Iris
Irissoorten zijn er vrijwel in
alle kleuren, vormen, hoogtes en bloeitijden.
Ze komen voor in alle
werelddelen van de Noordelijke gematigde zone.
Groeien en bloeien overal, in
verschillende grondsoorten en verschillende tijden, zodat er een iris in elke
tijd van het jaar ergens bloeit. De verschillende soorten volgen elkaar op in
bloei van januari tot december met slechts enkele gapingen hiertussen.
De kleurenvariatie is
onnoemelijk groot, zo dat de naam irisregenboog niet misplaatst is. Ook is er
een onbegrensde vormenrijkdom, de lengte van de stengel loopt uiteen, terwijl
anderen stengel loos zijn. Op een enkele uitzondering na zijn ze vrijwel
allemaal winterhard.
Het zijn gewassen die meestal
een wortelstok en in enkele gevallen een bol of knol vormen.
Het bloemdek heeft gewoonlijk
een buis boven het vruchtbeginsel en vrij veel meeldraden.
De bladeren zijn lijn of
zwaardvormig.
Vaak zijn deze schoonheden met
een baard op de lip uitgerust.
Het geslacht Iris omvat een 200
soorten. De fa. van Tubergen heeft zowel in de stengelloze, stengelvormige als
in de wortelstokachtige veel geïmporteerd, maar ook veel gekruist.
De tuinvormen komen dan ook niet
zuiver uit zaad terug.
Iridaceae, irisfamilie.
Verdeling
in groepen
Het geslacht iris wordt verdeeld
in 3 grote groepen namelijk,
1) De wortelstokvormende groep,
meestal lis genoemd.
2) De iris, dit is de bol of
knolvormende groep die in de hete en droge zomers van de steppen in Perzië en
Syrië van Armenië tot aan de Kaukasus groeit.
3) de wortelvormende groep. Deze
laatste bestaat uit enkele zeldzame uitheemse soorten en wordt hier niet
besproken.
1)
De wortelstokvormende groep, de
lis, wordt onderverdeeld in Apogon-,
Pogoniris, Evansia-Pseudoregelio- Regelio-, Onocyclus en Pardanthopsis-secties. De wortelstok
bevattende soorten houden over het algemeen van een natte of vochtige grond, de
anderen meer van drogere gronden.
Tot de bekendste van de
Evansiagroep behoort de Amerikaanse Iris cristata, nu Iris
subgenus Limniris sectie Lophiris.
Uit Redoute.
1. =Iris cristata, Soland. (van een kam
voorzien) Donkergroene bladeren zijn 15-20cm lang en 2-3cm breed, sterven
in het najaar af.
Rotsplant met een stengel van
5cm hoog met 1-3 bloemen.
Kleine bloemen met opstaande
bloemdekbladeren in lila/paars, de hangende zijn aan de voet geel met 3 kammen,
de middelste zijn wit en oranje gevlekt, beide anderen oranje/geel,
draadvormige bloembuis van 3.5-5cm lang, schutblaadjes zijn groen en gekield,
spits in mei.
Uit Maryland tot Ohio, Missouri
tot Georgia wordt 15-20cm hoog. Is beschreven in 1756.
Var alba
heeft witte bloemen.
Var lacustris is in alles kleiner met wat
donkerder gekleurde bloemen. Is nu Iris lacustris Nutt (behorende tot
de meren, leek, lake). Die bij de noordelijke randen van Lake Michigan en Lake Huron groeit.
Dwarf Lake Iris.
Uit www.fs.fed.us
Dwarf crested iris, lady’s
calamus.
Uit Curtis botanical magazine.
Iris gracilipes, Gray. (sierlijke
voetstengels) Dunne en licht groene bladeren zijn 15cm lang en 1cm breed
Rotsplant met vertakte stengels.
Kleine bloemen met opstaande
lila bloemdekbladeren, de hangende zijn 3 cm lang en 1cm breed, diep uitgerand
en lila/blauw, donkerder geaderd met donker lila, wit gerande midden vlek en
goudgele kam in juni.
Beschutte plaats.
Uit Japan wordt 15-20cm hoog. Is
beschreven in 1903.
3 Uit
L.van Houtte.
=Iris tectorum, Maxim.
(van de daken) Bleekgroene en spitse bladeren van 30-45cm lang en
2.5-5cm breed die in het najaar afsterven.
Rotsplant met vertakte stengels.
Donker lila bloemen, buitenste
bloemdekbladeren zijn donkerder gevlekt en geaderd met wit, lila kam in juli.
In de winter bedekken.
uit Midden en Z. W. China wordt
30-50cm hoog. Is beschreven in 1872.
Var alba
heeft witte bloemen, stengel is
meestal niet vertakt.
Wall iris.
5. uit Redoute.
Iris japonica, Thunb. (uit Japan) Deze
laatste moet in de winter goed gedekt worden. De eerste houdt van drogere
gronden dan de vorige en is geschikt voor het zogenaamde crazy paving, voor
paden met onregelmatig gevormde stukken steen als flagstones. De kleine
wortelstokken volgen de vorm van de dichtstbijzijnde spleten waarin zij
bladeren vormen.
Pogon irisgroep. Dit is ongetwijfeld de
belangrijkste groep. Nu Iris subgenus Iris sectie Iris.
Dit is op 1 na de grootste en
botanisch de belangrijkste groep. Wordt gevonden in centraal en zuid Europa,
noord Afrika en verder oostwaarts naar China, noord India. Niet een komt ervoor
in Amerika.
De baardiris omvat vele soorten.
Het kenmerk van deze groep zijn de neerhangende bloemslippen die met korte en
borstelige haren of baard bezet zijn. Alle met lange wortelstokken. Deze
planten vormen grote wortelstokken. De beste planttijd is het voorjaar. De
wortelstok wordt plat in de grond gelegd, een 3cm diep. Tussen de wortelstokken
houd je, afhankelijk van de grootte van de soort, 25cm tussenruimte. Deze
irissen houden van volle zon en een vochtige grond. Hoe rijker de zon op de
planten schijnt, hoe rijker de bloei wordt. De bovenkant van de wortelstok kan
om die reden het beste naar het zuiden gericht zijn.
Uit Curtis botanical magazine.
Iris albertii Regel (Duitse professor in
de medicijnen Michael Alberti, 1682-1757) de stengel wordt 40-50cm hoog.
Bladeren zijn blauwachtig groen
en zwaardvormig, 40-50cm lang en 2.5-3cm breed.
Bloemtros met 2-3 bloemen in
mei, lavendel tot purperachtig violet met bruinrode nerven, witachtige baard.
Vermeerderen door de rhyzomen te
delen of zaad.
Komt uit Rusland en Centraal
Azië.
Uit www.pacificbulbsociety.org
Iris albicans, Lange (wit wordend) is
een natuurlijke hybride, wordt 60cm hoog.
De bladeren zijn grijsgroen en
breed zwaardvormig.
Bloemtros met 2-3 bloemen die
grijs of zilverachtig in knop zijn en wit in bloei en 8cm groot. Een steriele
hybride die vermeerdert wordt door verdeling van de rhyzomen.
White cemetery iris, white flag
iris werd geplant op de graven van Moslims, groeit in veel landen van het
Midden Oosten en N. Afrika.
Uit en.wikipedia.org
Iris orjenii Bräuchler & Cikovac wordt
gevonden in Montenegro en Hercegovina op
de berg Orjen.
Groeit uit een rhizoom tot
30-50cm hoog, 2-3cm breed.
Bladeren zijn blauwachtig groen
en zwaardvormig.
Bloemtros met 2-3 bloemen is wit
met een gele baard in juni.
Orjen-Schwertlinie, Orjen-Iris is pas in 2007
beschreven.
6 Uit Redoute.
=Iris pumila, L. (klein)
Rotsplant met zeer korte
stengels en 1 bloem.
Lijnvormige bladeren zijn 5-10cm
lang en 0.5-1cm breed, spits en wat blauwachtig/groen, in de herfst sterven ze
af.
Zittende bloemen zijn donker
purper/rood met bloemdekbladeren van 5cm lang, de opstaande zijn breder dan de
hangende, baard is blauwachtig/wit met geel, bloembuis is 4-5 maal langer dan
het vruchtbeginsel, schutblaadjes zijn lancetvormig en groen met droog vliezige
top in april/mei.
De dwerg of dwarf iris is een
van de belangrijkste onder de laagblijvende van deze groep.
Groeit in Oostenrijk tot
Hongarije en Kaukasus tot Z. Rusland en wordt 10-15cm hoog. Is beschreven in
1596.
Var lutea
heeft geelachtige bloemen.
Var violacea
heeft violet/blauwe bloemen.
De meeste mooie vormen die onder
deze naam voorkomende hybriden behoren vaak tot de nanus groep van de Iris
germanica.
‘Alba’, wit met lila
vlek, ‘Azurea’ in licht blauw, de gele ‘Lutea’, ‘Die Braut’
is wit, ‘Blue Band’ is licht blauw met donkerder lippen. De bloei valt
in april/mei.
(Dodonaeus) ‘De kleine soort heet klein lis
en in het Latijn Iris minor’.
Zwerg-Schwertlilie.
9. Uit Redoute.
=Iris lutescens Lamarck
(geelachtig) (Iris chamaeiris, Bertol. (kleine iris) Bleekgroene
bladeren zijn wat omgebogen en 10-15cm lang en 8-15mm breed.
Rotsplant met eenbloemige
stengel.
Kleine bloemen met staande
bloemdekbladeren in zacht geel, de hangende in donkergeel en bruinachtig
geaderd, oranje/gele baard, bloembuis is 1-1.5 maal langer dan het
vruchtbeginsel, spitse schutblaadjes zijn bolvormig en groen met vliezige top
in april/mei.
Uit Z. Frankrijk, Italië en
Dalmatië wordt 10-15cm hoog.
2 subspies; subspecie lutescens,
met iets hogere
stengel met 1-2 gele bloemen, subspecie subbiflora.
Hiertoe behoren de vormen;
‘Alba’ met witte bloemen.
‘Violaceae’ met
violet/blauwe bloemen.
Var olbiensis
(Olbia, oude naam voor Hyeres in Z. Frankrijk) verschilt van de vorige
var door de violetkleurige bloemen. Hiertoe behoort:
‘Alba’ met witte bloemen.
‘Luteola’ met gele
bloemen.
Gelige lis, Engelse crimean
iris, Frans iris jaunâtre.
(Matthiola) (a) ‘Dit kruid hebben we lage
lis willen noemen welke naam zoveel betekent als de Latijnse iris die we daarom
voor de beste gehouden hebben omdat we geen oude naam wisten waarmee we dat
zouden mogen noemen, tenzij dat men het voor die soort van lis zou willen
houden die de ouders Iris Astragalites noemden waarmee dat enige gelijkenis
schijnt te hebben. Want de kleine knoopachtige harde worteltjes van dit gewas
zijn bijna sommige bikkels of bultjes gelijk die de ouders de naam van
Astragali gaven en daarnaar zou de naam Astragalitis mogen gemaakt wezen van
welke soort van lis Soranus vermaant bij Galenus in het 7de boek van
de geneesmengsels naar de plaatsen en Aëtius in zijn 13de boek in de
beschrijving van de pleister van de jagers. Hermomolaus Barbarus meent dat dit
kruid de Iris Illyrica of het echt Sloveens lis is dat hij in de hof van Felix
Sophia te Padua zag, maar hoever dat dit van het Sloveense lis verschilt dat
betoont Antonius Musa duidelijk genoeg in zijn examen of onderzoek van de Simplicia
of drogen.
Dit
klein geslacht van lis heeft bij Dodonaeus de naam van Chamaeiris alleen
gekregen, welke naam nochtans alle lage soorten van lis van andere
kruidbeschrijvers meegedeeld is geweest. Want Clusius heeft alle de soorten van
lage lis met brede bladeren Chamaeiris genoemd en deze kleine soort rekent hij
onder het geslacht van lis’.
10. Uit Curtis botanical magazine.
=Iris reichenbachii, Heuff. ( H.G.L Reichenbach,
Duitse botanicus, 1793-1879)
Blauwachtig/groene bladeren zijn
ongeveer even lang als de stengel en 2cm breed.
Rotsplant met een stengel die
meestal 1 bloem draagt.
Vrij grote bloemen zijn kort
gesteeld, opstaande bloembladeren zijn lichtgeel, ook de hangende die wat bruin
geaderd zijn met oranje/gele baard, bloembuis is 2.5-3.5cm lang, schutblaadjes
zijn langwerpig en spits, sterk gekield en groen, soms met een zeer smalle
vliezige rand in april/mei.
Uit Servië, Roemenië, Macedonië
en Bulgarije wordt 15-20cm hoog. Is beschreven in 1759.
Var balkana (uit de Balkan) heeft
purper/rode bloemen met geelachtige baard.
Var bosniaca
(uit Bosnië) heeft citroen/gele
bloemen met goud/gele baard.
11. uit N. Jacquin.
Iris flavissima, Pall. (geelste) Bladeren
zijn 10-20cm lang en 4-8mm breed.
Stengel met 1-2 bloemen.
Geurende bloemen in citroengeel,
aan de voet purper/bruin gestreept met oranje/gele baard, bloembuis is ongeveer
1.5 maal zo lang als het vruchtbeginsel, lancetvormige schutblaadjes zijn groen
met wit vliezige rand.
Dunne wortelstok die uitlopers
vormt .
Uit Hongarije, Z. Rusland en
Altai wordt 10-20cm hoog. Is beschreven in 1814.
Var arenaria
(op zand groeiend) heeft lange
uitlopers en 6-10cm lange bladeren, 3-5mm breed en donkergele bloemen.
14. Uit J. Sturm, www.BioLib.de.
=Iris aphylla, L. (zonder bladeren) Blauwachtig/groene bladeren zijn 1-2cm breed
en even lang of iets langer dan de stengel die al gauw na de bloei afsterven.
Rotsplant met opstaande stengel
die vertakt is.
Geurende en bijna zittende
bloemen zijn violet/blauw met geelachtige baard, bloembuis is ongeveer twee
maal zo lang als de vruchtjes, schutblaadjes zijn eivormig tot langwerpig en
groen, soms paars gekleurd in april mei.
Vruchtjes zijn duidelijk
6kantig.
Uit N. Balkan, Kaukasus en
Midden Rusland wordt 15-25cm hoog. Is beschreven in 1822.
Var benacensis
(Latijn Benacus, lokale godheid van Garda
meer) van 3-35cm heeft smalle en ster purper/rood gestreepte schutblaadjes
en warm purper/rode bloemen.
Var fieberi
(Franz Xaver Fieber, Oostenrijkse botanicus in de eerste heft van de 19de
eeuw) van 20-30cm heeft bladeren die
korter zijn dan de stengel.
Zeer smalle bloemdekslippen van
5cm lang en 1.5cm breed, violet met witachtige voet en rood/bruin geaderd,
bloembuis is ongeveer even lang als de diep 3groevige vruchtjes, schutblaadjes
zijn lancetvormig.
Var hungarica
(uit Hongarije) van 20cm verschilt
van de vorige var door de ca 3cm brede bloemdekslippen terwijl de bloembuis
ongeveer twee maal zo lang is als de vrucht.
Miniature tall bearded iris, table iris. Nacktstängelige
Schwertlilie.
15. Uit Redoute.
=Iris variegata, L. (gevarieerd) Bladeren
zijn bijna even lang als de stengels en wat blauwachtig, sterven in het najaar
af.
Stengels zijn boven aan wat
vertakt.
Grote zittende bloemen met een
zwakke geur, opstaande bloemdekbladeren zijn citroen/geel, de hangende helder
geel en aan de top purper/rood met goud/gele baard, schutblaadjes zijn geheel
kruidachtig en licht groen, aan de top soms wat violet of vliezig in mei/juni.
Uit N. Balkan, Oostenrijk en
Hongarije, Z. Rusland wordt 30-60cm hoog. Is beschreven in 1597.
Himmelschwertel en Violwurz bij
Bock, Bunte Schwertlilie, Engelse variegated iris, Hungarian iris..
uit Curtis botanical magazine.
Iris suaveolens Boiss. & Reut. (zoet
geurend) (Iris mellita, Yanka. (honing gevend) Bladeren
zijn 7.5-10cm lang en ongeveer even lang als de stengel.
Rotsplant met zeer korte
stengels met 1 bloem.
Bloemen zijn zeer kort gesteeld
en dof purper/violet, buitenste bloemdekbladeren zijn sterk omgebogen, korter
en smaller dan de binnenste met blauwachtige baard, bloembuis is driemaal
langer dan den het vruchtbeginsel, groene schutblaadjes zijn breed
lancetvormig, toegespitst en sterk gekield in april/mei.
Uit Thracië en Klein Azië wordt
10-15cm hoog.
Var rubromarginata
(rode randen) heeft 5-10cm lange
bladeren van 1,5-2.5cm breed, donkerder en meestal met een rode rand, bloemen
zijn lila/violet met bloembuis die 4 maal langer is dan het vruchtbeginsel,
schutblaadjes zijn rood gerand.
19. Uit Redoute.
=Iris pallida, Lam. (bleek) Blauw/groene
bladeren van 4-50cm lang en 3-4cm breed.
Stevige stengels met vele
bloemen.
Grote en zacht geurende bloemen
zijn kort gesteeld en lavendel/blauw, aan de voet lila en wit geaderd met
helder gele baard, bloembuis is ongeveer even lang als het vruchtbeginsel,
langwerpige schutblaadjes zijn geheel zilverwit en droog vliezig in mei/juni.
Uit
Italië, Dalmatië Bosnië en Syrië wordt 60-100cm hoog. Is beschreven in 1596.
Lobel 1581; De hoven van Nederland hebben deze in grote waarde door gift van de
zeer excellente dokter van de hertog van Ferrara Alfonsus Pancius genoemd’.
Var argenteo-variegata met zilver wit
gestreepte bladeren.
Var aureo-variegara
heeft geel gestreepte bladeren.
Iris pallida Lam. subsp. cengialti
(Monte Cengialte, berg bij Roveredo in Z. Tirol) (Ambrosi ex A. Kern.)
Foster (Iris cengialti, Ambr. ) Bladeren van 15-20cm lang zijn
ruim 1cm breed, geelachtig/groen en sterven in het najaar af.
Rotsplant met 2-4bloemige
stengel.
Grote purper/blauwe bloemen zijn
purper/rood gevlamd met geelachtige baard, bloembuis is 5-1cm lang, bruine en
droog vliezige schutblaadjes in mei.
Peer tot eivormige zaadjes zijn
grijsachtig/groen.
Uit Z. Tirol en Venetië, Illyrië,
wordt 30-40cm hoog. Is beschreven in 1886.
Var loppio
(Lago de Loppio in N. Italië waar deze plant het eerst gevonden werd)
verschilt door de iets latere bloei en meer blauwachtig/groene bladeren en
donkerder purperen bloemen
Subspecie illyrica
van de kust van N. Dalmatië, Illyrië.
Subspecie pseudopallida (valse pallida)
van de kust van Z. Dalmatië.
Pale blue iris, orrice of orris
root plant, Dalmatian iris, sweet iris. Bleiche Schwertlilie.
25 Uit F. Kohler, www.BioLib.de.
=Iris x germanica var. florentina, Dykes. (uit Duitsland en Florence)
Witte, wat lila getinte bloemen
wat opgefrist wordt door de gele baard.
Uit Z. Europa wordt 40‑60cm
groot. Is beschreven in 1596.
Naam.
Dodonaeus (a) ‘Dan meestal maakt men een verschil tussen de soorten
van lis naar de verschillende kleur van de bloemen en daarom ook die beste
soort van lis die witte bloemen heeft en in onze taal wit lis genoemd wordt en
in de apotheken meest geacht is wordt daar met de Griekse naam Irios gewoonlijk
genoemd en bij de geleerde Iris albo flore, in Hoogduitsland Violwurtz en
Weisse Violwurtz, in Frankrijk flambe blanche’.
De wortelstok was de beroemde
viooltjeswortel van de oudheid, de Duitse Veilchenwurz, midden-Hoogduits
Violenwurzel, Engels orrice of orris root. (orris waarschijnlijk van
middeleeuws Italiaans ireos: iriswortel, van Latijn iris en Grieks iris)
Dodonaeus (b) Florentijnse lis,
Florentine iris.
(c) Frans iris armes de France,
de lelie uit Franse heraldiek.
Gebruik.
Als je de wortel ziet is dit
vrijwel niet voor te stellen. De verse wortel ruikt weerzinwekkend en smaakt
bitter scherp en ziet er niet uit. De geur komt dan ook pas nadat die geschild
is en in de zon gedroogd wordt waarna ze viooltjesachtig begint te ruiken. De
smaak is dan mild. Op deze "vingers" kauwden de kinderen waarvan de
tanden begonnen door te komen, Zahnwurzel. Voor dit doel werden er bij Parijs
in de vorige eeuw meer dan 20 000 000 wortels geteeld. Ook sneed men er
rozenkransen uit. Plinius verhaalt dat van de iris alleen de wortel werd
gebruikt voor medische doelen, bij kinderen worden ze bij het tanden krijgen om
de hals gehangen. Ook in geurzakjes, tandpoeders.
Verder werd de wortelstok wel
tot poeder gestampt en als strooipoeder gebruikt, poudre de rix, en in
dekenkisten gedaan vanwege de geur. De Griekse dames verfraaiden al hun gezicht
met dit poeder, door dit een lange tijd op de huid te wrijven ontstaat een lang
blijvende rode kleur, een kleur die in latere tijden zo mooi harmoniseerde met
de witte, gepoederde gezichten. Dit komt omdat de wortel kristaalnaaldjes van
oxaalzure kalk bevat die de huid irriteren en zo voor een korte tijd rood
maakt.
In een waterig afkooksel, 5 gram
op een kwart liter water, is het een bestanddeel van een borstthee en helpt bij
hoesten
Ook werd het gebruikt voor het
aromatiseren van tabak. Het irisgroen van de schilders werd gemaakt door
violette bloemen met kalk te behandelen.
Zo was
het gebruik vroeger. (141,
164, 311, 309) ‘De
droge wortels zijn ook goed om de benauwdheid of kortheid van adem en de oude
hoest te genezen en allerhande gebreken en ziekten van de borst die daarvan hun
oorsprong nemen en vooral als men die dikwijls gebruikt verpoederd en bij de
likkingen of andere mengsels gedaan die met suiker of honing daartegen bereid
worden.
De
miltzuchtige vinden ook zeer grote baat in die wortels en die enige verkrompen,
vertrokken of gespannen, verkouden of verstijfde leden van buiten of van binnen
hebben en ook diegene die van de slangen of vergiftige dieren gebeten of
gestoken zijn. Ze worden zeer nuttig gevonden in de huivering of verkoeling,
schudding en beving van de leden en ook voor diegene die hun zaad niet kunnen
houden, maar dat steeds laten druipen, maar dan moet men ze met azijn vermengen
en te drinken geven zo Dioscorides betuigt.
Die
wortel van lis over zee met wijn gekookt en gedronken verwekt de maandstonden
van de vrouwen en lost het water en laat de steen rijzen en is zeer goed voor
diegene die het water laden. Men kookt die ook zeer nuttig in water en men
maakt er een bad van daar de vrouwen zich in mogen stoven en baden om de
baarmoeder te verzachten en de hardheden te vermurwen en die te openen en te
ontsluiten als ze verstopt is en diergelijke gebreken van de baarmoeder te
genezen of te beteren. Met honing vermengt en als een pessarium van onder in de
baarmoeder gestoken laten de levende of dode vrucht gemakkelijker af komen en
laten de nageboorte gemakkelijker rijzen en laten de andere vrouwen hun
maandstonden krijgen. Het opent ook de gaatjes van de aambeien en geneest
gonorroe (dat is dat je de natuur vanzelf kwijt wordt) en verdrijft de
verrijzenis van de manlijke roede en laat de stonden komen als je wijn neemt
waar Iris in gekookt is. Plinius zegt dat ze het zaad verteren.
Het
poeder van deze droge wortels vervult ook alle zweren en zeren en laat het
vlees groeien en hetzelfde met honing vermengt of alleen gebruikt zuivert de
wonden en kwetsingen en bedekt met vlees de beenderen die bloot en ontdekt
geworden zijn.
In het
kort gezegd, men plag deze wortels in vele gebreken zeer nuttig te gebruiken en
er grote baat bij te vinden.
Tegen
blindheid of ontsteking, dat is
dat is pijn van de ogen maak je een oogzalf (dat is een medicijn die voor de
ogen gebruikt wordt) van het poeder van de Iriswortel en tuchia met rozen- of
venkelwater.
Deze
wortels zijn zeer goed om de slaap te verwekken door hun aangename reuk en niet
door de koude als de heul.
Plinius
zegt dat het zeer goed is de jonge kinderen die aan het lijf te binden en
vooral goed ingegeven de kinderen die tanden beginnen te krijgen of schurft
zijn van wit zeer.
Die
wortels met honing vermengt trekken de splinters en gebroken beenderen uit en
zijn zeer goed tegen de fijt en kwade zweren van de nagels aan handen en voeten
gebruikt, ze genezen de kloven, fronsen en rimpels en lopende gezwellen of
gezwellen van het fondament, met olie en zalven die daar toe dienen vermengt.
Ze
verdrijven ook de pijn van het hoofd dat van te veel eten en drinken komt en
ook de grote kortheid van adem, astma genoemd.
Ze
nemen weg de stinkende adem als men die kauwt en de stinkende gebreken van de
oksels.
Ze
rijpen alle harde gezwellen en klieren en vooral van de zenuwen en spieren,
hetzij alleen, hetzij gemengd met sap van biet of kolen of met wijn en honing
en kamilleolie.
Ireos
gedroogd en tot poeder gebracht wordt tussen de kleren en lakens gelegd om die
van de schieters en motten te bewaren.
Die
wortel in wijntonnen gelegd maakt de wijn zeer goed en aangenaam van reuk en
smaak.
In het
bier gelegd houdt dat lange tijd zoet en goed van smaak.
De bakkers doen die wortel bij
het koren om het brood beter te maken’.
Het is een plant van Lunar, de
maan.
30.
Uit Fuchs.
=Iris x germanica L. (Germaans, Duits) Bladeren zijn blauwachtig/groen en 30-60cm lang,
3.5cm breed.
Stevige
stengels zijn vertakt, 5-7 bloemen.
Grote, zittende en zacht geurende bloemen,
opstaande bloemdekslippen zijn donker lila en vaak onder aan wat behaard,
hangende zijn donker purper en aan de voet geelachtig/wit en bruin geaderd,
donkergele baard, bloembuis is iets langer dan het vruchtbeginsel,
schutblaadjes zijn van het midden af droog vliezig en aan de voet paars
gekleurd in mei/juni.
Uit Midden en Z. Europa, Armenië
en Perzië wordt 40-60cm hoog. Is beschreven in 1573.
Var amas
(Amasia, stad in Klein Azië) verschilt door de iets kleinere bloemen,
opstaande bloemdekbladeren zijn licht purper/blauw, hangende indigo/purper met
oranje/gele baard.
Var florentina (uit
Florence) zie boven.
Var kharput
(Kharput, stad in Klein Azië) verschilt door de grotere bloemen,
opstaande bloembladeren zijn breed en licht purper/rood, hangende zijn zeer
groot en fluwelig donker purper/rood.
Var kochii
(Wilhelm Daniel Joseph Koch, Duitse prof.
in de botanie te Erlangen die een flora schreef over Zwitserland en Duitsland,
1771‑1849) verschilt
door de zeer grote bloemen, opstaande bloemdekbladeren zijn violet/paars,
hangende donker violet/paars en aan de voet bruin geaderd, 10cm lang en 4.5cm
breed met geelachtige baard.
Var nepalensis
(uit Nepal) lijkt veel op vorige
var maar verschilt ervan door de hogere groei en doordat de opstaande
bloemdekbladeren meer purper/rood zijn en de hangende donker purper/rood.
Var trojana
(uit Troje) lijkt veel op de
vorige var maar verschilt ervan door de forse groei, 60-100cm, met zeer grote
bloemen, opstaande bloemdekbladeren zijn helder paars en de hangende donker
purper/rood met witachtige, bruin geaderde voet en geelachtige baard.
Ontwikkeling
In Duitsland waren er in latere
tijden tal van cultuurvormen die nu niet meer gladiolus maar Iris genoemd
werden, ook de uit Arabië stammende en in het M. Zeegebied verwilderde I.
florentina was daarbij.
Clusius noemde in 1601, in zijn
Plantarum Historica, al 28 vormen. F. van Ravelingen maakte in 1606 melding van
baardirissen die hij al in verschillende groepen indeelde. In 1632 sprak P.
Laurenberg over de schitterende resultaten die met het zaaien van plantirissen
verkregen werden.
In de 17de eeuw kwamen er een 6
tal irissen in de handel die ongetwijfeld de voorlopers zijn geweest van de
fraaie barbata's. Waarschijnlijk stammen die af uit kruisingen tussen amoena, neglecta, pallida, plicata,
squalens en variegata, mogelijk nog met mesopotamica en sambucina terwijl de resultaten weer eindeloos gekruist werden. Het waren dus geen germanica's, maar
er zijn schitterende hybriden uit voort gekomen. In de Engelse en Amerikaanse
vormen zit zeker geen germanica bloed, mogelijk wel in de Franse hybriden. Deze
hybriden kregen de verzamelnaam, Iris barbata: baardachtige.
31
Onderverdeling.
Deze groep wordt onderverdeeld
in de Barbata-elitiorgroep, de Barbata-mediagroep en Barbata-nanagroep. Onder deze laatste
naam worden de Iris-pumilia hybriden aangeduid. Nu worden ze vaak gezamenlijk
aangeboden onder Germanica hybriden.
Oude rassen kenmerkten zich door
een korte bloeitijd met meestal weinig opvallende kleuren. Nu bloeien ze
verscheidene weken, soms zelfs een tweede keer in september. Ondanks dat er nog
geen helderrode en zwarte tinten zijn bezitten ze nu opvallende kleuren, in
alle tinten van wit tot geel, purper en violet, met grotere of kleinere
bloemen, een kleur die behouden blijft in de felle zon als wel in de regen,
lagere of hogere groeiwijze en dergelijke. Het aantal beloopt in de duizenden
en elk zaaisel brengt nieuwe afwijkingen zodat het niet moeilijk is om
jaarlijks een aantal nieuwe vormen op de markt te brengen.
Het zijn vaste planten met korte
wortelstokken en breed zwaardvormig blad. De opvallende bloemen bestaan uit
drie opstaande en drie hangende bloemblaadjes aan vertakte stengels. De hoogte
is van 60cm tot 125cm. De bloei valt eind mei/juni.
De voor vermelde var. werden al
voor de eerste wereldoorlog gekweekt. Hierna begon men in vele landen deze
irissen te kruisen, bijvoorbeeld in Frankrijk vooral door Vilmorin, ook de
kweker Millet & Fills uit Bourg-la Reine brachten verschillende vormen als
‘Souvenir de Mad Gaudichoa’ met grote purper/blauwe bloemen en ‘Dalida’
zacht vleeskleurig en purper/rood.
‘Mad. Cherau’ van 90cm is
al oud met opstaande en hangende melkwitte bloemen met lichtblauw geveerde
rand. Gewonnen door Lemon, kweker te Belville bij Parijs.
‘Prosper Laugier’ van
70cm is ook al oud met opstaande olijfkleurig/roze en hangende fluwelig donker
purper/rode bloembladeren die wat geel gerand zijn. gewonnen door Eugene
Verdier, kweker te Parijs.
‘Imperator’ van 90cm met
grote licht violette opstaande bloemen, hangende zijn roodachtig violet en aan
de voet bruin/rood geaderd.
‘Salonique’ van 80cm
grote roomkleurig, witte opgaande, hangende donker purper/violette bloemen die
aan de voet geaderd zijn. Deze twee zijn gewonnen door Cayeux & Leclerc,
kwekers uit Parijs.
‘Caprice’
met opstaande mauve/roze bloemen en hangende violet/roze.
‘Ballerina’ van 1m met
grote licht violet/blauwe opstaande en hangende donker violet/blauwe bloemen.
‘Ambassador’ van 80cm met grote paarse
opstaande en hangende donker fluweelachtig violet/rood. Deze drie zijn gewonnen
door Vilmorin, Andrieux & Cie, kwekers te Parijs.
Engeland bracht met G. Yeld Esq
uit York ‘Lord of June’ van 70cm met grote opstaande zacht lavendelblauw
en hangende violet/blauwe bloemen.
‘Richard II’ van 60cm met
vrij grote zuiver witte staande en hangende donker purperen bloemen komt van W.
R. Dykes Esq te Londen.
‘Trigo’ van 90cm met zeer
grote donker violet/blauwe opstaande en hangende violet/purperen bloemen is
gewonnen door Miss Insole te Llandaf, Engeland.
‘Tamar’ van 90cm met
grote roodachtig/lila opstaande en donker purper/rood hangende bloemen die
donkerder geaderd zijn.
‘Majestic’ van 80cm met
grote lavendelkleurige, violette en gegolfde, opstaande en hangende
fluweelachtig purper/violette bloemen die wit geaderd zijn.
‘Titan’ met opstaande
lila/blauwe en hangende violet/purperen bloemen die wit geaderd zijn
‘Dominion’ van 60cm met
grote lila/blauwe opstaande, wat geaderde, hangende fluweelachtige donker
indigo/purperen bloemen.
‘Sweet Lavender’ van
110cm met zeer grote staande licht lavendel/blauwe en hangende
roze/lavendelkleurige bloemen. Deze 5 zijn gewonnen door A.J. Bliss Esq te
Morwelham, Engeland.
‘Maori King’ van 40cm is een oude plant met
opstaande goud/gele bloemen en hangende fluwelig donker karmijn/rood en geel
getand. Gewonnen door Thomas S. Ware, kweker te Feltham, Engeland.
‘Balder’ van 70cm
opstaande olijfkleurig gele en hangende donker pruimenblauwe, olijfkleurig
gerande bloemen.
‘Flammenschwert’,
Engels flamming sword van 70cm met goud/gele opstaande en kastanjebruin,
goudgeel gerande bloemen.
‘Rheintochter’ van 100cm met
opstaande witte en wat lila gerande bloemen en hangende donker violet/blauwe
met brede licht lila rand.
‘Lenzschnee’ van 70cm met
opstaande witte en hangende witte met lila geaderde bloemen
‘Islan’ van 60cm met
opstaande licht lila/roze en hangende bruinachtig wijn/rode bloemen die wit
zijn geaderd. Deze 5 zijn gewonnen in Duitsland door Goos & Koenemann met
verder de bekende citroengele ‘Helga’. Kwekers te Niederwalluf.
In Amerika was de iris favoriet
en had men een groot succes met de aanwinsten van Schreiner.
‘Lent A. Williamson’ van
een meter met grote opstaande violet/blauwe bloemen en hangende donker
purperen, komt van E. B. Williamson te
Bluffton, Indianan, Amerika.
‘Montezuma’ van
60cm met grote goud/gele opstaande en hangende bruinachtig/gele bloemen die
purper geaderd zijn.
‘Powhatan’ met staande
licht violet/paarse bloemen en hangende purper/rode bloemen. Deze twee zijn
gewonnen door B.H. Farr uit Wyoming Amerika.
In Nederland was dit van Tubergen en Krelage,
de Fa Lubbe kwam met ‘Empress of India’, een helder blauwe met roze
weerschijn, en vele andere kwekers.
Verder zijn er ontelbare var. in
de handel gebracht als de helderwitte ‘White Knight’, ‘Imperator’,
donker wijnrood, de licht rosé ‘Susan Bliss’, ‘Black Dragon’ leunt al
tegen zwart aan evenals ‘Deep Fire’ tegen rood.
Ontstaan
uit kruisingen van barbata nana groep x vorige en hogere groep die voor het
eerst werd uitgevoerd door W.J. Caparne te Rohais, Guernsy, Engeland.
Staat
in groei en bloeiwijze tussen de ouderplanten in, tamelijk grote bloemen met
een bloeitijd die tussen beide in valt, mei.
‘Halfdan’
is helder room/geel.
‘Helge’
is citroen/geel met wat donkerder hangend bloemdekbladeren.
‘Ingeborg’
is zuiverwit met hangende witte en wat geel geaderde bloemdekbladeren.
‘Walhalla’
in lavendel/blauw met hangende
bloemdekbladeren in purper/blauw. Gewonnen door Goos & Koenemann uit
Niederwalluf, Duitsland.
Barbata
nana groep wordt 20-30cm hoog met bloei in mei. Is ontstaan uit kruisingen
tussen pumila x chamaeiris en reichenbachii met hun var dat gedaan is door Goos
& Koenemann, kwekers uit Niederwalluf, Duitsland. Hun aanwinsten zijn:
‘Excelsa’ van 30cm is
donker okergeel.
‘Florida’ van 20cm is
citroengeel.
‘Cyanea’ van 30cm is
ultramarijn/blauw met onderste bloemdekbladeren violet/purper.
‘Formosa’ verschilt
van de vorige door iets hogere groeiwijze en wat grotere bloemen.
‘Floribunda’ van 30 cm
bloeit room/geel met hangende bloemdekbladeren iets donkerder.
‘Schneekuppe’ van 30cm met
zuiver witte bloemen.
Naam.
(Dodonaeus) (a) ‘Dit gewas dat we in onze taal lis noemen wordt
gewoonlijk van de Grieken Iris genoemd en met die naam is dat bij de Latijnen
ook bekend. Athenaeus en Theophrastus noemen het in het Grieks Hieris als of
men heilig of heilig makend of anders gewijd kruid in onze taal zei of op het
Latijn Consecratix. (De Romeinen noemden het consecratix omdat het gewas
gebruikt werd in zuiveringsrites. Plinius noemde die rites als de plant werd
verzameld) Sommige Latijnen hebben dat ook Radix Marica (*zie afbeelding vam
Marica sabini onder) of beter Radix Naronica genoemd naar de rivier Naron waar
omtrent een zeer grote menigte van dit kruid plag te groeien. Sommige geven dat
ook de Griekse naam Urania of hemels kruid, in het Latijn Caelestis omdat de
bloem op de regenboog lijkt en om dezelfde oorzaak Thaumastos, dat is
wonderbaarlijk kruid want de poëten hebben de regenboog soms Thaumantias
genoemd, in het Latijn ook Iris caerulea of Iris nostras vulgaris of Iris azurea.
Het heet ook in het Grieks Thelpithe of Thalpide, Cathaeron of purgerende, dat
is de buik week makend kruid, en Opertritos. Plinius schrijft dat de bloemen
van lis Lycoe, dat is wolven, genoemd plegen te wezen omdat de bladeren daarvan
nederwaarts omgekruld zijn als een boog en op de lippen van de wolven enigszins
schijnen te lijken’. Dioscorides zegt
dat de naam Iris ontstaan is naar de regenboog omdat de bloemen zo verschillend
in kleur zijn; ‘quia diversi coloris specie, quaedam coelestis arcus imago
repraesentari videtur’.
Het woord Iris omvat
verschillende begrippen. Het is de 7de planetoïde die in 1847 door Hind is
ontdekt. Het regenboogvlies van het oog wordt wel iris genoemd, ook is de iris
een van onze mooiste bolplanten.
Plinius XXI 20: "Iris
floret versicolori specie, sicut arcus caelestis, unde et nomen".
Isidorius XVII 9.9: "Iris a
similitudine Iris coelestis nomen acceptit".
Het Griekse woord Iris betekent regenboog en is een
verwijzing naar de uiteenlopende kleuren en de schoonheid van de bloemen,
Engelse rainbow flower. Of is zo genoemd omdat de buitenste bloemdekslippen
gebogen zijn als een azuren regenboog. De Griekse iris, vertaald als regenboog,
betekende oorspronkelijk waarschijnlijk de draai, van wirid-s, met basis wi:
draaien of twisten, vergelijk. Latijn viere: in elkaar draaien, een weave.
Mogelijk stamt het woord van een
vorm wat voorjaar betekent, eris (er: lente) dus lentebloem en zo een
voorjaarsbloem betekent.
Lobel: ‘De ouders die gemerkt hebben de
lustige verschillen van de kleuren van deze bloemen en dat zij de kleur hadden
van de regenboog die in Grieks Iris heet hebben deze plant Iris genoemd gelijk
ook de Latijnen gedaan hebben die volgen daarin de Grieken die deze ook heten
Eris, Ourania en Thaumastos, dat is te zeggen, heilig, hemels en wonderlijk
zodanig als de heilige schrift zegt dat de regenboog of boog des verbond was
van God Almachtig na de zondvloed gegeven.’
In de mythologie was Iris degene
die door haar vroege wijsheid en schoonheid de snelvoetige boodschapper van
Juno was geworden en de zielen van de gestorven vrouwen naar de hemel mocht
brengen. (Hermes bracht de manlijke zielen weg) Omdat Iris voornamelijk maagden
en vrouwenzielen naar de hemel vervoerde, zo was men gewoon om de Duitse lis op
de graven te planten. Iris is zo een symbool
van licht en hoop. Dat ze als dochter van de zeegod Thaumas aangeduid
wordt, vindt zijn verklaring in het feit dat de regenboog schijnbaar uit zee
opstijgt. Gelijk de boog zich van het ene einde der aarde tot het andere uitstrekt,
zo snelt zij ook met de vlugheid van een vogel door het heelal en daalt zelfs
af in de onderwereld om ook daar bevelen te brengen. Op haar tochten naar de
aarde liet ze een veelkleurige sjerp achter die de mensen regenboog noemden.
Die sjerp had ze van Juno gekregen omdat ze de verleiding van Jupiter en Mars
weerstaan had. Uit verering voor haar schiep Jupiter een bloem uit ambrozijn
die gedrenkt was in Iris zo zoete adem.
Een bloem waarin zij voortleeft
en die sindsdien het voorbeeld is van het genie, opgekomen uit de lage
modder om zich tot zuivere schoonheid te ontplooien. Aan Juno, de hemelkoningin
was de bloem opgedragen als symbool van licht en welsprekendheid. De
blauwe lisbloem, die in menigte op de Macedonische bergen groeide was bij de
Grieken om haar stralende rijkdom ook een zinnebeeld van welsprekendheid,
vandaar het distichon: ‘In u zagen de ouden het beeld van het zwaard des
geestes’. ‘Van de welsprekende mond en de bezielende kracht’. Ook werd zij als
lentebloem met bijzondere ceremonieën, door de hand van een kuise maagd
geplukt, om daardoor de aarde te veroveren. Anakreon heeft haar in een gedicht
als zinnebeeld van versmade liefde getekend en daarvoor gaat zij nog in
het Oosten door.
Naar de bloem menen sommigen dat
het de viool van de ouden is, een donkerkleurige en geurige soort die als
symbool van de dood gold. Ze is het zinnebeeld van Faam (Fama) die is
even veranderlijk door haar nieuws als de bloem door haar kleuren
Bij de Oosterse volken was de
iris hoog vereerd, men hield het als een symbool van kracht, een reden zonder
twijfel omdat de Z. Slaven de iris opdroegen aan Perein, de Slavische oppergod
zodat ze het Perein's bloem noemden. De oude Egyptenaren plaatsen de regenboog
op de wenkbrauwen van de sfinx en de scepters van koningen. Dit embleem zou
terug gevolgd worden tot Assyrië, er zijn zelfs schrijvers die de bloem als het
eindigende ornament op de scepters van de oude koningen van Babylon zien.
(187A) Volgens de Islam is de brug ‘El
Sirat’ zo dun als een haar en strekt zich uit van deze wereld naar de
toekomende.
Bij het oude Israël was de
regenboog het symbool van Gods trouw bij het sluiten van een verbond tussen
hemel en aarde.
Bij de Perzen is Chinvad de brug
van de gaarder, gespannen over de kloof tussen aarde en de gewesten der
zaligen.
Als zodanig vertoont de
regenboog vaak overeenkomst met de melkweg die bij vele volkeren als het ‘pad
der zielen’ aangeduid wordt.
In de Noorse mythologie wijst
het hemelzwaard op de godin Ostara die met de komst van de lente de veelkleurige
regenboog bracht. In de Noorse mythologie beschouwde men de regenboog als de
brug Bifrost of trillende baan die de hemel met de aarde verbindt, die brug was
door iris gebouwd.
Het hemelzwaard was gesmeed van
vuur water en ijs, de kleuren van deze drie ingrediënten komen voor in de
regenboog maar ook in de kleuren van verschillende irissoorten. Daarom diende
de plant, de rain-bow-flower, ook de pinksterbruid of meigravin tot sier die
naar oeroud gebruik haar intocht hield. Hiertoe werd een maagd met bloemen en
loof volledig omhuld zodat ze in een wandelende bloemenstruik veranderde, het
gezicht was met louter zevenkleurige bloemen bedekt als een sluier. Door haar
vriendinnen begeleid ging ze van huis tot huis en bad, zingend door haar gevolg
ondersteund, om een gave die graag aangereikt werd.
Daarnaast is de iris bekend in
de Christelijke symboliek. Dit naar zijn drievuldigheid omdat drie bloembladen
naar de aarde zijn gericht en drie naar de hemel. Milton maakte de iris tot een
bloem van het paradijs die de kamer van Eva bedekten in Eden. "Iris all
hues, roses and jessamine". De Italianen noemen het ook Iride.
Dodonaeus (b) ‘Lis met blauwe bloemen
wordt in het Latijn eigenlijk Iris genoemd en meestal nochtans Lilialis, in het
landschap van Italië dat men nu Pouglia noemt wordt het van de gewone man
spatula genoemd zoals de zeer geleerde Angelus Palea en Bartholomeus ab Urbe
Veterum betuigen, de andere Italianen noemen het tegenwoordig giglio celeste
(hemel), giglio pannozzo en giglio azuro, de Spanjaarden lilio cardeno of lirio
del color de cielo, de Hoogduitsers Blauw Gilgen, Blauw Schwertel en Himmel
Schwertel, de Brabanders blauw lis over zee’.
De blauwe kleur, Duits
Himmelslilie, Himmelschwertel bij Bock, Blau Gilgen (lelie) in
midden-Hoogduits, blau Lilien, Frans glaieul blue.
Dodonaeus (c) 'Tegenwoordig worden deze
bloemen in Slovenië macinaci genoemd dat op het woord acinacis lijkt of dat
andere machaeraci die beide een mesje of slagzwaard betekenen. Sommige geleerde
schrijven dat de bloemen van lis in het Latijn Lupi en in het Grieks Lycoi plag
genoemd te wezen in tijden van Athenaeus en dat alleen omdat de omgeslagen
bladeren van die bloemen op de muil of lippen van de wolven wat schijnen te
lijken’.
Baardiris of knoliris, Duitse
Deutsche Schwertlilie, Ritter-Schwertlilie, Engelse German iris, wordt wel
Duitse zwaardiris genoemd, omdat die vooral door de Duitsers gecultiveerd werd.
Die hebben de oorspronkelijke vormen gekruist en zo gezorgd voor een rijk
sortiment aan tuinirissen. Ook door vele Franse kwekers werden talrijke
tuinvormen gekweekt die om hun gemakkelijke kweekwijze en vroegere lage prijzen
als armeluisorchideeën werden aangeduid. Ook wel schoorsteenvegers.
(d) Violenwurz, Engelse orrice
of orris root plant, zie I. florentina, sword-leaved iris.
Dodonaeus (e) 'Aloisius Anguillara is van
mening dat deze Iris of dit ons lis van Palladius voor de Hyacinthus gehouden
is geweest daar nochtans de woorden van Palladius niet zo te verstaan schijnen
te wezen, want men zou daaruit zeer goed andere niet kunnen uitnemen dan alleen
dat hij de Hyacinthus de naam van Gladiolus en Iris zou mogen meegedeeld
hebben. De woorden van Palladius in zijn eerste boek luiden aldus als hij
spreekt van de kastelen van de bijen in de 37ste titel; ‘Dat hij
(waar hij handelt van de landman) onderhoudt en teelt de navolgende kruiden, te
weten Origanum, tijm, quendel, bonenkruid, citroenkruid, wilde violen,
affodillen, Citrago (verschillend van citroenkruid) marjolein en de hyacint die
ook Iris of Gladiolus genoemd wordt vanwege de gelijke gedaante van bladeren en
meer andere. Dit zijn de woorden van Palladius waaruit nochtans iedereen vrij
staat te rapen en te verstaan hetgeen hem goed zal lijken, want daaruit is niet
noodzakelijk te verstaan dat de hyacint en de Gladiolus en het lis hetzelfde
kruid is, dan dat die namen soms voor die kruiden gewoon zijn’.
Dodonaeus (f) ‘De Fransen noemen het
flambe (vlam) en soms ook glaeyul, (gladiool) dan de echte oude Franse naam is
fleur de lis waarmee ze tegenwoordig te onrecht de lelies plegen te noemen. En
het echte wapen van Frankrijk is niets anders dan deze lis indien men de
geleerde lieden en vooral de wijdt vermaarde Becanus (die dat in zijn boek
Erancica en elders in het lang aantoont) zou willen geloven, de Engelse
behouden die naam ook tegenwoordig en noemen deze bloem flour de luce of flour
de lyce’.
Engelse iris fleur de luce, de
Franse heraldiekplant. Lobel: ‘De uiterste kanten van de bloemen zijn wijder en
staan meer uiteen en de bladertjes meer omgeslagen en meestal gedeeld in zessen
die om de beurt gelijk een halve hand gekromd staan en van binnen gebogen zoals
in de lelie van het wapen of schild van Frankrijk, daarom tot nu Flour de Luce:
Gallice Fleurs de Lis genoemd wordt. Maar nu ter tijd en hoewel dat ze overal
zeer veel is zo wordt ze van alle naties van volken lelie geheten, te weten van
de Hoogduitsers Gilgen, van de Italianen en Spanjaarden Lelie, ook van de
Fransen Glayeul om de grote gelijkenis die de bloemen hebben met de lelies en
Gladiolus.’
(199)
De
zwaardlelie heeft zwaardvormige bladeren en werd zo door kinderen gebruikt om
alvast te oefenen voor oorlog. Geen wonder dat deze plant bij de kinderen en
vechtersbazen in trek is geweest. De geschiedenis verhaalt ten minste dat het
bij de oude Germanen, en in het bijzonder bij de Franken, hoog in ere stond en
zo zelfs, dat ze hun koningen bij de kroningen in plaats van een scepter een
tak van de bloeiende lis in handen gaven, als symbool van macht en
heerlijkheid.
Uit hortus eystettensis.
Sinds oude tijden is de lelie het symbool van kracht en
koningschap. Zijn silhouet gaf vorm aan de scepter, de driebladige vorm
betekent vertrouwen, wijsheid en dapperheid. Als een heraldische embleem heeft
de bloem van het licht een belangrijke rol gespeeld. In die afbeeldingen zien
we 3 bloembladen waarvan er een rechtop staat en van boven verbreed is, terwijl
de 2 zijdelingse naar buiten omgebogen zijn en hun punten naar buiten keren.
Die vorm slaat zo niet op de lelie, maar op de iris, volgens sommigen stellen
ze zelfs lanspunten of de werpspies voor. Dit ornament zou al in zeer oude
tijden aangetroffen zijn geweest, al reeds voor de kruistochten in het Oosten.
Mogelijk is zo bijvoorbeeld dat de palm wel verward met de Griekse iris en zo
fleur de lys werd, of via vervorming van de lelie en vervorming..…
Het was al in de oudste tijden
in het oosten het symbool van kracht. Een fleur de lis die exact lijkt op die
van de Franse, is gevonden op de top van een scepter op een monument van de
hoogste oudheid te Dendera, in het hart van Egypte. M. Sonnini merkt op dat
Herodotus en Strabo vermelden dat de koningen van Babylon de fleur de lys op de
top van hun scepter droegen. Montfaucon spreekt ook over die van David, in een
manuscript uit de 10de eeuw, waar boven een fleur de lys staat. Het
is duidelijk dat de versiering die ‘lys’ genoemd wordt geen bijzonder symbool
van de Franse koningen was. Het kan van oude Egyptische tradities stammen als
symbool van kracht of van aanliggende landen. De iris was geplaatst op de wenkbrauw
van de sfinx, de ouden zagen het als een symbool van welsprekendheid.
(201A) Dat het hebben van vlaggen met bepaalde
afbeelding zeer oud is blijkt uit de opsomming der Israëlieten in Numeri 2:2:
"De Israëlieten zullen zich legeren ieder bij zijn vaandel onder de
veldtekenen van hun families" voor het kenteken van de stammen wordt
verwezen naar Gen. 49:3-28.
De heerseres Theodora, vrouw van
de Justiana uit Byzantië liet in 527 na Chr. een waterlis in haar kroon
plaatsen.
Volgens een legende wordt
verhaald dat de kruisvaarders na een zekere slag hun witte vlag vonden die
bedekt was met leliën. Door de kruisvaarders werd die plantenversiering op die
oosterse wapenschilden overgenomen. De heraldiek heeft zo een oosterse
achtergrond.
De van deze bekende bloem
afgeleide gestileerde ornamenten werden al vroeg op oriëntaalse stofpatronen
gebruikt en sinds de 12de eeuw komt het ook in de heraldiek voor.
In 1179 treed het voor het eerst
in het wapen van de Franse koning op die het sindsdien, eerst ongetand en later
in drietal als wapenfiguur behield. Een gouden lelie op blauwe grond dat was
het heraldische symbool van de Franse koningen. Nadat het huis Bourbon in 1589
aan de macht kwam spreekt men ook van Bourbon-lelie.
De lelie verscheen op de scepterspits, op kronen, weefgerei, op muren van
koningen en wapenrokken en als decoratie op tapijten e.d.
Uit hortus eystettensis.

Iris.
Over het ontstaan de iris in het
Franse wapen gaat het volgende verhaal. Koning Clovis was met een Christin
getrouwd en vocht bij Keulen tegen de invallende Goten, 465‑511 na Chr..
Hij bad tot de Christen god, dat als die hem de overwinning schonk, hij
christen zou worden. Hij zocht naar een plaats om de Rijn over te steken en zag
een lis in een bocht groeien (=ondiepte) Hij stak daar over en won en zijn
mannen sierden zich daarna met de lis. Hij plaatste de gouden lis op zijn blauwe banier, semee de lis d'or. (zie het
verschil met latere tijden toen de Florentijnse lis in Frankrijk kwam, een
witte lis op een rood veld). De naam lis zou dan ook een verbastering kunnen
zijn van iles (eiland).
De lis groeit ook al sinds
overoude tijden aan de oevers van de Lys,
een rivier van O. Vlaanderen, die bij Gent in de Schelde vloeit en aan wier
oevers de Fransen lang gewoond hebben alvorens het eigenlijke Gallië te
betrekken. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat ze, ter herinnering aan hun
vroegere woonplaats, de bloem van de Lys als middel daarvoor gebruikten en die
bloem fleur de Lys noemden. Dat moet
dat in de Brusselse deelstaat zijn. De bloem wordt afgebeeld in de vlag van
Brussel en dat al sinds historische tijden omdat Saint Gaugericus Island daarin
lag, Frans: île Saint-Géry, Hollands; Sint-Gorikseiland,wat
het grootste eiland in de Senne of Zenne was in Brussel. Het is genoemd naar
St. Gaugericus van Cambrai die er een kapel bouwde rond 580. Vandaar dat de
naam Brussel komt van Bruocsella of Broekzele wat een
nederzetting in een moeras betekent. Dat eiland zou eens geheel bedekt zijn met
irissen.
Volgens sommigen hadden de oude
Franken een gebruik om als ze een koning uitriepen die een bloemstengel in de
hand te geven in plaats van een scepter. De eerste en tweede koning van
Frankrijk worden vertegenwoordigd met scepters in hun hand die een bloem in
bloei voorstelt. De Franken kozen de iris, lis des marais, als hun badge ter
herinnering van hun oorsprong omdat zij afkomstig waren van het moerasland. (164)
‘Blauw lis over
zee, in het Latijn Iris caerulea of Iris nostras vulgaris of Iris azurea
genoemd wordt in het Frans soms ook glaeyul of flambe genoemd, dan de echte
oude Franse naam is fleur de lis waarmee ze tegenwoordig te onrecht de lelies
plegen te noemen. En het echte wapen van Frankrijk is niets anders dan deze lis
indien men de geleerde lieden en vooral de wijdt vermaarde Becanus (die dat in
zijn boek Erancica en elders in het lang aantoont) zou willen geloven’.
Anderen zien er een verbastering
in van Clovis of Lovis, of de bloem van Lois
zoals de eerste 12 koningen van Frankrijk zich noemden, geleidelijk verbasterd
tot luce en zelfs soms tot delice wat door sommige autoriteiten vertaald wordt
in het Engels als flower of delight.
Zou het niet mogelijk zijn, in
verband met oud en wijd verspreid symbolisme dat de iris origineel bekend was
bij de Fransen als fleur de lueur dat
afkomstig is van Latijn luceo en simpelweg laat zien wat het betekent, bloem
van het licht? Zodat het als een heraldisch embleem bekend werd als fleur de
lis, of lis de France, het verlichte Frankrijk? .
Naar de sage zou een engel een
lelie naar Clovis gebracht hebben (Lilium
coeleste: hemelse lelie) en zo de overwinning. Of die is naar Karel de
Grote gezonden, of aan een heremiet na het doopsel van Clovis.
Volgens anderen zou het de H.
Dionysus geweest zijn die de lelie aan Frankrijk gegeven heeft. Het woord
flamme, wat iris betekent, geeft aanleiding aan de veronderstelling dat het een
iris geweest is. Daarom zou de banier van de H. Dionysus, die op zijn graf
geplant was, ornflamme genoemd zijn (aurea
flammula) of flamme d’or omdat de gewone lis geel van kleur is
“Oriflamme est une banniere
Aucun
poi plus forte qui guimple
De
cendal ronioyans et simple
Sans
pourtraicture d’autre affaire”.
Guillaume Guicert, Roman des Royaux lignages.
Zijn wondervaandel berust zich
nog in de abdij van St. Denis.
De irisbloem wordt op een blauw
veld geplaatst omdat dit een waterbloem is en daardoor de blauwe kleur van het
water wordt teruggegeven. Zo werd de bloem de nationale bloem en symbool van
Christelijkheid in Frankrijk. Symbool
van kracht en koningschap.
De drie grote buitenste
bloembladen van de iris betekenen in de legers van Frankrijk wijsheid,
vertrouwen en moed. Op een medaille van Dagobert I uit de zevende eeuw wordt
deze koning met drie scepters in de hand afgebeeld die in de vorm van een iris
zijn samengebonden. De drie scepters verbeelden Austrasië, Normandië en
Bourgondië, of drie als symbool van de H. Drie-eenheid.
De lis werd, net als bij ons en
andere landen, vroeger onder de lelie (lis) geplaatst zodat het karakter van de
lelie, vruchtbaar, meegenomen werd.
Lelie heet in het Frans fleur de
lis, lis blanc en de iris heet in Frans lis
des marais.
Verloop.
De orde van onze Lieve Vrouwe
van de Lelie, Ordo Lilii genaamd, was
een militaire orde. Die werd ingesteld door Garcias VI, koning van Navarra in
1048. Ze bestond uit 38 ridders en de koning was grootmeester. Deze orde had
tot doel de godsdienst en het koninkrijk te beschermen tegen de Moren. Een
legende verhaalt, dat deze koning van een ziekte hersteld zou zijn en dat men
op dat ogenblik een wonderdadig Mariabeeldje gevonden zou hebben in een lelie
die te Nagera groeide en dat hij daarom deze orde zou hebben ingesteld. De
halsketting van deze orde was met verscheidene gotische letters M versierd, de
eerste letter van Maria. Aan deze ketting hing een gouden lelie met wit
geëmailleerd en met een M bekroond.
Met de kruistochten in 1137
onder Louis VII werd de afbeelding bekend als Fleur de Louis en werd ze het symbool van Christelijkheid. (zijn
vader Philips I gebruikte de lis echter al in een zegel) In 1179 werd door hem een ordonnantie
uitgevaardigd die betrekking had op de plechtigheden bij de kroning van zijn
zoon, waarbij gesproken wordt over leliën op de koninklijke gewaden. Ook vindt
men die koning voor het eerst met een lelie in zijn hand en met die figuren op
de kroon afgebeeld. Hier komt het voor het eerst in de heraldiek voor, eerst
ongetand en later in drietal. Een gouden lelie op blauwe grond, dat was het
heraldische symbool van de Franse koningen. Zijn opvolgers voerden een wapen
waarvan het veld bezaaid was met leliën (seme) tot Karel V haar getal op 3
bepaalde. Men heeft een met leliën versierde scepter uit de 12de eeuw in
Germain des Pres, de oudste Parijse kerk gevonden, dezelfde tijd toen Lodewijk
VII zijn leliebanier in de tweede kruistocht droeg. Op een zegel aan een
charter van 1137 is deze koning voorgesteld met een lelie. Zijn kroon is met
leliën versierd en toen hij zijn zoon liet huldigen verlangde hij dat zijn
dalmatiek en zijn schoenen azuurkleurig zouden zijn en met gouden leliën
versierd. Op een zegel van Philippus van Valois en op een van koning Jan vindt
men drie leliën, ze zijn gehecht aan een charter van 1355. Je leest in een
manuscript van de nationale Bibliotheek te Parijs dat de inventaris van de kleinoden
van Karel I bevat, “Dix plats dorex a fruits & a chacun sur le bord trois fleurs de Lys fermees en maniere
d’ecusson”
Het eerste geld met leliën werd
geslagen onder Lodewijk VII. Een allerhoogste vorstelijke onderscheiding werd
het, als men het lelieteken als onderdeel van zijn wapen mocht voeren. Piero de
Medici ontving die gunst van Lodewijk XI en zo werd de lelie het symbool van
het groothertogdom Toscane.
In 1403 creëerde Ferdinand van
Aragon een Orde van de lelie, Paus Paul III in 1546.
Philippus de Schone liet een
munt slaan die de naam van florin kreeg, men zag daarop een kruis met leliën
(flora) Op de liard (het oordje) zag men ook de lelie afgebeeld. Men had ook
goud- en zilvergeld die men lis noemde. Die werd in 1655 geslagen en in 1657 weer
ingetrokken.
In de zalen van het koninklijk
hof en in die van het koninklijk gerechtshof waren de behangsels met leliën
versierd. Ook hadden de kanseliers en de zegelbewaarders het recht de leliën
tot sieraad in hun behangsels te plaatsen. Op een geborduurde stof, gevonden in
de graftombe van Raoul de Beaumont, XIIde eeuw, heeft men leliën gevonden. Ook
vindt men ze op de kazuifels van de Gelukzalige Thomas van Biville. In een
andere inventaris van de Bibliotheek van de koningen Karel V, VI en VII komen leliën
op boeken voor: “... esmaillez a fleurs de Lys” De zetels van de Franse
rechters waren ook met leliën versierd. Daarentegen werden ook de dieven en
moordenaars met de lelie gebrandmerkt: “Lilio ferreo ardenti notare”.
Frans I droeg leliën guirlandes
en de lelie werd het wapen van Bourbon, 1589, Bourbon-lelie. Geleidelijk aan
verscheen het op de scepterspits, kronen, wapenrokken en werd het als decoratie
op tapijten en dergelijke gebruikt.
De ouders van de maagd van
Orléans, Joan d'Arc, werden onder de naam du Lys in de adelstand verheven. Ze
hadden de bijnaam "du Lys", op hun wapen en een kroon van lelies
boven een zwaard en 2 lelies op een blauwe grond.
Joan d'Arc roept in Henry VI, i:
"Here
is my keen-edged sword
Deck'd
with fine flower-de-luce on each side".
De Dauphin, als de oudste zoon
van de koning, wordt dikwijls de lelie van Frankrijk genoemd. Dit is een
metafoor die geïmiteerd werd door Shakespeare toen hij King Henry Prinses
Katherine liet aanspreken als "My
fair flower de luce". Hij had ook "my fair lily" kunnen
zeggen in de scène waar hij haar probeert te behagen in een mengsel van Frans
en Engels.
De eerste keer dat de Franse
lelies op hetzelfde schild verschenen als de Engelse leeuwen was op het schild
van Edmund van Lancaster, de tweede zoon van Henry III die met Blanche van
Artois huwde in 1275.
Culpeper spreekt over een olie,
genoemd oleum irnum, die gemaakt is van de "great broad flag flower de
luce" en niet van de grote bolvormende blauw bloeiende flower de luce,
Iris germanica.
De fleur de lys kwam op de
legerjas van de Engelsen. Daar bleef het, vreemd genoeg meer dan 250 jaar nadat
Calais weer tot Frankrijk gekomen was. Mogelijk had men het niet opgemerkt. Het
verlies van Calais wordt verwezen in Henry VI part I:
"Cropp'd are the flower-de-luces in your arms;
Of
England's coat one half is cut away".
Met vele veranderingen bleef de
fleur de lis op het Engelse schild, en dus op de Engelse munten, tot de
regering van George III, toen hij in het jaar 1801 de titel van Koning van Frankrijk
liet vallen. De fleur de lis verdween uit de koninklijke legers. Koningin
Victoria plaatste de shamrock in haar koninklijke diadeem. Tot 1800 vormde ze
dus een bestanddeel van de Engelse kroon. Daarna bleef de klaver, de roos, de
distel en de prei als koninklijke Britse gewassen over wat je op de Engelse 6d,
sixpence, d staat voor denarius, de Romeinse munt, kan zien.
‘Bij zijde en wormgespin..
‘k Wens hem zijn bruid wat wenselijk is
Als mij de bloem van Medicis
De roos gehuwd aan de leliebloem
Toscanes lof en Frankrijk’s roem..’
Vondel, Begroetenis aen Fredrick Henrick
‘… hoe de gevlerkte leeuw, de roos, de Franse lelie
Ons
zweren hun trouw bij ’t heilig Evangelie’.
Lodewijk XVIII stichtte in 1814
de Ordre du Lys, een zilveren lelie op witte band.
Vele steden en vooral in
Frankrijk voeren de lelie in hun wapen als Lille, Orléans Le Havre, Versailles,
Tours en La Rochelle als belangrijkste steden, verder ook in andere landen als
Wiesbaden en Fulda.
Bij de kruistochten kwam ze voor in het wapen
van de oude republiek Florence, de giglio bianco of witte lelie en op de
bronzen deur van het baptisterium te Florence uit 1403 komt de lelie voor. De
Florentijnse lis komt dan ook voor op het wapen van de republiek Florence en op
de Florentijnse munt, de florijn, bij ons bekend als Fleur de Lis of flos de
lis, ofwel afgekort Fl., het guldensteken. De witte iris wordt tegen een rode
achtergrond afgebeeld en werd het symbool van Florence onder de Medici familie
waar men de kleuren wel wilde omzetten wat eeuwen lang geprobeerd is om een
rode iris te krijgen. Catherine de Medici bracht dit symbool van Florence naar
Paris toen ze trouwde met de koning van Frankrijk waar deze bekende bloem zijn fleur-de-lis
werd. Die kan nog gezien worden in de vlag van Quebec en logo van de New
Orléans Saints voetbal team. In het wapen van Spanje en 3 leliën staan samen
met de granaatappel in het wapen van Mexico. Op het leger van Winchester en zo
ook op het college, worden drie leliën afgebeeld, zo ook in Dundee.
De noordpijl van het kompas werd
door G. Giova van Amalfi, als een van de eerste magneten in de zeevaart,
versierd met een Franse lelie, 1340, als compliment voor Frankrijk, de lelie is
de punt van de kompasnaald. In de wapenkunde wordt de lelie met gevulde of
afgeknotte voet afgebeeld, of als leliekruis, een kruis met wapenleliën
versierd.
Ieder die tijdens de Franse
revolutie de moed had om een lelie te dragen en dat waren er honderden, werd
door het revolutietribunaal van 21 januari 1793 ter dood veroordeeld. Op alle
gedenktekens werd de lelie verwijderd en door de vrijheidsmuts, of door de
keizerlijke adelaar Napoleon vervangen. Wie zo'n roofvogel voor onaangenaam
hield verving de lelie voor een bij.
Zo de liberalisten de
Napoleaanse viooltjes droegen, staken de koningsgezinde opnieuw de lelie op hun
borst, salons en tafels. Bij ons verbande men tijdens de Franse revolutie niet
alleen de bloem maar een hele kleur, de oranjelelie en de gele goudsbloem, maar
ook sinaasappelen en peentjes werden van de markt uitgesloten wegens hun
aristocratische kleur.
In Ierland kan men gemakkelijk
de huizen van Katholieken en protestanten onderscheiden. De katholieken
plantten de witte lelie en de protestanten de oranjekleurige in hun tuin.
Fleur
de Luce of Fleur de Lis?
Na de Fleur de Louis werd het
door verbastering Fleur de Luce (bloem van licht) en dan Fleur de Lys en nu
Fleur de Lis.
De vraag is echter, welke was de
oorspronkelijke bloem. Was dit de lelie, lis of een andere bloem?
Het is mogelijk dat de
oorspronkelijke lys van Clovis onze gele waterlis was. Met de kruisvaarders is
mogelijk de lelie meegekomen die eerst alleen werd afgebeeld en later in
drietal en getand. De naamsveranderingen van de oorspronkelijke lys tot Fleur
de Louis maken dit aannemelijk.
De lis lijkt nu, qua uiterlijk,
het meest op de bloem van de heraldiek. Oude schrijvers noemden de gele lis dan
ook wel gele lelie. Hoewel..
De
roos is de koningin der bloemen, de lelie de koning, ook in Frans is de lelie
manlijk. De lelie is; "est le roi des fleurs, don't la rose est la reine".
Samengevat:
Fleur-de-lys, een zwaard voor zijn blad, een lelie voor zijn hart.


Mogelijk
grijpt de hele geschiedenis terug tot voor onze jaartelling en is het een
gekerstend symbool die gegroeid is uit het heraldische bemmel, levensboom of
Irminzuil (zie Thuja) een oorspronkelijk Keltisch heiligdom. Een afbeelding
ervan is ons, behalve in de heraldiek, van oudsher overgeleverd door het in rotssteen
uitgehouwen reliëf van de kruisafname van Christus van het gekerstende
Externsteine-heiligdom te Horn in Lippe op de noordoostelijke helling van het
Teutoburgerwoud. Een van de daarop afgebeelde personen staat (de benen zijn
vernield) op een voorwerp dat op het eerste gezicht op een stoel gelijkt. Het
is echter geen stoel, maar de geknakte levensboom. Het is de omver geworpen
Irminzuil die eenmaal op het heiligdom, de Extersteine, stond en door Karel de
Grote in 772 werd vernietigd. Het reliëf van de kruisafneming vertoont ons de
overwinning van het christendom over het heidendom.
Uiteindelijk
hebben we dus in de lelie de Irminzuil of Yggdrasil te zien, de levensboom, het
bovengedeelte met drie bladeren. Zo is de lelie, niet ‘afgesneden’ van onderen,
met drie wortels, keurig gestileerd tot de sierlijke vorm van de lelie zoals
men die thans algemeen kent in de wapenkunde, geworden tot padvindersinsigne en
in het algemeen tot versieringsmotief. Schematisch afgebeeld krijgt men
achtereenvolgens de navolgende figurenreeks, verband houdende met het
leliemotief, de levensboom, welke verschillende vormen worden aangetroffen als
muurankers.
Uit hortus eystettensis.
Historie.
Deze iris is al heel oud en
groeit oorspronkelijk in midden en zuid Europa, Armenië en Perzië in het wild.
Is afkomstig uit het Oosten en werd veel gebruikt als versiering bij de
Mohammedaanse graven. De verspreiding heeft dan ook mogelijk plaatsgevonden
door de Mohammedanen.
Zou in oude tijden door de
Grieken en Romeinen al gebruikt zijn voor parfumerie. Van de iris werd de
wortel al door Theophrastus en Plinius gebruikt.
Plinius onderscheidt de kaphanitis: vanwege de gelijkheid met de
radijs, en de rhyzotomos: de
wortelgraver, die er roodachtig uitziet en de beste is.
Plinius vermeldt hij dat het
opgraven van de wortel niet zo gemakkelijk is. Dioscorides vertelt dat de
wortelzoekers eerst drie maanden lang de aarde bij de plant met honingwater
moeten begieten, of koeken van tarwe en honing bakken en die op de aarde
leggen. Dit was een verzoeningsmiddel om de aarde te danken voor het goede dat
aan haar onttrokken wordt. Dan trok men met de punt van het zwaard drie kringen
om de plant heen en daarna groef men de wortelstok uit en hief haar omhoog naar
de hemel. Was alles goed volbracht dan kon men de rest van de plant nemen.
Door kloosterlijke kwekers kwam
het gewas al vroeg in midden Europa voor. Karel de Grote beval zeker zijn
aanbouw. In Capitulare de villis et cortis van Lodewijk de Vrome, 812, wordt
het onder de naam gladiolum vermeld. (=Iris germanica en I. florentina) De schrijvers van de oudheid maakten tussen
de gladiool en de iris weinig onderscheid, bij beiden vallen de zwaardvormige
bladeren op en zo werden de meeste irissoorten ook vaak gladiolus genoemd.
A. Magnus kende de blauwe maar
ook de gele, (de lis) de enige die in Duitsland inheems is. Ook in Engeland
werd de Duitse sword-leaved iris al voor 1597 als sierplant gecultiveerd.
Uit een Blumen-sprache komt naar
voren hoe de Duitsers die teelden, op de daken. "De Duitse lis komt van
het charmante gebruik dat eens in Duitsland gewoon was om irissen te kweken op
de daken van hun boerderijen. Als de zon op de bloembladen gloeit, gemengd met goud,
purper en azuur, lijkt het alsof er lichte vlammen aan het spelen zijn op de
top van die rustieke nederzettingen". Naar de bloemvorm, die wat op een
vleermuis lijkt, noemen ze in Tirol de bloem Fledermaus en in Zwitserland
Fledermus.
De bijen blijven in hun korf en
gaan niet zwerven als je in de korf de wortel van de blauwe lelie legt.
Brunfels; ‘Vioolkruid te graven heeft grote
arbeid genomen. Tevoren moet men drie maanden dat aardrijk met honigwater
besprengen zoals met de gravers en de boeren op het kerkhof dat wijwater geven
en door dit besprengen dat aardrijk tevreden zetten. Daarna eerst heeft men
cirkel daarom gevoerd met zwaarden en de uitgetrokken wortel tegen hemel moeten
heffen. En hebben ook de kruidenkenners of gravers in diezelfde tijd zich kuis
moeten houden’.
Sprookje.
Het was een feestdag bij de
bloemen. Elke schoonheid van bloemenland vouwde haar sierlijke bloemen open in
de volle zon. Elke nuttige plant zat wachtend en vol trots over zijn
belangrijkheid. Elke gewone plant stond in de verering van zijn andere buren.
Ze waren allen op zijn paasbest gekleed. Het zou voor de jury moeilijk worden
om de mooiste te kiezen. Het was een overdaad aan schoonheid. Op het laatste
moment kwam daar ademloos tussen hen een nieuwe bloem in. Haar kleed was diep
blauw als de hemel bij zonsondergang en afgezoomd met vloeiende gouden banden.
Ze droeg zilveren dauwdruppels. "Wie is de mooie vreemdeling?",
Vroegen de juryleden ademloos. De schoonheden van bloemenland staarden in volle
verbazing wetende dat de nieuweling mooier dan zij was. Niemand kon de vraag
van de juryleden beantwoorden. Niemand kende de sierlijke vreemdeling in haar
blauwe kleed. Ze sprak niet. Er was een moment van stilte op het bloemenfeest,
zeer ongewoon. Dan fluisterde een van de wijdogige gewone soorten in een jury
oor. "Zie je de regenboogkleuren op haar kleed niet?" Zei ze.
"Zie je de regendruppels niet sprenkelen in het zonlicht?". "Ik
denk dat dit Iris is, de regenboogbrenger. Kijk naar haar kleed". "Iris,
iris", fluisterden de bloemen, "laten we haar Iris de prachtige
noemen". Zo kwam het dat elke jury en elke schoonheid van bloemenland,
elke nuttige en elke gewone nutteloze plant Iris koos als hun
schoonheidskoningin.
Regelia,
nu Iris subgenus Iris sectie Regelia.
De Regeliagroep kreeg zijn naam
ter ere van Dr. Regel, directeur van
de Botanische tuin te St. Petersburg.
Dit is een betrekkelijk kleine
groep en omvat slechts vijf soorten,
korolkowii, suwarowii, stolonifera en
vaga.
De Fa. van Tubergen ontving in
1913 uit Turkestan van P. Graeber een fraaie eenkleurige met zacht
lavendelblauwe bloemen die de Engelse botanist Dykes ter ere van de bazen van
Tubergen J. en Th. Hoog, hoogiana
doopte.
uit Curtis botanical magazine.
Iris hoogiana .
36 uit Curtis botanical magazine.
Iris stolonifera, (uitlopers voort brengend) heeft
een kruipende wortelstok en rechte bladeren.
De aparte purperen kleur met bronzen gloed zit op
een geelachtige ondergrond. Bij stolonifera is de blauwe baard eigenaardig.
36. uit wiki.irises.org,
‘Zwanenburg Beauty’
Iris vaga Foster (wandelend) lijkt
hierop maar blijft lager. Mogelijk een var van Iris stolonifera.
37. uit Curtis botanical
magazine.
Iris korolkowii (N.I. Korolkow, gouverneur
van Fergana, Turkestan )groeit bijzonder sterk en zal bij de vorming van de
volgende groep een rol gespeeld hebben.
De bloemen van korolkowii hebben
een spichtige vorm doordat de opstaande bloembladen gepunt zijn. De kleur is op
geelachtige ondergrond bruin geaderd.
Regelia-cyclus.
De Regelia-cyclus groep, de naam
verenigt beide ouders, namelijk Regelio en cyclus, de laatste lettergrepen van
oncocyclus. Deze hybriden zijn omstreeks 1900 vrijwel allen gewonnen door van
Tubergen.
De schitterende bloem van de
laatste moest geholpen worden aan een grotere bloeirijkheid en de sterke groei
van de eerste. Dit lukte wonderwel en de verwachting was dat deze groep een
gouden tijd zou meemaken. Deze planten leenden zich echter niet voor perk en
rots beplanting. Het is echt een iris voor de liefhebber. De prachtig geaderde
en grote bloemen kunnen niet met de gewone baardirissen worden vergeleken.
Vormen.
Een van de eersten was ‘Artemis’
uit 1904 met roze/purperen bloemen, verder de ‘Elvira’, een violette.
Hiervan zijn vele mooie var.
bekend als ‘Chione’, met een zacht blauwe regenkleur op witte
ondergrond, met een groenachtig bruine lip. ‘Theseus’ is donker violet,
de lip violet geaderd op een roomkleurige ondergrond. ‘Dardanus’ heeft
lange bloemstengels, grote opstaande bloembladen die lila getint en geaderd
zijn met een roomkleurige lip.
Planten.
Dit zijn ook wortelstokvormende
irissen maar worden in oktober/november geplant op 10cm diepte. De
wortelstokken worden vrij dicht bij elkaar geplant, op enkele cm. afstand,
zodat de gezamenlijke planten in het voorjaar een soort pol vormen. Ook deze
groep moet goed gedekt worden. De bloei valt eind mei, begin juni.
De irissen worden half juli
gerooid als het blad afgestorven is. De wortelstok wordt goed droog en warm
bewaard tot aan de planttijd.
De Oncocyclus-irissen groep is
al heel oud, maar ook moeilijk te kweken.
Dit is een kleine afdeling
waarvan de leden in een klein gebied van Syrië en Perzië voorkomen. Verder naar
het oosten, in Turkestan wordt die vervangen door leden van de nauw verwante
subgenus Regelia.
50.
uit Redoute.
Iris susiana L. (stad Susan, zetel van de Perzische koningen (Esther 9:18) is van
deze groep de meest bekende, de rouwiris.
(Dodonaeus) ‘Grote lis met brede bladeren,
in het Latijn Iris Susiana, is hier te lande eerste uit Constantinopel gebracht
met naam Alaja Susani en Alaga Susam omdat geloofd wordt dat het veel omtrent
de stad Susa groeit. Het heeft zes of
acht bladeren, de steel is vijf en veertig cm voet hoog of hoger, rond en
geknoopt, de bloem is groter dan enige van alle andere lissen en van negen
bladeren gemaakt waarvan de drie omgeslagen bladeren dik zijn en van binnen
zwart met purper witte aderen en met zwarte haartjes begroeid en met een zwarte
plek als fluweel getekend, de drie bladeren die er op rusten zijn veel bleker
zwart of bruin, dat is wat donker paars, de drie overeind staande zijn zo dun
als perkament of vlies en van onder af tot het uiterste doorregen met zeer veel
eensdeels zwartachtige en eensdeels uit het askleurige witachtige strepen op
die manier dat ze op een uitgespreide staart van een Amerikaanse pauw vrijwel lijken
en onderaan van binnen zijn ze wat ruig of harig. Deze bloem is alleen om zijn
kleur geacht want ze heeft geen reuk. Deze lis kan slecht tegen de koude en
bloeit zelden en heeft meestal niet meer dan een bloem die in mei voortkomt.
Het zaad is rijp in juli en is bijna zo groot als een erwt. Men vindt er een
medesoort van die in al haar delen wat kleiner is en wiens bloemen ook dooreen
lopende aderen heeft als of het een gebreid net is.’
Naam.
Duits Furstin in Trauer, Dame in
Trauer, Frans crepe, Engelse fleur de
diable, sad flowered iris, mourning iris..
Deze uit Perzië stammende Iris
heeft zeer grote donkere en vrijwel zwarte gestreepte bloemen (dame in rouw),
als uit zwarte zijde gesneden, de bovenste wit met zwarte aderen en schijnen
als met een droeve waas omgeven. Deze donkere dame, de treurbloem en
vorstelijke weduwe, heeft grote bloemen van 10-12cm doorsnede en een hoogte van
50cm. Door Linnaeus is ze zo vermoedelijk genoemd naar zijn afkomst en de tekst
van Psalm 42 en 43: "Waarom ga ik in
het zwart?" en zou volgens hem de lelie, de susan, uit de Bijbel zijn.
Verder heeft deze opvallende iris een weelderige balsemgeur.
Is het dezelfde Iris die in
Klein-Azië grafzwaard iris heet, Iris
sepulcrorum? (van de begraafplaatsen) Die vind je als een sieraad op
de graven, ook op Turkse begraafplaatsen en in Syrië en Cyprus.
Historie.
De rouwiris behoorde vrijwel
zeker tot de mooiste bloemen in de tuin van de Sultan in Constantinopel. Van
daaruit bereikte het gewas via de haremtuin door de ambassadeur van Duitsland,
Ogier Busbecq, in 1573 het keizerlijke hof te Wenen. Clusius zag in 1573
susiana bij Busbecq in bloei en kreeg een plant van hem. Zo kwam het plantje,
ook door andere plantenzoekers, in de Europese tuin. Het gewas werd in
Nederland, hoewel moeizaam, gekweekt. Momenteel wordt het alleen maar
geïmporteerd en niet meer gecultiveerd.
Apogon,
nu Iris subgenus Limniris sectie
Limniris.
De Apogon groep onderscheidt
zich van de anderen doordat op de lippen geen kam of baard aanwezig is en ze
meestal een korte en dikke wortelstok bezitten.
Dit is de grootste en meest
verspreide groep.
Zijn vertegenwoordigers worden
gevonden door gematigd N. Amerika, Europa, Azië en N. Afrika. Ze omvat onze
inlandse lis, Iris pseudoacorus L., Iris sibirica, verschillende Amerikaanse
soorten, de stinkende lis en andere.
54 Uit Curtis botanical
magazine.
Iris ruthenica,
Gawl. (uit
Rusland) Bladeren steken boven de bloemen uit en zijn lijnvormig, 10-25cm
lang en 2.5cm breed, glanzend met blauwachtig/groene achterkant.
Rotsplant met geen of zeer korte
stengel.
Geurende bloemen met lichtpaarse
opstaande bloembladeren en hangende donkerblauwe die geelachtig/wit geaderd
zijn, meestal groene schutblaadjes die soms wat droog vliezig gerand zijn in
mei/juni.
Roemenië en Z. Siberië, midden
Azië wordt 10-25cm hoog. Is beschreven in 1804.
Ever blooming iris, Russian
iris.
58 Uit Curtis botanical
magazine.
Iris wilsonii, C.H. Wright. (Ernest H.
Wilson, Engelse plantenverzamelaar en botanicus, 1876-1930)
Bladeren zijn aan beide kanten
blauwachtig/groen en iets korter dan de stengel.
Holle stengel is niet vertakt .
Tamelijk grote bloemen zijn lang
gesteeld, de bloemdekbladeren staan niet rechtop en zijn geelachtig/wit en
rood/bruin gevlekt, de hangende zijn licht geel en aan de voet rood/bruin
geaderd, korte bloembuis en groene, smalle en toegespitste schutblaadjes in
mei/juni.
Uit Hupeh en Shensi wordt
60-75cm hoog. Is beschreven in 1910.
63. uit Curtis botanical
magazine.
Iris delavayi, Micheli. (Jean Marie Delavay,
Franse missionaris en plantenverzamelaar, 1834-1895) Bladeren zijn blauwachtig/groen, opstaand en
50-70cm lang, 1.5-2cm breed.
De holle stengel is vertakt en
langer dan de bladeren.
Tamelijke grote bloemen met
bloemdekbladeren in licht violet/blauwe en niet rechtop staande, de hangende
zijn donker violetblauw en aan de voet geelachtig gestreept, schutblaadjes zijn
gekield met een wat droog vliezige top in juni/juli.
Scherp driekantige vruchtjes.
Uit Yunnan en Szechuan wordt
60-90cm hoog. Is beschreven in 1895.
64.
uit www.plantexplorers.com
Iris sanguinea var. sanguinea. (Iris extremorientalis Koidz. (extreem oosters) Onderste bladeren zijn ca 60cm lang en 6-10mm
breed, stengelbladeren zijn 10-30cm lang en lancetvormig, stengelomvattend.
Stengels
met 2 bloemen.
Donker
violet/blauwe bloemen met opstaande, stompe bloemdekbladeren zijn 2.5cm lang,
de hangende zijn 3cm lang en 1.5cm breed, bloembuis is 1.5cm lang met 6cm lange
schutblaadjes van 1cm breed, spits en vliezig gerand in juni/juli.
Uit Japan wordt 50-70cm hoog.
uit
C. Loddiges.
=Iris sanguinea,
Hornem ex D.
Donn. (bloedrood) Kort gesteelde bloemen zijn purper/blauw met
lancetvormige schutblaadjes die meestal bloedrood zijn gekleurd in juni.
Lijkt wat op siberica maar met
grotere bloemen, stengels steken meestal even boven de bladeren uit, jonge
bladeren zijn vaak wat roodachtig.
Uit
Japan, Korea en Mandsjoerije wordt 60-80cm hoog.
65. Uit Curtis botanical
magazine.
=Iris sibirica,
L (uit Siberië) Lijnvormige
bladeren zijn 30-60cm lang en 1cm breed, helder groen.
Opstaande
en holle stengels met 1-3 bloemen die veel langer zijn dan de bladeren.
Lang
gesteelde bloemen zijn licht violet/blauw en donkerder geaderd in juni,
schutblaadjes zijn spits en bruin, geheel droog vliezig.
Uit
Siberië en Midden Europa, Kaukasus en Midden Rusland wordt 60-100cm hoog. Is beschreven
in 1596. De
Siberische iris werd in planten glossularia van de middeleeuwen vermeld.
Var acuta wordt
30cm hoog met donkergroene, stijf opstaande bladeren die ongeveer even lang
zijn als de stengels. Licht violet/blauwe bloemen zijn sterk wit gevlekt en
geaderd.
Var atrocaerulea lijkt op de var maritima maar heeft donker violet/blauwe bloemen.
Var flexuosa wordt 80-125cm hoog met melkwitte en wat gegolfde bloemdekslippen.
Var maritima (van de zee)
verschilt van het type door de deels
gesteelde bloemen, deels zittend en iets donkerder van kleur.
‘Mountain Lake’ is
lichtblauw, ‘Perry's Blue’ is hemelsblauw en grootbloemig, ‘Rose
Queen’ is zuiver lila/roze.
Siberian iris, Siberische iris.
Sibirische Schwertlilie, Wiesen-Iris, Wiesen-Schwertlilie of Sibirische
Iris. Karel de Grote droeg aan de vermeerdering bij omdat hij zijn aanbouw
aanbeval.
(Dodonaeus) ‘Klein lisch met smalle
bladeren wordt deze bloem gewoonlijk in onze taal genoemd naar de Latijnse naam
Iris minor en Iris tenuifolia. Sommige geloven dat dit niets anders is dan
hetgeen dat Plinius Rhizotomos noemt omdat het een rosachtige, korte en dichte
vaste wortel heeft. Maar Rhizotomos daar Plinius van spreekt, zo het uit zijn
woorden blijkt, was een soort van het Sloveens lis, ja wel een van het beste en
daartegen is dit onze kleine lis met smalle bladeren met de ander van goedheid
van reuk en ook van krachten geenszins te vergelijken, noch wordt ook niet in
Slovenië gevonden, maar in Hoogduitsland en daarom hoeft men dat geenszins voor
een Iris Ullyrica of Rhizotomos te houden, maar eerder voor een eigen geslacht
van Duits lis en dat met smalle bladeren wat ook een medesoort van Spatula
foetida of wandluiskruid, anders stinkende lis, zou mogen gerekend worden waar
het zaak dat het zaad van deze soort wat in hauwtjes voortkomt niet plat, zoals
het in de andere geslachten van lis gebeurt, maar als dat van stinkende lis
heel rond was. Dan de woorden van Plinius die hij van Rhizotomos schrijft
luiden aldus: Sloveens lisch is tweevormig, het een heet Raphanitis naar de
gedaante die het met de radijs of Raphanus heeft en het andere noemen we
Rhizotomos dat noch beter is dan het voorgaande wat ook wat rosachtig van kleur
is’.
69
uit Curtis botanical magazine.
Iris sintenisii,
Janka. (P.E.E. Sintens, Duitse plantenverzamelaar in de tweede helft
van de 19de eeuw) Lijnvormige en toegespitste bladeren zijn
omgebogen en 30-50cm lang, 8-14mm breed
Ronde
stengel.
Kleine
bloemen met opstaande violet/donkerblauwe bloembladeren, de hangende zijn op
witte grond violet//blauw geaderd en naar de randen geheel violet/blauw,
lijnvormige schutblaadjes zijn spits en gekield in juni.
Uit
Turkije, Balkan en Klein Azië wordt 30-50cm hoog.
72.
uit Curtis botanical magazine.
Iris fulva,
Ker-Gawl. (taankleurig, bruin/rood) Heldergroene
bladeren zijn 50-60cm lang en 2-3 cm breed.
Meestal
niet vertakte stengels.
Koperkleurig/rode
bloemen en kleine vliezige schutblaadjes in juni/juli.
Beschutte
en natte plaatsen.
Uit
Kentucky tot Missouri en Texas wordt 60-80cm hoog. Is beschreven in 1811.
Copper
iris.
73
=Iris pseudoacorus, L. (valse kalmoes) pseudo acorus, omdat die net als de kalmoes een
geurige wortelstok bezit.
Donkergroene bladeren zijn toegespitst en ongeveer
even lang als de stengel, 2-4cm breed.
Stengel is bovenaan vertakt,
vele bloemen.
Donkergele bloemen en aan de
voet donkerder geaderd, schutblaadjes zijn kruidachtig. In mei en juni bloeit
de lis met gele bloemen die op lange ronde stengels staan en verschijnen uit
het midden van de zwaardvormige bladeren. De plant heeft twee bloemvormen die
aangepast zijn aan hun bestuivers, de hommel of zweefvlieg.
Tijdens de herfstmaanden zijn de stevige stengels
opmerkelijk tussen de biezen, zeggen, mossen en andere waterplanten door de
lange en heldergroene 3cellige zaaddozen. De vrucht is een doosvrucht, een
urntje, die ook aangepast is aan zijn verblijf bij het water, de zaden zijn
omgeven door een kurklaagje zodat ze blijven drijven.
De lis komt overal voor op
vochtige en moerasachtige plaatsen en wordt 70-120cm hoog.
Var aoriformis
(los gevormd) heeft de buitenste
bloemdekslippen rond, aan de voet met een donkere vlek en bruin/rood geaderd,
binnenste bloemdekslippen zijn zeer klein en lichter van kleur.
Var variegata
heeft heldergeel gestreepte bladeren.
Daar staat met vorstelijke
gratie de edele gestalte van onze gele lis, de prinses van de slootoeverflora,
de vorstin van de waterkant. Hoog en slank met voornaam gebaar laat ze haar
citroengele bloemen in gedurige opeenvolging ontluiken aan de stevige stengels.
Ook zij wordt in vele streken ‘Pinksterbloem’ genoemd. Het is begrijpelijk dat
het volk dit prachtige bloemenkind gedoopt heeft naar het feest van de
herleving van de natuur, naar de uitstorting van de Heilige Geest. Met
Pinksteren domineert dan ook de gele lis de hele flora van de vochtige weide.
Ze praalt met tientallen op orchideeën gelijkende grillige bloemdeken. Ze is
het symbool van hoogtij in onze inheemse wilde bloemenflora. Zie het oeroude
Meiliedje, dat zingt van:
“Hoe
lustigh staet den mey nu in saysoene
Ghebloesems
fier met bloemkens gracieus”.
Die ‘bloemkens gracieus’ van de
lis zijn ook botanisch heel merkwaardig. Eigenlijk is wat we hier als ‘bloem’
betitelen een naamloze vennootschap van drie bloemdekbladen. Drie naar binnen
staande kroonblaadjes en drie aan de top ingesneden stempelbladen. De drie
brede bloemdekbladen, die de kelk zijn, en zich glansrijk als kroon vermomd
hebben nemen de taak van insectenlokkers hier over van de kroonblaadjes die
tussen de artistiek getekende kanariegele dekbladen als ‘slippen’ eigenlijk
gedegenereerde typen zijn. Ze vergenoegen zich met een beschermende luifel te
vormen voor de tedere organen. De eveneens geel gekleurde bloembladachtige
delen, die boven op het vruchtbeginsel staan en dan ook stempelbladen genoemd
worden, zijn al even zonderling als de stempel zelf, een klein smal blaadje. Zo
is haast ieder orgaan van deze koningin der pinksterbloemen bizar en grillig.
Naam.
(Dodonaeus) (a) ‘De gewone man noemt dit
kruid hier te lande geel lisch’.
Lis of
gele lischbloem. In middeleeuws Nederlands lies(ch) Duits Lesch, in het
oud-Hoogduits Lisca, in het Keltisch betekent lis: water. De naam heeft
mogelijk een Indogermaans wortel, lei: wat slijkerige grond betekent.
Dodonaeus (b) ‘In Hoogduitsland heet het Galb Schwertel en in
Frankrijk glayeul of flambe bastarde’.
De Engelse namen seggs, sheggs,
skeggs en ceggs zijn namen die dateren van Angelsaksische tijden voor de lis,
segg: een kleine zwaard, Duits Sigge, Stinksierg, geel Schwertel bij Bock ghale
Swerday of Swerdel, Swertula, Wasseschwertel, Sabele.
Dodonaeus (c) ‘De apothekers plegen dat hier vroeger met groot
onrecht Acoron te noemen en met noch grotere dwaling hebben ze de wortels
daarvan voor de echte Acorus gebruikt. Want niet alleen van gedaante die soms
in enige van deze wilde soorten van lis met die van Acorus zou mogen overeen
komen, maar meestal van krachten verschilt dit ons geel lis van de echte Acorus
zeer veel. Volgende deze dwaling van de apothekers hebben sommige dit gewas
Pseudo-Acoron of valse Acorus genoemd. Dan wij hebben dat liever gehad op het
Latijns Iris lutea tris, dat is geel wild lis of beter Pseudo-Iris, dat is vals
lis of bastaard lis te noemen, want het heeft duidelijk meer gemeenschap van
gedaante met de soorten van lis dan met de Acorus wat niet alleen uit de
gedaante, maar ook uit de reuk en krachten merkelijk genoeg is. Lobel noemt het
in het Latijn Acorus nostras palustris, dat is inlands water Acorus. Andere
zien dat aan voor het Butomon van Theophrastus en men noemt het in het
Hoogduits niet alleen Geel Schwertel en ook Drachenwurtz, in het Engels gladdon
of false Acorus. Sommige noemen het Gladiolus luteus, dat is gele Gladiolus
naar het Hoogduitse’. Zie Acorus.
Dodonaeus (d) ‘De Hoogduitsers noemen het ook Gelu Wasser Lelien, in
Italië Acoro falso of giglio giallo’.
Als
lelie, tijdlelie, Duitse Wasserschwertlilie, gelb Gilgen, gelb Gilgen, Gelbe
Ilge, Zwitsers Ilge, giel Leljen, gel Lilien, Franse lis des marais, Engelse
water-lily Jacob’s sword, naar de zwaardachtige bladeren.
Dodonaeus (e) ’In het Engels heet het ook wilde flagges of ook water
flagges’.
Duits
Flag: vlag, Deens floeg, Engels waterflag, midden Engels flagge of flegge, naar
het wuiven van de bladeren in de wind, Frans flambe d'eau.
Dodonaeus (f) ‘Men zou het waterlis, in het Latijn Iris aquatica
mogen noemen en dat veel eigenlijker dan het Sparganion wat nochtans van
sommige met die naam van waterlis bekend is. Hier te lande wordt het niet
alleen geel lis, maar ook bocksboonen genoemd’.
(g) Ooievaarsbloem of
eiberbloem, in het Fries earrebarreblom, Duits Adebarsblom, Heilebartsblaume,
Ebersbrodt, Heilebartsklapper, stursch Brod of Storkenblom, ze bloeit als de
ooievaar of eiber komt en groeit op de plaatsen waar de ooievaar graag komt .
(h) Engels lavers, oud-Engels
laefer, wat in plaatsnamen verschijnt, cheeper naar het cheeping geluid dat de
bladen maken, vergelijk Duits Scheerenslieper en Fledermaus, Zwitsers Fledermus,
(i) Biezen over zee, Frans
grande laiche, ook liage, beide van lier omdat men de bladeren voor het binden
gebruiken kan, zie Carex.
(j) Frans fleur de luce of fleur
de lis, zie Engelse yellow fleur de luce.
(k) Verder schoorsteenveger,
spokebloem, varkensbloem, dulen, doodkisten, de zaden, visschenstaart, Duits
Ackerwurz, Blutwurz, Drachenwurz, Bastardhelmus, Gloye, Pickelsteen (de
ondergrondse stam) gelen Schelp, Schellblume, Sablblaume, Honafeder,
Schlottenkraut, Slatenkraut of Slottenkrut, Wasserjulling,
(l) Fuchs noemt het Dτachenwurtz,
Geel schwertel, oder Ackerwurtz, de laatste vanwege het gebruik door de
akkerman, drakekruid; ‘De wortel groeit overdwars heen en weer over elkaar met
vele aanhangende vezels, is inwendig rood lijfkleurig, aan smaak zeer wrang.
Zijn gestalte is vast een draak gelijk en vandaar ze wordt drakekruid genoemd’.
Gebruik.
A. Magnus kende de blauwe maar
ook de gele, (de lis) de enige lis die in Duitsland inheems is. Zijn wortel
werd wegens de geneeskracht, tot in de 16de eeuw in plaats van de echte
kalmuswortel, (Acorus) gebruikt, vandaar zijn Latijnse naam Iris pseudoacorus.
De wortel werd wel gebruikt bij kinderen waar de tanden doorkomen en bezit een licht
verdovende werking.
Zo was het gebruik vroeger. (141,
164, 311, 310, 309) ‘Geel lis, te weten de wortel er
van, laat ophouden en stelpt allerhande vloed en buikloop en vooral de rode
vloed.
Dezelfde
wortel stelpt of stopt de maandstonden van de vrouwen en dwingt het bloed dat
onmatig vloeit uit welk deel van het lichaam dat het ook is, met drank of
anderszins ingenomen en gebruikt.
Sommige
geloven dat deze wortel zo krachtig is om alle bloedloop en vloed te stelpen en
op te laten houden dat ze de mens die het maar alleen bij zich houdt daarvan
gans bevrijdt en bewaart.
Men zegt dat als iemand gele lis bij zich draagt
hij nooit meer last heeft van een bloedend lichaam of rode bloedgang, en ook
krijgt hij geen spierkrampen zegt Pandecta’.
De vele zaden werden wel
geroosterd, een aftreksel zou naar koffie smaken.
In de Hebriden en Schotland
waren de rhyzomen in grote vraag vanwege de sterke zwarte verf. Die verf was
gewoonlijk in gebruik voor de zondag. Die kleur werd gebruikt om het zwarte
kleed te verven dat iedereen op zondag en andere grote feesten droeg. Deze
verfplant wordt in Keltisch bun sealasdair genoemd.
In Frankrijk is ze een speciaal
kruid van Sint Jans avond. In Ierland worden bossen boven de deur gehangen met
feest van Corpus Christi, het weert kwaad.
Uit Redoute.
=Iris graminea L (grasachtig). Is een
kleine vorm van een 25cm hoog.
Geeft vele fijne grasachtige
sterke groene bladeren.
Donkerblauwe en wit getekende
bloemen zijn bij oudere planten vaak in het loof verborgen.
Pflaumeniris naar de sterke geur
van pruimen bij de bloemen, Pflaumen-Schwertlilie of Grasblättrige
Schwertlilie.
Uit my.opera.com
Iris bulleyana, Dykes. (A.K. Bulley, koopman
en eigenaar van Bees Ltd, kwekerij te Neston bij Liverpool, Engeland)
Bladeren van 45cm lang en ruim 1cm breed zijn glanzend donkergroen met
blauwachtig/groene achterkant.
Holle stengel is niet vertakt.
Okselstandige bloemen met
bloemdekbladeren in violetblauw die niet opstaan, de hangende zijn op
geelachtig/witte grond donkerder geaderd en gevlekt, naar de randen toe lichter
uitvloeiend, smalle en spitse schutblaadjes met droog vliezige top in mei/juni.
Uit W. China wordt 40-50cm hoog.
Is beschreven in 1910.
Uit Curtis botanical magazine.
Iris chrysographes, Dykes. (goud gestreept) Wat
blauw/groene bladeren zijn 35-50cm lang en 6-10mm breed.
Ronde, holle en niet vertakte
stengels met 1-2 bloemen.
Fluweelachtige violet/purperen
bloemen, de hangende bloemdekbladen met een goud/gele streep, geen rechtop
staande bloemdekbladeren in juni.
Eivormige/driehoekige vruchten
met peervormige wat samengedrukte zaden.
Uit Szechuan en Yunnan wordt
40-50cm hoog. Sommige cv’s zijn vrijwel zwart, 'Black Beauty', 'Black
Knight', 'Black', 'Ellenbank Nightshade',
en 'Kew Black'. 'Rubella’ is purperachtig violet.
Black iris is verzameld door
Ernest Wilson in Sichuan in 1908.
Uit www.wildgingerfarm.com
Iris forrestii, Dykes. (George Forrest,
Engelse plantenverzamelaar, 1873-1932) Grasachtige bladeren zijn glanzend heldergroen
met blauwachtige achterkant en ongeveer zo lang als de stengel.
Bolle
stengel met 1-2 bloemen.
Kort gesteelde bloemen met opstaande
bloemdekbladeren zijn diep geel, hangende zijn citroengeel en aan de voet bruin/purper
geaderd, groene schutblaadjes, spits en smal, gekield, mei/juni.
Uit Yunnan wordt 30-40cm hoog.
Is beschreven in 1910.
74. Uit Redoute.
=Iris versicolor, L. (verschillend gekleurd) Blauwachtig/groene
bladeren van 40-60cm lang.
Moerasplant die een vertakte
stengel heeft die langer is dan de bladeren.
Kort gesteelde bloemen met
opstaande, lancetvormig, min of meer spits en lila/blauwe bloemdekblaadje, de
hangende zijn purper/blauw met meestal een groenachtig/gele vlek aan de voet,
bloembuis is korter dan het vruchtbeginsel, schutblaadjes zijn kruidachtig in
juni/juli.
Uit Manitoba en Michigan tot
Arkansas en Florida wordt 60-80cm hoog. Is beschreven in 1732.
Var virginica (uit
Virginia) (Iis virginica L) Virginian iris verschilt door de blauwe
gekleurde bloemen en de staande bloemdekbladeren zijn meer spatelvormig, de
hangende hebben aan de voet een helder gele vlek.
Blaue Sumpf-Schwertlilie. Larger
blue flag of N. America, harlequin blueflag. Wortel kan giftig zijn voor mens
en dier. de provincie bloem van Quebec.
79. Uit Redoute.
=Iris monnieri, DC. (Louis Guillaume le
Monnier, Franse arts en botanicus, 1717-1799)
Sterk groeiende plant met donker
blauwachtig/groen blad van 60-90cm lang en 2.5-3.5cm breed
Geurende bloemen met opstaande,
donkergele bloemdekbladeren, hangende ronde, wit gerande donkergele bloemen,
groene schutblaadjes zijn lancetvormig in juni/juli.
Uit Kreta/Griekenland wordt
80-120cm hoog. Is beschreven in 1820.
Golden iris.
80. uit Curtis botanical
magazine.
Iris orientalis, Mill. (Oosters) Bladeren
zijn 60-90cm lang en 3cm breed.
Grote lichtgeel opstaande bloembladeren die naar
de randen toe wit worden met uitgerande top, de hangende zijn rond en mooi
geel, wit gerand, bloembuis is langer dan het vruchtbeginsel, schutblaadjes
zijn kruidachtig en lancetvormig, toegespitst in juni/juli.
Uit Klein Azië wordt 60-90cm
hoog. Is beschreven in 1790.
Var gigantea
wordt 125-150cm hoog verschilt verder doordat de stengels 4-6 bloemen dragen.
Yellowband iris.
81. uit G. Nicholson.
Iris aurea, Lindl. (goudkleurig) Blauwgroene bladeren zijn 50-70cm lang en
2-3cm breed.
Stengels met 3-4 bloemen.
Goud/gele bloemen, staande
bloemdekbladeren zijn lancetvormig met gegolfde rand en spits, hangende
bloemdekbladeren zijn langwerpig, bloembuis is even lang als het
vruchtbeginsel, schutblaadjes kruidachtig, groen en lang toegespitst in
juni/juli.
Uit W. Himalaya wordt 90-100cm
hoog. Is beschreven in 1826.
82.
Uit Redoute.
=Iris foetidissima, L. (zeer stinkend) Bladeren zijn 40-60cm lang en ruim 2cm breed,
glanzend groen met een onaangename geur.
Stengels met 2-3 bloemen.
Kleine bloemen zijn licht
purperblauw, bloembuis is ongeveer half zo lang als het vruchtbeginsel in
juni/juli, onopvallend maar mooi door de oranje/scharlaken kleurige vruchten
die lange tijd deze plant sieren.
De potloodachtige loodblauwe of
bloem is slang- of draakachtig
gevormd.
Wortelstok is zeer sterk
ontwikkeld.
Schaduw.
Uit Z. Europa en W. Azië wordt
50-70cm hoog.
Naam.
(Dodonaeus) (a) ‘In onze taal noemt men dit
kruid gewoonlijk wantluys-cruydt of stinckende lisch, de Hoogduitsers noemen
het ook Wandtleuszkraut omdat het krachtig gehouden wordt om de wandluizen te
doden, de Fransen glayeul puant, de Spanjaarden lirio spadanal, in het Latijn
is het overal bekend met de naam Spatula foetida, hoewel dat het bij sommige
ook de naam van Iris silvestris, dat is wild lis, voert, in het Grieks Iris
agria en ook Cacos of Cactos. Het is ook genoeg overal bekend met de Griekse en
Latijnse naam Xyris en bij sommige Xeris, zo Galenus betuigt, hier te lande
heet het ook bij sommige wilde lisch, de Italianen noemen het ook xiride en
spatula fetida, de Spanjaarden soms vulpe De Griekse naam Xyris betekent zoveel
als of men zei scheermes, omdat het blad zeer gelijk is met een schaar die aan
beide kanten snijdend is, scherper en dunner van snede en met een stijvere punt
dan de bladeren van Gladiolus of Ireos’. De stinkende lis is zo genoemd naar de
eigenaardige geur van de afgebroken bladeren.
Dodonaeus (b) ‘De Hoogduitsers houden dit kruid voor een soort van
Gladiolus en noemen het daarom Welsch Schwertel, in het Engels spourg wurt of
stinckingh gladin en wild Ireos’.
Culpeper noemt de stinking
gladwin een plant onder het beheer van Mars. Gladdon, gladin, gladwyn, glader
of gladwin, oud-Engels glaedene of gladone herbe, een oude naam voor I.
pseudoacorus. Mogelijk is dit woord op een of andere manier afgeleid van de
Latijnse gladiolus.
Roast beef plant, vanwege de
geur als het gekneusd wordt, dagger flower naar de bladen, blue seggin. Welsch
Schwertel bij Bock, Wandlauskraut bij Fuchs, Stinkende Schwertlilie.
Zo was het gebruik vroeger. (164)
311, 309)
‘Dioscorides schrijft dat de wortels van stinkende lis zeer krachtig zijn om de
wonden en breuken of andere kwetsingen en blutsingen van het hoofd te genezen,
ja dat ze uit de wonden halen kunnen alle splinters, nagels, angels, doornen en
andere scherpe dingen die daarin mogen steken en zelfs een schicht of pijl
zonder smart uit de wond laten komen als men daar het derde deel Spaans groen
of bloem van koper bij doet en het vijfde deel van de wortel van Centaurium of grote
santorie en dit alles tezamen zo voorts met honing vermengt.
Dezelfde
Dioscorides verzekert ook dat deze wortel zeer nuttig te drinken gegeven wordt
in alle gespannen, vaneen gerukte, gebroken en bedorven leden en ook tegen alle
smarten van de heupen en jicht, tegen de druppelplas en tegen de buikloop als
het met zoete wijn vermengd en gestoten is.
De
vrucht of het zaad van lis, zegt hij, laat de plas heel sterk voortkomen als
men daarvan de zwaarte van een half vierendeel lood met wijn te drinken geeft,
het maakt de verharde of grote en verstopte milt murw en verkleint die en
verteert het als men dat met azijn gebruikt.
Plinius schrijft van de wortel
van stinkende lis dat ze de klieren en gezwellen die in de ergernis of in de
lies komen verdrijft en laat verdwijnen. Dan omdat te doen wordt ons geboden
dat men deze wortel met de linker hand plukt of uit de aarde rukt en dat men
het zo tot ons gebruik bewaart en bovendien dat men terwijl men die vergaderd
of verzamelt ook zegt en verklaart om wiens wil en tegen welk gebrek of ziekte
dat men het plukt. Welke al te nauwe en onnodige zorgen voor ijdelheden en
belachelijke opmerkingen te houden zijn’.
Sinds men uitvond dat het de
xiris zou zijn van Dioscorides, waar hij vele goede krachten aan toeschreef, kwam
ze voor als kruid en in de medicijnentuin. Het werd gebruikt als purgerend
middel. Het sap is zo scherp dat het een brandend gevoel op de tong geeft. De
bladen, in bier gedaan, worden door het landsvolk als medicijn gebruikt. Alle
delen van de plant werden door de oude herbaristen geprezen, maar kan beter van
buiten gebruikt worden. Het zou alle ziektes van de lever genezen, verkoudheden
en hoofdpijnen, spierpijnen werden verminderd of verdreven door een olie van de
plant die oleum irinum genoemd werd.
83 Uit Redoute .
=Iris spuria, L. (onecht of vals) Lijnvormige
en spitse bladeren zijn opstaand en stijf, donkergroen en 30-40cm lang, 1-1.5cm
breed.
Opstaande stengel met veel
bloemen.
Gesteelde bloemen zijn helder
violet/blauw, de hangende bloembladeren purper/blauw en aan de voet zacht geel
geaderd, bloembuis is veel korter dan het vruchtbeginsel, schutblaadjes zijn
breed lancetvormig en groen in juni/juli.
Uit Frankrijk en M. Zee, wordt 30-50cm hoog. Is
beschreven in 1759 door Linnaeus die beschreef dat het in Duitsland groeide.
Var halophila (zee of zoutblad) heeft meestal langere bladeren dan de stengel, wit
en geel gestreept, de hangende bloemblaadjes zijn geelachtige met oranje/gele
voet, bloembuis is ongeveer even lang als het vruchtbeginsel.
Var notha
(onecht) wordt 80-100cm hoog, is in
alles groter met wat blauwachtig/groene 60-70cm lange bladeren van 3cm breed,
grotere bloemen met horizontaal afstaande buitenste bloemdekbladeren.
Var subbarbata
(half gebaard) is lila met hangende
bloembladeren in geel en geheel violet/blauw geaderd, in het midden zwak
behaard.
Spurious iris, blue iriss,
seashore iris. Bastard-Schwertlilie, Salzwiesen-Schwertlilie.
84.
uit L. Van Houtte.
= Iris ensata
Thunb. (zwaard) (Iris
kaempferi, Sieb. (Engelbert
Kaempfer, Duitse botanicus, 1651-1716)
Dunne en smalle bladeren zijn 30-60cm lang en heldergroen met een opvallend
dikke middennerf.
Stengel met meestal 2 bloemen.
De bloemen zijn groot en plat,
kort gesteeld, de opstaande bloemblaadjes zijn klein en purper/rood, zijn veel
kleiner dan de buitenste bloemdekslippen, de hangende zijn zeer groot en donker
purper/rood met gele voet in juni/juli.
De mooiste zijn die met 6 grote en brede
bloembladen, ook zijn er die met 3 brede en 3 smalle bloembladen verschijnen in
prachtige kleuren. In Japan zijn er honderden verscheidenheden van.
Uit Mandsjoerije, Korea en Japan wordt 60-75 cm
hoog.
Dit is de in Japan algemeen
gekweekte soort vanwaar tal van tuinvormen in Europa zijn ingevoerd. Hiervan
zijn buitengewoon grote en dikwijls halfgevulde of geheel dubbele bloemen die
aan de waterkanten of vochtige gronden het best groeien.
Var hortensis
(van de hof of tuin) omvat de talloze
kleurschakeringen die onder de naam kaempferi voor komen, verschillen van wit
tot purper, gevlekt of gemarmerd, ook zogenaamde dubbele, dat wil zeggen dat er
6 brede bloemdekslippen aanwezig zijn, vaak met Japanse namen.
‘Activity’ is zacht
blauw, sterk violet geaderd, de vlag is violet met witte rand. ‘Cry of
Rejoice’ is een grote purperrode met een geel honigmerk. ‘Gipsy’ is
een grote violetblauwe met donkere aders, de vlag is violet met wit randje. ‘Ruby
King’ is een grootbloemige, laat bloeiende purperrode. De ‘Waka-murasaki’
lijkt me een Japanse vorm, is diep violetblauw met een groot geel honigmerk,
dubbel en laatbloeiend.
De Japanese flag, Japanse lis,
Kaempfer’s iris, Japanese iris, Japanische Sumpf-Schwertlilie.
Planten.
Deze iris is vrij moeilijk te
kweken en houdt van een warme, vochtige zomer en een droge plaats in de winter.
84. uit Curtis botanical
magazine.
Iris laevigata, Fisch. (glad blad) Geelachtig/groene
bladeren zijn vlak en glad, 45cm lang en 4cm breed, zonder dikke middennerf.
Stengels
met 3-4 bloemen.
Grote bloemen met opstaande bloemdekbladeren diep
blauw en ongeveer even langs als de buitenste bloemdekslippen, de hangende zijn
diep blauw met gele middennerf, groene schutblaadjes zijn scherp gekield in
juli/augustus.
Uit Altai, Amur, China en Korea
wordt 60-80cm hoog. Is beschreven in 1836.
Var albopurpurea
met opstaande bloemdekbladeren wit en
hangende purper/blauw gevlekt op witte ondergrond.
Smooth iris, rabbitear iris.
2)
De knol en bolvormende iris.
Deze groep wordt weer onderverdeeld in de Xiphium-, Scorpiris of Juno-,
reticulata- en Gynandr-irissecties.
Tot deze groep behoren de
Hollandse, de hoge Spaanse, Engelse en Reticulata-irissen.
Planten.
Ze worden in het najaar geplant
ongeveer 6-8cm diep, onderling 8-10 uit elkaar. De bolirissen worden in de winter
wat beschermd tegen strenge vorst, vooral de Engelse irissen zijn hier gevoelig
voor. De bollen worden eind juli uit de grond gehaald en op een koele, droge
plaats bewaard tot het najaar.
Juno,
nu Iris subgenus Scorpiris (genus Juno) sectie Scorpiris.
Ook de soorten van het
ondergeslacht Juno hebben een bol
met gladde huis en vlezige wortels. Juno, de gemalin van Jupiter, wordt
beschreven als een trotse en majestueuze verschijning.
Deze groep wordt gekenmerkt door
de bloemen in de oksels van de bladeren die langs de stengels zijn geplaatst.
De binnenste bloembladen zijn gereduceerd tot zeer kleine proporties waardoor
de drie overblijvende bloembladeren zeer groot lijken. Mogelijk heeft hierom de
bloem zo'n majestueus aanzien.
De Junoirissen groeien in
Spanje, N. Afrika, Klein Azië, Perzië en verder oostwaarts naar India.
Vormen.
De Juno groep is een vrij
onbelangrijke groep die toch zeer interessant is. Deze groep is in 3 groepen
onderverdeeld, namelijk hogere, lagere en stengelloze. Tot de hogere rekent men
bucharica die door van Tubergen in
1901 uit Bokhora is geïmporteerd en tot 50cm hoog wordt. De kort gesteelde
bloemen komen, net als bij alle juno's, uit de bladeren. De opstaande
bloembladen zijn wit met gele lippen. Verder behoort hier toe: orchioides, sindjarensis en warleyensis.
Tot de lage groep behoort de caucasica en de wilmottiana.
Tot de stengelloze vormen
behoort rosenbachiana, persica en
andere.
Uit Curtis botanical magazine.
Iris bucharica, Fost. (uit Bokhora) Bladeren zijn 20-40cm lang en 4-6cm breed,
gekield, met smalle witte en hoornige rand, glanzend donkergroen met
blauwachtig/groene achterkant.
Rotsplant met 5-7bloemige
stengels.
Okselstandige bloemen met
staande bloemdekbladeren in satijn/wit en hangende bloemdekbladeren in
goud/geel en aan de top uitgerand met witte nagel en brede, gegolfde kam in
april
Uit Bohkora, wordt 30-45cm hoog.
Is beschreven in 1902
84. uit commons.wikimedia.org
Iris caucasica, Hoffm. (uit de Kaukasus) De
4-6 bladeren zijn lancetvormig en sikkelvormig gebogen 1-2.5cm breed, glanzend
groen met blauwachtig/groene achterkant met witte, hoornige rand.
Rotsplant met 1-4bloemige stengel.
Bijna zittende bloemen zijn
5-7.5cm in doorsnede en min of meer doorschijnend dof geel met donkergele,
behaarde middenlijn, bloembuis is 4-5 maal langer dan het vruchtbeginsel,
schutblaadjes zijn kruidachtig en breed lancetvormig, bolvormig in maart/april.
Klein Azië en Turkestan wordt
15-35cm hoog. Is beschreven in 1821.
Caucasian iris.
87. Uit Redoute.
Iris persica,
L. (uit Perzië) De 4-5 bladeren
zijn lijnvormig, spits en sikkelvormig gebogen met zwakke, wit gewimperde rand.
Rotsplantje met zeer korte
stengels met 1-2 bloemen.
Zwak geurende bloemen zijn 6cm
lang, opstaande bloemdekbladeren zijn klein en lila, de hangende zijn lila en
donker rood geaderd met oranje middenlijn met aan de top een purperen vlek,
schutblaadjes zijn lancetvormig en kruidachtig in maart.
Uit Klein Azië. Is beschreven in 1629. Die werd al in 1629
door Parkinson beschreven, hij vond het plantje moeilijk te kweken. Men teelde
het in een pot, omdat een enkele bloem de kamer vulde met zijn geur.
Var purpurea
heeft wat kleinere en purper/rode
bloemen, de hangende worden naar de top toe donkerder purper en in het midden
bruin gevlekt met oranje middenstreep.
Var sieheana
(W. Siehe, kweker te Mersina, Klein Azië) verschilt van het type door de
langere en smallere bladeren met duidelijk wit hoornige, gewimperde rand,
bloemen zijn purper/rood gevlekt op zilver/grijze tot groenachtig/gele
ondergrond.
Var stenophylla
met smalle bladeren die fijn
gewimperd zijn zonder witte rand, grote lavendel/blauwe bloemen, hangende zijn
donkerblauw gevlekt met witachtige, donker purper/bruin gevlekte middenstreep.
Var tauri
(het volk Tauri bij de Zwarte Zee)
heeft bladeren met onduidelijke witte rand en zwak gewimperd, bloemen zijn
donker violet/purper en in het midden wit geaderd, de hangende met donker
oranje, purper gevlekte behaarde middenstreep.
(Dodonaeus) ‘Een andere medesoort van
Sisyrinchium is uit Perzië gebracht. Deze soort wordt in Perzië lalé genoemd
welke naam bij de Turken vele anderen bloemen ook gewoon is. Naar het uitwijzen
van de schilderij die uit Constantinopel te Wenen en aldaar uit Perzië gebracht
was is de bloem van dit gewas zeer fraai om te zien die op de top van een
dunachtige groene steel uit een vliesachtig of velachtig omwindsel voortkomt
als in de andere soorten van lis gebeurt. Ze heeft maar drie bladeren die
scherp zijn en voor spits, lang en zo breed als de kleinste vinger. Met een
uitstaande rug en van kleur zo mooi blauw dat ze dies aangaande met de blauwe
bloemen van Gentianella zou mogen strijden. Binnen in de bloemen schijnen
sommige vertakte draadjes te wezen die in vele vezels verdeeld zijn en
rosachtig van kleur en met witte nopjes of tipjes van voren bezet. Onder de
bloem staat een knop van een ander diergelijke bloem geschilderd die ook aan
dezelfde steel, maar noch in zijn velachtige schede of omwindsel besloten is.
Maar gemerkt dat Clusius deze bloem niets anders dan alleen van de schilderij
gezien heeft zo heeft hij niet kunnen oordelen aan welk geslacht ze eigenlijk
behoorde en zo heeft hij ze bij provisie bij het Sisyrinchium geplaatst en zo
niet op hun goede plaats dan ten minste niet ver er vandaan. Want het is
waarschijnlijk dat dit gewas hetzelfde is dat nu in deze landen met de naam van
Iris Persica beter bekend is geworden en daar heel vroeg in het jaar zijn
bloemen voortbrengt’.
88 Uit Curtis botanical
magazine.
Iris rosenbachiana, Regl. (Nikolai O. von
Rosenbach, gouverneur van Turkestan in de tweede helft van de 19de eeuw)
De 3-6 bladeren zijn
lijn/lancetvormig, spits en gekield, 15-25cm lang, 5cm breed, glanzend groen,
de achterkant wat blauwachtig/groen.
Rotsplant met zeer korte
stengels met 1-3 bloemen.
Okselstandige bloemen van 10cm
in doorsnede met opstaande violette bloembladeren, de hangende zijn
fluweelachtig violet/rood met witte rand, purperen nagel en gele kam, varieert
nogal met lichter en donkerder gekleurde bloemen, schutblaadjes zijn
lancetvormig en groen in maart/april.
Uit Turkestan wordt 10cm hoog.
Is beschreven in 1886.
Var caerulea
heeft licht violet/blauwe bloemen, de
staande met donker violetkleurige top.
Var violacea
heeft violet/purperen bloemen, de
staande met donker violet/purperen top.
91. uit www.edgewoodgardens.net
Iris willmottiana, Foster. (Miss Ellen Ann
Willmott, Engelse plantenliefhebster, 1860-1934 die een beroemde tuin had in
Warley Place) Bladeren zijn wat sikkelvormig en zwak gekield, glanzend
donkergroen met witte, hoornige rand.
Rotsplant met 4-9bloemige
stengels.
Okselstandige en zittende
bloemen variëren van licht tot donker lavendel/blauw, de opstaande
bloemdekbladeren met een donkerblauw
geaderde vlek en wit met purper/rode nagel, bloembuis van 5cm lang in
maart/april.
Uit Turkestan wordt 15-20cm
hoog. Is beschreven in 1901.
94 Uit Curtis botanical
magazine.
Iris warleyensis, Foster. (gewonnen door Miss Ellen Ann Wilmott te
Warley bij Londen) De 6-7
bladeren zijn glanzend donkergroen en gekield, witte, hoornige rand en ongeveer
15cm lang en 2.5-4cm breed.
Rotsplant met stengel van 30cm
met 3-5 bloemen.
Okselstandige bloemen met
opstaande bloemdekbladeren zijn zacht purper/blauw, de hangende donker
violet/blauw, soms min of meer uitgerand, in het midden met driehoekige
oranje/gele vlek en witte, gekartelde kam in maart/april.
Uit Bokhora en Turkestan wordt
30cm hoog. Is beschreven in 1902.
96. uit www.plantbuzz.com
Iris aucheri (Iris sindjarensis) (berg
Sindjar in Mesopotamië) De 8-10 bladeren zijn breed lancetvormig en spits
tot 35cm lang en 3cm breed.
Stengels met 2-4 bloemen.
Bijna zittende bloemen zijn
geurend en 5-10cm in doorsnede, zacht blauw en donkerder geaderd met smalle
gele middenlijn en sterk gevleugelde nagel, bloembuis is 4-5 maal langer dan
het vruchtbeginsel in maart/april.
Goed bedekken in de winter.
Uit Mesopotamië wordt 25-30cm
hoog. Is beschreven in 1890.
98. Uit Curtis botanical
magazine.
Iris orchioides, Carr. (orchidee-achtig) De 4-6 bladeren zijn lancetvormig en
toegespitst, 15-25cm lang en 5mm breed, glanzend groen met fijn behaarde en
zeer smalle, bijna ontbrekende hoornige rand.
Kort gesteelde bloemen van 5cm
in doorsnede zijn mooi helder geel en groen geaderd met donker gele kam,
bloembuis is 3.5-5cm lang in maart/april.
Uit Turkestan wordt 40-60cm
hoog. Is beschreven in 1884.
Stengel met 3-6 bloemen.
Var alba
is wit.
Uit Redoute, Iris xiphium.
Bolirissen,
die het ondergeslacht Xiphion vormen. Iris subgenus Xiphium sectie Xiphium.
Die groeien in Spanje, Portugal,
Sicilië en N. Afrika.
Naam.
(Dodonaeus) (a) ‘De eerste soort is hier in
Nederduitsland eerst uit de westhoek van Engeland gezonden geweest en daarna in
de hoven vermenigvuldigd. De eerste soort is van ons in het Latijn eigenlijk
Iris bulbosa genoemd, dat is lis met klisterachtige wortel, andere noemen het
Engelse lis met klisterachtige wortel, dan men zou het zeer goed violetblauw
Engelse klisterachtige lis mogen noemen’.
(b) Dodonaeus ‘De tweede en derde soort
worden in Spanje en vooral in Portugal gevonden. De tweede soort met
verschillende kleur is van ons in het Latijn Iris bulbosa Lusitanica genoemd en
mag daarom in het Nederduits Portugese lis met klisterachtige wortel of Iris
bulbosa met verschillende kleuren genoemd worden’.
(c) ‘De
derde heet naar haar kleur Iris bulbosa lutea Hispanica, dat is gele Spaanse
lis met klisterachtige wortel’.
(d) Dodonaeus ‘De vierde groeit ook in Spanje
vanzelf en is vandaar in de hoven van deze landen gebracht.
De
vierde soort mag men naar haar brede bladeren met goede reden breedbladige lis
met klisterachtige wortel noemen en Iris bulbosa latifolia in het Latijn.
Voorts
zo noemende de Portugezen deze bloemen gewoonlijk lirio en voorwaar ze schijnen
een soort te wezen van dat gewas wat de ouders Lirium noemden, want dat woord
Lirium betekende bij hun velerhande verschillende kruiden als de narcis die bij
hun ook Lirium genoemd was en de lelie ook. Daarboven zo zijn er noch twee
andere soorten van Lirion van Theophrastus vermaand en de ene is van hem in het
6de boek beschreven die in het voorjaar bloeit na de witte viool en
Phlogion en op dezelfde tijd als de narcis pleeg te bloeien. De andere is ook
in hetzelfde boek beschreven die in de herfst met de saffraan begint te bloeien
en straks na de eerste regen zijn bloem geeft. Waarvan de eerste met onze lis
dat we nu beschrijven zeer goed zou mogen overeen komen.
Het zou
ook wel mogen wezen dat deze soort van lis de Hierobulbus van Apuleius is waar
hij van spreekt in zijn 21ste kapittel. Want gemerkt dat de Iris of
lis van de ouders Hieris plag genoemd te worden en dat deze bloem de lisbloem
gelijk is zou men met goede reden en heel eigenlijk dit gewas Hierobulbus of Hieribulbus,
dat is Iris bulbosa op het Latijn en op het Nederduits lis met klisterachtige
wortel mogen noemen, tenzij dat iemand beter geloofde dat de Hierobulbus aldus
genoemd is als Hierobolbos in het Grieks, dat is heilige of grote bol,
aangezien dat ze alle grote dingen bij de oude Grieken Hiera en bij de Latijnen
Sacra, dat is heilig, genoemd plag te wezen. En zo zou de Hierobulbus van
Apuleius een ander gewas moeten zijn dan de lis daar we nu van handelen.
Aangaande de Hierobulbus zo schrijft Apuleius daarvan aldus: ‘Neemt van dit
kruid omtrent zes ons en zoveel geitenvet, een pond en twee ons van de olie die
men Oleum cyprinum noemt, meng al deze dingen goed en stamp het goed tezamen en
gebruik dat zo tegen de smart van de leden en jicht en ge zal daar grote baat
in vinden.
Hij
schrijft ook dat de wortel van dezelfde Hierobulbus gemengd met het water daar
de lupinen lange tijd in te week gestaan hebben van de vrouwen veel gebruikt
wordt die er hun aanzicht mee wassen en natten en zo de sproeten en andere
diergelijke plekken van stonden aan weg nemen en laten vergaan.’
Uit hortus eystettensis.
VormenDodonaeus ‘Deze zeer mooie bloemen zijn eerst van Clusius beschreven
en met de naam van Iris bulbosa of lis met klisterachtige wortel overal bekend
gemaakt ze verschillen van de andere zeer veel in de kleur en gedaante en
vooral als ze van zaad voortkomen. Daarom zullen we de soorten die hij er van
verhaalt hier in het kort beschrijven en meteen van sommige verschillen er van
wat vermanen.
Klisterachtige
lis met brede bladeren is de eerste van Clusius en de laatste van Dodonaeus
alhier beschreven, in het Latijn Iris bulbosa latifolia genoemd en caerulea of
purpurea, in het Spaans liro en lirio espadonal, in Cordoba lirios azulos, al
of men zei blauwe of purper klisterachtige lis of zwaardje lis en azuurblauwe
lis. In Spanje en vooral in Portugal bloeit het in januari en ook in februari.
Lobel noemt het Hyacinthus poëtarum latifolius, dat is hyacint van de poëten
met brede bladeren en het schijnt dat hij het voor een soort van Hermodactylus
houdt. Men vindt het ook met grote menigte op de Pyreneeën bergen die Frankrijk
van Spanje scheiden waar de volgende soort ook groeit.
Klisterachtig
breedbladig lis met sneeuwwitte bloemen, in het Latijn Iris bulbosa latifolia
albo flore, wordt onder veel duizenden van de blauwe soms eens gevonden en
krijgt op een steel twee gans sneeuwwitte bloemen, uitgezonderd alleen dat ze
met een kleine gele plek aan haar drie omgebogen blaadjes ook getekend zijn als men aan de blauwe soort ook pleeg te zien.
Zowel deze witte als de voorgaande blauwe soort is gans zonder reuk.
Verandering
van breedbladige klisterachtig lis. Op dezelfde Pyrenees bergen en ook op de
bergen die Arragon van Narbone scheiden groeien bij de dertig verschillende
soorten van klisterachtig lis waarvan vele hier te lande noch niet gewoon of
immers heel zelden gezien worden. Behalve de sneeuwwitte is er een askleurige
of grauwe witachtige met violette strepen, sommige blauw en wit gemarmerd,
sommige bruinpaars waarvan de namen er van te lang zijn om te verhalen. Andere
zijn wit, maar de omgebogen bladeren zijn onderwaarts rondom de voor vermelde
gele plek met asgrauwe aderen doortogen. Andere hebben de drie omgebogen
bladeren bijna als de voorgaande, maar de drie rechtop staande zijn diep violet
of sommige bleek violet. Sommige zijn aan de uiterste randen van de drie
omgeslagen bladeren besmeurt, vaal of verstorven geel, maar blauw omtrent de
gele plek en aan de drie opstaande bladeren bleek of sommige diep violet. De
andere zijn heel donker violet, sommige heel licht violet, sommige zijn met wit
en violet op verschillende manieren onder elkaar gemengd en versierd, sommige
zijn ook als of ze van violette zijde of fluweel gemaakt waren. Dan allen
hebben de voor vermelde gele plek of vlek in het midden van dat omgebogen blad
of afhangende lip. Deze wonderbaarlijke verschillen komt in dit gewas van
zaaien. Want jonker Jan van Hoghelande heeft van het zaad van de witte geen
witte gehad, maar heel licht blauwe bloemen, uitgezonderd de gele vlek die in
het midden van de lip voortkomt. Zodat men deze breedbladige soorten ook wel
verschillend kleurig noemen mag net zo als de smalbladige en in het Latijn Iris
bulbosa versicolor latifolia.
Rood of
purperachtig klisterachtig lis is van Peeter Gassan hier te lande gebracht voor
een heel rode lis, dan hier te lande bloeide de bloem wel niet blauw, maar is
eerder wat paarsachtig voortgekomen, doch nochtans veel van de rode kleur
verschillend. Bijna zulke komt uit Spanje, doch met smalle bladeren.
Klisterachtige
lis met violette bloemen (de eerste soort van Dodonaeus) is in het Latijn van
Clusius Iris bulbosa violacea genoemd en van Lobel hyacint met lisbloemen van
Theocritus en andere poëten of anders violetblauwe Iris bulbosa van Engeland,
in het Latijn Hyacinthus Anglicus of Engelse Iris bulbosa van de herboristen,
in het Engels flour de luce, dat is lisbloem en soms ook grote Gladiolus. Deze
soort, zegt Clusius, groeit nergens in Engeland vanzelf en ze is alleen in de
hoven daar te vinden, maar ze schijnt daar met de schepen uit Spanje of
Portugal gebracht te wezen, nochtans is ze met de naam van Engeland alleszins
bekend. De bladeren van dit gewas komen eerst te voorschijn in de lente of
voorjaar en ze zijn dik en die van de ui bijna gelijk die aan de binnenste
gootvormig uitgehaalde zijde iets blinkend zilverkleurigs vertonen en aan de
buitenste zijde kantig en gestreept.
Klisterachtig
lis met verschillende kleuren van bloemen wat de tweede soort of Portugese lis
van Dodonaeus gelijk is wordt van Clusius in het Latijn Iris bulbosa tertia
sive versicolor genoemd en van Lobel Spaanse hyacint van de poëten, in Spanje
loyia illyrico, het heet ook Iris angustifolia varia naar haar vijf of zes
dunne en van binnen witachtige, van buiten gerimpelde bladeren. Dit geslacht is
tweevormig met breder en smaller bloemen. Dat met breder of korter bloemen is
in de bloemen donker gekleurd en heeft een kortere plek in de drie afhangende
lipvormige bladeren die soms donkerblauw, ja violet zijn. Het heeft dikwijls
twee bloemen en korter hauwen of driekantige zaadhoofden die alleszins gelijk
dik zijn en bovendien een korter en dikker wortel. Het ander heeft zelden meer
dan een bloem en die is smal en langwerpig, lichter gekleurd met een langere
smallere plek met meer wits aan de lippen, de hauwen zijn langwerpiger en onder
dunner dan boven, de wortel is dunner en langer. Dit verschil komt alleen door
het zaaien.
Verandering
van deze soort met verschillende kleur van bloemen. In sommige vochtige en
regenachtige jaren brengt deze soort van lis twee of drie bloemen voort, soms
ook wel vier en soms krijgt het behalve de twee bloemen die op de top van de
steel voortkomen noch onderaan dezelfde steel een andere schede en daarna noch
een ander en elk met een apart rond en geknopt steeltje die op de top twee
scheden dragen en uit elk spruit een bloem die van gedaante, kleur en reuk
geenszins afwijken van de eerste bloemen die aan de midden steel
Meer
verandering van dezelfde soort. Als men deze bloemen van zaad hier te lande wil
vermenigvuldigen dan zal men er een grote en wonderbaarlijke verandering van
bloemen in gewaar worden zodat Clusius daarvan meer dan achttien verschillende
soorten die van zaad voortgekomen zijn aangetekend heeft die al te lang zouden
wezen om hier van ons verhaald te worden.
Geel
klisterachtig lis (of de derde soort van Dodonaeus) van Lobel Hyacinthus
poëtarum luteus Lusitanicus, dat is geel Portugese hyacint van de poëten en van
de Portugezen reylla buey genoemd bloeit met de tweede soort in Portugal en
lijkt op de derde soort van Clusius in alles zeer goed, dan ze heeft dunner of
teerder bladeren en wat korter stelen.
Verandering
of verschil. De bloem van deze soort is soms wat breder en van kleur diep
rosgeel of goudgeel, ook zijn de wortels soms dikker en korter en de velachtige
schede daar de bladeren eerst uitspruiten is met meer bloedkleurige strepen van
buiten doorregen dan bij de andere met bleekgele bloemen die soms niets
bloedkleurig aan hun scheden hebben. Voorts zo spruiten de bladeren van beide
deze soorten voor de winter uit de aarde.
Blauw
klisterachtig lis, in het Latijn Iris bulbosa quinta sive caerulea is van
sommige liefhebbers van Holland Portugese klisterachtige lis genoemd en is van
Clusius nergens in het wild gevonden. Het lijkt op de derde soort van bladeren
en stelen gans, dan de drie omgeslagen bladeren van de bloem zijn in dit
geslacht blauw van kleur met sommige dieper gekleurde adertjes van het midden
van dat blad tot de kanten toe verspreid getekend die vandaar tot het onderste
van de bloem een gele breedachtige plek hebbende waarmee dat blad in de lengte
gedeeld wordt, de drie andere die er op rusten en kromme of bultige blaadjes
zijn ook blauw van kleur, maar wat bleker, de drie laatste overeind staande
blaadjes zijn donkerder en voller blauw. De reuk van deze bloemen is bijna als
die van de lindebloemen. Voorts zo heeft deze soort twee of drie bloemen op een
steel die wat later bloeit dan alle andere soorten en niet voordat alle andere
verflenst en vergaan zijn, deze soort is hier te lande uit Portugal eerst
gezonden geweest.
Verandering.
Soms heeft dit gewas veel mooier bloemen, te weten met groter lippen en met
groter kromme of bultige bladeren die op de twee eerste rusten en de drie
opstaande bladeren zijn ook breder, voorts zo is de ganse bloem veel donkerder
purperkleurig en staat veel wijder open en is van gelijke reuk met de andere.
Ook zo is de steel omtrent de knopen of knieën daar de bladeren uitspruiten uit
de purperen zwartachtig van kleur.
Andere
medesoorten van de voorgaande. Een soort heet groot Frans klisterachtig lis, in
het Latijn Iris major Francica, en is blauw met dikke violette strepen. Voorts
ook de bloemen van alle deze soorten als ze beginnen te verflensen of te
vergaan worden gewoonlijk zo ineen getrokken dat ze op de klauwen van een vogel
en vooral van een kiekendief schijnen te lijken wat in de andere soorten van
lisbloemen ook gezien wordt’.
Al A. F. von Hartenfels telde in
1746, 34 soorten die allen onder de naam Xiphion samengevat werden. (zie naam
Xiphion onder Gladiolus)
Deze groep omvat planten met
uiterst smalle bladeren en slanke stengels waarop zich de helder gekleurde
bloemen wiegen. In tegenstelling met de vorige hebben ze slechts zeer kleine
benedenslippen.
99.
Uit Redoute.
Spaanse.
Hiertoe behoort de Spaanse
boliris, =Iris
xiphium, L., (zwaard, de bladeren) (Iirs hispanica (Spaans) die door Clusius in 1564 in Spanje ontdekt en
waarschijnlijk door hem hier naar toe genomen is. Lobel; ‘Deze Spaanse hyacint
die ons de kunstige natuur geeft uit de heuvels van Valedolit in Spanje is de
Engelse niet zeer ongelijk’.
De Spaanse is gemakkelijk van
zaad te kweken zodat er al spoedig grote partijen waren.
De kleuren waren schitterend, geel,
blauw, brons en oranje en moeilijk te overtreffen. De bloei was echter binnen
een paar weken afgelopen.
Ook was de plant zeer gevoelig
voor een schimmelziekte, zogenaamde kwade grond.
Dit was de belangrijkste iris
voor het verschijnen van de Hollandse irissen.
Cloudes iris, small bulbous
iris, Spanish flag, Spanisch iris, thunderbolt iris, Duitse Spanische
Schwertlilie of Spanische Iris.
Vormen.
‘Afterglow’ met blauwe
bloemen en een geel blok kwam door N. van Eeden in 1957, die ook donkerder en
lichtere vormen op de markt bracht als ‘Blue River’, ‘Gipsy Girl’, de ‘Canary
Bird’ is goudgeel. Krelage bracht in 1896 ‘King of te Blues’, een
donkere. ‘Koningin Wilhelmina’ is van H. van Velsen, een witte met geel
blok die in 1908 kwam, een 5 jaar later kwam ‘Prins Hendrik’ van P.
Bijvoet die meer bruin/purper is.
100.
Uit Redoute.
Engelse.
Gelijktijdig met de Spaanse
verscheen ook de Engelse Iris, English iris, =Iris latifolia Mill (breedbladig)
(Iris xiphioides, Ehrh. (Xiphiumachtig,
dus ook zwaardachtig) die in Engeland
(Iirs anglica) is beschreven maar uit de Pyreneeën stamt.
De bladeren zijn gootvormig,
blauwgroen en gestreept. Meestal zijn ze even lang als de bloemstengel.
Die is 70cm hoog.
Die bloeit iets later, in juni,
dan de Spaanse met grotere bloemen. Ook de kleur is anders blauw, ook in purper
en wit, waarvan vooral de purperen tinten zeer apart zijn.
English iris, great bulbous
iris, Pyrenean flag. Vermoedelijk is de naam anglica ontstaan doordat Lobel
deze irissen in Engeland zag en vandaar bollen naar zijn Belgische vrienden
stuurde.
Gebruik.
De Engelse irissen bloeien het
eerste jaar uit zaad en zijn dan zuiver van kleur, de volgende jaren worden de
bloemen steeds meer gespikkeld.
De Engelse Iris-anglica-hybriden
bezitten een blauw dat een verfcontrast is van een goede oude tint. In contrast
daarmee zijn de tonen van wit en geel op de bloembladen.
De vorm is wat robuuster dan de
Hollandse.
Ze houden van meer vocht in de
zomer omdat de stamplant I. xiphioides op vochtige weiden in de Pyreneeën en N.
Spanje groeit.
Uit
Curtis botanical magazine.
Hollandse.
De ouders van de Hollandse
groeien op zonniger velden van het Iberische schiereiland en N. Afrika. Dit
waren Iris xiphium,
L. var. lusitanica, Ker‑Gawl. (Portugees)de
Portugese iris met gele bloemen die in 1796 in Portugal ontdekt is. Verder:
104 Uit Curtis botanical magazine.
Iris tingitana, Boiss. & Reuter. (uit Tanger) die afkomstig is uit Marokko
met 1-3 diep blauwe bloemen.
Tangier iris, Morocco iris,
Frans iris de Tanger.
Bloeit in het voorjaar.
De laatste en belangrijkste
groep zijn de Hollandse Irissen.
Doordat ze later ontstonden was
tegen de ziekte kwade grond nu ook een middel in de markt die dit zeer goed
bestreed.
De Fa van Tubergen maakte het
eerst melding van een nieuw ras bolirissen die ongeveer 14 dagen eerder dan de
Spaanse bloeide met grotere bloemen en zich baadde in een onvergelijkbare
kleurenweelde. Ook Gebr. de Graaff kruisten dezelfde tijd en brachten hun
aanwinsten nog eerder op de markt.
Deze kruisingen leverden heldere
kleuren op in de nuances tussen violet, blauw, lila, wit of geel. Ze zijn
gekleurd met het palet van Hals en Rembrandt, van Paulus Potter en andere
schilders.
Ze zijn
een 60-70cm hoog.
De bollen zijn eirond met een
puntige top.
Het blad is wat metaalachtig
groen en gootvormig.
Naam.
Gekweekte iris, Hollandse iris,
Engelse Dutch iris, Franse iris de Hollande, Duitse Schwertlilie (gemischt)
Vormen.
Bekende soorten zijn in blauw, ‘Blue
Diamond’, dit is een sport uit ‘Ideal’. De belangrijkste blauwe soorten
zijn de volgende twee, ‘Ideal’, een sport van de oude ‘Wedgwood’, en ‘Prof. Blaauw’.
In paars is de belangrijkste ‘Blue
Magic’. Geel wordt niet zo veel geteeld, de beste is ‘Royal Yellow’,
evenals geelwit waar ‘Apollo’ naar voren komt. In wit is er een sport
uit ‘Wedgwood’, de ‘White Wedgwood’.
Dit zijn maar een paar van de
ongeveer 175 cv’s.
Gebruik.
Ze zijn uitstekend geschikt voor
de snijbloementeelt en zijn populair geworden omdat ze het gehele jaar in bloei
kunnen worden getrokken. Door die wereldhandel is de jaarrondteelt tot stand
gekomen. De oorspronkelijke bedoeling was om de bollen te remmen, zodat ze aan
de andere kant van de wereld ook gebruikt konden worden. Dit lukte zo goed dat
men ze hier ook kon remmen en zo later in bloei kon brengen.
Reticulata-groep.
105.
Uit Curtis botanical magazine.
Tot deze groep behoren kleine,
interessante bolgewasjes als Iris reticulata, Bieb. (netvormig, de netvormige bolhuid)
De grasachtige bladeren komen
tijdens en na de bloei.
Iris reticulata is een
laagblijvende iris en afkomstig uit de Kaukasus.
Early bulbous iris. Netzblatt-Schwertlilie,Netzblatt-Iris,
Zwerg-Iris of Netz-Schwertlilie.
Gebruik.
Dit kleintje is geschikt voor
rotswerk, hoewel het door de diep violette kleur met goudgele vlekjes op het
eind van februari niet zo opvalt. Aardiger is het in de pottenteelt, waar je de
lichte geur van de bloemen beter kan opnemen. Voor de pottenteelt is I.
reticulata minder geschikt dan de cv's van I. danfordiae. Het blad wordt te
lang. Vooral ‘Harmony’, ‘Joyce’, ‘George’ en I. histroides doen het goed.
Historie.
Is afkomstig uit Georgië en werd
in het begin van deze eeuw ingevoerd. Voor het eerst werd de plant beschreven
door de uit Stuttgart stammende en in Rusland verblijvende, F. Marschall von
Bieberstein.
Omstreeks 1870 ontdekte Krelage
dat er twee kleuren voorkwamen, namelijk purperblauw en purper. Hij zond
bloemen naar Dr. Regel in St. Petersburg om de juiste naam vast te stellen. Dr.
Regel noemde de rood purperen vorm Iris krelagei, Regel. De
donkerblauwe bleef zijn naam Iris reticulata
behouden.
Uit de Krelagei kwamen hybriden
in een roodpurperen kleur voort. De eerste was ‘Hercules’, toen ‘Pauline’
en ‘Purple Gem’, de ‘Michael’ en de ‘J. S. Dijt’.
Blauwe kwamen er met de eerste
wereldoorlog, de ‘Cantab’. De ‘Harmony’, die gewonnen werd door
van Tubergen, is helderblauw en met het type de meest gekweekte. Het zijn
allerliefste bolgewasjes.
86
=Iris danfordiae, Boiss. Is zo genoemd naar Mrs.
Danford die dit plantje hier in 1876 introduceerde. Als deze dame net zo slank
en sierlijk was als deze iris, mag ze niet mopperen.
Het blad komt na de bloei, is
smal en blauwgrijs.
Heeft heldergele en geurende
bloemen. De afstaande bloemblaadjes zijn fraai gespikkeld.
Deze bevallige plant is
afkomstig uit de Ciliciaanse Taurus.
Gebruik.
Een mooie plant voor rotswerk,
wordt nauwelijks 10cm hoog en kan reeds in februari bloeien.
Planten.
De bollen worden 7cm diep
geplant in oktober, de plantafstand is 5cm en bedekt met een laagje stro tegen
de vorst. Het afdekmateriaal dient, in verband met de vroege bloei, vroeg
verwijderd te worden. Na het afsterven van het gewas rooi je de bollen op en
bewaar je ze droog en warm. Ook is het mogelijk de bollen te laten staan waarna
ze nog jaren zullen bloeien.
Histrio.
Een apart groepje vormt de histrio-familie die
toch tot de reticulata groep behoort. Ze zijn nagenoeg lichtblauw van kleur, de
opstaande bloembladen hebben een spitse vorm. Deze uit de Libanon stammende
soort kan al in februari bloeien.
105.
Uit Curtis botanical magazine.
Iris histrioides Arn.
(histrio; ongeschikt ingevoegd) werd door Wilson in 1891 in
Armenië ontdekt.
Het gewasje bloeit in maart en
doet qua kleur aan de vorige denken, maar met grotere bloemen. Ze schitteren in
blauw, de afstaande bloemblaadjes hebben snelle witte en gele strepen.
De bladeren verschijnen als de
plant is uitgebloeid.
‘Reine Immaculee’ is
vrijwel gentiaanblauw.
Türkische Schwertlilie.
Uit A.
Ypey, www.BioLib.de.
= Iris tuberosus, L.
(bolachtig)
heeft zijn oude naam weer terug, een
tijd lang was het bekend als Hermodactylus tuberosus, Salisb. doordat de vaste knolbouw anders is dan de andere
irissen.
Heeft 2-4 knollen van een paar
cm lang.
2-3 blauwachtige bladeren zijn
vierkantig tot een halve meter lang.
De stengel van een 30cm hoogte
geeft een geurende bloem, een uniek zwarte en groengouden combinatie..
De dwergiris groeit in Arabië en
het oosten, Z. Frankrijk tot Griekenland.
Behalve smalle vierkante
blaadjes onderscheidt ze zich door de bolachtige wortel.
Historie/Naam.
Uit het M. Zeegebied zou het
gewas, via Busbecq, naar het keizerlijke hof te Wenen gekomen zijn.
(Dodonaeus) (a) ‘Wij hebben dit geslacht
van lis in het Latijn naar de gedaante van zijn knobbelachtige wortels Iris
tuberosa, dat is knobbelachtig lis genoemd. Het schijnt een soort van wild lis
te wezen’.
Volgens Lobel en Dodonaeus kwam
de plant uit het M. Zeegebied waarna ze het als Iris tuberosa belgaro, de in België gecultiveerde knollige iris,
afbeeldden en beschreven. Iris tuberosa,
L. noemde Linnaeus de knollige iris.
Dodonaeus (b) ‘Matthiola heeft dit kruid voor de Hermodactylus
gehouden en een ander vermoedt dat het de eerste soort van Lonchitis zoude
mogen zijn. Maar aangaande de Hermodactylus die de apothekers tegenwoordig
plegen te gebruiken en die ook van Serapion zo genoemd is daarmee heeft dit
kruid gans totaal geen gemeenschap. Want indien het daarom Hermodactylus
behoorde te heten omdat de wortel van deze lis de gedaante van een vinger soms
enigszins schijnt te lijken of te gelijken zo moet het verschillend zijn van de
Hermodactylus daar Serapio van spreekt die met zijn Hermodactylus geen ander
kruid verstaat dan het Colchicum van Dioscorides wat van dit geslacht van lis
zeer verschilt’.
Hermodactylus, hierbij betekent
Grieks hermos: alleen, en daktulos: een vinger, een verwijzing
naar de bol, of Hermes (Mercury) vingers.
Dodonaeus (c) De plant draagt in vele
boeken de naam Wolfsschwertel.
In Engeland heet het slangenkopiris, snake’s head
iris, dit minder naar de slangenkopkleurige bloemen, maar omdat de bloemstengel
eerst na enige wendingen zijn bloemen draagt en opent, zie Fritillaria.
De bloem is groenachtig van binnen en van buiten zwart/purper gekleurd
en daarom wordt het ook wel de mourning iris of widow iris genoemd, de
treurende iris. Bloeitijd is april.
Gebruik.
Oosterse vrouwen zouden de bol
gebruikt hebben om er een make-up van te maken. Ze wrijven die stuk wat
tenslotte een fijn wit poeder geeft dat het mooiste blanketsel vormt. Men neemt
er wat van tussen de vingers en legt het op de wang en wrijft dit enige malen
met de vlakke hand in. Aanvankelijk veroorzaakt dit wrijven een zachte
branding, gelijker tijd kleuren de wangen met het lieflijkste rood dat van
natuurlijk rood niet te onderscheiden is en niet verdwijnt. De kleur blijft
enige dagen goed en men kan zich wassen zoveel men wil zonder dit weg te nemen.
Planten.
Dit irisachtig gewas wordt
geplant in oktober op 6-8cm diepte met een plantafstand van 10cm in de volle
zon. Bij een goed winterdek bloeit het begin april.
110.
Uit Redoute.
Gynandr-irisgroep is de kleinste groep met maar 1
soort, namelijk;
=Gynandriris sisyrinchium (L.)Parl.
(Iris sisyrinchium, L. (Griekse sitos: eten, sys: varken, rygchos:
snuit, zwijnen graven naar de wortels in de grond) uit het oostelijk Middellandse
Zeegebied.
Deze wordt 15-20cm groot en
geeft in mei/juni welriekende bloemen in de kleur van lichtblauw tot violet/
purper. Spanish nut, uit M. Zeegebied. Zie Sisynrinchium.
(Dodonaeus) ‘We bevinden dat dit gewas dat
we hier beschrijven nergens mee beter overeen kan komen dan met die soort van
Bulbus esculentus of eetbare klisters die de oude Grieken Sisyrichion oft
Sisyrinchion en de Latijnen, zo Plinius schrijft, Sisyrinchium genoemd hebben.
Want Theophrastus schrijft in zijn 7de boek dat Sisynrichium van
zo’n aard is dat het onderste van zijn wortel eerst groot wordt of plag te
groeien dan dat het omtrent het begin van de lente of voorjaar verdroogt of
verrot en dat dan het bovenste van deze wortel groter wordt en eetbaar is. Met
welke woorden hij aantoont dat dit kruid een dubbele wortel heeft die ook goed
om te eten is zo dat men zeer goed vermoeden mag en hieruit voor zeker houden
dat de grootste van deze twee soorten het echt Sisyrinchium van de ouders is.
1. De
wortels van de grootste soort (van ons Sisyrinchium majus genoemd) worden in
het Spaans nozellas genoemd al of men hazelnootjes of nootjes zei.
2. De
wortelen van de kleine (Sisyrinchium minus in het Latijn) worden van dezelfde
Spanjaarden en Portugezen macucas genoemd.
Aangaande
de worteltjes van de kleine soort van Sisyrinchium dat Clusius en Dodonaeus
beschrijven, de inwoners van de rijken Valencia en Murcia hebben dezelfde
Clusius verzekerd dat ze zeer goed zijn tegen de pijn en krimping van de buik,
maar diegene die ze ingenomen heeft moet hem daarna oefenen en zijn ganse
lichaam met dansen of springen beroeren en dan zal de krimping en rommeling
zeer gauw vergaan. Anders worden ze (hoewel de grote soort wat smakelijker is)
ook wel voor spijs gebruikt als kastanjes, dan ze zijn in sommige droge landen
wat scherp van smaak als in Sicilië en in de Griekse eilanden’.
Evansiagroep.
Alle leden van deze groep hebben
op de lipbladen een kam in plaats van een baard. Deze groep is vrij
onbelangrijk. Laag groeiende planten.
Met uitzondering van twee
verwante soorten in Amerika komen ze voor in Japan en oost China. De
Amerikaanse onderscheiden zich van de oosterse door het ontbreken van een
stengel.
Zie
verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/