Chenopodium. Ganzenvoet.

 

Uit www.agroatlas.ru

 

Dit geslacht heeft wijd verspreide en vaak eenjarige opgaande onkruiden met onaanzienlijke groenachtige bloemen.

Ze zijn vaak behaard en zelfs voorzien van waterharen, blaasjes, die de planten een grijs aanzien geven en ze behoeden voor uitdrogen.

Dikwijls bezitten deze planten een sterke geur.

Een enkele wordt geteeld voor versiering of als groente.

Velen zijn tuin- en landkruiden.

Mogelijk komen 150 soorten voor in dit geslacht die verdeeld zijn over alle delen van de wereld.

Ze zijn te verdelen in twee groepen, de ene die zouthoudende gronden verdraagt en de ander die in de stikstofrijke gronden groeien. Dat laatste wordt vaak bij menselijke nederzettingen aangetroffen. Zie ook Dysphania.

Chenopodioideae, ganzenvoetfamilie of nu Amaranthaceae.

 

= Chenopodium album, L. (wit) Dit is geen mooie plant, soms verschijnt het gewas met roodachtige stengels of in vlak groen. De bladeren en stengels zijn bepoederd met meel zodat ze er witachtig grijs uitzien, vooral de onderkant van de bladeren. Kan wel meer dan een meter hoog worden.

Een vormen rijk soort, in habitus en bladvorm komen zeer veel vormen voor.

Blad is eivormig en diep getand en gaaf aan de onderkant, de bovenste zijn lancetvormig en bijna gaafrandig.

De melganzenvoet geeft kleine en licht groene bloemen in dicht vertakte en bijna bladloze aren in juli tot september. Levert duizenden zaden en een plant kan meer dan honderdduizend zaden voort brengen, zodat het vroeger een voedselplant was. Mussen en vinkachtige die in de winter op trek zijn kun je er vaak op aantreffen.

De zaden zijn vaak op een en dezelfde plant verschillend in grootte en kleur. Ze kunnen zwart tot bruin zijn en zelfs zijn er heldergele. Ook de kiemsnelheid is verschillend, licht gekleurde zaden kiemen vroeger en sneller dan de zwarte.

Een cultuurvolger op losse gronden.

Melganzenvoet  is een eenjarige die op braakliggende terreinen en in landbouwgewassen groeit, op mestplaatsen en dergelijke gronden. Het is een van de meest algemene die over de gehele aarde verspreid is, oorspronkelijk wel uit Europa, richting Himalaya. Er zijn 3 subspecies.

 

Naam, etymologie.

 (Dodonaeus) (a) ‘De tweede soort het Atriplex silvestris, dat is wilde melde. Het wild geslacht wordt genoemd in het Grieks Atraphaxis agria, in het Hoogduits Wild Molten en Acker Molten, in het Frans arroches sauvages. Lobel noemt het Atriplex silvestris secunda Matthioli of Atriplex silvestris sinuata, in het Engels wilde Orrage. De ouders hebben het voor een Olusatrum (groente) gehouden’.

Mel, van melde, Engelse meldweed, Duits Melde en Schotse melgs heeft dezelfde stam als meel. Mogelijk is deze naar de wit/viltige, melige beharing of omdat de zaden vermalen werden. Mel betekent malen en vandaar stuiven want het woord zou iets te maken hebben met het Litouwse woord miltai: meel. De algemeen Germaanse naam behoort tot het Indo-Germaanse mel: malen. In oud-Hoogduits komt Melda, Malta en Muolta voor, in Zweeds molda en het Angelsaksisch heeft melu. (Zo is waarschijnlijk ook me(h)ltau, het Engelse mildew: meeldauw, verwant met mel, meel en malen en vandaar stuiven) Mell, Messmal, Mull, Molken, Zwitsers Mult’n Melbe, Melbala, Mahlga.

Het woord werd verbasterd tot melten, melt en blaumelt, Belgisch melluw of meult, verder opgaand modderkwaad, luismelde, stokmel, meyen en witte mel.

(b) Frans ble blanc: wit koren en chenopode.

(c) Het blad voelt vet aan, Engelse dirt weed of dirty Dick: vieze Dick, vergelijk Duits Saumelde: varken of smeerlapsmelde, Engels pig weed, dung weed, Duitse Mistmelde: mestmelde, zijn groeiplaats.

(d) Engels bacon weed, fat hen, frost blite, lamb’s quarters, white goosefoot en muck weed. In Ierland praiseach fiadhain: wild voedsel, en in NormandiĎ grasse-poulette.

(e) Werking, Schissmell, Scheissmalgen, Zwitsers Hundsschiss, Zwitsers Schiss-Malter, Lusemellen, de vrucht. Weiße Gänsefuß.

 

Gebruik.

Zo werd het gebruikt vroeger. (Dodonaeus) ‘Melde loopt gemakkelijk door de buik vanwege haar gladheid, (schijtmelde) niettemin heeft het zeer weinig verterende krachten en wordt gebruikt met biet tegen de gebreken van de baarmoeder. Melde veel in de spijs gebruikt, beroert de maag en is zeer slecht om te verteren, als Diocles en Dionysus schrijven, ze laat ook sproeten en plekken aan het aanzicht en op het lijf groeien

De tamme melde is goed opgelegd als de bloedzweren net beginnen te komen en de wilde als die beginnen te vergaan.

Melde met Salpeter, honig en azijn gemengd is goed op het wild vuur en op jicht gelegd of ook op de hete gezwellen.

De Italianen maken van de melde enige taarten en ze scherven de bladeren zeer klein en stampen ze met kaas, verse boter en dooiers van eieren wat ze in deeg leggen en alzo in de oven bakken.

De wilde melde wordt ook gebruikt om het haar te verwen.

Melde met veel zaad is voor de vissen zeer aangenaam.

Zeemelde wordt van die van VenetiĎ soms gebruikt om er as van te branden daar men glas mee maakt. Deze melde maakt de buik eerder week dan de andere en is meer afvegend, doorsnijdend en maakt fijn en verdroogt de maag, maar schrapt de darmen, geneest de waterzuchtige en maakt de vette mensen mager’.

 

Historie.

Jonge zaailingen zijn te gebruiken voor een salade en de vlezige bladeren van oudere planten worden gekookt als groente. Ook geven ze een goede heldere soep.

De zaden worden geoogst en gedroogd. Ze zijn te gebruiken voor brood, cakes of gruwel. Ze zijn als boekweit in geur en goed rauw te eten. Bevatten meer ijzer en proteēne dan kool of spinazie en meer vitamine b1 dan ruwe kool of spinazie, meer vitamine b2 en meer kalk. Het was eens de meest waardevolle groente voor de mensheid en voer voor dieren. In neolithische vondsten te Zwitserland is dit zaad gevonden. Ook in lagen die dateren uit de bronstijd in Sussex en in Schotland. De zaden behoren voor een deel tot de laatste maaltijd van de Tollund man, 400 v. Chr., mogelijk samen met Bonus Henricus.

Het verloor zijn gunst ten koste van zijn familielid, de spinazie, maar liet zijn namen in vele plaatsen achter.

Het was de melde van de Angelsaksische tijden waar het zo overvloedig groeide dat vele plaatsen eraan gebonden waren. Bijvoorbeeld het tiende Meldeburna en de stroom waar melde groeit in Cambridgeshire heet nu Melbourn. Een ander was Meldedinges: meldeplaats in Suffolk die nu Milden heet. Andere plaatsen hebben hun wortels in hun myles, melgs of melde. Plaatsen met die namen zijn plaatsen geweest voor voedselzoekers in neolithische bronzen- en vroeg ijzeren periode. Ook werd het gebruikt bij de Romeinen bij hun diners. Is ook te gebruiken voor een rode of geelrode verf.

 

Uit www.victoriaparkalpacastud.com.au

Chenopodium auricomum, Lindl. (met gele bloemkuif) is afkomstig uit de binnenlanden van AustraliĎ.

Werd wel gebruikt als een vervanger voor spinazie en groenvoer.

 

Naam.

Australische spinazie, Australian spinach, Queensland bluebush.

 

 

 

 

 

Uit en.wikipedia.org

Chenopodium berlandieri Moq  (Belgische botanist die in Amerika werkte, Jean Louis Berlandier, 1805-1851) komt uit N. Amerika.

Een snel groeiende eenjarige van 10–105cm.

Bladeren variĎren in vorm, ruig driehoekig, 1.2-12cm lang en 0.5-7 cm breed. Er zijn verschillende var van.

Het wordt nu als onkruid beschouwd, was een van de pseudocereals gelijk als de verwante Chenopodium quinoa.

Pitseed goosefoot, Southern huauzontle en lambsquarters.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit O. Thome, www.BioLib.de.

 Chenopodium bonus‑henricus, L. (brave Hendrik) de wat meelachtig bestoven en vlezige plant draagt driehoekige bladeren met een spiesvormige voet.

Een dof donkere groene en wat succulent lijkende plant van een 30-50cm hoog met aren van dof groene bloemen in augustus en vrij grote en dikke bladen.

Aren zijn eind- en okselstandig.

Meerjarig.

Groeit aan wegen en bij stallen, tuinen en graag bij de mensen en zijn uitwerpselen in centraal en W. Europa, nu ook in N. AziĎ en N. Amerika.

De jonge scheuten en bloeiende toppen worden gekookt en gegeten met boter. Ze zijn nog aangenaam nog onaangenaam.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Men noemt dit gewas tegenwoordig in het Latijn Tota bona, in het Nederlands al goede. Sommige twijfelen of dit het Chrysolachanon of Aureum olus (gouden groente) van de ouders zou mogen wezen, dan wij hebben tevoren betoond dat Chrysolachanon niets anders is dan de Atriplex of melde, tenzij dat iemand zeggen wou dat dit kruid het Chrysolachanon van Plinius is waarvan hij in het 8ste kapittel van zijn 17de boek zegt dat het op sla van gedaante lijkt en tussen de pijnbomen (in het Latijn Pineto) groeit’.

 Zijn meest populaire naam is algoede, Frans toute-bonne en Engels all good.

Dodonaeus (b) ‘Het heet in het Nederduits naar het Hoogduitse goede Heindrick, de Hoogduitsers noemen dit gewas Guter Heinrich, op het Latijns Bonus Henricus naar de bijzondere goede kracht en eigenschap die dat heeft’

Bonus-Henricus is zo genoemd naar Hendrik IV, koning van Frankrijk. Deze vorst zou de eerste geweest zijn die de kruidkunde bevorderde en zou ook de eerste kruidentuin hebben laten aanleggen. Hij was, volgens Franse schrijvers, zo bezorgd voor zijn onderdanen dat deze plant de arme lui veel goed doet en overal in het wild groeit en de arme lui dus voor niets een gerecht hebben, waarom het volk de plant naar hem noemde. Of vanwege zijn heelkracht tegen vuile wonden, vergelijk de naam Wundkraut naar het gebruik. Heim; Hofstatt, rich; vaak, goed eetbaar.

Brave‑Hendrik, Franse Bon Henri, Zwitsers Herichchrut, Deens Goder Henrick, Duits Guter Heinrich, stolzer Heinrich bij Bock, Engels Bonus Henricus en Good King Henry. Symbool van goedheid.

J. Grimm verklaart deze naam als uit de voorstellingen van elfen en kobolds ontleende naam die graag Heinz of Heinrich heten en wiens ganzenvoeten op deze bladeren lijken. Zo is het een goede huisgeest in het kruid en betekent de naam Heinrich, (in oud-Hoogduits Heimrih) de heerser, wat we zien in het Gotische reiks, een woord wat oer verwant is met de Latijnse rex: koning. Een antimagisch kruid is de Gutheinrichwurzel.

(c) (vervolgt het verhaal van goede Hendrik)  ‘Net zoals ze een ander kruid daartegen naar zijn kwade en schadelijke of dodelijke kracht Malus Henricus, dat is kwade of boze Heindrick’. Zie Mercurialis. Lobel: ‘ In Engels mercury.’ Gebruikt als vervanger van Mercurialis.

Dodonaeus (d) ‘In het Hoogduits heet het ook Schmerbel’.

Engelse fat hen en smear docken: vet of vette dock, vergelijk Duits Schmerbel bij Bock, Schmeerwurz, schmieriger Mangold en Englisch Blite.

(e) ‘Dan aangaande dit tegenwoordig geslacht daar we van spreken dat is van Fuchsius voor het derde geslacht van Patich gehouden geweest en van Turnerus voor het tweede, zegt Lobel, die het Rumiers tertium genus Fuchsii & secundum Turneri noemt. Tragus geeft het de naam Rumex unctuosus’.

Gebruik, Schmalzblatter, wald Spinat, wilder Spinat, Schmelzleskraut, Schmosseheiner, Engelse poor-man's asparagus, Lincolnshire Spinach, wild spinach, de bladeren werden wel als een spinazie gegeten, Franse epinard sauvage: wilde spinazie.

Daar is een grotere soort van deze al goede in Frankrijk en is vandaar hier te lande gebracht die wat ronder bladeren heeft en moesachtig van smaak en arroche of sarroche heet. 

Dodonaeus (f) ‘In het Nederduits wordt het lammekens-oore genoemd’.

Lammertjesoren, Duitse Lammerohren, verder Lusemelda, de zaden, Kuhfuss, Hackenschar, Hundblota, Hundszuge, Kleine Dogga, Zwitsers Wilde Burket, Heimele-Chrut, Heinsele, Henna-Lus, Mistchrut. Engelse flowery docken, perrennial goose foot.

 

Gebruik.

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘De bladeren van al goede gekookt en met andere moeskruiden in spijs of stamppot gebruikt maken de buik zacht en laten kamergang hebben.

Die bladeren groen gestoten of gescherfd en zo op de verse wonden gelegd genezen en helen die en daarnaast zuiveren ze de oude wonden en ook de vuile verergerde zweren, ja zijn in die enige wormen laten ze die sterven en uitvallen.

Plinius schrijft van zijn Chrysolachanon (wat misschien hetzelfde kruid is dat we hier beschrijven) dat het de gesneden of gekwetste zenuwen geneest als het nadat de kwetsing gebeurd is er op gedaan wordt. In zover dat ons tegenwoordig kruid hetzelfde doen kan is het met recht en reden al goede genoemd.

De Engelse gebruiken deze algoede alsof ze de kracht van bingelkruid hebben, maar ze heeft een sterker afvegende kracht dan het bingelkruid en zekerder in hete ziekte. Ook heeft het een na trekkende kracht en is veel lieflijker om te eten dan bingelkruid, hoewel dat ze wat winden maakt niet veel schijnt te verschillen van de natuur van spinazie. De Fransen gebruiken het als een soort tussen melde, biet en spinazie wiens bladeren gekookt en als warme moes genoten de buik zacht zuivert en voor goede purgatief strekt’.

"Goede Hendrik, gij zijt mijn knecht

Met mijne koe is het niet recht

Ga het dorp op en neder

En breng me min "voordeel" weder."

Het werd wel niet gebruikt om te eten. H. Bock zegt; ‘De trotse broeder Heinrich is een lieflijk kruidje en zouden de jonkvrouwen knechten zulk kruidje steeds vanwege de reuk bij hen hebben. Zulk kruid is ook een stinkend melde gewas, zijn bladeren vergelijken zich de kleine schijtmelde, doch kleiner, gans meelachtig en askleurig, dat gans kleine zwarte zaad is kleiner dan de schijtmelde, een sterke vuile reuk, groeit op de droge hofplaatsen, naast de muren en tuinen, daar de hond heen zeiken. Ik geloof dat dit kruidje wat van zichzelf uit de stank van het aardrijk groeit, doet zich jaarlijks in mei voort zoals andere melde kruiden, in augustus verdwijnt het weer, mag geen vorst dulden. Vanwege de onaardige reuk noemen ze dat kruidje de goede en trotse Heinrich, anders weet ik hem geen andere naam dan dat we het voor een onkruid der melde achten, namelijk honden melde, Canina en foetida Attriplex. En mag deze stinkende Heinrich wel dat Thoricht Blitum zijn waarvan Plautus schrijft in Truculento, Blitea meretrix, een stinkende hoer.’

 

Uit J. Kops, www.BioLib.de.

Chenopodium botrys, L. (druifachtig)  Stengel is rechtopstaand.

Bloemkluwens zijn veel langer dan breed. Bloemdekbladen blijven in de vruchttijd groen, de toppen zijn niet over de vruchten heen gebogen.

Bladen zijn onregelmatig bochtig gelobd, alleen aan de onderzijde met klierharen.

Ruikt en smaakt sterk kruidig. Het kruid werd vroeger in artsenij gebruikt.

Komt uit M. Zeegebied.

 

Naam, etymologie.

Ook gebruikt voor verdrijving van motten, het is het Duitse Mottenkraut, Eiche von Jerusalem, Engelse Jerusalem oak goosefoot of oak of Paradise.

Traubenkraut en kraut Botris bij Bock. De bloemkluwens lijken op een druiventros: botrys. Druifkruid.

Engelse feather geranium, sticky goosefoot of hind heal. Klebriger Gänsefuß.

(Dodonaeus) (a) ‘Dit kruid heet in het Latijn Botrys naar de Griekse naam waarnaar dat in het Hoogduits ook Traubenkraut en Krottenkraut, in het Nederduits druivenkruid en genoemd wordt, in het Italiaans botri’. Druivenkruid heeft zijn naam omdat zijn bloempjes, die naast bij en boven de bladeren zeer veel in getal groeien, van gedaante gelijk een eerst bloeiende druif zijn, maar bleekgeel zoals ook de gehele plant geelachtig groen is. Of het heet zo na de lieflijke reuk die zo is al of men een muskadeldruif proefde’.

Trosgamander, Traubenkraut in Zwitserland

Dodonaeus (b) ‘In het Engels heet het oke of Hierusalem’.

Engelse cut leaved annual germander, Jerusalem oak.

Dodonaeus (c) ‘Het wordt ook Artemisia, dat is bijvoet, genoemd, zoals Dioscorides en Plinius betuigen en het schijnt onder dat geslacht van bijvoet te wezen wat de toenaam van Monoclonos (dat is een steel) heeft, want behalve die voornoemde twee soorten van bijvoet zo getuigen Dioscorides en Plinius dat er noch een ander of derde soort van bijvoet gevonden wordt op die manier dat diegene die Dioscorides bijvoet met een steel noemt, (in het Grieks Monoclonos of Unicaulus in het Latijn) dezelfde van Plinius in het 17de kapittel van het 25ste boek de naam van Botrys en Ambrosia zegt wordt te hebben. Bovendien zo komt met onze mening heel goed overeen dat Dioscorides schrijft, dat Botrys ook Artemisia en Ambrosia genoemd wordt. In het Nederduits piment en in het Frans pymen, in het Spaans bien granada. Sommige zeggen dat het in het Italiaans lisne heet, Camerarius zegt dat het patientia genoemd wordt in sommige plaatsen van ItaliĎ, maar Castor Durante geeft het geen andere Italiaanse naam dan botri. In Meissenland noemt men het Lunghenkraut omdat het voor de longen zeer goed en nuttig, is want om de gebreken van de longen te genezen knauwt men dit kruid en men zwelgt het in met wat wijn’.

 

Uit; http://guernsey.net/~cdavid/botany/files/chenopodium%20chenopodioides/index.html

Chenopodium chenopodioides Aellen. (ganzenvoet-achtig) Eenjarige van 5-40cm hoog.

Bloemkluwen komt in juli-augustus.

Groeit op natte plaatsen langs de kust.

Beursjesganzevoet.

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit J. Kops, www.BioLib.de.

=Chenopodium ficifolium, Sm. (vijgachtig blad) stippelganzenvoet, (zaden met zeer fijne streepjes)

De gesteelde bladen zijn dun en ongelijk drie lobbig vanuit een wigvormige basis, de middelste lob is verlengd en de bovenste zijn lijn/lancetvormig en gaaf.

Bloemen staan in opgaande en bijna bladloze trossen in augustus/september.

Groeit op vochtige plaatsen en ook op akkers.

Eenjarig.

 

Naam.

Stippelganzevoet, Engelse fig leaved goosefoot. Feigenblättriger Gänsefuß.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit L. Reichebach.

 Chenopodium foliosum, Aschrs. (blad rijk) zo is er ook aardbeispinazie die evenwel naar citroenen ruikt. Soms wordt die als potkruid geteeld vanwege de talrijke hoogrode en aardbeiachtige vruchten. De bladeren worden onder de naam aardbeispinazie gegeten.

Aardbeispinazie draagt gewoonlijk de naam de besmelde.

Twee soorten zijn aanwezig. De getopte is de besmelde capitatum. (met knopjes of hoofdjes) (Blitum capitatum, Chenopodium capitatum Asch) is een eetbare eenjarige plant uit N. Amerika, soms ook in Europa en Nieuw Zeeland.

Kleine roodachtige bloemen geven pulpachtig helder rode eetbare vruchten dat op aardbei lijkt. De vrucht geeft ook een rode verfstof. Het blad is eetbaar.

Strawberry blite, strawberry spinach, Indian paint, Indian ink, blite goosefoot. Ährige Erdbeerspinat. Carolus Clusius noemde het in 1601 Atriplex sylvestrix bacciferae, besdragende wilde melde. Naar zijn opgave kwamen zaden uit Spanje, mogelijk zo uit Amerika. Later werd ze door spinazie verdrongen.

 

De geritste is de besmelde virgatum. (roede vormend) De laatste is de eigenlijke aardbeispinazie. Het blad lijkt op spinazie en de vrucht op aardbei. Geeft fraaie rode bessen waarvan de smaak niet meevalt.

Er is een merkwaardige brief van keizerin Josephine aan haar tuinman in haar memoires. Daarin wordt verteld dat dit kruid door cultivatie veranderd kan worden in een echte aardbeiplant.

 

Naam.

Aardbeispinazie, Duits Erbeerspinat en Engelse strawberry blite.

Spanische Erdbeere, Hahnenkam, Schminkbeere en Stur of Sture bij Hildegard.

 

Uit plantillustrations.org

Chenopodium giganteum Don, (gigantisch) (Chenopodium amaranticolor, Coste. & Reyn. (Amarant kleurig) kan tot 2,50m hoog worden.

Een eenjarige kruidachtige plant met getande, donkergroene bladeren.

De jonge scheuten hebben witte of violette haren die het blad een bepoedert aanzien geven als met amarantkleurig poeder bestrooid, behaard.

Bloeit van juli tot september met kleine witte bloemen in een lange en rode tros en draagt in oktober duizenden zaden.

Stamt uit IndiĎ, mogelijk is ze met handelsgoederen als boomwol meegekomen.

De mooie kleuren verdwijnen als ze te veel mest krijgt.

Jonge bladeren worden als spinazie gebruikt. De zaden worden in het Oosten tot meel vermalen, bij ons voor vogels. Is beschreven in 1908.

Het is een toetsplant voor een virusziekte bij anjers. Wordt de plant met een viruszieke anjerblad ingewreven dan zal de melde na enkele weken afsterven.

Baumspinat, Magentaspreen of Riesengänsefuß.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit L. Reichenbach.

Chenopodium glaucum, L, (zeegroen blauw)

Bladen zijn allen ovaal, getand en ingesneden aan de rand, melig aan de onderkant.

Spreidende, vaak kruipende stengels .

Groene bloemen staan in opgaande, bladloze aren in augustus.

Eenjarig.

 

Naam.

Zeegroene ganzenvoet, Engelse oak leaved goosefoot, Duits grauen Gansefuss.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit L. Reichenbach

 Chenopodium hybridum, L. (hybride)  

Bladen zijn wat hartvormig met driehoekige en grote tanden.

Bloemen staan in kluwens in bladloze trossen aan een dunne stengel in augustus.

Eenjarig.

Groeit op vochtige plaatsen en ook op akkers.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Men noemt dit gewas eigenlijk ganzenvoet naar de gedaante van de bladeren, in het Hoogduits Genszfusz, in het Latijn Pes anserinus, in Frankrijk heet het pied d’oye, in ItaliĎ pede di ocha en in Engeland goose foote’. Bastaardganzenvoet, Engelse maple leaved goosefoot; esdoornbladige ganzevoet, Duits unechte Gansefuss, Gansfussel, Bastard-Gänsefuß of Stechapfelblättriger Gänsefuß.

Dodonaeus (b) ‘ Sommige zeggen dat het de Chenopus van Plinius is wat zoveel betekent als of men ganzenvoet zei, welk kruid met de zuring onder alle kruiden niet van de bijen gezocht wordt om er honig uit te verzamelen. Lobel noemt het ook Atriplex silvestris latifolia laceris laciniis’.

Chenopodium is afgeleid van het Griekse chen: een gans, en pous of podos: een voet, het is een verwijzing naar de vorm van de bladeren en zo is het ook aan zijn Hollandse naam gekomen, ganzevoet, Engelse goosefoot, Franse patte d'oie; ganzenvoet, anserine: van Latijn anser: gans,  Duits Gansefusz en Deense guasefod. De gewone soorten werden in de middeleeuwen meestal Atriplex genoemd en onderscheiden door bijvoegingen als grotere, kleinere, kleur of naar de geur.

Dodonaeus (c) ‘Vanwege de koude kwade eigenschap van dit kruid waarmee het de varkens ombrengen kan is het verckens doot genoemd, in het Frans mort aux porceaux, in het Hoogduits Schweinsztodt en Seutod’. Sewplag en Schweinstod bij Bock.

Dodonaeus (d) ‘Het is van krachten en werkingen de gewone nachtschade zeer gelijk en mag tot alle zaken van buiten gebruikt worden daar nachtschade en geschikt toe is. In Frankrijk heet het soms pied de iars’. Duits Nachtschatten,

 

Gebruik

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘Men zegt dat de varkens die van dit kruid eten er van sterven.

Immers het wordt voor een onkruid gehouden want het is in geen gebreken of ziekten gebruikelijk en veel minder dient het om voor spijs te nemen’

 

Uit J. Kops, www.BioLib.de.

=Chenopodium murale, L. (muur)  

De glimmende bladen zijn eivormig en scherp getand, gaaf aan de basis.

De groene bloemen staan in spreidende en vertakte, bladloze trossen in augustus en september.

Heeft een onplezierige geur, niet zo erg als bij de stinkende.

Groeit op vochtige plaatsen bij steden.

 

Naam.

Muurganzenvoet en Engelse nettle leaved goosefoot. Mauer-Gänsefuß.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit J. Kops, www.BioLib.de.

Chenopodium polyspermum, L. (veel zaden) De bladloze stengels kruipen en worden een 50cm hoog.

Bladen zijn eivormig en zittend, staan in vertakte, okselstandige en wat dunne trossen. Ze zijn groen met wat roods in augustus/september en mooi door de vele glimmende zaden.

Eenjarige zonder  meelachtige bedekking.

Groeit langs vochtige wegen en akkers van Europa en W. AziĎ.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) ‘Melde met veel zaad is van Lobel beschreven en Polyspermon Cassani genoemd, naar de mening van Anguillara Polysporon naar de menigte van het zaad en bloemen.’

Korrelganzenvoet en Engelse many seeded goosefoot of all seed, Duitse Vielsamige Gänsefuß, Maier bij Bock, Fischmelden Samen-Gansefuss. De zaden werden vroeger als lokmiddel bij het vissen gebruikt, vandaar Fisch-Gänsefuß of Fischmelde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: oosthoek Chenopodium quinoa, Willd. (Quino, Inca naam) is een eenjarige plant die een paar meter hoog kan worden. De zaden komen uit prachtige en kleurrijke bloempluimen.

Quino is een oude cultuurplant van de Inca's. Het kruid wordt nog in Z. Amerika, de Andes, Peru en Chili op uitgebreide schaal gekweekt.

Er zijn witte en roodvormige vruchten, vele tinten ook in geel en groen..

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus)Quinua of groot Blitum van Peru is van Clusius beschreven en is niets anders dan een medesoort van de tweede soort van fluweelbloemen die in Peru overvloedig groeit en is het derde voedsel waarmee de inwoners van Quito zichzelf plegen te onderhouden. Hij noemt het Quinua of Blitum majus Peruanum, dat is groot maier van Peru, wiens aren bruinrood zijn en als ze rijp zijn uitgeschud worden een grote menigte van zaad uitstorten dat rond, wit en als hirs is met een blinkende doorschijnende plek in het midden dat op een oogje of parel lijkt, zeer wonderlijk om te zien, hoewel dat sommige het ook met rood zaad gezien hebben. Zulks is hetgeen dat in het Hoogduits ook Welsch Hirs heet zoals het panikkoren.’

Quino of quinoa, stamt uit de Incataal, kinwa. Ze noemden dit gewas het heilige moedergraan. Gierstmelde omdat de vruchtpluim op die van gierst lijkt. Duits Quinoa, Quinua, Inkareis, Reismelde, Inkakorn, Reisspinat of Perureis, Engels petty rice en quinoa of white quinoa.

 

Historie.

De oude Inca's kweekten deze plant hoog in de bergen en het was voor hen een van de belangrijkste landbouwgewassen. Bijna net zo belangrijk als aardappelen en zelfs belangrijker als maēs. Voor de verovering van Peru door de Spanjaarden was het hun hoofdvoedsel. Heel belangrijk was dat deze vrucht nog hoog in de bergen wilde groeien, daar waar andere gewassen het laten afweten. Uit archeologische vondsten in Peru blijkt dat de quinoa daar al 5000 jaar voor onze jaartelling werd gekweekt. Ook dat de korrels 1000 v. Chr. langs de hele westkust van Z. Amerika en tot diep in het binnenland bij het Titicacameer te koop waren. De grote precolumbiaanse culturen uit de Andes hebben wel een groot deel van hun welvaart aan de quinoa te danken. De Inca’s hielden de plant voor heilig en noemden het "chisaya mama" of "moeder van alle granen", en de Inca heerser zaaide traditioneel de eerste zaden in het seizoen in zijn gouden garderobe. Tijdens de verovering door de Spanjaarden werd het door hen gehoond als voedsel voor Indianen en onderdrukt omdat het niet overeen kwam met de Christelijke ceremonies. Zelfs met doodstraf bedreigd als ze het teelden.

De zaadkorrels vervulden een gewichtige rol bij de bloederige en godsdienstige rituelen van de Z. Amerikaanse Indianen. De Spaanse veroveraars maakten daar een eind aan. Maēs, dat vonden ze een geweldig supergraan. Dat namen ze mee naar Europa. Dat dwaze gewelddadige bijgeloof rond de quinoa moest maar eens afgelopen zijn. Daarom verboden ze de Inca's die plant nog langer te verbouwen. Zo raakte de quinoa in het grootste deel van de wereld in vergetelheid. Alleen op een paar Z. Amerikaanse akkertjes groeit nog wat. De indianen beschouwen het nu al sinds generaties als kippenvoer en zijn bang dat het hun kinderen sloom maakt.

De kleine en platronde korrels hebben een nadeel. Op de buitenkant zit een bitter laagje dat moeilijk te verwijderen is. Dit laagje bevat saponinen, een zeepachtige stof. Dat laagje is vermoedelijk een tweede reden waarom de Spanjaarden het gewas verboden en probeerden uit te roeien.

Met de komst van de gezondheidsrage werd naar alternatieve voedingsmiddelen gezocht. Men zocht naar nieuwe, natuurlijke en liefst veel dierlijk eiwit vervangende voedselplanten. Ineens werd de quinoa populair. Pogingen het gewas te kweken verliepen uiterst moeizaam. Het verhaal van de mislukkingen omvat een dik boek. Tenslotte ontdekten de onderzoekers een Chileens ras dat in het laagland wilde groeide en zich liet oogsten. Daarmee wordt vanaf de tachtiger jaren gekweekt, zelfs in Nederland. Het is nu te koop bij natuurvoedingswinkels. De korrels zijn geslepen en gewassen, de saponine is verwijderd. De plant is interessant voor de zetmeelindustrie en voor veevoer.

 

Gebruik.

Volgens de opgaven kan de zaadoogst enorm hoog zijn. De zaadkorrels leveren minder zetmeel dan tarwe of rijst maar bezitten veel meer eiwit en vele essentiĎle voedingsstoffen die de granen missen. Ze worden door mijnwerkers en andere mensen met zwaar werk gebruikt omdat men denkt dat ze krachtig voedsel geven. Het zaad wordt tot brei gekookt of, na vermaling, verbakken en als voedsel gebruikt. Net als de melde is het blad ook in rauwkost te verwerken of als gekookte groente te gebruiken.

 

Uit Fuchs.

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Cliquez pour voir l'image en taille réelle= Chenopodium rubrum, L. (rood) Bladen zijn driehoekig, diep bochtig getand en gezaagd en wat glanzend.

Stengel is opgaand en 30cm hoog, vaak roodachtig

De dichte en wat roodachtige aren zijn opgaand en bladig met vele bloemen in augustus en september.

Groeit op brakke gronden en ook op bouwland.

 

Naam.

Rode ganzenvoet en Engelse red goosefoot, sow bane, swine’s bane, Bluttkraut bij Bock, Saubalg of Sautod en Schweintod, Roter Gänsefuß.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit J. Sturm, www.BioLib.de.

Chenopodium urbicum, L. (van de stad) De blauwgroene bladen zijn driehoekig, groot en diep en onregelmatig getand, de basis is vervormd tot bladsteel.

De licht groene bloemaren zijn opgaand en bijna bladloos in augustus/september.

Eenjarig.

Groeit op vochtige gronden bij muren en rond steden.

 

Naam.

Trosganzenvoet en Engels upright goosefoot. Städte-Gänsefuß of Straßen-Gänsefuß.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit L. Reichenbach.

=Chenopodium vulvaria, L. (van vulva: schaam, de geur en omdat het goed tegen vrouwenziektes is) stinkende ganzenvoet, heeft smalle en vrijwel ronde bladeren die iets gepunt zijn en vrijwel zonder insnijdingen met een doffe melige kleur. Een poederachtig substantie is over het gehele blad verspreid.

De hele plant is succulent.

Bloemen staan in bladloze en dichte groene trossen in augustus en september.

Misschien vanwege de geur groeit het meestal op mesthopen en als je het per ongeluk in een veldboeket plukt laat het de hele kamer naar rotte vis ruiken. 

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Valerius Cordus heeft dit kruid Garosmos of Garosmus op het Grieks genoemd naar de vuile stank die het heeft die op de vuile pekel en het verrot vissap dat in het Grieks Garon genoemd wordt lijkt, dan men zou het om dezelfde oorzaak Atriplex foetida, dat is in onze taal stinkende melde, mogen noemen of Tragium Germanicum, dat is Hoogduits Bockskraut want de vuile reuk die dit gewas van zich geeft gaat de stank van de bokken ver te boven. Het is zonder twijfel onder het geslacht van de melde te begrijpen.

Al is het zo dat dit kruid van sommige Tragium, dat is bokskruid (in het Frans herbe de boucq) genoemd is, nochtans zijn er sommige eigen soorten van Tragium die we elders beschreven hebben. Andere hebben dit kruidje naar zijn kleine bladertjes die wat op edel marjolein lijken stinkende marjolein genoemd of spotsgewijs onedele marjolein. Tegenwoordig is bij meest alle kruidbeminnaars met de naam van Uvularia bekend. Lobel noemt het Atriplex olida, pusilla, hircina en Vulvaria, Garum oleus. Sommige noemen het Atripex canina, dat is hondsmelde omdat ze menen dat het voorgekomen is van de hondenpis. Men vraagt diegene die het gewreven hebben tussen de vingers (zegt Lobel) of ze ergens enige vuile vrouw gehandeld hebben omdat het geheel stinkt als de vuile en onreine hoeren waarnaar dat gewoonlijk kutten-cruydt genoemd wordt. Als enige vrouwenkleren er mee bestreken zijn dan komen de honden er aan ruiken en pissen door ritsigheid.’ Lobel: ‘en vooral in de kerken daar vuile damp wasemt vanwege het begraven van de doden en ook omdat die met geen wind gezuiverd worden. Maar het mag geenszins in spijs gebruikt worden.’

Stinkende ganzenvoet wordt ook wordt het wel schaamkruid of cuttencruyt en in het Duits Stinkender Gänsefuß, Buhlkraut, Schamkraut, Hundskraut, groeit dan ook waar de honden urineren, Faulfischkraut, Fotzenkraut en nackte und stinkende Hure genoemd. In Engels is het stinking goosefoot, dog’s orache, notch weed en in Frans vulvaire: schaamkruid, en arroche puante: stinkende melde.

De wilde of stinking arrach die bij Culpeper ook vulvaria, dog's- goat's arrach en mother wort wordt genoemd.

 

Gebruik.

Het gebruik was vroeger zo. (Dodonaeus) ‘Dit kruid wordt nergens toe gebruikt, dan men zou het de vrouwen mogen te ruiken geven die met de ziekte van de baarmoeder gekweld zijn en zo gebruikt zou het die nuttig wezen want, zo Hippocrates ons leert, als de baarmoeder ontsteld is en een wurging of opstijging veroorzaak dan moet men de vrouwen stinkende dingen voor de neus houden.

In ItaliĎ en Languedoc groeit het op vele plaatsen in het wild. In ItaliĎ mag het niet gebruikt worden. De vuile reuk is het hoofd lastig.. Hetzelfde kruid pleistervormig op de gezwellen gelegd laat ze zinken en het water daar dat in gekookt is, is verdrogend en afvegend van krachten en daarom is het goed tegen de grove vette jeuk en schurft en tegen de vuile wonden en zeren’.

Inwendig ingenomen zou er geen beter middel onder de invloed van de maan bestaan tegen dit probleem. Het is een kruid van Venus onder het teken van de Schorpioen. Verkoelt de verhitte baarmoeder en de hitte hiervan is "one of the greatest causes of hard labour in child-birth. It makes barren woman fruitful.. therefore if you loove children, if you love health, if you love ease, keep a syrup always by you made of the juice of this herb". Toch jammer van die geur.

 

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl