Guaiacum.

Pokhout.

 

Uit J. Carson.

4-6 soorten van bomen en struiken komen voor in dit geslacht die in Tropisch Amerika groeien, langzame groeiers die tot 20m komen.

Allen hebben hard hout en overvloedig gom.

Bladen tegenoverstaand en leerachtig met 2-14 deelblaadjes.

Bloemen zijn blauw of purper en vallen niet op.

Zygophyllaceae, dubbelbladplanten, boonkappertjesfamilie.

 

Guaiacum officinale, L. (geneeskrachtig) (Guajacum) Is altijdgroen. Heeft 4 tot 28 eivormige tegenoverstaande geveerde blaadjes. De bladeren hebben aan basis een kleine oranje vlek.

Geeft mooie blauwe bloemen, net als het leverkruid, Hepatica. Bloei is eindstandig, bloeitijd in het hete jaargetijde.

De bast van oude bomen is zwartachtig. Het hout van dikke stammen heeft een zwart kernhout en hel spinthout met vele bruine strepen, het pokhout.

De boom levert het zwaarste hout van alle houtsoorten, s.g. 1,55, dat zinkt in water. Geeft de nodige vastheid met zelf smerende eigenschappen.

Dit is een kleine en langzaam groeiende boom van 6m. hoog met een ronde vorm van stijf vertakte twijgen. De boom ziet er wat geelachtig uit.

Uit Tropisch Amerika is in 1694 beschreven.

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Het gewone pokhout groeit in West-IndiĎ in verschillende eilanden en ook in het vaste land, maar meest in het eiland San Domingo en is vandaar eerst hier te lande gebracht om de pokken te genezen (die in het voor vermelde eiland zo algemeen zijn als hier te lande de kleine of kinderpokjes) die ze ons het eerst gebracht hebben in het jaar ons Heren 1493 wanneer Christophorus Columbus dat eiland eerst ontdekt heeft en er vele vrouwen en andere slaven van meegebracht heeft die met deze plaag besmet waren, (daarom Spaanse pokken genoemd) zoals Monardus en andere aantonen, dan het gebruik van deze wortel is lang daarna eerst in Europa gekomen. En is uit Spanje zo verder gegaan die ze ook in  het jaar 1496 prinses Johanna, bruid van Philips, aartshertog van Oostenrijk overbracht en de Zeeuwen toen ze lange tijd voor Vlissingen lagen mee deelde. De andere of kleine soort van pokhout groeit ook in West-IndiĎ, maar meest in het eiland van San Joan del Porto tegenover San Domingo Hier te lande is het bekend met de naam pock-hout’.

Monardus, geneesheer te Sevilla, schrijft over de nieuwe planten uit Amerika in 1596. Hij vermeldt de nieuwe ziekte pokken en hoe die gekomen is met Christopher Columbus die hij Christopher Colon noemt.

‘De Guaiacum dat het hout van de Indianen genoemd wordt werd ontdekt waar de eerste Indianen waren gevonden en dat was op het eiland Sancto Domingo waar er veel van groeit. Daar was een Indiaan die zijn kennis ervan gaf op deze manier. Er was een Spanjaard die veel leed van de pokken die hij gekregen had vanwege het gezelschap van een Indiaanse vrouw. Zijn bediende was een van de geneesheren van het land en die gaf hem het water van Guaiacum waardoor hij geheel genezen werd en met hem veel andere Spanjaarden. Dat werd overal rond verteld en zo kwam het te Sevilla en vandaar door heel Spanje en de rest van de wereld.

Want God gaf vanaf de plaats waar de pokken kwamen een remedie daartegen. Want de pokken zijn gewoon onder de Indianen net zoals de mazelen bij ons en gewoon bij mannen en vrouwen.

In het 1493 was er een oorlog tussen de katholieke koning van Napels en koning Charles van Frankrijk. In deze tijd kwam Christopher Columbus terug van de ontdekking van Amerika wat Santo Domingo en andere eilanden waren. Hij bracht met hem mee vele Indianen, mannen en vrouwen naar Napels waar ondertussen vrede was tussen de koningen waar de gezantschappen met elkaar overlegden. Columbus kwam daar en met hem de Indianen die deze ziekte meebrachten. De Spanjaarden begonnen met de Indiaanse vrouwen te converseren een op die manier zodat ze geēnfecteerd werden met de pokken. Maar ook de Italianen en Duitsers want die waren alle bij de katholieke koning.  Nadat de afgezanten met elkaar hadden gesproken kwam de brand in het Franse kamp waarna anderen geēnfecteerd werden en zo dat het zich over de hele wereld verspreidde.

In het begin had het verschillende namen, de Spanjaarden dachten dat ze het gekregen hadden van de Fransen en noemden het de Franse ziekte. De Fransen dachten dat van Napels en noemden het de Napelse ziekte. De Duitsers zagen dat het kwam na conversatie met de Spanjaarden noemde het in Spaans Skabbe. Een andere noemde het de mazelen van de Indianen die zagen dat die ziekte in het begin daarvan kwam.

De grote dokters van die tijd hadden verschillend meningen over de ziekte. De een zei dat het kwam van het eten van wilde kruiden, ezels en paarden waardoor het bloed verbasterde. Anderen dat het van de invloed van Mars en Saturnus was en hemelse invloeden. Anderen noemden het Leprosis, zwijnen pokken, Pentegra, dodelijke ziekte of Elephantia zonder zeker te kunnen zeggen welke ziekte het was en noemde het naar een bekende en beschreven ziekte.

Om de ziekte te bestrijden neem je 12 ons van het klein gemaakte hout en doe het in drie potten water  in een nieuwe pot een 24 uur die op een zacht vuur gekookt wordt totdat er een liter over blijft. Dat is het eerste en sterkste water dat in een verglaasde vat wordt bewaard. Op hetzelfde hout wordt nogmaals hetzelfde gedaan wat het tweede water is.

De zieke wordt gepurgeerd en in een warme kamer gelegd in zijn bed waar hij twee ons in de morgen van het eerste water drinkt en dan goed bedekt zodat hij twee uren zweet. Daarna wordt hij geschoond en neemt een warm shirt en schone linnen kleren. Vier uur daarna mag hij wat amandels, rozijnen en biscuit eten en krijgt water van het tweede kooksel. Acht uren na het eten neemt hij weer van het eerste water en weer twee uren zweten, dan verschonen etc. en zo 15 dagen door . Een uitzondering is als hij te zwak wordt dan kan hij een kuiken krijgen en zo ook diegene die niet tegen het dieet kunnen. Mocht hij niet tegen het dieet kunnen. Na 15 dagen moet hij zich weer purgeren begint alles weer opnieuw maar mag een grotere kip eten. Dat duurt een 20 dagen waarin hij wat mag lopen in de warm gehouden kamer. Op het eind daarvan moet hij zich weer goed purgeren en daarna moet hij het water nog een 40 dagen gebruiken en moet zich ver houden van vrouwen en wijn. Hij moet het water van deze boom gebruiken maar dat mag dan gemengd worden met anijs of venkelzaad.

Het water is goed voor de tanden en maakt die wit en zorgt dat ze vast staan’.

Pokhout of Fransosenhout, Duits Franzosenholzbaum, Pockholzbaum.

Dodonaeus (b) ‘Dit hout wordt in Indien guayacan genoemd en daarnaar heet het in het Latijn Guaiacum of Lignum Guaiacum, in Frankrijk heet het guaiac’.

Guaiacum, het woord guajak, uitgesproken gwai-a-cum, is afkomstig uit de tropisch Amerikaanse landen. Duits Guajak. De wortel van die naam komt terug in de namen van plaatsen als Guajama en Guanika, Guajavas op Porto Rico en luidde oorspronkelijk hujacum. Het is mogelijk een Spaans/Indiaanse naam. De Amerikaanse namen hoaxacon en mathalquauhitl wijzen waarschijnlijk voor een deel op zijn hout en kleur.

Dodonaeus © ‘Het heet naar zijn kracht Lignum Sanctum, andere noemen het Lignum Indicum, andere zeggen dat het een soort van Ebenum Indicum is, dan het is geen echt ebbenhout en ook geen soort van buksboom, maar is een boom op zichzelf. In ItaliĎ heet het legno Santo en legno d’ India, in Spanje palo Sancto en palma Santca. De kleine soorten heten in het Latijn Palum Sanctum Indiae occiduae’.

Het is de palo sancta: heilige boom, de lignum vitae tree: de levensboom of lignum sanctum: heilig hout, Duitse Heiligenholz, Guajakbaum, Frans lignum vitae.

Toen de Fransen omstreeks 1493 Napels belegerden ontstond er in Europa een hevige en nieuwe geslachtsziekte, de Franse ziekte, waar de geneesheren radeloos bij stonden. Met gejubel werd Fernandez de Oviedo begroet die in 1514 in St. Domingo geland was en tegen deze geslachtsziekte een middel had, het guajakhout, lignum huajacum of lignum sanctum. Volgens hem gebruikten de indianen een afkooksel hiervan. Dit zou na lang en vruchteloos gebruik van kwikzilver, een vermeende genezing geven van syfilis, vandaar de naam levenshout. Pokhout, omdat er een olie van verkregen wordt die tegen pokken gebruikt werd.

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: gilgGebruik.

Guaiacum officinale is de nationale bloem van Jamaica en Guaiacum sanctum is de nationale boom van de Bahamas.

Dat hout komt in stukken op de markt. Het kernhout smaakt zeer bitter, ruikt echter bij verwarmen zwak aangenaam. Het spinthout is reukloos. Bij verhitting levert het een zalf waarvan men in de 16de eeuw dacht dat dit goed was voor longpatiĎnten.

Het gebruik van dit hout leerden de Spanjaarden van de inlanders van Santo Domingo, technisch als wel medisch. Ze brachten al in 1508 dit hout onder de naam „Palo santo“ („Lignum vitae“, „Lignum sanctum“) naar Europa waar het in 1532 zeer duur was. In Duitsland droegen Nicolaus Poll en Leonhard Schmaus, vooral Ulrich von Hutten tot de verbreiding van het„heiligen of indischen Holzes“ bij. De laatste zou na lang en tevergeefs gebruik van kwikzilver zijn genezing van Syphilis aan het„Lebensholz“ (vergelijk. Ulrich von Huttens „De Guajaci medicina et morbo gallico“, Mainz 1519) te danken hebben. Hij gaf er in Mainz, 1519, een boek over uit. De eerste zending hout kwam in 1508 in Spanje aan, in 1509 was het hout in ItaliĎ nog niet bekend. In 1517 was het over geheel Europa in gebruik. In 1518 schreef de lijfarts Poll er een boekje over, hij zou er 3000 mensen mee genezen hebben. Het levenshout werd zo populair dat de raad van de stad Straatsburg in 1525 107kg hout kocht. De artiest Jan van der Straet, Johannes Stradanus of gewoon Stradanus, tekende een scŹne waarin een rijk man een behandeling ontving tegen syfilis met guaiacum hout rond 1580.

Het is door zijn grote taaiheid en vastheid en vooral door zijn zelfs merende eigenschappen onovertroffen voor lagers van stuurwielen en schroefassen van schepen onder water. Verder voor kegelballen, takelrollen en mastknoppen en de eerste houten klokken werden er van gemaakt. Het wordt gebruikt om er kegelballen van te maken.

Het beste hout is afkomstig van Santo Domingo. Dit werd in de artsenij gebruikt tegen syfilis, vooral in de vorm van een houtthee. Ook was het goed tegen reuma en jicht.

Het gebruik was vroeger zo. (164, 310) ‘Het pokhout is zeer fijn van delen en dun of luchtig van stof, wat harsachtig en met zijne bitterheid verdelend, afvegend, uitdrijvend, verdrogend, dun makend, ontdoet en smeltend van krachten en geschikt om te laten zweten en om alle verrotting en bederf te weerstaan en vooral in de pokken waarnaar dit hout hier te lande zijn naam met recht gekregen heeft. Het geneest alle ziekten die uit koude vochtigheden hun oorsprong hebben. En het water daar dat in gekookt is geneest de oude zeren en zweren, verdrijft de jeuk, schurft en alle vuile gebreken van de huid.

Het beste pokhout is zwaar, dik en vast, van binnen zwart en van buiten geelachtig, bedekt met een vlakke schors die vast aan het hout kleeft vanwege zijn vettigheid. Droogt op alle zinkingen en dunne vochtigheden die uit de hersens op de andere delen vallen. Wordt  in een gesloten vat tot elke ons een half pint water geweekt en dan tot op de helft gekookt met zodanige kruiden als de ziekte vereist’.

In Centraal Columbia geld de boom als heilig. Bij de Muisca, een Indianenstam, werd bericht dat er in de oertijd geen aardbeving geweest is omdat de aarde door vier guajakbomen werd gedragen die met hun vaste hout het goed stutte. Later werd een ontrouwe god bestraft en veroordeeld om de aarde te dragen, in plaats van het guajakhout. Daarom beweegt de aarde dan ook af en toe.

Uit en.wikipedia.org

Guaiacum sanctum L. (geheiligd) wordt gevonden in de Bahamas, Belize, Costa Rica, Cuba, Dominicaanse Republiek tot Florida en Amerika.

Het is een van de soorten die het waardevolle Lignum Vitae hout leverde.

Dit is een kleine langzaam groeiende boom van 7m met een stam van 50cm.

Is altijdgroen. Bladeren zijn 2.5-3cm lang en 2cm breed.

Bloemen hebben 5 bloemenbladeren.

Gele vrucht met rood vlees en zwarte zaden.

Lignum Vitae en Holywood.

 

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl