, dat de ganse omtrek
onderliep. Die was niet te stoppen voordat men op last van de God Stavo het
bloed van een driejarig kind daarin had geworpen. Ook zouden bij die gelegenheid
een menigte meermannen zijn geweest.
Een honderd
jaar later, onder de regering van Titus Bojaculus, blaakte de Rode klif weer 12
dagen achter elkaar, ook die moest weer door advies van Stavo met mensenbloed
verzoend worden.
Romeinse overheersing.
Tacitus meldt dat vooraan de
Frissi wonen en naar hun krachten zijn ze verdeeld in grote en kleine Friezen.
Beide volkeren wonen aan de boorden van de Rijn en daarboven om grote meren die
door de Romeinse vloten worden bevaren.
Drusus
zou de Friezen overwonnen hebben door via de gracht van Drusus, (de verbinding
met de IJssel) ging door het meer Flevo tot de Eems toe en vandaar naar de
oceaan. Na de oorlog gingen ze via de Eems naar huis. Maar daar werd het zulk
slecht weer dat de vloot verstrooid werd door verheven Duitse kusten, diepe
stromen en slecht weer. Drusus dood was
in overeenstemming met zijn leven, somber en raadselachtig. Hij was tot het
eind van de verschrikkelijke wouden van Noord Germanië gedrongen en had de
Noordzee (Oceaan) bereikt. Op zijn tocht over de Eem, zegt de geschiedenis,
kwam een vrouwelijk wezen van bovenmenselijke gedaante hem in de weg en zei;
Waarheen, o onverzadelijke Drusus, in uw wilde vaart? Is het u niet genoeg dat
alle gezien te hebben? Waarom keert ge niet terug? Want zie, reeds is van uw
werken en uw leven het einde daar! Drusus keerde onmiddellijk terug, maar nog
voor hij de Rijn bereikt had werd hij ziek en stierf.
Toch lijken de Romeinen ook tol
gehaald te hebben van de Friezen omdat volgens Tacitus de Friezen in opstand
kwamen tegen de schatting. Olennius kwam met bondgenoten tot bij de oceaan.
Lucius Apronius, bevelhebber van Neder-Duitsland, verstevigde met dijken en
bruggen de dichtbij gelegen eilanden om een leger te vervoeren. Hij vond
ondertussen ondiepten en besloot ze met ruiterij in de rug aan te vallen. De
Friezen werden volgens Plinius Tacitus en Mela op verschillende eilanden
geslagen. Blijkbaar waren er toen niet zulke diepe geulen en zoveel water.. In
die tijd lagen de Noordelijke gebieden gedeeltelijk onder water bij vloed.
In dit oude Friesland is de
Manarmis haven meer dan 16 eeuwen geleden vermaard geweest door grote
scheepvaart en dat zou er nog in 1150 zijn dat vanwege haar grote hoeveelheid
zeilschepen vergeleken kon worden met een tweede Amsterdam. Was dit Stavoren
dat door de vloed van 1169 verwoest werd?
Doordat de Saxers zich
uitbreidden begaven de Chaucis, die van landaard met de Friezen overeen kwamen,
onder die en hun regering. Toen smolten de Friezen zich ook samen met de Saxers
en bevoeren de oceaan en wierpen zich onder het beleid van de broers Hengist en
Horsa op het eiland Brittannië in 449. Dat lukte in zover dat de Britten naar
de bergen van Wales stoven en alles opgaven. Vandaar de overeenkomst in Friese
en Engelse taal en meer met die dan van Saxen. En aangezien de heilige leraars
uit Engeland kwamen, maar van Friese afkomst, konden ze zeer goed het evangelie
preken in onze Duitse taal, dat volgens Ludgerus een medegezel van Willibrord.
H. Wilfridus.
Wilfridus is
geboren in 634 te Northumbrië als zoon van een edelman. In 653 ging hij naar
Rome en bleef op de terugreis drie jaar in Lyon waar hij de tonsuur ontving. In
661 werd hij abt van Ripon. (bij York) Hij streed vooral voor het verdringen
van de oude Keltische gebruiken in Northumberland. In 664 werd hij bisschop van
York. In 678 zou hij op een tocht naar Rome, om de hulp van de paus in te
roepen inzake gerezen conflicten, op de Friese kust schipbreuk hebben geleden.
Terwijl hij een jaar in Friesland verbleef zou hij tallozen tot het christendom
bekeerd te hebben. Toen hij in Engeland terugkeerde erkende men daar niet het
pauselijk schrijven. Wilfrith werd verbannen en ging onder de heidenen in
Sussex en op Wight werken. Hij leerde zijn bekeerlingen ook de visserij tot hij
in 685 het verkleinde bisdom York terug kreeg. In 691 moet hij wegens
conflicten met koning Aldfrith en aartsbisschop Brithwald van Canterbury weer
uitwijken naar Mercia. In 703 ging hij, reeds oud geworden, daarvoor weer naar
Rome waar paus Johannes VI hem volkomen rehabiliteerde waarop Brithwald zich
met hem verzoende.
H. Willibrord
en Wilfridus te Vroonen.
H. Wolfram,
(Wlframnus, Wulfrannus)
Geboren rond 647 in een zeker dorp in het landschap
Gastinois, Maurillac, Maurilly, het landgoed van zijn vader Wibert, (Fulbertus)
welk dorp hij later schonk aan het klooster van Fontanelle. Sint Wulfram was
van adel en groeide op aan het hof der Merovingers, de koningen Clotharius en
Theodoricus. Wulfram moet een bijzonder vrome beer van een kerel zijn geweest.
Oersterk en een goede vechter was Wulfram. Eigenlijk zou hij het liefst de
heidenen mores leren. Hij huilde dan ook toen hij tot bisschop van Sens in
Normandië benoemd werd na Landebertus. Omstreeks 690 liet hij zijn
bisschopstroontje voor wat die was, trok naar Fontanelle en trok monniken
kleren aan. Sint Gangulfus vroeg hem om als lijfwacht mee te gaan naar
Friesland. Hij heeft daar vijf jaar gewerkt. Daar bestreed hij gelijktijdig met
Sint Willibrord de heidenen. Bekeerde daar vele vrijen en ook edele personen
waaronder de voornaamste de zoon van Radboud was die in het witte doopkleed
gestorven is. Daaronder bevonden zich ook vijf mannen die de heidenen volgens
een oud gebruik gewoon waren aan de duivel tot slachtoffer te dienen. Onder die
was er een zekere Ovo die aan de galg gestorven was door hem uit de dood
opgewekt werd en later een monnik en goede schrijver werd. Twee anderen,
Evrinas en Ingomarus werden op zijn verzoek niet gehangen en werden later
monniken te Fontanelle. Radboud zou hij overgehaald hebben en die was al in het
Christelijke geloof onderwezen en zette al een voet in de doopvont om gedoopt
te worden om hem vroeg waar het grootste getal waar de Friese vorsten en edelen
waren, toen zei Wolfram dat die wel in de hel zouden zijn waar alle niet christenen
in gesmeten werden. Daarna haalde Radboud zijn voet uit de doopvont en zei die
hij liever in alle eeuwigheid in de hel zou zijn bij alle grote en aanzienlijke
heren van zijn volk dan met enkele mensen in de hemel te wonen.
Nadat Wulfram nabij Hoogwoud tevergeefs had geprobeerd
de Friese koning tot het christendom te bekeren trok hij zich teleurgesteld
terug in het klooster van Fontanelle bij Rouaan. Daar heeft hij verscheidene
jaren zonder bed geslapen en zou zelfs zijn dood voorspeld hebben. Daar zou hij
in hoge ouderdom zijn gestorven, 20 maart 720. Er is een naar deze heilige
genoemde basisschool in Hoogwoud.
In de Annales Xantenses lezen we dit verhaal en ook in
de Vita Wulframmi.
H. Gangulfus van Varennes
(Gangulphus, Gengulphus).
Gangulfus was als leek een grote steun voor de
geloofsverkondigers van West Friesland en is gestorven rond 760. Hij is geboren
in Bourgondië onder Pepijn de derde bij Varenne in het Bisdom Langres, niet ver
van het klooster Besue waarvan een van zijn voorouders, ook Gengulfus genaamd,
beschermheer en advocaat was. Vlakbij dat klooster ligt Varennes waarin een
kerk was van de apostel Petrus waar Gangulfus zeer veel aan gelegen was zodat
hij de inkomsten van zijn landerijen aan de dienaars van die kerk schonk. Ging
in het leger van Pepijn II de Korte en trouwde. Door de geliefde van zijn vrouw
vermoord en in dezelfde kerk begraven en werd na zijn dood voor een martelaar
gehouden en zou door verschillende mirakels vermaard worden. Vanwege de woede
der Noormannen werden zijn relikwieën in de stad Langres bewaard en zo later
door verschillende kerken verspreidt, ook in Holland. Hij zou in opdracht van
Pepijn met een leger Sint Wulfram geholpen hebben, en zou zo een heel jaar in
Medemblik geweest zijn. Ook zou hij op verzoek van die bisschop de grondslag
gelegd hebben van de kerk te Oostwoud.
H. Willibrord.
H. Willibrord:
Germaans wil: ‘willen of het streven’, Angelsaksisch brord: ‘punt’,
speerpunt.
Willibrord,
de apostel der Friezen wordt beschouwd als eerste bisschop van Utrecht. Hij is
geboren uit een Angelsaksisch geslacht in 658 te Northumberland en opgevoed in
het klooster Ripon bij York. In 678 ging hij naar Ierland in het klooster
Rathmelsigi waar hij priester werd. Op zijn dertigste, 690, is hij met
12 metgezellen door Egbertus naar Friesland gezonden. Toen ze te Utrecht kwamen
werden ze door Pepijn, hertog van Frankrijk die Friesland onder de Rijn
veroverd en Radboud verdreven had, vriendelijk ontvangen. Met die steun hebben
ze velen weten over te brengen in het Christelijke geloof. Enige jaren daarna
is hij naar Rome gegaan naar paus Sergius met het verzoek van Pepijn dat
Willibrordus aartsbisschop over de Friezen gewijd worden. Ook hoopte hij enige
relikwieën van martelaars en heiligen mee te nemen omdat als de afgodentempels
uitgeroeid zouden zijn bij die volken waar hij ging preken hebben die
relikwieën bij de hand zou hebben om die daar te plaatsen en vervolgens die
kerken ter gedachtenis aan deze heiligen te wijden. Terug gekomen heeft Pepijn
hem het mooie kasteel Wiltaburg (stad der Wilten) of Utrecht tot de stoel van
zijn bisdom aangewezen, daar heeft hij een kerk gebouwd. In het tweede jaar
nadat hij te Rome tot bisschop gewijd was is hij begonnen om een klooster te
Trier te bouwen aan de rivier de Soure dat nu Esternach, genoemd wordt (vroeger
Epternach, Esternak of Asternak) De eerste overste van dit klooster was
Willibrordus zoals blijkt uit het testament van Irmina, dochter van Dagobert II
die alles wat ze te Echternacht bezat aan het klooster naliet.
Willibrord heeft met zijn preken waarschijnlijk ook niet veel succes
gehad in 698-699. Hij trachtte de Friezen
te bekeren, maar door tegenwerking van Radboud probeerde hij het elders, ging
naar Denemarken waar hij door de stijfkoppigheid van koning Ungendus of Ongend,
mogelijk om een twist te maken tussen beide vorsten, geen vruchten kon oogsten. Die volgde dezelfde zienswijze als Radboud, ontving hem met veel
eerbewijzen maar hoorde hem niet aan. Hij kocht snel wat Deense slaven die
opgeleid konden worden tot prediker zodat die in hun eigen land aan het werk
konden en reisde snel af. Op de terugweg werd zijn schip door een zware storm
overvallen. Een veilige ligplaats werd gevonden bij het ‘insula’ van Fosite
ofwel Fositeseiland. (Fostenland zou liggen in
Friesland. Pontanus neemt het voor Hillegerland, eertijds Fara genoemd. Molanus
noemt Fosteland op de uiterste grenzen van Friesland waar vanouds de Fossen of
Fossiten volgens Tacitus gewoond hebben, waarschijnlijk Callantsoog.) De
inwoners hebben dat zo geëerd dat ze het voor ongeoorloofd hielden om van het
vlees der beesten te eten of andere dingen die daar groeiden, het water uit
haar fontein niet anders dan zwijgend te scheppen. Alle dieren en vruchten in dit gebied waren
aan de god gewijd. Hij liet snel enige runderen slachten en het vlees werd door
zijn metgezellen gegeten. Hij had hiermee de bedoeling om de Friese heidenen te
tonen dat hun goden geen macht hadden en gaf, net als andere beeldenbestormers,
bewijs van onbeschaamde brutaliteit om dat te bevuilen wat voor een ander
heilig is. Vervolgens werden nog drie mensen gedoopt met het heilige bronwater,
waarschijnlijk de slaven. Hij versmaadde de bijgelovigheid
van de inwoners en de woede van Radboud die gewoon was de schenders van die
schandelijkheden met een zeer wrede dood te straffen. Bij de Friezen werd zo’n heiligschennis zwaar gestraft. In de Lex
Frisonum vinden we de bepaling dat hij die een heiligdom openbreekt en daar wat
heiligs uit meeneemt naar de zee gebracht zal worden. Op het strand worden hem
de oren gesplitst, hij wordt gecastreerd en vervolgens aan die god geofferd van
wie hij het heiligdom geschonden heeft. (Normaal waren de Friezen niet zo
streng, maar heiligschennis was ook een soort majesteitsschennis, een soort
landverraad. Bij Bonifatius is de rechtsorde wel meer wankel geworden dan bij
Radboud en werd de law of lynch uitgevoerd) Hij werd met zijn gezelschap
gevangen genomen en voor de koning gebracht. Dat zal voor de koning ook wel
niet aangenaam zijn geweest, de onderzaten moesten bevredigd worden en toch
zijn politieke rust niet verstoord worden door er wat martelaren bij te krijgen
en ruzie met Pepijn, de trouwe en machtige beschermer van Willibrord. Mogelijk
had die de reis wel in opdracht van Pepijn ondernomen en ook zijn bezoek op het
eiland afgedwongen. De strijd tussen Friezen en Franken kon weer uitbreken met
als doel een overwinning van de Franken. Radboud
heeft hem ontboden en met harde woorden gevraagd waarom dat hij zijn God dusdanige
smaad had aangedaan. De heilige heeft hem bespot en zijn best gedaan om hem tot
het aanbidden van de ware God over te halen. Maar
Radboud had na het twistgesprek tussen hem een Willibrord een besluit genomen.
Niet de gebruikelijke straf voor een misdadiger, maar hij besloot als
opperpriester de zaak te beslissen waar hij minder op de juridische dan wel op
de religieuze zijde van de zaak het zwaartepunt te leggen had. Het doel van
Willibrords reis zal hem bekend zijn geweest en was mogelijk op de hoogte van
zijn voornemens. De koning nam het besluit om de runen te lezen en gedurende
drie dagen wierp hij driemaal de runenstaven, de goden beslissen daarmee. De
beslissing was dat de heiligschenners uit Friesland verbannen werden en dat 1
lid op vereiste wijze ter dood zou worden gebracht. Bij terugkeer zouden de
anderen hetzelfde lot wachten. Willibrord mocht zich gelukkig achten er met
maar 1 martelaar van af te komen. Hij was gespaard zodat de Franken niets te
klagen hadden. De zending was dan ook in alle delen mislukt. Zo lang Radboud
leefde waagde Willibrord zich niet meer in Friesland. Koning Ongeld steunde
hem, de missies waren verloren. Radboud
heeft hem daarna naar Pepijn terug gezonden die hem gebeden heeft om toch met
preken door te gaan en alle ondeugden en voornamelijk in het gedeelte van
Friesland dat niet tot zijn rijk behoorde uit te roeien.
Willibrords werkzaamheden waren nu gericht buiten Friesland waar hij wel
succes had. In 710 doopte hij bijvoorbeeld Karel Martel die een belangrijke
afstammeling kreeg, Karel de Grote. Karel Martel was echter een bastaard en
geboren in een verhouding die voor een christen toch pijnlijk moet zijn
geweest.
Hij zou op de leeftijd van 81 jaar op 6 of 7
november 739 gestorven zijn.
Vanuit Fries standpunt krijg je een andere kijk op
Willibrord.
Wie invloed op
recht en religie kon uitoefenen was koning, priester en rechter, een
opper-asing of een soort druïde en wie die wist te dopen doopte het hele volk.
Dat was de aanleiding tot de diverse oorlogen, de christelijke Franken tegen de
heidense, duivelse Friezen. Via de missionarissen probeerden de Franken invloed
uit te oefenen die ze anders zonder priesters met grover geweld hadden moeten
bereiken. Het rijke Friesland was te aantrekkelijk om op zichzelf te laten, het
moest veroverd en bekeerd worden.
Maar die nieuwe
leer tastte ook de positie van het inheemse gezag aan omdat die tegen de oude
leer in ging waarvan de koning het hoofd en iedere bestuursambtenaar die een
gebied onder zich had de handhaver was. De religie was ook een staatszaak. Toen
de Longobarden veroverd werden door Karel de Grote werden die zonder verzet
christenen. Ze hadden begrepen dat hun nieuwe heerser christelijk was en dit
nog lang zou blijven, ze hebben daaruit hun consequenties op religieus gebied
getrokken.
Voor de tijd
van Radboud was er nog maar weinig missionering, in ieder geval blijkt nog
nergens van succes zodat de eerste tijd de missionarissen niet tegen gewerkt
zullen zijn. Later behoorde ze tot de tegenpartij, de christelijke Franken die
de Friese macht van binnen uit probeerde omver te werpen door bekeringen.
Bonifatius
deelt mee dat er reeds in de tijd van Dagobert I een kapel gestaan heeft te
Utrecht. Dat lijkt logisch omdat de Friezen een handelsvolk waren die met de
christenen in aanraking kwamen. Utrecht behoorde toen niet aan Dagobert 1, de
kerk die aan de Frankische heilige Martin van Tours toegeschreven werd moet als
een fabel gezien worden en de oorkonde waar dit op berust moet als een
vervalsing gezien worden.
Beda noemt Wilfred
de eerste prediker van het christendom in Friesland in 677, een land dat toen
tot aan de Rijn/Waal reikte. Toch was dit al een staatsgevaarlijk delict, voor
een gebied waar staat met de religie een eenheid vormt kan de harmonie
verbroken worden. Ooit bestond het Friese rijk uit drie stammen, de Frissi
minores, de Frisii majores en de Frisiavones, of volgens anderen uit groot en
klein Friesland. Dat komt wel door de vorming van de Zuiderzee die het rijk in
latere eeuwen splitste. Ten tijde van Radboud was er in ieder geval 1 macht en
1 koning.
Rond 570
strekte de Frankische macht zich uit tot aan de Lauwers. Onder de opvolgers van
Dagobert kwamen ze weer vrij toen de Frankische macht in verval raakte. Het
Christendom droeg in die tijd nog geen anti Fries karakter, de vereniging van
de belangen van de christenpredikers met de Frankische veroveraars had nog niet
plaats gevonden. Wilfred mocht prediken en kon, volgens Beda, vele bekeerlingen
maken. Een jaar later, 678, zette hij zijn reis naar Rome voort. Tijdens zijn
verblijf, hij had problemen in zijn land met de hofmaarschalk gehad, kwam een
brief van die hofmaarschalk die de Friese koning Adgisl een hoeveelheid
goudgeld beloofde als die hem Wilfred levend wilde uitleveren of doden en hem
zijn hoofd zou zenden. Koning Adgisl beval de brief voor te lezen in het
bijzijn van het gezelschap van Wilfred, de Frankische boden en de hofhouding en
aan allen die in de hal aten terwijl hij daarna het schrijven in het vuur
wierp. Zo toonde hij zijn verachting voor hen die ter wille van wat goud de
Friese trouw durfde uit te dagen, het heilig gastrecht dat bij hen in hoge eer
stond. De koning werd echter niet bekeerd zodat het succes van Wilfred niet zo
hoog is geweest. Hij legde wel de grondslag voor latere missionarissen. In 679
overleed koning Adgisl en kwam de kroon aan zijn zoon Redbad of Radboud die tot
719 als Frieslands koning door de geschiedenis zou schrijden. Adgisl nam nog
een vriendelijke houding aan tegenover zendelingen.
Koning Redbad, (A. de Goede, Enkhuizen) Koning Radboud is onze
vertegenwoordiger van een hogere macht, een vrijwel mystieke koning uit de
gouden tijd net als Karel de Grote. De Friese naam is Redbad en in Frankisch
Radbod. De naam is een Friese vorm van raadgever.
Het gehate
Northerrike, het rijk van duisternis en heidendom moest volgens de christelijke
gedachtegang bevrijd worden door het Sutherrike, het rijk des lichts, het rijk
van het christendom, het Frankische rijk. Koning Radboud werd de held van dit
vijandige onchristelijke Noorden. Pas in 785 werd Friesland onderworpen door
Karel de Grote, de grote christenvorst, de heilbrenger en brenger van het
recht. Toen beschouwde men Radboud als een unfrethman: een vredeloze die het
volk onderdrukte. Maar zover was het nog niet. Er zullen wel tegenstellingen
geweest zijn tussen bekeerden en echte Friezen. Radboud zal wel de aanvoerder
van de nationale partij geweest zijn. Hij zou zijn volk een geloof geven van de
ideale Fries, de vrije Fries. Hij volgde zijn vader dus op en wijzigde zijn
politiek fundamenteel, de nationaal/traditionele en anti Christelijke
beginselen werden richtsnoer voor zijn beleid. De begrippen christenen en
verraders beschouwde de nieuwe koning als synoniemen. De Franken waren
tenslotte de bedreigers van zijn vrijheid en volk. Dat wordt meestal moeizaam
tot uitdrukking gebracht, de overleveringen spreken alleen van de christelijke
geschiedschrijvers. Daar wordt de koning en zijn volk als duivelsknechten
beschouwd.
Zo kwam in 689
Wigbertus naar Friesland, abt van Fritzlar, voorloper van de H. Willibrord. Hij
stierf in zijn geboorteland, Ierland, in de 8ste eeuw. Koning
Radboud verbood hem het prediken niet, maar de missionaris werd volledig
genegeerd. Dat werd door het volk nagevolgd zodat Wigbertus twee jaar preekte
zonder succes te hebben. Toen vertrok hij weer. Waarschijnlijk was hij ook nog
niet in Frankische zaken gemengd.
Radboud wist
het Friese volk te verenigen en te sterken in de komende strijd. Hij zou de
wapens opnemen tegen de nieuwe leer van het zuiden en wilde zijn oude land
terugwinnen en het liefst de Franken verdelgen. Het Friese recht dat door
koning Radboud op schrift gesteld werd zou rein worden gehouden, nu en in de
onbekende toekomst. De geest werd zonder twijfel gevormd zodat het volk gereed
was die offers te brengen die de koning ten bate van Friesland zou vragen. In
688 zouden de Betuwe, Z. Gelderland, rond Antwerpen en Gent bereikt zijn, oud
Fries gebied. Radboud strekte zijn macht uit over de Rijndelta tot aan de
Schelde. In 689 werd hij echter door Pepijn verslagen bij Dorestadt (Wijk bij
Duurstede) maar Utrecht bleef behouden.
Erger was het
verraad van de rijke Friese edelman Ado Wursing, zijn geloof betekende meer
voor hem dan zijn nationalisme. Hij werd verbannen en trok naar het Frankische
hof, hij was toch een verrader hoewel dat niet uit de christelijke stukken
blijkt. Daar werd hij bevriend met Willibrord wiens weldoener hij wel genoemd
wordt. Die was in 690 de Noordzee over gestoken en reisde naar Dorestadt.
Willibrord was de opvolger van Wigbertus, die mengde zich echter wel
hartstochtelijk in de Frankische aangelegenheden. Maar in die begintijd was het
Frankische kamp geheel verdeeld, de ene koning werd gedood, de ander wilde men
niet etc. Het was hem duidelijk, hij zou met behulp van het Frankische zwaard
dat arme verdoolde heidense volk dat onderdrukt werd door tirannen tot het
licht van Christus leer brengen. (Radboud en Willibrord hadden ieder hun eigen
waarheid) Pepijn moedigde hem aan en alles was hem goed om Friesland te
bestrijden. Het centrum van Willibrord werd Antwerpen in zuidelijk Friesland
waar al de missionarissen Eloisius en Amandus gepreekt hadden. Dat betekent
waarschijnlijk dat er in Dorestadt schijnbaar alleen rust heerste en er nog
geen sterke christelijke kerk was. Om zijn werk te bevestigen werd besloten om
een missie naar de paus te maken. Al in 690 werd de reis aangevangen. Paus
Sergius was blijkbaar erg tevreden over zijn plannen en allerlei middelen
werden hem ter beschikking gesteld om zijn belangrijke onderneming te laten
slagen. Relikwieën, boeken en hulpmiddelen werden hem geschonken, aldus de Vita
Willibrordi. Met deze gewenste bijstand kon hij in 691 weer in Antwerpen
terugkeren. In 692 werd hem daar een kerk geschonken. Hij was klaar om
Friesland in te trekken, maar Radboud bleef de touwtjes in handen houden, hij
capituleerde niet.
Willibrord werd
in 695 bisschop van Friesland en niet in 694. Hij zou of een van zijn
volgelingen de kapel in Egmond gesticht hebben. De kerstening van het ten
noorden van het
door de Franken bezet gebied kon beginnen. Utrecht kwam door concessies in
693-694 in het Frankische gebied te liggen. Zo verloren de Friezen de macht
over de Rijn. Radboud had in deze wat moeilijke tijd een andere politiek, hij
accepteerde missionarissen, blijkbaar tegen wil en dank zoals we later in 713
zien, een soort verzoeningspolitiek. In 695 huwde zijn dochter prinses
Thiadsvind met de zoon van Pepijn de Middelste, Grimoald. Het zal wel een
politiek huwelijk geweest zijn, ze kreeg geen kinderen, terwijl hij wel een
zoon kreeg bij een minnares. Radboud vroeg ook aan Ado Wursing om terug te
keren. Die had daar om begrijpelijke reden geen zin in, wel stuurde hij zijn
zoon, Thyadgrim, die het goed van zijn vader terug ontving. Die huwde later met
Liafburh waar haar zoon Liudger later als bekende prediker uit zou voortkomen.
In 695 ontving Radboud Willibrord die juist als aartsbisschop van Friesland uit
Rome was teruggekeerd. Waarschijnlijk hebben ze de kerstening van Friesland
besproken. Dat zelfde jaar had hij ook van Pepijn toestemming gekregen om in
Utrecht een kathedraal te bouwen. Dat tekent een verzoening met Radboud en dat
het hele gebied onder Frankische invloed stond. Utrecht werd de uitval plaats
van de christelijke zendelingen. Toch werd de kathedraal wel binnen de muren
van het castellum opgetrokken wat bewijst dat die bescheiden van omvang was en
de veiligheid gewaarborgd moest worden door het Frankische leger. Beda verhaalt
dat Willibrord zich in 695 in Utrecht vestigde. H. Willibrord had nu kans om
vele missiewerken uit te voeren en reisde door het gehele Friese gebied.
Zijn
voornaamste doel zal wel de bekering van koning Radboud zijn geweest, dat had
een christelijk Friesland betekent. Over deze mislukte poging spreekt het
verhaal van Radboud’s mislukte doop. In de Annales Xantenses lezen we dit
verhaal en ook in de Vita Wulframmi. Zie onder.
Radboud bereidde zich militair voor. De Islamieten voerden oorlog in het
zuiden en in 714 veranderde alles weer. In april ging de echtgenoot van prinses
Thiadsvind, Radbouds dochter, bidden voor het wankele welzijn van zijn vader
Pepijn. De Fries Ragar wierp zich op hem en verwondde hem dodelijk, haar
belediging doordat hij een kind van een minnares kreeg was gewroken, de
toekomstige regeerder van het Frankische rijk was gevallen. Men zocht als
aanstichter Radboud te vinden, bewijs is nooit geleverd. Na Pepijns dood
bevrijde Radboud het land en verstoorde weer de kerken, ook die van Utrecht
waar Willibrord al gevlucht was en stelde de heidense eredienst weer bovenaan. Hij
kwam tot Keulen waar Karel Martel een gevoelige nederlaag leed. De val van de
stad volgde spoedig.
Radboud raakte slaags met Karel Martel die al brandende en stropende hem
achtervolgde tot de eilanden Amistrachia (Ameland) en Austrachia
(Terschelling). Bij de rivier Burdo, Boerdiep of Borndiep, was er een zeer
zwaar gevecht zodat zijn leger op de vlucht ging en hij verslagen werd en
sneuvelde. Borndiep kan een water zijn tussen Terschelling en Ameland.
Willibrord kreeg vele landerijen, vele schenkingsoorkonden bewijzen dat.
Hij is schatrijk geworden. Vooral door de schenkingen van Pepijn. Na zijn dood
kwam dit aan het klooster Echternach waar hij lang abt was geweest. Mogelijk
heeft zijn rijkdom de Friezen ook afgeschrikt omdat na 714 zijn werk in een
ogenblik ongedaan werd gemaakt. Ook zal het de Friezen wel tegen gestaan hebben
dat het christendom onder bescherming van Frankische speren stond.
Koning Radboud heeft 40 jaar over Friesland geregeerd. Veel betekenend
is het dat Willibrord gefeliciteerd werd met zijn dood. Nu had hij de kans te
slagen. Toen de koning gestorven was kon de wereld niet geloven dat hij
overleden was. De sage spon rond zijn persoon reeds spoedig haar liefde en een
uit haat opgebouwd web. Evenmin als Karel de Grote en Frederik Barbarossa is
deze koning echt gestorven. De herinnering van zijn volk heeft hem bewaard en
gekoesterd, in tijden van nood en verslapping helpt de herinnering aan hem mee
om de nakomelingen te bezielen en om de toekomst, hoe donker die ook mocht
schijnen met moed onder de ogen te zien. Hij is de sprookjeskoning van vrijheid
en recht.
Er liep een brede weg van Farnsum naar Reise, achter Weiwerd en
Termunten langs. Nu is het gebeurd dat de koning langs die weg kwam om bij
Reide over de Eems te komen. Maar toen hij bij Oterdum kwam begon de lange weg
hem te vervelen. Hij zat op een edele hengst en zei; ‘wij komen er wel over,
niet?’ Toen nam de hengst een aanloop en de koning kwam met een geweldige
sprong aan de overkant van de Eems in Oost-Friesland. Het paard had zich zo
sterk afgezet dat er hele stukken uit de grond vlogen. Dat is toen vol water
gelopen en heet nog alle dagen het Hengstegat.
Het heet dat de koning veel rechte wegen liet aanleggen, die liepen dan naar
de Opstalboom in Friesland. Het heet dan verder dat die wegen hun evenbeeld aan
de hemel hebben wanneer men een lijn denkt langs de Melkweg of langs andere
sterren.
Op oudejaarsavond om twaalf uur rijdt de oude koning in gestrekte draf
door de dorpen bij Norden. Dan vliegen de schuurdeuren vanzelf open. Is de
wilde jacht voorbij, dan gaan ze ook vanzelf weer dicht. Als de stormwind woedt
of de donder rolt of de regen tegen de kletterende ruiten aanslaat en de zee
luid buldert dan stormt ook nu nog de geweldige koning op zijn schuimend ros
door de landen. Aan de Knok geeft hij zijn paard dat steigert voor de razende
zee de scherpe sporen en springt door het spattende schuim in een sprong dwars
over de Eems.
Na zijn dood in 719 verloor zijn opvolger Alsgisl II Friesland weer in
733.
Sint Wulfram was van adel
en groeide op aan het hof der Merovingers. Wulfram moet een bijzonder vrome
beer van een kerel zijn geweest. Oersterk en een goede vechter was Wulfram.
Eigenlijk zou hij het liefst de heidenen mores leren. Hij huilde dan ook toen
hij tot bisschop van Sens in Normandië benoemd werd. Omstreeks 690 liet hij
zijn bisschopstroontje voor wat die was. Sint Gangulfus vroeg hem om als
lijfwacht mee te gaan naar Friesland. Daar bestreed hij gelijktijdig met Sint
Willibrord de heidenen. Nadat Wulfram nabij Hoogwoud tevergeefs had
geprobeerd de Friese koning tot het christendom te bekeren, trok hij zich
teleurgesteld terug in het klooster van Fontanelle bij Rouaan. Daar zou hij in
hoge ouderdom zijn gestorven, ca. 700. Er is een naar deze heilige genoemde
basisschool in Hoogwoud.
Volgens de overlevering zou
Wulfram de koning er toe hebben gebracht om zich te laten dopen. Terwijl de
vorst zijn ene voet reeds in het doopbekken geplaatst had zou hij de
missionaris gevraagd hebben waar zijn voorvaderen waren, in de hemel waar hij
als christen zou komen of in de hel. Toen Wulfram hem zei dat zijn voorgeslacht
in de hel de smarten der zonden moesten dragen, trok hij zijn voet terug en zei
liever in de hel te zijn bij zijn voorouders dan bij wat vreemde christenen in
de hemel. Een handige zet van Radboud, trouw aan eigen geslacht, traditie en
volk gaat toch boven alles, Fryske trou, een lichtend voorbeeld voor zijn volk.
Zijn dochter zal dat met haar huwelijk meegenomen hebben.
St. Bonifatius.
St.
Bonifatius, Bonifacius: Latijnse naam
met ongeveer dezelfde betekenis als bonaventura: ‘een goed lot of goede toekomst’, (voorspellend of iets
dergelijks) doordat men het tweede deel associeerde met Latijn facere: ‘doen’,
ontstond ook de vorm Bonifatius met de betekenis van weldoener.
De bekende Angelsaksische
apostel van Duitsland, vooral de Thüringers en ook van Friesland.
Oorspronkelijk heette hij Winfridus, Winfried, Wynfrith of Winfrith,
(vredevriend?). Hij koos de nieuwe naam omdat de dag van zijn wijding in 722
samenviel met de feestdag van eerder genoemde Bonifatius, zie 14 mei.
Na Willibrordus wordt hij
vaak als tweede aartsbisschop van Utrecht gezien hij zou in 723 tot bisschop
gewijd zijn. Zacharias schrijft in 751 een brief waarin de kerk van Metz als
moederkerk gezien wordt die Tongeren, Keulen, Worms, Speier en Utrecht onder
zich heeft. Dan was hij al 28 jaar bisschop van Utrecht. Diezelfde Zacharias
zegt in 748 dat Bonifatius toen al bisschop van Metz was; ‘ wij raden uwe
heiligheid aan, zegt de paus, de stoel van de heilige kerk van Metz geenszins
te verlaten’ . Dus waarschijnlijk geen bisschop van Utrecht, mogelijk wel de
bisschoppelijke stoel te Utrecht gevestigd heeft en een mede bisschop heeft
aangesteld, mogelijk H. Gregorius.
Hij is geboren tussen 672-75
in het Engelse Kirton bij Exeter (of Crediton in Devonshire) uit een adellijke
familie van Saksische afkomst. Bij de oude schrijvers wordt geen gewag gemaakt
van zijn ouders, behalve dat ze spreken van een zekere non, Leogbita of Lioba
die door hem uit Duitsland ontboden was en familie van hem was.
Willibald beschrijft hoe de jonge Winfried
zich tegen de wil van zijn vader al wilde wijden aan het kloosterleven. Toen
zijn vader dodelijk ziek werd en bijna overleed, zag hij dat als een teken, gaf
hij toe en vertrouwde de zevenjarige Winfried als puer oblatus toe aan het
klooster der benedictijnen te Adescancastre, Escancastre, in Exeter, tussen
Winchester en Southampton die onder de abt Wolfardus stond. Na een 7 jarig
verblijf aldaar ging hij naar het klooster Nhutscelle, (Nutscelle, Nutshalling
en nu Nursling) vanwege zijn geleerdheid kwam hij aan het hoofd van de
kloosterschool te staan en maakte naam als leraar, exegeet, historicus,
grammaticus en literator. De eerste Latijnse grammatica in het Engels was van
zijn hand. Hij voelde zich rond 715 geroepen tot verkondiging van het
Christendom en dat bij de Friezen, zijn eigen oud Engels of Angelsaksisch was
immers met hun taal verwant. Hij kreeg van zijn abt Winbertus toestemming en
kreeg twee metgezellen mee met de nodige reisbenodigdheden. Hij ging via Londen
en de Thames naar Duurstede, een stad in Friesland. Omdat er aan kant van de
heidenen een zwaar onweer groeide tegen de christenen door de oorlog van Radboud
tegen Karel werd hij genoodzaakt uit te wijken en ging naar Utrecht dat toen
onder Frankrijk behoorde. Dat werd weer veroverd door Radboud zodat alle kerken
weer vernield werden, 716. In die tijd heeft hij Radboud eens bezocht of hij
van hem verlof kon krijgen om het woord Gods in die gewesten te verkondigen. We lezen dat hij verrast was over wat hij zag. Er waren geen christenen
meer. In Utrecht ontmoette hij koning Radboud, maar het onderhoud was geen
succes. Het wantrouwen van de koning tegen het christendom was niet meer uit te
doven. Ontmoedigd keerde Bonifatius terug. In 718 zou hij verslag van zijn reis
aan de paus hebben aangeboden.
Daar hoorde hij dat de abt
van Nutscelle, Winbertus, overleden was waar alle monniken hem als abt wilden
hebben, dat wist hij te voorkomen want hij wilde zijn land weer verlaten. In de
herfst van 718 is hij naar Rome gegaan waar paus Gregorius hem op 1 mei 719
wijdde tot evangelieprediker met zijn nieuwe naam onder de Duitsers. In mei van
het volgende jaar is hij met de pauselijke brieven en zegen en de nieuwe naam
Bonifatius; weldoende, naar Lombardije gaan, naar koning Luitprandes. Vandaar
is hij over de Alpen getrokken naar Beieren en bezocht ook Thüringen waar hij
de vorsten van dat land wist te bekeren.
Na een korte werktijd in
Thüringen stuurde Paus Gregorius II hem naar de Nederlanden om als helper van
Sint Willibrord in Friesland, Sturingen en Hessen te verkondigen dat de Jezus
Christus een Zoon van God is en alleen via Hem eeuwige zaligheid te verwachten
is. De dood van koning Radboud scheen zijn voornemen te begunstigen. Ook werd
hij geholpen door Karel die het gebied door de dood van Radboud steeds vaster
in de hand kreeg. Hij heeft daar veel afgoden tempels omgegooid en christelijke
kerken opgericht.
Zijn verwachtingen werden
echter niet bevredigd zodat hij zich in 723 weer naar Duitsland begaf, mogelijk
door de paus daar gezonden werd. Willibrordus was daar tegen in wiens
gezelschap hij drie jaar gewerkt had.
Hij ging naar de Hessen waar
hij twee broeders, Dieticus en Dierolsus, die het gebied beheersten en de
dienst van de afgoden met de schijn van christelijkheid verbloemden en
vermengden van die heiligschennis afgetrokken en tot het echte geloof bekeerd.
Zodat hij zeker was dat het geloof zuiver bleef bij zijn afwezigheid stichtte
hij een klooster te Omenburg of Amoeneburg, en bekeerde vele mensen in Hessen
tot Saksen toe. Hij oordeelde dat het nuttig zou zijn als de paus van zijn
vorderingen wist en stuurde daarom Binas naar de paus om verslag te doen. De
paus was daarop verheugd en ontbood hem zelf in eigen persoon. Daar wijdde de
paus hem op de 30ste november 732 tot bisschop van de door hem
gestichte christelijke gemeente en legde hij de eed van gehoorzaamheid aan de
paus af.
Door de paus werd hij
aanbevolen bij Karel Martel, de major domus van het Frankische rijk. Die
verschafte hem brieven van vrijgeleide in Duitsland.
In 724 was hij weer in Hessen waarvan sommigen ook na de doop bomen en
bronnen begonnen te vieren, sommige wichelarij, vogels bekijken, waarzeggerij
en toverij. Nadat hij een boom die Jupijns eik of Jupiters kracht genoemd had
of heilige eik van Geismar velde heeft hij de meeste weer tot het rechte geloof
gebracht. Tijdens zijn leven heeft hij dan ook verscheidene heilige bomen met
de grond gelijk gemaakt zoals hier met de Donar-eik in het Duitse Geismar. Om
hier een krachtige daad te stellen en de gelovigen te overtuigen besloot hij de
heilige eik om te hakken. Door zijn gezellen begeleid begon hij aan de taak.
Het heidense volk stond vol woede om hem heen en hoopte dat hij, de
vernietiger, een ongeluk zou overkomen. Toen ze de machtige eik voor hun ogen
zagen vallen zonder dat Donar zijn gevreesde hamer liet neerkomen gaven velen
zich over tot het nieuwe geloof en lieten zich dopen. Het hout hiervan werd
gebruikt voor de bouw van een aan Petrus gewijde kapel en een kruis, de kapel
werd de kiemcel van het latere klooster in Fritzlar. Het omhakken van de
Donareik wordt door velen beschouwd als het begin van de kerstening onder de
Noord- en Middel Duitse Germanen.
Vervolgens ging hij naar
Thüringen waar hij te Altenberga de Johanneskerk, de oudste kerk van Thüringen,
stichtte. Onder hen waren er vele die als hoereerders en overspelige onder de
naam van christenen werkten en het landvolk door vele dolingen hadden besmet.
Toen ze weerspannig bleven heeft hij ze uit de schoot der kerk geworpen. Nadat
de gemeenschap zeer groeide werd er te Ordorf een klooster gebouwd die hij
onder aanroepen van de artsengel Michael heeft ingewijd. Om dat het werk steeds
meer werd ontbood hij uit zijn land mannen en vrouwen laten komen, ook
voorlezers en schrijvers om het evangelie te verkondigen zoals Wigbertus,
Denevaldus, Lullus, Burchardus en Megingozus, Willibaldus en Wunebaldus,
vloedverwanten van hem, Gregorius van een adellijk Frans huis. De vrouwen waren
Chunihilda en haar dochter Berathgit, Chunidrut, Tecla, Lioba en Waltpurgis,
zuster van Willibaldus en Wunibaldus. Stichtte te Frislaar een kerk met
klooster ter ere van Petrus, zo ook in Omemburg. Hij bouwde overal kloosters en
kerken naar het voorbeeld van St. Maarten van Tours die overal waar hij
afgodische tempels onder de voet haalde weer kerken of kloosters op de plaats
van de afgebroken tempels liet bouwen. Er werden er ook weer vele verbrand door
de bijgelovige.
Daar bleef hij 12 jaar om
voor de derde keer naar Rome te gaan, 738. Hij kreeg van de paus Gregorius III
grote volmachten, en in een vergadering van priesters schijnt besloten te zijn
dat Bonifatius die al op hoge leeftijd was een priester als zijn opvolger zou
kiezen die het begonnen werk in stand zou houden. Daardoor zou hij voor zijn
dood Lulluas aangewezen hebben als zijn opvolger.
Van 736 tot 753 bleef
Bonifatius voornamelijk als kerkhervormer aan het werk in het Frankische rijk
aan beide zijden van de Rijn en organiseerde hij de grote Austrasische synoden
van 742 (Concilium Germanicum, plaats onbekend) en 743 (Les Estinnes,
Leptines) en de Neustrische synode van 744 (Soissons). Zo berichtte bisschop
Bonifatius aan Paus Zacharius dat de nieuwjaarsnachten voor bijgelovige
doeleinden werden misbruikt. In het jaar 743 werd op het Concilie van Leptines
de zogenaamde "Indiculus
superstitionum et paganiarum" opgesteld, een omschrijving van
bijgelovige en heidense gebruiken, die verboden werden. De voorzitter van dit
concilie was Bonifatius. Hij stichtte er de bisdommen Passau, Freisingen en
Regensburg, herstelde dat van Salzburg, begaf zich weer naar Thüringen en
Hessen en werd er de grondlegger van de bisdommen Würzburg, Eichstadt, Bamberg,
Erfurt en Fulda in 744. In de laatste was hij in een naburige berg bezig met
bidden waarom de berg nu Bisschopsberg heet. Geholpen door de zonen van Karel
Martel belegde hij ook twee kerkvergaderingen in 742 en 743 tot bevestiging van
de kerkelijke tucht. In 745 werd hij, met toestemming van de paus, door Pepijn
de Korte tot aartsbisschop van Mainz en primaat van de Duitse kerk benoemd.
Daardoor bevorderde hij de troonbeklimming van deze en zalfde hem tot koning.
Toen hij bemerkte dat hij het
einde van zijn leven naderde vertrouwde de moedige geloofsheld het opzicht van
zijn bisdom Metz in 754 toe aan zijn vriend Lullus en reisde wederom naar
Friesland om de inwoners tot bekering te brengen. Doch voor hij naar Friesland
ging heeft hij door de geest van voorzeggen zijn sterfdag en op welke wijze hij
om het leven zou komen aan hem geopenbaard. Hij sprak hem verder vermanend toe
over het onderhoud van zijn kerke en kudde en liet alles voor zijn reis klaar
maken. Daaronder was ook een wade of lijnwaad waar zijn lichaam in gewonden zou
worden die hij in zijn boekenkist liet leggen. Lioba, zijn zuster, beval hij
aan de zorg van Lullus en de monniken van Fulda en belaste hen dat ze haar na
haar dood in zijn graf zou leggen zodat ze beiden de dag van verrijzenis
gezamenlijk zouden opwachten. Daarna heeft hij zijn kap aan Lioba geschonken.
Hierop werd aan Lioba de vrije toegang tot de kerk van Fulda vergund die aan alle vrouwen verboden was.
Niet lang daarna is de hoog bejaarde
heilige man in 754 met enige priesters, diakens en monniken de Rijn af naar
Friesland gevaren. Daar aangeland ging hij het woord Gods allerwegen
verkondigen, de heidense kerkdiensten uitroeien en kerken in de plaats der
heidense tempels opbouwen zodat hij daar duizenden mensen, mannen en vrouwen,
gedoopt heeft. Dat mede in het gezelschap van zijn gezel en mede bisschop
Coebanus of Eobanus die hij tot bisschop van de Friezen had aangesteld. Ook
belegde hij een grote bijeenkomst om nieuw bekeerden gemeenschappelijk het
sacrament van het Heilig Vormsel toe te dienen die te Dokkum zou plaatsvinden.
Volgens de overlevering werd
hij tijdens een missietocht tegen de Friezen, samen met een peloton van 52
gezellen op 5 juni 754 te Murmerwoude: moordenaarswoude vermoord. Hij kreeg een
slag in het boek die hij droeg van de apostel Paulus die nog in Fulda bewaard
wordt. Onderzoekers van de oudste historische bronnen zijn het er niet over
eens of de plaatsaanduiding waar Bonifatius de genadeslag opliep, zo de traditie
wil, bij Dokkum lag of (en daar is volgens sommige veel voor te zeggen) in het
Belgische Scheldedal. Probleem is dan: wie veroorzaakt de wonderen met het
water uit de Bonifatiusbron in Dokkum?
Bij Dokkum is nog een
Bonifatiusbron die nog steeds genezend zou zijn. De meeste heilige bronnen van
Nederland zijn gewijd aan Bonifatius en Willibrordus. Een hiervan is de zgn.
hippokrene of paardenbron, een van de drie Bonifaciusputten van Dokkum. Op de
plaats waar hij het leven liet zonk het paard van iemand uit koning Pepijn’s
gevolg met de voorpoten in de grond. Nauwelijks was het paard eruit geholpen of
daar spoot met kracht kristalhelder water naar boven. Nog steeds is de bron in
ere en wordt bijzondere waarde en werking aan haar water toegekend. Voor de
hervorming vertoonde men er Bonifatius bisschopskleed, een door hem
afgeschreven Nieuw Testament en vijf van de door hem in stenen veranderde
broden. Hij kwam na een lange tocht door het Friese land bij een boerenhoeve
aan. Hij had een geweldige honger en haalde opgelucht adem toen hij zag dat de
boerin bezig bij een rokende oven. Hij vroeg haar om een stukje van het verse
brood. De vrouw antwoordde hem dat er geen brood in de oven zat maar slechts
een vijftal stenen die zij verhitte om haar badwater te verwarmen. Bonifatius
zei: ‘ Inderdaad, ik zie dat u gelijk hebt, er zitten niets dan stenen in’. Hij
groette de vrouw en ging weg. Toen de vrouw enige tijd later de oven opende
haalde zaten er inderdaad vijf gloeiende stenen en niet het verse brood in dat
ze verwachtte.
Het tweede verhaal is dat hij
op zeventigjarige leeftijd terug ging naar Friesland. Ergens tussen Murmerwoude
en Dokkum wachtte hem een aantal rovers op die vernomen hadden dat de heilige
een aantal kerkschatten mee voerde. De ongewapende priesters in zijn gezelschap
en de oude bisschop zelf hadden met een overval dan ook geen rekening gehouden.
Ze hadden dan ook niets bij zich om zich te verweren tegen de met bijlen en
knuppels gewapende bende. De priesters, de een na de ander, zegen ontzield op
de bodem neer. Ook voor Bonifatius was er geen redding mogelijk, een scherp
wapen raakte zijn schedel ondanks het feit dat hij zijn hoofd trachtte te
beschermen met het evangelieboek. De moordenaars zochten tussen de bepakking en
de kleding van de slachtoffers maar vonden niets anders dan wat broden, een
paar kruiken wijn en wat ander voedsel. Zeer teleurgesteld keerden ze naar hun
dorp terug en vierden toch een laffe overwinning met een feestmaal van het
geroofde voedsel. Ze zetten hun tanden in het brood, maar die braken af omdat
de broden in steen veranderd waren. Ook dronken ze flink van de wijn, maar na
een tijdje kronkelden de drinkers over de grond van de pijn en de een na de
ander stierf. De wijn was in gif veranderd. Zo nam de hemel wraak op deze laffe
moord.
Hij wordt afgebeeld als
bisschop, maar ook als monnik in zwart habijt. Een dolk of zwaard in de hand of
door een boek gestoken wijst op zijn dood. Omdat hij vele bomen omgehakt heeft
staat er meestal een boomstronk bij hem of een bijl. Soms ook met knots,
zwaard, gesel, raaf, tros druiven en een wiel, het stadswapen van Mainz. Aan
zijn staf ontspringt soms een bron. Patroonheilige van boekhandelaars,
transportarbeiders door het wiel, en kleermakers.
Conclusie:
Wat heeft echter zo’n oude
man heel in het vijandige Dokkum te zoeken? Een
gevaarlijke reis, Drenthe was omgeven door moerassen, vennen en wadden en dan
via de Friese meren en laagtes komt hij in een vijandelijke Friese omgeving.
Logisch zou het zijn als je toch onder in Duitsland of Metz bent dan ga je via
Luxemburg en dan richting België of via de Rijn via Utrecht naar Engeland.
Egmond was toch al gesticht door Willibrord en vandaar zou je beter kunnen
reizen dan over Dokkum.
Zocht hij daar het
martelaarschap op? Een argument om aan een meer gecoördineerde actie te denken
is het tijdstip waarop de moord op Bonifatius plaats gevonden moet hebben,
namelijk bij het aanbreken van de dag. Dat was een tijdstip waarop destijds ook
veldslagen werden uitgevochten. Bonifatius kan zijn verzocht op een Friese
rechtszitting te verschijnen om zich te verantwoorden voor zijn vernielingen.
Het niet verschijnen op een vroeg middeleeuws "gerecht" stond gelijk
aan het bekennen van schuld. Volgens de Friese wetten, zoals we die kennen uit
de Lex Frisiorum stonden tempelschenners en de aantasters van heiligdommen de
doodstraf te wachten. Bonifatius had zich dertig jaar tevoren schuldig gemaakt
aan het omhakken van heilige bomen (heiligschennis dus volgens het Germaanse
recht), zodat hij volgens de Friezen nog altijd strafbaar was. De Lex Frisionum
stelt: Wie in een heiligdom inbreekt en daar een van de heilige voorwerpen
wegneemt, wordt naar de zee gevoerd, en op het zand, wat door de vloed bedekt
wordt, worden zijn oren gekloofd, en wordt hij gecastreerd en ten offer
gebracht aan de god, wiens tempel hij onteerde.
De
verwarring komt omdat er bij de Friezen aan Friesland gedacht wordt, de oude
Friezen waren echter West Friezen. Dokkum heete in 1150 Tochingen, 14de eeuw Dockinga;
woonplaats van Dokke, dok betekent een waterplant, bies. De plaats Dokkum is
ook niet zo oud dat het daar gebeurd kan zijn.
Bonifatius
is volgens de ‘ Kerkelijke Historie en Outheden der zeven Vereenigde Provincien
uit 1726’; ‘gestorven aan de rivier Bortna die West-Friesland eertijds scheidde
van Oost Friesland bij het stadje Dokkinga of Dokkum’. Dokkum of biezenplaats
is een naam die aan meer plaatsen in dit waterrijke gebied wel gehad hebben. De
rivier echter zal meer richting Purmerend gelegen hebben wat maar een dag reis
van Utrecht ligt. Zo’ n oude man gaat niet weken lang op weg, de meest geode
weg is via het water en niet over de wadden. Vanuit Utrecht zal hij wat tochten
gemaakt hebben richting West Friesland en niet in het verre Friesland. Het is
zelfs tegenwoordig nog vrijwel onmogelijk om die zaak zo snel te doen, zoals
hieronder te lezen is, laat staan dat de moord in Dokkum was. Dan moet je ook
als je naar Utrecht gaat tegen de stroom in en een noordelijke wind hebben.
Verder
in Kerkelijke Historie; ‘Albricus liet
zijn vriend Luidgerus tot priester wijden en stelde hem aan te Oostergoo, een
plaats in West Friesland, op de plaats waar H. Bonifatius de martelkroon heeft
ontvangen’. Oostergoo of ooster Gouwe is bij het riviertje de Gouwe, vlakbij
Hoogwoud. Gouwe heet een plaatsje bij Opmeer.
Kerkelijke
Historie; “ Het lijk van de H. Bisschop is met de lichamen van zijn metgezellen
(52) over een meer dat toen Elmere genoemd werd voor wind en stroom afgevoerd
naar de stad Utrecht en aldaar begraven; tot de tijd dat enige godsdienstige en
getrouwe broeders die aan hun hoofd hebben de eerwaardige Hadda door Lullus,
bisschop van Metz, gezonden worden die het lichaam van de heilige martelaar
naar Fulda, zoals hij in zijn leven belast heeft, gevoerd hebben wat nochtans
niet zonder sterke tegenstand van de Utrechtenaren gebeurd is die zich echter
onder de Goddelijke wil, die hun door gewisse tekens bleek, hebben moeten
buigen. De marteldood van de H. Bonifatius is voorgevallen op de vijfde juni.
Zijn heilig lichaam is de dertigste dag te Ments (Metz) aangekomen alwaar een
oneindig getal van mensen door Goddelijke ingeving van alle kanten tot het zien
van deze statie was gekomen. Verder is het heilig lichaam, hoe sterk de mensen
van Metz er tegen vochten, met een groot toestel en in een talrijke stoet naar
Fulda gevoerd en in een gewelfd graf, dat voor hem gemaakt was, begraven alwaar
het ook van tijd tot tijd door verscheiden wonderen vermaard is geworden’.
Als je
het geheel overziet kom je tot de conclusie dat het een geplande samenkomst was,
vergadering of rechtszitting. Hij wist het dan ook van tevoren dat het spannend
zou worden. Die samenkomst zal belangrijk geweest zijn zodat onmiddellijk na
zijn dood het nieuws bekend werd onder de rivieren. Waarom had hij dan ook zo’
n grote groep mee? Het lijkt dan meer een volksopstand of lynchpartij geweest
te zijn dan roof. Immers iedereen werd gedood waar bij een roof wel enkele in
leven blijven of licht verwond zouden zijn. Was het de wraak vanwege zijn
eerdere misdaden of heeft hij opnieuw gezondigd tegen de heidense goden?
Onder
zijn helpers waren de genoemde Eobanus en vier monniken, Waccar, Gundecar,
Illekere of Willikeri en Batwlfus.
Niet
lang na zijn marteldood heeft Lullus gezorgd dat zijn daden door Willibaldus,
bisschop van Aichstadt, beschreven werden.
De Franse
voerden na Radboud gelukkig oorlog tegen de Friezen en het christendom werd
aangenomen waarna de strijd tussen die volkeren inzakte. Door tweespalt en
onderlinge oorlogen afgemat hadden de Noormannen een kans en vielen de Fransen
op de hals zodat ze een deel van het rijk kregen, zie Normandië. De Friezen
hadden tegen de Noormannen geen bijstand van de Fransen te verwachten en zo
stierven de Friese graven Thietbolt en Gerolf. Men was vrij en ieder was
meester en met zulke verdeelde krachten werd een goede gelegenheid verzuimd en
velen die apart strijden werden overwonnen. Door die zwakte beraden ze zich om
iemand uit de adel te kiezen die het oppergezag zou krijgen, vooral omdat de
Noormannen de overige Friezen zo dol behandeld hadden dat ze een lage deur in
het noorden van de huizen moesten maken om bukkende in en uit te gaan. Ook
stond er een gebouw van 72 meter lang met aan de ene kant konings rentmeester
en aan de andere kant een koperen schild waarin de Friezen hun schattingen in
moesten werpen, wat pas als betaling diende als de rentmeester het geluid kon
horen.
Die
oorlogsbuien waren nog niet overgewaaid of schenen opnieuw te dreigen. Roderijk
had van keizer Luidewijk Wijk bij Duurstede in leen ontvangen maar werd door
Lotharius, die zijn vader Luidewijk opgevolgd was, in de kerker geworpen
vanwege hoogverraad. Uit hechtenis ontsnapt zoekt hij bijstand bij de
Noormannen. Lotharius was echter verzopen in onkuise omhelzingen van zijn
bijzit Waldrada en liet alles lopen. De Noormannen kwamen echter bij Wijk van
Duurstede maar werden in Noordwijk gestopt door Rembert, kerkvoogd van Bremen
zodat die tocht de Noormannen op 10 000 verslagen kwam te staan. Maar ze
zweerden wraak en kwamen met nieuwe krachten in Nijmegen en vestigden daar de
oorlogsstoel. Maar nu trekt keizer Luidewijk ten strijde en jaagt ze uit
Nijmegen en zo vertrekken de Noormannen uit Friese bodem. Maar niet gauw daarna
en begeleidt door Godefrid en Sigefrid vliegen ze door het Duitse rijk en
vragen vanwege voedselgebrek bij de gracht van Crassus om genade. De keizer
schonk ze die onder het beding dat ze het christendom zouden aannemen. De
keizer huwelijkte Giffa, dochter van zijn vader Lotharius en bijzit Waldrada,
aan Godefrid uit met goed van gewesten aan deze kant van de Zuidzee tot over de
Rijn zodat Gerolf en andere Friese graven genoodzaakt waren de Noorman te
gehoorzamen. De overblijfsels van deze voogdij zijn nog te vinden in de naam
Denemarken en in het eiland Marken. Sigefrid keerde dus zegerijk uit Gallië
terug waar de Friezen hem opwachtte zodat hij in de slag het leven verloor. De
Denen kwamen echter weer en Rhollo valt tijdens onweer Walcheren aan en de
Friezen verliezen hun vrijheid. Geleidelijk aan werd dit minder en de Friezen
vatten moed en gaven aan Diederijk het hoogste gezag, maar met bepaalde macht
zodat de vrijheid niet gekreukt werd. Karel de Simpele bevestigde deze
verkiezing en deed afstand van alle recht die de Franken meenden te hebben en
zo hebben de Friezen zich een opperhoofd gekozen met de naam van Friese graaf.
Later
werden de Friezen geleidelijk aan over de IJ gedreven naar het stroompje
Kinheim onder Alkmaar en hebben uit hun hoofdstad Vroone (Sint Pancras) meer
dan eens Alkmaar veroverd en bij Hoogwoud de Roomse koning Wilhelm verslagen en
zo waren er meer slagen. Dat duurde tot 1294 toen graaf Johan kwam die
versterkt werd door zijn Engelse schoonvader Eduard zodat de Friese moederstad
Vroone na een grote nederlaag ingenomen en verwoest is. De West Friezen bleven
over. Dat zijn dus de eigenlijke Friezen en dat om verschillende redden.
Samenvatting van de woonplaats der
Friezen.Als je de
hele zaak overziet en de hele vorm van het land zoals het nu is helemaal
vergeet kom je mogelijk tot een beter inzicht in de vorm van het Friese rijk.
De
Romeinen zaten onder de Rijn. Daarboven was het vol moerassen, hoogtes en
laagtes, wadden, veen en wateren, vrijwel ondoordringbaar. Tacitus spreekt over
de Friezen als een over Rijns volk.
Commelin
in zijn ‘ Beschryvinge der Stadt Amsterdam ‘ in 1726 zegt; Naar hun krachten is
de benaming grote en kleine Friezen…. Holland wordt gedeeld in drie delen als
Zuid-Holland, Noord-Holland en West-Vriesland. Dit laatste gedeelte is in de
oude kronieken altijd Vrieslant genoemd alwaar de Vriesen woonden’ .
Alle
oorlogen hebben zich ook afgespeeld in West Friesland, niet in het
tegenwoordige Friesland. Dat had toen vrijwel geen betekenis. Dat kan je nog
zien als je naar de naamgeving kijkt. Dat zijn de plaatsen die op wier of werf
eindigen zoals Leeuwarden en dergelijke, ook die op hem of um eindigen, Burgum,
Wognum en dergelijken. Als je de andere plaatsen weg haalt blijft er weinig
over. Dat geldt voor het hele gebied, Groningen, Friesland en in de Zuiderzee
tot in N. Holland..
Zo heeft
Drusus een gracht gemaakt tussen de Rijn en IJsel, bekend als de Gracht van
Drusus. Dat deed hij om meer water in de IJsel te krijgen om die zo beter
bevaarbaar te maken. Er was toen nog geen verbinding met de Rijn en was het
meer een riviertje die de waterafvoer van de Achterhoek regelde.
Tacitus
spreekt van de wadden en het meer Flevo met een eiland er in van die naam.
Commelin: “Tacitus beschrijvende de oorlogen van Germanicus tegen de Cherusci
spreekt aldus van de wadden en Zuiderzee: Op dat niet de krijg tegelijk op de
hals zou vallen zond hij Caecina met 40 benden Romeinen door de Bructeri naar
de Eems om vijands macht te verleiden. Over Friesland rukt de bevelhebber Paedo
met de ruiterij. Hij zelf zet over het meer met vier regimenten. Tegelijk kwam
de voetknecht, ruiter en vloot tezamen’ . Een weinig daarna. ‘ Het leger naar
de Eems terug gevoerd brengt de regimenten met de vloot wederom gelijk ze ook
gebracht waren. Een gedeelte van het paardenvolk gelast hij langs de stranden
van de oceaan naar de Rijn te reizen’ . En terstond hierop. ‘ Germanicus gaat
met het tweede en veertiende regiment die hij te water geleid heeft te land
zodat de vloot op de ondiepe zee lichter zou drijven en bij eb zou vast raken.
Vitellius had in het begin de gemakkelijke weg op droge grond, de vloed
zachtjes aanrollend. Doch terstond daarna door de noorderwind alzo ook de
ongelijke verdeling van dagen en nachten die de oceaan het allermeest liet
opzwellen werd het leger gerukt en snel voortgedreven en het land rondom
bedekt. Diezelfde gedaante had de zee, strand en veld. Men kon de vaste grond
niet scheiden van de kuilen, noch de diepten van de ondiepten.’
Mogelijk
is hij via de IJsel geweest, was de IJsel diep genoeg en bevaarbaar, omgevallen
bomen, moerassen en vennen bij Meppel, Zwolle, Steenwijk en andere obstakels.
In ieder geval ging het ruitervolk te paard terug langs de stranden. Dat zal
dan niet via Friesland en de IJssel geweest zijn, logisch lijkt het me dat ze
via de duinen aan de Noordzee gingen. Je zou nu met de Eems en Friesland gauw
richting Duitsland denken. Zijn ze zo ver geweest? Het Friesland van vroeger
was Weest Friesland en Praedo gaat vermoedelijk over West Friesland en daar
komen ze tezamen. Zal het niet de stroom Eem Of Eems geweest zijn die nog
uitloopt langs de Veluwe langs Amersfoort dat er zijn naam van heeft richting
Laren en Blaricum waar nog een Eemdijk is en Eenmes? Zie de namen aa, ee of ei
als water. Commelin meldt dat ze via de gracht van Drusus gegaan zijn, dan zijn
ze mogelijk via de IJsel gegaan die uitloopt in de Eems en kwamen zo op het
waddengebied uit wat het bovenste deel van West Friesland, Friesland en
Groningen uitmaakte.
Commelin:
‘Deze eer hebben de Friezen dat ze vanuit hun hoofdstad Vroone meer dan eens
Alkmaar overmeesterden en bij Hoogwoud over de verslagen Wilhelm, Roomse koning
zegepraalden. Zo lang hield die kleine hoek de Hollandse macht gaande tot
eindelijk in de 27 maart van de lentemaand in 1294 onder Nieuwburg (een sterkte
tegen de Friese overlast van Floris gebouwd) zo gelukkig door graaf Johan,
geholpen door zijn Engelse schoonvader Eduard, Engelse koning, met enige benden
gevochten heeft zodat de Friese moederstad Vroone na een grote nederlaag van
haar burgers ingenomen en tot op de grond toe verwoest is. Dat terwijl de
kleine Friezen ten noorden zich niet onderwierpen aan de graaf Alruin’. Er
zouden wel 3000 Friezen gedood zijn, uitgezonderd de velen die verdronken.
Oudorp werd gespaard omdat het stil gezeten had. De kleine Friezen werden
daarna dan nog wel bevochten en waren er wel veldslagen in Friesland,
Laurillard: ‘ Onder Bolsward in de hof van het klooster Bloemkamp is begraven
graaf Willen IV die daar met vele Hollandse edelen sneuvelden in de slag tegen
de Friezen, 27 september 1345.’ Door de vorming van de Zuiderzee was ook het
achterland van de West Friezen vrijwel verloren en konden ze daar geen hulp
verwachten tegen de van onderen opkomende graven.
“Op uw
stoel door uw Land’ van D. E. Laurillard uit 1901 zegt over Hoogwoud: ‘ De daar
aanwezige doopvont is die waarin de Friese koning Radboud reeds de voet had
gezet’. Verder zegt hij; ” Nabij Hoogwoud was het dat graaf Willem II, de
Roomse koning op zijn tocht tegen de West-Friezen door het ijs zakte en afgemaakt
werd’. Dat was de vader van Floris de vijfde.
Radboud
is de Friese koning en verbleef dus in Vroonen en omstreken. Hoogwoud heeft nog
steeds een school die genoemd is naar de heilige die hem doopte, H. Wufram.
Ook is er
een kasteel naar hem genoemd door Floris de V, die staat dus niet in Friesland
maar in West-Friesland.
In de omtrek van Winkel was het
waar graaf Arnoud sneuvelde in een slag tegen de Friezen in 993.
Waar lag het beroemde Baduhese?
Baduenne,
Baduhenna of Baduhese is beroemd door de nederlaag die Apronius in 28 na Chr.
ontving. Uit de sterkte Flevius was hij met een 1300 Romeinen naar Friesland
gekomen (lees West-Friesland) en ze werden bij Baduenne zo ruw onthaald dat er
900 sneuvelden en de overige zich op de hoeve Cruptoricos zichzelf ombrachten.
Van ouds
wordt gesproken dat de Rijn twee monden heeft, bicornis. Julius Caesar spreekt
in het vierde boek van zijn historiën dat de Rijn langs vele uitwateringen
(multis capitibus) in de oceaan loopt. Plinius en Ptolomeus spreken over drie
monden. Zo ook Virgilius, Asinius Pollo en Strabo. Een ten westen, een ten
oosten en een in het midden, de laatste was de minste stroom. Drusus had in de
tijd van die schrijvers de IJssel noch niet met een gracht verbonden, dus die
kan het niet zijn. Plinius: “ In de Rijn zelf… ligt het edelste eiland der
Batavieren en de Kaninefaten en de andere eilanden der Friezen, Cauchen,
Frisobonen, Sturien, Marsakken, die allemaal liggen tussen Helius en Flevus.
(Helius of Helium is Hallum?) Pompeius Mela zegt: aan de rechter zijde (dus
noordelijk) is de Rijnstroom in het begin nauw en zichzelf gelijk, naderhand
als de oevers wijd en zijd van elkaar wijken is hij geen rivier meer maar een
meer en de velden blank daarvan, genoemd Fletio, en omarmt een eiland, krimpt
en valt wederom een rivier geworden zijnde tussen zijn deuren uit’. Het eiland
in het meer kan Marken zijn en had dezelfde naam als het meer,
De eerste
is wel bij het huidige Rotterdam, de tweede kleine tot Katwijk aan zee. Die
monding zou in 860 verstopt zijn geraakt. Bij Utrecht was een oversteekplaats,
Trajectum: overtocht, zie Tregt als in Zwijndrecht, Barendrecht, Dordrecht,
Maastricht.
De derde
Rijnmond zou aan de bij Egmond geweest zijn. Dat zie je aan de naam Egmond: een
enge monding, eerder Heckmunde: mond, wat uitloop van een stroom betekent, en
van Eg: eng. Ook de oude naam ervan, Hallum, dat werd eerder gespeld als
Heckmunde of Egmunde waar ook weer de Eg en mond in voorkomt. Dat is een plaats die
verdwenen is en bij het huidige Adelbertusputje lag. Dan heeft de Rijn zich gesplitst te Utrecht en is wat we nu de Vecht
noemen via Maarsen, Vreeland en Muiderslot, bij de Herengracht (!) in het
IJsselmeer loopt. Vroeger zou die wel verder gegaan zijn via het meer Flevo via
de kromme Y of Krommenie richting Egmond. Bodemkundig onderzoek heeft het
bestaan van een voormalig zeegat tussen Egmond en Bergen aangetoond waarop
wateren zoals de Rie, Rekere en Stierop vroeger moeten hebben afgewaterd. De
Egmonders zeggen dan ook dat het oude Egmond aan Zee buiten de duinen lag, aan
de zee. Daar zouden archeologische vondsten gedaan zijn. Bij een monding van
een rivier is dat natuurlijk mogelijk, dan stroomt er wel zand in de Noordzee,
dat is later weer terug gewaaid in de duinen. Na de vorming van de Zuiderzee
kreeg het geen aanvoer meer van water. Vandaar is er ook een abdij te Egmond
gevormd, het was de landingsplaats van de zeevaarders en monniken. De Rijn is
wel een afscheiding geweest tussen de Kennemers en de Friezen via de loop
Kinheim of Kynheim.
Batavia
Sacra; ‘ Daar zijn er (gelijk Rykius over Tacitus getuigt) die Egmond voor de
rechte plaats houden daar Willibrord zou geland zijn en zijn voeten eerst op de
Hollandse bodem zou gezet hebben; want wij hebben zo even gezien dat de Rijn
daar ook een uitwatering heeft gehad.
Vandaar
ging men naar Utrecht. Alcuines in het leven van Willibrordus: Hij heeft een
voorspoedige reis gehad en heft de zeilen bij de monding van de Rijn gestreken…
en kort daarna zijn ze in de burcht Trajectum, liggende op de oever van gemelde
rivier aangekomen”. Dat kan net zo goed via Egmond en Castricum als kasteel of
vestiging zijn als Utrecht. Het kan natuurlijk via Oudorp en de horns of oude
havens, maar vanwege Castricum en de twee oude wegen die tussen Heiloo en
Egmond liggen geef ik de voorkeur richting Uitgeest en zo naar de kromme y of
Krommenie richting het meer Flevo en Muiden.
Dan
krijgt de naam Castricum als Castello enige betekenis als een legerplaats. Dus
die omgeving was bekend bij de Romeinen. Die kant is ook interessant omdat ze via
de duinen gemakkelijk een gedeelte van Friesland konden bereiken. De Romeinen
zaten onder de Rijn, maar de Rijn liep dus tot Egmond.
Uit
Wikipedia: ‘ In
het woud van Baduhenna ("apud lucum quem Baduhennae vocant") werden
de Romeinen die versterkingen hadden gekregen uit het fort van Noviomagus
(Nijmegen) vervolgens vernietigend verslagen.
Volgens de Annales van
Tacitus was dit 'heilige woud van Baduhenna'. Baduhenna wordt algemeen als
Friese oorlogsgodin beschouwd en haar naam zou dan zoiets als 'de gedrevene in
(of door) de strijd' betekenen (samenhangend met Germaans *badwa, 'strijd').
Toen
de tekst van Tacitus in de 16e eeuw werd herontdekt, ging men op zoek naar de
locatie van het woud. Bij afwezigheid van archeologische vondsten zocht men het
vooral in naam overeenkomst en dan wel in het huidige Friesland. Zo situeerde
men het in Oldeholtpade (oud bos van Badu), Beetgum (Baduheim) of
Baarderadeel’.
In
de tachtiger jaren van de twintigste eeuw werd in de buurt van Velsen een
Romeins fort opgegraven dat blijkens muntvondsten en koolstofdatering in het
jaar 28 verwoest was. Algemeen wordt aangenomen dat dit het Castellum Flevum
was en dat het woud van Baduhenna er niet ver vandaan moet hebben gelegen, in
Velserbroek, Bakkum, Heiloo of Castricum’. Bij de Runxsput in het heilige loo
of Heiloo, het Baduhenna? Van Eeden; ‘
Baduhenna, ook Bakenes, wat de eerste christenpredikers vernield of veranderd
hebben in een kerk, wat de oudste kerk van Haarlem geweest zou zijn. De oud
Haarlemse familienaam Bakenes zou daarvan afstammen. Bij Haarlem zou het grote
woud een heiligdom geweest zijn van moeder Aarde. (bij Tacitus Nerthus, zie
Callantsoog) Die eredienst zou nog te zien zijn in de namen van Aardenhout en
Hartjesdag, vooral omdat het oude wapen van Haarlem een dorre boom van zilver
op een zwart veld heeft gehad’.
Van Eeden ziet de loop ruimer en legt die Rijn meer bij
Haarlem tot Petten als een uitloper van de Rijn die bij Katwijk in de zee
stroomde, dus een aftakking die wat verder lag. ‘ Eenmaal was de vlakte tussen Alkmaar en de duinen van
met grote waterplassen bedekt, Egmonder en Berger meren die door Lamoraal,
graaf van Egmond, zijn droog gemaakt. Deze meren stonden ongetwijfeld in
verbinding met de grote waterplassen die in oude tijden met die Rijn in verbinding
stonden. Aan de noordzijde waren de Egmonder en Berger meren verbonden met twee
uitgestrekte ondiepe wateren of wadden, de Rekere en de Zijpe. Welke laatste
Petten scheidde van Callantsoog en met de zee in verbinding stond. Een vrij
brede strook land ten zuiden van de Schoorlse dijk, het Verdolven geheten,
levert door haar rijkdom aan klei het bewijs dat een rivier eens haar
uitmonding heeft gehad. De Hondsbosser vaart die van het Noord-Hollandse kanaal
naar Petten loopt is het laatste overblijfsel van die loop.
Volgens de Divisie chronyk
zou die over Volmeer en Bentveld door Aardenhout en volgens Ampzing langs
Bloemendaal, Castricum, Egmond naar Petten gestroomd zijn. De onderzoeken van de
laatste jaren hebben me bewezen dat werkelijk op die plaatsen de kleilaag
bestaat die door die rivier is achter gelaten, een voormalige rivierbedding die
door de weilanden bij Noordwijk loopt en van aanzienlijke kleilagen voor de
duinen van Overveen en vooral ten zuiden van de Schoorlse dijk en de
Hondsbosser vaart naar de kant van Schoorl en niet ten noorden aan de Zijpe
kant die meest uit zandgrond bestaat. Zijpe bestond vroeger uit twee
gedeelten, het ene in de Zijpe ten noorden en het andere in het zuiden in de
Hondsbos naar de zijde van Camperduin. Tussen die beiden lag de uitmonding van
een rivierarm, daarom was het dorp dan ook in twee delen verdeeld. De duinen
ten noorden van Petten zijn van latere dagtekening. In de 15de eeuw
was er nog een breed en vlak strand waarover de zee spoelde tot ver oostwaarts
van de Zijpse Dijk. Door het aanleggen van die dijk heeft zich geleidelijk aan
een nieuwe duinregel gevormd tot dicht bij Callantsoog, vroeger het Oghe. Dat
was vroeger een eiland dat ten zuiden bespoeld werd een breed en ondiep wad, de
Zijp, en ten noorden door het Heersdiep dat later bij het aanleggen van de
zanddijk naar Den Helder in 1610 is verdwenen.
Het kasteel Rijnegom wordt
door van Lennep in zijn ‘Bedevaartganger’ herdacht. Alleen de naam bestaat nog
voor een buurt tussen Egmond en Castricum. Zo ook de vermelding van een
Rijndijk bij Petten in een charter van hertog Filips in 1443 naar de
noordelijke Rijnarm.
De
Friezen waren toch een vrij volk? Waarom kwamen ze dan in opstand bij
Baduhenne? Dat was omdat ze huiden moesten leveren van de oeros voor de
Romeinse schilden, die waren toen al zeldzaam, de huiden van de kleinere inlandse
koeien waren te klein zodat ze ook nog maagden moesten leveren. Dat was hen
teveel. Ze moesten dus schatting betalen en dat doe je alleen als je min of
meer onderworpen bent. Het gebied van West Friesland is dan ook vrij
gemakkelijk via de duinen te bereiken en de uiterste grens van de Rijn waar de
Romeinen heersten is dus tot Egmond geweest.
Laurillard:
“ Bij het afgraven van een terp onder Beetgum is een steen gevonden waarin de
schatplichtigheid der Friezen aan de Romeinen bewijst’. Die is nu in het Friese
museum te Leeuwarden.
Commelin
ook: ‘ In dit oude Friesland is over meer als zestien eeuwen vermaard geweest
Manarmanis haven door grote scheepvaart’. Oudorp of beter Schagen?
Holland.
De naam
Holland komt pas in de 12de eeuw op.
Het
graafschap Holland verschijnt in een open brief van Hendrik IV. In 1064 ook bij
Dideryk V, graaf van Holland bij de giften aan de abdij van Egmond. Met Holland
werd een klein gedeelte van Dordrecht zo genoemd, Dordtrechtse waard.
De naam
kan komen: Van Holtland, hout land.
Volgens
anderen van hooiland, vergelijk Holland in Lincolnshire, een hooiachtig
landschap.
Of van
Deens die hier een tijd lang geweest zijn, vergelijk het eiland Oeland.
Of van
hollen omdat het een fors en ongetemd volk was.
Of van
hol land, net zoals Zee land, Maas land, Rijn land.
Of van
een vlek gelegen tussen Utrecht en Leiden Rijn die Holland heette.
Aemstel.
De dam in
de Amstel werd in 1203 gelegd, daarvoor was het de plaats van de familie van
Amstel. Waarschijnlijk woonden er al vissers. Daar omheen lagen veengronden die
voor brandstof dienden. Er werden hele bossen onder dat veen gevonden voorbij
Amstel tot voorbij Ouderkerk waar op honderd vijftig of honderd tachtig cm
diepte een onderaards bos van bomen komt die allen naar het zuidoosten liggen,
de kleine staan nog recht overeind. Verder naar Abcoude wordt dit bos breder en
schijnt eikenhout te zijn wat hout leverde voor huisraad. Sommigen meenden dat
het oude onderaardse gewassen waren. De gewone man zegt dat het pek of
dennenbomen zijn omdat als ze gebrand worden een harsachtige reuk geven. Om
Amsterdam lag laag land zodat het moeilijk overwonnen kon worden want als de
stadssluizen geopend werden liep het hele land rondom Amsterdam onder water.
Rond 1390 voeren ze al naar Denemarken op haringvangst.
Volgens
een kroniek uit 1019 zijn die oude heren van Aemstel leenmannen van het Sticht
en de kerk van Utrecht geweest. Heren van Amstel, in oude kronieken Aemstel,
Aemstelle en Amestella genoemd, hebben al vanouds Amstelland in eigendom gehad.
De
eerste, Eggebert van Amestelle, had als leenman al direct een
conflict met de kerk omdat hij meer land toe-eigende dan toegestaan was. Na
bemiddeling werd dit gesust op voorwaarde dat hij alles wat hij teveel genomen had
teruggaf en een van zijn zonen, Gijsbert, na zijn dood het ambt van meierschap
zal krijgen.
In 1203
lag Diederik, de zevende van die naam op sterven en wilde dat zijn broer
Willem, graaf van Oost Friesland bij hem kwam om zich met hem te verzoenen en
zijn dochter van 17 jaar, Ada, als voogd over haar aan stellen. Haar moeder
Adelheydis wist dit te beletten omdat ze haar dochter wilde uithuwelijken aan
Lodewijk, graaf van Loon, zodat die daardoor graaf van Holland en Zeeland zou
worden. Ze wist dat alle ridders en edelen van Holland en Zeeland daar tegen
waren en wist de graaf van Loon binnen te halen zodat de uitvaart van de
overleden graaf uitgesteld moest worden (grote schande) tot de bruiloft van
haar dochter gehouden werd. Willem wilde ondertussen naar begrafenis komen maar
kreeg geen toegang en ging weer terug. De edelen van Holland en Zeeland wilden
niet toestaan dat een vreemdeling graaf zou worden zolang er nog familie in
leven was die van dit huwelijk niets wist. Ze haalden hem heimelijk op en brachten
hem met veel volk te Zierikzee en zoveel als ze zo gauw verzamelen konden
kwamen ze naar Haarlem waar de pas getrouwden toen waren. Hierop vluchtte graaf
van Loon ’s nachts uit Haarlem. Ada werd gevangen en naar Texel gebracht waar
ze een jaar later overleed. Graaf Lodewijk van Loon wilde zijn nieuw verworven
bezit toch nog niet afstaan en kreeg verschillende inlandse en buitenlandse
hulp en verbond zich met de bisschop van Utrecht voor tweeduizend mark zilver
waarvoor hij zijn broer in gijzeling gaf. Daardoor moest Gijsbrecht van Amstel,
als vazal en leenman van de kerk de bisschop helpen. Maar de Kennemers staken
de Amsteldijk door zodat al zijn land onder water kwam en verwoesten en
verbranden geheel Amstelland.
Graaf Willem
verdreef graaf van Loon en werd zo graaf van Holland, Zeeland en heer van
Friesland.
Gijsbrecht van Aemstel stond in 1227 wederom de 34ste bisschop
van Utrecht bij, Otto van Lippe, om Roelof van Coevorden die Groningen
belegerde te helpen, maar werd in het moeras van Coevorden, bij Anem, verslagen
met de dood van de bisschop. Vele heren zaten gevangen in Coevorden, maar er
moest een nieuwe bisschop gekozen worden en de smaad gewroken. Op die
vergadering konden de heren die in Coevorden gevangen zaten niet verschijnen
maar kregen evenwel verlof om er heen te gaan als ze beloofden terug te keren
na de vergadering. Willebrant, bisschop van Paderborn en zoon van de graaf van
Oldenburg, werd tot 35ste bisschop gekozen en beval dat Roelof van
Coevorden in de ban gedaan moest worden en geen recht meer had zodat diegene
die terug behoorden te gaan dat niet meer hoefden te doen omdat zijn zaak
onwettig was en met recht vrij waren. Toen de paus Willebrandt dat bevestigde
gaf hij de nieuwe bisschop aflaatbrieven mee wat in alle omliggende landen
verkondigt werd dat er een aflaat van zonden te verdienen was voor al diegenen
die zich wilden laten gebruiken in de oorlog tegen de Drenten en Roelof van
Coevorden. Dit bracht vele ridders en knechten tezamen waardoor de bisschop een
machtig leger kreeg en hij viel Drenthe binnen en verwoestte alles wat hij
tegenkwam. Ze sloten vrede en Roelof moest zijn slot overgeven en grote
betalingen verrichten. Die vrede duurde niet lang want Roelof veroverde zijn
slot en sloeg iedereen dood die er in was. De bisschop verzamelde weer een
leger en trok over bevroren grond naar Coevorden, maar toen begon het te dooien
en moest hij hals over de kop terug trekken en alles achter laten. In de zomer
maakte de bisschop er een eind aan.
De zoon
van Gijsbrecht van Aemstel, Willem, had een zoon die Gozewijn van
Aemstel heette die in 1249 tot bisschop van Utrecht werd gekozen. Hij zou
een eenvoudig en zachtzinnig man geweest zijn en zou in de tijd van een jaar
zijn bisdom zo hebben laten vervallen dat hij afgezet werd of zelf opstapte.
Waarschijnlijk lag hij niet goed bij koning Willem. Hij was waarschijnlijk meer
ervaren in de Schriften dan in de kunst van oorlog en land besturing. Want de
toenmalige Utrechtse bisschoppen voerden in de ene hand de scepter om daarmee
wijdt en zijd te heersen en te gebieden en zowel geestelijk als wereldlijk en
daartoe gebruikten ze de ban en die daar ook niet tegen wilden luisterden werd
in de andere hand het zwaard gebruikt om te branden, plunderen, roven en
verwoesten, tot doodslaan en moorden toe voor diegene die aan hun ongehoorzaam
waren. En om hier enige schijn van recht op te houden gebruikten ze deze vondst
dat alle graven, ridders, edelen en die van enig vermogen waren die rondom de stad
Utrecht waren gelegen dat ze hun vaste goederen leenhorig maakten aan de kerk
van Utrecht die ze (hoewel ze de echte eigenaars waren) te leen bezaten en bij
hun dood de kinderen of erfgenamen binnen vastgestelde tijd bij de bisschop
moesten komen om hun trouw te zweren en dan waren ze vazallen en leenmannen van
de kerk van Utrecht. Daarvoor hoefden ze niets te betalen, maar als de bisschop
ze nodig had waren ze verplicht, bij weigering verloren ze hun goederen. Naar
de mening van de gemeente was de beste bisschop die het gemakkelijkste een stok
om te slaan vond en dan op tocht ging en alles te roven gaf. Dan liepen alle
burgers mee die met buit geladen terugkeerden.
In plaats
van Gozewijn werd Henrik van Vianen tot bisschop gekozen waar de
heren van Aemstel niet blij mee waren. Bij Gijsbrecht van Aemstel voegde zich
Herman van Woerden, die familie van hem was, ook Otto van Gelre en vielen het
sticht Utrecht aan en verwoestten zoveel als ze konden. De bisschop verzette
zich en ze kwamen overeen dat ze elkaar in een vlak zouden treffen. De bisschop
kwam met zijn vazallen, leenmannen, burgers en gilden en zijn neef,
aartsbisschop van Keulen, die hem aan deze baan geholpen had en die gaf het
leger de benedictie en de bisschop een kostbare ring die door zijn kracht de
vijand beteugelen kon. Gijsbrecht en Herman werden verslagen en achter het
paard van de bisschop meegevoerd en werden later vrij gelaten. Otto moest
boeten want de bisschop trok er met een groot leger op uit en verbrandde en
verwoestte de Veluwe in 1252. Hij kwam rijk terug en bouwde van het geld het
slot Vredeland.
In 1234 is Floris
IV te Corbie in een toernooi spel doodgestoken door de lagen van de
stokoude graaf van Klaarmont (Clermond) omdat zijn vrouw haar liefde aan Floris
toonde en door jaloersheid ombracht. Daarop is het dode lichaam naar Rijnsburg
gevoerd en werd bisschop Otto voogd over Willem II, jonker van Holland. Willem
is geboren te Leiden in 1222 en toen zijn vader overleed was hij 6. Deze Willem heeft als koning de dijkgraven aangesteld
tot bewaring van het Rijnland. Dat zou beteken dat Holland daarvoor nooit
bedijkt is geweest. Hij werd tot Roomse koning gekozen want Frederik II, zoon
van Henrik IV was door Innocentius IV in de ban gedaan en afgezet. Dat zou in
1243 gebeurd zijn, het jaar erop is hij te Aken op de eerste november gekroond
nadat hij die stad had veroverd. Daar was Otto ook bij. Aken veroverde hij
omdat die het met Frederikus hield die nog zes jaar zou leven en voor strijd
zou zorgen want hij leefde als de gekroonde keizer en had vele aanhangers.
Willem is daarna naar Luik gegaan, vandaar naar Keulen waar hij op Driekoningen
door Albertus Magnus in het klooster op een deftig gastmaal is onthaald die
Albertus had een deel bomen op tijd met lauw water bij een kachel besproeid
zodat die net op tijd begonnen te bloeien. Hij had de takken in de eetkamer
gezet met een aantal kwinkelerende vogeltjes die door dezelfde zaal vlogen
hebben de Hollanders Albertus voor een man die wondere werken kon aangezien.
Hij raadde Willen aan om een klooster voor de preekhoren te stichten, wat dan
gebeurde. Dat nog op een glas van het klooster te zien is. Om de gunst van de
burgers te winnen heeft hij zich onder de burgers laten opschrijven. Ook bouwde
Willem een prachtig paleis te Gravenhage en heeft zijn hof naar Gravenzande
gevoerd in het midden van zijn gebied. Daar heeft zijn moeder Mathildis in 1225
een Loosduinen een abdij gesticht voor nonnen waar ze in 1267 begraven is. Ook
is daar begraven haar dochter in 1266, zuster van Willem die door de verwensing
van een arm vrouwtje in een keer 365 kinderen gebaard zou hebben die daar
begraven en gedoopt zouden zijn (Of was dit Margareta, gravin van Henneberg?)
Is verslagen in de strijd tegen de Friezen bij Hoogwoud op 28 januari in 1255.
Na de dood
van koning Willem toen zijn zoon Floris nog minderjarig was en Otto, graaf van
Gelderland genoeg met zichzelf te doen had hoewel die zijn voogd was werden in
1268 of 1272 de Kennemerlanders, West Friezen en Waterlanders met het gewone
volk oproerig tegen de edelen omdat ze van hen teveel getergd waren. Ze
verzamelden een grote menigte en wilden alle edelen en machtigste hoog geboren
mannen uit het land en het sticht Utrecht verdrijven. Ze verwoesten
verschillende adellijke burchten, huizen en sloten die ze onverwachts binnen
vielen waardoor de edelen naar Haarlem vluchtten en zich daar versterkten. Ze
kwamen tot Amstelland en zagen dat de dappere Gijsbrecht van Aemstel
een dappere held en ervaren krijgsman was en vroegen hem tot veldoverste. Hij
was min of meer gedwongen dat aan te nemen, anders was zijn gebied verloren
geweest. Hij voerde ze in het sticht Utrecht, wat voor hem als een vijand was,
en plunderde en roofden alle burchten, huizen en landen van diegene die zijn
grootste vijanden waren. Die vluchtten allen naar Utrecht. Hij belegerde ook
Vredeland, maar kon het niet innemen en besloot het af te matten. Maar zijn
leger ging plunderen en ook in zijn gebied. Hij besloot nu onverwacht de stad
Utrecht aan te vallen waar de adel en de schatkist zich bevonden om zijn mannen
stil te houden. Velen waren te verlekkerd op de buit en gingen te snel zodat de
stad gesloten werd zodat ze die niet onverwachts binnen konden vallen. De
burgers wilden wel de edelen aan hen overgeven die ze ook moe waren zodat er veertig
uit de stad gebracht werden. Men koos nieuwe magistraten. Amstel zag meer om
zijn geleden hoon te vergelden en liet de huizen van verschillende edelen
slopen. Hierna kreeg hij weerzin van de Kennemers.
Johan van Nassouwen die na de dood van Henrik van Vianen tot de 29ste
bisschop van Utrecht gekozen werd verbond zich met Otto, graaf van Gelre en
voogd van graaf Floris van Holland en wilde Utrecht veroveren weer om de oude
macht te herstellen, maar in Zeist hoorden ze van de grote macht van de Kennemers
en besloten te wachten. Gijsbrecht van Amstel spoorde de Kennemers aan om te
vertrekken omdat er geen winst in die oorlog te behalen zou zijn en dat ze
beter naar huis konden gaan. Dat gebeurde en ze gingen naar Haarlem waar veel
edelen waren en belegerden die. Totdat ridder Johan van Perzijn buiten de stad
wist te komen en een van de wagens van de Kennemers te pakken kreeg en met die
bij hem waren Kennemerland in reed en veel dorpen verbrandde waarop de
belegeraars die brand zagen en er naar toe gingen zodat de West Friezen dachten
dat de stad hulp gekregen had en onordelijk vertrokken. De bisschop van Utrecht
hoorde dat en ging tot de aanval op Utrecht over, wat mislukte en gingen naar
Amersfoort die ze veroverden en de wallen plat gooiden. De bisschop trok naar
Overijssel waar hij twee jaar bleef totdat Sweer van Bozichem met
krijgsknechten en ballingen de stad veroverden en de oude burgemeester en
schepenen weer in hun plaats zette en alles weer in zijn oude staat herstelde.
Dat duurde niet lang want de burgerij was in twee delen gedeeld.
Ten tijde
van Johan van Nassouwen, bisschop van Utrecht, was het sticht Utrecht vol
oproer dat ten dele veroorzaakt werd door de zorgeloze regering van die
bisschop. Daar kwam ook bij dat hij het hele land met veel schulden bezwaard
had en veel sloten en goederen met onderpand bezwaard had en dat aan Gijsbrecht
van Amstel en Herman van Woerden. Zodat die meer tol eisten van reizende
burgers uit Utrecht. Dat gaf veel strijd totdat tenslotte die van Utrecht de
regering van de bisschop niet langer wilden verdragen en hem afzetten. De
nieuwe bisschop, Johan van Zyrik, wilde alles weer herstellen, maar
Amstel en Woerden wilden de verpande sloten niet terug geven. De bisschop de
staten waren door deze stijfkoppigheid getergd en namen het geld dat er voor
bestemd was in handen en zeiden hun de oorlog aan. De mannen van de bisschop
worden verslagen. Deze nederlaag veroorzaakte dat die van Utrecht aan graaf
Floris van Holland bijstand zochten die eerst wilde overleggen. Zijn verzoek
werd afgeslagen zodat de graaf dadelijk de wapens opneemt. Heer van Amstel
wordt gevangen genomen met veel van de zijne.
Graaf
Floris maakte de heren van Amstel en Woerden tot zijn geheime raad.

Floris V was de zoon van Willem die ook Rooms koning was. Hij was nog maar een
jaar oud toen zijn vader door de Friezen op het ijs verslagen werd. Hij had in
zijn jeugd verschillende voogden die daar niet allen twist om hadden maar ook
om zijn voogdij oorlog voerden.
Hij
voerde dus oorlog tegen Amstel en Woerden. Daar kwam bij dat in het begin van
zijn regering zijn moei (moeder of zoogmoeder?) Adelheydt, met Floris haar zoon
en al haar kinderen uit zijn land verdreef.
Hierop
volgde de oorlog met Guye, graaf van Vlaanderen met hulp van Zeeuwse adel. Deze
waren met de adel van Holland zo in gezag gestegen dat ten tijde van de
minderjarigheid van Floris voor hem vrijwel niets anders over bleef dan de
naam. Zo gauw hij meerjarig was besloot hij hun gezag in te perken en zo zij
vroeger meer recht namen zo nam hij meer terug dan eigenlijk toegestaan was.
Die adel verzette zich er zeer tegen en kregen ook Diederik van Brederode aan
hun zij onder het mom dat dit alles tot de algemene welstand van de adel zou
strekken. Guye en de adel trokken op naar Middelburg. Floris verzamelde veel
volk, maar veel adel weigerden mee te gaan omdat ze bang waren dat het nadelig
zou zijn. Maar het gewone volk was zeer verheugd in deze oorlog en zeer blij
omdat de trots van de adel gebroken zou worden door diegene waar ze tot nu toe
op gesteund hadden. Floris trok zo met veel manschappen op maar werd opgehouden
door Jan, hertog van Brabant, die over vrede wilde praten. Eindelijk werd hij
door hem bewogen en reisde naar Biervliet waar Guye kwam en niet om vrede te
maken, maar hij nam Floris die ook zijn schoonzoon was gevangen. Ze kwamen
overeen dat Floris veel geld zou betalen, borg was Jan, hertog van Brabant, en
weer vrijgelaten werd. In 1295 hoorde hij dat Guye, zijn schoonvader, weer een
leger verzamelde en besloot dat het beter was om aan te vallen dan om
aangevallen te worden en kwam met een groot leger te Vlissingen waar hij Jan
van Renesse opdracht gaf Vlaanderen te beroven die daarop graag Sluis
afbrandde, het land plunderde en 3000 Vlamingen doodsloeg. De Friezen die hem
volgden kregen verlof om het eiland Cadzand te veroveren en 1400 Vlamingen
versloegen en het ganse eiland tot as maakten. De Vlamingen veroverden en
vernietigden Beverlant waarop Floris hen onverwachts aanviel en versloeg.
Hij ging
weer blij terug naar Holland om de kerstdagen te vieren waar hij al gauw nieuwe
haat van de adel op de hals haalde. Omdat hun getal in die oorlogen zeer
geslonken was heeft hij 40 voorname mannen in de ridderstand verheven. Dat
waren boeren, wel rijke, maar de adel pikte dat niet die zich niet met die
nieuwe adel wilde vermengen want hun afkomst en adellijke ridderschap werd zeer
vermindert. Ook was er wat twist met het Engelse koningshuis.
Z’n
ergste tegenstander was Gerart van Velsen want op raad van sommige heren had
Floris zijn broer laten onthoofden. Ook zou de graaf zijn vrouw bij haar thuis
verkracht hebben toen hij Gerart op een geheime missie had gestuurd, dat was de
dochter van heer van Woerden. Zo waren er velen die hem om wilden brengen. Hij
werd naar Utrecht geroepen en toen hij vertrok wachtten verschillende edelen
hem op waar hij gevangen genomen werd op 23 juni 1296. Ondertussen liep het
volk toe die de graaf wilden ontzetten, maar ze hadden geen aanvoerder en geen
van de edelen wilde dat zijn. De edelen wisten toch weg te komen met Floris tot
de volk hen bij Naarden ontdekte, dan zouden ze over een water gesprongen zijn
en het paard van Floris was te klein voor die sprong en ook was hij geketend en
hadden ze geen tijd om hem eruit te halen omdat het volk er aankwam. Andere
vermelding is dat van Velzen hem verwondde met het zwaard. Van Amstel en
Woerden oordeelden dat ze na dit gebeuren beter een tijdje het land konden
verlaten en kwamen later terug. Floris lijk werd eerst naar Muidenberg gebracht
en vandaar naar Alkmaar waar het gebalsemd is en het ingewand werd in het koor
begraven tot de tijd dat zijn zoon Jan het lichaam naar Rijnsburg bracht.
Hij had
altijd twee windhonden met zich mee die bij hem waren toen hij gevangen genomen
was en bij hem waren toen hij stierf, ze gingen mee naar Alkmaar waar ze op het
koor bij de baar bleven liggen en wilden niets meer eten van de tijd af dat hij
gevangen genomen werd zodat ze bijna gestorven totdat men hen met geweld de
mond openbrak en er melk in liet komen zodat ze geleidelijk aan weer
herstelden.
Toen het
volk van zijn dood hoorden liep het te hoop en kwamen naar het slot om de
samenzweerders op te pakken. Ze misten echter een leider, Gijsbrecht van
Ysselstein kwam en de heer van Zuylen die alles overgaven aan de Loef, een
broer van de graaf van Kleef en neef van Floris. Ook Guy werd in Dordrecht met
gejuich onthaald en kwam met veel volk naar het slot Kronenburg. De belegerden
begonnen al te wanhopen dat niemand van de vorsten hen zou ontzetten. Maar heer
van Kuyk had hen hulp beloofd en ging naar graaf van Kleef en die zou ervoor
zorgen dat ze ongedeerd bleven. Maar het volk kreeg het door zodat de edelen
zich zorgen begonnen te maken, aan de ene kant hadden ze de belegerden trouw
gezworen en aan de andere kant stond hun eer bij het volk ter discussie. Het
volk drong aan en veroverde het slot en dreigde hen te vermoorden die ze zouden
laten ontsnappen. De graaf van Kleef heeft toen Gerart van Velzen, Willen van
Zaenden met twee anderen overgegeven en verschillende werden op het rad gelegd,
die ontvluchtten werden uit het land gebannen en hun goederen verbeurd.
De graaf
van Kleef ging naar Den Haag en nam het bestuur over en voerde de titel van
graaf van Holland. De adel van Kleef hoorden dat hun heer tot grote ambten gekomen
was en haastten zich naar Den Haag in hoop van een goede baan en omdat er alle
dagen open huis gehouden werd op kosten van het land waarop het volk de graaf
begon te wantrouwen. Toen de graaf te Geertruidenberg aankwam zag hij zich
opeens van alle Hollandse adel verlaten. Jan van Henegouwen, waarvan ze hoopten
dat hij orde zou maken, zou regeren tot de zoon van Floris, Jan, gearriveerd
zou zijn.
Ondertussen
besloot Willem, de neef van Floris die vlak voor zijn dood bisschop van
Utrecht geworden was dat het tijd was om iets ten gunste van de bisdom te doen
en veroverde het slot Muiden, dat ging goed en de bisschop overlegde hoe hij
het beste verder kon gaan en voer zijn leger naar West Friesland die al lang
tegen de Hollandse graven waren en zei hun dat het nu tijd was om weer vrij te
worden en zo werd Medemblik veroverd en meer kastelen, hoewel ze het slot niet
in handen kregen. Jan van Henegouwen moest eerst Middelburg ontzetten die door
Vlamingen belegert was. Daarna trok hij naar Enkhuizen en versloeg de West
Friezen en plunderden en verbrandden de stad met wat buurtdorpen zodat het vuur
te Medemblik te zien was zodat deze stad ook ontzet werd. Hij had daar de heren
van mee willen nemen, maar het begon zo te vriezen dat ze in allerijl op
moesten breken en toen de graaf in Haarlem kwam misten hij zeer veel volk.
De dood
van Floris gaf de graven meer vrijheid en ze hadden hun doel bereikt, maar Jan
van Henegouwen werd als voogd zo sterk dat de gemeente hem aanstond zodat
ze vreesden dat ze die vrijheid niet uit mochten buiten. Zo overlegden ze of
het niet beter was om de zoon van Floris, Jan, die in Engeland verbleef op te
halen. Dat deden ze in afwezigheid of zonder dat aan Jan van Henegouwen mee te
delen die met Zeeuwse en Friese oorlogen bezig was. Dirk van Brederode met wat
neven uit Egmond zou Jan ophalen. De Engelse koning gaf een bruiloftsmaal zodat
Jan toen getrouwd was en zou de schoonzoon van de Engelse koning zijn waarna
hij ze liet gaan. Ze werden door het volk verwelkomt en vooral door Wolfart van
Borsselen van der Veer die eerder met de Vlamingen samengewerkt had en het nu
op een andere boeg gooide. Jan van Henegouwen wilde het land aan Jan overgeven,
maar vreesde voor een hinderlaag van Wolfart en vertrekt zo heimelijk naar
Henegouwen. Die zijn strakke regering voor goed hielden rouwden en die tegen
Floris samen gezworen hadden waren blij dat ze nu de vrijheid hadden. Jan van
Henegouwen heeft door zijn vertrek menige oorlog bespaard.
Jan komt met Wolfart in Holland aan en wordt in de meeste steden gehuldigd
waarna hij met die overlegt en het goed vindt dat de Friezen een oorlog
aangedaan wordt bij Alkmaar tot Vronen, Vroonen, op de Geest. (St. Pancras) Ze
troffen elkaar in Nieuwenborg waar 3000 Friezen verslagen werden en velen
verdrinken op 27 maart 1294. Vronen wordt geplunderd en verwoest, Oudorp wordt
gespaard. Jan bereisde veel steden en zorgde voor orde. Wolfart brengt
ondertussen heel Zeeland onder zijn gebied door enige streken. Rond die tijd
ontstaat er een oorlog tussen de koning van Frankrijk en de graven van
Vlaanderen waar de koning aan Jan om hulp vraagt. Wolfart wil echter dat hij
Vlaanderen zou helpen. De Staten wilden Frankrijk helpen vanwege een oud
verbond van Floris en bang waren dat de Vlamingen hen ook zouden overvallen
door het werk van graaf Guy als samenzweerder tegen Floris. Maar Jan ging het
verbond met Vlaanderen aan en Guy zweerde dat hij met de dood van zijn vader
niets van doen had. De West Friezen waren zeer verzwakt en leden van de plunderingen
die alle dagen vanuit Medemblik gebeurden. Ze kwamen in 1298 om genade
verzoeken wat ze kregen na veel goederen te geven zodat de schatkist zeer
versterkt werd en vele sloten en sterkten herbouwd konden worden. Ze behoorden
nu onder Holland.
Bisschop Willem
begreep dus dat hij daar niets meer te zoeken had en ging naar de Oost Friezen
waar Stavoren toen de hoofdstad van was. Hij preekte de Pauselijke aflaat tegen
het ongelovige Hollandse volk, zegt de kroniek van Veldenaer. Met zo’n aflaat
kan je dan met een kruis op de kleren ten oorlog trekken, je zonden zijn
vergeven en je staat in dienst van de Christelijke godsdienst. Ze troffen
elkaar voor Monnikendam waar de Friezen verslagen werden. De bisschop wist te
ontsnappen en Wolfart nodigde de bisschop zonder medeweten van iemand anders
uit om vrede te maken. Maar toen de bisschop thuis kwam en overzag dat de
oorlog het sticht Utrecht weinig gekost had en alleen de Friezen schade had
aangedaan verbrak hij het verbond en begon weer te oorlogen.
Wolfart wist ondertussen slot IJsselstein te veroveren en kreeg het land van
Woerden en Benskoop. Zo werd een van de samenzweerders met de goederen van de
ander rijk en versterkt. Door oproer in Dordrecht waar verschillende mensen
schuldig en onschuldig gevangen waren kwam Wolfart daar aan en wilde ze
berechten, dat tegen de zin van de schepenen die bijstand vroegen aan andere
steden zodat Wolfart naar Zeeland wilde vertrekken maar door woedende menigte
opgewacht en gevangen genomen werd die van deze belastingen innende Wolfart
ontslagen wilden worden. De woedende menigte die bang was dat hij weer
vrijgelaten zou worden bestormden de gevangenis en vermoordde hem op 1 augustus
1299 te Delft. Die van Dordrecht luidden klokken van vreugde en trokken vol
wraak naar het slot Krayestein en haalden daar Aloudt, de baljuw van Zuid
Holland op die dezelfde behandeling kreeg als Wolfart.
Holland
was zo in beroering en Jan ging bij de Staten te raden en ze kwamen tot de
oplossing dat Jan van Avennes, graaf van Henegouwen die door Wolfart verdreven
was, hem zou bijstaan. Ook werd er een onderzoek gedaan naar de samenzweerders,
maar omdat er teveel waren zodat het staatsbelang in gevaar kwam heeft men dat
laten lopen. Er werd een verbond met de West Friezen gesloten en zodat ze
minder tot muiterij over zouden gaan schonken ze die veel vrijheden en
voorrechten. Van Henegouwen vertrekt naar Frankrijk en ondertussen sterft Jan
op 10 januari 1299. Sommige zeggen aan rode loop, anderen dat van Henegouwen
hem vergiftigd heeft zodat hij als naaste erfgenaam alle landen zou krijgen.
Jan werd
dus Jan II. Hij moest oorlog voeren tegen Jan van Renesse die volgens
hem onschuldig verbannen was vanwege de samenzwering op Floris. Renesse reisde
naar Aelbrecht, de Roomse keizer, en maakte die wijs dat Jan zonder erfgenamen
overleden was zodat de landen van Holland, Zeeland en Friesland aan het
keizerrijk vervallen waren. Hierop liet de keizer zich overal als wettig heer
uitroepen en kwam met een leger bij Nijmegen waar Jan II hem tegemoet kwam met
een leger waar de keizer van schrok. De aartsbisschop van Keulen bemiddelde
waardoor de keizer met eer wegraakte. Ondertussen was de heer van Renesse met
Zeelanders gekomen om de keizer te helpen, maar kwam te laat. Jan II zond zijn
zoon die vanwege zijn strengheid Jan zonder genade genoemd werd en zo ging
Renesse naar Vlaanderen. Het volgden jaar, 1301, had hij zich verbonden met de
graaf van Vlaanderen en veroverde Z. Beverland zodat Jan II hem tegemoet trok
waarop Renesse weer vluchten moest.
Ondertussen
zat bisschop Willem ook niet stil, hij was uit Utrecht verdreven en had
geen steun meer van de Friezen en klaagde bij de paus over de ongehoorzaamheid
van zijn onderdanen. Die schreef aan de bisschop van Munster dat hij hem zou
helpen. Zo gaat Willem dan weer in de aanval op Utrecht en begint ook Holland
te beroven met hulp van enige samenzweerders die verbannen waren en vond dat
hij recht had op Amstelland dat ooit van de Utrechtse kerk was en door Jan II
aan Guye zijn broer in leen gegeven was. Jan II was toen bezig in Zeeland, maar
de Hollanders hebben onder aanvoering van Dirck van Wassenaar en andere een
leger samengesteld wat veel kleiner was dan van Willem. Maar ze kregen hulp van
Sweer van Montfoort die het leger van de bisschop in de rug aanviel waardoor ze
verstrooit raakten. De bisschop reed daarop in op de Hollanders omdat hij dacht
dat ze een gezalfd lichaam niet aan durfden te raken wat ook enige keren lukte.
Tenslotte waren ze dat moe en hij werd gedood. Dat was op 4 juli 1301. De Hollanders
werden feestelijk door de Utrechters onthaald. Jan kwam zo gauw als hij kon en
zette zijn broer Guy als 42ste bisschop van Utrecht aan en moest
weer gauw naar Zeeland omdat Renesse daar weer in opstand kwam. Door verraad
worden ze weer verslagen door de Vlamingen en Willem, de zoon van Jan, mocht
met vrijgeleide naar Zierikzee vertrekken. Zo gauw hij daar was vielen de
Vlamingen weer aan, maar die stad viel uit en sloegen wel 1500 Vlamingen dood
en bisschop Guy werd gevangen genomen. De volgende slag was in Duiveland waar
wel 3000 Hollanders omkwamen. Daarop kwam Guye van Vlaanderen weer aan in
Zierikzee wat hij niet veroveren kon. Maar Jan van Renesse raadde hem aan om
Holland binnen te vallen en verkreeg heel Noord Holland zonder de stad Haarlem.
Nu Holland half verloren was veroverde hertog Jan van Brabant vrijwel de rest.
Alleen was Dordrecht niet veroverd. De hertog belegerde die, maar de
stedelingen vielen uit en versloegen hem en plunderden vervolgens Hertogenbos.
Jan van de Lede, een leenman van het graafschap Holland, beroofde mede en
verbrandde het oostelijke deel van Holland. Holland lag in duigen en werd door
iedereen aangevallen. Alleen Zierikzee, Dordrecht, Haarlem en de Friezen bleven
bij de Hollandse graaf.
Ondertussen
kwam er twist in Utrecht, Guy van Vlaanderen kreeg hiervan bericht zodat die
met een leger kwam en wordt binnengelaten en herstelt de orde. Men wilde Guy,
de gevangen bisschop, vervangen en Willem, graaf van Gulik en zijn neef, in
zijn plaats aanstellen waar de geestelijken tegen waren.
De
bastaard zoon van Floris, Witte van Haemstede, stapte met wat gevolg bij
Zandvoort aan land en vroeg de Haarlemmers om steun en trouw aan de Hollandse
graaf. Die waren al aan het onderhandelen met de Vlamingen, maar toen ze
hoorden dat er nog een Hollandse graaf was joegen ze de Vlamingen uit de stad
en riepen ‘Holland, Holland’. Hier richt hij de Hollandse standaard op met de
rode leeuw, de Kennemers kwamen ook en zo gauw de Friezen het hoorden sloten ze
zich ook aan. Andere steden sloten zich aan en die van Dordrecht wonnen ook een
slag te Waalwijk waar wel 2000 Vlamingen verslagen werden en Guy genoeg te doen
had om zijn lijf te redden en naar Utrecht vluchtte. Jan van Renesse wordt naar
Haarlem gestuurd waar heer Witte met al diegene die wapens droegen ze aanvielen
bij Hillegom. De Vlamingen werden daar verslagen op het Manpat. Dit hoorden de
andere steden die begonnen te overleggen hoe ze de Vlamingen kwijt konden
raken. In Delft worden ze verslagen en ter herinnering daaraan noemde men een
straat Vlaming straat. Zo ook de andere steden. Guy voerde naar Zeeland die hij
in handen had, behalve Zierikzee waar jonkheer Willem was. Willem ging naar
Dordrecht waar hij te middernacht aankwam en met gejuich ontvangen werd. Guy
probeerde weer met alle geweld Zierikzee te veroveren. (Melis Stocke zegt van
wel met 200 000 man, wat niet te geloven is) Ondertussen zond Philips, die de
bijnaam van vette had en koning van Frankrijk, zijn admiraal naar Willem om hem
te helpen. Op 10 augustus 1304 gingen ze slaags, de Vlamingen werden na een
verschrikkelijke slag verslagen en Guy gevangen genomen. Ondertussen was Jan
van Renesse al uit de stad Utrecht gevlucht met de Vlamingen en zo ook vele
samenzweerders die na Floris het land verlaten hadden en weer terug gekomen
waren als de zoon van Amstel en van Woerden. Jan van Renesse verdronk bij zijn
vlucht over de Lek omdat iedereen in de pont sprong en die omsloeg op 12
oktober 1304. Bisschop Guy werd geruild tegen Guy van Vlaanderen en werd zo
weer bisschop van Utrecht. Guy kreeg ook het gezag over Amsterdam en heeft haar
weer laten opbouwen.
De oude Gijsbrecht
van Amstel kwam na de dood van Jan terug en is daar z’n stadje Amstelredam
weer beginnen op te bouwen en te versterken. Hij dacht dat de oude haat over
was, maar de Kennemers, Waterlanders en Friezen kwamen en verwoestte zijn stad
zodat Gijsbrecht weer vluchtte. Hij zou in Pruissen het stadje Holland gebouwd
hebben.
Na de
dood van Jan II heeft zijn zoon, bijgenaamd de Goede, graaf van
Henegouwen, Holland en Zeeland en dergelijke na het overlijden van zijn oom Guy
in 1317 Amsterdam en Woerden tot Holland gebracht.
Na zijn
dood kwam zijn zoon die ook Willem heette en de stad veel vrijheden gaf.
In 1333
begon een Hendrik, slotvoogd van Hagestein, het platte land en het sticht
Utrecht te beroven zodat de bisschop Willem om hulp vroeg die Hagestein
versloeg.
Na deze
Willem volgde zijn zoon hem op die ook Willem heette. Die ging in1338
naar Spanje in de strijd tegen de Moren en vandaar naar Syrië tegen de
Saracenen. In 1345 trok hij met een sterk leger op tegen de Oost Friezen waar
hij mee in oorlog was. Jan van Henegouwen trok met zijn volk vooruit omdat ze
niet op het leger wilden wachten en werd te Stavoren verslagen. Willem was dit
onbekend en kwam met 500 man en ging om het land te ontdekken met vele heren
uit rijden en werd zo van de Friezen overvallen en gedood.
Hij liet
geen kinderen na zodat Holland zonder opperhoofd was. Keizer Lodewijk de vierde
van Beieren en Roomse keizer liet zich voorstaan dat Holland, Zeeland en
Henegouwen aan zijn rijk vervallen waren. Lodewijk gaf die landen in 1346aan
zijn vrouw Margarete, de oudste zuster van Willem. Margarete gaf die
landen aan haar zoon Willem te regeren als voogd en trok wel alle
inkomsten naar zich omdat Willem zijn moeder jaarlijks 2000 ponden zou uitkeren
en zij het opperste gezag zou behouden. Hierop verliet ze ons land en trok naar
Beieren. Maar omdat Willem dat jaar Oudewater en ook een veldslag bij
Schoonhoven verloren had bleef hij in gebreke om zijn moeder te betalen zodat
ze weer naar Holland kwam en vele heren bij zich riep en klaagde over de
slechte betaling en hem van het stadhouderschap ontsloeg. Omdat ze deze landen
slap bestuurde en een oorlog tegen Utrecht geweldig tegenliep en vanwege het
ontslag van haar zoon ontstond hieruit in 1350 een binnenlandse oproer en twist
die bekend is als Hoekse en Kabeljauwse twisten. De Kabeljauwse hielden het met
graaf Willem omdat ze niet onder een vrouw wilden vallen en namen hun naam van
de verslindende vis kabeljauw en gaven daarmee te kennen dat ze hun
tegenstanders als kleine vissen zouden verslinden. De Hoekse hielden het met de
moeder en kregen hun naam van de hoek of haak waar men de kabeljauw mee vangt
en wilden daarmee zeggen dat de kabeljauw een domme logge vis was die ze met
hun scherpe hoek of haak wel meester zullen worden. Ze gingen ook andere
kleding dragen want de Kabeljauwse droegen askleurige en Hoekse rode bonnetten.
Ondertussen richten vele Kabeljauwse heren met Willem een verbond op en zo ook
de Hoekse met de moeder waar in het begin ook Leiden, Gouda en Amsterdam en
andere steden bij hoorden. Maar toen Willem verschillende sloten vernield had
gingen ze naar hem over. De keizerin merkte dat en haalde hulp uit Engeland
waar haar zuster koningin was. Moeder en zoon voerden slag in Veere, Zeeland,
waar ze won. Willem vluchtte naar Duitsland en kreeg daar hulp zodat er weer
slag was en nu te Graveland waar hij overwinnaar was. Margarete vluchtte naar
Engeland en deed ten behoeve van haar zoon afstand van Holland, West Friesland
en Zeeland, maar behield Henegouwen waar ze op het eind van haar leven heen
trok en daar na 5 jaar overleed. Er waren wel 17 Hoekse huizen gesloopt en de
heren uit de regering geschopt.
Willem
werd dus de baas wat maar kort duurde want drie jaar daarna werd hij dol en
sloeg Gerrit van Wateringen, een van de hoofden van de Kabeljauwse, dood in
zijn hof waardoor hij de naam kreeg van de dolle graaf. Hij werd door de Staten
opgesloten waar hij 19 jaar bleef tot zijn dood. Gelijk ontstond er twist over
de heerschappij van deze landen. De Kabeljauwse die de regering in handen
hadden wilden Machtelt van Lancaster, de vrouw van de graaf, als voogd om niet
uit het bewind geschopt te worden. Daar waren de Hoekse tegen.
Hertog Aelbrecht,
broer van Willem, nam in 1357 aan deze landen te beschermen en te regeren met
de raad van de steden binnen Amsterdam. Hij heeft Amsterdam zeer bevorderd. Wel
moest hij slag leveren tegen de Friezen die hem niet erkenden wat hij won.
Verder tegen Jan van Arkel die weigerde zijn verschuldigde geld te betalen en
vele dorpen verbrandde. Van Arkels land werd verwoest en er kwam weer vrede.
Hij overleed in 1404.
Na zijn
overlijden staken de Hoekse en Kabeljauwse twisten weer op doordat de
Kabeljauwse Aelbrecht tegen zijn zoon Willem geholpen hadden. Willen was
de oudste zoon van Aelbrecht en volgde hem op. Willem liet al in het eerste
jaar belangrijke Kabeljauwse om zeep helpen en zo ging het verder. Willem was
meer de vijand van de Kabeljauwse. Jan van Arkel verbreekt de vrede in 1405 en
neemt Workum in maar wordt door Willen verslagen. Zijn dochter Jacoba trouwt op
veertienjarige leeftijd met Joan, zoon van de koning van Frankrijk. Hij had een
slecht been en vermoedde dat hij niet oud zou worden zodat hij de edelen en
hoofden van het land bijeen riep om zijn enige dochter als erfgenaam aan te
wijzen. Hij was bang dat anders zijn broer Jan de heerschappij zou grijpen.
In 1417
wordt Jacoba regeringshoofd die al gauw weduwe was want haar man stierf
waarschijnlijk van een giftige paddenstoel. Haar oom Jan van Beieren had
al daarvoor keizer Sigismund wijs gemaakt dat deze landen aan zijn rijk
vervallen zouden zodat hij die van de keizer heimelijk te leen kreeg. Om dat te
beletten trouwt Jacoba met Jan van Brabant, de zoon van haar grootmoeders
broer. Daar ontstond een heftige oproer, enige steden hielden het met Jacoba,
andere met Jan van Beieren. Er werd vrede gemaakt met het beding dat Jan van
Beieren alle steden zou behouden die hij verkregen had. Maar toen Jan de
overige landen van Jan van Brabant ontving nam Jacoba dit zo slecht op dat ze
naar Rome ging om haar huwelijk te laten ontbinden, maar trouwde onderweg toen ze
in Engeland aankwam met Humfrid van Gloucester, de broer van de koning.
Ondertussen voerde Jan in 1420 oorlog met de bisschop van Utrecht. Jan overleed
in 1424 en had al voor zijn dood hertog Philips van Bourgondië bij
testament tot erfgenaam gemaakt.
Door haar
tweede huwelijk lag Jacoba al niet zo goed meer hier te lande wat binnenlandse
oorlogen verzaakte bij voor en tegenstanders. In Engeland vroeg ze hulp aan de
koning, maar die had de hulp van Bourgondië nodig in zijn oorlog tegen de
Fransen en sloeg dit af. De hertog van Gloucester verliet haar daarop.
Ondertussen was ze in oorlog met Philips van Bourgondië. Philips veroverde de
stad Gouda daar ze toen verbleef zodat ze hem in 1428 als echte voogd moest
erkennen. Na de dood van Jan van Brabant trouwt ze heimelijk met Frank van
Borselen. Frank werd door Philips gegijzeld en werd vrijgelaten als Jacoba
afstand van alle recht zou doen, behalve dat al van Frank was. Ze had geen
kinderen.
Philips van Spanje was de neef van Jacoba en broer van de koning van Frankrijk,
Karel de wijze en zoon van Margareta, de dochter van Aelbrecht van Beieren. Hij
kreeg de heerschappij over deze landen. In het derde jaar van zijn heerschappij
raakte hij in 1438 in oorlog met de Oosterlingen (Oostzee gebieden) die onze schepen
geplunderd hadden. Die verbonden zich met de Denen, Pruissen, Pommeren,
Spanjaarden en die van Venetië om de Hollanders uit de zee te verdrijven. Veel
van onze schepen werden in de haven vast genomen of op zee veroverd.
Ondertussen bracht Amsterdam wel een vloot van 20 schepen in de zee zodat de
Oosterse landen dachten dat Amsterdam wel een heel land moest wezen, de andere
landen van Holland brachten er samen ook zoveel. Daarmee veroverden ze veel
rijk beladen schepen en haalden in korte tijd hun schade wel dubbel in. Tot
teken van hun macht hingen ze bezems aan de mast om daarmee te kennen te geven
dat zij de zee van alle boeven en zeerovers gezuiverd hadden. In 1441 werd een
bestand voor de tijd van 12 jaar in Kopenhagen gemaakt dat tot vaste vrede werd.
Philips
had als stadhouder Willem van Laleyn aangesteld in Henegouwen. Zijn dochter was
getrouwd met Reynout van Brederoode, een hoofd van de Hoeks gezinde zodat die
groep het meer voor het zeggen kreeg. Hij stond een grote som toe aan de prins
zodat de inkomsten zeer bezwaard werden. De Hoekse waren in Amsterdam meester
geworden en verdreven de Kabeljauwse naar Haarlem waar de Hoekse weer verdreven
werden. Philips kwam aan en verzoende de twee partijen en stelde twee
burgemeesters per stad aan en twee schepenen, van elke partij een. Het was toen
hier heel goedkoop in 1464. Een werkmeester verdiende twee stuivers per dag en
een knecht anderhalve stuiver. Voor een en dertig stuivers kocht men een mud
tarwe, een mud gerst, een mud rogge, een mud haver, een ton appels, een vette
kapoen en een kan wijn, die prijzen schommelden sterk naar weersinvloeden,
oorlogen en dergelijke. Philips stierf in 1467.
Karel de
Stoute, zijn zoon, werd opvolger in hetzelfde jaar dat hij
aantrad in Brabant en Vlaanderen en het jaar erop, omdat de oorlog hem ophield,
door heel Holland gehuldigd is. Hij voerde zware tol op eetwaren en handel in
vanwege zijn oorlogskosten en ook de geestelijken werden belast wat veel
tegenstand opriep zodat Karel er enige om hals liet brengen waardoor de menigte
verstomde. In 1472 raakten we in oorlog met Frankrijk omdat die onze schepen
inpikte. Er werd een bestand van twee jaar gesloten.
In 1474
belegerde Karel de stad Nuys die tot de bisschop van Keulen behoorde. Omdat
keizer Frederick en groot leger in Duitsland uitrustte en om die te ontzetten
liet Karel uit Holland . Zeeland en dergelijke veel volk komen. Door de
pauselijke gezant kwam het tot vrede. In het voorjaar rusten ze vier
oorlogsschepen uit en 50 koopvaardijschepen om naar Spanje en dergelijke te
zeilen. Op de heenweg bleven ze bij elkaar zodat er geen gevaar was. Op de
terugweg lagen ze uit elkaar om het eerste thuis en op de markt te zijn zodat
de meeste schepen veroverd werden. Hertog Karel overleed na vele oorlogen in de
derde veldslag die hij de hertog van Loreynen en de Zwitsers leverde voor de
stad Nancy in 1477.
Zijn
enigste dochter Maria werd vorstin van ons land. De Fransen waren ook
met haar in oorlog en wilden op zee geen Hollanders hebben. Daartegen brachten
we 35 oorlogsschepen waardoor de Fransen bang werden en de zee verlieten. In
1477 trouwde Maria met Maximiliaan van Oostenrijk te Gent die later keizer
werd. Ze kreeg twee zonen, Philips en een Francois die vroeg overleed. Verder
nog een dochter Margareta. De Hoekse en Kabeljauwse twisten waren onder Maria
weer uitgebroken, maar werden door haar man hersteld. De Geldersen waren door
geweld onder Bourgondië geraakt en vielen haar af, roofden en stroopten door
Holland. Enige Amsterdamse roofden weer van de Geldersen en ook Harderwijk. Ook
in Schagen was er beroering. David van Bourgondië, bisschop van Utrecht, raakte
met die stad in oorlog. Daar waren de Kabeljauwse aan de macht wat wel de reden
geweest zal zijn. De bisschop begon met hulp van Maximiliaan en alle steden van
Z. Holland een oorlog tegen het sticht die de slag verloren. De twist met de
bisschop is in 1484 bijgelegd.
Omdat de
Hollanders hertog Maximiliaan tegen de Vlamingen hadden geholpen roofden de
Vlamingen weer Hollandse schepen. De heer van Brederode, Hoeks gezind, schepte
daardoor moed en nam in 1488 Rotterdam in. Kort daarna werd door de heer van
Montfoort Woerden met verassing ingenomen. Maximiliaan wilde een leger maken
wat door hongersnood in korte tijd over ging. Woerden werd na veel landbederf
door de hertog van Saxen ingenomen. De Hollanders wisten echter de overhand te
krijgen wat ook vrijwel het eind was van de Hoekse en Kabeljauwse twisten.
In 1494
droeg Maximiliaan de kroon over aan zijn zoon Philips die rond 16 jaar
oud was. Hij trouwde met Joanna, dochter van Ferdinand, koning van Spanje, en
kreeg twee zonen en vier dochters, Karel, de latere keizer, en Ferdinand, later
koning van Hongarije en Bohemen waardoor ons land aan die van Oostenrijk vast
raakten.
Philips
is 1506 te Granada gestorven.
Karel zou nu het bewind voeren maar was noch te jong zodat de zuster van zijn
vader, Margareta, tot landvoogdes werd benoemd.
De
Gelderse oorlog die al ten tijde van Philips begonnen was en af toe stopte
vanwege een bestand werd na zijn dood weer heviger dan tevoren opgepakt. Muiden
en Naarden namen ze in en op mei 1508 Weesp en stonden voor Amsterdam. Zo ook
weer op 1512 met Kerstmis. In 1517 wilde hertog Karel zijn rijk niet aan keizer
Karel overgeven en borst de oorlog weer uit. Medemblik werd verwoest, verder
naar Alkmaar en Beverwijk en zo naar Sparendam en verwoestten alles wat ze
tegenkwamen. Op St. Laurentius avond werd de Amsterdammer vrije roverij op de
Geldersen afgekondigd. Eindelijk is er na veel bloedvergieten vrede gemaakt
tussen keizer Karel en hertog Karel van Gelder in 1536.
Karel
werd volwassen en trouwde Isabella, de zuster van de koning van Portugal, en
kreeg een zoon, Philips.
Herdopers.
In 1536
brak in Amsterdam een oproer uit door de Herdopers. Dat kwam door een boekje
dat Christelijk vrijheid heette en door Thomas Muntzer zeer geprezen werd.
Eerst begon hij te klagen over de slavernij van Hoogduitsland dat er teveel
belasting gehaald werd en de overheid kisten vol verkreeg. Hij wist 30 000
landlieden mee te krijgen om de vrijheid te krijgen en bracht ze tot oorlog,
men wilde van tol ontslagen zijn en geen enig opperhoofd erkennen, niemand
mocht iets eigens hebben maar alles moet voor iedereen zijn. Door dapper
optreden van de vorsten werden de boeren verdelgt, het oproer gedempt en Muntzer
met de dood gestraft. Toch bleef er onvrede waaruit Balthasar Hubmaer en
Melchior van Swaben kwamen die de Rijn afzakten en bij Straatsburg gevangen
werden. Daarop werden hun aanhangers verstrooid en kwamen gedeeltelijk naar
Westfalen en gedeeltelijk naar Friesland, maar het meeste deel in Holland. Ene
Jan Matthijsen, bakker van Haarlem, kwam met die nieuwe doop in Amsterdam en
kreeg veel aanhangers. Het was Christelijk van toon, maar wel dat alle
overheden verdwijnen moesten. Dat de apostels geen zwaard en politiestaat
gebruikten, maar dat hun dat wel toegestaan was om de godloze majesteit met het
zwaard te vernielen. Dat niemand het hemelrijk zou bezitten die zijn goederen
niet algemeen maakte. Ook dat het tegen de goddelijke wet niet strijdig was om
vele vrouwen te hebben etc. Ze werden dadelijk vervolgd, toch groeide hun
gevolg aan. Ze verzamelden zich uit alle oorden en vertrokken met 10 of twaalf
schepen naar Overijssel en trokken verder waar God hen zenden zou. Ze gingen
naar Munster en Westfalen waar ze de stad veroverden en de regering veranderden
er zo volgden meer steden. In vele steden werden herdopers gedood. Op 11
februari 1535 brak er in Amsterdam een oproer uit waar de wethouders al lang
voor gevreesd hadden waar ook verschillende profeten van herdopers bij waren
die zelfs naakt door de straten liepen. Ze werden gevangen genomen. Zekere
schepen smeet een vrouw een mantel om het lijf en zei, bedekt u, maar ze wierp
het af en zei dat voor het beeld van God je je niet hoeft te schamen. Ofschoon
er velen gedood werden bleef hun aantal groeien. De belegering van Munster was
bij het volk gegroeid en tot voorbeeld gesteld zodat er steeds meer kwamen. Zo
zou ook Amsterdam naar het voorbeeld van Munster zo’n stad moeten worden. Dit
mislukte en ze werden gedood.
Door
geheel Holland werd op 12 februari 1534 afgekondigd en daarbij verboden het
herbergen van predikanten en dat anderen die berouw toonden in genade ontvangen
zouden worden. De rest zou behandeld worden naar het recht. Alle die in deze
tijd niet volkomen overeen kwamen met de Roomse Kerk werden van ketterij
verdacht, Lutheranen, Herdopers, Sacramentarissen diergelijke. Het hof van
Holland vroeg aan koningin Margareta of ze niet beter heimelijk omgebracht
konden worden. Margareta antwoordde dat ze met strengheid behandeld moesten
worden om die ketterij te dempen, nochtans er zorg voor dragen dat het land
niet ontvolkt werd. Er vielen er vele. Ook werd hun goed verbeurt verklaard,
eerst tot 500 gulden, wat ervoor zorgden dat velen vielen die wat geld of
goederen hadden. Daardoor ontstonden er ook tussen de schepenen
onregelmatigheden. Toen de keizer in 1541 aankwam werd de zaak nog scherper
gesteld en werden al hun goederen verbeurd verklaard. De ontsteltenis onder de
vrome harten was groot. In Holland gingen sommige rechters en ketterdoders met
zo’n dolheid aan het werk dat het hun niets uitmaakte of een vrouw zwanger was
of niet om ze gewoon te verdrinken of te verbranden.
Keizer
Karel was of ziek of moe van het bewind en gaf het in 1549 over en kwam leunend
op de schouders van de prinsen van Oranje in de vergadering van de algemene
Staten die in Brussel geroepen was en droeg het land daarna over aan zijn zoon
Philips. Hij overleed in 1557.
Philips kreeg ons land in de bloei van haar staat. Maar doordat er veel
duizenden om het leven kwamen want alle niet Roomse waren ketters bracht hij
dit ooit zo gezegende gewest in een jammerlijke staat en bloedige oorlog en
zichzelf zo gehaat dat ze gezamenlijk de wapens tegen hem opnamen en hem in
1581 openlijk afzwoer.
Philips
was nog strenger dan zijn vader en toen begon de Inquisitie pas goed te werken.
Hij stelde nieuwe bisschoppen aan. In het Noorden van Holland en West Friesland
en vooral in Amsterdam begon de leer van de reformatie ingang te vinden. Omdat
Hoorn zeer gematigd was gingen er veel handswerklieden heen zodat de stad zeer
floreerde. In 1559 gaf hij de Amsterdam het recht van gruten, dat is dat elk
vat bier dat gebrouwen is een duit opbrengt. Zulke gunsten worden niet zonder
reden uitgedeeld. Van deze opbrengst betaalde de stad hem jaarlijks 4500
gulden. Daar kon hij weer oorlog van voeren. Zo ging het vroeger met elke
gunst. Hij was dan ook in oorlog met Hendrik II, koning van Frankrijk. Hij beraadslaag
zich nadat die oorlog afgelopen was om een einde aan de ketterij te maken en
liet zijn oog gaan op de landen om daarin te voorzien. Want gewoonlijk breken
er ongeregeldheden uit als de vorsten te lang afwezig blijven. Hij stelde zijn
zuster Margareta van Parma tegen wil en dank van Oranje en Egmond aan die
liever de hertogin van Lotharingen hadden. Tot stadhouders over bijzondere
landschappen stelde hij Willem, prins van Oranje, aan over Holland waar
later het graafschap Bourgondië bijgevoegd werd. Egmond werd aangesteld over
Vlaanderen en zo verder elke stad en bijzondere stadhouder. Deze oversten
moesten over het leger gebieden en de hofraden van elk landschap tot het
handhaven van recht en regering, uitgezonderd Egmond die als stadhouder van
Vlaanderen niets over het gerecht te zeggen had. Sommigen willen dat Oranje
zeer naar het stadhouderschap van Vlaanderen dong. Maar de koning stootte zich
aan zijn grootheid en gaf hem Holland en Zeeland die daarin minder vermochten.
Dat omdat de naam van Nassouw al in Caesars boeken van gesproken wordt, de
kroon van het Roomse rijk een twee honderd jaar gedragen hadden, de opper
heerschappij van Oranje, de vele goederen van de prinsen en de kracht van zijn
familie in Duitsland niet naar Philips zin waren.
Zo hoog
was zijn zorg over de ketterij dat hij in de grote raad van Mechelen en daarna
in de hofraad van Vlaanderen hen het uitroeien van de ketterij mondeling kwam
aanbevelen.
Daardoor
werd de haat groter en groeide die ketterij meer aan. Verder waren er prakrijken
met wethouders te Amsterdam die twist zaaiden omdat ze verwanten voor trokken.
Burgers, edelen, steden en staten klaagden over de inquisitie, zelfs de
boetvaardige stierven en men begon te roepen dat de uitvoering voor God niet te
verantwoorden was en met het invoeren werden zelfs de geestelijken balorig
zodat enige heren en edelen vreesden dat het misnoegen van het gewone volk wel
eens tot een opstand zou kunnen komen. En zo gaan in een lange rij, wel 300,
met aan het hoofd graaf Luidewijk van Nassouwen en graaf Hendrik van Brederode
naar het hof te Brussel en gaven aan Margareta van Parma een smeekschrift
waarin ze vooral de trouw van de edelen aan de landvoogden benadrukten en dat
de inquisitie oproer en lands ondergang kan veroorzaken. Ze waren bang van het
grauw en als dat opgehitst werd zou het hen van alle goed en hoven beroven. Ze
verzochten andere keuren en liefst zachtere. Ze namen matig tevreden met het
antwoord van Margareta afscheid. Ze vergaderden samen hoe ze dat zouden
aanpakken, ondertussen werd hen de naam van geux gegeven wat zoveel betekent
als bedelaars of landlopers. Want de landvoogdes was zeer verbaasd over de
samenkomst van de edelen en men zegt dat baron van Barlemont tegen haar gezegd
zou hebben; ‘non, non, madame, ne craigne pas les Geux’, nee, nee mevrouw, wil
voor deze geuzen of bedelaars niet vrezen’. De edelen hingen nu een gouden
medaille aan de hals met aan de ene kant het gezicht van de koning en aan de
andere kant een bedelaars beurs die in twee rechterhanden gevat was waarin
‘fidelles au roy jusques a la besa stond, dat is de koning getrouw tot aan de
bedelzak toe’. Anderen hechtten op de borst een houten napje aan zilveren
banden met ‘vive le geux, lang leve de geuzen’.
De
bondgenoten werkten nu met een naam en wapen om bij de steden en staten aanhang
te krijgen. Het preken begon in het openbaar zonder angst en zorg zodat een
grote menigte zich aanmeldde. De landvoogdes berichtte de koning over de
matiging van plakkaten waarmee men de harten probeerden te winnen. Deze matiging
die in het Latijn van het hof moderatie genoemd werd kreeg al gauw de naam
moorderatie. Want er was geen houden meer aan, de preken waren eerst heimelijk
en in bosjes, dan in open velden en met steeds grotere menigte. De eerste
vergaderingen waren zonder wapens. Maar toen men dreigde of ze verstoorde
kwamen er wapens. Het begon in Vlaanderen en verder naar andere gewesten.
Ondertussen zocht men de prins van Oranje om die brand te slissen en die kwam,
eerst met tegenzin, te Antwerpen waar hij enorm blij onthaald werd. Er kwamen
meer dan 30 000 mensen op de been die hem met vive le geux begroette. Ze
noemden hem hun burggraaf en hun ware verlosser. Toen probeerde iedereen zijn
tegenpartij in een kwaad daglicht te stellen. De Luthersen op de gereformeerden
die alles verdacht vonden dat er was, maar die hadden de meeste vrienden en het
geweer in de hand. De prins wist hen te ontwapenen omdat het geen pas gaf
geweren te dragen en te preken. Maar ook bij Alkmaar kwamen er predikers en
verder door Holland. Vele burgers wensten dat ze het woord van God ook mochten
horen zodat de gereformeerde religie werd ingevoerd. Florus van Pallant, graaf
van Kuilenburg, had de kerken zelf van beelden gezuiverd en laten reformeren en
liet prediken waar veel volk op af kwam. Ondertussen had Margareta een plakkaat
uitgevaardigd dat niemand een predikant zou mogen huisvesten op straf van de
galg en verbeurd verklaring van zijn goederen en de predikanten overleveren
konden voor 600 carolus guldens. Dit werd door het volk bespot. De predikanten
lazen dan ook uit de bijbel voor wat zeer tot het genoegen van het volk was en
verklaarden dat ze Gods heilig woord duidelijk hebben horen voordragen wat door
de papen met menselijke leer verduistert is en tot deze tijd toe besmet is
geweest. Anderen hadden het op de koophandel die de Roomse kerk pleegde,
misbruik van sacramenten, aanbidden van brood, beelden en overleden heiligen.
In 1566 nam het beeldenstormen geweldig toe wat meer het eerst te Antwerpen
gezien werd. Daarna volgden de kloosters die geplunderd werden, vooral de
Kartuisers of minnebroeders die opvielen vanwege hun gasten en brassen en vaak
bij de hoge heren aanzaten. Toen was het met de macht van de kloosters gedaan.
Meestal verloren ze ook alle gronden die verkocht werden waarmee weer strijd
kon worden geleverd. Ook de Lutherse lieten zich horen, die kwamen vaak uit het
oosten. Velen vluchten met hun goederen. Margareta wilde daarom graag prins van
Oranje bij haar hebben en die ging op last van haar naar Holland en beval hun om
zich stil te houden, het preken van de gereformeerden binnen de steden te
verbieden en wilde alles weer in zijn oude doen brengen. Hij wees op het gevaar
dat er van de koning zou kunnen komen. Hij kon er niets meer aan doen, de hele
zaak was vrijwel gereformeerd. In Amsterdam wilde hij de nieuwe religie buiten
de poort hebben, maar de magistraten wilden het niet uitvoeren omdat ze dat
niet meer konden. Maar Margareta waarschuwde de magistraten dat ze die zaak
hard moesten aanpakken zodat die zich gaan bewapenen waartegen de verbolgen
gemeente opstaat. Toen zou het oorlog worden waar vader tegen zoon, broer tegen
broer, zwager tegen zwager optrok, maar de ongelovigen overheersten. Er werd
gelukkig een verdrag gesloten. ’s Nachts kwam heimelijk de heer van Brederoode
in Amsterdam die de regeerders het hoofd van de geuzen noemden. Men zat tussen
twee vuren, Magareta’s plakkaten en de vrees van maatregelen en Brederode met
zijn geuzen. Omdat er echter niemand in oorlogsvoering beter geschikt was werd
Brederode als opperbevelhebber aangesteld tot de tijd toe dat de prins van
Oranje, als stadhouder, toestemming gaf. Margareta stelde op last van de koning
nieuwe bloedige plakkaten aan zodat de niet Roomsen het moeilijk kregen en
velen de hoop opgaven. De prins van Oranje ging ook onderduiken en vertrok naar
Duitsland. Die vluchten van kooplui, edelen en burgers werden steeds groter
omdat het gerucht kwam dat hertog van Alva er met een groot leger aan kwam. Uit
Antwerpen stroomden vele niet Roomse naar Amsterdam die niet binnen gelaten
werden, vrouwen en kinderen zonder enige voorzieningen. De Luthersen die pas in
Amsterdam kwamen om handel te drijven en uit het oosten kwamen gaven aan om hun
dank aan de stad te kennen dat ze die wilden helpen. Van Brederode wilde wel
vertrekken als ze hem 8000 gulden gaven met schepen die hem en zijn edelen naar
Emden bracht waar hij in 1568 stierf. Het leger kwam in Amsterdam. Graaf van
Bossu werd nu landvoogd, de niet Roomse kerken werden nu net zo snel afgebroken
al tevoren de Roomse kerken afgebroken waren, de binten en balken werden tot
galgen en de aanstichters werden eraan gehangen. Margareta meldde aan Philips
dat de zaken goed gingen en het volk moe was van de oorlog. Philips lijkt
overwogen te hebben om geen leger meer te zenden, maar Alva meende dat het
leger er heen moest waarmee Spinosa instemde. Alva komt dan met een machtig
leger bij Margareta en neemt het bewind over. Hij laat in Antwerpen een sterk
kasteel bouwen, verstrooit de geuzen bij Dalem en liet Oranje en andere heren
verbannen, Kuilenburg bij Brussel wordt afgebroken, de vrijheren van Batenburg
worden onthalst en hij bracht honderden onnozele mensen om. Sommigen werden
door het pijnigen zo verlamt dat men ze in stoelen onthalzen moest. De galgen
hingen vol, raden en staken waren volgeladen, onthalst en verbrand. Aan het
bannen en verbeurt maken van de goederen kwam geen eind tot enorme schade van
rijken, armen, kloosters, gasthuizen, weduwen en wezen. Velen traden
standvastig naar het vuur met vrijmoedige belijdenis van het geloof en openden
hun mond en zo maakte men daar een vreselijk werktuig tegen. Dit waren twee
ijzertjes waartussen de tong geschroefd werd dat vooraan met gloeiend ijzer
bestookt werd zodat de tong al zwellend pal stond en zo gaven de geketende een
hol geluid als het loeien van diegene die onder de tiran van Sicilië in de
gloeiende os geworpen waren. Zelfs de doden moesten het ontgelden. Simon Jansz.
Blokkemaker die van de kerk afgeweken was en na zijn dood op het geuzenveld
begraven was werd anderhalf jaar later weer opgegraven en onder het galgenveld
begraven met verbeuren van zijn goed tot profijt van de koning. Alva meende dat
hij heer en meester was. Door de vele uitgeweken en doden stonden vele huizen
leeg waar ze geen nieuwe huurders in konden krijgen, die waren er niet meer.
Men vertrouwde elkaar niet meer, je kon zo beschuldigd worden.
Ondertussen
zocht de prins hulp in Duitsland en bracht vele aanzienlijke Duitse vorsten in
een vergadering en spiegelde hen de ellendig toestand van Nederland voor. Ze
stonden hem toe krijgsvolk in het land te werven en leenden hem geld. Graaf Jan
van Nassouw stelde zijn heerlijkheden tot onderpand. Hij zelf verkocht zijn
sieraden en ander huiswerk in 1570 en kwam tot 18 000 knechten, 7000 paarden en
ging bij Stokhem over de Maas richting Maastricht waar Alva zich ingegraven
had. De roep ging door het hele land en zelfs zo dat de overheid om de
verslagenheid van de Spanjaarden te stutten zich beijverden om die tegen te
gaan. Er werd een burger gegeseld omdat hij gezegd had dat de prins over de
Maas getrokken was. Oranje probeerde slag te leveren, maar Alva ontliep hem die
wist dat de winter aankwam zodat hij door honger en slecht weer zou moeten
vertrekken. Hij ging naar Luik tot Champagne en Lotharingen. Hier maakte hij
zijn geschut ten gelde en de rest deed hij in belofte. Het volk zag dat hij
alles verkocht had en wist niets beters dan geduld te nemen. Al die tijd tot
Frankrijk toe was hij achtervolgt door Alva.
Alva
maakte versterkingen en legde schattingen op zoals hij aan de koning van Spanje
verhaalde dat het goud een arm dik naar Spanje zou vloeien. Dat bracht vele
problemen mee. Eindelijk stonden de Staten toe dat twee opeenvolgende jaren 20
tonnen goud opgebracht zou worden.
Ondertussen
was de prins weer in Duitsland aangekomen en wist een fonds te stichten uit de
vluchtelingen en zelfs uit ingezetenen. Hij begon een soort guerrilla oorlog en
ze beginnen schepen te plunderen. Dat ging door het hele land en waar ze
vroeger wilde of bos geuzen genoemd werden kregen ze de naam van water geuzen.
Alva maakte ook oorlogsschepen klaar en bestookte ze in de Eems en won. De twee
jaren van de schattingen waren verlopen en Alva begon opnieuw met nieuwe
schattingen. Er was al vrijwel geen handel meer door de zeeroverij, het
verbeuren van huizen en goederen aan de koning gaf weinig inkomsten, de handel
stond vrijwel stil. Amsterdam werd gedreigd dat het verwoest en tot een
boerendorp gemaakt zou worden. Alle steden begonnen te morren en zelfs de
geestelijken begonnen de hertog te haten en te belasteren en scholden hem
openbaar op de preekstoel voor een tiran uit. Men weigerde en de een schreef
het op de ander en zo verder en dit duurde zo lang totdat ze hoorden dat
Brielle door Lumey, graaf van der Merk, ingenomen was waarop terstond
het getergde Vlissingen afviel. Brussel wilde niet betalen want de burgers
vonden zich te zwak en sloten kramen en winkels en zeiden niets meer te koop te
hebben zodat er een maand lang geen bier en brood te koop was zodat hij ze in
hun deuren liet ophangen waardoor anderen weer de winkels openden. Alva
bemoeide zich niet meer met de schattingen want hij was bang voor de grote
oproer.
In 1572
waren de voornaamste havens van Nederland en als sleutels van Holland Den
Briel, Vlissingen en Enkhuizen aan de kant van de prins gevallen waarop Hoorn,
Alkmaar, Edam en Medemblik volgden, uitgezonderd Amsterdam en die namen zelfs
versterking aan om Alva te helpen. Lumey ging echter ten aanval wat echter
afgeslagen werd. De Amsterdamse vloot nam Enkhuizen in en zo ging het heen en
weer. Het volk van Naarden wordt door de Spanjaarden gedood. In de Pampus
werden schepen gezonken die de vaart van de Amsterdammers bemoeilijkten.
Haarlem werd door de Spanjaarden terug veroverd zodat Alva naar N. Holland kwam
die hem behoorlijk in de weg stond. Hij rustte een vloot uit die eerst
Schellingwoud veroverde, kreeg veel tegenstand en de veroveringen gingen heen
en weer totdat de vloot verslagen werd. Hertog van Alva was door de mislukte
zeeslang en beleg van Alkmaar niet alleen in haat, maar ook in uiterste
verachting gekomen. Dat hij van de stad gevergd had om buitenvolk aan te nemen
en vanwege zijn grote schulden blies hij de aftocht. De allerrijksten die aan
hem geleend hadden werden zo arm dat hun vrouw en kinderen aan het werk moesten
of zich verhingen.
Amsterdam
bleef echter trouw aan de koning zodat men die stad wilde overrompelen, zonder
echter de mensen lastig te vallen. Soney voerde dit uit en na lang
onderhandelen werd een verdrag gesloten waar bepaald dat de Roomse kerk de
enigste kerk was en de hervormden gaan en komen mochten. De boeren konden na
zeven jaar weer zaaien en herstelden de bouwwerken. Er was nog steeds onrust in
Amsterdam en vooral omdat de gereformeerden zich oneerlijk behandeld voelden
zodat ze die aanvielen en haalden de magistraten op met de minnebroeders en
vooral hun klooster werd beroofd in 1578.
Nadat de
prins van Oranje verschillende staatszaken in Groningen, Overijssel en daar
verricht had kwam hij via Kampen naar Muiden en in 1580 te Amsterdam en neemt
het opperbewind in 1581 aan. De prins wordt op 10 juli 1584 doodgeschoten.
Holland
werd in die tijd door drie legers op verschillende plaatsen aangevallen zodat
de Staten buitenlandse hulp zochten en na tevergeefs zes maanden op de koning
van Frankrijk op bijstand gewacht te hebben wendden ze zich naar Engeland en
boden die de opperheerschappij van deze landen aan. Daarin voelde hij zich
bezwaart maar nam met onderpand van Vlissingen en Den Briel aan dat hij 5000
voetknechten en 1000 ruiters zou sturen en dat de kosten op het eind van de
oorlog betaald zouden worden. Robbert Dudley, graaf van Leycester kwam
hier aan en werd feestelijk onthaald. Maar ook hier waren er figuren die bij
Leycester hun eigen voordeel zochten of ten gunste van de koning van Spanje
zodat de Staten bij Leycester verdacht werd en hij hun raad niet opvolgde. Hij
trok van stad tot stad en ruide de gemeente tegen hun magistraat op waardoor in
verschillende steden muiterij ontstond. Hij werd verdacht omdat hij Utrecht en
mogelijk meer wilde overnemen wat niet lukte zodat hij weer naar Engeland
vertrok
Doordat
de koning van Spanje nu zijn haven voor de Hollanders sloot zochten die een weg
om de Indische schatten via het noorden te halen via Willem van Barentz. De
Spanjaarden en Portugezen hadden toen het monopolie en dreven de prijs zeer op.
Daarom ging men nu via het zuiden met Cornelis Houtman als aanspoorder die met
vier schepen vertrok en na 2 jaar weer terug kwam. Daarna wilden de verenigde
Nederlanders weer gaan toen er andere handelaren bijkwamen die hetzelfde doel
hadden. De koophandel groeide en de Staten meenden dat het goed was om de
krachten te bundelen en stelden de V.O.C in. Hierin kon iedereen meedoen die er
geld in stak, boven 5000 gulden was je hoofd participant en eronder alleen
participant. Toen kwamen de roemrijke jaren met de historische zeeslagen.
Nadat in
1609 in Antwerpen een twaalfjarig bestand is afgekondigd tussen de koning van
Spanje en de aartshertog en de Verenigde Nederlanders aan de andere kant
begonnen de buitenlandse oorlogen op te houden. Maar toen begonnen de
geschillen in Nederland weer op te borrelen. Dat begon rond 1615. Dat kwam door
D. Jacobus Arminius, een predikant die 5 theologische twistpunten had. Na zijn
dood ontstond hieruit de remonstrantie. Anderen waren ertegen zodat een contra
remonstrantie ontstond. Dat liep zover dat de bestuurders de ene of de andere
zijde moesten kiezen wat op oproer uitliep. In 1618 werd de synode te Dordrecht
belegd waar vele Godgeleerden uit ons land en naburige landen samenkwamen waar
hervormde godsdienst was waar de punten van de remonstranten verworpen werden.
De preken en vergaderingen van Remonstranten werd verboden. Na vele relletjes
kwam er toch een Remonstrantse kerk in 1630.
Deze tijd
was ongeveer het einde van de adel omdat er andere rijke heren kwamen.
Na het
twaalfjarig bestand werd in 1621 besloten tot een W.O.C om in Amerika te gaan
handelen. Vervolgens dreigde Spanje weer met een oorlog waarop zware belasting
op boter ingesteld werd waar het volk tegen te hoop liep.
In 1650
vond met het nodig om minder wapens en leger te gebruiken die teveel geld
zouden kosten volgens die van Holland, ze hadden teveel schulden,
waarschijnlijk ten gevolge van een enorme storm en watersnood. De andere landschappen
waren het er niet mee eens omdat de omliggende landen zich niet ontwapenden.
Dat kwam zover dat de prins van Oranje een aanval opende op Amsterdam waarop
die het land rondom de stad onder water zette.
De prins
sterft aan kinderpokken op een leeftijd van 24 jaar in 1650.
In het
jaar 1665 had men de pest, daarna volgde oorlog op het water en toen te land.
De handel verzwakte door de pest van binnen en van buiten door de Engelse en
Munsterse oorlogen. Vervolgens kwam de oorlog met Frankrijk.
Literatuur.
Beschryvinge der stadt Amsterdam, Casparus Commelin.
1726.
Kerkelijke historie en outheden der zeven verenigde
provincien, 1726.
Op uw stoel door uw land, E. Laurillard, 1901.
Onkruid, botanische
wandelingen van F. W. Van Eeden rond 1870.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/