Isatis. Wede, meekrap.

30 soorten komen voor in dit geslacht die groeien in Europa, N. Afrika en AziĎ.

Het zijn kruiden, één- twee- of meerjarig.

Ze zijn opgaand en vertakkend, glad of harig en zelden viltig. Bladen zijn onverdeeld, de bovenste stengelomvattend.

Vele kleine gele bloemen in losse trossen.

Brassicaceae, kruisbloemenfamilie.

 

Uit A. Masclef.

Isatis tinctoria, L. (verf leverend)

Dit is een tweejarige plant met grote blauwgroene bladeren die lancet- en soms pijlvormig zijn. Wortelbladen zijn veeltallig, gesteeld en omgekeerd eivormig, getand en glad of licht harig.

Bloeit vroeg in de zomer met een statige wolk van geel.

De hauwtjes lijken op de zaden van een es en zijn gevormd als een tong, plat en gevleugeld. Ze zijn lang en aan de top breder, hangend. Als de zaden gekauwd worden geven ze een azuren kleur af.

De plant komt nog soms verwildert voor op plaatsen waar het eens gecultiveerd was.

Zou van oorsprong een Aziatische steppeplant zijn maar is in de oudheid in vele delen van Europa ingevoerd, waarschijnlijk met de invoering van het graan. Wordt tegen een meter hoog.

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘In het Grieks heet dit kruid Isatis, in het Latijn heet het ook Isatis’.

Isatis, is een Griekse naam die geleend is van Dioscorides voor een helend kruid. Grieks isazo: ik maak glad, vrij van rimpels, namelijk op de huid en werd gebruikt tegen huidziekten, of van gelijk maken omdat ze als verfmiddel diende.

Dodonaeus (b) ‘In het Latijn heet het ook Glastum. Julius Caesar schrijft in het 5de boek van zijn oorlog tegen de Fransen dat alle Engelsen zich met Glastum plegen te bestrijken wat een blauwe kleur maakt. Hetzelfde betuigt Plinius ook in het eerste kapittel van zijn twee en twintigste boek en zegt aldus; ‘in Frankrijk is er een kruid wat van gedaante op de weegbree lijkt en daar Glastum genoemd wordt waarmee de gehuwde vrouwen en jonge dochters in Engeland hun gans lichaam bestrijken en gaan dan zo heel naakt en bloot in sommige feesten of kerkgangen’. Dit schrijft Plinius. Sommige willen nochtans en zo wel in deze plaats van Plinius als in de andere van Caesar, die we boven verhaald hebben, dat woord Glastum of Vitrum wat in het Diets glas betekent, veranderd hebben. Het is waarschijnlijker dat Marcellus voor het woord Glastum, wat een oud Frans woord is, Vitrum geschreven heeft (en meende dat Glastum niets anders in die taal betekende dan glas) dan dat Caesar of Plinius het glas, wat in het Latijn Vitrum mag heten, op zijn oud Frans of Hoogduits, Glassum of Glastum zou genoemd hebben Josephus Scaligher zegt dat Caesar en Vitruvius Isatis in het Latijn Vitrum genoemd hebben die Plinius daarna Glastum genoemd heeft’.

Caesar, V. Bellum Gallicum 14.: “Omnes vero se Britanni vitro inficiunt, quod caerulum efficit colorem”.

Vitruvius, architect VII. 14.: “Item propter inopiam coloris indici cretam, selinus iam aut annulariam vitro, quod Graeci isazo apellant, inficientes, imitationem faciunt indici coloris”.

Plinius XX. 24.25: “Lactucae sponte nascentis primum est, quam caprinam vocant, alterum est genus quod Graeci caesipon vocant, tertium isazo vocant, quarto infectores lanarum utuntur”.

Van vitrum komt zowel glas (van de ramen) als de wede, vitrum is van zijn kant verwant met viridis: groen, omdat het glas van de ouden sterk ijzerhoudend was en daarom groen zag, de verfkleur kleurde ook groenblauw. Bij Plinius heet het glastum en vandaar stamt de naam Glastonbury. De Wells naam glas betekent blauw, Keltisch glas betekent grijs/groen, het is een verwijzing naar de kleur van de velden rondom Glastonbury. De plant en verf dragen dezelfde naam. Vergelijk de naam Douglas, het eerste lid betekent stroom en met het glas: blauw, is dus een donker water, een riviernaam. Caesar vermeldt in “De Bello Gallico” dat de schrikwekkende Britten zich ermee verfden en Plinius dat Britse vrouwen hun lichamen verfden met glastum en naakt paradeerden in zekere religieuze ceremonies. Bij de komst van de Romeinen zagen die dat de ouden Britten of Britons zich er mee verfden om hen schrik aan te jagen. Het woord Brittain zou dan afgeleid zijn van het oude Keltisch woord brith of brit: dat verven betekent, vandaar stamt de naam Britons en Britten. Dat woord was te ruw voor de Romeinen, dus noemden ze de stam met de meer welluidende naam Britannia.

De overwinnende Saxons zagen dit en gebruikten hetzelfde sap voor het verven van hun kleren.

Ook kan er zwart en groen uit gehaald worden. De Picten, een andere Engelse volksstam, werden zo genoemd door de Romeinen omdat zij, net als de Britons, zichzelf beschilderden en zo naakt naar het slachtveld gingen, naar het schijnt om er aantrekkelijker uit te zien, later een soort barbarisme of terreur en de blauwe kleur werd gebruikt om vijanden af te schrikken. Mogelijk deden ze dit ook om insecten weg te houden. Die blauwe kleur werd nog lang in stallen gebruikt waardoor er geen insecten kwamen. Picti betekent dan ook geverfde of getatoeĎerde mensen.

Dodonaeus © ‘Het heet in het Spaans en Frans pastel. Men vindt de naam van Pastellum of Pistellum met enige beschrijving er van bij Plinius Valerianus in het derde kapittel van zijn tweede boek. Dan men mag wede Pastillus noemen omdat men van het sap van dit kruid koekjes of grote ballen plag te maken die in het Latijn Pastilli genoemd worden’.

De Spanjaarden noemen het pastel wat een naam is die in sommige delen van Frankrijk nog gebruikt wordt.

Dodonaeus (d) ‘Voorts zo is de wede van sommige guadum genoemd, in het Italiaanse guado, welke naam van Glastum schijnt gemaakt en verdraaid te wezen of eerder van wede en woude. In onze tijden noemen de Nederlanders dit kruid wede, de Hoogduitsers en Bohemers Weyt, de Engelsen wode en wade. Avicenna noemt het Nil in zijn 512de kapittel’. (zie Indigo)

Wede is een belangrijke verfplant die we tot de oertijd kunnen terug volgen. Wede komt in midden-Nederlands van 1338 voor als weet en als weed in 1428, vergelijk oud-Engels wad (nu woad) oud-Fries wed, oud-Hoogduits Weit (nu Waid of Farberrote) oud-Frans guesde, (g voor w) (nu guede, Italiaans guado) of de helderheid van het blauw gaf het bij de Kelten de naam gwed, een naam die nog in Frankrijk in gebruik is, gwesde. In Gotisch wizdila wat stamt uit het west-Germaans waida: blauwe verf. Het Germaans waizda is voor oer verwant met het Latijnse vitrum: blauwe verf, mogelijk ook met het Griekse isatis (van wis) omdat de plant in verscheidene delen van Europa inheems is. Krap, midden Nederlands crappe, gelijk met crappe; haak, kram, oud Hoogduits chrČpfo, haak, gebogen klauw. De plant is dan naar zijn haakvormige steeksels genoemd.

Färberwaid, Deutsche Indigo. Oude Duitse namen zijn; Waidt bij Bock, oud-Hoogduits Wata of Watwurz, Weyth bij Hildegard, Wet, Weid, Weyde, Wyte, Swertlach, Veth, Vuata, Wata, weet in midden-Nederlands, Wehte.

Engels ash of Jerusalem.

Die blauwe kleur wordt nu gemaakt uit Indigo, zie daar.

 

Gebruik.

Als het de Isatis van Dioscorides is hebben de Britten het gewas niet alleen gebruikt om de vijand af te schrikken maar werd het ook gebruikt als bloedstelpend middel, de bladen en niet de verf, volgens Dioscorides, maakten wonden dicht en stopten het bloeden. De wede zou gebruikt zijn bij zweren en verbrandingen. De plant is zo verdrogend en bindend dat die niet inwendig gebruikt kan worden’. Woad is een koude en droge plant van Saturnus. Een bladafkooksel van 20 gram op een halve liter water gebruikte men bij het volk tegen miltziektes, ook bij omslagen in zweren en wonden.

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus)Wede is machtig om de grote wonden van harde en sterke lichamen dicht te helen en te genezen en wordt zeer nuttig gedaan op die delen van het lichaam waaruit het bloed met menigte vloeit. Ze belet en drijft terug de dikke waterachtige of slijmachtige zwellen die in het Latijn tumores oedematosi heten en ze ontdoet die en verteert ze wonderbaarlijk goed.

Wede is zeer wonderlijk in het genezen en weerstaan van alle kwade en afgrijselijke zeren en oude zweren waar het ook zaak dat die begonnen te verrotten of doorknaagt en dooreten, ja bijna verkankerd waren, hetzelfde zegt Dioscorides en Galenus.

Wilde wede is goed gekookt en gedronken voor diegene die in de milt enige oude verstopping of hardheid hebben en dit is ook zeer goed tegen de zeer vochtige vuile verergerde zweren als het daarop gelegd wordt. Om iets goeds te doen met deze kruiden in de lichamen van de niet zeer sterk en angstige lieden moet men de wilde wede laten staan en de tamme gebruiken die noch geweldig genoeg valt, want de wilde dient niet zo goed in de andere gebreken daar de tamme goed in is omdat ze zo scherp en bijtend is en daarom krachtiger in de gebreken van de milt en hardheid er van.

Men plag dit kruid eer het bloemen krijgt te stoten en te stampen en het sap daaruit te persen en daar grote ronde bolletjes of balletjes van te maken die van de ververs gebruikt worden en pastel genoemd wordt om de wollen lakens en wol zelf en ook het linnen en andere webben daarmee blauw te kleuren, als boven ook verhaald is’.

Historie.

De wede is al sinds onheuglijke tijden als verfplant in gebruik geweest. De eerste archeologische vondsten dateren uit Neolithisch en zijn gevonden in de Franse grot van l’Audoste, Bouches du Rhone. In de ijzertijd zijn indrukken op potterij gevonden in een nederzetting te Heuneburg, Duitsland. De Hallstatt begraafplaatsen van Hochdorf en Hohmichele bevatten textiel dat ermee geverfd is. In lagen van de Vikingtijd te York is er een winkel gevonden met overblijfsels van wede en Rubia uit de 10de eeuw. De wede was niet alleen de tint voor de blues, maar ook de basis van vele kleuren en vooral droeve kleuren. In het traditionele Engeland zijn nog heel lang de Britse politie-uniformen met deze kleur geverfd.

De cultuur was niet geliefd. De plant putte de grond uit, het sap van de malende molens vervuilde de stroom en de woadballs vervuilden de lucht met de vuilste stank. De business was vruchtbaar voor een enkeling maar onplezierig voor velen. Het geeft zo’n misselijk makende en aanhoudende stank af dat families in Norfolk die wede maakten, zich altijd genoodzaakt zagen onderling te trouwen.

In het Highland was er tegenwerking omdat wede de grond uitput, er groeide geen gras of iets waar het vee van kon leven.

Deze ondankbare en stinkende wedecultuur kunnen we al tot in de oudheid terug volgen. Misschien werd zo in de oudheid van de vrouwen van Lemnos gezegd dat ze stonken omdat ze met de kleurstof wede werkten. De kleur werd door hun Thracische buren gebruikt voor tatoeĎringen. Het zou ongelijkheden in de huid verwijderen. 

De Duitse Waid had een goede naam evenals de Franse pastel of guede. De laatste werd het meest gezocht. Thuringen was het centrum van de wedecultuur en de steden Erfurt, Gotha, Langensalza, Tennstadt en Arnstadt stonden bekend als de 5 waidsteden. De omgeving van Erfurt was al in 1290 beroemd wegens zijn wedeverbouw. Dit duurde tot ongeveer de 17de eeuw toen Indigofera werd ingevoerd. Toen waren strenge wetten nodig om de inlandse wede te beschermen tegen die buitenlandse verf, zelfs doodstraf, maar uiteindelijk werd de wede toch verdrongen. Op het eind van de 19de eeuw werden de twee laatste woad mills in Lincolnshire gesloten.

 

Planten.

Zaaien bij 20 graden.

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl