Bijbelse planten, dieren, edelstenen.

 

Botanie.

De oudste overleveringen van planten zijn te vinden in spijkerschriften van de Sumeri喪s, 5000 v. Chr.,  verder bij  Meden, Perzen, Indi喪s en Chinezen. In de Eberspapyrus werden een tachtigtal planten beschreven naar hun gebruik en aangevuld met hun dosering.

In een van de oudste historische boeken, de Bijbel, zijn meer dan honderd verschillende planten opgenomen en vaak met hun gebruiken omschreven. Met behulp van andere verwijzingen is het mogelijk ze voor ongeveer de helft te identificeren terwijl anderen twijfelachtig blijven.

Vele eeuwen na het sluiten van de bijbelhistorie bestond de ヤaardeユ uit de landen rondom M. Zee, W. Azi en Egypte. Meer dan deze landen was niet bekend bij de geciviliseerde volkeren. Op het einde van de 14de eeuw werden de landen van Azi, Zuid Afrika, Amerika en de vele eilanden van de Oceaan ontdekt en duizenden nieuwe planten kwamen erbij. Het aantal soorten steeg geweldig.

Theophrastus beschreef 700 soorten in 340 v. Chr. In de tijd dat Linnaeus stierf waren het er 8.000, in 1821 waren er al 39.684 soorten en in 1841 al 87.005. In dat laatste jaar schatte men het aantal plantensoorten op 400 000, waarvan 66.500 tot de lagere planten zouden behoren. De hoger ontwikkelden zouden dan 333 500 soorten bevatten. Nu is bekend dat er ongeveer 600.000 planten zijn op de aarde.

Volgens de Bijbel gaf Adam namen aan de dieren en Eva aan de bloemen. (Genesis 2:)

De tuinen van Salomo in het dal Tyropon waren ook zeer bekend, dezen waren vermoedelijk naar Perzisch/Egyptisch voorbeeld aangelegd. Bij hen was de tuinaanleg al belangrijk, er werden bij de woonhuizen al vruchtbomen gezet en bloemperken in de zogenaamde paradijzen waarin wild en zomerhuisjes voorkwamen. Onze West-Europese paradijsnamen zijn afgeleid uit bijbels kerkelijk paradisus, dat weer zijn oorsprong had in een Perzisch woord voor veranda, vergelijk Zendavestisch pairidaeza, omheining.

 

Bijbelse Vruchtbomen.

Aan hun vruchten zult gij ze kennen. (Matthe殱) De vruchten en opbrengsten van het veld in het Beloofde Land mochten door elke passerende reiziger gebruikt worden om er zich mee te verfrissen en te versterken. Voor de verdere reis mocht er niets mee genomen worden. (Deuteronum23: 24) De Heer at dan ook wat de natuur hem aanbood. (Matthe殱 12:1, 21:19) Vruchtbomen werden zeer gewaardeerd en bij de wet van Mozes beschermd. Bij een belegering mochten de Isra鼠ieten dan ook geen vruchtbomen omhouwen om die bij de aanval te gebruiken. Wat in zoユn tijd in een paar uur geveld werd moest later met node gemist worden. (Deuteronium 20:20) Die beschermende hand van deze wet is de laatste eeuwen in dit land met node gemist. Door de vele veroveraars is er gehakt, geroofd, meest zonder herbouw, wat tot veel onvruchtbaar land geleid heeft. Op sommige plaatsen wordt er echter gesproken over de "Bijl aan de wortels van de vruchtbomen te leggen ". (Lucas 3:9) Mogelijk meer gebruikt in de betekenis van: "We geven je nog een kans".  De 3 edele vruchten: Druiven, Vijgen en Olijven.

 

 

Vitis vinifera, L. (wijn producerend)

Beschrijving: 1Vitis is een naam die afgeleid is van het Keltische woord gwyd, uitgesproken vid: beste van heesters. Vitis is verwant met vis: kracht, omdat de scheut krachtig groeit, of dat de stekken snel wortelen. Of omdat uit zijn druiven gewonnen drank veel kracht verleent. Ook wordt het woord vitis met vincere: binden, in verband gebracht omdat ze zich om palen of andere gewassen wikkelt of gebonden wordt of naar de buigzaamheid van zijn twijgen. Vitis heeft als basis vi: draaien, twisten, zie Viscum.

Voor de oorsprong van het woord wijn moeten we uitkijken naar talen buiten de Indo-Germaanse talen, waarschijnlijk naar de bron van de druif en naar een Kaukasische taal in de regionen van Armeni en het oude Khaldiasche koninkrijk Urartu. Bij uitbreiding van die stammen naar de beneden Eufraat en woestijnen en paradijzen van het zuidwesten is de plant meegekomen. 4000 v. Chr. teelde men de druif in Babyloni, Syri en Palestina en 2700 v. Chr. in Egypte. Via het Hebreeuwse woord jain of jajin,  Ethiopisch en Arabisch wain en verwante Semitische woorden, kwam over Grieks woinom dat verbonden is met oine: de druif en oinos: wijn, Germaans winam en zo werd het Engelse win geboren en gevormd tot wine, onze wijn en Duits Wein.

Volgens de mythologie kwam de wijn met Dionysos, die ook wel Bacchus werd genoemd, mee die ontdekt was op de Indische berg Nyza.

In Egypte zou Osiris de mensen de teelt geleerd hebben en was daar al in de tijd van de piramidebouw, men onderscheidde vele soorten naar smaak en kleur en gebruikten wijn bij alle gelegenheden. In de Bijbel wordt Noach als de eerste mens aangewezen die een wijngaard plantte. In Kreta was dit Saturnus.

 

Uit Bock. Noach met zijn zoons.

 

Lentefeesten.

Ook werden er te Delphi en Attica lentefeesten gevierd waarbij dansende, zingende en fluit spelende priesters Semele, een van de vele belichamingen van de oermoeder, aanriepen. Ze smeekten haar de jonge Dionysos uit een aardheuvel voor de dag te laten komen.

Het feest had zijn oorsprong in een oud Kanaanitische rite, waarbij adoranten moesten huppelen en hinken. Het woord daarvoor was Pesach. De Joden noemen een van hun feesten nog bij die naam. (Pesach of Pashah, beter Pessach en volledig Chag Happessach, het Hebreeuwse woord voor verschoningsfeest)

Of er ook een oud voorjaarsfeest aan ten grondslag ligt? De Pentateuch beveelt dat het feest met de eerste volle maan van het voorjaar, zeven dagen lang van de avond van de 14de tot aan de avond van de 21ste  Abib (naar de Babylonische uittocht Nissan genoemd) gevierd wordt.

 

Bijbel.

In de Bijbel zijn er meer dan 200 vermeldingen naar de wijnstok. Wijn alleen al wordt een 140 maal vermeld.

In dit waterarme land was wijn dan ook een algemene drank en de oogst dan ook een tijd van vreugde en feesten. (Richteren 21: 20) Iedereen leefde dan ook onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom. (Deuteronium 8: 8, 1 Koningen 4: 25 en Zacharias 2: 10) De wijnstok werd dan ook met alle zorgen omgeven. De voornaamste zorg was de rank die niet als de vijgenboom vrucht geeft van het oude hout, maar van de nieuwe loten. Voor een goede vruchtzetting en een oogst gespreid over een groot deel van het jaar moet dit weelderig groeiend gewas dan ook goed gesnoeid worden, naar het goede vruchthout. (Johannes 15: 1) De waterloten of dieven worden uitgeworpen of weggesnoeid en hebben alleen nog maar nut om in de oven te worden geworpen. Door het snoeien wordt de oogstmaand bepaald. Nu is die in de maanden september/oktober. Volgens Concordantie was Thammoez, juni/juli, de maand van de vroege wijnoogst en Boel, oktober/november de maand van de late wijnoogst. Brochard vermeldt de manieren van snoeien, zodat vanaf de dag van St. Johan de Doper tot aan St. Maarten druiven in het Heilige Land te koop werden aangeboden.

Voor het snoeien gebruikten ze snoeimessen. (Jesaja 2: 4) Het klimaat en de grond van Isra鼠 waren dan ook uitermate geschikt voor deze teelt en het land was beroemd om zijn rijke opbrengsten. De trossen van Egypte waren dan ook blijkbaar kleiner, Numeri 13: 23, als we de verbazing van de verspieders hierover lezen. Om zulke grote trossen aan een stok te moeten dragen lijkt wat overdreven. Toch zijn er soorten die enorme trossen kunnen produceren. Anderson: "Er is een vorm die bekend staat als de Syrische witte. Deze varieteit zou zeer oud zijn en heeft de reputatie om normaal al trossen te produceren van 10 pond en van 20 zijn er gezien op de tuinbouwshows te Londen. Loudon bericht dat ze trossen produceert van 40 pond in goed bewaterd land van Syri". Een tros van meer dan 10 pond zou bijna een el lang zijn, 68, 8cm. (J. Eadie)

De ware wijnstok, Johannes 1: 6, groeide blijkbaar niet alleen in de wijngaard, maar ook als op zichzelf staande bomen. (Ezechi鼠 17: 1/6, Psalm 80: 9) Vermoedelijk is in deze vergelijking het beeld Isra鼠 genomen naar een wijnstok die al klimmend een boom heeft overwonnen, hem overleefde om daarna als zelfstandige boom verder te groeien. J. Eadie vermeldt dat er toch vrij groeiende wijnstokken gevonden zijn en er zou er een gevonden zijn aan de voet van de zuidelijke helling van de Libanon die 9m hoog was met een stamdoorsnede van 40cm en schaduw gaf van 15m in de lengte en breedte.

Ook de reusachtige gouden wijnstok die de ingang van het heiligdom in Jezus tijd overschaduwde, was een beeld van een vrij groeiende wijnstok. Wanneer er iemand goud aan de tempel schonk, werd er een blad, tros of druif van gemaakt. Op die  manier werd die wijnstok van onschatbare waarde. (O. Dapper) De wijnstok was ook zeer belangrijk voor de economie van het land en werd dan ook geregeld op oude munten afgebeeld.

Wijn maken is een van de oudste kunsten van de mensheid. In de bijbel wordt dit het eerst vermeld door Noach, rond 2347 v. Chr. en aan hem wordt de uitvinding toegeschreven. De meeste wijn komt van druiven, in Hooglied 8: 2 lezen we dat er een wijn van de granaatappel gemaakt was. De sterke drank, Hebreeuws shaychar, die genoemd wordt met of in contrast met wijn zou het product kunnen zijn van de palmboom, Phoenix dactylifera. De oogst had plaats in september en ging vergezeld van grote blijdschap en festiviteiten. De grote manden vol sappige druiven werden naar speciale wijnpersen gebracht, yekev en gitot, Jeremia 5: 2, Matthe殱 21: 33. De verse druiven werden in het bovenste vat gestort, Hebreeuws voor wijnvat is begat. Een zekere hoeveelheid sap loopt van naturen uit in het lagere vat vanwege het gewicht van de druiven op elkaar. Dit was het sap van de rijpste en zachtste druiven, dit werd verzameld en afzonderlijk gehouden van het later uitgeperste sap. Het is de zoete wijn, tirosh, de nieuwe wijn, ahsis of eerste wijn van Hosea 4: 11, Amos 9: 13 en Handelingen 2: 13. Daarna begon het persen door treden van meerdere personen met de blote voeten op de druiven. Ze moedigden elkaar luid aan, Jesaja 16: 9-10, Jeremia 25: 30 en 48: 33. Bij dit proces worden de voeten en onderste kleren rood geverfd, dat zien we al in Genesis 49: 11 en Jesaja 63: 2-3. Het uitgeperste sap vloeit in het laagste vat waarna het in verschillende vaten wordt verzameld. Soms werd het in ongefermenteerde staat bewaard en gedronken als most, druivensap, meestal gefermenteerd door het wijnferment, Saccharomyces ellipsoideus. Wijn die een tijdje gestaan heeft krijgt bezinksel, Jesaja 25: 6 waarvan het gezuiverd moet worden, Jesaja 25: 6.

Ongefermenteerde wijn of most werd in bottels opgeslagen en in de aarde begraven.

Wijn was een gewoon en dagelijkse gastvrijheid, Genesis 14: 8, als op huwelijksfeesten, Johannes 2: 1-11. De eerste veldvruchten van het land, Leviticus 23: 13 en vele tempeloffers, Numeri 15: 5 Het behoorde tot de tienden die aan de Heer geofferd werden met alle andere eerste vruchten, Deuteronomium 18: 4 en Exodus 22: 29.

Veel wordt er in de Bijbel gesproken over wijn en most, wijn was ook gewoon in die tijd, Genesis 11: 2. Ze gebruikten verschillende soorten waarvan de rode het meest gebruikt werd, Spreuken 23: 31, Jesaja 27: 2, Openbaringen 14: 20. Wijn die gemengd was met verschillende specerijen werd op grote feesten gebruikt, Spreuken 9: 2 en verwijzend naar Jesaja 65: 11, zullen de drinkoffers bedoeld zijn als een wijn die scherper is door toevoeging van mirre of harsen of  met veel alcohol. De dronkaard is dan ook beschreven als een die gemengde wijn zoekt, Spreuken 23: 30.

Azijn wordt het als er lucht bij wijn in het vat komt waardoor de alcohol in azijnzuur omgezet wordt, wijnazijn. Azijn wordt ook wel vertaald als wijn.

Ruth 2: 14 ヤ zei Boaz tot haar: Kom hierheen en eet van het brood en doop uw brood in de azijnユ.

Psalm 69: 22 ヤen  lieten mij in mijn dorst azijn drinkenユ.

Spreuken 10: 26 ヤWat azijn is voor de tanden en wat rook is voor de ogen, dat is de luiaard voor wie hem zendenユ.

Spreuken 25: 20 ヤAls iemand die een kleed uittrekt, op een koude dag, als azijn op loog, is wie liedjes zingt bij een treurig hartユ.

Matthe殱 27: 34 en 48 ヤen zij gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinkenノEn terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zuren wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinkenユ.

Marcus 15: 36 ヤEn iemand liep toe, drenkte een spons met zuren wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken.

Lucas 23: 36 ヤOok de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zurn wijnユ.

Johannes 19: 29-30 ヤEr stond een kruik vol zuren wijn, zij staken dan een spons, gedrenkt met zuren wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mondノ.Toen Jezus dan de zuren wijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht!

Het woord dat als azijn vertaald wordt in het O. T. is het Hebreeuwse woord chomets. Deze drank bevatte wijn of een andere sterke drank die zuur geworden was. Dat werd soms kunstmatig gedaan door wat gerst bij de wijn te voegen zodat het geschikt bleef voor fermentatie. Dat het vrij zuur was blijkt uit de aangehaalde passages en dat het een verdovende drank blijkt kan je halen uit de Psalm. Het werd toch ook gebruikt door arbeiders als we zien bij Ruth.

Vrij gelijk met de chomets of chユmetz van de Joden was de acetum of posca van de Romeinen. Dit was een dunne, zure wijn die populair was bij de soldaten en dat werd Jezus aangeboden aan het kruis.

 

De namen van de wijnstok in de Bijbel:

1)    De wijnstok, gephen of gefen. (Micha 4:3, Numeri 13:23)

2)    De tros, enav of a'navim.

3)    De wijn, yayin. (Genesis 11:2)

4)    De wijngaard, kerem. Zo ook in plaatsnamen als Abel‑Keramim. (Abel is Veld)

5)    De druivenverzamelaar, mashkeh.

6)    De bloem van de wijn, naar de overvloed in die streek, sorek, soreh of shoreh, (Richteren 16: 4) (Moldenke, Concordantie)

 

Wilde druif .

Jeremia 2: 21 "Ik echter had u geplant als een edele druif, een volkomen zuiver zaad, toch hoe zijt gij veranderd in wilde ranken van een vreemde wingerd. "Mogelijk werd hier gedoeld op de =Vitis orientalis, Boiss. (Oosters) Dit is een meer struikvormige en soms klimmende, maar geen hechtranken bezittende wijnstok. De bladeren zijn veel dieper ingesneden dan de gekweekte en meest in aantallen van 3 op een stengel. De kleine, zwarte bessen zijn niet eetbaar.

De naam hier gebruikt is Gefen nachriyah. (Waeker) De rebelse Isra鼠iet, de degeneratie van de wijnstok Isra鼠, zou de degeneratie van de wijnstok zijn. Ook vergeleken met Genesis 40: 10 "Aan de wijnstok waren 3 ranken", Ezechi鼠 15: 6 "Onder het geboomte van het woud, het hout van de wijnstok".

 

Christelijk.

Naar de vele verwijzingen, parabels en als zinnebeeld van het hele volk werd de wijnstok als zodanig door de Christelijke kerk aangenomen. In de christelijke iconografie is een tros druiven het symbool van het Laatste Avondmaal en daarmee van het bloed van Jezus Christus.

Soms is de wijngaard een zinnebeeld van Christus, de wijnranken en ook de wijngaard zijn een zinnebeeld van het volk. Kruis en levensboom worden vaak als wijnstok voorgesteld. De wijn is een symbool van droefheid en gramschap Gods, Apocriefe 14;10, 19;15.

 

Ficus carica, L. (uit Cari, west Anatoli. Turkije waar veel vijgen geteeld werden) De naam vijg zou afgeleid zijn van Ficus, die weer afgeleid zou zijn van de Hebreeuwse naam fag en heeft in vrijwel alle Europese talen dezelfde naam.

 

Vijg in de Bijbel:

In de Bijbel komt de vijg een 57 maal voor. Het beeld van de goede en slechte vijgen in Jeremia 8: 13, 29: 17, zou kunnen bewijzen dat de vijg, net als de druif en de olijf, tot de edele vruchten gerekend mag worden en daarom als zinnebeeld van ware godsvrucht gebruikt werd. Het bederven van de vijgenbomen is dan ook een van de eerste oordelen waar God mee dreigt. In Lucas 13: 6 lezen we dat een zeker man een vijgenboom in de wijngaard plantte. Dit planten is zeker een vergissing, volgens Deuteronomium 22: 9 is het verboden de wijngaard met twee喪lei te bezaaien.

En het was al het derde jaar en geen vijg werd er gezienユ. Ook bij deze tekst kan de wet van Mozes aangehaald worden die de eerste drie jaren als onrein beschouwde en dus mocht er niet geplukt worden. Het vierde jaar was pas het jaar van de eerste oogst. Het is een gebod die ingesteld werd voor de eerste beplantingen in het land Kana穫 en volgende jaren gebruikelijk. Vermoedelijk een soort cultuurmaatregel die de bomen zo sterker maakt zodat ze in de toekomst meer en betere vruchten zou leveren. Mogelijk wordt hier gedoeld op de jaren na de eerste drie jaren.

Het is een kleine en stijve boom met een typische parapluachtige vorm. De Hebreeuwse naam teenah of t'aynah betekent dan ook uitspreiden, een verwijzing naar zijn vorm als schaduwboom. Zo werd Nathana鼠 gezien al zittende in de schaduw van de vijgenboom wat het Joodse idee was van vrede en rust, het symbool van voorspoed, 1 Koningen 4: 25.

De vijg draagt een groot gedeelte van het jaar vrucht. In tijd van 10 maanden plukt men driemaal een oogst. Eerst de grote vijgen die op de bladeren vooruitlopen, dan in de zomer de eigenlijke oogst, waarvan de vruchten wel tot vijgenkoeken samengeperst worden, vervolgens nog een napluk. De vrucht is niet zoals bij onze fruitsoorten gemakkelijk te zien, de vruchten groeien op de jonge takken en worden bedekt door de grote bladeren. Vooral bij de tweede of grote oogst moeten ze gezocht worden, Lucas 13: 6.

Genesis 3: 7, Numeri 13: 23, Deuteronium 13: 23, Richteren 1: 10-11, 1 Samu鼠 25: 18, 30: 12, 1 Koningen 4: 25,  2 Koningen 18: 31, 20: 7, 1 Kronieken 12: 40, Psalm 105: 33, Spreuken 27: 18, Hooglied 2: 13, Jesaja 28: 4, 36: 16, 38: 21, Jeremia 5: 17, 8: 13, 24: 1-8, Hosea 2: 12, 9: 10, Joel 1: 7 en 12,  Amos 4: 9, 8: 1-2, Micha 4: 4, Nahum 3: 12, Habakuk 3: 17, Haggai 2: 19, Zacharias 3: 10, Matthe殱 21: 1 en 19-21, 24: 32, Marcus 11: 13 3n 20, Lucas, 6: 44, 13: 6-9, 19: 29, Johannes 1: 48 en 50, Jacobus 3: 12, Openbaringen 6: 13.

 

Namen van de vijg in de Bijbel:

1) Pag, Fag of Pageha, de groene vijg die 's winters aan de boom blijft zitten. (Hooglied 2: 13) De Bethpage die in het N. T genoemd wordt is waarschijnlijk een naam voor een zonloos ravijn bij Jeruzalem.

2) Teenah, teenim, t'aynah, meervoud van teenah,  is de naam van vijg als vrucht. (Deuteronium 8: 8, Jeremia 8:  13) Volgens Moldenke ook zo genoemd in Genesis 3:7 ) De Arabische naam is Tin. (De Griekse vertaling betekent een beveiligde plaats in Syracusa in Sicili, en zo zonder twijfel genoemd omdat de vijg daar groeit)

3) Bikkoerah, Bikkurah of Bikurah, literair, ヤeen die wachtユ de vroege vijg. (Hosea 1: 10)

4) Debelah, d'velet of d'velim, een koek van gedroogde vijgen. (1 Samuel 25: 18, 2 Koningen 20: 7)

 

Vijgenblad: Bijbel.

Het vijgenblad zou voorkomen in Genesis 3: 7. Het blad komt dan in een periode van 2500 jaar echter niet meer voor. De Geneva Bible (1500) maakt de vers; メZe naaiden vijgenbladen tezamen en maakten er van breeches vanユ (broeken) en zo is het bekend geworden als Breeches Bible. (Broeken Bijbel)  Vele autoriteiten nemen aan dat de vijg en vooral Ficus sycomore (moerbei-vijg) gebruikt werd om de schaamte te bedekken omdat het bladeren heeft die daar groot genoeg voor zijn. De vijg werd wel gelijkgesteld met de boom des levens en ook wel paradijsappel genoemd.

van Beverwijck:" Onder al het ooft zijn de vijgen altijd in grote achting geweest en dat om haar liefelijke smaak als omdat zij van beter sap zijn als andere vruchten..... En Bacon, kanselier van Engeland stelt die in 4 Hist. nat. 11 boven alle vruchten die de natuur voortbrengt zodat hijgemakkelijk de mening van de oudvaders Irenaeus en Tertullianus zou kunnen toestaan die de vijg gehouden hebben voor de vrucht die onze eerste voorouders in de lusthof verboden was. En daarom zouden de Indiaanse vijgen die van Brochard genoemd wel paradijs‑appelen mogen heten... (zie Musa) Ik weet niet (zegt Bacon) of hun mening gegrond was op enige plaatsen van de oude rabbijnen of dat zij naar de dubbele betekenis van het Griek woord Sycos keken waarmee niet alleen de vrucht, maar ook de vrouwelijkheid genoemd wordt en willen zeggen dat het de vrouw was geweest die tot het overtreden van Gods gebod haar man gebracht had".

Dus was de vijg volgens de ouden, onder de vruchten die ze kenden, het meest in aanmerking komend als een verleidelijke vrucht.

Zie Ficus religiosa (geheiligd), de Indische vijgenboom, die door sommigen Upasthapatra geheten is: dat is blad van het teellid, een zinspeling op het gebruik dat Adam en Eva er van maakten.

De vijg voldoet echter lang niet aan de tekst zoals we via diverse passages in de Bijbel mogen veronderstellen dat ze er ongeveer uit zal zien. Vijg als naam is mogelijk, net als de appel, een meer algemene omschrijving van een vrucht geweest. De Egyptische vijg bijvoorbeeld is de vrucht van Ceraotonia siliqua. Zie verder Malus en Musa.

 

Ficus sycomorus L. (vijg en moerbei) de sycomore of Egyptische vijgenboom.

 

Uit nl.123rf.com

Vorm: Bijbel.

Als boom wordt die groter dan de vijg, 12‑15m, met soms een zeer dikke stam en een grote, wijde en slappe kroon. De dikke grote stam verdeelt zich meestal niet ver boven de grond in 5‑6 dikke takken, een ideale plaats voor Zache殱. Geeft goed schaduw en is geschikt als laanboom en langs de wegen.

De sycomore geeft 2‑3cm grote en geelachtige vruchten die in grote overvloed en in een groot gedeelte van het jaar aan de boom komen. De zoete vrucht is traditioneel meer een vrucht voor de armen geweest, een vergelijking die Amos ook gebruikte.

 

Het gewas werd in Isra鼠 al vroeg geteeld, 1 Koningen 10: 27. De boom groeit meer in vlaktes als die van Jericho, dan in het heuvelland, (2 Kronieken 1: 15) vermoedelijk de reden dat deze boom in Isra鼠 niet zo bekend is geweest.

De dikke hartvormige bladeren lijken echter weer meer op die van de moerbei. In koude tijden laat het soms het blad vallen en kan dan ook minder tegen de vorst dan de vijg. (Psalm 48: 47)

1 Koningen 10: 27 ヤユEn de koning maakte het zilver in Jeruzalem overvloedig als stenen, en de ceders als moerbeivijgen die in menigte in de Laagte groeienユ.

1 Kronieken 27: 28 ヤOver de olijfbomen en de moerbeivijgenbomenユヤ.

2 Kronieken 9: 27 ヤde ceders als moerbeivijgenユ.

Psalm 78: 47 ヤHij verdierf hun wijnstok door dn hagel, en hun moerbeivijgenbomen door de ijzelユ. Dus een belangrijke vrucht als men bang is voor ijzel.

Jesaja 9: 10 ヤwilde vijgenbomen zijn geveld, maar ceders zetten wij daarvoor in plaatsユ.

Amos 7: 14 ヤik ben een veehouder en kweker van moerbeivijgenユ. Het is een gebruik voor de kwekers van de moerbeivijg dat drie of vier dagen voor het plukken, als de vrucht een 3cm lang is, om een deel van het centrum af te schrapen of een gaatje in te maken met de vingernagel of een scherp instrument. Zonder deze verwonding geeft de vrucht een hoeveelheid waterig sap en zal niet rijpen. Amos was wel bekend met dit gebruik en zo was hij meer een ヤbewerkerユ van de moerbeivijg en geen verzamelaar of plukker.

Lucas 19: 4 ヤEn hij liep hard vooruit en klom in een wilden vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daar langs komenユ. De sycomoreユ s komen ook elders bij Shakespeare voor als bomen wiens schaduw door droefgeestige verliefden gezocht worden. In Engeland komt zo de naam wilde vijgenboom voor Acer pseudoplatanus, sycamore. Volgens de traditie klom Zache殱 in de wilde vijgenboom (Ficus sycamorus) om de Heer te zien. Bij de mystieke spelen van de middeleeuwen ontbrak ten ene male die boom in Engeland waardoor de esdoorn als vervanger optrad. Vandaar dat de boom nu algemeen bekend is als sycamore.

 

Boom des levens.

Het hout van deze boom is licht en poreus, maar toch zeer duurzaam en in Egypte werd het gebruikt om er mummiekisten van te maken.

In de Bijbel verwijst Amos 7:14 naar de vrucht van de sycamore in meer bedenkelijke termen. Zo ook Jeremia 24:2, waar gealludeerd wordt naar het oude gebruik in de Kana穫ietische religie om een tak van de sycamore in de tempels van de Godinnen door te geven als een soort communie, opdat de aanwezigen het vlees en het levenssap van de Godin zouden delen. De vrucht zou een licht hallucinogeen effect hebben en tevens een afrodisiacum zijn. Blijkbaar volgden daarop seksuele rituelen. "Kennis van Goed en Kwaad", zoals in de latere Hebreeuwse mythe van de 'zondeval' werd aangegeven, zou erdoor worden verscherpt, en de 'appel' van deze boom der kennis die door de slang aan Eva werd aangewezen, zou een sycomorevrucht zijn. En de 'heilige tak' die in de tempel werd rondgegeven, zoals door Ezechi鼠 werd beschreven, bevatte mogelijk dezelfde vrucht. ttp://nl.wikipedia.org/wiki/Ficus_sycomorusI

 

Olea europaea L. メSativaユ (Europees en gekweekt) De vruchtboom werd in het Grieks elaia of elaa en in Latijn olea genoemd waaruit olijf en andere Europese namen stammen, ook olie. Als stamvorm van de gekweekte wordt Olea oleaster Hoffmgg. (olieachtig) (Olea europaea var. oleasterユ, DC. Olea europaea L. subsp. europaea var. sylvestris (Mill.) Lehr.)  (van het bos) genoemd, wiens cultivar "Olivastro" gebruikt wordt als onderstam voor Olea europaea. Deze heeft doornige en min of meer vierkan­te takken en langwerpige bladeren met kleine vlezige en niet eetbare vruchten.

 

Het land van oorsprong was waarschijnlijk Klein Azi. Archeologische vondsten wijzen er op dat het al 4000 v. Chr. in Kreta en Syri geteeld werd. (Eerste archeologische vondst van olijvenpitten zijn meer dan 9000 jaar oud waarbij het gaat om door mensen verzamelde olijven van wilde bomen) Ook naar de vele vermeldingen van de olijf in de Bijbel wijst op zijn overvloed in dat land en de belangrijke plaats die het in Syri had laat vermoeden dat het daar zijn oorsprong had. Mogelijk lukte het enige stammen om de boom te cultiveren waarna ze die dan verder gaven. De oudste berichten van het kweken van olijfbomen komen uit Syri. De oude olijfaanplantingen aan de westelijke hellingen van de Libanon en in het land der Filistijnen zullen hun oorsprong wel te danken hebben gehad aan de Phoenici喪s, Deuteronium 6:11: "Olijfbomen die gij niet geplant hebt". Dit vooral voor hun uitvoer naar Egypte en andere landen. In Egyptische graven en gedenktekens kan men dan ook opmaken dat de olijf al vroeg vanuit Syri was ingevoerd, bladeren en takken komen voor in koningsgraven van de 20ste dynastie.

Het is een van de belangrijkste bomen van de oudheid, mislukken van de oogst stond voor armoe, hongersnood, en geen medicijn. Waar de olijfboom beschut en verzorgd werd, daar heerste rijkdom en als gevolg daarvan vrede. Als er oorlog en moord woedde kwam de boom in verval en vergetelheid. Het hout werd gebruikt door ruwe bendes voor oorlogsmateriaal en zo kwam de boom aan een roemloos einde. Op deze grond is de olijf sinds de oudste tijden het symbool van vrede en symbool van verzoening het door Genesis 8,11.

 

Bijbel.

Ook in de Bijbel is de olijf een symbool van vrede. De duif die bij Noach met, volgens sommige vertalingen een olijftak, twijg of blad, terugkeert kan gezien worden als een symbool van Gods vrede en verzoening met de mensen. Het is een zeer opmerkelijke passage gezien het feit dat van een duif niet verwacht mag worden dat die bladen van bomen aftrekt of takken, maar eerder zou terugkomen met een strootje of een graankorrel. Sommige schrijvers maken uit die tekst dan ook op dat de zondvloed snel gestegen en gedaald moet zijn omdat de bomen bewaard zijn gebleven. Ook dat de olijf al goed bekend moet zijn geweest, omdat bij het zien van een enkel blad het gewas al herkend werd. Zie Jesaja 52: 7. 

Op de grafstenen van oude Christenen wordt dit symbool van vrede, duif met olijventak, wel gebruikt.

Sinds de duif een olijftakje bracht is dit het symbool van vrede.

De tamme olijf is een altijdgroene boom (Psalm 52:10) met lancetvormige en dikke, maar kleine bladeren die om de ongeveer 3 jaar afvallen. De bloei valt in mei met korte trossen witte bloempjes die spoedig vrucht zetten. Vele bloemen vallen vaak af zonder vruchtzetting en in sommige jaren vallen alle bloemen af. (Job 15:33)

De 7‑10m groot wordende boom heeft meestal een niet zo omvangrijke stam met een grijze bast. De boom is vaak krom en gespleten en gescheurd en bij ouderdom hol met naar alle kanten uitstekende takken en van onderen gezien grijsachtig/witte bladeren. Rondom de olijf ontstaan door wortelscheuten nieuwe loten die groen en fris zijn. (Psalm 128) Opmerkelijk is wel Hosea 14:6: "Zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom". Mogelijk is het gewas mooi voor de oosterlingen wegens zijn nut of omdat de boom altijd groen is. Zijn schoonheid moeten we mogelijk zoeken naar zijn welgevormde vrucht en naar zijn hemels gelijkende blauwheid. Zo komt het ook in de Islam voor, Lichtvers Koran XXIV: 45: "...Ontstoken als een gezegende boom, een olijfboom."

Olijf heet in het Arabisch is zetun (Dalman) of zeitum. (v. Emdre) De Hebreeuwse naam is zaith of zayit en naar het gebruik van deze plant in de Bijbel lijdt het geen twijfel dat met deze woorden de olijf bedoeld is. Turks zeytun.

Genesis 8: 11, 28: 18, Exodus 23: 11, 27: 20, Leviticus 2: 1-7 en 15, 5: 11, 6: 21, Deuteronomium 6: 11, 7: 13, 8: 8, 24: 20, 28: 40, 32: 13, 33: 24, Jozua 24: 13, Richteren 9: 8-9, 15: 5, 1 Samu鼠 8: 14, 10: 1, 2 Samu鼠 12: 3 en 5, 15: 30, 1 Koningen 5: 11, 1 Kronieken 27: 28, 2 Kronieken 27: 28, Nehemia 5: 11, 9: 25, Job 15: 33, 29: 6, Psalm 23: 5, 52: 8, 128: 3, Spreuken 27: 9, Ecclesiasticus 10: 1, Jesaja 1: 6, 17: 6, 24: 13, Ezechi鼠 27: 17, Hosea 2: 5 en 8, 12: 1, 14: 6, Joel 1: 10, 2: 24, Amos 4: 9, Micha 6: 15, Habakuk 3: 17, Zacharia 4: 3 en 11-14, 14: 4, 2 Esdras 16: 29, Matthe殱 6: 17, 25: 3-4 en 8, Marcus 6: 13, Lucas 10: 34, 19: 29, 21: 37, Handelingen 1: 12, Romeinen 11: 17 en 24, Jacobus 3: 12, 5: 14, Openbaringen 11: 4, 18: 13.

In Hebreeuws zayit als olijf, de olijventuin is zaytim, olie is shemen, zalf is shemen, Gethsemane, van gat shemanim; oliepers. Ook de zalf, mユshoach, wordt hier inbegrepen omdat de meeste zalf van de olijf komt.

De wilde olijf van Nehemia 8: 15 en 1 Koningen 6: 23 en 31:33 zou van Elaeagnus zijn, of van de wilde olijf, of er moeten veel stukken hout samengevoegd zijn, naar 1 Koningen moesten die beelden tegen 6m hoog met vleugels van 3m breed zijn.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: floraBijbelse olie.

Als basis voor cosmetische preparaten komt het voor (Ruth 3:3), in gezondheidszalven (Jesaja 1: 6) en bij de Barmhartige Samaritaan.

In het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat Jezus de zieken zalfde om ze gezond te maken. Naar dit voorbeeld zalft de katholieke kerk de doodzieke de handen en voeten, het heilig oliesel. De Griekse kerk zalft niet alleen de zwaar zieken maar ook de lijders van allerlei soort en gebruikt het tot herstelling en voor vergeving van de zonden.

 

Olie, als basis voor de Heilige Olie, werd gebruikt om Koningen te zalven (1 Samuel 10: 1) Van zalven met olijvenolie wordt men krachtig en fris, メals nieuw geborenenモ. De hogepriesters, koningen en profeten werden zo bij intrede in hun nieuwe ambt met olie gezalfd. Zo werd Aaron door Mozes gezalfd, Samu鼠 door Saul en zo David. Bij Saul staat er: メZiehier, de Heer heeft u tot koning over uw volkeren gezalfd".

Sinds Saul door Samu鼠 met olie gezalfd werd en Bisschop Remigius de Frankische Koning Clovis in de Kerstnacht van het jaar 496 tot Christenkoning zalfde, is de olijfolie de zalfolie van de heersers geweest. Clovis was de eerste heidense Frankenkoning die gezalfd werd. Volgens de legende werd de zalving voorgenomen en bereikte de olie, door de opeengehoopte massa niet de koning. Daar kwam door gebed van de bisschop een witte duif uit de hemel en bracht in zijn snavel een flesje gewijde olie. Dit flesje werd voortaan in de kerk als een heiligdom bewaard. Het flesje zou voortaan bij alle Franse kroningen gebruikt worden.

Tegenwoordig dient de olie niet zo meer als lichaamsverzorging. Het wordt alleen nog gebruikt in de vorm van zeep. Alleen de zalving van koningen en keizers zijn nog een laatste echo van de oude tijden.

 

Als lamplicht wordt de olie gebruikt (Ezechi鼠 40: 25), het Joodse feest van het licht of Chanukah. (1 Makkabee喪 4: 54)

Feest van vernieuwing des tempels (Johannes 10: 22) Dit feest zou ontstaan zijn bij het reinigen van de tempel door Judas de Makkabee喪 toen hij een kruikje luchterolie vond dat zwaar genoeg leek om de kandelaar een dag te laten branden, toch bleef de lamp er wonderbaarlijk genoeg 8 dagen van branden, lang genoeg om nieuwe olie op te halen die van ver moest komen.

Zoals eenmaal de lampen van de kandelaar in het Taberna­kel ontstoken waren om te branden met de olie van het heiligdom, zo dient nog de olijfolie als brandstof voor de eeuwige lamp in de St. Pieter te Rome.

De tuin van Gethsemane is nu nog zoals in Bijbelse dagen met een paar kleine veranderingen. Velen denken dat de olijfbomen hun wortels nog hebben vanuit het begin van de Christelijke jaartelling, wat niet helemaal onmogelijk lijkt, maar 2000 jaar is lang. De originele bomen zouden volgens Josephus geveld zijn door Titus die ze gebruikte bij de bestorming van de stad. Mogelijk zijn de bomen, net als die van Athene, weer uitgesproten vanuit de stam of via worteluitlopers.

 

Elaeagnus angustifolia L. (smalbladig) Dioscorides naam voor de wilde olijf was elaeagnos waardoor dit geslacht de naam van Elaeagnus heeft gekregen. Dit woord valt in twee創 bij vertaling, Griekse elaios: olieboom, en agnos: rein of kuis, de vruchten zijn olijvenvormig en de bladeren lijken op die van de kuisboom, Vitex agnus-castus. Daarom wordt de plant wel oleaster genoemd, olijfwilg, het is geen familie van de wilg en ook niet van de olijf.

 

Bijbel.

Op enkele plaatsen in de Bijbel komt de oleaster voor. Ze groeit nu volgens Moldenke in geheel Isra鼠, behalve in de Jordaanvallei en verder in de Levant, Syri, Perzi en Siberi. Bruijl vermoedt dat haar voorkomen in de oude tijden nog lang niet zeker is.

1 Koningen 6: 23 ヤVoorts maakte hij in de achterzaal twee cherubs van oleasterhoutユ, 31-33 ヤEvenzo maakte hij voor de toegang naar de Hoofdzaal posten van oleasterhoutユ.

1 Kronieken 27: 28 ヤ Over de olijfbomen en moerbeivijgenbomenユ.

Nehemia 8: 16 ヤ Trekt uit naar het gebergte en brengt loof van den olijfboom, van den olijfwilg, van den mirt, van palmen, van loofbomen, om loofhutten te makenユ.

Jesaja 41: 19 ヤ Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zettenユユ

Micha 6: 7 ヤZal de Heer welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken?ユ

De naam Etz Shemen of Atazai‑Shemen lijkt op de naam van de olijf: zaith of zayit. Shemen betekent olie, naar de olieproductie van de plant. De olieproductie van de oleaster is echter te verwaarlozen. Als olieproducent zou Balanites aegyptiaca gebruikt kunnen zijn, die de zukkum of zackum van de Arabieren is, maar die groeit alleen maar in de Jordaanvallei. (Moldenke)

Het hout van de olijfwilg is wel hard, maar niet dik genoeg voor het gebruik als in 1 Koningen 6: 23 en 31: 33. De Arabische naam voor de wilde olijf, Olea europaea ヤOleasterユ, DC., is Zetun berri. (Dalman) Mogelijk wordt in de tekst gedoeld op die wilde olijf die wel hout levert van voldoende hardheid, dikte en afmetingen en zo ook gebruikt in Nehemia 8: 16, Jesaja 41: 19 en 1 Koningen.

De vruchten worden gebruikt om er rozenkransen van te maken. Ze zijn bekend als Trebizond dates, worden gedroogd en vermalen tot een soort brood door de Arabieren.

 

Acacia.

Acacia is de naam van meerdere stekelige bomen en struiken. In de oudheid werd echter voornamelijk gedoeld op Acacia nilotica (L.) Delile subsp. nilotica (van de Nijl) (Acacia vera) (de echte).  Het is Dioscorides akakia en Plinius acacia. Het woord is afgeleid van het Grieks voor stekel: axe (Latijn acer, acus en acutus) waarbij in het Grieks een verdubbeling van het woord optreedt om het begrip te versterken.

De Arabische naam voor deze boom is sant of sunt, evenals voor Acacia laeta R.Br. (vrolijk van kleur, of Laeta, of de  tweede echtgenoot van keizer Gratianus van het W. Romeinse rijk) Deze laatste is meer een struik die 4-10m hoog wordt. Zijn bloemen zijn geel tot cream wit en komen op het eind van de regentijd in Afrika en Midden Oosten.

Deze doornachtige Acacia van het Arabische schiereiland, de sunt van Egypte, is verwant aan de suttumboom (sittim) en de senna. Prosper Alpinus betuigt dat de Acacia in Egypte zeer ver van de zee groeit en daar sant genoemd wordt.

 

Bijbel

Exodus 25: 5, 10, 13, 23, 28, shittim hout, ヤZij moeten dan een ark van shittimhout makenユ. Exodus 26: 15-16, 26, 32 en 37,  Gij zult de planken voor het tabernakel maken van shittimhoutユ. Exodus 27: 1 en 6, ヤGij zult het altaar van shittimhout maken, vijf el lang en vijf el breed, zodat het altaar vierkant is, en drie el hoogノ. Gij zult draagstokken voor het altaar maken, draagstokken van shittimhout en die met koper overtrekkenユ .

Exodus 30: 1 en 5.  Gij zult een altaar, een offerplaats voor reukwerk, maken; van shittimhout zult gij het makenノ.Gij zult dan de draagstokken van shittimhout maken en ze overtrekken met goudユ.

Exodus 35: 7 en 24. ヤrood geverfde ramsvellen, tachasvellen, shittimhoutノ.en ieder die shittimhout voor al het werk ten behoeve van dn dienst in zijn bezit had, bracht ditユ.

Exodus 37: 1, 4, 10, 15, 25, en 28. Bezaleel maakte de ark van shittimhout, ノHij maakte draagstokken van shittimhout en overtrok die met goud. Hij maakte de tafel van shittimhout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. hij overtrok die met louter goudノ Hij maakte de draagstokken van shittimhout en overtrok ze met goudノ..Hij maakte een reukofferaltaar van shittimhoutノ..En hij maakte draagstokken van shittimhout en overtrok ze met goudユ.

Exodus 38: 1 en 6, ヤHij maakte het brandofferaltaar van shittimhoutノHij maakte de draagstokken van shittimhout en overtrok ze met koperユ.

Numeri 25: 1; Terwijl Isra鼠 in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moabユ.

Numeri 33: 49;  zij legerden zich langs den Jordaan van Beth-Jesimoth af tot Abel-Sittim toe in de velden van Moabユユ.

Deuteronium 10: 3; ヤ En ik maakte een ark van shittimhoutユ.

Jozua 2: 1, ヤJozua, de zoon van Nun, zond van Sittim heimelijk twee verspieders uitユ.

Jozua 3: 1, ヤToen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Isra鼠ieten braken op van Sittim en kwamen tot aan den Jordaanユ.

Jesaja 41: 19, ヤIk zal in de woestijn ceder, shittim, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom plantenユ

Joel 3: 18 ユTe dien dage zal het geschieden, dat de bergen van jongen wijn zullen druipen en de heuvelen van melk zullen vloeien en alle beken van Juda van water zullen stromen; een bron zal ontspringen uit het huis des Heren en zal het dal van Sittim drenken, Egypte zal tot een woestenij wordenユ.

Micha 6:5 ヤMijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraamde en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde – van Sittim tot Gilgalユ.

Maerlant, ヤSetim, is voorwaar bekend als een boom van de Ori創t die hoog wordt en hard groeit en niet licht en door geen nood het hout laat bederven, ook is het van zulk geweld dat het niet verrotten mag, deze vindt men nog tot op deze dag. De ark die zoveel dieren en van zoveel soorten in de luwte hield en nog staat in haar geweld op de bergen van Armeni was gemaakt, horen wij van luiden, van sittim, aldus is het gedicht. Zijn hout is wit en licht. Mozes ark, zoals wij lezen, was ook gemaakt van deze en in Salomons tempel vooral waren hiervan vele dingenユ.

 

De Arabische naam voor alle twee soorten is seijal. De soortnaam van Acacia seyal is ontleend van het Arabische woord seyal wat een stortvloed betekent, naar zijn vorm in de wadies waar de gestadige stromen vloeien in het regenseizoen. Het Griekse woord voor shittah betekent hout dat niet gemakkelijk rot. De Egyptische naam is sant of santh. Mogelijk is dit woord afgeleid van Egyptisch sh-n-s-t. Velen denken dat de Hebreeuwse naam van dit Egyptische woord is afgeleid. Naar het voorkomen van meervoudsvorm zijn er velen van mening dat het gebruikt wordt omdat de boom zelden alleen groeit. De Hebreeuwse naam is shittim, wat meervoud is van shittah of sjittah. In enkelvoud komt het woord maar eenmaal voor in de Bijbel. (Jesaja 41:19) de meervoud vorm shittim, als hout, een twintig keer, altijd in verband met de ark. Shittim is zonder twijfel een Acacia soort waarvan er drie gevonden worden in de Bijbelse landen. De meeste autoriteiten zijn van mening dat Acacia seyal en Acacia tortilis de meest waarschijnlijke soorten zijn die in deze verwijzingen het enige hout van die lengte konden leveren. Ze kunnen bloeien in zeer droge situaties waar geen andere boom het uithoudt. Acacia tortilis is de grootste en gewoonste vorm in de Arabische desert waar de Isra鼠ieten veertig jaar verbleven. Het is vooral gewoon op de Sina. De tegenwoordige Arabische nomaden verzamelen zijn  hout die ze voor vuur gebruiken, verzamelen het blad en bloem als veevoer. Het hout is zeer hard, dichte nerven en duurzaam, oranje/bruin van kleur en wordt nog zeer gewaardeerd om er meubels van te maken. In gunstige omstandigheden bereikt de boom een hoogte van 6m tot 8m, in de desert meestal struikachtig en dooreen groeiend. Zijn takken zijn gewapend met sterke witte dorens die in paren staan. De bast wordt gebruikt om leer te looien.

 

Abel-(=veld)‑shittim of abel‑has ahittim (Numeri 33:49) is dan een weide (of vochtige plaats) van Acacia' s.

Ze groeien niet in noordelijk Isra鼠 en komen dan ook vrijwel alleen voor in de oudere boeken, wat erop wijst dat ze vanuit Egypte, het verblijf in de Sina bekend waren. Er is een vallei aan de westzijde van de Dode Zee, de wadi van Seyal, waarvan gezegd wordt dat die zijn naam te danken heeft aan de aanwezigheid van een paar acacia's daar. Zuidwaarts van de Dode Zee groeien ze in overvloed.

 

Jesaja 41:19 "Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom planten".

In dit bijbeldeel is er sprake van enige verwarring, want de Acacia is op zich al een plant van de woestijn en hoeft dan ook niet geplant te worden. Mogelijk is, in deze vergelijking, dat planten van verschillende grondsoorten naast elkaar gezet worden om de almacht van de Heer aan te tonen. De eerste serie kan gezien worden als planten van de woeste gronden, waarbij met de naam Ceder wel een jeneverbes bedoeld wordt, een plant van de barre rotsgronden. De olijfwilg is een plant van de zoute gronden, de mirt groeit in de maquis op woeste gronden. De anderen zijn planten van bergbossen. De plataan is dan de enige die niet past, maar is mogelijk een boomsoort die samen met de andere twee op Libanon groeit.

 

Sin betekent woestijn.

Sin is een woestijn, Numeri 13:21, Exodus 16:1, Tsin of Sina, verkort tot Sina, Jozua15: 3 en de berg Sina wordt voor Sina gelijkgesteld, Judith 5:14.

Hieruit zouden we kunnen opmaken dat de steenrots ヤsin of sinaユ genoemd en de woestijn naar die rots Sina遍 genoemd is, waar de Acacia groeit, de sun van Egypte, de sant of sunt van de Arabieren. Dus zou de boom ook hiernaar genoemd kunnen zijn.

Sin stond ook bekend als godheid (Rosengarten):

 "Babyloni was het middelpunt geworden van een religieuze cultus van gesystematiseerde toverij, gebaseerd op kosmische magie, waarin de godheid Sin vereerd werd, de aloude genezer‑god van de maan, waarvan men geloofde dat hij de groei van geneeskrachtige planten bestuurde. Deze plantendelen werden in het maanlicht geoogst. Dan werden ook de magisch genezende dranken klaargemaakt" . (Zie Amanita, de soma)

Opvallend is ook de tekst in Richteren 9:8-15 waar de bomen een koning over hen willen aanstellen. Tenslotte besluiten ze dat dit een ヤdoornbosユ moet zijn. De doornbos stemt toe en nodigt alle bomen onder zijn schaduw uit. Een nog al vreemde passage waar een olijf en vijg, zeer nuttige planten, in de schaduw van de doren willen staan.

 

Brandend Braambos.

Exodus 3, 2, ヤDaar verscheen hem de Engel des Heer als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Mozes nu dacht; Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. Toen de Heer zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de bramenstruik toe, Mozes, Mozes! En hij antwoordde; Hier ben ik. Daarop zei Hij, Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grondユ.

Er is veel verdeeldheid over deze regels. Er zijn er natuurlijk die geloven dat het om een bovennatuurlijk geval gaat en daarom een echt wonder is.

Andere die denken dat er een natuurlijke verklaring voor moet zijn denken dat de bos die brandde en niet verteerde de gasplant of fraxinella moet zijn, Dictamnus albus. Dit is een sterk groeiende plant van een meter hoog met geveerde bladeren en trossen met purperen bloemen. De hele plant is bedekt met oliepuntjes, een olie die zo vluchtig is dat het verdampt bij de plant en een klein vonkje zal de plant al in vuur zetten. Dat duurt maar even. Andere menen dat de bedoelde plant Acacia seyal is.

De Hebreeuwse naam voor die plant is seneh of s'neh. (Grieks Baros, wat een prikkelige struik betekent) Een naam die maar eenmaal gebruikt wordt en als prikkelende struik vertaald is. Deze prikkelende struik groeit in de wildernis van Sin of Seneh. Het is waarschijnlijk dat die daar algemeen is en zijn naam dankt aan die wildernis of omgekeerd.

De meest logische verklaring schijnt die van Smith te zijn die veronderstelt dat de ヤユvuurvlamユユ de rood bloeiende mistletoe is, Loranthus acacia, die veel op deze bomen, vooral op Acacia farnesiana en Acacia seyal, parasiteren. Als de mistletoe volop in bloei staat geeft de struik het idee van een vlam vanwege zijn helder rode kleur die zeer opvalt tegen het groene blad en de gele bloemen van de gastplant. Het was dan niet de bos dat brandde; de vlam werd vertegenwoordigd door de mistletoe die de struik bedekte. De rode bloem is gloeiend en had alleen het licht van Jehova nodig om die het aanzien van echt vuur te geven. Die heldere kleuren kunnen in de zon oplichten en zouden zo de plant een vlammende aanblik verschaffen, een effect dat verstevigd wordt door de brandende zon en de droge gronden die voor een gunstige achtergrond zorgen.

 

Acorus calamus, L. Het inlandse Latijnse woord Calamus wordt ook in het Grieks gevonden als kalamos dat riet betekent en in Sanskriet kalama dat ook riet betekent en pen zoals ook een soort rijst heet, geeft een sterke aanwijzing dat het woord ouder is dan in alle drie talen en bewaard wordt in hun moedertaal, de Proto-Indo Europeaan. Het Arabische woord qalam dat pen betekent is waarschijnlijk ook ontleend aan een van deze talen of van het Indo/Europees zelf. De herbaristen noemen het Acorus calamus, L. Acorus is een oude naam, mogelijk van het Griekse a: niet of zonder, en kore: de pupil van het oog, als een verwijzing naar zijn medische kwaliteiten. Het kan zijn dat de plant genoemd is naar de appetijt verwekkende wortel, dan van akoras, a: niet, en koras: verzadiging.

Deze algemeen voorkomende plant is in Nederland niet inheems. Volgens Dioscorides, Theophrastus en Plinius groeit άχορον (akoron) Kalamos aromaticus in Indiaユ.

Maerlant, waar hij over specerijen schrijft, ヤCalamus aromaticus, als ons schrijft Isidorus, is een soort schoon riet dat men in het land van Indi zietユ. Zo ook van Ravelingen.

ヤUit deze beschrijvingen blijkt dat het om de echte gaat. De wortel was verwarmend en had plas drijvende eigenschappen en zou ziektes van de borst, longen, lever en milt, als buikpijn, breuk en kramp helen, haar sap de troebele ogen verbeteren en ook als tegengift gebruikt zijn. Bekend was dat het wild in Klein-Azi groeide.

In Midden Europa zou de kalmoes tot het midden 16de eeuw als levende plant onbekend zijn, tot dan toe kende men alleen de gedroogde wortel als farmaceutisch product. Jacob van Maerlant, 1225-1291 noemt in de ヤNature Bloemeユ de echte kalmoes: ヤCalamus aromaticus, zoals ons schrijft Isidorus, is een soort schoon riet dat men in het land van Indi ziet. Goed ruikende en van zoete zaken en een deel taai van smaken. Platearius die zegt het dat het de maag van koude doen te genezen pleegt en het geneest de krampen in de maag en tegen de darmenwindユ. In dezelfde groep van binnenlandse planten zit bij Herbarius in Dyetsche ook de kalmoes, Acorus,Wild riet of calamus aromaticus silvestris of calamus silvestrisユ en vervolgens komt bij de buitenlandse drogen ヤis van welriekend riet wat men  calamus aromaticus noemtユ.  Hij kent dus de gewone kalmoes en die van Theophrastus.

Ook (met afbeelding ut de Gart der Gesundheit) De Gart der Gesundheit beschrijft kalmoes, Acorus.

P. Matthiola beschreef in 1565 voor het eerst een levende plant die hij gekregen had van Ghislain Busbequius, keizerlijk gezant aan het Turkse hof onder Soliman II. Die had ze samen met zijn arts W. Quackelbeen aan de oevers van een meer bij Nicodemi in Bithyi verzameld. Eerst in de uitgave van 1586 is een bloeiende plant afgebeeld. Die zie je in de afbeelding van Matthiola. De N殲nberg arts Joachim Camerarius zegt in zijn in 1588 verschenen ヤHortus medicus et philosophicus, pagina 5, dat de kalmoes enkele jaren geleden in de binnenlandse tuinen gekomen is, ヤin nostros hortos ante aliquot annos translate.ユ Reeds in die tijd was de plant in Polen verwilderd, waar het als Tartaars kruid bekend was, en in de 17de eeuw was de plant al in vele gebieden van midden Europa verwildert. In het begin van de achttiende eeuw was het vrijwel over geheel Europa ingeburgerd. In de Slavische spraken heet het ヤtatarckユ en dergelijk omdat het door de Tartaren ingevoerd zou zijn.ユ Matthiola; Acorum of kalmoes groeit in Pontus, Galati en Colchis, ook bij de Tartaren, vandaar noemt men het in Litouwen Taterste zelij, dat is Tartaars kruidユ. Het zal dat ooit door de Tartaren meegenomen zijn en door de landbewerkers niet herkend zijn omdat het zoveel op de lis (Iris pseudo-acorus) lijkt en niet bloeit, alleen werd het opgemerkt door de apothekers vanwege zijn geurende wortel.

 

Heilige zalfolie.

Het kruid is nu zo algemeen dat er maar weinig mensen zijn die geloven dat het ooit ingevoerd werd. Als we zijn veelvuldige voorkomen en snelle verspreiding vergelijken met het schaarse en kostbare karakter dat aan de kalmoesplant van de Bijbel en de ouden wordt toegeschreven, is dit gegeven tegenstrijdig met elkaar. Immers eenmaal ingevoerd zou het daar toch al snel gemeengoed zijn geworden, of omdat het zo snel groeit kan het toch geen dure specerij zijn. Koning Salomon plantte toch kruiden in zijn hof. (Hooglied 5:1/13 en 6:2) Het Hooglied is waarschijnlijk enkele eeuwen later geschreven dan Jeremia, die een verwijzing geeft van Kalmoes in een ver land. Jesaja vermeldt dat ze nog steeds duur is.

Onze kalmoes is hier in een tijdsbestek van een paar honderd jaar gemeengoed geworden.

 

Wat kan de bijbel ons nog meer vertellen over de oude kalmoes?

De naam kalmoes is in het Hebreeuws keneh, of meer volledig keneh-bosem: wat kruidig of zoet riet betekent. Deze naam komt op een aantal plaatsen in de bijbel voor. In Exodus 30: 23 wordt over de kalmoes gesproken als een ingredi創t voor de heilige zalfolie.

In Salomons Hooglied 4: 14 wordt het bezongen als een kostelijke vrucht. Vermoedelijk was dit ook een van de kostbare specerijen die de Koningin van Sheba aan Salomon gaf (1 Koningen 10: 10) gelet op de tekst in Jeremia 6: 20 "Waarom zou dan voor mij wierook uit Sheba komen en Kalmus uit een ver land ?"

Dat het een dure specerij was blijkt wel uit Jesaja 43: 24:" Gij hebt mij voor zilver geen Kalmus gekocht". Uit deze teksten blijkt wel dat de kalmoes in het land Isra鼠 niet of nauwelijks voorkwam. Ze moest van verre gehaald worden. De hieruit onttrokken ingredi創ten zijn kostbaar en worden slechts bij speciale gelegenheden gebruikt. Tenslotte kan nog gewezen worden op de tekst van Ezechi鼠 27: 19: "Kassie en Kalmus behoorden tot uw koopwaar".

 

Calamus.

We zijn nu nog maar weinig wijzer. Welke plant was nu de "kalmoes" van de ouden?

Mogelijk is de naam kalmoes in gebruik is geweest voor bepaalde geurende plantaardige stoffen met voor vermelde kwaliteiten en de naam een meer algemene naam is geweest.

Van de naam Acorus hebben we vastgesteld dat die voor de lis geldt. Mogelijk is er een overeenkomst in (geurende) wortelstok.

Zo kunnen we ook kijken naar het tweede deel van de naam Acorus calamus, L.

Calamus is afgeleid van het Arabische kalom, een woord voor een rietplant. Deze naam lijken we terug te vinden in wat vroeger de calmusplant heette. Van Beverwijck schrijft hierover: "Calmus te weten de echte (anders wordt in zijn plaats Acorus genomen) is een Indiaans sterk ruikend riet".

Blijkbaar werd de Acorus als vervanger gebruikt voor de "echte". Deze groeide hier te lande en was daarom gemakkelijk en goedkoop te leveren. Beide planten hadden vermoedelijk dezelfde kwaliteiten. Hieruit is af te leiden dat in die tijd de echte calmus vervangen is door de nu bekende kalmoes. (de Acorus) De wortel is wel verstuurd in een mandje gemaakt van Calamus of riet, zie bij Styrax die in riet vervoerd werd en daarom Styrax calamites heette.

Calamus, het plantengeslacht waar de tweede naam naar verwijzen zou, behoort tot de palmachtige. Het zijn meestal snel groeiende en klimmende planten die zeer lang kunnen worden. Het blad lijkt veel op riet. Het lijkt onwaarschijnlijk dat deze zo weelderig en in zo grote overvloed groeiende palmen de leveranciers zijn van de kostbare specerij.

(Dodonaeus) ヤSommige willen voor de Calamus het Schoenanthus  (ook wel Cymbopogon) gebruiken en misschien omdat men tussen de halmen van Schoenanthus de voor vermelde kleine rietjes vindt die Lobel voor de echte Calamus aromaticus houdtユ.

 

Chirata-tikta.

Volgens Roxburgh in zijn Flora Indica is de Calamus aromaticus geen palm, maar een oude naam voor Gentiana cheyrata Roxb. en de kalmoes van de oudheid.

De Gentiana cheyrata is een kruidachtige plant met recht opgaande bladeren die stengelomvattend zijn, lancetvormige en met drie/vijf nerven. De plant wordt ongeveer een meter groot.

Deze beroemde plant zou gevonden zijn op de bergen van Nepal en de Morungs. De Sanskrietnaam is chirata‑tikta en de Bengalese naam chirata. (Johnson: Cheryta is Hindoestaans voor een Gentiaanplant) Roxburgh geeft de volgende beschrijving: "Als ik deze plant verwijs naar het geslacht Gentiana ga ik af op de capsule: anders zou ik die geplaatst hebben bij de Exacum (ook van de Gentiaanfamilie).モ De jichtgentiaan Gentiana chirayata wordt onder de naam Herba et Radix Chirette sive Chiraytae in de handel gebracht.

Roxburgh vermeldt ook dat het bij de Bengalezen als opwekkend middel gebruikt wordt. Zijn koorts stillende krachten zijn in hoge achting bij de inlanders en Europeanen, de plant wordt gebruikt als vervanger van kinine".

 

Door verwisseling van de geslachten heeft het nu de naam Swertia, namelijk Swertia chirata (synoniem Henricea pharmacearcha, Lemaire of Gentiana chirayta, Roxb.)

De stengels zijn zeer bitter en worden onder de naam van stipites chirayta in de handel gebracht. Het komt in werking overeen met de gele gentiaan. Velen zijn van mening dat de Arabische artsen, als zij van Calamus aromaticus spreken, dit gewas bedoelden.

 

Bijbelse kalmoes.

Dan zou een lid van de Gentiaanfamilie de kalmoesplant van de ouden zijn. Dit is een re鼠e mogelijkheid vooral als we eens omzien naar de werking van deze familie. Duizendguldenkruid, van de Gentiaanfamilie, verkreeg zijn naam niet voor niets. Een gentiaan laat zich bovendien slechts met moeite verplanten en is meestal plaats- of streekgebonden. Daarom kon het ook niet naar de tuinen van Salomon gebracht worden. Het kruid moest uit een ver land komen, waardoor de prijs hoog bleef. Het voldoet qua afkomst, eigenschappen en beperkte verspreidingsmogelijkheden aan de gewenste karakteristieken en dient derhalve aangemerkt te worden als de Bijbelse kalmoes.

 

Moldenke, Anderson en Waeker stellen als Bijbelse kalmoes voor; Andropogon aromaticus, nu Cymbopogon nardus. Die groeit in India en is daar een gewoon gras. Moldenke: "Het blad is bij kneuzen zeer geurend en smaakt naar ginger, levert olie bekend als gingerolie. Dit gras wordt gegeten door de koeien". Veel leden van deze familie leveren geurende olies. Dit zou gebruikt kunnen zijn bij de bereiding van de heilige zalfolie. (Exodus) Doch er was al olijfolie aanwezig, olie van een grasachtige was dus niet absoluut noodzakelijk. Bovendien wordt er in andere teksten toch meer over een specerij of vrucht gesproken. Dit is dan ook een gewoon gras, groeit overal in warme streken. Soorten hiervan groeien dan ook in Isra鼠. Invoer van zaden was dan ook geen probleem geweest en had de plant gecultiveerd kunnen worden in Salomons tuin.

 

Allium. Bij de Romeinen heette de knoflook Allium en Linnaeus voerde die naam als geslachtsnaam in. De naam Allium is genomen van het Keltisch all: wat heet of brandend betekent. Of misschien van het Latijnse olere: rieken, naar de penetrante geur.

Verse look bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger, en nog niet zo lang geleden, dacht men dat ziektes door boze geesten en demonen werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte ze met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het aan de lucht zwart en men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals gedragen of tegen de deur gespijkerd.

 

Bijbel.

Er zijn een 67 uiensoorten in Isra鼠.

De ui of sjalot komt mogelijk voor in Numeri 11: 5 ヤWij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en meloenen, het look, de uien en het knoflookユ.

De Hebreeuwse naam voor ui is betsalim, betsel of belsal. De Arabische naam is volgens Dalman basal.

Mogelijk moesten ze in de woestijn ook kracht hebben. Het woord dat gebruikt wordt voor knoflook is sjoom, shoomim of sjoemim. (het kan ook zijn ui en sjalot, hoewel men aanneemt dat de knoflook meer in Egypte gebruikt werd) Men verlangde naar knoflook en ui en de vleespotten van Egypte na het lange eten van manna. Men moet ook niet vergeten dat het genot van  beide uiensoorten oorspronkelijk ook een gezondheidsgebod was. Mozes zou de ui al zo aanbevolen hebben om de inwendige mens te zuiveren.

In Numeri komt naast ui (of sjalot) en knoflook het woord chatzir voor, wat op de 20 andere plaatsen vertaald wordt als gras (1 Koningen 18:15, Job 40: 15, Psalm 37: 2, 90: 15, 103: 15, 104: 14, 129: 6, Jesaja 37: 27, 40: 6-8, 51: 12, soms Job 8: 12 soms kruiden in Spreuken 27: 25 en als hooi in Jesaja 15: 6 en in Jesaja 34: 13 wordt het een hof) het woord betekent literair gras en is ontleend van een wortel die groen betekent. Het zou dus van alles kunnen zijn, sla of andijvie bijvoorbeeld. Maar omdat het in Numeri staat met andere uiens zou men aannemen dat het een soort uien is.

Naar oud Egyptisch gebruik werd de prei dicht opeen gezet en sneed men telkens de jonge bladeren eraf, snijprei, net als bij ons het bieslook. Deze grasgroene en dicht gezaaide prei zou de chatzir kunnen zijn. (Bruijel) Dit vooral omdat ze in de tekst met andere lookachtige samenkomt.

Anderen denken aan Trigonella foenum-graecum. Jonge planten hiervan werden wel gegeten, in november wordt de kreet gehoord ユ groene halbeh te koopユ,  het is een eten voor de arme man.

 

Alo.

Bijbel.

Al in de bijbel wordt Alo vermeld, in die tijd werd het als rookwerk en ook als parfum en als toevoeging bij lijkenbalseming gebruikt, Johannes 19, 39. Het werd door de Egyptenaren gebruikt bij het balsemen. Naar het gebruik van balseming zou dit de Alo kunnen zijn van Johannes 19: 39, ヤen hij bracht een mengsel mede van mirre en alo, ongeveer honderd pondユ. Purgerend, geen aangename geur en smaakt zeer bitter.

 

Numeri 24: 6, ヤals valleien breiden zij zich uit; als tuinen aan een rivier, als alo戴s die de Heer plantteユ.

Psalm 45: 9, ヤ mirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ.

Spreuken 7: 17 ヤIk heb mijn leger besprenkeld met mirre, alo en kaneel.

Hooglied 4: 14 ヤnardus en saffraan, kalmoes en kaneel, mirre en alo戴

De alo戴s van het Oude Testament worden door de meeste autoriteiten als verschillend gezien dan die van het N. T.

In de Bijbel, Numeri 24: 6, komt het woord ahalim of ahaloth voor dat door Bileam met de cederen genoemd werd als een beeld van een uitnemende woonplaats die een heerlijk land in bezitting zou hebben.

Naar de tuinen aan de rivierzijde wordt hier mogelijk een land bedoeld in W. Azi. Mogelijk naar Numeri wordt aangenomen dat de Heer hier wel een zeer bijzondere Alo plantte en mogelijk Aquilaria malaccensis Lam. (uit Malacca) (Aquilaria agallocha) Hetzelfde woord komt voor in de andere teksten en met vreugdeolie wordt hier ook wel op de zoet ruikende Aquilaria gedoeld en niet op de bittere en medisch gebruikte Alo.

Deze boom groeit niet in Syri of Palestina, maar in India en verder. Het woord agallocha komt in oud-Engels voor als aluwe in de tweede helft 14de eeuw, dit van Latijn alo en dat van Grieks alo en dat van Hebreeuws ahaloth wat ook voorkomt in Sanskriet agaru: het hout. Aquilaria stamt van aquila: een adelaar, in Malacca wordt de boom dan ook adelaarshout genoemd. Maar de Portugezen hebben het gewas zo genoemd omdat zijn Indische naam, agil, wel wat op aquila (adelaar) lijkt. Dioscorides noemt het ook Xyloalo en in het Latijn Lignum Xyloalo. Ook wordt de boom wel paradijshout genoemd of scheut van het paradijs omdat dit de enigste boom zou zijn geweest die Adam uit het Paradijs had meegenomen. Volgens een andere legende zou het adelaarshout op aarde gekomen zijn door middel van een van de drie grote stromen die door het Paradijs voerden, de boom ontworteld zou hebben en meegevoerd op zijn tocht naar de aarde.

Moffat noemt een eik en is mogelijk het meest correcte woord omdat deze plaats een bladige en stevige boom suggereert die inlands was en beter bekend dan een onbekende die ze alleen kenden vanwege import. Door andere wordt verondersteld dat het sandaalhout is, Santalum album die uit India komt.

 

Anastatica, roos van Jericho, opstandingsplant.

Een zeer merkwaardig verschijnsel vormen de ヤrolplanten. Die zie je op de steppen, de vlakke en ongebouwde streken. Zodra de wind opsteekt en wervelend over het vlakke land giert en stof en stoppels opjaagt, ziet men grote ronde ballen die al rollend met grote snelheid zich over de velden voortbewegen of hoog de lucht in gejaagd worden. Vooral in de vlakke velden van het Over-Jordaanse ziet men ze bij honderden gaan. Ze hebben soms een doorsnede van 80cm.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: marilaun1

Anastatica hierochuntica, L. Val van Jericho.

Anastatica komt van Grieks anastasis: wederopstanding, het is een verwijzing naar zijn hygroscopische eigenschappen. Ook de Heilige Anastasia heeft haar feestdag op 25 december.

(Dodonaeus)  ヤRoos van Jericho, in het Latijn Rosa Hierichontina of Rosa Hiericontea of Ponum Hiericonticum. Bellonius vermaant hier ook van en zegt dat sommige bedriegers deze wortel of bloem herwaarts overbrengen en in water leggen als het Kerstavond is of als er enige vrouwen in zware arbeid gaan en dan gaat ze open en dan zeggen ze dat dit nooit gebeurt dan op die avond of als enige vrouwen in barensnood zijn, ja dat op het ogenblik dat deze bloem in het water open gaat die vrouw van kind verlost. Nochtans is dit maar bedrog en die roos zal altijd ontluiken en vaneen gaan als ze in water gelegd wordt, welke tijd dat het is. Maar hij verzekert dat ze niet in Jericho groeit en alleen in de wildernis van Arabi en aan de dorre oever van de Rode Zee.

Toen de Isra鼠ieten Jericho belegerden ging Jozua op een vroege morgen naar de top van een berg om in de morgenstilte de hulp van de Heer aan te roepen. Toen hij opstond waaide de wind hem een rommelige bos in het gezicht. Het was een droge plant die door de storm ontworteld was en in de woestijn ronddoolde. Jozua hief de plant omhoog en bad luid: "Heer God! Deze dode plant leg ik in het water. Als ze dan nieuw leven krijgt en zich ontvouwt, dan zal ik erkennen dat U Jericho in onze handen zal geven". En hij legde het kruid in de Jordaan en zie, de bos werd groen en ging zich ontvouwen. Toen maakte hij onder klaroengeschal een nieuwe poging en de muren van Jericho stortten in en de stad was in zijn handen. Het dorre bosje lichtte op in een purperen bloemenpracht en Jozua noemde die wonderbare bloem roos van Jericho. Die naam heeft ze tot aan de huidige dag gehouden.

Het is geen ヤroosユ en groeit niet bij Jericho. Oorspronkelijk werd met de ヤroos van Jerichoユ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jesu Sirach, 39:17, ヤHoort naar mij, gij, heilige kinderen ! en groeit op als de rozen aan de beekjes geplant. Boek der wijsheid 2:8, メLaat ons kransen van jonge rozen dragen, eer zij verwelkenユ. Deze ヤrozenユ bloeien in de lente, Jesu Sirach 50: 8, en zijn struiken die in Jericho gekweekt worden, Jeus Sirach: "24:14 Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadel­boom te Engadi en gelijk een rozenboom te Jericho. Waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Die bloemen lijken wat op een roos.

(c) Terwijl Maria naar Egypte vluchtte, spreidde zij de luiers van Jezus op de grond waar Jericho rozen groeiden. Toen ze die oppakte raakte haar handpalm de bloemen en Jezus sprak, ヤDe bloem die door Maria aangeraakt is, zal niet sterven en zal onsterfelijk zijnユ Deze kleine plant was opgedragen aan Maria, patrones van getrouwde vrouwen en ter hare eren rosa Mariae genoemd, Mariaroos en in Egypte naar de Arabische naam Kaf Maryam, Mamiran, Kaff Mariyem of Kaf Marzan: Maria's hand, omdat men geloofde dat de bloem openging op het moment dat onze redder werd geboren.

De roos van Jericho wordt van Mekka meegebracht als een bloem van Evaユs graf. De Arabieren noemen het garbba phula, het eerste woord betekent een baarmoeder, omdat het zou helpen bij de bevalling.

Psalm 83: 14, ヤMijn God, maak hen toch als een werveldistel, als kaf voor den windユ .

Jesaja 17: 13 ヤdan vluchten zij ver weg en worden opgejaagd als kaf op de bergen voor de wind uit en als een werveldistel voor de storm uitユ.ユ

In Psalm 83:14 en Jesaja 17:13, komt de werveldistel voor. In het Hebreeuws staat daar gulgal wat in de Moffat versie vertaald is als stof of een rollend ding, het zou een verwijzing kunnen zijn naar een plant en een bijzondere.

Asaf roept Gods hulp in tegen zijn overmoedig opdringende vijanden en vraagt. "Mijn God, maak hen als gulgal, (galgal) als kaf voor de windユ. Het woord galgal, gulgal komt van het werkwoord g.l.l. dat rollen of wentelen betekent, op andere plaatsen is het dan ook een rad als bij Jesaja 5:28 en Ezechi鼠 10: 2, 13, als hemel in sommige versies in Psalm 73: 18. Het beeld dat de dichter voor ogen heeft gestaan is wel een rolplant en dat hij zijn vijanden voor hem uit gedreven wilde hebben door Gods kracht zoals de herfstwind het kaf en de stoppels met daartussen de rollende plantenballen voortjaagt, zonder dat die veel weerstand kunnen bieden.

Jesaja gebruikt hetzelfde beeld. De Assyrische wereldmacht wordt door God bedreigd en opgejaagd ヤals kaf op de bergen (van de hooggelegen dorsvloeren) en als galgal voor de wind. Een zeer treffende voortzetting van het beeld dat de goddeloze onmachtig zijn om zich tegen God verzetten, evenmin als kaf tegen de wind, een beeld dat we telkens tegen komen, Psalm 1: 4, 35: 5 en Job 21: 8 Het is merkwaardig dat we deze gedachtegang nog vinden bij de Arabische bevolking van Gilead en Basan. Als zij zoユn rollende bal zien gaan, vragen ze vaak schertsend: メAkkoeb, waar ga je vandaag naar toeユ, om hem dan te laten antwoorden, ヤWaarheen de wind wilユ waaruit de onmacht blijkt. Diegene die ze niet veel goeds toewenden, voegen ze er bij, ヤDat ge als de akkoeb door de wind gepakt moge worden, tot ge aan de doornen blijft hangen of in een afgrond begraven wordtユ.

 

Christelijke folklore.

Wonderbare nevelen spreidden zich als een zilveren waas van geheimzinnigheid om de stengel en knop. De berichten over dit kruid klimmen op tot het begin van de 17de  eeuw. De hygroskopiciteit, het sluiten en vrij plotseling heropen van de bladeren bij bevochtiging, haar vluchtig herleven werd steeds weer als iets wonderbaarlijks beschouwd. Zo kreeg ze een ereplaats tussen de toverplanten en speelde ze een voorname rol in de waarzeggerij en vooral in de droomverklaring. Er worden profetisch vermogens aan de plant toegeschreven. Men noemt ze ヤVoetstappen van de Jonkvrouwユ, omdat ze daar groeien waar Maria op haar vlucht naar Egypte de bodem heeft aangeraakt. Het eerst wordt van deze legende verhaald door Ludolph van Suchem, +1350.

Toen, na het bevel van Herodes om de kinderen te vermoorden, Jozef uit het Heilige Land trok stak hij de vlakte bij Jericho over en rozen ontsprongen uit Maria's voetstappen als begroeting van het kind in haar armen. Tijdens Zijn leven spreidde deze plant zijn bloemen en toen Hij stierf aan het kruis, stierf de bloem ook. Maar bij Zijn opstanding, met Pasen, opende ze zich weer en groeide en bloeide op de vlakte.

Als het in (wij) water gezet wordt, op het moment dat een vrouw haar eerste geboortewee創 krijgt, bloeit ze op het moment dat het kind geboren wordt. Als een zwangere vrouw weten wil of de bevalling goed of slecht verloopt plant ze een Jerichoroos in het water, de bevalling gaat goed als de roos zijn takjes opent, wat bijna altijd het geval zal zijn, zo niet zal het een slecht kraambed worden.

Volgens de transmigratieleer bezit dit voorwerp een openende kracht zodat bij moeilijke verlossingen een stukje daarvan geweekt wordt in water, dat aan barende te drinken wordt gegeven.

Men verhaalde dat de plant in de Kerstnacht ontplooide als een zinnebeeld van de opstanding. Door zijn kracht om weer te bloeien, na eerst dood te lijken, wordt het opstandingsbloem genoemd. Die eigenschap werd in de middeleeuwen als iets wonderbaarlijks gezien, de kruisridders en pelgrims brachten zulke rozen mee als een heilig relikwie. In vroeger eeuwen was dit een talisman en zo'n roos die meegebracht was door een kruisvaarder vrijwaarde de bezitter tegen besmettelijke ziektes, het werd in die dagen tegen goud opgewogen.

(349) De Roos van Jericho zou, naar het bijgeloof, eenmaal in het jaar en wel met kerstmis bloeien. Het is een gewoonte in menig gezin van Duitsland en vroeger nog in Limburg om een Jericho takje in water te zetten. Richten alle takjes zich op dan mag men een goed jaar verwachten, blijft die daarentegen gesloten dan ziet het er niet best uit. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid Zwitserse Val di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooiing van de bloemen wacht worden er kerstliederen gezongen of brengt men de tijd met gebed en overweging door.

Op de vraag waarom deze plant op 25 december in het water gezet wordt, kijken we naar het oude kerstliedje, "Er is een roos ontsprongen- uit een wortel zacht etc.ユユ. Ook de christelijke verbeelding, waar de gehele natuur aan deelneemt, speelt een rol bij de geboorte, "D'Erd grunet und bringet rossle". In de kerstnacht is de natuur, bij het volksgeloof, op haar hoogtepunt, varens bloeien, de vlierboom bot uit, het vee kan spreken en dan bloeit ook de kerstroos.

Men verhaalt in Zwaben dat op St. Jozef dag de Jerichoroos ieder jaar bloeit. Dat ze het doosje, waarin ze bewaard wordt, open drukt als men vergeet het open te doen.

 

Anethum graveolens L. Dille. De naam is afgeleid van het Griekse aemi: ik blaas uit, of adem uit en dit vanwege de sterke geur van de plant. Dat komt eveneens tot uitdrukking in de Latijnse naam van de plant, graveolens, van gravis: zwaar, en olere: rieken. Het Griekse woord anethum kan ook afgeleid zijn van ano: opgaand, en theo: rennen, een verwijzing naar zijn snelle groei.

 

Bijbel.

In Semitische talen is dille bekend als shubit. De Talmoed zegt dat er tienden betaald moeten worden van zaden, bladeren en stengels van dille. Matthe殱 23:23 ヤWee u, Schriftgeleerden en Farizee創, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd, het oordeel en de barmhartigheid en de trouwユ. Daar komt in sommige vertalingen anijs voor. Mogelijk is dit een verkeerde vertaling vanuit het Grieks. De oude naam voor dille, Anethum graveolens, was Anethon anise. Anijs was dan ook zeldzaam in de Bijbelse dagen van Palestina.

 

Artemisia.

Artemisia genoemd naar de gemalin van koning Mausoleus, 377‑353 v. Chr. te Halicarnassus in Klein Azi, die na zijn dood een grafmonument liet oprichten, het mausoleum. Dit grafteken was een van de 7 wereldwonderen. Alsem.

 

Bijbel.

Onder de naam la anah, laユana, kan een zeer bittere plant verstaan worden, mogelijk de alsem. Bittere kruiden als alsem (ook Conium maculatum, de gal) is het symbool van bittere ellende en zorgen.

Deuteronium 29: 18 ヤlaat er onder u geen wortel zijn, die gif of alsem voortbrengtユ.

Job 30: 4 ヤzij plukken de melde bij het struikgewas afユ.

Spreuken 5: 4 ヤmaar op het laatst is zij bitter als alsemユ.

Jeremia 9: 15, 23: 15.  "Zie, ik zal dit volk met alsem spijzen en met gal drenken, Ik drenk hen met gifsap", 23: 15 ヤZie, ik spijzig hen met alsem, Ik drenk hen met gif", Klaagliederen 3: 15 ヤHij heeft mij met bittere kruiden verzadigd en mij met alsem gedrenktユ 19. "Gedenk toch dat ik zo ellendig en verlaten ben, met alsem en gal gedrenkt"

Hosea 10: 4 ヤEn het gericht schiet op als een gifplant in de voren van den akkerユ.

Amos 5: 7 ヤO, zij die het recht in alsem verkerenユ 6:12 ヤ dat gij het recht in venijn verkeert en de vrucht der gerechtigheid in alsemユ.

Openbaringen 8 : 10-11 of Apocalyps メAls de derde engel de trompet blies, viel er van de hemel een grote ster, brandende als een fakkel en zij viel op het derde deel der rivieren en op de fonteinen. De naam van die ster was alsem, en het derde deel der wateren werd als alsem en vele mensen stierven van de wateren omdat zij bitter geworden was.モ .

Oosterlingen typeren zorgen, kwaadaardigheden en bitterheid van elke soort met planten van giftige of bittere naturen. Deze ellende typeert Shakespeare ook als Hamlet zegt: "Wormwood, wormwood", in Hamlet III, 2,191.

Mogelijk dat in de Bijbel Artemisia herba‑alba, Asso (wit kruid) of Artemisia judaica, L. (Joods) bedoeld is. Moldenke veronderstelt dat met bittere planten de Citrullus colycinthus bedoeld is. Toch mag men aannemen dat Amos, zelf cultivator van moerbeivijgen en dus vertrouwd met het boerenbedrijf, bewust verschil maakte tussen de kolokwint en alsem (Amos 1:7) en mogelijk het Hebreeuwse woord ook zo in andere passages is bedoeld.

 

Arundo, reuzenriet.

Arundo stamt mogelijk van Latijn wat riet betekent, of van arende, verdrogen, naar de korte bloei. Al in Homerisch tijd gebruikten de Phoenici喪s veel materialen hieruit. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, maakten de Grieken er kana van en de Romeinen canna of cana.

 

Bijbel.

2 Koningen 18: 21 ヤ Nu dan, zie, gij vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte, die, als iemand daarop steunt, hem in de hand dringtユ.

Job 8: 11, ヤSchiet de bies op, waar geen moeras is?ユ 40: 16 ヤin de schuilplaats van riet en moerasユ.

Jesaja 19: 6, de Nijlarmen van Egypte leeg lopen en droog worden, riet en biezen verwelken,ユ 35: 7, waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen bedekt zijnユ, 42: 3 ヤHet geknakte riet zal hij niet verbrekenユ.

Jeremia 51: 32 ヤen dat zij de burchten (reeds) met vuur verbrand hebbenユ

Ezechi鼠 29: 6-7, ヤwant zij zijn voor het huis Isra鼠 een rietstaf, grijpt dit u met de hand vast, dan knakt gij en rijt hun allen de schouder open, leunen zij op u, dan breekt gij en brengt hun aller heup aan het wankelenユ, 40: 3 ヤdaar bevond zich een man die eruit zag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn handユ.

Matthe殱 11: 7 ヤWat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?ユ

Er wordt gedacht dat de meeste riet van de Bijbel vertegenwoordigd worden door de Hebreeuwse woorden agmon, agam en agamim en naar deze plant verwijzen. (soms Scirpus of Cyperus)

Er werden wandelstokken, hengels, meetstokken en muziekinstrumenten van gemaakt. Het is daarom mogelijk dat de meetstok van Mattheus 27: 48 en Marcus 15: 36 een rietstok was of meetstok en geen stengel van Sorghum.

Naar 2 Koningen doorsteekt een gebroken riet de hand als hij erop leunt, dat is heel goed mogelijk, ze werden wel als speren gebruikt. Plinius in Lib. XVI.32 "Dat velen riet in plaats van spiesen gebruikt hebben". Virgilius in IV.B der Eneade, "dodelijke riet blijft steken in de zijde".

 

Opvallend is de vertaling van het woord kaneh als halm of riet: "De naam kaneh, (Genesis 41:5/22 en andere plaatsen) vertaald als halm of riet, komt dikwijls in het O.T. voor als een algemene benaming voor een stengel, hetzij de stengel van een tarweplant, de arm van een kandelaar, (Exodus 25:31), een meetroede, of zelfs heel opvallend de humerus (armbeen) in Job 31:32.

Riet werd gebruikt om er fluiten van te maken. Ook de Highland bagpipes zijn ervan gemaakt, de pan pijp bestaat uit 10 stengels.

Een opvallende overeenkomst, riet voor fluiten en beenderen voor fluiten. Mogelijk dat de naam van een muziekinstrument die van een riet gemaakt is hier bedoeld wordt of dat men van de beenderen ook een soort fluit maakte. Fluiten komen reeds in het neolithisch tijdperk voor. De vorm is die van een gesneden riet, stuk boombast of hout of uitgehold been, waarop men  via verstelbare proppen verschillende tonen kon voortbrengen.

 

Sanskriet kalamos of kalama is een rietpen en een rijstsoort. In Semitisch en Assyrisch heet de schrijfstift kanu, in Grieks kana en in Latijn canna (nog is de naam van een schrijfstift bij vele volkeren in de oost bekend als kal盈.

Van riet werden pennen gemaakt om op perkament te schrijven. (3 Makkabee創 4:20) メMijn tong is als de pen van een snelle schrijverモ, Psalm 44, ook in 3 Johannes 13.

Pennen werden gemaakt door het harde einde van de stengel te slijpen. Linnaeus noemde een vorm dan ook Arundo scriptorius, van dit materiaal rept dan ook Persius en Martialis.

Pennen om te schrijven op perkament of huiden waren gewoonlijk van Phragmites of van deze plant. De oudste bekende schrift van schrijven van een Semitisch ras zijn waarschijnlijk de stenen van Ninev en Babylon. De oudste vermelding van schrijven in de bijbel is waarschijnlijk Numeri 17: 3 (rond 1471 v. Chr.) waar we zien dat het schrijven gedaan werd met hout. In 2 Esdras 14: 24 worden schrijftabletten van bukshout genoemd. In Job 19: 24 wordt een methode van schrijven van woorden in rots genoemd die dan gevuld wordt met gesmolten lood. In 2 Johannes 12 en 3 Makkabee創 4: 20 wordt papier of papyrus vermeld. Voor gewoon gebruik worden houten tabletten bedekt met was, Lucas 1: 63. Om hierop te schrijven was een gepunte stift ontwikkeld die vaak van ijzer was. Voor hardere materialen was een graveerstift ontwikkeld. Alleen voor het schrijven op perkament en huiden waren rietpennen nuttig. De inkt was lampzwart die opgelost was in galsap. Het werd in een koker gedragen aan de gordel, Ezechi鼠 9: 2-3. De ambachtelijke schrijvers vinden we in Psalm 45: 1, Ezra 7: 6 en 2 Esdras 14: 24.

Herodotus vermeldt dat de Ioni喪s de kunst van schrijven leerden van de Phoenici喪s en dat hun boeken huiden genoemd werden omdat ze schapen en geitenhuiden gebruikten als er tekort aan papyrus was. In Josephus dagen werd perkament gebruikt voor het manuscript van de Pentateuch. De perkamenten van 2 Timothe殱 4: 13 waren perkamenten huiden. De Talmoed zegt dat de Wet alleen op huiden van zuivere dieren of vogels geschreven mag worden. Deze huiden werden opgerold op een of twee staven en met een draad bevestigd, de einden werden verzegeld, Psalm 40: 7-8, Jesaja 29: 11, 34: 4, Jeremia 36: 14, Ezechi鼠 2: 9-10, Daniel 12: 4, Zacharias 5: 11, Openbaringen 5: 1. De rollen werden meestal aan een kant beschreven, zelden aan twee kanten, Ezechi鼠 2: 9-10, Openbaringen 5: 11..

In Openbaringen 21:15 leest men van een gouden riet. Volgens Tackholm is deze echter, gezien zijn afkomst, niet dit riet maar wordt op Phragmites gedoeld die daar al in de Neolithische tijden voorkwam.

 

Christelijk.

Het riet dat zich bij het geringste briesje zo sierlijk beweegt is het zinnebeeld van de menselijke zwakheid.Ja, God zal ook Isra鼠 slaan en beroeren gelijk een riet in het waterユ, 3 Richteren 14: 15 zie ook Mattheus 11: 7 en 12: 20, ook 28: 28, 29 waar ze hem een riet in de hand gaven. Zo kroon, zo scepter: een doornenkroon als zinnebeeld van de zonden, een riet als zinnebeeld van de menselijke zwakheid, een zinnebeeld van het heen en weer slingeren der mensen, tussen geloof en ongeloof, tussen ijdelheid en ernst, tussen het ware vertrouwen en het valse zelfvertrouwen evenals het riet bij het minste windje.

De rietstok die hol is van binnen en niet tot steun kan strekken, is ook een symbool van het geloof zonder de werken, maar in de hand van de Verlosser wordt het een symbool van kracht. Het zwakke riet trotseerde de krachtige eik die door de stormen werd losgerukt en verbrijzeld. In La Fontaine's beroemde fabel (Le ch刃e et le roseau) vertelt het riet tegen de trotse eik: "Ik buig, maar breek niet" ("Je plie, et ne romps pas"), voordat de boom valt. (Waarschijnlijk komt dit riet van Arundo donax)

Er worden enkele overblijfsels van dit riet dat ze Hem in de hand gaven bewaard. In Florence is de helft van een rietknoest die 27mm diameter heeft en 15-18mm lang is. De helft van een rietstok wordt bewaard in het klooster van Andechs, in Beieren en is 110mm lang. In het klooster Watoped, op de berg Athos, bewaart men twee rietstokken, de ene is 180mm lang, de ander is gevat in een kruis van gewoon hout.

 

Bijbel.

Er zijn 6 Hebreeuwse woorden voor riet of rietachtige gewassen en ze zijn op verschillende wijze vertaald.

Jesaja 9: 13, 19: 15, anmoon, vertaald als biezen. Die komen tweemaal voor in een spreekwoord: ヤkop en staart, tak en biezenユ, dat wil zeggen het bovenste en benedenste gedeelte, zo bij Jesaja in de woorden ヤzijn hoofd krommen als een biesユ. Hieruit blijkt dat ze een lange stengel hadden en van boven met een pluim. Waarschijnlijk is dit het gewone rietgras van Egypte en Palestina. Een lange slanke plant die door de wind neergebogen werd en weer oprees. (Mattheus 11: 7)

Keneh, keneh hattov of kaneh hattov of kaneh. (Jozua 16:8, 19:28, Jesaja 43: 24 en andere) De naam kanah staat voor een beek en de overeenkomst keneh dat deze zeer overvloedig was. Deze naam wordt meestal vertaald voor riet.

Volgens reisbeschrijvingen is Kana穫 de zoon van Cham, maar het woord wordt ook vertaald als koopman, mogelijk een Phoenische. Deze Hebreeuwse naam komt vooral voor in de boeken van Mozes en Jozua en wordt door de 70 overzetters voor Phoenici vertaald. Volgens Strabo heette elke Fenicische stad eerst Kana穫. Deze Phoenici喪s vestigden zich aan de kust, dus op gronden met rietgrassen die duiden op zoet water.

Smith bij Moldenke vermeldt dan ook dat het een algemene naam zou kunnen zijn voor riet en rietachtige en mogelijk suiker. Suiker moest dan bij hen bekend zijn via de suikersorghums. In de oudheid werd zoetheid vaak van honig gehaald. Als keneh suikerriet zou zijn en veel voorkomend, dan zou het gebruik van suiker/honing dan ook veel meer moeten voorkomen of in verband gebracht kunnen worden.

 

Saccharum officinarum, L. (geneeskrachtig) suikerriet. De naam saccharum, door Linnaeus gegeven, kan teruggevoerd worden op het Sanskriet karkara, sarkura: hagel, grind, tot kristallen verstarrende vloeistof. In de Praktik taal, dat aan het Sanskriet vooraf ging, werd het woord sakkara geschreven. De Arabieren introduceerden het uit India via Perzisch schakar en werd het sakkar of sukkar, dat met zijn lidwoord nog in het Spaans en Portugees als azucar is blijven bestaan. De Grieken namen het zo aan vanuit Klein-Azi en in oud-Grieks werd het sakchar of sakcharon. De Romeinen namen het aan van de Griekse schrijvers en het werd saccharum. Vanuit Sicili dringt het Italiaanse zucchero noordwaarts en gaf het midden Latijns zuccarum of zuccara. Over de Alpen kwam het woord en de waar in 12de eeuw naar Duitsland en verschijnt als Cuccer, Zuccer of Zuker tot Zucker. Over het Franse cucre of sucre ontstaat het Nederlandse suker, zuiker en suker, het midden-Engels sucre en tegenwoordige sugar.

 

Aspalathus,

Aspalathus, van Grieks a: niet, en spao: winnen, het is een verwijzing naar de moeilijkheid om de dorens uit de wond te verwijderen.

 

Bijbel.

Jesu Sirach 24:15 "Ik geef een geur als kaneel en aspalathus".

Er is veel onzekerheid over de Aspalathus in deze tekst. Het is de enigste plaats waar het woord verschijnt en lijkt een Griekse naam te zijn van een zoet geurende plant.

Theophrastus noemde een Aspalathus, samen met Cinnamomum en cassia als een plant van Indiase afkomst. Hiernaar is het mogelijk Myrica nagi Thunb. (Myrica sapida, Wall), een struik uit Nepal.  Net als andere soorten van Myrica kunnen er kaarsen en zeep van gemaakt worden en is een geurende plant. Dioscorides zegt dat Aspalathus in zijn tijd gebruikt werd om zalven de verdikken.

Moderne botanisten houden het op Convolvulus floridus of Convolvulus scoparius uit de Canarische eilanden. Dat lijkt in de oude Bijbelse tijden toch niet waarschijnlijk, toen waren die eilanden nog niet ontdekt. Mogelijk zijn het verwante soorten geweest uit Z. Europa die dezelfde kwaliteiten hadden. Plinius schrijft over een Aspalathus dat in Spanje groeide en op het eiland Cyprus als een witte, doornige struik met de hoogte van een gemiddelde boom en gebruikt werd als een ingredi創t van parfum en zalven.  Anderen dat het van de kameeldoorn, Alhagi camelorum var. turcorum Boiss.(kameel, wordt door hen gegeten en Turks)  afkomstig is. Het is een veel vertakte struik die dicht bezet is met okselstandige, scherpe dorens. De bladeren zijn ovaal. Zie bij manna.

Ook was er een Aspalathus indica, die heet nu Indigofera aspalathoides.  Ook Calicotome villosa, Genista acanthoclada, Capparis spinosa.

Het geslacht Aspalathus komt voor in Z. Afrika en levert rooibos. De Aspalathus van de oudheid is het dan zeker niet.

 

Astragalus.

Astragalus stamt van het Griekse astragalos, naar het enkelbeen of sprongbeen van het menselijk lichaam, een bot dat het been verbindt met de voet in de menselijke anatomie,  talus of astragalus, de bikkels of bikkelen.

 

Bijbel.

Genesis 37: 25, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengenユ, 43: 11, ヤneemt van het fijnste van het land in uw zakken en breng die man een geschenk, een weinig balsem en een weinig honig, gom en harsユ.

2 Koningen 20: 13 ヤEn Hizkia hoorde naar hen en hij liet hun zijn gehele schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olieユ.

Hooglied 5: 1 ヤhoeveel heerlijker uw liefde dan de wijn, en de geur van uw oli創 dan alle specerijenユ, 13, ヤmirre en alo, met al de kostbaarste specerijenユ 6: 2, ヤMijn geliefde is afgedaald naar zijn hof, naar de balsembeddenユ,  8: 2 ヤvan geurige wijn zou ik u te drinken gevenユ, 14 ヤ Haast u, mijn geliefde, en doe als de gazel, of als een hertenjong op bergen vol balsemkruidユ.

Jesaja 39: 2 ヤEn Hizkia verheugde zich over hun komst en hij liet hun zijn schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en hun kostbare olie.

 

De Hebreeuwse woorden  nacoth, necoth, nユchot  of nkad worden vertaald als specerijen schathuis, gom en balsembedden. Het zou verwijzen naar deze plant als een product van een bijzonder soort inlandse plant. Het Hebreeuwse woord is zo gelijk aan het Arabische woord voor de Astragalus, nec'at, zodat het mogelijk dezelfde specerij is.

In Grieks betekent het ヤdat wat verbrand wordt als wierookユ.

Behalve in Hooglied 5: 1 waar het woord roshay besamim staat wat betekent hoofd van specerijen, (zie Commiphora opobalsamum) in Hooglied 8: 14 harehkach wat specerijachtig betekent en in 2 Koningen 20: 13, bosem of basam wat specerijen of kostbare dingen betekent. Er is veel twijfel over de hier bedoelde planten. Hooglied 8:14 "op bergen vol balsemkruid", komt overeen met de groeiplaats van Astragalus gummifer die inlands is in droge subalpine regionen. (Moldenke) In Hooglied 5 en 14 lijkt de term op samengestelde specerijen te duiden, allen die toen dus bekend waren, hoewel er in de andere passages het woord necoth voor de gom tragacant gebruikt wordt, kan je aannemen dat het in andere plaatsen ook zo bedoeld wordt. Sommigen denken dat de specerij uit Genesis de balsemachtige gom is die door Styrax geleverd wordt wat niet waarschijnlijk lijkt.

In het Hooglied 5:13, 6:2 wordt gesproken over specerijbedden, dus geen boomachtige kruiden, mogelijk de tragacanth.

 

Atriplex, melde.

Atriplex is afgeleid van Grieks atraphaxis: spinazie. Of van ater: zwart, en plexus: samen vlechten, naar de donkere kleur en vorm van sommige soorten. De jonge meldebladeren hebben een driekantige vorm, daarop kan ook het woord Atriplex slaan. Dat woord is dan samengesteld uit a: zeer, en triplex: drievoudig. Of van a: niet, en trephein: voeding, een nutteloos onkruid.

 

Bijbel.

Job 30: 4 ヤzij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedselユ.

Het Hebreeuwse woord dat voorkomt in Job 30:4, malluach of malloeach, zou op een zout smakende plant duiden of naar een plaats waar die groeit aan de oevers van de Dode Zee. Mogelijk wordt hier op Atriplex halimus, L. gedoeld. In tijden van nood werden de zuur/zout smakende bladeren wel door de armen en uitgestotenen gegeten. De Talmoed vermeldt dat de Joden werkende aan de reconstructie van de tempel, deze plant als voedsel gebruikten. Anderen hebben er de maluweplant, Malva, van gemaakt.

 

Retama raetam, Webb. & Berth. (plaats van bremplanten, Numeri 33: 18, Rithma) Retama is zo genoemd naar zijn Arabische naam retem. In het Hebreeuws is het rothem: soort brem.

Virgilius schreef al over deze plant: "Zelfs de nederige brem heeft zijn nut, zijn schaduw voor slaap in de woestijn en voer voor vee". De schaduwstruik waaronder Elia wilde sterven, de rothem in 1 Koningen 19: 4-5 ヤZelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zei: Het is genoeg! Neem nu, Heer, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruikユ.

Het was een van de haltes van de Isra鼠ieten in de woestijn, de plaats van de bremplanten, Numeri 33: 18; en legerden zich te Rithmaユ.

(Luther zette in 1 Koningen 19: 4,5 een op de Horeb groeiende bremsoort over met jeneverbes, omdat je onder de jeneverbes zo gemakkelijk in slaap valt. Elias zette zich en sliep onder een jeneverbes)

 

De plant maakt de beste houtskool dat er is, dat met een intensieve hitte brandt. De Arabieren zeggen dat het vuur voor een heel jaar houdt. Daarom worden de smidsvuren voor het harden van staal reeds vanouds met Retama kolen gestookt.

Gloeiende kolen r'tamin, rotem, rothem en rユtamim en ritmah of ritmah, Psalm 120: 4, Jesaja 54: 16. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en die op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat die de meeste geschikt straf is voor bedrieglijke tongen, Psalm 120: 4 ヤユ benevens gloeiende kolen van de bremユ.

 

Wortel van de brem.

De wortel van de brem is hard, houtig en smaakt misselijk, mogelijk giftig. Niet geschikt om als voedsel te dienen.

In Job 30: 4 ヤzij plukken de melde bij het struikgewas af, en de wortel van de brem dient hun tot voedselユ wordt mogelijk gedoeld op een parasiet van deze brem, Cymorium coccineum L. Deze parasiet wortelt meestal in zoute gronden of zeestranden waar de Retama ook groeit, ook op Spartium monospermum.. In oude tijden werd die gegeten met voedselschaarste. Dit werd hoog geprezen als een middel tegen dysenterie en de waarde ervan was zo hoog dat er militaire bewaking was op de plaatsen waar het gewas voorkwam. In het Hebreeuws komt de naam r'tamin sho'resh voor: wat literair betekent, de wortels van de brem, wat mogelijk op deze parasiet slaat.

 

Brassica.

Brassica nigra L. (zwart), mosterd. Om uit de zaden mosterd te maken had men een smeu蛭e, zurige pap nodig, de moust de vin, ongefermenteerd druivensap.

De naam Brassica is van grote oudheid. Dit lijkt op een Keltische leenwoord, zodat het Keltische bresic ouder is dan brassica. Het Latijnse brassica betekent knisteren omdat zijn bladen bij afbreken knisperen. De naam werd gebruikt door Plinius. Grieks brassoo betekent koken.

 

Bijbel:

Matthe殱 13: 31-32 ヤNog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zei: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelenユ. Matthe殱 17: 20 ユWant voorwaar Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zal gij tot deze berg zeggen: Verplaats u van hier daarheen en hij zal zich verplaatsenユ.

Marcus 4: 31-32 ユHet is als een mosterdzaadje, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden op de aarde, en toch, als het gezaaid is, opkomt en groter wordt dan alle tuingewassen en grote takken maakt, zodat in zijn schaduw de vogelen des hemels kunnen nestelen.

Lucas 13: 19 ヤ, 17: 6 ヤWaaraan is het koninkrijk Gods gelijk en waarmede zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan een mosterdzaadje dat iemand nam en in zijn tuin zaaide, en het groeide en werd een boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takkenユ.

Ook hier is weer veel discussie over wat de mosterdplant van Jezus parabel werkelijk was. Het Griekse woord in de originele tekst is sinapi. Dat zou de gewone zwarte mosterd zijn. Sinapi was al in de oudheid de naam voor mosterd. Plinius noemt 3 soorten en men neemt aan dat de in M. Zeegebied inheemse daarbij was.

Het zou de mosterdboom uit de Bijbel kunnen zijn. Uit de tekst kan men opmaken dat het een plant is van grote hoogte. De mosterdplant kan in warme gebieden zo hoog worden dat een paard er niet in terug te vinden is, 5m en meer, met hoofdstengels als een mannenarm. Als kleinste van de zaden, (Lucas) het werd gezaaid en er kunnen vogels des hemels onder legeren. Het zaad van de zwarte is kleiner dan de witte en zou zo in aanmerking komen.

Plinius rekent mosterd ook onder de moeskruiden.

De Griekse tekst beantwoordt aan het Latijnse Olus (groente) wat op kruiden duidt. Dit is een woord dat nog tweemaal in het N.T. voorkomt en wel Lukas 11:42 en Rom. 14:2.  Koning: "Olus komt van alere wat voeden betekent. De ouden schreven en spraken het woord uit door Holus, wat men vanouds plag te eten. Anderen willen olus af leiden van Olendo of Olescendo, waarvan adolescere, omdat ze groeien uit de aarde en opwaarts schieten".

Als alternatief komt de mosterdboom, =Salvadore persica, L.(uit Perzi)  in aanmerking, die echter een steenvrucht heeft en meestal niet gezaaid wordt.

Het is een struik of kleine, zacht houtige boom van 100 tot 300cm hoog met ovaal/lijnvormige bladeren. Het draagt wat vlezige bessen in trossen die wat op gewone bessen lijken maar met een pruimenkleur. Het heeft een aangename, maar sterke aromatische smaak die wat op mosterd lijkt en met grote hoeveelheden ingenomen geeft het dezelfde irritatie aan de ogen en neus

Dit gewas draagt wel dezelfde naam als de mosterdplant in het Hebreeuws, namelijk chardal. Chardal (Dalman) of khardal (Moldenke) en chara betekent hitte, brand of steking en Dal droging of uitdroging. (Koning)

 

Boswellia, wierook.

Boswellia is zo genoemd naar Dr. Boswell van Edinburgh.

De Griekse naam frank‑incense: betekent vrij brandend, free‑lighting. Het woord frank komt wel van de Franse kruisvaarders die het meebrachten naar Europa.

Het melkachtige sap wordt olibanum genoemd, vergelijk het Hebreeuws levonah of lebonah: melk, luban betekent melk van Arabieren en zo ook libanotis en labanum, de Libanon, oli of Lebanon omdat de Libanon de plaats was waar het verkocht werd een aan de Europeanen. Arabisch lubban. Vergelijk Exodus 30:34, waar het duidelijk levonah genoemd wordt; wit of Libanees in Hebreeuws. De witte melk was mogelijk een mix van gom Pinus halepensis, Sabina phoenicia, Juniperus oxcycedrus en andere bomen die inlands zijn in de Libanon en vandaar stamt mogelijk de oorsprong van de naam en handelsplaats.

 

Bijbel.

Historisch komt het gebruik van wierook bij de Christenen uit de cultuur van de Isra鼠ieten in wiens tempel wierook verbrand werd. Oorspronkelijk komt het uit de Kanaanitische cultuur werd wierook geleidelijk aan als 穽ernieuwingユ gebruikt, later in de tempel godsdienst. In de tweede tempel, rond 540 v. Chr., bevond zich bij een voorhang van het Allerheiligste een reukofferaltaar waar s morgens en met de avond een reukoffer gebrand werd.

Het wordt 22 maal vermeld in de bijbel en 16 maal in verband met godsdienst, 2 maal als eer, eens als handelsartikel en 3 maal als een product van de koninklijke tuin van Salomon. Het werd waarschijnlijk exclusief voor de tempeldienst gebruikt in Salomons tijd.

Dat zou de wierook zijn van Genesis. Op de meeste plaatsen komt het woord miktar, kitter of koter en kitteroth of ketoret in de bijbel voor. De geschriften van Theophrastus en andere oude schrijvers komen met de bijbel tot de conclusie dat de Hebree喪s al hun wierook importeerden uit Arabi en vooral uit de regionen van Sheba. (Saba) 

Dit zou de echte wierookboom van de ouden zijn en is inlands in Arabi en vooral rond Sheba. Vergelijk Jesaja 60: 6, Jeremia 6:20, langs de kust van Hadramaut en Somali en nooit in Syri of India. Deze wierook is echter inferieur aan die van India die dan met de opkomst van de handel deze mogelijk verdrongen kan hebben.

Wierook is er in verschillende kleuren. De beste soort is bros, glinsterend en bitter van smaak en ruikt aromatisch, vooral bij opwarmen Exodus 30: 1, 7-9 en 34/36, Leviticus 2: 1-2 en 15-16, 5: 11, 6: 15, 10: 1, 16: 12-13, 24: 7, Numeri 5: 15, 7: 14, 20, 26, 32, 38, 44, 50, 56, 68, 74, 80 en 86, 16: 46,  2 Koningen 17: 10-11, 18: 4,, 23: 5, 1 Kronieken 9: 29, 2 Kronieken 28: 4, 34: 25, Nehemia 13: 5 en 9, Hooglied 3: 6, 4: 6, Jesaja 43: 23,  60: 6, 65: 3, Jeremia 11: 12 en 17, 17: 26, 41: 5, 48: 35, 48: 35, Matthe殱 2: 11, Lucas 1: 9-10, Openbaringen 5: 8, 8: 3-4, 18: 13.

De Arabieren, vooral de oasebewoners, doen een stukje ervan in een komfoor die van hand tot hand gaat met het koffiedrinken op zondag. Als de kom weer terug komt wordt die een moment onder de mantel gehouden om die te laten geuren, hierna ruikt hij er een of twee maal aan en geeft hem dan aan zijn buurman. Dit oude gebruik is mogelijk al vermeld in Psalm 45: 9 "Mirre, alo en cassia zijn al uw klederen".

Wierook kon vroeger alleen door koningen en rijke mensen betaald worden. Wilde men iemand een koninklijk geschenk geven dan gaf men wierook.

Mattheus 2:11: "Zij gaven hun giften, goud, wierook en mirre". Goud voor het koningschap, wierook voor heiligheid en mirre (zie Commiphora) om het lijden te symboliseren.

Een van de drie koningen is wit, de ander zwart en de derde bruin. De witte offert goud, symbool van leven en licht, de zwarte mirre, zinnebeeld van dood en nacht en de bruine wie­rook, zinnebeeld van het goddelijk dogma. In de Apocalyps 5,8 is de wierook in gouden schalen een zinnebeeld van de gebeden van de heiligen: メPhialas aureas plenas odoramentorum quae sunt orationes sanctorumユ.

 

Per funum.

Parfums, de Romeinen gaven hun gaven "per funum", (parfum) via rook, naar de goden. Ze zijn en waren in het Oosten in gebruik om te getuigen van respect voor de bezoekers. (Dani鼠 2: 46) De Hebree喪s hadden twee gewijde parfums, een van wierook en de ander van olie. (Exodus 30: 23/38, Spreuken 7: 17, Psalm 45: 8, Hooglied 3: 6) Zo lag Asa (2 Kronieken 16: 4) in een bed van specerijen en een gedeelte hiervan werd verbrand ter eren van de begravene. Mogelijk naar dit gebruik zien we de mirre en alo bij de Heer. Wierook werd een symbool van gebed en zijn opstijgende rook werd vergeleken met de gebeden die aan God werden opgedragen. (Psalm141: 2) Wierook werd aan de mensen geofferd als een gift van grote eer. Het was vaak een element van afgoderij. (2 Kronieken 34: 25, Jereremia11: 12/17, 48: 35.)

Wierook had een ontsmettende werking in de tempels tijdens offeranden van dieren, zie hysop. Geurende kruiden, de bestrijding van stank, de stank van het kwaad. Het roken en zuiveren van kleren, gebouwen en dergelijke heeft misschien oorspronkelijk een functioneel doel gehad en is door de priesters tot een geestelijke zuivering verheven. De meeste oude rites zijn naar hun oorspronkelijke doel of iets dergelijks af te leiden.

 

Buxus.

Buxus sempervirens L. (altijd groen) palmboompje.

Buxus werd in het Grieks Pyxos, Pyxis, Puknos of Phoinix genoemd. De Griekse naam Phoinix verwijst, althans naar de ogen der Hellenen, naar het land of de bewoners, de Phoenici喪s, die de boom bekend maakten bij de ouden.

Het Griekse woord betekent dicht, vast, ineengedrongen, en is een verwijzing naar het dichte en harde hout en bladstand. Buxushout is zeer hard, dicht en zwaar, het is de enigste Europese houtsoort die in water zinkt. Vanwege zijn zwaarte, maar ook vanwege zijn zeldzaamheid werd het hout vroeger verkocht bij gewicht. (213) Er werden speciale kistjes van dit hout gemaakt. Het woord Buxus werd in het Latijn pyxis of pyxos: wat letterlijk een bukshouten doos betekent, de uit buks gedraaide voorwerpen. Dit is nog te zien in de Engelse box: doos, het Franse boite: doos, en mogelijk ook ons woord bus, de uit bu(h)s vervaardigde bussen. De buxus: koker en zo broekspijp tot boks, een in dialect gebruikt woord voor broek. Verdere woordafleidingen zijn interessant vooral omdat vele bekende materialen en de daaruit gemaakte voorwerpen bij ons bekend zijn. De Engelse bushel: de schepel of korenmaat en de buste. In het leger heeft het hout veel gediend, zo is het woord buks ervan afkomstig en in het Slavisch heet de struik pusika en puska is een kanon.

 

Bijbel.

Jesaja 41: 19 ヤIk zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten; Ik zal in de wildernis cipres naast plataan en dennenboom plantenユ, 60: 13 ヤDe heerlijkheid van den Libanon zal tot u komen, cipres, plataan en dennenboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisterenユ.

Ezechi鼠 27: 6, ヤuw dek maakten zij (de Ashurites) van ivoor, gevat in dennenhoutユ.

Schrijftabletten werden ook van bukshout gemaakt, zie II Esdras 14:24 waar ze gemaakt moesten worden.

Het Hebreeuwse woord dat vertaald wordt als buxus is teasshur of tユashur. Ezechi鼠 maakte gebruik van de juiste naam Asshur dat Ashurites wordt in de Authorized Version. Sommige denken dat deze uitdrukking van de profeet, die de handel beschrijft met Tyrus, een verbastering is van teasshur en zo een simpele bedoeling heeft. Zij vervangen dan de tekst in ヤde banken van de roeiers waren van bukshout die ingelegd waren met ivoorユ.

Buxus longifolia, Boiss groeit in het noordelijke gedeelte van Palestina, heuvels van Galilea en gewoon in de Libanon. Die groeit 6m hoog op met een naar verhouding steeds dunne stam die zelden meer dan 15-20cm in diameter is.

De Buxus is ook geen boom voor de warme Semitische landstreken, waar dadelpalmen groeien. De in Jesaja 41: 19 en 60: 13 vermelde teasshur of t'ashur kan op die gronden geen Buxus zijn. De Talmoed en Joodse schrijvers menen dat de buksboom in Jesaja en Ezechi鼠 gebruikt is, terwijl de Syrische schrijvers en de Arabische versie van de Saadias de ceder, (Sabina phoenicia) in Jesaja 41: 19 insluiten. De genoemde planten daar zijn allen van rijke gronden. De Acacia (shittah) is normaal al een plant van de desert zodat de Septuagint dit dan ook vertaalde als buksboom. De plataan is in ieder geval geen heerlijkheid van de Libanon, want die groeit in waterrijke gebieden.

Mogelijk is, in deze vergelijking, dat planten van verschillende grondsoorten naast elkaar gezet worden om de almacht van de Heer aan te tonen: "Ik zal in de woestijn ceder, acacia, mirt en olijfwilg zetten. Ik zal in de wildernis ipres naast plataan en (the fir tree, and the pine, and box tree together, teasshur) dennenboom planten". De eerste serie kan gezien worden als planten van rijke en vruchtbare gronden die zullen groeien in woeste gronden. De Acacia is al een plant van droge gronden zo dat deze niet past bij de bedoeling van de profeet. De schrijvers van de Septuagint vertaalden die als buks wat dan logisch lijkt.

De plataan past niet als boom van waterrijke gronden, maar is mogelijk een boomsoort die samen met de andere twee op de Libanon groeit, de den.

 

Calluna.

Calluna vulgaris L. (gewoon) struikheide. Calluna is een naam die afkomstig is van het Griekse kallyno of kallunein: reinigen of schoonmaken, omdat de takken als bezems gebruikt werden.

 

Bijbel.

In de bloementaal is het kruid van de eenzaamheid, zie Statenvertaling, Jeremia 17: 6: "hij zal zijn als de heide in de wildernis", in 48: 6 vlucht, redt uw ziel, en wordt als heide in de woestijn .(soms wordt dit woord wel vertaald als een kale struik)

Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6 is ar‑ar of aro‑er. In Jereremia 48: 6 komt aro'air voor. Naar zijn afgelegen en ge不oleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. Maar, in die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxcycedrus en Tamarix mannifera. Sommigen denken aan de gagel, Myrica.

 

Capparis.

Capparis spinosa L. (doornig) Het nieuw Perzische woord kabar werd, via Arabisch al-kabar, over Grieks kpparis in Latijn capparis. Dit woord was voor eind 15de eeuw bij ons als capper. Over oud-Frans c英res (nu caprier) kwam het in het Engelse van de 15de eeuw als capres en werd zo caper. In vroeg-Hoogduits verscheen het woord als Gappern en heet nu Kappren of Kapernstrauch, wel steeds meervoud. Kappertje.

 

Bijbel.

De zachte wit violette bloemen openen maar een korte tijd van ヤs morgens tot ヤs middags. Dat is de grond waarom koning Salomon deze kapper als beeld van de vergankelijkheid van de wereld gebruikt.

Prediker 12:5/7. ". op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, er verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt; want de mens gaat naar zijn eeuwige huis en de rouwklagers gaan rond. メHier wordt gesproken over de realiteit van ouder worden en het verloren gaan van de lust dat in de jeugd zo gewoon was. Smaak en appetijt zijn een van de eersten die de ouder wordende mens verlaten. Een stimulans tot het herkrijgen hiervan was de kapper. In de King James versie staat desire shall fail. In origineel Hebreeuws staat dat de kapperbes teleur zal stellen. Het verband van de ouderdom en de plant ligt hem in de afrodische werking van de vrucht.

Het zou de vrucht zijn van Prediker 12:5, waar het woord tapher gebruikt wordt dat vertaald wordt als lust of verlangen. In de King James versie en door Gesenius, de Talmoedisten en oudere vertalingen wordt deze naam als kappertjes vertaald. In latere geschriften, zoals de Talmoed, staat avionah voor de vruchten van de kapperstruik.

De Miznah noemt deze plant met zijn huidige Hebreeuwse naam, tzalaf.

 

Cedrus.

Cedrus libani Link. (van de Libanon) De naam van de Ceder of Cedrus, zou afkomstig kunnen zijn van de beek Kedron of Kidron in Judea. Kedron zou mogelijk vertaald kunnen zijn naar een Hebreeuws woord wat duisterheid of donker betekent. Mogelijk zo genoemd naar de duisterheid van het dal Kedron. Of zo genoemd naar zijn smerige en drabbige water dat al vroeg als riool gebruikt werd (2 Kronieken 29: 16) De Kedron als beek ligt in een dal en op een plaats waar vermoedelijk nooit een ceder gegroeid is, die komen meestal voor op hoogtes van 13‑2100m.

De naam Cedrus zou ook afkomstig kunnen zijn van het Arabische kedron of kedree: wat kracht betekent.

De Arabische naam voor de ceder is evenals het Egyptische arz‑libnan of shagar‑el‑arz, wat stevig in de grond betekent. De Hebreeuwse naam is erez of ahrahzim, wat genomen is van een oude Arabische afleiding en een stevig wortelende sterke boom betekent die lang leeft en langzaam groeit.

Wat waren de Phoenici喪s geweest, wat was hun vloot en daarmee hun handels- en wereldverkeer zonder de ceders van de Libanon? Het was de eerste cultuur die de ceders mee geschapen en meegeleefd hebben, de scheepvaart en handelscultuur van de Phoenici喪s wiens rijk de Libanese kust uitmaakte. Maar ook hun koninklijke gebouwen en tempels en alles wat ze voor bouw en kunsthout nodig hadden leverde hun achterland. Zo ook de voor Tripoli, Byblis, Beiroet, Baalbek, Ninev en Persopolis, ook van Babylon en Jeruzalem en zelfs aan de oevers van de Nijl werden de tempels te Memphis gebouwd met cederhout van de Libanon, zo ook Karnak en Thebe, ook de kisten van menig dodengraf van de faraoユs en zijn beambten. De gehele oudheid, van de Phoenici, Assyri, Babyloni. Egyptenaren, Perzen, Joden, tot de Grieken en Seleukiden, Romeinen en Arabieren, van 3000 v. Chr. tot 700 na Chr., zij allen gebruikten het hout voor hun schepen en vloten, voor hun paleizen en tempels, voor standbeelden en doodskisten.

Sinds de oudste tijden is er roofbouw gepleegd op de ceder. Vooral vanuit Egypte, een land dat zelf weinig bomen heeft en al vroeg ontwikkeld was. Bij de Egyptenaren heette de Libanon dan ook plateau van de Ceders. Op een dioriet die uit 2650‑2600 v. Chr. Stamt had Farao Snofroe laten aantekenen dat hij 40 scheepslaten hout van de Libanon had laten komen. Ook Thoetmozes, een van de veroveraars van Byblis, bevestigt dit officieel: "Elk jaar worden er voor mij echte ceders van de Libanon omgehakt en naar mijn hof gebracht, ik heb er de Aziaat niets van gelaten, want het is een materiaal dat hij begeert". De ceder is in Egypte dan ook al in de pre‑dynastic periode gevonden en in het oude en het middenrijk. De immense sarcofaag van Tuth‑Ankh‑Amen was van dit hout en christusdoorn (Zizyphus spina‑Christi) gemaakt.

Ook door andere landen werd er roofbouw gepleegd. Assurnasirpal II, 1350 v. Chr. kreeg ceders, bukshout en ebbenhout.

Sennacherib veroverde 700 v. Chr. de Libanon en zie: Ik kom op de toppen van de bergen, naar de Libanon en ik zal alle ceders daarop omhakkenユ.

Het gebruik van ceder zie je bij Homerus in de Ilias, Boek 24 waar verwezen wordt naar het cederdak van de opslagkamer waar Priamus naar toe gaat om het losgeld te halen voor zijn zoon Hector van Achilles. Plinius vermeldt dat er 40m grote bomen zijn.

Salomon zond al 30 000 Isra鼠ieten naar de Libanon en dat alleen maar om koning Hiram en zijn slaven te helpen. Hij zond ook 150 000 arbeiders, gevangen slaven van vorige oorlogen, een 33oo officieren die uitgingen naar de bomen van God. Koning Hiram had ook een 1000 van zijn eigen mensen gestuurd om te helpen. Een 400 jaar stond de prachtige met cederhout beklede tempel tot Nabukadnezar het huis van Jehova liet verbranden en de Joden wegvoerde. Maar een nieuwe tempel ontstond na hun terugkeer en weer waren het de broeders van de thans nog levende bomen die de tweede tempel zo'n pracht verleende zodat die onder de profeet Zacharia zonder verdere verklaring met ヤユLibanonユユ bestempeld werd. Het was die tempel waarin Alexander de Grote de ware God offers bracht. Pompejus bezocht dezelfde tempel die Herodotus in zijn strijd met de tegenpartij gedeeltelijk liet verwoesten en dan nog mooier liet herstellen. Het was dezelfde tempel waarin Jezus kwam, waar de Schriftgeleerden hem op de proef stelden, waaruit hij de woekeraars en kooplieden wegjoeg. 70 na Chr. maakten de Romeinen zijn ondergang.

Amos vergeleek de machtige zonen van Anak met de ceders van de Libanon.

 

Uit F. Antoine.

De Libanon is gevallen.

De Libanon is dan ook gevallen (Jesaja 10:33) "Ziet de Heer der heerscharen houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld, het dichte gewas van het woud hakt hij af met ijzer en de Libanon zal vallen voor de Heerlijke". De plaats waar God het eerst werd verheerlijkt is omgehakt om tot kerken en bedehuizen te worden waarin men Hem nu gedenkt.

In het begin van deze eeuw waren er nog maar enkele honderden stammen over, waarvan er 13 waren met een stamomvang van 11m. Die paar laatste restanten worden nu beschermd, voornamelijk door de patriarch van de Maronieten en door een Christelijke sekte die op de hellingen van de Libanon leven. Ze staan boven de oever van de Nahr el Kadischab: de vloed van het heilige dal. Op de uitlopers van de 3000m hoge berg de Kar el Kadihb staan de laatste bomen. Ze zijn door een simpele stenen muur omgeven. 500 tot 1000 jarige stammen ordenen zich als de jongeren om de oudsten, die nog in Bijbelse tijd en uit de tijd van Salomon zouden stammen. Salomons ceders, Gods ceders, of ceder van de patriarchen worden ze door het volk genoemd. (164) Op de sneeuwbergen groeien de cederbomen veel, namelijk in Syri op de berg Libanon daar men ze tegenwoordig noch sommige van deze bomen toont, als Bellonius schrijft, waarvan, zo men zegt, door koning Salomon met zijn eigen handen daar gezet zijn geweest. De cederboom, zegt Theophrastus, groeit in Syri en wordt gewoonlijk gebruikt van diegene die in de omliggende landen wonen om hun galeien daarmee te timmeren omdat ze geen pijnbomen hebben. Dan zijn hout heeft dat eigens, te weten dat de beelden of andere werken die daarvan gemaakt of gesneden zijn gewoonlijk als het vochtig weer is zweten en tranen al of ze met water besproeid waren net zoals alle andere bomen ook doen die vet en olieachtig van binnen zijn, als Theophrastus schrijft.ユ

In totaal zouden er nog 250 staan. De geweldigste is de Cedre de Dieu. Zijn omvang over de wortelstok bedraagt 14m en zijn scherm bedraagt ongeveer 50m in de rondte. De hoofdstam telt meerdere zijstammen, die elk voor zich evenveel nieuwe en zeer aanzienlijke bomen vormen. De hoogte is amper 25m. Op de top van de heuvel is onder de takken van de boom een kapel gebouwd en het altaar bestaat uit cederhout. Jaar na jaar vieren hier de Maronieten op de dag van de openbaring het feest van de ceders. De patriarch met meerdere bisschoppen en vele gelovigen, draagt de mis op als bescherming van de berg en het geluk van zijn volk.

In de geest van het volk is er een soort heilige eerbied voor deze oeroude boom behouden gebleven. Dit vooral door toedoen van kerkelijke orden. Tot voor kort pleegde de daar levende patriarch elke christen die de bomen beschadigde met geestelijke straffen te vervolgen, zelfs met uitsluiting uit de kerkgemeenschap. Het was een oeroud geloof dat de eerwaardige boom onder bescherming van God stonden.

Nieuwe aangroei is vrijwel onmogelijk doordat regen en wind voor erosie zorgen en geiten en schapen jonge aanwas opvreten.

Numeri 24: 6, Richteren 9: 15, 2 Samu鼠 5: 11, 7: 2, 1 Koningen 5: 6-10, 6: 9, 15-16, 18 en 36, 7: 2-3, 7 3n 11-12, 9: 11,. 2 Koningen 9: 11, 10: 27, 14: 9, 19: 23, 1 Kronieken 14: 1, 17: 1, 22: 3-4, 2 Kronieken 1: 5, 2: 3 en 8, 9 : 27, 25: 18,, Ezra 3: 7,, 6: 4, Nehemia 2: 8, Job 40: 17, Psalm 29: 5, 80: 10, 92: 12, 104: 16, 148: 9, Hooglied 1: 17, 3: 9, 5: 15, 8: 9, Jesaja 2: 13, 9: 10, 14: 8 37: 24, 41: 19 44: 14, Jeremia 22: 7, 14-15 en 23, Ezechi鼠 17: 3 en 22-24, 27: 24, 31: 3-18, Amos 2: 9, Zefanja 2: 14, Zacharias 11: 1-2.

Met een paar uitzonderingen is er geen twijfel over de identiteit van het Hebreeuwse woord erez of ahrahzim die vertaald wordt als ceder. Het woord is ontleend van een oude Arabische wortel die een stevig wortelende en sterke boom betekent. Er is enige twijfel over de ceder van Numeri 24: 6 waar het woord mogelijk een verbastering is en mogelijk op een andere boom slaat, net als in Leviticus 14: 4, 6-8 en 49-52, ook Numeri 19: 6 (zie Sabina phoenicia) Ezechi鼠 27: 5 en 31: 8. (zie Pinus halepensis)

Nu worden ze weer aangeplant in het M. Zeegebied en vooral in Turkije waar jaarlijks  meer dan 50 miljoen jonge ceders geplant worden. De Libanese populatie wordt ook weer hersteld door herplanten en beschermen tegen geiten.

 

Juniperus.

Jeneverbes is een woord dat afgeleid is van Juniperus, wat weer stamt van het Keltische jeneprus: stekelig of ruw.

Isidorus geloofde dat in de Juniperus het begrip perum: vuur, besloten lag omdat het vuur er lang goed in blijft, of naar zijn piramidevormige groei zodat die er als een vlam uitziet, dat die zich ook naar boven toe verjongt.

Het is de vuurboom, Duits Feuerbaum, afgezien van het voorgaande gebruik is het mogelijk naar het rode kernhout. Vanouds is het vuur van Psalm 120: 4 de jeneverbes.

Matthiola; ヤOnder deze boom heeft gelegen de profeet Elias toen hij de toorn van Jesabel in de woestijn ontweek daar hem de engel de volgende keer opwekte, 3 Koningen 19ユ.

Het geloof aan het vuur rust mogelijk op oudere overleveringen. In zijn as zouden de vlammen een ongelofelijke tijd bewaard blijven. Goethe verhaalt naar mededelingen van reizigers naar Mekka dat de pelgrims stukken van dit hout meenamen en deze op hun vuren in de woestijn legden en daarop zand en kameelmest. Bij de terugkeer van de vrome pelgrimsvaart, na maanden, hadden ze na afname van het dek het vuur nog in levendige gloed gevonden. Naar deze pelgrims zou het vuur een jaar lang onder dit dek goed blijven. Goethe voerde hiertoe een Bijbelspreuk aan waar David spreekt over de valse tong van een mens dat het duurzaam is als vuur van jeneverbes, Psalm 120:4.

(Dit hout was evenwel niet van een jeneverbes, maar van een brem, Retama)

Dodonaeus (m) ヤDe eerste soort (Juniperus ocycedrus) wordt in Languedoc cade genoemd, zegt Clusius, en de olie die er uit verzameld wordt noemen ze daar huile d cade. Engels cade van Frans gen思rier cade.

Kaddig is wel van dezelfde betekenis, Kaddick, Kaddig of Kadig, in Bohemen Kaditi, Pools kadzuc, bij de Esten kadakas, kaddie of kadagys en daarvan is de oost Pruisische naam Kaddik en Kaddikstrauch af te leiden. In Finland noemt men de struik kataju of katachu,  (411) vergelijk Engelse cade oil en vergelijk de basis van de Griekse ceder of kedros, ked- of kod: roosteren, oud-Slavisch cadu: rook, caditi: roken of branden. In deze betekenis betekent ceder (Juniperus) origineel hout voor roken. Bij de Grieken duidde men met de naam kedros en kedris alleen welriekend hout aan. De Libanonceder heette kedros thaumaste: dat is prachtig. Van Grieks kedros kwam het Latijnse Cedrus. Wat de ouden onder de jeneverbes stelden, in Grieks άρχενύος of arkeuthos, χέδρος of kedros, όζύχεδρος of oxykedros en in Latijn Juniperus noemden zal wel gedeeltelijk op M. Zee planten slaan en wel Juniperus oxycedrus, Juniperus phoenica en Juniperus excelsa.

De ceder is ook zeer bekend geworden door de stroperige lichtbruine balsemachtige olie die uit het hout wordt getrokken door het bij een vuur te leggen. Met deze cederolie werden kostbare boeken en boekrollen ingewreven teneinde ze te beschermen tegen wormvraat. De boeken die de tweede koning van Rome, Numa, naliet zouden met dit sap ingestreken zo'n 535 jaren goed zijn gebleven. Ook zou deze olie bij het balsemen gebruikt zijn en werd het linnen erin gedrenkt. Tackholm vermeldt echter dat de cederolie, als vermeldt door Herodotus en Diodorus en vertaald als olie van ceder, waarschijnlijk geen cederproduct was, maar afkomstig van een Juniperus soort. Het cedersap van Plinius was ook niet afkomstig van een ceder, maar vermoedelijk ook van een Juniperus. Met de ceders werden dan ook vermoedelijk andere bomen van de Libanon geveld, die duurzamer waren en als cederhout gebruikt werden. De verwarring zou dan in de naamgeving zitten, sommige Juniperus soorten werden vroeger kleine ceders genoemd. In Spanje geeft men de naam cedro aan 2 jeneverbessoorten, Juniperus oxycedrus en Juniperus thurifera.

 

Bijbel.

(Mogelijk zijn deze en volgende de ceders als gebruikt in Bijbelse zuiveringsrites. (Leviticus 14: 4-6 en 49-52) Niet alleen vanwege de zuiverende werking, maar ook omdat er in de Sina geen ceder voorhanden is.

Numeri 19: 6 ヤEn de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemenユ. Het woord ceder wordt vertegenwoordigd door het Hebreeuwse erez en verschijnt 51 maal in de Bijbel. Meestal verwijst het naar de ceders van de Libanon. Maar in de Sina is geen ceder, of in ieder geval niet bereikbaar. Waarschijnlijk hebben ze een ヤcederユ uit de woestijn gehaald.

2 Kronieken 2: 8 ヤ Zend mij ook ceder-, cipressen- en algummimhout van den Libanonユ. In Hebreeuws algomim, misschien was hetzelfde hout als in 1 Koningen 10: 11-12. Maar het woord is anders en ook de afkomst, niet uit Ophir maar van de Libanon. In dat geval zou het Juniperus excelsa kunnen zijn.

 

Jeremia 48: 6 en 17: 6. ヤWeest als de gagelkruid (heide) in de woestijnユ.  De Arabische naam van deze twee is ar'ar (Dalman) Een woord dat voorkomt in Jeremia 17: 6, aldaar ar‑ar of aro‑er genoemd. In Jeremia 48: 6 komt aro-er of aro'air voor. Naar zijn afgelegen en ge不oleerde groeiplaats zou het de struik, heide, kunnen zijn. Maar in die streken wordt geen heide gevonden, alleen Juniperus oxycedrus en Tamarix mannifera. Sommigen denken aan de gagel. Een zinnebeeld van dorheid en verlatenheid.

 

Ceratonia.

Ceratonia siliqua L. (hauw dragend). Ceratonia is afgeleid van het Griekse keratio, van keras,  wat hoorn betekent, naar de spitse hoornachtige gekromde huls. Het Griekse keration is afgeleid van kerat, de stam van keras: horen, dat komt overeen met Sanskriet siras: hoofd, Latijn cornu: horen.  Zo wordt hard materiaal bedoeld. De naam ceratia verkreeg het naar de bittere en harde zaden die als gewicht werden gebruikt omdat ze altijd hetzelfde wogen, waar de naam caraat of karaat van is afgeleid.

Arabisch voor karaat is kirat, qirat of kharoub en Hebreeuws charuv, in Portugees werd dit quilate: gedroogd zaad. Over het Franse carat werd het omstreeks 1270 in het midden-Hoogduits Garat. In de 15de eeuw gaf het vormen met k, Karaat zoals het midden-Nederlands (k)caraet.

In het Grieks is dit het keration waarmee men in Afrika goud en in O. Indi diamanten weegt. In late Romeinse en vroeg Byzantijnse tijden wogen de puur gouden munten die bekend waren als solidus 24 karaatzaden (ongeveer 4.5 gram). Als een resultaat werd de karaat een gewicht van zuiver goud. Zo betekent 24 karaat goud 100% puur, 12 carat goud betekent dat het 50% goud bevat, etc.

Sint Johannesbroodboom.

 

Bijbel.

Carob peulen waren de belangrijkste bron van suiker voordat suiker of suikerbieten bekend waren. De peulen worden na een jaar rijp en kunnen maanden aan de boom hangen blijven. Het vruchtvlees is eerst week en aromatisch zoet, later hard en is dan lang houdbaar.

St. Johannesbroodboom naar het Bijbelse verhaal.

Lucas 15: 16 ヤEn hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen die de varkens aten, doch niemand gaf ze hemユ. Het Griekse woord wordt vertaald als peulen bij Moffat. Er is geen twijfel dat de schillen van Jezus parabel van deze boom afkomstig waren.

Matthe殱 3: 4 ヤHij nu, Johannes, droeg een kleed van kamelenhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wildn honingユ.

De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannes zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannes de Doper gegeten zou hebben. "De Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie weg". Het zou de vrucht van Johannes geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.

Het verschil komt door de overschrijvers die het Hebreeuwse G. voor R vertaalden tot cherev wat het woord carob veranderde tot locust of sprinkhaan. In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haruvim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.

 

Cercis.

Cercis siliquastrum L. (hauwachtig) Judasboom. Cercis komt van Grieks kerkis: een pluimbal, slag of schietspoel zoals bij het weven gebruikt wordt, het is een naam die gegeven is door Theophrastus waar de peulen op zouden lijken.

 

Bijbel.

Matthe殱 27: 5 ユEn de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich, daarop ging hij heen en verhing zichユ. Welke boom staat er niet bij, maar volgens oude legende is het deze boom. Toch staat er in de Bijbel niets over in, is dit meer geworden uit overlevering en traditie. Waarschijnlijk stamt de naam af van de groeiplaats of Franse naam, Arbre de Jud仔, boom van Juda.

Doordat Judas zich eraan verhangen heeft groeien sindsdien de takken krom. De tranen van Jezus zijn op het hout gevallen, zodat sindsdien de boom op alle plaatsen bloeit, zelfs op het dikste hout. De kleur werd dan ook rozerood van schaamte.

De vermelding van de Judasboom is voor het eerst gebruikt door Gerard in zijn Herball in 1597, naar voornoemde legende. Daarvoor was het de zwarte vlier, zie Sambucus, waaraan Judasoren kunnen voorkomen, waar Judas zich aan verhangen had. Andere legende vertellen dat het een vijg was, Ficus, de populier of terebint. Toch moet in dit verband nog gemeld dat worden dat in verband met Handelingen 1: 25  er duidelijk op gewezen wordt dat Judas niet stierf aan ophanging.

 

Chamaerops.

Chamaerops humilis L. (nederig) Europese dwergpalm. Chamaerops komt van Grieks chamai: klein of nederig, en rhops: een twijg, het is een samengestelde naam die van de Z. Europese palm een lage twijg maakt in vergelijking tot de hoge en geweldige palmen van de tropen.

 

Bijbel.

Van verre lijken de bladeren van deze vorm op opgestoken handen die door de wind bewogen op elkaar slaan. Jesaja 55: 12: "Alle bomen des velds zullen de handen tezamen klappen". Mogelijk doelde Jesaja hier op deze palmboom.

 

Cichorium endivia en intybus. Januari heet in Egyptisch tybi, dezelfde tijd als deze groente werd gegeten. In het Arabisch heet het hendibeh. Dit werd in Grieks entubion of entubon. In de keizertijd verschijnt de Griekse uitspraak (indivi) benade­rende Latijnse vorm intybum, dit werd later intiba en in volks Latijn entiba en ook endiba. Onder de uit intybus in Itali gevormde naam Endivia werd in oud-Duits eerst distelsoorten en later deze plant begrepen. Andijvie en cichorei.

 

Bijbel.

Het gewas zou al voorkomen op de Eberspapyrus. Door Dioscorides werd het vermeld als maag versterkend middel.

Exodus 12: 8 ヤHet vlees zullen zij dezelfde nacht eten; zij zullen het eten op het vuur gebraden, met ongezuurde broden, benevens bittere kruidenユ.

Numeri 9: 11 ヤIn de tweede maand, op de veertienden dag, in de avondschemering, zal men het vieren, met ongezuurde broden en bittere kruiden zal men het etenユ.

In Exodus 12:8 worden bittere kruiden genoemd. Hier wordt echter geen specifieke plant vermeld. Alleen in het N.T. zijn de kruiden met naam genoemd. Ook in  Numeri 9: 11 komt het woord Merorim of M'rorim voor wat op bittere kruiden zou kunnen slaan. De traditie noemt sla, andijvie en cichorei en munt, later kwamen daar waterkers, peterselie en dergelijke bij. (N. Peelman) De meeste autoriteiten denken dat de andijvie uit India stamt en het is twijfelachtig wanneer het in Egypte bekend was. De oude Egyptenaren gebruikten verschillende groene kruiden die ze met mosterd mengden en duwden dan stukjes brood in die miz terwijl ze aten. Het is mogelijk dat ze dit gebruik leerden van de Egyptenaren. Ofschoon de kruiden varieerden met de tijd en plaats, bleef de reden voor het eten ervan gelijk, een herinnering aan de bittere tijd in slavernij van Egypte. De tafel staat gedekt voor de seder, het opnieuw vertellen van het Paasverhaal. Het ongedesemde brood op de tafel plus het gebraden beentje als een herinnering aan het geslachte lam. Verder de bittere kruiden en de charoset, een appel en notenpasta, als herinnering aan de stenen voor de bouw van de piramides.

 

Saussurea.

Saussurea costus Lipsch.(wortel voor parfum) Plinius Latijnse costum van Grieks kostos (een Indische plant wiens geurende wortel gebruikt werd voor parfums) van Hebreeuws qosht, van Sanskriet kusthah.

Dit gewas is afkomstig uit de Himalaya en de valleien van Kasjmir waar het groeit op 2400-4000m hoogte.

De geurende wortel wordt in de omgeving van Bombay in grote hoeveelheden verzameld, richting China en de Perzische golf getransporteerd.

Wat is de costus van de ouden? Of is de costus Costus speciosus, Sm. van de Zingiberfamilie die uit O. Indi stamt? Of van Costus nepalensis, Rosc. uit Nepal die bij de ouden gebruikt werd als maagmiddel?

 

Bijbel.

In Psalm 45: 8 ヤdaarom heeft o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven al uw metgezellen, mirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ. Het Hebreeuwse woord dat daar gebruikt wordt  is ketziah, ketzioth of kユtziot (Cassia heet kiddah) wat vertaald werd als cassia of als Indische orris, mogelijk deze plant. Sommige vertalers veronderstellen dat dit woord slaat op de zoet ruikende Europese orris wortel, Iris florentina. Zie Cinnamomum cassia.

 

Cinnamomum.

De naam kin-(n)-amomon kan als volgt verklaard worden: vanuit het Griekse kinein: in rollen, a: zonder, momon: feil of fout, bijgevolg; een plant zonder fout, een edel gewas dat zich heeft ineengerold, waarmee op de bastrolletjes zou zijn gedoeld. In Chinees betekent quilin of guangxi een kaneelbomenwoud, dit is een stad aan de rivier de Lijiang. Uit Maleis kayu: hout, en manis: zoet, komt kayu-manis dat over Hebreeuws (Phoenisch, Exodus 30: 23 en andere teksten) qinnamon werd en via Grieks tot Latijn cinnamum, midden-Latijn cinnamomum kwam, via Frans werd het cinnamome en Engelse cinnamon. Uit midden-Latijn cinnamomum ontstond oud-Hoogduits Cincimen, Cimment en Sinamin en het midden-Hoogduits Zinemin zodat het nu Zimt of Zimmt is. Kaneel.

 

Cinnamomum aromaticum Nees. (geurend) Cassia.

Hoewel sommigen beweren dat misschien kaneel bedoeld is, is zulks niet waarschijnlijk omdat de Arabische en Perzische naam darachine, dara is hout en chini is Chinees, duidelijk op de afkomst van Cassia wijst. De naam cassia is nogal verwarrend. De echte cassia‑ligna is afkomstig van Cinnamomum. Maar cassia is ook wel een geparfumeerde olie die wordt verkregen van Acacia farnesia. Die soorten werden vroeger tot 1 geslacht gerekend.

 

Bijbel.

In Exodus krijgt Mozes opdracht om zoet geurende kaneel (kinnamon) en kassia (qəṣ覗)  te nemen met mirre, welkrieken (qən-bosem, literair geurend riet) en olijvenolie om er een heilige zalf van te maken die geschikt was voor de Ark des Verbond. Exodus 30: 23-24 ヤDe Heere sprak tot Mozes: Gij nu, neem u zeer fijne specerijen: vijf honderd sikkels vanzelf gevloeide mirre en half zoveel: twee honderd en vijftig sikkels, welriekende kaneel, en twee honderd en vijftig sikkels welriekende kalmoes, en vijf honderd sikkels cassie, naar den heiligen sikkel, en een hin olijfolieユ.

Ezechi鼠 27: 19 ヤkassie en kalmoes behoorden tot uw koopwaarユ.

In de bijbel komt het woord kiddah of kidad voor wat afschilferende bast betekent. In Job 42: 14 komt het woord kezia of ketziah voor. (In Grieks is het vertaald als Iris en is daardoor fout vertaald vanuit origineel Hebreeuws.) In Psalm 45: 8 ヤdaarom heeft o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven al uw metgezellen, mirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ. Het Hebreeuwse woord dat daar gebruikt wordt  is ketziah, ketzioth of kユtziot, (zie Saussurea)

De Septuagint interpreteerde de cassia als een Iris, de orris root. De Revised Version denkt aan de aromatische wortel van de kost of Costus van Arabi, Saussurea lappa. Men denkt nu dat de cassia van Palm 45: 8 deze Indische of Arabische orris of costus is.

 

Cinnamomum verum L.

Bijbel.

In klassieke tijden waren er vier typen van kaneel bekend en vaak onder elkaar verward.

1.     Cassia (Hebreeuws qəṣi`), de bast va, Cinnamomum aromaticum Nees (aromatisch) (of Cinnamomum iners Reinw. (zwak of niet actief) die uit Arabi en Ethiopi komt.

2.     Echte kaneel, kinnamon, (Hebreeuws qinnamon), de bast van Cinnamomum verum van Sri Lanka en eerder India.

3.     Malabathrum of Malobathrum. Cinnamomum malabathrum uit N. India (uit Malabar).

4.     Serichatum, Cinnamomum aromaticum, uit Seres, dat is China.

 

Kaneel is waarschijnlijk een van de vroegst bekende specerijen die in gebruik is genomen. Het wordt al in een Chinees kruidboek van 2700 v. Chr. vermeld, bij de Chinees Tsang King die het gebruikte bij aandoeningen van de ademhalingswegen. In Egypte al 2000 v. Chr. is het gebruikt en kwam uit China.

De Phoenix bouwt zijn nest van cinnamon en cassia. Egyptische recepten voor kyphi, een aromatische stof, bevatten cinnamon en cassia vanaf Hellenistische tijden. De gift van Hellenische heersers aan tempels bevatte soms cassia en cinnamon en wierook, mirre en Indische wierook (kostos) zodat men concludeert dat de Grieken het ook zo gebruikten.

Malobrathum van Egypte (Dioscorides I, 63) was gebaseerd op veevet en bevatte ook cinnamon, een pond kostte 300 denars.

In Exodus 30:23-4, beveel Mozes om cinnamon en cassia, qinnām冢, te nemen met mirre, zoete kalmoes (qən-bosem, literair geurend riet) en olijvenolie om een heilige olie te maken om er de Ark van het Verbond mee te zalven. Psalm 45, 8, verhaalt de kleren van Torah scholieren die gezalfd zijn met mirre, alo戴s en cassia. In Bijbelse tijden werd het gebruikt voor de bereiding van wierook, heilige olie, medicijnen en parfum (Spreuken 7: 17) In de zinnebeeldige woning der wijsheid is het de liefelijke kaneel die haar vervult, Ecclesiasticus 24: 20 In de Apocalyps is de kostbare kaneel een voorwerp van weelde bij de verwoesting van Babylon. Vanwege zijn welriekendheid werd kaneel gebruikt als een soort parfum om lichaamsgeurtjes weg te werken.

Exodus 30: 23 ヤDe Heere sprak tot Mozes: Gij nu, neem u zeer fijne specerijen: vijf honderd sikkels vanzelf gevloeide mirre en half zoveel: twee honderd en vijftig sikkels, welriekende kaneelユ.

Spreuken 7: 17 ヤIk heb mijn leger besprenkeld met mirre, alo en kaneelユ.

Hooglied 4: 14 ヤnardus en saffraan, kalmoes en kaneelユ.

Openbaringen 18: 13 ヤkaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, bloem en tarweユ

Kaneel komt in de Bijbel telkens samen voor met cassia en kalmoes. Deze producten stammen allen uit China/India en kwamen naar die streken via de zijderoute. In Hooglied 4:14 wordt kaneel met kalmoes verenigd en in Ezechi鼠 27: 19 cassia met kalmoes. Bailey vermeldt dat kaneel dan ook afkomstig is uit India en Maleisi. Kaneel en cassia zouden al in het tweede millennium v. Chr. al aangevoerd zijn vanuit China en zuidoost Azi en vanuit Indonesi naar Madagaskar gebracht zijn in primitieve kano's via een oeroude route over zee die bekend stond als de kaneelroute. Ze werden dan langs de Afrikaanse kust naar het Noorden vervoerd, maar het Nijldal en het land Poent.

De kinamon, kinnemon of qinnemoon verwijst zonder meer naar kaneel, het is een van de ingredi創ten van de ヤheilige olieユユ.

 

Cistus.

Cistus ladanifer L. (laudanum dragend) Cistus is afgeleid van Grieks ciste: een doos, een verwijzing naar de vorm van de zaaddozen

 

Bijbel.

Genesis 37: 25 ヤdaar zagen zij een karavaan van Isma鼠iten aankomen uit Gilead, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, om dat naar Egypte te brengenユ, 43: 11 ヤneemt van het fijnste des lands in uw zakken en brengt dien man een geschenk, een weinig balsem en een weinig honig, gom en hars, terpentijnnoten en amandelenユ.

Deze plant is waarschijnlijk de mirreplant van de ouden.

De rotsroos, Cistus creticus, Cistus salvifolius en Cistus villosus, is ook bekend als lotplant en komt bij de Hebree喪s overeen met het woord lot in Genesis 37: 25, 43: 11. Lot moet een inlands product zijn. Lot komt ook als eigennaam voor in Genesis, de broer van Abraham. Lot zou door een verkeerde vertaling als mirre bestempeld zijn, de naam van mirre is mor en die is niet inlands (Commiphora myrrha) zoals de context laat zien.

 

Bijbel.

Onycha, in het Hebreeuws shecheleth of sjecheleth, zou voorkomen in Ecclesiasticus 24: 15, Exodus 30: 34. De bloem is wit aan de basis van elk bloemblad. Onycha betekent in het Grieks vingernagel, de markeringen op de bloembladen van Cistus zouden de reden geweest zijn voor die naam.

De naam wordt tweemaal vermeld als een bestanddeel van het heilig reukwerk en een andermaal in de Apocriefe boeken als een zelfstandigheid die een lieflijke geur verspreidt.

De naam onyx betekent klauw of nagel, (310) "daaraan ontleent de kleine schelp op de voet van vele weekdieren, die door de grote schelp gesloten wordt, zijn naam. Uit deze kleinere schelpen of klep verkreeg men enkele bestanddelen die de wierook samenstelden. In de Rode Zee vindt men er veel soorten van".

Mogelijk is het een twee喪lei begrip, de steen onyx in Exodus 28: 20. De andere onyx is mogelijk een plant/dierlijk product, Exodus 30: 43, Ecclesiasticus 24: 15.

Onyx zou op Murex kunnen slaan die in heel Indi als een zogenaamd geneeskrachtig rookmiddel gebruikt wordt. Koning noemt een vis die Conchylium genoemd wordt en haalt Dioscorides aan: "Een schulpje of deksel van het visje Conchylium genoemd, gelijk ons Dioscorides zegt II, 8:1, welk in de meren van Indi die Nardus voortbrengen gevonden wordt. Het ademt een aangename reuk uit omdat het door den Nardus gevoed wordtユユ. Waarschijnlijk zijn er nog wel meer moge­lijkheden.

 

Citrus.

Citrus medica L. var. etrog Eng. (uit Medi) is de gewijde Citrus of Etrog van de Joden. (Citrus medica ヤEthrogユ)

Deze vorm was in Z. Babyloni al 4000 jaar v. Chr. bekend, maar de Isra鼠ieten vereerden die pas 458 v. Chr. Josephus maakte melding van een voorval in de oudheid waarbij Alexander de Grote met de Joodse hogepriesters op het altaar stond en er een  oproer uitbrak onder de bevolking die naar hem met citroenen gegooid zou hebben. Dit zou de verboden vrucht van de Joden zijn en komt zo voor in Leviticus 23:40/44, takken of vruchten van schoon geboomte. De citroen wordt al genoemd in de Torah voor ritueel gebruik tijdens het feest van het Tabernakel, Leviticus 23:40. Het gewas wordt nog steeds volgens het gebod gebruikt op het Loofhuttenfeest en soms bij de eredienst in de synagoge als een toonbeeld van de vruchten die God aan de mensen gaf. Zou het gewas reeds in Isra鼠 bekend zijn geweest, dan had Alexander de Citrus niet in Medi "ontdekt" maar in Isra鼠 en dan was de vrucht zeker ook al eerder beschreven zijn geweest vanwege het drukke handelsverkeer met de M. Zee. Volgens anderen kwam de plant daar al in oude tijden voor omdat het ook in Egypte schijnt voor te komen waar archeologische bewijzen zijn dat ze daar was sinds de tijd van Thutmosis III. Er wordt verondersteld dat de Joden het  meenamen uit Egypte. Weer anderen menen dat het om een vrucht van Pinus of Cedrus handelde. (vergelijk de afkomst van de naam).

De naam die gebruikt is in Leviticus 23: 40 is Peri es Hadar, dat wil zeggen ヤユeen vrucht van een prachtige boomユユ. Het woord hadar betekent letterlijk pracht of pronk en slaat niet op de soortnaam. De naam kwam al eerder voor als een van Ismahelユ s zonen. (zie Musa)

Deze Etrog groeide veel op Korfu en na de anti‑Joodse demonstraties in 1891 aldaar werd de vrucht meestal uit gehaald Palestina, waar de inwoners ze

gebruikten om er salades van te maken.

 

Uit Matthiola.

Citrus ponum, ヤAdamiiユ (mogelijk een vorm van Citrus media) (vrucht en Adam, Adamsappel) de vrucht hiervan is eivormig met een goudgele schaal. Dit zou, volgens de Talmoed, de Adamsappel zijn.

Maerlant spreekt over de Adamsboom;, Arbor ade, dat is bekend, is een boom in de Ori創t die Adams boom heet zoals ons zegt Jacob van Vitri. Omdat ze vele mooie  appelen dragen die van kleur geel zijn en elke appel is gebeten zodat men zien mag en weten dat God in het aardrijk van Adams zonden duidelijk getuigtユ.

(Dodonaeus)  ヤDit geslacht is van sommige Malus Assyria genoemd, dat is appelboom van Assyri, en de vrucht Pomum Assyrium, dat is appel van Assyri, dan de Italianen noemen het gewoonlijk lomio of ook pomum Adami, dat is Adamsappel, omdat het onervaren gewone volk gelooft dat dit de appel is daar onze aller vader Adam in het Paradijs eerst van at tegen het gebod van God en daarom zeggen ze dat de kloven die in de schillen van deze appels gezien worden de tekens zijn van de beten die hij daarin gaf. Maar andere willen zeggen dat de echte appel daar Adam in beet niet deze tegenwoordige appel is, maar die soort van appels die in het Arabisch Musa of Mosa genoemd wordt daar Avicenna in het 395ste kapittel van vermaant. Immers, zoals Andreas Thevenetus betuigt, die Musa wordt van sommige Joden gehouden voor de appel die Adam eerst proefde en tegen God gezondigd heeftユ.

De Adamsappelboom wordt in Itali pomo di paradiso,  pomi Adamo of pomi dユAdamo genoemd.

Forbidden fruit. In de dikke schil zie je een spleet die op een beet lijkt. Van de slang? De slang met de appel in de bek is het symbool van het kwaad.

 

Bijbel.

Deze balsem wordt door de Arabieren lukkum genoemd en verkocht als de balsem van Gilead. Deze balsem was tot de 17de eeuw een ingredi創t van vele medicijnen. Anders dan de meeste gommen wordt het gauw zachter bij hitte.

Genesis 37: 25 ヤwier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengenユ.

Jeremia 8: 22 ヤIs er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester?ユ 46: 11, ヤTrek op naar Gilead en haal balsem, o jonkvrouw, dochter van Egypte, tevergeefs neemt gij veel geneesmiddelen, voor u is er geen genezingユ. 51: 8 ヤHaalt balsem voor zijn pijn, misschien is het te genezenユ.

Het woord tzori, tzeri of tzari is als inlands product mogelijk Balanites, in Grieks wordt het vertaald als resin of gom, als een verwijzing of naar Balanites of Pistacia lentiscus. Beiden zijn overvloedig in Isra鼠. (zie Commiphora) Reisbeschrijvingen noemt de stad Tyrus, Tsor of Tzor bij de Hebree喪s, van welk Hebreeuws woord Zor ook de naam van Syri of Sourie gesmeed is. Zou hier een overeenkomst zijn in namen? Handel uit Phoenici, of balsem uit Syri.

Men kan zich evenwel afvragen, als de plant ook in Egypte groeit, of het daar naar toe gebracht moest worden. Mogelijk aldus Smit bij Moldenke dat hier sprake is van Pistacia lentiscus.

Maar de mogelijkheid dat de echte balsem van Gilead in Salomons tijd aanwezig was, zou die voorkomen in 2 Koningen 20: 13, Hooglied 3: 6, Jesaja 39: 2 en Ezechi鼠. 27: 17.  Dan wel beter voor Commiphora gileadensis.

 

 

Commiphora: Grieks kommi, van Egyptisch kami: gom (oud-Egyptisch kmj.t) phora: dragen. Een geslacht van bloeiende planten. Het omvat een 250 moeilijk van elkaar te scheiden soorten.

Bomen en struiken, vaak gewapend of gedoornd en inlands in Arabi, Afrika en India.

 

Commiphora africana Engl. (uit Afrika) De inwoners van Afrika zeggen hiervan dat de boom zeven levens heeft, omdat als die gesneden wordt niet sterft, daarom wordt het ook als haagplant gebruikt. Bij de Toearegs wordt het gewas aanbeden, die vereren het als een symbool van onsterfelijkheid en plaatsen de plant op de graven.

Bdellium verschijnt in een aantal oude bronnen. In Akkadisch was het bekend als budulhu. Theophrastus is de eerste klassieke auteur die het vermeldt en Plautus is de tweede in zijn Curculio. Plinius de oudere beschrijft het als "een boom met en zwarte kleur en de grootte van een olijf, zijn bladeren lijken op die van een eik en zijn vrucht op de wilde vijg" (N.H. 12.19). het was en ingredi創t van oude geneesmeesters, van Galenus tot Paulus Aegineta.

Hebreeuws bedolach was een aromatische gom die op mirre leek en dat uit en boom vloeide. Het zou kunnen komen van Commiphora wrightii, die nu gugul genoemd wordt of Commiphora roxburghii, Engl. die de bdellium van India levert, het is een plant die uit India komt en daar bekend is als mukul of gugul of Commiphora stocksiana, maar bdellium werd ook voor een Afrikaanse soort gebruikt, Commiphora africana.

Bdellium was een vervanger van de kostbare mirre en guggul wordt nog steeds als binder gebruikt in parfums. Het woord verschijnt tweemaal in de Hebreeuwse bijbel. 

 

De vraag is of dit de Afrikaanse bdellium, bedoloch of b'dolach van de Bijbel is die gebruikt wordt in Genesis 2:12 en een paar duizend jaar later weer verschijnt in Numeri 11:6/7.

Genesis 2: 12; ヤDe naam van het eerste is Pison, deze stroomt om het gehele land Havila, waar het goud is, en het goud van dat land is goed, daar is balsemhars (bdellium) en de steen chrysopraas. De naam van de tweede rivier is Gihon, deze stroomt om het gehele land Ethiopi戴. Door sommigen wordt het dan ook vergeleken met een edelgesteente.

Numeri 11: 7 ヤHet maman nu leek op korianderzaad en het zag eruit als balsemhars (bedolach, bedellium)ユ.

Het is mogelijk dat dit woord ook op een kostbaar gesteente slaat, een hars of volgens sommigen op of Borassus flabellifer, L. deze laatste is een palm die in India groeit en lijkt onwaarschijnlijk.

 

De vraag is alleen, waar lag Eden, richting Afrika of India? Plinius noemde het afkomstig van Arabische Felix, ook noteerde hij dat het gezonden werd van Bactria in India, van Beverwijck noemt ook twee plaatsen van afkomst.

 

Commiphora gileadensis (L.) C. Chr. (uit Gilead) Balsam van Gilead of Jericho. De pure en echte gom is tweemaal zijn gewicht in zilver waard. Struiken in cultivatie werden dan ook door wachters beschermd. Het was een embleem van Juda.

De gom wordt in de zomer verzameld als het bloedheet is. Met een scherp voorwerp worden er in de hogere delen van de stam insnijdingen gemaakt. De druppelende hars werd in doeken opgevangen of eraf gekrabd waarbij er zorgvuldig op gelet moet worden dat geen ijzer de bast van de heilige boom verwondde, dat zou de goden boos maken. Men snijdt de takken met een scherpe steen of scherp been. Die het met ijzer snijdt, versnijdt gelijk zijn krachten en zijn natuur. Ook moet de balsem altijd getild worden door een christen, anders zou het niet werken.

De balsem werd in wollen zakken verzameld en op kamelen gepakt die met andere geurstoffen over de wierookstraat naar de handelsplaatsen aan de oost- en zuidkust van M. Zeegebied gevoerd werden.

Met de hars werden gestorven heersers en waardigheidsdragers gebalsemd om hen de toegang tot het dodenrijk te verzekeren.

 

Bijbel.

Genesis 37: 25 ヤwier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengenユ.

Jeremia 8: 22 ヤIs er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester?ユ 46: 11, ヤTrek op naar Gilead en haal balsem, o jonkvrouw, dochter van Egypte, tevergeefs neemt gij veel geneesmiddelen, voor u is er geen genezingユ. 51: 8 ヤHaalt balsem voor zijn pijn, misschien is het te genezenユ.

Het woord tzori, tzeri of tzari is als inlands product mogelijk deze gom, zie Balanites, in Grieks wordt het vertaald als resin of gom.

Men geloofde dat deze balsem zo krachtig was, dat als je er een vinger mee insmeerde hij door vuur kon gaan zonder pijn te lijden. Vandaar het gezegde: メIs er geen balsem in Gilead?" in de betekenis dat er geen heling voor de zieken is.

1 Koningen 10: 10 ヤZij gaf de koning honderd twintig talenten goud, zeer veel specerijen en edelgesteenten, zulke specerij, als de koningin van Sheba aan koning Salomon gaf, is nooit meer aangekomenユ.

2 Koningen 20: 13 ヤEn Hizkia hoorde naar hem en hij liet hem zijn gehele schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen, en de kostbare olieユ.ユ

Hooglied 3: 6 ヤ Wat trekt daar op uit de woestijn, als zuilen van rook, omgeurt van mirre en wierook en allerlei reukwerk van den koopman?

Jesaja 39: 2 ヤEn Hizkia verheugde zich over hun komst en hij liet hun zijn schathuis zien, het zilver en het goud, de specerijen en de kostbare olieユ.

Ezechi鼠 27: 17 ヤJuda en het land Isra鼠 dreven handel met u; tarwe van Minnith, mirre, honig, olie en balsem leverden zij voor uw koopwaarユ.ユ

Ecclesiasticus 50: 8 ヤals de takken van de wierookboom in de zomertijdユ.

De balsem van Ezechi鼠 is hetzelfde Hebreeuwse woord tzoユri of tzari als in Genesis 43: 11.

In Hooglied 1: 5 wordt het woord basam of bosem gebruikt wat verwijst naar de balsem van Gilead, wiens Arabische naam basham of balasan is, zelfs tegenwoordig nog. Zie Astragalus. De varianten van deze of hetzelfde woord, besem en bosem, verschijnen geregeld in het O.T. en staan voor specerijen of zoete geuren. De context van Ecclesiasticus vraagt om een boom met wiens groei en verschijning de Isra鼠ieten bekend was en toch een zeldzame specerij was. Het lijkt daarom logisch dat het woord wierookboom of frankincense tree in die passage fout is, mogelijk was het de balm of Gilead.

Hooglied 3: 6 wordt wel vertaald als ヤall the powders of the perfumerユユ. (Hebreeuws avkat rochel)

De soortnaam was gileadense en wordt beschouwd als inlands in Gilead, maar is inlands in Arabi, vooral de berggebieden rond Yemen. Zo kan het nooit de balsem zijn die Jacob naar Egypte stuurde. Maar Josephus (die het myrobalanum noemde) zegt dat het gecultiveerd werd in Palestina in de tijd van Salomon, vooral rond Jericho. Met hem en vele andere schrijvers zijn van mening dat deze plant via zaad door de koningin van Sheba meegebracht is als een deel van haar gift van specerijen. Maar het is wel opvallend dat er geen vermelding is van de tijd van Salomon af tot Josephus tijd, een periode van 1000 jaar. De bomen waren nog in de vlakte van Jericho toen de Romeinen kwamen.

 

Embleem van Juda.

De boom is afkomstig uit Z. Arabi, Ethiopi en Jemen. De Joden geloven dat de struik geplant was door Salomon. Naar deze historie zouden de eerste planten gebracht zijn door de Koningin van Sheba. Jonge plantjes zouden geplant zijn op de vlakte van Jericho, waar het een van de schatten van het land werden. De balsem groeit alleen daar op 1 plaats.

Er is in ieder geval geen twijfel aan dat er lang geleden balsembomen te Jericho gegroeid zijn. Het gewas zou mogelijk al in Alexander de Groottes tijd al in Palestina en het Jordaan dal gecultiveerd zijn geweest. "De echte Balsem komt uit gelukkig Arabi, gelijk de Griekse historieschrijvers Pausanius, en Diodorus Siculus getuigen, en van daar is hij in Joden‑land".

De vraag is alleen of ze geplant waren in Salomons tijd. Theophrastus wist vaag dat ze groeiden in een vallei te Syri en vertelde dat er maar twee parken waren waar ze voorkwamen.

Bij de verovering van Juda werden ze bij de eerste de beste gelegenheid naar Rome gebracht door Pompe, waar ze in de straten van Rome voor het publiek tentoongesteld werden. Toen Titus Vespasianus Jeruzalem vernietigde, 70 na Chr., was deze struik ook onder zijn buit als een teken van de overwinning op de Joden. Een keizerlijke garde werd er bij gezet om ze voor vernieling te vrijwaren. Zij zijn daar gebleven tot de Moslimoverheersing in de 7de eeuw na Chr. Waar ze verwaarloosd werden en geen spoor was er meer te zien in de tijd dat de kruisvaarders kwamen, 1099-1244 na Chr..

 

Egypte.

Boven de Dode Zee, bij de berg Engaddi lag de Hortus Balsami. In de tijd van Herodotus de Grote bracht Cleopatra uit jaloersheid tegen Herodotus deze tuin over naar het Egyptische Babylon met toestemming van Antonius. Zo'n bosje zou het tot de 17de eeuw overleven, bij de bron van Matarya, niet ver van Ca瓶o. Deze bron is beroemd om zijn oude Sycomore waaronder de heilige familie geschuild zou hebben. De echter mekka balsam schijnt uitgeroeid te zijn. Maar Engelse botanisten dachten dat ze onder deze oude Sycomore bij Materea noch enkele gezien hadden.

 

Commiphora myrrha, Engl. (mirre of myrrhe) De klassieke schrijvers noemen Arabi als het land waar de gom uit afkomstig is, die zij murr noemen. In de Bijbel heet de gom mor, in Arabisch murr en dit werd in Latijn myrrha, in Frans myrrhe, in oud-Frans was het mirre, Engels myrrh, het Duitse Myrrhe verschijnt bij Luther. De Arabische naam betekent bitter en het Hebreeuwse woord voor bitter lijkt er veel op, mar is bitter .(Mara) Enige twijfel is er over Hooglied 1: 13 omdat hier gesproken wordt over een bundeltje mirre. Mogelijk wordt hier gedoeld op Myrrhis odorata, Scop, een 60‑90 cm grote en aangenaam geurende plant die in bundels verzameld wordt.

Het Griekse woord voor myrrhe, μύρον, kan als een synoniem gezien worden voor parfum.  De term myrrhophoro; mirre dragend, wordt gegeven aan vrouwen, vooral de Mariaユs, die de specerijen droegen naar het graf van Jezus. Ze worden meestal afgebeeld al dragende een vaas mirre. Het was een onderdeel van de heilige olie, David bezingt het en Salomon verheerlijkt het. In oud Rome was mirre 5 maal duurder dan wierook. Het werd gebrand bij begrafenissen om de geur te verdrijven.

 

Bijbel.

Exodus 30: 23 ヤGij nu, neem u zeer fijne specerijen ; vijfhonderd sikkel vanzelf gevloeide mirreユユ.

Esther 2: 12 ヤ Wanneer nu een meisje aan de beurt was om bij koning Ahasverus te komen, nadat zij gedurende twaalf maanden aan de voor de vrouwen geldende bepalingen onderworpen was geweest – want de tijd voor het gebruik van schoonheidsmiddelen werd aldus ingedeeld ; zes maanden met mirreolie en zes maanden met balsem en schoonheidsmiddelen der vrouwenユユ.

Psalm 45: 8 ヤmirre, alo en cassia zijn al uw klederenユ.

Spreuken 7: 17 ヤIk heb mijn leger besprenkeld met mirre, alo en kaneel.ユ

Hooglied 1: 13 ヤMijn geliefde is mij een bundeltje mirre, 3: 6 ヤomgeurt van mirre en wierookユ.

Matthe殱 2: 11 ヤen boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirreユ.

Marcus 15: 23 ヤEn zij gaven hem wijn, met mirre gemengdユユ

Openbaringen 18: 13 ヤkaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijnユ.

In het Oude- en Nieuwe Testament wordt het vermeld en gebruikt bij de reiniging van de vrouwen en het balsemen Zie Johannes 19: 39. In het Oude Testament wacht een minnares haar geliefde op al geurend naar mirre. Jonge Joodse vrouwen gebruiken ter verhoging van hun schoonheid een huidbehandeling met mirreolie.

Mirre zet uit bij verwarming, zonder te smelten en geeft dan een aangename geur. Mirre is naast wierook een van de oudst gebruikte middelen bij het roken. De oude Egyptenaren gebruikten mirre in tempels en voor inbalsemen van de doden.  Hier heet ze メanti suモ: droge mirre. Wierook rookten ze voor de zonnegod te Heliopolis driemaal per dag, mirre werd gekozen voor de morgen offers en een ander bij het aanbreken van de dag en een mengsel voor de avond. 1600 v. Chr. werd op de wanden van Karnak geschreven, "de welriekende geuren verheugen het hart" waar op mirre gedoeld werd.

Rosengarten: "Omdat de mirreboom in Egypte niet voorkwam, besloot de vrouwelijke Farao Hatsjepsoet in 1485 v. Chr. ze te halen. Ze moesten dan geplant worden voor een steile rotswand ten westen van Thebe, bij de tempel Dei‑el‑bahri, als een begin van een schitterende mirretuin, ter eren van de god Amon. De expeditie bestond uit 5 zeilschepen die vanaf Thebe de Nijl afvoer naar de Delta, door het kanaal van de Rode Zee en vandaar langs de Afrikaanse kust naar Poent. Ze kwamen terug met 31 mirrebomen, ebbenhout, goud zilver, kaneel, oog make-up, panterhuiden, apen, bavianen, honden en een grote hoeveelheid mirrehars." Cleopatra gebruikte een haarolie van mirre. Op de Eberspapyrus werd het door de heelmeesters in- en uitwendig gebruikt.

Er waren oudtijds twee soorten. Myrrha electa was de beste soort en vloeide vanzelf uit de boom. Die wordt bij Plinius stacte genoemd.

 

Conium maculatum, L. (gevlekt) gevlekte scheerling. Conium is afgeleid van Grieks kanao, konos of koneisthai voor wat in een kring ronddraaien betekent, een verwijzing naar de duizeligheid die optreedt bij het eten van deze plant. Theophrastus en Dioscorides beschreven onder Koneion een plant die waarschijnlijk de gevlekte scheerling was. Conium en Cicuta waren synoniemen, Cicuta groeit niet in zuidelijke gebieden. Conium kan ook uitgelegd worden van het woord kone, dat moord betekent. In het oude Griekenland werden vroeger misdadigers, filosofen (andersdenkenden) met het sap van deze plant uit de weg geruimd.

 

Bijbel.

Gal is de vertegenwoordiger van de Hebreeuwse termen Mererah of Merorah en Rosh of Rosj. De eerste twee duiden aan, dat is bitter .(Job 13: 26) Deze term is ook gebruikt bij de doordringendheid van gal wegens zijn intense bitterheid. (Job 16: 13, 20: 25) Ook gebruikt als vergif van serpenten. (Job 20: 14)

Verder verwijst het woord rosh naar een plantaardig product. Rosh, gewoonlijk vertaald als gal, is in Hosea 10: 4 een verwijzing naar de scheerling, in Job 20: 26 wijst ze op het gif of venijn van slangen. In Deuteronium 29: 18 en Klaaglied 3:19, vergeleken met Hosea 10: 4, is het een teken dat het Hebreeuwse woord duidt op een bittere, waarschijnlijk giftige plant. (Holy Bible) Als bittere plant kan dit ook als alsem vertaald worden, maar kan ook voor elk bitter kruid genomen worden.

 

Citrullus.

Citrullus colocynthis Schrad. (kauwoerde) Citrullus heeft zijn naam van de Griekse kitron, de citroen. De vruchten lijken op een sinaasappel of op andere Citrus soorten.

ユOnze voorvaders noemden het ook Fel terrae en Nex plantarum of Mors in olla, als of men zei aardgal, dood van alle kruiden of dood in de pot omdat dit gewas zo bitter en schadelijk is dat het de naaste kruiden laat stervenユ.

1 Koningen 6:18 ヤEn cederhout was aan het huis van binnen, beeldwerk van kolokwinten en open bloemknoppenユ, 7: 24 ヤBeneden de rand waren  kolokwinten, die haar geheel omgaven, tien in een el, geheel rondom de zee, in twee rijen zaten de kolokwinten in een gietsel met haar gegotenユ.

De vertaling van de mysterieuze bloemknoppen lijkt logisch naar het vervolg dat het een kolokwint is. Het Hebreeuwse woord is kユlaユat pユkaim wat literair betekent een uitkomende bloem.

2 Koningen 4: 39-40 ヤToen Elias naar Gilgal terugkeerde, was er honger in het land. Terwijl de profeten voor hem gezeten waren, zei hij tot zijn knecht: Zet de grootste pot op en kook moes voor de profeten. Daarop ging er een naar het veld om groenten te plukken; en hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan wilde kolokwinten, zijn kleed vol. Toen hij teruggekomen was, sneed hij die in stukjes in de moespot; want zij kenden ze niet. Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten. Maar zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij het uit: De dood is in de pot, man Gods! En zij konden het niet eten. Doch hij zei, Haal dan meel. En hij wierp het in den pot en zei: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen was er niets kwaads meer in de potユ.

De vergiftigde vrucht van een wilde klimplant werd door de jonge profeten bij vergissing voor eetbare meloenen gehouden. Waeker vermeldt dat het woord dat daar gebruikt wordt pakknoth'sadeh is, wat openbarsten betekent. Kユlaユat pkaim of pakknoth-sadeh, In Grieks werd het vertaald als een rond soort wilde kauwoerde.

Naar het vroegere gebruik om het met meel te mengen is het eetbaar, maar blijft bitter. Naar de tekst te oordelen kende Elisa deze vrucht en handelde dienovereenkomstig. Vreemd blijft evenwel dat dit Sunamitische natuurvolk de vruchten niet kent die vlak bij hen groeien. Momenteel wordt de kolokwint geteeld om zijn eigenschappen, die had het vroeger ook.

Linnaeus geloofde dat Cucumis prophetarum, L. de profetenplant was van Elias, zijn vruchten zijn maar een paar cm in diameter en ofschoon ze bitter zijn, niet giftig. Ook zijn er die denken dat het Ecballium elaterium is. Die is daar gewoon, maar zijn vruchten zijn  bedekt met stekels en dorens zodat het moeilijk is om als voedsel te verzamelen zoals Elisa beschrijft. Ook zullen de rijpe vruchten openbarsten als ze aangeraakt worden. De etymologie van het Hebreeuwse woord paka betekent dan ook splijten of open barsten, maar dat doet de droge vrucht van de kolokwint ook als erop gestapt wordt, eigenlijk alle komkommerachtige. Alleen de kolokwint zou men per vergissing kunnen aanzien voor een meloen. Op de top van de berg Karmel is een veld met smalle, ronde stenen waarvan gezegd wordt dat het de meloenen zijn geweest die door Eliaユ s woede in stenen veranderd werden.

Het Hebreeuwse originele woord voor de wilde druif is gefen sadeh. Moldenke gelooft dat de gal van Deuteronium 29: 18, 32: 32, Psalm 69: 21, Jeremia 9: 15, 23: 15 Klaagliederen 3: 5 en 9, Amos 6: 12, Matthe殱 27: 34 en Handelingen 8: 23 voor deze plant geldt.

In Job 20: 14 wordt het Hebreeuwse woord mユreeroot of merorah vertaald als gal en slaat duidelijk op venijn van serpenten, meer dat van een plant. Waar mユreeroot of merorah verschijnt wordt dit meestal vertaald als gal, het gal van mensen en dieren, Job 13: 26, 16: 13 en 20: 25.

 

 

Coriandrum sativum, L. (gekweekt) Coriandrum komt van het Griekse koriannon (ook korion) mogelijk van koris: een wandluis, en annon: anijsachtig, de bladeren ruiken naar wantsen en de vruchten naar anijs, Duitse Wantlusenkraut, Wanzendill  of Wanzenkraut. Bij volle rijpheid worden ze aromatisch en hoe langer je ze bewaart hoe meer de geur verbetert. Koriander.

 

Bijbel.

Exodus 16: 31 ヤHet huis Isra鼠s noemde het manna, en het was wit als korianderzaadユ.

Numeri 11: 7 ヤHet man leek op korianderzaad en het zag eruit als balsemharsユユ

Het Hebreeuwse woord gad, dat koriander werd in alle vertalingen, lijkt duidelijk te wijzen op korianderzaad. Het wordt geregeld vermeld in de Talmoed.

Het manna werd vergeleken met het witte korianderzaad, Numeri 11: 7 en zag eruit als balsamhars, (Commiphora africana) een hars dat er uit ziet als parels. Hieruit zou je afleiden dat het zaad wit is en van een parelachtige vorm.

Koriander heeft echter ronde, bolvormige en grijs/bruine zaden.

De enigste plant die qua kleur en vorm overeenkomt met de tekst is Sesamum indicum, die als belangrijke olievrucht al vermeld wordt door Herodotus in zijn Babylonische reis.

 

Sesamum indicum, DC. (Indisch) Sesamum, het woord sesamum is genomen van sēsmon of sesame, een oude Griekse naam, dit is een Semitisch leenwoord die door Hippocrates uit het Arabisch is aangenomen, Arabische semsen of simsim, Aramees shūmshĕmā, laat Babylonisch shawash-shammu, dat van Assyrisch shamash-shammū, van shaman shammī; plantolie en dit uiteindelijk van Akkadisch samassammu.

Palestina kweekt de fijnste sesam en het is daar, net als in Egypte, meer dan een broodvrucht, gebruikt voor gebak, dagelijkse gerechten en specerijen. Gepeld sesamzaad wordt verwerkt in de Joodse lekkernij halvah.

Sesamzaad is momenteel een van de belangrijkste olieleveranciers. De zaden bevatten 44‑45% olie, 18‑22% eiwitten en 15% koolhydraten. Sesam levert een olie die bekend is onder de naam gingilic-olie of benne-olie. De olie wordt gebruikt als slaolie, bakolie en in cholesterolarme di奏en, het is een van de bronnen van meervoudig en onverzadigde vetzuren. In India wordt de olie ook gebruikt als een lichaamsolie. In de geneeskunde wordt het gebruikt als laxerend middel en tonicum. Sesam olie wordt niet ranzig, droogt niet op en kan de olijvenolie vervangen. Het zou vroeger wel eens als valse olijfolie verkocht zijn. Met de olijfolie zou het tot de oudste consumptieolies behoren. Sesam zou al duizenden jaren gecultiveerd zijn. Het kruid wordt vermeld in de Eberspapyrus en daar als sesemt 1550 v. Chr., en in Sanskritische geschriften. In een 4000 jaar oud Egyptisch graf is er een afbeelding waar een bakker sesam in deeg roert, in het graf van Toetanchamon werden er zaden van gevonden.

 

Bijbel.

In Exodus en Numeri komt het woord gad voor. Gath is de koningsstad in het land van de Filistijnen. De Hebreeuwse naam betekent persbak, vergelijk Geth-semane: olie-persbak.

Gad komt ook voor in Jesaja 65: 11 waar Gad een Aramese god is die samen met Meni een godenmaaltijd gebruikt. Baal‑Gad zien we in Jozua 11: 17. Gad is ook een persoonsnaam, de zoon van Jacob, een ziener in de tijd van David, verder komt Gaddi en Azgad voor. De stad Gadera lag aan de overzijde van de Jordaan, wat bij Josephus en andere vroegere schrijvers vermeld wordt. Bij Markus 5: 1 en Lukas 8: 26 staat in het Grieks Gadarenen (in plaats van Cerasenen) een plaats die Plinius Gaddara en Strabo Gadaris noemt. Verder is Gadda een stam in Juda tegen het O. van de Dode Zee, Gadda of Engaddi. Gaddi komt voor in 2 Koningen 10: 33, Gader de toren waar Ruben zijn vaders bed schond, Genesis 35: 21, Gaderoth of Gederoth 2 Kronieken 28: 18, Gadgad Numeri 33: 32, een berg Gador, 1 Kronieken 4: 39, een koning van Gader 12: 13 etc.

Gadeira, Gadir of Gades heet nu Cadiz en is een oude Phoenische havenplaats die van 1100 v. Chr. stamt. Naar Parthenius was dit de oude Sesamus die 300 v. Chr. een naamsverandering kreeg.

 

Naar het vele voorkomen van Gad en zelfs als afgod moet die naam, als het op een plant slaat, wel een zeer belangrijke plant zijn. Volgens Meyers betekent Gad geluk.

 

De meeste schrijvers verwijzen in Exodus en Numeri met het woord Gad naar de koriander en zou zo genoemd zijn de in de Talmoed.

Naar de persbak en als olievrucht, een zeer belangrijke handelswaar, kan ook aan de sesam gedacht worden, temeer omdat de olijf landinwaarts geen vruchten levert en sesam dan een goede en gemakkelijke vervanger zou zijn.

Sesam met zijn witte kleur en parelvormige zaden beantwoordt dan ook meer aan de gestelde normen van Exodus en Numeri dan de koriander. Bovendien groeit de olijf, de andere olieproducent, alleen aan de M. Zeekusten zodat meer landinwaarts alleen olie verkregen kon worden door dit te importeren, of door het zelf te kweken, maar dan van de Sesam.

 

Corylus.

Corylus avellana L. Oerverwant zijn uit oud-Iers, oud-Kymrisch coll (uit coslo), wat verwant is met het Latijnse corulus, jonger corylus. Dit woord is gevormd naar het Griekse korus: hetgeen hoed of helm betekent en een verwijzing is naar de bloemkelk die de noot bedekt. Avellana", kreeg het vermoedelijk van de stad Abella (Abellinum) uit het oude Campani of van de stad Abellare uit Turkije, beide centra van de hazelnotenteelt. De Romeinse schrijver Cato vermeldde al de Pontische of Abellana noot. Hazelaar.

 

Bijbel.

In de Bijbel nam Jacob roeden van groen populierenhout en van hazelaar en van kastanje Genesis 30; 37,38.  Meestal wordt er amandelhout vermeld, zie daar.

 

Crocus sativus, L. (gekweekt, tam) Griekse krokos betekent saffraan. Waarschijnlijk is dit afgeleid van kroke: een draad, naar de winning van saffraan stempels. Of naar zijn afkomst, de stad Coricus in Klein-Azi.

In het Arabisch betekent het woord asfar: geel, en za'faran: met geel verven, Perzisch zaafer. In de Semitische taal is het een attribuut van en de morgen- en de avondzon. Van die taal is het Engelse saffron, het Frans safran en het Hollandse saffraan afgeleid.

 

Bijbel.

Hooglied 4: 14 ヤnardus en saffraan, kalmoes en kaneelユ.

In Hooglied 4: 13,14 komt het woord karkom voor of (k)carcon, wat als saffraan vertaald wordt. (Zohary) Dalman geeft als Arabisch woord voor Crocus sativus za'faran en kurkum op, dezelfde woorden worden echter ook gebruikt voor Carthamus en de naam za'faran geldt ook voor Colchicum die ook voor geelverven gebruikt werd.

Saffraan was hier in gebruik als kleur en smaakstof, gelijk als de Curcuma of geelwortel bij de oosterlingen.

In Sanskriet heet saffraan kurkuma en het Aramees heeft kurkema.

 

Curcuma.

Curcuma is de naam van de geelwortel, kurkuma en in enkelvoud kurkum. In oud-Mesopotami is het met de Akkadische naam sam kurkanu gevonden: wat curcuma van de bergen betekent. Het kruid Curcuma groeit dan ook in India op de bergen. Volgens Roxburgh is Curcuma longa, L. de Curcuma van Avicenna en wordt in het Hebreeuws kurkum genoemd.

Dit kruid is mogelijk de karkom of de Arabische kurkum.

Als we naar het Hooglied omzien zien we nardus, kalmoes, kaneel, samen met de karkom. Dit zijn allemaal uitheemse kruiden, afkomstig richting India, mogelijk via de zijderoute.

De saffraan krokus ging in vroegere tijden van west naar oost en kurkum van oost naar west. Als aromatische stof staat de geelwortel ver boven de vrijwel reukloze saffraan en komt dichter bij de in het Hooglied gebruikte kruiden. Saffraan komt dan als inlands gewas ook te kort voor in de Bijbel.

 

Bijbel.

Crocus cancellatus, ヤDamascenusユ G. Maw. (met een rooster, getekend patroon) is grijs/blauw. Crocus hyemalis, Boiss. (behorende tot de winter) De winterkrokus is witachtig  met lila banden van binnen en een gele bodem. Crocus vitellinus, Wahlenb. (dooier van een ei, de kleur) Is oranje/geel en Crocus zonatus, J. Gay (met zones)  in licht lila, komen in Isra鼠 voor.

Hooglied 6: 4 ヤSchoon zijt gij, mijn liefste, als Tirza, lieflijk als Jeruzalemユ.

Door Moldenke wordt aangenomen dat met het woord Tirzah in Hooglied een bloem bedoeld wordt. Omdat de vers begint met een speech van een man aan zijn meisje wordt aangenomen dat er geen stad bedoeld wordt, maar een bloem en noemt de Moffatversie: "Schoon zijt gij, mijn liefste als een krokus, liefelijk als een lelie der dalen".

Dan niet de saffraan, de karkom, maar een voor vermelde soort.

 

Cucumis melo, L. (vrucht) Cucumis is Latijn voor komkommer. Het woord is afgeleid van curvatura: omkromming, omdat de ranken zeer krom zijn. Varro zegt dat het van  curvor komt, Cucummeres, zegt hij, quasi curvimeres, een afleiding die niets zegt, het betekent zoveel als kromkommer.

We vinden in de historie nergens iets terug van de meloen, van de opvallende vrucht wordt het sap nu nog als vervanger van suiker gebruikt. Een vrucht als een kostelijke boomvrucht die op de tong smelt met een goudgele of zacht witte kleur. Een vrucht die met zijn geur de markt vervult, een vrucht met zijn geur vergeven. Zo'n vrucht moet wel meerdere malen beschreven zijn.

Eerst onder de latere Romeinse keizers herkennen we in een schrift een als Melo genoemde vrucht die, net als de perzik, tot de delicatessen gerekend werd. Plinius bericht dat in Campani toevallig een nieuw soort komkommer ontstaan was, "mali cotonei effigie", ofwel "ingesloten met de goudgele kleur van de kwee". Het wonderbare van deze melopepones was, buiten de ronde vorm, de geur. De naam werd later afgekort in oud-Frans tot melon, van laat Latijn melo en dit van melonis. Meloen, Duits Melaun of Melun, Melone of Zuckermelone, Engels melon en Franse melone sucre.

 

Bijbel.

Numeri 11: 5 ヤユWij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en de meloenenユ.

In Numeri 11:5 komt het woord avatiach, avatichim of abattichim voor, als een van de dingen die ze vanuit Egypte misten. Volgens Moldenke slaat dit op de meloen. Er is twijfel of dit de muskusmeloen of de watermeloen is, Citrullus vulgaris, beiden waren aanwezig in Egypte en Palestina. Volgens Dalman is het Arabische woord battich, wat wel wat lijkt op a‑battich‑im.

 

Cucumis sativus, L. (gekweekt) komkommer. De komkommer van de oudheid was een grote en nu niet meer gekweekte soort die voor verfrissing werd gegeten, in stadium van rijpheid werd de vrucht gekookt of gebakken. De komkommer werd wel gebruikt als een soort beulingen, men stopte ze vol met vlees en kruiden, waarna ze gekookt werden en zo opgediend.

 

Bijbel.

Numeri 11: 5 ヤWij denken terug aan de vis, die wij in Egypte aten om niet, aan de komkommers en meloenenユ

Jesaja 1: 8 ヤEn de dochter van Sion is achtergebleven als ene hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveldユ.

Het woord dat in de bijbel gebruikt wordt en vertaald als komkommer is kishuim of kisjoeim, een komkommerhof is echter miksjah.

Soorten van Cucurbitaceae komen voor in Numeri 11: 5, als een van de vruchten waar de Joden naar verlangden en ze misten vanuit Egypte.

Met het woord kischuim en abattichim worden komkommers en meloenen aangeduid. Het zijn woorden die tot op de huidige dag nog bij Semitische volkeren bestaan. De komkommer is wel een meloenvorm geweest met kleine vruchten, niet groter dan een kippenei, die in de tijd dat het gehele Nijldal nog niet voor akkerbouw gebruikt werd, daar overvloedig in het wild werd aangetroffen. Bij de komkommer wordt aan Cucumis chate, L. gedacht, de stamvorm van de komkommer, een grote lange vrucht die nog onder deze naam in de Levant gebruikt wordt.

Bij Homerus en Hesiodus vinden we voor deze vruchten later gebruikelijke benamingen, een aanduiding, die op de kennis hiervan zou kunnen slaan. Zoユn naam komt met de naam van de stad Sicyon: de komkommerstad, overeen hoewel er twijfels kunnen zijn over de datum van invoering in de Ilias. De stad Sicyon heette bij Hesiodus nog Mekone. Waarschijnlijk kwam zo de eerste komkommer in de 5de eeuw v. Chr. naar Griekenland en mogelijk terzelfder tijd naar Itali.

 

Cuminum cyminum, L. (komijn) De voor Aziatische plant heet in Sumerisch gamun, in het Assyrisch kamunu: muizenkruid, in het Arabisch kammun of kamuwn en in het Hebreeuws chamonach en vandaar kammon, in Ethiopi kemun. Uit het Semitische woord kammon: specerij, is over het Griekse κύμινον, kuminon of kyminon, het Latijnse cuminum afgeleid en dit betekent voortbrengen omdat het kruid zeer krachtig zou zijn tegen onvruchtbaarheid. Volk etymologie verbindt het woord met de Perzische stad Kerman waar, zoals het verhaal gaat, de meeste van de oude Perzische komijn vandaan kwam.

 

Bijbel.

Jesaja 28: 25 en 27 ヤImmers, als hij de oppervlakte gelijk gemaakt heeft, dan strooit hij dille en werpt komijn uit, en tarwe zaait hij op rijen, gerst in vakken en spelt langs den rand. En zijn God onderricht hem over de juiste wijze en onderwijst hem. Dille toch wordt niet met een dorsslede gedorst en over komijn rolt men geen wagenrad, maar dille wordt met een stok uitgeklopt en komijn met een roedeユ.

Matthe殱 23: 23 ヤwant gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijnユ.

In Jesaja 28:25/27 wordt verhaald hoe het geoogst wordt, een manier die nog steeds gedaan wordt. Op een andere manier zouden de zachte zaden verwoest worden.

In het Hebreeuws heet het cammon, cammoin of kammon. Een plaats wordt zo genoemd bij Acre, Kammon, die zijn naam aan het kruid heeft te danken.

 

 

Butomus.

Butomus umbellatus L. (scherm vormend) zwanenbloem. Butomus komt van het Griekse boutemos, bous: een os, en temno: snijden, een verwijzing naar zijn scherpe sap dat in de mond bloeding veroorzaakt. Of van ossen snijden omdat de ossen ze graag eten en afsnijden. Een naam van Theophrastus, 4de eeuw v. Chr.

 

Bijbel.

De zwanenbloem zou volgens sommigen de plant van de Nijl zijn in de Bijbel, waar de koeien na de zeven jaren zich te goed deden aan het oevergras.

Genesis 41: 2 ヤEn zie uit den Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en zij weidden in het oevergrasユ.

Job 8: 11 ヤGroeit het oevergras, waar geen water is?

Er is onzekerheid over dit woord. Mogelijk dat het woord achu in Job 8:11 slaat op zo'n soort, soorten die niet zo nuttig zijn als Cyperus esculentus. Achu is een woord van Egyptisch origine, dat op een groen en arm kruid slaat die in vochtige plaatsen groeit.

groeit. In de Job passage groeit het samen met papyrus zodat het wel een bijzonder soort plant moet zijn, geen algemeen voorkomend gras. Het groeit langs het water en is geen papyrus, dan zou het Butomus kunnen zijn die daar voor komt. Zie Cyperus esculentus, maar die houdt meer van zandige, drogere gronden.

 

Scirpoides holoschoenus (L.) Sojk (Scirpus-achtig) (volkomen knopbies)Kogelbies,

Scirpus zou afgeleid zijn van een Keltisch woord, cirs, wat touw betekent. Of van Latijn scirpo: ik bind, gebruik .

 

Bijbel.

Genesis 41: 2 ヤEn ziet uit den Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en zij weidden in het oevergrasユ. Dat een van deze planten voedend zou zijn lijkt twijfelachtig, zie Butomus.

Job 8: 11 ヤ Schiet de bie op, waar geen moeras is? Groeit het oevergras, waar geen water is?ユ

Jesaja 9: 14, Toen sneed de Heer op een dag van Isra鼠 kop en staart, palmtak en riet afユ,19: 6 en 15 ヤ zodat de rivieren stinken, de Nijlarmen van Egypte droog lopen, riet en biezen verwelkenノEn Egypte zal geen werk hebben, dat door kop of staart, palmtak of riet, zou kunnen gedaan wordenユユ.

In Isra鼠 zijn er een 15 Scirpus en 21 Juncus soorten. Zij groeien op vochtige gronden, moerasgronden. Mogelijk dat het woord achuin of achu in Job 8: 11 slaat op zo'n soort, soorten die niet zo nuttig zijn als Cyperus esculentus, de bies is wel Cyperus. Achu komt ook voor in Genesis, het is een woord dat van Egyptische origine is.

In Jesaja is het woord agmon of aghmon. De context lijkt te wijzen op een laag groeiend (symbolische nederige) plant als contrast tot de hoog groeiende (trotse), de hoge zou dan een palm zijn.

Ze bezitten een wortelstok en kunnen zo vele uitlopers maken en zijn daardoor grond bindend. Juncus maritimus, Juncus effusus, Scirpus holoschoenus var. linnaei, Scirpus lacustris, en Scirpus maritimus groeien daar.

 

Cyperus.

Of Cyperus stamt van Cypris (Venus) naar zijn minnedrift verwekkende eigenschappen. Of van het Hebreeuwse kophur: hars, dit naar de wortelstok van Cyperus longus die in de parfumindustrie gebruikt wordt. (vergelijk Cupressus)

 

Cyperus esculentus, L. (eetbaar) Knolcyperus, aardamandel en koffiewortel.

Door de Arabieren wordt de rietplant babeer genoemd. Biezen worden vertaald uit aroth of arot wat soms vertaald wordt als weiden. Onzekerheid heerst er echter over deze vertalingen.

 

Bijbel.

Dit gewas, zou naar zijn voorkomen, het welriekende oevergras, achu (kophur ?), kunnen zijn van Genesis 41:2. zie Butomus. Het woord vertaald als oevergras is achoe of achu. Dit is volgens Concordantie een Egyptisch woord en zou dus op een bepaalde plant kunnen slaan. Om te weiden moet de grond dan wel stevig zijn, het gras niet te hoog en eetbaar. Door Moldenke wordt Butomus voorgesteld, Concordantie noemt ook Cyperus esculentus.

 

Cyperus papyrus, L. (papier leverend) Het woord papyrus en dus ook ons woord papier is afgeleid van het oude Egyptische woord "pa-per-aa": dat "van de farao of koninklijk materiaal" betekent. Via het Griekse papyros verscheen ons woord papier. De Egyptenaren hadden een monopolie van dit papier maar de Fenici喪s beheersten de handel hiervan, via hun haven Byblus. Bij de Grieken kwam dit papier dan ook uit Byblus. Hun naam ervoor was dan ook byblus en vandaar kwam de uitdrukking biblion (boeken) en tenslotte onze naam voor het Boek der Boeken, de Bijbel.

 

Bijbel.

Van dit materiaal zouden in Abessini nog boten gemaakt worden. Dit gebruik stamt uit de oude Egyptische tijd. Naar dit voorbeeld probeerde Thor Heyerdal te bewijzen dat met een boot van dit materiaal de oceaan overgestoken kon worden. De boot noemde hij Ra II.

Zo'n boot komt ook in de Bijbel voor: Job 9:26 "Zij glijden voorbij gelijk biezen boten" en zo ook in Jesaja 18:2.

Jesaja 19: 6-7, 35: 7, 58: 5: "De Nijlarmen van Egypte leeglopen en droog worden, riet en biezen verwelken". Riet hier, gomeh of gome duidt vermoedelijk op Cyperus papyrus. Het Hebreeuwse woord voor papierplant zou gome, gomeh of gome zijn. Het biezen kistje van Mozes zou ervan gemaakt zijn, Exodus 2:3 ユdaarom nam zij voor hem een biezen kistje, bestreek het met asfalt en pek, legde het kind er in en zette het in het riet aan den oever van den Nijlユ.

:Het zou ook het oevergras van Job 8: 11 zijn,  "Schiet de bieze op, waar geen moeras is? Groeit het oevergras waar geen water is?" In Job is het eerste woord gome. (mogelijk Cyperus papyrus)

 

Schrijven.

3 Makkabee創 4: 20 komt de schrijfpen voor, ook in 3 Johannes 13, zie Arundo. Pennen om te schrijven op perkament of huiden waren gewoonlijk van riet. De oudste bekende schrift van schrijven van een Semitisch ras zijn waarschijnlijk de stenen van Ninev en Babylon. De oudste vermelding van schrijven in de bijbel is waarschijnlijk Numeri 17: 3 (rond 1471 v. Chr.) waar we zien dat het schrijven gedaan werd met hout. In 2 Esdras 14: 24 worden schrijftabletten van bukshout genoemd. In Job 19: 24 is een methode van schrijven van woorden in rots genoemd die dan gevuld wordt met gesmolten lood. In 2 Johannes 12 en 3 Makkabee創 4: 20 wordt papier of papyrus vermeld. Voor gewoon gebruik worden houten tabletten bedekt met was, Lucas 1: 63. om hierop te schrijven was een gepunte stift ontwikkeld die vaak van ijzer was. Voor hardere materialen was een graveerstift ontwikkeld. Alleen voor het schrijven op perkament en huiden waren rietpennen nuttig. De inkt was lampzwart die opgelost was in galsap. Het werd in een koker gedragen aan de gordel, Ezechi鼠 9: 2-3. De ambachtelijke schrijvers vinden we in Psalm 45: 1, Ezra 7: 6 en 2 Esdras 14: 24.

Herodotus vermeldt dat de Ioni喪s de kunst van schrijven leerden van de Fenici喪s en dat hun boeken huiden genoemd werden omdat ze schapen en geitenhuiden gebruikten als er tekort papyrus was. In Josephus dagen werd perkament gebruikt voor het manuscript van de Pentateuch. De perkamenten van 2 Timothe殱 4: 13 waren perkamenten huiden. De Talmoed zegt dat de Wet alleen op huiden van zuivere dieren of vogels geschreven mag worden. Deze huiden werden opgerold op een of twee staven en met een draad bevestigd, de einden werden verzegeld, Psalm 40: 7-8, Jesaja 29: 11, 34: 4, Jeremia 36: 14, Ezechi鼠 2: 9-10, Dani鼠 12: 4, Zacharias 5: 11, Openbaringen 5: 1. de rollen werden meestal aan een kant beschreven, zelden aan twee kanten, Ezechi鼠 2: 9-10, Openbaringen 5: 11.

 

Diospyros ebenum. In oud-Egyptisch, wiens klinkers we niet kennen, heet het hout hbnj, (in Arabisch en Turks is het abenos, in Hebreeuwse Eben: steen, ebenezer: steen van mijn hulp) dit woord werd tot Grieks hebenos of ebenos en dit tot Latijn (h)ebenus. Vandaar stamt ebbenhout.

Diospyros, hierin zit het woord dios: goddelijk, en pyros; peer, of puros: tarwe, letterlijk een goddelijk voedsel.

 

Bijbel.

Ezechi鼠 27: 15 ヤivoor en ebbenhout brachten zij u als schattingユ.

In Ezechi鼠 27: 15 wordt het woord hobnim of havnim dan ook voor ebbenhout vertaald. Het is mogelijk dat dit door de Phoenici喪s van ver gehaald werd, uit India of van Ceylon. (Sri Lanka) Hoewel ze dit hout ook uit Afrika of Madagaskar konden halen als van Diospyros dendo, Diospyros haplostylis en Diospyros mespiliformis.

Van Dalbergia melanoxylon Guill stamt het ebbenhout van Senegal. Ebenoxylum verum levert het ebbenhout dat al in de  piramidebouw gebruikt en later uit Somali gehaald werd.

Het hout werd gebracht naar hun haven Tyrus en over land getransporteerd met kamelen. Ebbenhout en ivoor werden gebracht, mogelijk omdat ze samen gebruikt werden, of dat ze uit hetzelfde land gehaald werden. In Afrika is het ivoor van de olifanten groter en komt ebbenhout voor, dus. Nog wordt het witte ivoor ingelegd in het zwarte ebbenhout voor de contrastwerking.

 

Dorens.

Onder doornen verstaan wij een doornbos, distels of netelige gewassen. Deze drie door ons gebruikte termen zijn afgeleid van 18‑22 Hebreeuwse en 4 Griekse woorden die op prikkelende en doornige struiken slaan. Een enkele naam zou op een botanische naam duiden die dan voor ons nog vaak onbekend is. De meeste verwijzingen zijn dan ook nog vaak in figuurlijke zin gebruikt. Een doornig struikgewas, dit kan al op veel soorten slaan, de hoge struiketages van de Maquis, of de bedekking van de woeste gronden met lage doornige planten, de Batha. Deze doornige struiken zijn vaak door menselijke activiteit ontstaan. Sommige struiken hebben zich in de loop der eeuwen aangepast aan de vraat van de schapen en geiten, ezels en kamelen. Door menselijke activiteiten en het grazen van dieren is er een selectie ontstaan waarin vele stekelige planten gaan overheersen, omdat die planten tot het laatste toe gespaard zijn gebleven wegens hun doornen.

De meeste dorens zijn schadelijk voor de landbouw en slechts een enkel soort brengt vruchten voort die geschikt zijn voor consumptie. De meeste zijn echter alleen maar geschikt om als brandhout te dienen.

Het uitroeien van de doornstruiken om de akkers zaaiklaar te maken, behoorde tot de zwaarste werkzaamheden. In de zomer, tijdens de grote hitte en droogte, vatten ze gemakkelijk vlam en werden wel in brand gestoken. Verschillende malen wordt er dan ook gesproken over het branden van de doornstruiken. Wanneer die aangestoken branden de oogst of goederen van anderen aantastte bepaalde de wet van Mozes dat hij die de brand had aangestoken die moest vergoeden. (Exodus 22:6) Dat die doornen toch moeilijk te zuiveren waren zien we in Jeremia 4: 3. Vooral tijdens de oogst werden er ook doornen geoogst. (Richteren 8:7/16) De dorens en distels waren ook het symbool van zonde en ongerief, het is de straf die Adam kreeg opgelegd. (Genesis 3: 18) Het symbool van kwaaddoeners. (2 Samuel 23:6) Voor de vijanden van Isra鼠. (Numeri 33: 55) Zelfs is er sprake van verwoesting door doornen. (Jesaja 34:13) De akkers van de luiaards was dan ook gans opgeschoten met distels en netelen. (Spreuken 24:30)

De akkerbouwer ziet de distel dan ook als straffe Gods, Genesis 2.

Als straf voor de zondeval, Genesis 3:17-19, distels en doornen zult gij eten. Ontstaan door een woordbreuk, Job 31: 40. In de bijbel betekent de distel verval Jesaja 5:6, 7:23, 34:13 en Spreuken 24; 13.

 

Acanthus is afgeleid van het Griekse akanthos, ake: een doorn, anthos: een bloem.

In warmere streken zijn er Acanthus soorten die wel als onkruid kunnen voorkomen als Acanthus syriacus, Boiss. (uit Syri) Ze zijn zeer lastig vanwege hun gedoornde bladeren.

Job 30: 7, ヤTussen de struiken balken zij,

Onder de netelen hokken zij samenユ.

Zefanja 2: 9 ヤMaob zal aan Sodom gelijk worden, en de Ammonieten aan Gomorra, een veld van distels en een zoutgroeve en een woestenij tot in de eeuwigheidユ.

Het zou de netel, charul, kunnen zijn die volgens sommige toch echte brandnetels zijn, Urtica. Maar  ヤonder de netels hokken ze samenユ slaat wel op een hogere plant. En deze planten steken net zo goed als een brandnetel. Bovendien wordt hier het woord charul gebruikt in plaats van het woord kimmosh dat in Jesaja en Hosea verwijzingen zijn naar echte netels en het lijkt er op te wijzen dat hier een andere plant bedoeld wordt. Ook in Zefanja wordt in de originele tekst charul gebruikt. Het zou ook om doornige struiken kunnen gaan zodat het woord als struik, dorens, netels en als onkruiden vertaald wordt.

Acanthus wordt door Josephus gebruikt als de plaats waar Titus zijn leger vestigde, Akanthon, Vallis spinarum. De Arabische naam voor de plant is mar'awila. (Moldenke)

 

Centaurea.

Centaurea, het Griekse kentaureion is een klassieke naam van een plant naar de fabel van Ovidius dat die plant de wond genezen zou hebben van de voet Chiron of Chiron. Deze centaur was de eerste die de wond helende eigenschappen ontdekte. Hij genas de wond die hij had gekregen van een pijl die vergiftigd was met het bloed van het Pelopenese monster, de honderd koppige Hydra.

De meeste soorten van "korenbloem" zijn echte distels en zo stekelig dat ze het lopen op plaatsen met die planten bezet vrijwel onmogelijk maken.

 

Bijbel.

Genesis 3: 17-18 ヤEn tot de mens zei Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft en doornen en distels zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas van het veld eten, in het zweet van  uw aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijtユ.

2 Koningen 14: 9 ヤDe distel op de Libanon zond tot de ceder op de Libanonユ.

2 Kronieken 25: 18 ヤMaar de dieren van het veld op den Libanon kwamen voorbij en vertrapten den distelユ.

Hosea 10: 8 ヤDoornen en distels zullen uw altaren overwoekerenユ.

Hebree喪s 6: 8 ヤdoch als hij doornen en distels draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloekingユ.

Matthe殱 7: 16 ヤAan hun vruchten zult gij ze kennen, men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels?ユ 13: 7 ヤEen ander deel viel op de dorens en de dorens kwamen op en verstikten hetユ.

Mogelijk zijn het een van de stekelige onkruiden onder de naam Dardar in de H. Schrift. Dardar betekent tranen. (Genesis 3:17)) In Grieks betekent het een prikkelige plant dat gebruikt wordt in het N. T. en verwijzen naar distels. Dit zou ook op een artisjok kunnen slaan, naar de tekst "Ik zal het naar je toebrengen". De kardoen en artisjok, Cynara cardunculus en Cynara scolymus, zijn inlands in Palestina. In oud Egypte was dit een geliefde groente. Een Egyptische koning beschreef dat hij bij een veldtocht in Libi de wilde distel, kinara, verzamelde. Handeldrijvende Grieken noemden de plant skolymus. Op afbeeldingen in Egyptische grafkamers is de kardoen of artisjok te zien. In de 8ste eeuw v. Chr. kwam het naar Griekenland, 2de tot 4de eeuw na Chr. naar Z. Itali en pas in de 15de eeuw naar boven Itali en Frankrijk.

Scolymus maculatus L. (gevlekt) Scolymus, Grieks skolos: doorn, de bladpunten. Gouddistel. Is vrijwel gelijk met de Mariadistel, Silybum marianum Gaertn. en de minder of niet gevlekte Notobasis syriaca. (uit Syri)

Job 31: 40 ヤen dan mogen dorens voor tarwe opschietenユ.

Jesaja 34: 13 ヤIn zijn burchten schieten dorens opユ. De naam in Job is choach, wat in Grieks vertaald werd als net als dardar in tribulus. Velen denken dat het Notobasis syriaca als een plant die gewoon is in Jobs land.

Maar er groeien 125 distelsoorten in het Heilige Land. Een van de gewoonste en degene die meestal geciteerd wordt is de echte sterdistel, Centaurea calcitrapa, L., Centaurea iberica, Trev. Centaurea verutum, L. en Silybum marianum Gaertn, ook Notobasis syriaca. Mogelijk is de naam Dardar de naam voor de sterdistel, Matthe殱 13: 7 en Hebree喪s 6: 8, Centaurea calcitrapa, en de naam choach een algemene naam voor alle stekelige onkruiden.

De Arabische naam voor Centaurea calcitrapo, L. is schaub‑ed‑dardar, Scolymus pallescens, Del. (verblekend) en heet in N. Arabi durdar.

Sommige schrijvers zijn misleid door het Griekse woord en veronderstellen de land caltrops, aardangels, Tribulus terrestris, L., nu Pedalium murex. Het woord tribulus in de Septuagint komt voor een deel van de vertaling van het woord dardar. Maar het zou niet deze plant zijn die pas later de naam kreeg van Tournefort.

 

Xanthium strumarium, L. (kropachtig) (Dodonaeus) (a) ヤDe Grieken noemen dit kruid Xanthion en die naam wordt door de Latijnse schrijvers ook gebruikt. Het wordt Xanthium genoemd omdat het haar rood kan maken, want Xanthos in het Grieks betekent rood of roze van kleurユ. Dodonaeus (b) メMen noemt het ook Strumaria omdat het de kropzweren, dat zijn de zwellen die in het Latijn Strumae heten, geneestユ. Het kruid komt op vele plaatsen voor. Op de meeste plaatsen is de afkomst te wijten aan het transport van de vruchten op Spaanse- of Hongaarse wol, waarin de vruchten zich vastgehecht hadden. Die wol werd op andere plaatsen verwerkt en zo werd het een wereldplant.

Het zou de dorens kunnen zijn van Jesaja 34: 13  en Hosea 9: 6, in Hebreeuws kimosh of kimmesonim. De plant is pijnlijk prikkelend en daarom logisch voor de Hosea passage.

 

Lycium barbarum, L. (vreemd, buitenlands, van de barbaren) Linnaeus heeft deze plant de naam Lycium gegeven omdat hij dacht aan de bij Dioscorides met Lykion aangeduide doornige struik. (dat Lycium was de naam van Rhamnus saxatiles) Boksdoorn.

 

Bijbel.

Als doornstruik (braam) zou ze kunnen voorkomen in Richteren 9: 14-15. De Hebreeuwse naam die daar gebruikt wordt is atab of atad, dit naar zijn schaduw gevende en neerbuigende gestalte. Ongetwijfeld is het ヤplein van de doornbosユ, Genesis 50: 10, waar een rouwplechtigheid voor de overleden Jacob gehouden werd niet anders dan zoals de Hebreeuwse naam goren ha-atad trouwens uitdrukt, een dorsvloer omgeven  door een haag van atad, de boksdoorn.

Op andere plaatsen, waar distels en dorens van de woestijn voorkomen, zijn mogelijk species van de braam bedoeld.

 

Rubus.

Rubus is afgeleid van het Keltische rub:  Latijn ruber: rood, naar de kleur van de vruchten van sommige soorten. Of van Keltisch reub: scheuren of trekken. Of van het Griekse raptoo: naaien, de gespleten stengels werden gebruikt voor allerlei vlechtwerk. Rubus was in Latijn een verzamelnaam voor allerhande struiken.

 

Rubus ulmifolius, Schott. (met blad als iep)  (Rubus sanctus, Schreb. )(gewijd, heilig) Heilig, omdat de Joden denken dat dit de plant is van het brandende bos in de woestijn.

Deze soort, met op iep gelijkende bladeren, is een altijdgroene en krachtig groeiende en zeer brede struik van 4-6m hoog  met sterk afstaande twijgen. Die zijn scherp gekant en gegroefd en wortelen aan de top. Ze is overvloedig op de Libanon en Palestina.

Op plaatsen, waar distels en dorens van de woestijn voorkomen, zijn mogelijk species van de braam bedoeld.

In Numeri 33: 55, Richteren 8: 7 en 16, Jesaja 7: 23-25, 9: 18, Lucas 6: 44 komen dorens voor, bramen. Wat bramen werd staat voor atab of atad. In Numeri 33: 35 is het woord sikim tot dorens geworden. De meeste denken dat met deze woorden echte bramen bedoeld worden.

 

Urtica.

Urtica is afgeleid van Latijn uro: branden. Alle groene delen van deze planten zijn bedekt met korte, prikkelende haren en met brandharen.

 

Bijbel.

Netelplanten zijn al sinds de oudheid gebruikt ter genezing van reuma en stimulerend bij verlammingen. In Griekenland worden ze door jonge vrouwen gebruikt met Pasen, als een herinnering aan Christus lijden.

De naam kimoosh of kimmosj zou deze of andere species van de brandnetel kunnen zijn. (Jesaja 34: 13, Hosea 9: 6) als planten van verstoorde milieus en menselijke activiteiten. De Arabische naam is kurres (Dalman).

 

Ruscus aculeatus, L. (stekelig) De naam (b)Ruscus is ontleend aan het Keltische brus: box (Buxus) en kelen: heilig, het heilige palmboompje. Zo is de plant in modern Itali bekend onder twee namen of vormen, rusco en brusco.

 

Bijbel.

In Ezechi鼠 2: 6 en 28:4, wordt het woord sillon of silonim vertaald als doorn, van uit het Grieks vertaald betekent het een stekelige plant die pijnlijk is. Dit is waarschijnlijk dezelfde plant als de drager van de tegenwoordige Arabische naam voor de muizendoorn, sullaon of shallum. Zie Rubus.

 

Solanum incanum, L. (grauw, grijs)  (Solanum sanctum, L. )(geheiligd) De gele vrucht heeft de grootte van een smalle onrijpe tomaat, is bitter en giftig.

De vrucht wordt soms ge貧fecteerd door een insect die het vruchtvlees en de zaden opeet. Van buiten lijkt de vrucht dan nog wel intact, van binnen is die dan echter gevuld met stof en as en werd om die reden dan ook Sodomsappel genoemd.

De Palestijnse nachtschade is een 1‑1,5m hoge plant met korte, scherpe dorens en om die reden wordt het gewas dan ook wel als haagplant gebruikt.

Volgens Polunin & Huxley is echter Solanum incanum, L. inlands in Isra鼠 en niet Solanum sodomeum, L. (Sodom-achtig) Een dwaling in de vertaling zou hiervan de oorzaak zijn.

Solanum incanum L., de Palestijnse nachtschade is overvloedig in de Jordaanvallei en Dode Zee. De Hebreeuwse naam chedek in Micha 7: 4 en Spreuken 15: 19 is opvallend gelijk met de tegenwoordige Arabische naam khadak en hedek. De Griekse vertaling voor de laatste twee betekent een stekelige plant die pijnlijk kan zijn.

 

Sinapis arvensis, L. (van de akkers) Sinapis heet het gewas omdat het de tranen uit de ogen perst van hen die ze onbedacht gebruiken, de neus rood maakt en de ogen doet zwellen. Of verwant met rapus: raap, naar de sterke wortel.

 

Bijbel.

Herik of krodde is een zeer lastig onkruid en valt vooral op in de graanvelden met haar heldergele bloemen. De Arabische naam voor deze plant is chardal of khardul. (Volgens Dalman Barrisin). Mogelijk is het de herik die bedoeld wordt in Job 30: 7 en Zefanja 2: 9.

De Hebreeuwse naam die daar gebruikt wordt is charul of chaulim. Volgens Concordantie komt dit woord ook voor in Spreuken 24: 31. Mogelijk zijn ook andere netelen of distels bedoeld en is charul meer een algemene naam.

 

Het woord dat als haag vertaald wordt in Ecclesiasticus 10: 8 is mユsoochah. Maar de haag van Ezechi鼠 wordt vertegenwoordigd door het woord gader.

 

 

Doornenkroon.

Paliurus spina-christi, Mill. (dorens van Christus) Paliurus is genomen van de oude Griekse naam voor de plant, Paliouros. Van belang bij de soortenkennis is of de plant bladverliezend of niet want er is en was verwarring en waarschijnlijk met Zizyphus spina-Christi; ヤPaliurus verliest zijn bladeren ヤs winters en verschilt daarin van de Rhamnus (Zizyphus spina-Christi) die altijd groen blijft, dan in het begin van de lente brengt het jonge scheutjes of knoppen voort, als Plinius betuigt.

 

Bijbel.

In Jesaja 7: 7: 19 en 55: 13 wordt het woord shait voor doornen vertaald en sjamir voor distels. De Arabische naam samur zou duiden op een gewone en geen vruchtdragende boom, dit zou dezelfde zijn als de naam thamoer die in sommige streken aan de wegedoorn, (Rhamnus) wordt gegeven, maar in de Jordaandal aan de Christusdoorn. Mogelijk zijn de verwijzingen in Jesaja voor deze plant bedoeld.

Volgens Dalman is de Arabische naam voor de Christusdoorn samur.

Matthe殱 27: 29 ヤook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofdユ,

Johannes 19: 2 ヤEn de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofdユ.

 

Rhamnus stamt van het Griekse rhamnos: naaien of steken, de dorens. Of van staf, vanwege de stafvormige twijgen. Grieks Ραμνоυς, Ramnous, is een archeologische plaats in Griekenland, noordoost van Attica. Hier overwonnen de Grieken de Perzen in 490 v. Chr., de slag van Rhamnus is genomen naar de Rhamnus bosjes die daar in overvloed groeiden. Wegedoorn.

Rhamnus palaestina, Post. (uit Palestina) Bloeit met kleine witte bloemen.

In oktober/november ziet de struik er aantrekkelijk uit vanwege de donkerblauwe vruchten.

De jonge takken worden in de zomer houtig en eindigen in stekelige punten. De struik is dan ook heel geschikt om er hagen van te maken. Sinds eeuwen wordt de plant gebruikt om er omheiningen rondom wijngaarden van te maken.

De Palestijnse boksdoorn is een altijdgroene struik of kleine boom, van 2m.

 

Bijbel.

Genesis 3: 18, Exodus 22: 6, Job 41: 2, Psalm 58: 9, Spreuken 15: 19, Ecclesiasticus 10: 8, Jesaja 5: 5, 33: 12, Ezechi鼠 2: 6, 13: 5, 22: 30, Hosea 2: 6, Nahum 3: 17, Marcus 12: 1, Lucas 14: 23.

In de Bijbel is het mogelijk de plant die als haag gebruikt wordt. In de bijbel worden 22 woorden gebruikt om dorens of doornige hagen aan te duiden. Drie ervan zijn dorens geworden, doornachtige struiken, chadek, ketz en kimmeshonim. Net als bij ons met bramen, frambozen, dorens, netels, distels is er veel verschil over de betekenis van welke dorens voorkomen. De dorens van Matthe殱 27: 29 en Johannes 19: 2 Palirius spina Christi of Zizyphus spina Christi.

Het woord dat als haag vertaald wordt in Ecclesiasticus 10: 8 is mユsoochah. Maar de haag van Ezechi鼠 wordt vertegenwoordigd door het woord gader.

 

Zizyphus is afgeleid van zizouf, de Arabisch/Egyptische naam.

Ziziphus spina‑christi, Willd. (dorens van Christus) (Rhamnus spina‑Christi L.) is een 6‑10m groot wordende boom.

 

Bijbel.

Deze struik/boom groeit in de meer warmere gebieden als Egypte, maar ook in Isra鼠 op de rotsheuvels van Huleh en in de Jordaanvallei. Opvallend is bij deze boom dat de stam meestal gedeeld is in twee of drie takken die de top van de boom een aparte verschijning geven, meestal komt ze echter voor als een lagere struik. De dorens staan in paren aan de basis van elk blad, een ervan is recht en lang en de ander kort en gedraaid. Deze plant is ook heel geschikt om er hagen van te maken, takken ervan zijn taai en buigzaam.

Dit is de nubh van de Arabieren, (Dalman zegt nebk), de nabq van de Egyptenaren. De Hebreeuwse naam voor dorens, neble, in Richteren 8: 7 verwijst dan vermoedelijk naar deze plant.

Mogelijk ook de dorens van Jesaja 7: 19, 9: 18. 55: 13 en Matthe殱 7: 16.

 

Sarcopoterium spinosum Spach. (doornig) Linnaeus naam Poterium is Grieks, poterion betekent een drinkkop en zo wijst het op de bekervormige kelk. In de oudheid werd een kruid als beker met wijn gebruikt zoals Plinius verhaalt, vergelijk Duits Becherblume.

Volgens de Joden zou de doornenkroon gemaakt zijn van deze doornige pimpernel, (R. Koppel) gezien zijn kleine afmetingen lijkt het minder geschikt. Takken van deze plant zouden klaar kunnen liggen en mogen dan niet te lang hebben gelegen omdat ze door de warmte al spoedig hun buigzaamheid verliezen.

De Palestijnse boksdoorn, Lycium, zou afvallen vanwege de dorens op het uiteinde van de takken en is zo minder geschikt om te gebruiken. 

De Christusdoorn, Zizyphus spina-christi, wordt door velen aangewezen vanwege zijn ideale lengte. Nadelig is evenwel dat de takken teveel in elkander winden en daardoor moeilijker te plukken zijn.

Deze komt volgens de meeste schrijvers voor rondom Jeruzalem en de Christusdoorn niet. Ook Linnaeus noemde deze plant dan al Christusdoorn: Tornekrona. Als boomvorm is ze ook handig om er takken van te snijden. De doornenkroon kan ook gezien worden als de tegenhanger van de bonnet van de priesters. De bladeren, vooral van de Jujube, lijken veel op die van de klimop, Hedera, die sterk drienervig zijn, de oude magische tekens van het leven na de dood, de driespruit. Vanwege deze tekens werd de klimop bij de Grieken gebruikt in hun inwijdingsrituelen en veel op hun kerkhoven aangeplant. Van de klimop werden ook kransen gemaakt, die diegene die ze zou dragen zou behoeden voor dronkenschap. Een krans van de Jujube zou dan een spottende imitatie moeten voorstellen.

De Arabische namen voor deze planten, Carthamus glaucus en Poterium spinosum, zijn respectievelijk kus en durdar, wat sterk herinnert aan de ヤdoornenユ (qots) en ヤdistelenユ (dardar) van Genesis 3: 18, al moeten we aannemen dat qots en dardar een algemene betekenis hebben en vele soorten omvatten.

 

De biezen waarmee de doornen gevlochten waren om er een hoofddeksel van te maken waren wel Juncus maritimus of Juncus acutus.  De relikwie創 van de biezen worden in Parijs, de kerk van de N. Dame bewaard, bij de Karmelieten, verder te Atrecht, Lyon en Chablis.

De relikwie創 van de doornen worden op verschillende plaatsen bewaard.

 

Urginea maritima, Baker. (van de zee) Urginea heeft zijn naam van de stam Beni Urgin, die in Algerije leefde waar Steinheil in 1848 deze plant vond.

 

Bijbel.

Job 31: 40 ヤdan mogen dorens voor tarwe opschieten en onkruid voor gerstユ.

Jesaja 5: 24 hun bloesem als stof opstuivenヤ.

In Jesaja 5: 24 komt het meervoud van onkruid voor dat in Job 31:40 wel vertaald wordt als wilde druivenユ of onkruid, caosha, coash of boshah. De stam uit het Hebreeuws doet denken aan een of ander lastig onkruid of kwalijk welriekende plant. Het woord zelf komt van de wortel baasch: wat een stinkend ding betekent, wat verrot is als druiven die ontsteken en verrotten voordat ze rijp zijn. Dit naar de geur en de druifvormige bloemtros. Ook door de Arabische naam bosalan zal de tekst hier op deze zeeajuin slaan. Het Griekse woord is Baros en betekent een prikkelige plant.

Concordantie is een geheel andere mening toegedaan: "Stinkkruid, Bosjah komt slechts eenmaal voor in de Statenvertaling, maar hetzelfde Hebreeuwse woord in Jesaja 5: 24 wordt door stinkende druiven vertaald. De stam uit het Hebreeuws doet denken aan een of ander lastig onkruid of kwalijk riekende plant bijvoorbeeld het onkruid van het N. T. en de stinkende aronskelk van Galilea of de Uredo foetida"(schimmel in graan). In Engels wordt het vertaald als cockle, Agrostemma githago, een pest in de graanvelden. Anderen denken aan Solanum incanum wiens bessen op druiven lijken.

 

Historie.

De bol ziet van buiten donker- of helderrood en is zeer sappig en vlezig. De Grieken hangen de bollen op in hun huizen gedurende het nieuwe jaar als een vruchtbaarheidsrite. In de oudheid werd deze bol wel gegeten en Pythagoras schreef aan het gebruik daarvan zijn hoge leeftijd toe. Nog gold het lang als middel tegen tyfus en waterzucht. Het is de verkondiger van de herfst, bloemen komen met de herfst net voordat de regens vallen.

De grote en opgeploegde bollen werden wel gebruikt om veldgrenzen te markeren. Ooit werden de grenzen afgebakend met stenen. In vlakke delen was dit moeilijker en gebruikte men de zeeui. Die werd dan langs de randen van de velden geplant. Door de hoge bloemstengel en daarna grote bladeren juist in de ploeg- en zaaitijd, is het gemakkelijk te herkennen. Ook steekt de later gevormde ui enigszins boven de grond uit en is een prima vervanger voor grensstenen.

Als zodanig is ze in het Joodse recht bekend en het gebruik zou door Jozua ingesteld zijn. De Talmoed vermeldt het gebruik van de chatsoeb als grenssteen. (Bab. Talmoed BB 55a en Btsa 25b)

 

Manna.

Bijbel.

In de Bijbel komen er verschillende types manna voor.

Manna  heeft de betekenis van ヤwat?ユ man hu, wat is dit? De vraag die ze stelden toen ze het (engelenvoedsel) voor het eerst zagen.

Deuteronomium 8:3 en 16, Jozua 5: 12, Nehemia 9: 20, Psalm 78: 24-25, Johannes 6 : 31, Hebree喪s 9 : 4, Spreuken 16: 20-21, Openbaringen 2 : 17.

1) Wat gedurende de nacht opgroeit als de grond vochtig was en begon te stinken als de zon opkwam, (Exodus 16: 13/20) wat zou duiden op Nostoc subspecies. Die kan ユs nachts met ongelooflijke snelheid groeien als er overvloedig dauw gevallen is. Het is zocht en gelatineachtig, groeit in de nacht en de zon lost het op en komt de volgende nacht weer mits het weer dauwt.

2) Wat uit de hemel valt (Numeri 11: 6-9) geleek op korianderzaad en zag eruit als balsemhars. Naar de vorm zou dit op Lecanora subspecies kunnen slaan. Ze bedekken grote vlaktes in kale zandvlaktes en bergen. Na lange tijd van droogte krullen ze op en komen los van de grond en worden met de wind meegevoerd, soms heel ver tot plaatsen waar ze niet bekend zijn.

3) Manna van de handel, Tamarix of mannaes, Fraxinus ornus, Baruch 1: 10. zie Tamarix.

 

Alhagi is zo genoemd naar zijn naam in Mauritia, Arabisch voor pelgrim.

Alhagi camelorum var. turcorum, Boiss. (kameel en Turks)

Kameeldoornstruik, Engelse Alhagi manna plant en camelユs thorn.

Het gewas levert, met andere soorten, een soort van manna die Perzische- of alhagimanna genoemd wordt. Dat manna wordt verzameld door de bosjes te schudden. Dat gebeurt na de bloei en regentijd. Het zou een manna van de bijbel kunnen zijn, Numeri 11: 7.

Jesu Sirach 24:15 "Ik geef een geur als kaneel en aspalathus". Zie Aspalathus.

 

Fraxinus, Latijn van Grieks phraxism: haag, of insluiten, omdat de boom als haag of als palissade gebruikt werd. Of van breuk, vanwege de breekbaarheid van de twijgen, een zelfde afleiding als van Fragaria, hoewel het daar en hier net zo ongeloofwaardig is.

 

Fraxinus ornus, L. (berges) Manna- of pluimes. Van deze boom wordt ongeveer halfweg augustus, als het droog en warm is, manna verzameld.

 

Bijbel.

In Jesaja 44: 14 wordt het woord "oren" gebruiktユ hij plantte een pijnboom, en de regen deed die groeienノook maakt hij er een god van en buigt zich neder, hij maakt er een gesneden beeld van en knielt daarvoor neerユユ. Dit woord komt slechts eenmaal voor. In de Septuagint wordt de dennenboom genoemd die aan de kust voorkomt. Het is mogelijk dat de zee-den bedoeld wordt of de aran, (Arabische naam) Fraxinus ornus L., de pluimes of mannaes.

Naar het gebruik van het hout in Jesaja zou eerder de es in aanmerking komen dan een den. De oude naam voor de es was Oreinos (Johnson) wat wel wat lijkt op Oren die in Arabisch Aran heet.  

 

Fraxinus excelsior, L. (verheven, groter, naar boven strevend) es.

Schepping.

Op zekere dag trokken Odin, Hoenir en Lodur (of Loki) er samen op uit en wandelden langs de zeekust. Zij vonden twee bomen, Ask, met hard, taai hout (de es?) en Embla, met zachte roze aangelopen hout, de els (of de olm?) gehouwen in ruwe gelijkenis van een menselijke gestalte. De goden staarden eerst op het levenloze hout in stille verbazing en merkten toen wat ervan gemaakt kon worden gaf Odin deze blokken zielen, Hoenir verschafte beweging en zintuigen en Lodur verleende bloed en een bloeiende kleur. Zo begiftigt met taal en gedachte en met het vermogen lief te hebben en te werken, met het leven en de dood, mochten de pas geschapen man en vrouw Midgard beheersen zoals zij wilden. (De twee soorten hout betekenen dat man en vrouw uit verschillend hout gesneden zijn, verschillende eigenschappen hebben, de uitdrukking "hij is van hetzelfde houtje" komt hier vermoedelijk vandaan)

Het is een Vard-trad: een schutgeestboom. Een boom met een ziel, een verkorperde geest. Het is de schutgeest van de mens, gaat het goed met de mens zo ook met de boom, gaat het slecht met de boom, zo ook met de mens. Bij de geboorte wordt zo'n boom geplant en groeit gelijk met hem op, het is de levensboom.

Het is de stamboom van de familie, vandaar dat vele familienamen verbindingen hebben met bomen.

 

Ash is de naam van de es en je zou kunnen veronderstellen dat de Scandinavi喪s afstammelingen zijn van de Ashkenaz uit de bijbel, Genesis X: 3. メEn de zonen van Gomer waren Askenaz..ユ De Joden geven nog de naam Ashkenazim aan de Duitsers in hun gemeente.

 

Yggdrasil.

Alvader schiep vervolgens een forse altijdgroene boom, (een es of Taxus?) de Yggdrasil, de boom van het heelal, van de tijd of van het leven, die de hele wereld vulde omdat hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard, bij Mimirs bron (de oceaan) en in Asgard, bij de Urdas fontein.

Een adelaar zat vastgeroest op de tak Lerad, tussen zijn ogen zat de valk Vedfolnir die zijn doordringende blikken in de hemel zond, naar de aarde en Niflheim en vertelde al wat hij zag.

Omdat de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit verdorden, diende hij als weide en niet enkel voor Odins geit Heidrun, die de hemelse mede verstrekte, maar ook van de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van wiens horens honigdauw op aarde drupten en dat water voor alle rivieren in de wereld verstrekten. Zo komt van de boom des levens alle water op de aarde, om leven aan haar te laten ontstaan en laten groeien.

Onophoudelijk de takken van de boom op- en afvliegend sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder) de typische woelwater en babbelaar, zijn tijd met aan de draak beneden de opmerkingen van de adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tussen hen te verwekken.

Door zijn drie grote wortels kreeg de boom een zo wonderbare hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal overschaduwde, terwijl de anderen zijn uitspreidende twijgen over de andere werelden staken. De eerste tak ziet naar de woningen van de mensen en de tweede naar het land van de reuzen waar de wonderbron murmelt en ze begiet en bevochtigd.

Natuurlijk moest de boom in goede staat worden gehouden. Dit was de plicht van de Nornen of schrikgodinnen die hem elke dag besprenkelden met de heilige wateren van de Urdarfontein. Als dit water naar de aarde druppelde, door de takken en de bladeren, voorzag het de bijen van honig. De drie nornen zaten aan zijn voet. Dat waren wijszeggende vrouwen, ze heten Vergankelijkheid, Heden en Toekomst. In hun schoot lag het noodlot die ze voor de mensen bereidden, hun kommer en lijden, hun vrede en geluk. Twee prachtige zwanen, wit als pasgevallen sneeuw, vermaanden de mensen om stil en ernstig hun levenstaak te vervullen.

 

Bedreiging.

Dit is de verschrikkelijke draak Nidhung die voortdurend aan de wortels knaagt. Hij wordt in zijn vernielingswerk bijgestaan door talloze wormen wiens doel het is om de boom te doden omdat zij weten dat zijn dood het teken zou zijn voor de godenval.

Het noodlot voor de boom en mens is echter onafwendbaar. Als de goden versagen of verslapt geworden zijn, dan komt het kwaad aansluipen in het donker. Dit kwaad zie je met de schemering bij de zee. Als je naar de ondergaande zon kijkt zie je het duister komen aansluipen. Zelf sta je nog in de gloed van de laatste zonnestralen, maar de wolf voel je dreigend van achter je. Aan weerszijde van de zinkende zon zie je hoe machtige kaken het licht opslokken, hopelijk heeft de zon het gered en komt morgenvroeg evengoed weer op. Maar wat als de zon eerder ingehaald wordt?

 Het lied van Grimnir in de oude Edda, strofe 39 en 12 en 51 van Gylfis uit de jongere Edda leert ons twee wolven kennen, Skoll en Hati. De eerste achtervolgt de zon om haar te grijpen waardoor de zon zo snel langs de hemel loopt om die te ontgaan. De andere wolf is haar vooruit om de maan te pakken. メHet zal geschieden dat de wolf de zon verslindt,  de mensen tot groot onheil. De andere wolf zal de maan grijpen en ook grote schade aandoen, de sterren zullen van de hemel vallen. Dan zal het ook gebeuren dat de aarde beeft, dat de bomen ontworteld worden, de bergen ineenstorten en alle ketens en banden breken. Dan breekt de wolf Fenrir losユ Het einde der dingen is gekomen メ.

De plantengroei op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed alle wateren zieden en koken. De grote brand woedde verschrikkelijk, totdat alles verteerd was, tot de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven van de zee wegzonk. Ragnarok (: de omwenteling) was inderdaad gekomen, de tragedie van de wereld was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een toneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is gevallen, verwachtten de aanwezigen dat er een gunsteling zou verschijnen. Zo meende men dat uit de algemene ru貧e de goedheid zou oprijzen om zijn heerschappij over de aarde te hernemen en dat sommige goden zouden terugkeren en voor eeuwig in de hemel zouden wonen.

Twee menselijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op uit de diepten van de levensboom. Vali en Vidare, typen van de onvergankelijke krachten der natuur keerden naar het Idaveld terug waar ze Modi en Magni, Thors zonen ontmoetten, de verpersoonlijking van sterkte en energie. Uit de donkere onderwereld rees de stralende Balder (zon) op.

 

Samenvatting.

De boom is zo het symbool van tijd en leven. Zoals de vijandelijke machten verstorend werken, zo knagen ze aan de levensboom van de hele mensheid, verstoring en verderf zaaiend, maar ook zij zullen, zoals de groene bladeren en knoppen op aarde vallen, eeuwig vernieuwen en geslacht op geslacht laten ontstaan.

Net als het Bijbelse verhaal van de zondvloed waardoor alles vernietigd wordt, waar Noach, zijn vrouw en kinderen gered worden om een nieuw mensengeslacht te vestigen, herinnert dit aan de Noorse dichting. Maar hier is het de levensboom zelf de stichter van het nieuwe mensenrijk. De zondvloed van de warme streken is bij de noordelijken de "riesenwinter", waarin alle leven stopt en tot dood vervalt. De boom zelf werd tot levensdrager om het enige overgebleven paar tot schut en bescherming te dienen, voedsel te geven, tot het ijs smeltende morgendauw ze tot nieuw leven wekt..

 

De es is met de lijsterbes, de enigste inheemse boom met geveerde bladeren. De levensboom heeft in Germaanse en noordelijke mythen en in het gebruik een zeer betekenisvolle rol gespeeld. Dat de mens uit de es is ontstaan in de Edda is mogelijk meer toeval, ook mogen we niet vergeten dat de Edda een verhoudingsgewijs laat ontstane kunst dichting is. Het verhaal van het ontstaan van mensen uit bomen is zeker een oeroud volksgoed. Daarmee is te vergelijken dat bij Hesiodus Zeus het mensengeslacht uit een boom laat stammen, onder deze boom is waarschijnlijk de mannaes te verstaan.

1) Yggdrasil, oud-Noors yggr: de verschrikkelijke (Wodan) drasill: een paard, de boom die Odin of Wodan droeg of waaraan hij hing als heer van de Asen.

2) De Nornen zijn schrikgodinnen die overeenkomen met de Griekse Moiren. Oerd was het verleden, Verdandi het heden en Skoeld de toekomst.

3) De vier stromen, die van de hemelboom zouden uitgaan, komt van Genesis 2:10, waar de rivier uitging van Eden om de hof te bevochtigen en zich daarna in vieren te splitsen. Zo worden ze dan afgebeeld als vier stromen, die ontspringen uit een rots, waarop een lam, het zinnebeeld van Christus, is gezeten.

 

Bijbel.

Ook in andere landen komt de levensboom voor met ongeveer dezelfde strekking. Het duidelijkst zien we dit in Ezechi鼠 31: 3,18.

"Zie Assur was een ceder van de Libanon, schoon van takken met schaduwrijk loof, hoog van stam en zijn top reikte tot in de wolken. Water maakte hem groot, de vloed uit de diepte deed hem hoog worden, die liet zijn stromen vloeien rondom de plaats, waar hij geplant was en deed zijn geulen uitgaan naar alle bomen des velds. Daardoor werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds, zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van water terwijl hij opschoot. In zijn twijgen nestelde al het gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte des velds zijn jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken...".

Ook op andere plaatsen in de bijbel wordt naar zo'n boom verwezen. De bekendste is uiteraard de boom uit het paradijs, die eveneens als levensboom gezien kan worden.

      Na de oorspronkelijke verering in de tijd van Abraham wordt in het Oude Testament vele malen gewaarschuwd tegen de verering van bomen. Geleidelijk zien we de weerstand daartegen toenemen. De afbraak van heilige eikenbomen of levensbomen zien we bij de profeet Hosea, die de mensen berispt voor het branden van wierook en offers onder een eik. In het boek van de profeet Ezechi鼠 wordt definitief de banvloek uitgesproken: "Daarom, zo zegt de Heer, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over aan de machtige onder de volken die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem. Vreemden, de gewelddadigste onder de volken, velden hem en deden hem neerstorten; op de bergen en in alle dalen vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle volken der aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen... Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om naar de onderwereld te gaan, te midden der mensenkinderen... " (Ezechi鼠 31)

In het laatste boek van de Bijbel keert de levensboom terug als het goddelijk attribuut van de herstelde goddelijke levensorde en heerschappij, na de door de zondeval teweeggebrachte verstoring. In hoofdstuk 2 van de Openbaring van Johannes staat: "Die overwint, ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is". In hoofdstuk 22 lezen wij over de rivier van het water des levens, die uit Gods troon voortkomt. Ook wordt genoemd de boom des levens met de twaalf vruchten, groeiend aan de oever van die rivier, zie verder de in Isra鼠 voorkomende eikensoorten.

 

Grassen.

Gras, een naam die in alle Germaanse landen gelijk is, de naam stamt van een Germaanse basisvorm gro: groeien, hiervan stammen ook groen, gras en grazen. Griekse poa: gras of kruid, een verzamelnaam. 

 

Bijbel.

Voedsel is er voor de herder niet altijd even gemakkelijk te verkrijgen voor zijn kudde. Het beste is als de kudden: "Inweiden van jong groen". (Psalm 23:2) Dat is in de lente, de tijd na Pasen. Ook in de tijd die eraan vooraf gaat kunnen de schapen zich te goed doen aan het frisse groen dat dan te vinden is op de velden rondom de steden. Die kuddes gaan dan in de morgen naar buiten en komen tegen de avond weer terug naar de stal van de eigenaar. De hier bedoelde weiden, migrasj, vinden we in Leviticus 25:34, Numeri 35: 2, Jozua. 21:11 en Ezechi鼠 48:15/17. (Statenvertaling heeft daar voorstad) Volgens Dr. Noortzij hebben wij met dit woord te denken aan een open veld of gemeente weiden, zoiets als de "meent" bij ons vroeger .(Bruijel)

Het woord gras komt een 48 maal voor, meestal gebruikt in strikt figuurlijke zin, Psalm 37:2: "Want zij verdorren snel als gras", verder Psalm 90:5, Jesaja 40: 6/8.

In Palestina zijn er vele soorten gras, Waeker vermeldt 460 soorten in 1933, hiervan zullen er wel verscheidene door reizigers zijn meegebracht. Concordantie noemt 70 soorten. Er is echter weinig weiland, meest alleen langs de kust is er hoog en weelderig gras wat op de onze gelijkt, verder het forse en snelgroeiende prairiegras van de Jordaandal.

Er zijn verscheidene woorden voor gras.

1)    Jered, Yerek of Yarok, betekent groen, (Numeri 22:4). Deze term schijnt gebruikt te zijn voor alle groenvoer, groeiend in de velden en geschikt als veevoer.

2)    Desjer, Deshe of Dehsheh, (Genesis 1: 11, ヤEn God zei: Dat de aarde jong groen voortbrengeノEn de aarde bracht jong groen voortユ. Is waarschijnlijk het dichtstbijzijnde equivalent van ons gras, ter onderscheiding van kruiden.

3)    Chatzir, Jesaja 15: 6 en 35:7, 1 Koningen 18: 5, Job 40:15 en Psalmen 104: 14, is meer verbonden met ons woord voer, droog voer dat in Spreuken 27: 25 als hooi vertaald wordt. Hetzelfde woord komt voor in Numeri 11: 5 en wordt vertaald voor prei. (zie daar) Vermoedelijk is in vele zaken de stengels van lang gras bedoeld want er is weinig echt hooi in Palestina. Mogelijk maaiden zij het droge materiaal .(Psalm 37: 2) Gras maaien was een koninklijk recht, voor het voedsel van de paarden die in de strijd gebruikt werden (Psalm 72:6, Amos 7:1)

4)    Gez of Gayz, In Psalm 72:6 wordt dit Hebreeuwse woord gebruikt voor gemaaid gras, gewoon gras dat groeit bij de waterbronnen, 1 Koningen 18: 5.

 

Glycyrrhiza glabra, L. (glad, zonder haren) Glycyrrhiza is afgeleid van het Grieks glykys: zoet, en rhiza: wortel, een verwijzing naar het zoete sap van de wortels. Zoethout.

 

Bijbel.

Exodus 15: 25 メMozes riep tot de Heer, die hem een hout aanwees, hetwelk hij in de in het water wierp, en de wateren werden zoet. Sommigen menen dat het met dit hout is dat het water drinkbaar wordt. Er wordt alleen gesproken over hout. De H. Vaders hebben het vergeleken met het krachtig kruishout dat de bitterheid van het leven zoet maakt.

 

Gossypium herbaceum, L. (kruidachtig) Gossypium, dit woord is afgeleid van goz: Arabische voor een zachte stof, Latijn gossum: uitpuiling, de zaaddoos opent bij rijpheid.

Midden-Nederlands cotoen in 1272, dit stamt uit het oud-Franse coton, wat weer stamt uit Italiaanse cottone en dit van Arabisch qutun, (of katom, koton: boomwol), dat uit het Egyptisch of voor-Indisch stamt.

 

Bijbel.

Het gewas was bij de Perzen al zo oud dat wij niet eens weten wanneer het voor het eerst verbouwd is. Mogelijk komt deze struik uit India, bij opgravingen die dateren 3000 v. Chr. zijn katoenen weefsels gevonden. In het dal van de Indus in Pakistan zijn katoenen weefsels uit 4500 v. Chr. gevonden.

Esther 1 :5-6 ヤNa verloop van dezen dagen richtte de koning voor al het volk dat zich in de burcht Susan bevond, van den hoogste tot den laagste, een feestmaal aan van zeven dagen, in de voorhof van den tuin van het koninklijk paleis. Linnen, wollen en blauw/purperen gordijnen waren met linnen en rood/purperen koorden vastgemaakt met zilveren knoppen aan witmarmeren zuilenユ.

Tijdens hun verblijf in Perzi, 598 v. Chr., moeten de Joden er zeker bekend mee zijn geraakt. In Esther, 521 v. Chr., komt het woord carpas of karpas voor, waar de behangsels beschreven worden als wit, groen (carpas) en blauw. De vertaling zou moeten luiden: witte katoenen en hemelsblauwe gordijnen. De naam heeft veel overeenkomst met Sanskriet karpasa: katoen. Indische naam is karpas en kapas.

Die Babylonische stof die schitterde van vier kleuren, dit was hyacintblauw, byssus, saffraangeel en purper. De saffraankleur verbeeldde het vuur, het byssus de aarde, de hyacintkleur de lucht en de purperkleur de zee. Op het voorhangsel was een afbeelding van de hemel voorgesteld.

 

Het woord shesh van de eerdere en buts of bootz van de latere boeken van het O. T., respectievelijk wit en fijn linnen, zou slaan op het gebruik van katoen in Egypte. De kleding van de Egyptische priesters en die van de Hebree喪s was altijd gemaakt van linnen, ofschoon Plinius verzekert dat die van de Egypte liever katoen hadden. Van Ravelingen meldt; In Arabi wordt van het boomkatoen een soort van heel fijne doek geweven, sessa genoemd dat van sommige voor het byssum van de ouders gehouden wordtユ.

 

Hedera.

Hedera, Latijn van Grieks hedra: zitten, zit steeds vast op zijn gastheer. Of Grieks helissein: winden. Klimop.

 

Bijbel, Lentefeesten.

Bacchus wordt ook vaak voorgesteld als met klimopbladeren omkranst. Dat zou hem tegen dronkenschap behoeden, dit werd zo ook door de mensen gebruikt. De vrouwen die zich aan Bacchus hadden overgegeven liepen recht naar de klimop om er enkele bladeren van af te scheuren en op te eten. Klimop werd dan ook wel Bacchia genoemd. Bacchus of Dionysus was dan ook voortdurend beneveld en stierf en herrees bij tijd en wijle.

Ook werden er te Delphi en Attica lentefeesten gevierd waarbij dansende, zingende en fluit spelende priesters Semele, een van de vele belichamingen van de oermoeder, aanriepen. Ze smeekten haar de jonge Dionysus uit een aardheuvel voor de dag te laten komen. Het feest had zijn oorsprong in een oud Kanaanitische rite, waarbij adoranten moesten huppelen en hinken. Het woord daarvoor was pesach. De Joden noemen een van hun feesten nog bij die naam. (Pesach of Pashah, beter Pessach, volledig Chag Happessach, het Hebreeuwse woord voor verschoningsfeest)

Of er ook een oud voorjaarsfeest aan ten grondslag ligt? De Pentateuch beveelt dat het feest met de eerste volle maan van het voorjaar, zeven dagen lang van de avond van de 14de tot aan de avond van de 21ste Abib (naar de Babylonische uittocht Nissan genoemd) gevierd wordt.

Deze plant is inheems in Isra鼠 en groeit daar in de maquis van Galilea. Zelfs is er een plaats Hedera. Naar zijn omschrijving moet het dan zeker in 2 Makkabee創 6:7 voorkomen waar het woord K" Soos voor klimop staat.

"En zij werden door een bittere noodzaak gedwongen om des Konings geboortedag alle maanden te houden met het eten van opgeofferde ingewanden en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen klemmerkransen (klimopkransen) te dragen en in Bacchus feest om te gaan".

 

Hordeum vulgare, L. (gewoon) Hordeum: gerst, genoemd naar de stekelige baard van de aar.  Of van horus, van oriri: ontstaan, de snelle groei. Of van horridus: ruig of behaard, de behaarde granen. Of van ordo: rij, omdat de aar in rijen staat en dergelijke afleidingen meer. Gerst.

 

Bijbel.

De Hebreeuwse naam seorah, s'orah of s'o'rim: wat lang haar betekent, is een verwijzing naar de naalden en zou slaan op gerst, Spreuken 26:1, Deuteronium 8: 8, Exodus 9: 24, 27:31. Voornamelijk voedsel voor de armen, 2 Koningen 4: 42, werd gemengd gegeten met tarwe, Ezechi鼠 4: 8-12, paardenvoer, 1 Koningen 4:28, Hosea 3: 2, Richteren 7:13.

Het wordt 32 maal vermeld, als groeiende in het veld of met verwijzingen naar producten die ervan gemaakt worden, als meel, brood, cake. Het was een belangrijk graan die prima groeit in warme en droge omstandigheden, de oogst vindt daar plaats in maart/april, afhankelijk van de plaats. Het is een maand later rijp dan tarwe, net als in Bijbelse dagen toen een hagelstorm Faraoユs gerst vernielde maar niet zijn tarwe. Gerst had al zaad gezet en tarwe groeide nog maar net toen het fatale weer aanbrak.

De waarde staat in Openbaringen 6: 6 ヤEen maat tarwe voor een schelling en drie maten gerst voor een schelling. Het was te gewoon, wat we ook zien in parabels, het symbool van armoede, goedkoopte en waardeloosheid, Hosea 3: 2 waar de overspelige vrouw gekocht werd voor 15 zilverstukken en anderhalve homer gerst, Ezechi鼠 13: 9 ヤユ Gij ontheiligt Mij bij mijn volk voor handen vol gerst en voor brokken brood, om zielen te doden die niet sterven moestenユユ. Tegenwoordig gooien de Bedoe鋲nen hun vijanden met koeken van gerstebrood om hen zo te honen. Dan is ook beter de droom te begrijpen van Gideon in Richteren 7: 13-15 ヤIk heb een droom gehad; zie een gerstebroodkoek rolde de legerplaats van Midian binnen, kwam tot aan een tent, stootte die om, zodat ze neerviel, en keerde ze ondersteboven, en daar lag de tent. Gideon was een arm en nederig man van het type dat gehoond werd als gerstebrood door de hooghartige Midianites.

De offering van de eerste veldvruchten in de tempel, 2 Koningen 4: 41.

Bij de Joden was het gebruikelijk de dag na Pasen in de tempel gerst te offeren. Men benoemde drie personen om plechtig drie schoven gerst te oogsten wat op het grondgebied van Jeruzalem moest gebeuren. De afgevaardigden vroegen driemaal of de zon was ondergegaan en men antwoordde driemaal ja. Daarna vroegen ze driemaal vergunning om de gerst te snijden en men antwoordde driemaal met ja. Drie velden werden gekozen en drie sikkels werden gebruikt om de drie schoven te maaien die men op drie wagens naar de tempel voerde waar ze op het voorplein gedorst werden.

Exodus 9: 31, Leviticus 27: 16, Numeri 5: 15, Richteren 7: 13, Ruth 1: 22, 2: 17 en 23, 3: 2 en 15-17, 2 Samu鼠 14: 30, 21: 9, Job 31: 40, Ecclesiasticus 11: 1, Johannes 6: 9 en 13.

 

Hyssopus officinalis, L. (geneeskrachtig)

Hyssopus is een zeer oude naam die gebruikt werd door de Grieken. De naam hysop stamt van het Hebreeuws esob of azob, het Arabische azzof: heilig kruid. Het Hebreeuws ezob is zelf van Babylonische oorsprong en kwam over de Griekse bijbel Exodus 12: 22 en andere plaatsen in de Latijnse en andere talen.

 

Bijbel.

De Yssopus die Dioscorides noemt is in ieder geval niet de nu bekende hysop maar waarschijnlijk de wilde marjolein, Origanum syriacum L. (die wordt in het Engels ook bible hyssop genoemd) of Origanum maru, L, een lipbloemige. Het is ook niet de hysop van de Bijbel, de hysop groeit niet in Palestina.

Ex.odus12: 22, waar de Joden, vlak voor hun uittocht uit Egypte, opdracht kregen om een bundel hysop te nemen, deze in bloed in een schaal te dopen en daarmede de deurposten te besmeren.

Het zinnebeeld van het nederig en standvastig geloof dat zich onwrikbaar met zijn wortels in de rots en de R. K. kerk vasthecht. De hysop, in offerbloed gedoopt was het zinnebeeld van de reinheid der ziel. ヤBesproei mij met hysop en ik zal gezuiverd worden, was mij en ik zal witter worden dan sneeuwユ, Psalm 50: 8.

Leviticus 14: 4, dat de plaag der melaatsheid genezen is, van dn melaatse is geweken, dan zal de priester gebieden voor hem die gereinigd moeten worden twee levende, reine vogels te nemen, ook cederhout, scharlaken en hysopユ, 6 het scharlaken en de hysopユ, 52 ヤHet cederhout, de hysop, het scharlakenユ.

Numeri 19: 6 ヤEn de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemen en dat midden op een brandende koe werpen. Vervolgens zal de priester zal klederen wassen en zijn lichaam in water baden en daarna in de legerplaats komen, maar de priester zal tot den avond onrein zijnユ, 18 ヤDan zal een rein man hysop nemen, dat in het water dopen en dit sprenkelen op de tentユ.

1 Koningen 4: 33 ヤHij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon af tot de hysop toe, die aan de muur uitschietユ.

Hebree喪s 9: 19 ヤscharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volkユ.

Naar de Bijbelse tekst schijnt het gebruikt te zijn als bezem of borstel en zou je veronderstellen dat het een bosje kleine takjes vormt. Het zou dan ook groeien op rotsen en muren en algemeen voorkomen. De hysop wordt telkens gebruikt bij zuiveringsrites en lijkt buiten zijn instrumentale waarde een eigen symbolische functie te hebben evenals de andere reinigingsmiddelen waar het mee genoemd wordt.

Sommige leden van de lipbloemigenfamilie bezitten stoffen die ziektekiemen remmen of desinfecteren. (ook werd er ceder verbrand, mogelijk Juniperus oxcycedrus, die ook antiseptische stoffen bevat) Thijm bevat bijvoorbeeld thymol wat in ziekenhuizen gebruikt wordt om te ontsmetten. Evenals sommige Origanum soorten en Salvia triloba, de drielobbige salie, die wel gebruikt werd om verbrandt een plaats te zuiveren.

De Hebreeuwse naam ezob lijkt veel op de Arabische naam asaf of ezzof van Capparis sicula Duham, aldus Moldenke, die tevens vermeldt dat er mogelijk sprake is van meer planten die zo gebruikt zijn. Voor die 133 000 Isra鼠ieten moet een veel voorkomend plantensoort gebruikt zijn.

Een bekende tekst is ook die uit Johannes 19: 29: "Er stond een kruik vol zure wijn, zij staken dan een spons gedrenkt met zure wijn op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond". メIlli autem spongiam plenam aceto, hyssopo circumponentes, obtulerant ori ejusモ. Alleen bij Johannes past geen "Hysop". Mogelijk werd het daar gebruikt als een symbool, als symbool van zuiverheid werd de onreinheid van de wereld weggenomen.

Van Beverwijck geeft een andere mogelijkheid. In vroegere tijden gebruikte men het vet van ongewassen wol om de pijn te verzachten en te stillen. "Het woord hysop bij de Evangelisten daar zij schrijven hoe de krijgsknechten onze Heer bespottelijk laafden te nemen voor Oisop, wat in het Grieks ongewassen wol beteken, als hetgeen sommige goede harten aldaar mee gebracht hadden om de pijn van de veroordeelden wat te verzachten die de lieden de vuile wol met de azijnachtige spons uit schimp aan de stok gestoken hadden.

Hysop werd als Aspergill, Latijn aspergere; besproeien, gebruikt, een wijwaterkwast die in de liturgie voor het besprenkelen met wijwater gebruikt wordt. Duits Sprengel, Weihwassersprenger, Weihwasserwedel of. Sprengwedel, Psalm 51; 9. De oorsprong van deze liturgische besprenkeling komt van Exodus 12, 21-22 waar Mozes de oudsten van Isra鼠 de opdracht gaf om een bos hysop met bloed te strijken. In de Gregoriaanse tekst van 磚sperges meユ wordt nog een hysoptwijg vermeld.

 

Juglans regia. De Romeinen gaven de boom de naam Juglans, van Jovis glans: de noot van Jupiter, een voedsel dat geschikt was voor de goden en regia: koninklijk walnoot.

 

Bijbel.

Hooglied 6:11: "Naar de notenhof daalde ik af." Het woord dat hier gebruikt wordt is egoz. De Arabische naam volgens Dalman is dschoz. Volgens Josephus waren er in zijn tijd, 37‑39 na Chr., extreem oude bomen van deze soort overvloedig in Palestina, vooral rond het meer van Genesareth.

 

Juncus.

Juncus, de oude naam Juncus is verbonden met het Latijnse jungere: verenigen of binden. In primitieve tijden werd het woord Juncus gebruikt, het is een verwijzing naar het gebruik als bind- en vlechtmateriaal en als touw of kabels. Bies, rus.

 

Bijbel.

De biezen waarmee de doornen gevlochten waren van Christus doornenkroon om er een hoofddeksel van te maken waren wel Juncus maritimus of Juncus acutus.  De relikwie創 van de biezen worden in Parijs, de kerk van de Notre Dame bewaard, bij de Karmelieten, verder te Atrecht, Lyon en Chablis, zie Scirpus.

 

Laurus nobilis, L. (edel of nobel) Laurus, de naam Laurus is mogelijk genomen van het Keltische blaur, blawr of lauer: groen. Maar het kan ook vertaald worden van laus: lof of eer. Men weet ook niet zeker of Laurus samenhangt met het Latijnse luo of lavo: ik was mij, naar de rol als reinigende zondeboom.

 

Bijbel.

Zie hiervoor ook Psalm 37: 35: "Ik zag een goddeloze, een geweldenaar die zich uitbreidde als een weelderige woekerplant". In deze vertelling van de Psalm, de vertelling van een goddeloze. Vermoedelijk werd in deze analogie gedoeld op de laurier omdat die het symbool was van welzijn en goddeloosheid. De Hebreeuwse naam die daar gebruikt werd is ezrach, wat letterlijk vertaald betekent: "Een boom groen en krachtig in zijn eigen grond". De aan een heidense god geheiligde boom en de slechte zeden waren wel voldoende om deze boom tot een goddeloze te bestempelen. Ook het gebruik van de vrucht die bakelaar genoemd wordt, als abortusmiddel, zal een negatieve klank hebben gegeven.

De naam ezrach verschijnt een 14 maal en wordt telkens vertaald als een vreemdeling of buitenlander. De ceder kan het niet zijn want die heet erez. Als het een inlandse plant is die hier verwezen wordt dan moet het een groene struik zijn of boom van behoorlijke grootte die bij de stromen groeit, zoals deze plant. Het is waarschijnlijk vanwege zijn altijd geurende, groene bladeren dat David de plant uitkoos als symbool van voorspoed. Toen David naar de geurende en altijd groene boom keek die niet beschadigd wordt in de winter of stormen, lijkt het natuurlijk dat hij de mensen in gedachten had die steeds in weelde en rijkdom leefden terwijl anderen leden van de koude winden van tegenspoed Toch is de plant niet gewoon in het H. Land, net als weelderige mensen gewoon zijn.

 

Lens culinaris, Medik. (culinair) Aan het Latijnse lens kan Linse niet ontleend zijn omdat aan leenwoorden de stamvorm ten grondslag ligt die het Hoogduits Linz gegeven heeft. Inheemse oorsprong is vrijwel niet mogelijk. Zo vermoedt men dat Linse met Latijn lens, Litouws lesis uit een gelijke en onbekende bron stamt. Het is mogelijk verwant met lentus: langzaam, of van lenis: mild of zacht, omdat ze gelijkmoedig maakt of omdat ze langzaam groeit in vergelijking met andere vlinderbloemigen en niet hoog wordt, groeit maar een 15-20cm boven de grond. Of het betekent waskuip, vanwege de peul.

 In Genesis 25: 29-34 zien we dat voor een linzengerecht Esau zijn eerstgeboorterecht verkocht aan Jacob. Dit afkooksel was roodachtig van kleur en werd Edom genoemd. De nakomelingen van Esau hebben daar hun naam Edomieten aan te danken.

2 Samu鼠, 17: 27-29 ヤ bonen, linzen,ユ 1 Kronieken 11: 13, ヤer was een stuk land, waarop overvloedig gerst stondユ, Ezechi鼠 4: 9 ヤbonen en linzenユ.

Lens heet in het Hebreeuws adashim, adasha of adasim. De Arabische naam is adas. Dit zou ook een verkeerde vertaling zijn in 2 Samu鼠 23:11, vergelijk 1 Kronieken 11:13, dezelfde plaats en gebeurtenis.

De oud Hebreeuwse naam adaschim is bij de Arabieren en door de Perzen geadopteerd.

 

Lilium.

Lilium candidum, L. (wit) Madonnalelie. De naam Lilium zou genomen zijn van het Keltische lis of li: wit of water, vergelijk lis, Indo-Germaans li: vloeien of vochtig zijn, Latijn lac: melk, naar zijn standplaats of de bloemkleur van Lilium candidum.

Maar waarschijnlijk heeft de naam lelie een oosterse oorsprong. In het Egyptisch komt het woord hrr-t voor, (een woord waarvan wij de klinkers niet kennen) dat in Koptisch als hreri en hleli gesproken wordt. Het leverde over Grieks en Latijn de naam Lilium op en zo verder in Europa.

Het is ook mogelijk dat het Griekse leiron een naam was die ze zelf ontleend hadden aan het Iraans. Dan stamt de leiron af van Arabisch lilak, dit van Perzisch lilaj, wat een variant is van nilaj: indigo.

 

Afkomst.

De afkomst is echter altijd twijfelachtig geweest. Naar het voorkomen van de lelie, de Susan, in de bijbel zou de plant in Palestina moeten groeien.

Het is de vraag of deze lelie bekend geworden is door de Grieken, Romeinen en vroege christenen dan wel door de Joden. Het verspreidingsgebied van de witte lelie zou eerst binnen de grenzen van het Romeinse rijk liggen die ze planten als basis voor hun medische verzorging. Vooral door de vermelding van Plinius dat de witte lelie in Palestina groeit werd dit gegeven algemeen aangenomen. Op de sikkel die Machabeus aan de kinderen Isra鼠 gaf zie je een kelk afgebeeld met de woorden shekel Isra鼠. Aan de keerzijde zie je drie leli創 met het devies: メJeruzalem Kedoshahモ. (Heilig Jeruzalem)

In de tijd van de eerste faraoユs, 2000 v. Chr., beschrijft de Merikare tekst van de 9de en 10de dynastie Palestina als een land dat ondoordringbaar is vanwege zijn dichte bossen. Jozua 17:15 zegt:  trek dan naar het woudgebied en kap u daar een ruimte in het land der Ferezieten en Refaieten.ユ Behalve oorlog vernietigingen was er altijd het gevaar van bosbranden. Vaak moet het geluid gehoord geweest zijn: Jo鼠 1:19: メeen vlam heeft alle bomen van het veld verzengdモ. Jesaja 24:3 vermeldt al dat de mensen de wetten overtraden zodat de aarde  treurt en verwelkt.

In Griekenland zijn ze op verschillende plaatsen in het wild gevonden evenals op de Libanon. Pas in 1925 ontdekte M. Naftolsky de eerste wilde en witte lelie in de bergen boven Galilea. De plant zou door decimering van het woud en daardoor het opdrogen van beken zijn ecologische plaats verloren hebben. Buiten een paar verspreide plaatsen konden ze zich niet aanpassen aan de nieuwe omstandigheid en verdwenen. Die paar verspreide overblijfsels, die hun toevlucht hadden genomen op vochtige plaatsen, zouden bewijs genoeg zijn om te stellen dat de soort eens wijdverspreid was geweest. Het gewas zou dan ook meer verwant zijn met de O. Aziatische soorten dan met de M. Zee species. De oerplaats van de witte lelie moet Perzi en Iran geweest zijn en van hier kwam het als gecultiveerde plant naar Meden en Phyrgi en Europa.

 

Susan:

Nehemia 1: 1 ユtoen ik in de burcht Susan was.ユ

Esther 1: 2 ヤtoen koning Ahasveros op zijn koninklijke troon in den burcht Susan zeteldeユ.

Psalm 45, titel, ヤ  Voor dn koorleider. Op de wijze van : de leli創, Engels To the chief musican upon Shoshannim, for the sons of Karah, maschil, A song of loves.

Psalm 60 titel, ヤ Voor den koorleider. (Shushan-eduth)  Op de wijze van: de leli創 der getuigenis.

Toevoegingen bij Esther, 11: 3, Hij was een Jood en verbleef in de stad Susa, 16: 18 ook de poorten van Susa komen hier in voor.

Hooglied 2: 1-2 ヤAls een lelie tussen de distels, 16, die te midden de leli創 weidtユ 4: 5 ヤUw beide borsten zijn als tweeling-jongen van gazellen, die te midden van de leli創 weidenユ, 6: 2-4 ヤMijn geliefde is afgedaald naar zijn hof, naar de balsembedden, om zich te vermeien in de hoven, om leli創 te plukkenユ.

Hosea 14: 4 ヤIk zal zijn als de dauw voor Isra鼠, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen, zijn pracht zal zijn als een olijfboom en zijn geur als die van de Libanonユ. (De Asphodelus?)

Oorspronkelijk werd met de ヤroos van Jerichoユ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jezus Sirach, 39:17: ヤHoort naar mij, gij, heilige kinderen! En wast op als de rozen aan de beekjes geplant, of, naar andere vertaling: "En spruit uit, gelijk een roos die geplant is aan vloeiend water." Boek der Wijsheid 2:8: メLaat ons kransen van jonge rozen dragen, eer zij verwelkenユ. Deze ヤrozenユ bloeien in de lente (Jezus Sirach 50: 8, en zijn struiken die te Jericho gekweekt worden Jezus Sirach 24:18. waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Zijn bloemen lijken wel wat op een roos.)

Matthe殱 6: 28-30 ヤLet op de leli創 des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik zeg u dat zelfs Salomon in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.

Lucas 12; 27-28 ヤ Let op de leli創, hoe zij spinnen noch wevenユ.

De naam Susan, Shusan, Shusha of Shoshanah komt in de Bijbel geregeld voor. Als zetel van de Perzische koningen (Esther 9:18), en zou dan een Perzisch/Syrische naam kunnen zijn. Deze naam zal dan in verbinding met schoonheid staan, omdat het ook aan mensen gegeven werd als Susan, dochter van Chikie, die zeer schoon was. Ook is deze naam aan planten gegeven die dan blijkbaar ook opvielen vanwege hun schoonheid.

Toch was deze naam al eerder gebruikt en wel door de Phoenici喪s die het als kunstdesign gebruikten. (1 Koningen. 7:19/22/26) De Salomonstempel had kostbare zuilen met lelievormige kapittels en leli創 bloeiden in zijn tuin.

Opvallend is het voorkomen van deze naam in de muziek, in Psalm 45,69 geeft ze de manier weer waarop de psalmen gezongen worden. De hoofdmusicus heette Shoshannim en een sjofaar is een hoorn of trompet.

De lelie van Matthe殱 en Lucas is in het Grieks gesteld en betekent literair: "Een lelie van elke soort die in de velden groeit".

 

Inleiding.

Uit bovenstaande tekst kan men afleiden dat het om een mooie plant(ten) handelt in verschillende tijden en verschillende plaatsen. Om nu de juiste lelie te ontdekken, is er een mogelijkheid, gezien het gebruik van de planten in de kunst en muziek. Mogelijk is het ook in figuurlijke zin gebruikt, waarbij op de teksten van Jesaja gelet kan worden.

Vele bloemen worden leli創 genoemd, meestal slaat die naam op leden van de leliefamilie maar soms door hun vorm, kleur ook op andere bloemen. Uit de vergelijking van de verschillende teksten blijkt evenwel dat deze plant in de valleien en tuinen groeide. Ze wordt gelijk gesteld met de "Roos van Saron" en vormde sierlijke slingers. De kleur van de bloemen was rood en ze groeide overvloedig in de vlakte van Genesareth. Tevens werd er een geurig sap uit gedestilleerd. Deze omschrijving kan maar op weinig bloemen slaan en wat de reiziger als de leli創 des velds voor de ogen staat zijn de anemonen die als een kleed elke vlakte bedekken. Deze zienswijze zal echter maar gedeeltelijk opgaan en in volgende argumentatie zal worden aangetoond dat tussen de vele prachtige "leli創" vele andere kanshebbers zijn.

 

Waterlelie.

De naam Susan, Shusan is een Perzisch, Koptisch en Syrische woord voor briljant gekleurde bloemen. De naam Susan, vertaald als lelie, komt bij meerdere planten voor. Dalman geeft enige voorbeelden van Arabische namen, Asphodeline wordt Susan‑el‑barri genoemd en de hyacint heet No'mines‑Susan. Mogelijk is Susan een algemene naam voor schoonheid en de tweede naam slaat dan wel op gebruik, afkomst of iets dergelijks.

Onder invloed van Phoenitische/Egyptische culturen is mogelijk de "Susan" van 2 Kronieken 4: 5 en 1 Koningen 7: 19, 22 en 26 een Nymphaea geweest. Volgens Moldenke is het waterwerk in de vorm van rozetten afkomstig van de Egyptische waterlelie waarvan er vele sculpturen gevonden zijn in Egypte die de waterlelie voor dit doel aantonen. 2 Kronieken 4: 5.

 

Nymphaea.

Nymphaea. De Sanskriet/Perzische naam niluphar of nilotpala komt van nil: blauw, en utpala: waterlelie, voor de blauwe lotus van India, Nymphaea stellata = Nu Nymphaea nouchali Burm. Dit werd via de Arabische naam nauphar of nyloufar, gegeven aan de rood getinte witte lotus van de Nijl, Nymphaea lotus, L. De naam verschijnt bij Dioscorides als nouphar, in middeleeuws Latijn als nenufar en is als nenuphar nog in Griekenland en Engeland in gebruik voor waterlelies.

Uit het Grieks kwam het Latijnse nubo: huwen. De oorspronkelijke betekenis is bruid of maagd, de naam werd al vroeg gebruikt de betekenis voor de lagere vrouwelijke godheden. In vroegere ontlening gaf dit het Latijnse numpa, lumpa of limpa: watergodin. Ze zou groeien op plaatsen waar de nymphen of naiaden woonden. Een latere afleiding gaf Latijns nympha en gaat van hieruit verder. De sage gaat naar de in planten veranderde nimfen of omdat de nixen onder hun bladeren loeren en in de maneschijn op hun bladeren schommelen.

 

Bijbel.

1 Koningen 7: 19 ヤVoorts maakte hij twee vlechtwerken voor de kapitelen die op de top der zuilen waren; het vlechtwerk was gemaakt van gedraaide snoeren, op de wijze van slingersノ22 Nadat het leliewerk op de top der zuilen was aangebracht.. en 26 Haar dikte was een handbreed en haar rand was in den vorm van een bekerrand, een leliekelkユ.

2 Kronieken 4: 5 ヤHaar dikte was een handbreed en haar rand had den vorm van een bekerrand, van een leliekelkユ.

Het leliewerk, in Hebreeuws shushan, zou gemaakt zijn naar de vorm van waterlelies. De versiering was mogelijk een rozet waar de Egyptische waterlelie geschikt voor is met zijn vele bloembladen. Er zijn hiervan vele afbeeldingen gevonden in Egyptische tomben die laten zien dat de waterlelie zo al vroeg gebruikt werd. Het lijkt zo waarschijnlijk dat de Phoenische architecten hiervan gebruik gemaakt hebben.

 

Anemoon.

De gelijkenis van Markus en Matthe殱 is in veel latere tijd, naar de massa van voorkomen past hier Anemone coronaria in de tekst, zoals die nu nog in massa voorkomt in de vlakte van Genesareth. Ze overtreft in haar kleed die van Salomon en valt op door de heldere kleuren en kleur Isra鼠 in het voorjaar, komt ook overal voor, een bekende plant. Het Griekse woord dat vertaald werd als lelie van het veld betekent literair een ヤ lelie van elke soort die in het veld groeitユ.

Hoewel velen van mening zijn dat het hier ook om de rode lelie, Lilium chalcedonicum, kan gaan, dit naar het statement van Plinius "Est et rubens lilium quod Graeci".

 

Hyacint.

Over de "echtheid" van de Hyacint zijn enige twijfels, ook naar het gestelde gebruikt voldoet ze niet aan de omschrijving "lelie". De blauwe kleur en oorspronkelijk lichte bloemtros zouden onder een struik ook te kort opvallen. Wel in de weiden waar de ヤhyacintユ groeit bij het grazende vee. Het mythologische verhaal met Apollo en de rouwtekens Ai Ai gaat ook waarschijnlijk niet over de hyacint. In de tuinen van Salomon zullen mogelijk sierbloemen hebben gestaan die tevens als functie hadden, mogelijk voornaamste, om nuttig te zijn.

 

Roos.

Moldenke vermeldt dat de roos door de oudere schrijvers en rabbijnen verkeerd vertaald was. De naam voor de roos is in het enkelvoud Shoshanot en in meervoud Shoshanah, wat op Shushan lijkt. Luther heeft het Hebreeuwse woord verkeerd met rozen overgezet, de roos is pas veel later in Isra鼠 gekomen. Als een van de nieuwere bloemen zou de roos wel bij Jezus Sirach 50:6/7 kunnen voorkomen. Rosa phoenicia kan voorkomen in 2 Esdras 2:19. Zoals daar de tekst weergeeft houdt deze roos van hoogte en buiten de Libanon groeien er weinig rozen.

Ook is de roos van de oudheid moeilijk te determineren, de roos is nogal veranderlijk geweest. De lelie is altijd hetzelfde gebleven zodat bij zijn afbeeldingen geen twijfels bestaan.

Rozenolie bekend als attar of athar is afkomstig van Rosa damascena. Deze naam voor een stad komt volgens Reisbeschrijvingen meerdere malen voor (Numeri 32:3/34, Jozua 16:5) Maar de wilde roos als bloem heeft 5 bloembladen.

 

Tulp, Tulipa.

Tulipa montana zou de ヤroos van Sharonユ kunnen zijn en de roos in het voorjaar, Hooglied 2: 1 en Prediker 50: 8.

 

Sternbergia.

Sternbergia lutea, Ker-Gawl. (geel) Sternbergia is genoemd naar graaf Caspar von Sternberg, een Oostenrijkse botanist en schrijver, 1761-1838.

Herfstnarcis. Volgens sommigen zou dit de Amaryllis lutea of gouden lelie, de lelie des velds zijn, lily of the field. (of Sternbergia clusiana) De kleur is wel opvallend, maar het gewas is laag. Linnaeus noemde het Amaryllis in 1753.

 

Lelie.

De "Lelie" zou dan in Perzi moeten groeien en in Isra鼠. Vroegere verwijzingen van voor Linnaeus van leli創 zijn nogal twijfelachtig. De stad Susa wordt steeds als leliestad vermeld naar de hoeveelheid leli創 die daar groeien.

Bollen werden als opstandingsymbolen gebruikt en bloemen in figuurlijke zin gebruikt als symbool van leven, glorie en schoonheid. Zo'n opzienbarende schoonheid als "Susan" zal dan vrijwel zeker gebruikt zijn. Hier is dan een overeenkomsten in Jesaja 53, Jesaja 62:3, Jesaja 11, vergelijk Jesaja 43:3 met Hosea 14:6/8 "Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge. Ik zal zijn als dauw voor Isra鼠, hij zal bloeien als een lelie."

 

6.

De Hebreeuwse naam shushan is afgeleid van sjeesj, dit is 6, de bloem zou zo 6 bloembladen moeten hebben.

Lelie heeft zes bloembladen en tevens zes stuifmeeldraden. " Het Hebreeuwse woord schijnt erop te duiden dat de lelie een van de planten is waar het nummer 6 de overhand heeft, zoals de krokus, Asphodelus, narcis, lelie etc. Sommigen denken aan de Asphodelus vanwege zijn vele voorkomen, "hij weidde bij de lelie."

De Hebreeuwse naam Shushan gaf aan sommige muziekinstrumenten hun naam. Dit zal zeker niet zonder reden geweest zijn. Zien we om naar de bloemvorm van de iris en de lelie, dan valt de eerste weg. De lelie heeft trompetvormige bloemen en meeldraden die van zuiver goud lijken en als een soort ritme-instrument gebruikt zouden kunnen worden.

De lelie komt echter maar weinig voor, er zijn twijfels of het vroeger in grotere getale daar gegroeid zou hebben. Mogelijk is het gewas door de Isra鼠ieten zelf uitgeroeid vanwege zijn geneeskrachtige werking, eetbare bollen en gebruik in religieuze rites.

In Jesaja 35:2 wordt dan toch gesproken over de luister van de Karmel en Saron, waarmee wel de schoonheid van de wouden bedoeld zal zijn. Vervolgens lezen we in Jesaja 33:9 "Saron is een steppe gelijk geworden". Van de bossen van Saron zijn de laatste restanten in 1914 verdwenen. In Jesaja's tijd werd zo de ecologische plaats voor de lelies minder, maar beter voor de anemoon. Lelies zijn planten die van schaduw houden, koele, vochtige plaatsen als waar Naftolsky ze vond. In de tuin van Salomon zullen ook alleen bijzondere planten gekweekt worden, geen bijzondere en dan een zomer bloeiende, niet de vele en algemene voorjaarsbloeiers als anemoon, hyacint en narcis.

Ook de inlandse naam voor de lelie en die van zijn buren is opmerkelijk gelijk, ook met het woord in de bijbel.

Lehane meldt dat de witte lelie een heilige bloem was bij de Assyri喪s en van daaruit in de Joodse godsdienst is gekomen. (Dan is de plant uit het oosten afkomstig)

Het Spaanse en Portugese azucena voor de witte lelie stamt uit het Arabisch en is zo oorspronkelijk een met de oudtes­tamentische Susan en het woord dat aan de stad Susa ten gronde ligt.

In het Hooglied 5: 13 wordt geroepen om een bijzondere plant van bijzondere schoonheid, geen gewone plant als de roodbloeiende anemoon. Mogelijk wordt hier gedoeld op Lilium chalchedonicum, L. die daar zeldzaam is, maar wel inlands.

 

Jesus Sirach 50: 8. als een lelie, shushan, bij de rivieren van water. Hier wordt mogelijk gedoeld op Iris palaestina, een waterplant van 40cm hoog.

 

Asphodelus.

Asphodelus is een Griekse naam van onzekere afkomst. Grieks Asphodilos: een lelieachtige plant met eetbare wortel, werd in Latijn asphodilus. Het is de narcis van de oudere Engelse en Franse po奏en.

 

Bijbel.

Dit gewas groeit op de heuvels van N. Negev. In cultuurgronden komt het niet voor omdat de knollen zich vlak onder de oppervlakte bevinden en dan omgeploegd worden. Die knollen lijken wel wat op die van de Dahlia en zijn veel vertakt. Is het de ヤSusanユ van Hosea 14: 4 ヤIk zal zijn als de dauw voor Isra鼠, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen, zijn pracht zal zijn als een olijfboom en zijn geur als die van de Libanonユ? Gewone affodil.

 

Iris susiana L. (stad Susan, zetel van de Perzische koningen (Esther 9:18) is van deze groep de meest bekende, de rouwiris. Het Griekse woord Iris betekent regenboog en is een verwijzing naar de uiteenlopende kleuren en de schoonheid van de bloemen, Engelse rainbow flower. Of is zo genoemd omdat de buitenste bloemdekslippen gebogen zijn als een azuren regenboog.

Deze uit Perzi stammende Iris heeft zeer grote donkere en vrijwel zwarte gestreepte bloemen (dame in rouw), als uit zwarte zijde gesneden, de bovenste wit met zwarte aderen en schijnen als met een droeve waas omgeven. Deze donkere dame, de treurbloem en vorstelijke weduwe, heeft grote bloemen van 10-12cm doorsnede en een hoogte van 50cm. Door Linnaeus is ze zo vermoedelijk genoemd naar zijn afkomst en de tekst van Psalm 42 en 43: "Waarom ga ik in het zwart?" en zou volgens hem de lelie, de Susan, uit de Bijbel zijn. Verder heeft deze opvallende iris een weelderige balsemgeur.

 

Linum usitatissimum, L. (usita, eventueel Latijn usitare: veel gebruikt, usitatissimum is overtreffende trap) Linum is de Latijnse naam voor vlas. Het woord stamt van het Griekse linon of lenea, een naam voor draad of lijn. Dit woord is mogelijk weer afgeleid van het Keltisch lini (draden of lijn) dat wel verbonden is met het Latijn linea, streep of lijn. Dat dit woord door alle Germaanse stammen is aangenomen ziet men aan de taal, men spreekt niet van vlasgewaad of vlaszaad maar van lijnwaad, lijnzaad en lijnolie. Ons lijn komt in midden-Nederlands voor als line in 1262 en betekent eigenlijk van vlas gemaakt touw. De kunst was om een zo gelijk en lang mogelijke draad te maken.

In de oudheid kan die draad ook bezien worden als de "levensdraad" die gesponnen wordt door de Noorse Nornen, de Romeinse Parcen en Griekse Moiren, die op elk moment af kan breken. Klotho's spindel wordt gesponnen (begin van leven) die door Lachesis wordt afgemeten (leeftijd) en door Atropa wordt afgeknipt. (dood) Op de spindel werden de draden getrokken die verschenen in de religieuze beelden van het levenslot. Achilles zal moeten dulden wat de noodlotsgodin bij zijn geboorte met de linnendraden toe gesponnen had Ilias 20,128 en 24, 209, gelijk ook Odysseus 7,198. In de Bijbel staat dan ook in Spreuken 21:6 "Of in de snaren des doods".

 

Bijbel.