Mandragora. Mandraak, alruin.

 

Beschrijving: kronfeldDit is een geslacht van oude, medische kruiden die met een 5 soorten voorkomen, waarvan twee in het M. Zeegebied en Mandragora caulescens (met een stengel)met zijn ondersoorten in de Himalaya, flavida en purpurascens. Mandragora chinghaiensis (uit China) of Chinese alruin, Mandragora shebbearei (O. Shebbeare die de transport in Tibet verzorgde) of Tibetaanse alruin.

 

Lobel noemt mogelijk Mandragora turcomanica of Mandragora caulescens. Morion van moria; dolheid van geest of morion mannelijk lid:

‘Mandragora Morion. Dioscorides. Men zegt dat er is noch een andere Mandragora, Morion genoemd, die groeit in donkere schaduwachtige plaatsen omtrent de holen en grotten of spelonken en heeft de bladeren van de witte Mandragora, maar kleiner, wit en 30cm groot en staan rondom de wortel die zacht en wit is en wat minder dan een 10cm lang en een duim dik.

Dioscorides. Men zegt dat 3,5 gram zwaar van die ingenomen met brood, sap of toespijs het verstand beneemt en dol maakt want de mens valt zeer in slaap met zulk wezen als hij dat eet en zonder verstand omtrent drie of vier uren nadat hij het heeft ingenomen.

De dokters gebruiken deze als zij iemand enig lid willen afzetten of branden.

Men zegt ook dat de wortel een preservatief is als zij ingenomen wordt met dol makende nachtschade’.

 

Meestal zijn het stengelloze en meerjarige kruiden met dikke wortels en grote, gesteelde bladeren.

Bloemen zijn tamelijk groot en variĎren van witachtig door blauwachtig violet en purperen tinten.

Solanaceae, nachtschadeachtige.

 

De eerste en het vrouwtje uit L.van Houtte, het mannetje uit W. Hooker.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mandragora officinarum, L. en Mandragora autumnalis Bertol (geneeskrachtig en herfst) en de ene was het mannetje en de ander het vrouwtje hoewel ze nu alle twee Mandragora officinarum L. heten de eerste bloeit in mei en de tweede in de herfst.

Mandraak, dit zijn stengelloze kruiden met grote ovale of lancetvormige en donkergroene bladeren die in dichte rozetten plat op de grond liggen.

De okselstandige en gesteelde violette of gele bloemen staan in dichte rozetten.

Ze worden gevolgd door vele bessen met een diameter van 1,5cm.

Ze bezitten vlezige en dikwijls gespleten wortels.

Vermeerderen door scheuren in ’t voorjaar of zaaien bij 20-22 graden.

Het zijn de planten die door de gehele geschiedenis heen komen. De eerste soort is het mannetje en de tweede het vrouwtje. Ze komen in Zuid-Europa en Noord-Afrika voor.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘In deze en meer andere landen als ook bij de apothekers is dit kruid met de Griekse naam Mandragora of Mandragoras bekend. Het heet ook Antimelon en Dircaea en zoals men onder de bastaardnamen vindt in dezelfde Griekse taal Xeranthe, Antimnion (=ontmaskering) of Antimion en Bombochylon, van Pythagoras Anthropomorphos, in het Latijn Terrae malum, Terrestris malum en Canina malus. Ze heten Mandragora in het Grieks omdat ze graag groeien op de plaatsen daar paarden en ossen stallen, te weten in donkere holen en schaduwachtige gewesten die wel van de zon beschenen zijn omdat ze geen koude verdragen kunnen’. Lobel: ‘Dit kruid is in Grieks Mandragora genoemd geweest omdat het graag groeit in de holen en spelonken omdat het slecht tegen de zon kan. Want Mandrae zijn de plaatsen daar ossen en paarden vertrekken en gestald worden, ja ook nu ter tijd alzo in Italiaans geheten. Dioscorides. Mandragora wordt van sommige auteurs Antimalum geheten en van andere Circaea omdat den wortel gebruikt wordt in toverij om te doen lief hebben en ook de schaapherders worden slaperig door het eten van de appels.’

Mandragora, is een naam die gebruikt werd door Hippocrates. Grieks mandra: stal en ageiro: ik verzamel, omdat de mandragora door zijn wonderkracht de kudde bijeenhield. (349). Of naar Mandragoras, de naam van een Klein-Aziatische heilige, of naar de god Mandros, Maiandros.

(187A) De naam mandragora is niet geheel opgeklaard. Mogelijk is het oud Perzisch. Columnella noemde hominiformen en semi homo. Pythagoras noemt men deze wortel naar zijn menselijke vorm, anthropomorphos: half menselijk, wat met de Perzische benaming merdum‑giah overeenstemt. Huygens gaf er de naam ‘wortelmens’ aan. Onder de naam nam-tar-gir, namtar-ira: of vrouwelijke rampen-god, was het kruid bekend bij de AssyriĎrs.

In Egyptisch heet het aperium: sterf onmiddellijk, Osirides, naar de god Osiris, Gonos Thyphonos: zaad van Thyphon, in ArabiĎ: Jabrol, Jebora, Rabouhe of Tufa al shatan, de vrucht alleen: Lephaa of Lofah, in het Hebreeuws baraas en dudaim: wat vlammen­kruid betekent. Andere Griekse betekenissen zijn: aleten, archene, archinen, bubochylon: ossenvast, cammoron, diamonon, dirkaia, gongeonas, hemionas (muilezel?) thridakia: sla-achtige plant, thridax: sla, xecanthen.

Dodonaeus (b) ‘In Hoogduitsland heet het Alraun’. (349)

Een van de interessantste plantennamen is de naam alruin voor de Mandragora. De plant heet in midden-Nederlands alrune en in hoog-Duits Alraun. Mogelijk slaat het eerste deel op adel of edel, het tweede deel is runa: geheim. Het kan waarzegster of tovergeest betekenen. Het Gotische haliuruna schijnt de oudste Germaanse afleiding te zijn. Verder zijn er een serie oude namen als alraune, aldrunen, alraunwurzel, alltrunen en hellerunen, vergelijk Gotisch ahls, alts, ala: tempel, ruinen: geheim of fluisteren, allrauntollkirsche en allrunke,

Al geruime tijd voor de werken van de zieneres Veleda, die eens de volkeren raadsel en toekomst onthulde en in de opstand tegen Claudius Civilis, 69-71, door de Germanen om bijstand aangeroepen werd, kenden en eerden de Germanen de goddelijke zieneres Aurinia. J. Grimm las voor dit woord Alioruna en leidde daarvan de naam Alraune af: dat is de alwetende. Volgens Wackernagel is het woord afkomstig uit Albruna: dat is als met runenkracht begaafde elf, een plant als een plaatsbekleder van een geheimenisvol wezen die in de Germaanse mythologie met alle toverij en mystiek omsponnen was, waartoe ook Veleda behoorde, Tacitus. Germ. en Hist. VI 61,65. V, 22.24. Tacitus geeft voor de naam Albruna op: "die met toverkracht der Alben begaafde".

Het oud-Hoogduits Alruna vergelijkt zich met vrouwennamen als Friderun, Gudrun en Sigrun als naam van een overwinnares. Als vrouwennamen zijn het oud-Hoogduitse Albrun, het Angelsaksische Alfrun en het oud Noorse Alfrun sinds de 10de eeuw in gebruik.

Beschrijving: gilg Dodonaeus (c) ‘Sommige Grieken noemen het ook Circaea en dat naar de toveres Circe. Voorts zo was dit kruid Circaea in oude tijden genoemd omdat de voor vermelde toveres Circe de wortel er van bij haar dranken plag te vermengen om de jonge mannen tot liefde te verwekken waarin die tegenwoordig ook geloofd wordt dat het enige krachten heeft’. Vele verwijzingen zijn er over de mandraak bij de Grieken, Romeinen en komt de plant voor op de Eberspapyrus, hoewel men niet steeds zeker is of er niet ook Hyoscyamus mee wordt bedoeld. ‘Van deze soorten van Mandragora verschilt de Mandragoras van Theophrastus zeer veel’.

In Grieks is het kirkaia en kirkaion genoemd naar de tovenares Kirke. Dit zou het kruid zijn geweest dat gebruikt werd door de tovenares Kirke of Circe die in de buurt van Circejum (nu Promontorio Circeo op het eiland Aaa) gewoond zou hebben. Ze had deze plant gebruikt om de metgezellen van Odysseus in zwijnen te veranderen.

De voorjaarsalruin is het mannetje, de kirkaion. De herfstalruin het vrouwtje, de kirkaia, de tovenaar en toveres. Om deze reden noemde Plinius deze plant dan ook Circaea. (zie Circeae en Allium) Lobel; ‘ En men heeft hier voortijds gehouden en geloofd dat dit kruid grote macht had om te doen lief hebben die ook Circaea genoemd wordt naar de toveres Circe die dochter was van de zon die het gevonden heeft’.

Dodonaeus (d) ‘Het eerste geslacht, Mandragoras mas, dat is Mandragoras mannetje, wordt van sommige ook Morion genoemd zegt Dioscorides, nochtans beschrijft hij elders noch een andere Mandragoras Morion die (zoveel als het uit de beschrijving blijkt) wel op het mannetje lijkt, maar in alle delen kleiner is dan die. Dit gewas heet in het Hoogduits Alraun Menlin, in het Nederduits ook Mandragora mannetje of witte Mandragora en ook alru en alrun of alruin mannetje, in het Frans Mandragora masle’.

M. officinalis is het mannetje en heet anchone: angstvoortbrengend, antimenion: middel tegen de maandstonden, arsen, aloitis: dwaaldragende plant, hyppophlomon, kamaros: kanker, morion: verleider, rhigaleos:  afschuwverwekker.

(e) ‘Het tweede, Mandragora femina, dat is Mandragora wijfje. wordt in het Grieks ook Melas Mandragoras genoemd alsof men zwarte Mandragora zei of anders ook Thridacias. In het Nederduits heet het en het ander Alraun weiblin, dat is alru, alrun, alruin of Mandragora wijfje’.

Mandragora autumnalis is het vrouwtje en heet xera anthe: rode bloem, thridakia: sla-achtige plant.

Dodonaeus (f) ‘Beide heten hier te lande ook eerdt-appel en dol-wortel met oneigen namen want de naam Terra malum is een eigen naam van varkensbrood’.

De vruchten heten Mala terrestria: aardappel, Mala canina: hondsappel. Engelse eart-apple, alruna en mandrake.

Dodonaeus (g) ‘ Mandragora is hier vroeger zeer gebruikelijk geweest en dat om de vreemde gedaante van haar wortel die (en vooral van het mannetje) groot is en wit en veel op de wortels van een radijs lijkt en in twee of drie delen gedeeld is die soms over elkaar groeien en veel lijken op het onderste lijf met de twee benen van een mens. Daarvan zeggen sommige dat het Man dragen en niet Mandragora behoorde te heten, immers naar die gedaante is het van Pythagoras Anthropomorphos genoemd geweest omdat die wat op een mens lijkt’.

Dodonaeus (h) ‘Men noemt ze in het Frans ook mande gloire, in het Italiaans mandragola, in het Spaans mandragula en mandracula, in het Engels mandrake en mandrage’.

Frans mandragore, mandagoire, mandragore, manda-gloire, main de gloire: gelukshandje, alrune, anthropomorphon. Verder Spaans mandracola of mandagula, Italiaans mandragora of mandragola, het mannetje mandragora maschia, het vrouwtje mandragola femmina.

Russisch adamo golova: Adamshoofd, de mandraak is even diep in de aarde verzonken als Adam, Chinees sjeng-seng: mensenplant.

In Duits Galgenmannlein, Geld-, Glucks-, Heckmannchen, Hexenkraut, Mandelwurz, Alron, Alrun, Alrunke in Holland, Araunl in Oostenrijk, Dilwurz, Dollwurz, Heinzelmannchen in Holland, Hundsapfel, Mandlwurz, Menschenbild, Pissendieb in Holland, pisdiefje, omdat ze uit het pis van de gehangene ontstaan zou zijn Unholdkraut, Zauberwurz, Manneken und Wibeken

De vrucht: Erdapfel, Hundsapfel, Schlafappel en Zauberwurz.

Alruin en heksen- of toverwortel.

 

Uit hortus eystettensis.

Gebruik.

Dat de mandraak ook de zwaarmoedige en melancholieke helpt gaat op Hippocrates terug, 460- 377 v. Chr. Zo wordt dit ook door de H. Hildegard vermeld: “De mandragora is warm en vaak wat waterig. Ze is uit de aarde geschapen waaruit Adam gekomen is en, vanwege zijn gelijkheid met de mens, woont in haar en behoort meer als andere kruiden tot de duivel. Daarom moet je die, nadat ze uitgegraven is, een dag en nacht in een stromende beek leggen. Dan verliest ze alle kwalijke eigenschappen en schadelijke stoffen die in haar is zodat ze verder voor toverij onbruikbaar wordt. Als iemand die gemoedstoestand heeft, dat die treurig en neergeslagen is dan zal die een mandraak, die in voornoemde beek heeft gelegen, naast zich in bed leggen dat die door het kruid gaat zweten en de hitte van het kruid in zich opneemt. Dan bidt hij tot de Heer’.

Zo was het gebruik vroeger. (141, 562) ‘Dan Dioscorides verhaalt er vele bijzondere krachten van die nochtans dit kruid niet alleen eigen zijn, dan alleen diegene die van haar slaap makende of verdovende macht veroorzaakt worden. Deze verdoving is in de schors van de wortels meer dan in haar andere delen blijkbaar. De appels of vruchten zijn niet zo geweldig in het werken want men zegt dat ze met peper en andere hete dingen gekookt of gebraden of anders bereidt als een spijs gegeten mogen worden.

Galenus zegt ook dat de vruchten enige hitte en vochtigheid in zich hebben, dan dat de schors van de wortels uitermate sterk van krachten zijn en niet alleen verkoelen, maar ook verdrogende worden bevonden.

Hetzelfde sap is ook goed gemengd bij de oogzalven om de pijn en weedom te verzoeten en van onder ingezet met een pessarium trekt het de nageboorte en dode vruchten af en verwekt de maandstonden. Het zaad gedronken reinigt de baarmoeder en met levende zwavel stopt het de rode vloeden van de vrouwen.

Een suppoost van dit sap gemaakt en van achteren ingezet laat goed slapen.

Olie van Mandragora laat slapen en verkoelt alle verhitting.

Wijn daar de wortels van Mandragora in geweekt hebben of in gekookt zijn laat slapen, verzoet alle pijn en weedom en is goed gegeven diegene die men enig lid afsnijden of branden wil zodat ze de pijn niet voelen zouden. Deze slaap makende kracht van dit kruid heeft gebleken in het land van Afrika. Want Maharbal, een veldheer van die van Carthago, die tegen wilde lieden oorlog voerde heeft dit gewas bij zijn wijn met menigte gedaan en als door vrees van hun te vluchten heeft hij hun die wijn met een groot deel van zijn bagage achtergelaten waardoor ze zeer blij werden en zijn van die wijn eerst dronken  en daarna slapend geworden. En zijn zo alle tezamen van dezelfde Maharbal overwonnen en verslagen geweest eer ze goed wakker mochten worden.

De appels van allerhande Mandragora alleen geroken laten slapen en daarom leggen sommige die achter hun oor als ze te bed gaan. Dan die ze te lang ruiken worden heel stom. Het sap er van ingenomen doet dat noch sterker. Hetzelfde wordt nochtans geprezen om jicht te verzoeten en de  ziekte van de zijden te genezen.

Men zegt dat de wortel van Mandragora het ivoor zacht maakt als dat zes uren daarmee gekookt wordt en dat men het alzo bekwaam maakt om daarin te drinken of er van te maken hetgeen dat men wil’.

 

Beschrijving: gilg3 De mandraak speelt ook een rol bij de verovering van Carthago. Omdat Maharbal de liefde van de LibiĎrs voor wijn kende vergiftigde hij de inhoud van een aantal wijnvaten met mandraak. Die liet hij in bepaalde plaatsen voor de stad liggen alsof ze in haastige spoed vergeten hadden. De LibiĎrs kwamen aan en zagen dat ze zich binnen de stadsmuren teruggetrokken hadden, vermoeid en vooral dorstig van de reis, dronken ze de wijn en vielen al gauw in een diepe slaap Die slaap was zo diep dat ze zelfs niet wakker werden toen ze daarna verwond en gedood werden. De artsen gebruikten daarna de merkwaardige eigenschap van de mandraak, die ze in de oorlog geleerd hadden, om zware operaties uit te voeren.

Gelijksoortig verhaal vinden we bij Julius Caesar en Hannibal. De mandragora diende bij chirurgische operaties en werd hiertoe met wijn gemengd waarvan, zegt Dioscorides, men drie bekers geeft aan diegene die gesneden of gebrand worden, dan vallen ze in diepe slaap en voelen geen pijn. Om de plant geschikt te maken voor verdoving bij operaties moet het gekookt worden of enige tijd laten rotten, volgens sommige voorschriften wel 60 dagen lang. De groene stinkende pulp die dan verkregen wordt kan zo gebruikt worden.

Volgens anderen werd de mandraak echter pas de eerste eeuwen na Chr. als verdovend middel bij operaties gebruikt. Plinius refereert aan de geur van de alruin als slaapverwekkend wanneer ze genomen werd voordat een insnede werd toegepast. Lucianus van Samosata spreekt over het gebruik van de plant voordat het brandijzer werd gebruikt. Claudius Galenus noemt de plant in het voorbijgaan in verband met haar macht om gevoel en bewegingen te verlammen. Isidorus van Sevilla zou gezegd hebben: "De wijn in de bast van de wortel wordt gegeven aan hun die een operatie ondergaan zullen opdat ze geen pijn zullen voelen in hun slaap." Ugone da Lucca, 12e eeuw, ontdekte een stof die, wanneer ingeademd, de patiĎnten in slaap brengt zodat zij tijdens een operatie geen pijn voelen; het is bekend dat hij hiermee de alruin bedoelde. Bij van Beverwijck worden in 1600 nog geen verdovende middelen bij operaties gebruikt, patiĎnten worden gewoon door sterke mannen vastgehouden of vastgebonden.

De bladeren worden gebruikt als pijnstillers op wonden en door sommige OriĎntaalse volken als tabak gerookt Alruinzaden werken reinigend op de baarmoeder en werd voor verlichting bij geboorte gegeven. Ook als hallucinerend middel

 

Heksenkruid.

Bij de oude Germanen noemden men alruinen de waarzeggende priesteressen die in witte gewaden met hangende haren blootsvoets liepen. De Weisze Frau voorspelde de toekomst uit het bloed van de gevangenen en kende de krui­den. Ook waren ze bekend in magische doeleinden en kosmische gebeurte­nissen. De krachten van de planten en waarzeggerij kenden bij de Germanen de vrouwen, de alruinen. Toen in de middeleeuwen de heksenwaan opkwam, was dit onbreekbaar met hen verbonden. Bij het indringen van het christendom werden de alraunen naar de duivel verwezen en van hen werden allerhande kwade praktijken verteld. De alruin was geen bovenaards waardevol wezen meer, het was een demonische plantendeel en zijn kruid werd onder een galg gevonden. Toen de laatste van de alruinen door de christenen als heksen verbrand waren, dezelfde kerk die nog altijd de datum van haar paasfeest bepaalt naar de loop van de zon en maan zoals voordien de alruinen deden, ging men onder alruin een weldoend onderaards wezen verstaan, een natuurgeest.

 

De heksen smeerden er hun lichaam mee in, samen met mengsel van de wolfskers, scheerling en bilzekruid. Atropine en andere alkaloēden kunnen dan ook via de huid opgenomen worden en zo verkregen de heksen hun reizen of trip. Als heksenwortel was het kruid ook bekend, het bezit van die wortel was al reden tot heksenjacht.

In 1630 werden er 3 vrouwen te Hamburg gedood met geen andere beschuldiging dan dat ze mandraakwortels in huis hadden. Men kan met een enkel doornappelzaadje al vliegen. De vrouwen kwamen in een toestand van hallucineren en van grote opwinding te verkeren. De hallucinaties waren dikwijls van erotische aard, zodat zij niet alleen op bezemstelen door de lucht meenden te vliegen, maar ook met de duivel geslachtelijke gemeenschap gehad hadden. De verschijnselen waren dermate indrukwekkend dat de vrouwen, onder druk en folteringen, het beleefde grif als waarheid erkenden. Maar mogelijk hebben de middeleeuwse heksen zichzelf al verbrand doordat ze twee zaadjes of meer van dit gif namen.

Onder het uitspreken van toverformules haalden ze uit de wortels krachten die ze in het eigen lichaam overbrachten. Daarbij verdwenen alle rimpels uit het gezicht, het kale hoofd werd weer met haren bedekt en in het ingevallen vlees met tandeloze mond  verschenen weer tanden als parels aan een ketting. Gelijk kromp de alruin in tot een onaanzienlijk klompje terwijl de grijsaard in een bloeiende jongeling veranderd was. Toch waren er wel gevaren aan verbonden. Als de toverformule niet goed uitgesproken werd dan ging het omgekeerd, dan trok de alruin de al grijnzende de levenssappen uit zodat die dik en bloeiend werd en de grijsaard binnen de kortste keren sterft.

 

Wortel.

Beschrijving: floraDe wortel had naar Avicenna de gestalte van een mens.

In de mythologie is de mandraak een wijszeggende en demonische geest of een klein half duivels wezen in mensengestalte die de bezitter rijk zou maken.

De plant is ook wat behaard en in sommige aangroeiingen zijn zelfs manlijke of vrouwelijke delen te herkennen.

De meeste schrijvers handelen bij deze plant meer over het bijgeloof door de vorm van de wortels.

De wortel heeft de vorm van een naakte mens, de vier worteltakken waren de twee armen en benen. De manlijke vormen bezitten een baard en zouden de mannelijkheid stimuleren, de vrouwelijke, die zeldzamer waren, werden met lange haren afgebeeld en zouden de vruchtbaarheid bevorderen. (De haren kwamen er wel bij doordat men gerst- of haverkorrels in de wortel drukte en kiemen liet)

Door de vorm van de wortels werd het in de loop der eeuwen met allerhande mythen omgeven. Op een titelblad van een manuscript van Theophrastus in de hof bibliotheek te Wenen staat een afbeelding van een zwarte hond met deze plant.

Om zijn magische krachten wat aan te dikken en zijn afkomst verborgen te houden zijn de meest fantastische verhalen ontstaan. Volgens Josephus lichten de bladen 's avonds op, maar als iemand ze wil plukken vliegen ze weg als dwaallichtjes. Om die reden noemden de Arabieren ze ook wel duivelskaarsen. Als de bloemen zich openen komen er roodachtige vlammen uit en dan stroomt er een sterke geur uit die je van zinnen brengt.

 

 Uit; Latinus 9333 of Tacuinum sanitatis.

(187A) Omdat de kracht van een tovermiddel altijd geacht werd groter te zijn naarmate het met meer moeite verkregen was, stond de alruin in hoge aanzien.

Men gelooft namelijk dat waar een maretak op een hazelaar of eik groeit, daaronder en zo diep als de maretak zich erboven verheft, een alruin aanwezig is.

"In de vallei die noordwaarts de stad omringt, is er een plaats genaamd Baaras, daar groeit een wortel van dezelfde naam, die een kleur als vuur heeft en 's avonds glinstert als de stralen van de zon. Men komt er moeilijk bij en rukt hem even moeilijk uit; want hij vlucht verder en blijft enkel staan als men vrouwenpis of maandstonden bloed er op gegoten heeft. Indien iemand hem aanraakt moet hij zeker sterven als men hem niet aan de hand, hangende draagt.."

(164) ‘Maar Aelianus in zijn 14de boek beschrijft twee soorten van Aglaophotis en de ene is zee Aglaophotis waarvan hij in het 24ste kapittel spreekt en de andere aard Aglaophotis die in het 17de kapittel beschreven wordt.

1. De Eerste Aglaophotis is een soort van Fucus of zeemos die aan de diepe zeeklippen plag te groeien en van grootte de Myrica of Tamariscus gelijk is met de vrucht of zaadbol van de heul die omtrent het begin van de zomer opengaat en ‘ s nachts een vurige en bijna glinsterende schijn van zich plag te geven, men noemt het Aglaophoris marina, dat is zeeschijn.

2. De andere Aglaophoris is een aards gewas en wordt anders ook Cynospastus genoemd wat op de dag onder de andere kruiden plag te schuilen, maar glinstert ’s nachts als een ster en wordt dan zeer gemakkelijk gezien door zijn helder schijnende vurige glans die ze ver en wijdt verspreidt. Deze tweede Aglaophotis, in het Latijn Terrestris Aglaophotis, dat is aardglans of aardschijn of Cynospastus is geen ander kruid dan onze pioen daar we nu van spreken, want, zo Apuleius betuigt, de zaden of kernen van de pioen schijnen en lichten ‘s nachts als een kaars en plegen gewoonlijk ‘s nachts van de herders gevonden en uit de aarde gerukt te worden en uit de wildernis gehaald daar ze groeien. Voorts zo schrijven Theophrastus en Plinius dat men hier vroeger plag te gebieden dat men de pioen ‘s nachts zou plukken. Wat Achanus van zijn Aglaophotis ook verzekert.

 

 

 

Beschrijving: kronfeld1Dan zo het schijnt wordt deze aard Aglaophotis van Josephus, de schrijver van de Joodse oorlogen in het 25ste kapittel van het 17de boek Baaras genoemd naar de plaats daar ze veel gevonden wordt. Wat opmerkelijk genoeg blijkt als men hetgeen dat Achanus van zijn aardse Aglaophotis of Cynospastus schrijft met hetgeen dat Josephus van zijn Baaras verhaalt tezamen brengen en overwegen wil. Want Aelianus schrijft dat de Cynospastus of aardse Aglaophotis niet zonder gevaar en angst uit de aarde getrokken wordt en dat een die dat kruid niet goed kent en dat aanraken of uitrukken wil er van gestorven is en daarom, zegt hij, als men dit uit de aarde halen wil moet men ‘s nachts een teken of stok in de aarde bij zijn wortels steken en daarna moet men aan die wortels een hond met een touw of sterke koord vast maken en de hond door de reuk van gebraden vlees van die plaats lokken op zo’n manier dat hij de hete reuk van dat vlees in de neus heeft en met grote haast en geweld de wortels uit de aarde rukken en gans uithalen zal. Hetzelfde schrijft Josephus van de Baaras ook en zegt dat het omtrent de avond als een ster of glinster blinkt, maar dat het van diegene die er bij komen nochtans niet gemakkelijk uit de aarde gehaald kan worden, maar dat men daar vrouwenpis of bloed van hun maandstonden over moet gieten of dat men daar een hond aan moet binden die eerst de aarde rondom los graaft en weg trekt en zo de wortel wat los maakt en dat het dan uit de aarde gerukt kan worden wat anders zeer moeilijk en gevaarlijk om te doen zou vallen. Josephus schrijft: (679) ‘Ook is er in het al dat ten noorden van Macheron ligt een plaats, Baaras genaamd, waar een plant groeit van dezelfde naam die op een vlam lijkt en een schijnsel geeft als de zonnestralen. Diegenen die het aanraken sterven op staande voet. Het beste middel derhalve is om het te krijgen door rondom de wortel te graven totdat hij geheel bloot is waarna men er een hond aan vast bindt en die wil zijn meester met alle geweld volgen waardoor hij die uit de grond trekt en onmiddellijk sterft. Maar dan kan men het zonder gevaar pakken. Niettegenstaande het gevaar van deze plant wordt ze echter van velen zeer begeerd want ze drijft de duivels die geesten zijn van goddeloze mensen uit de lichamen wanneer men die bij bezetene brengt die zonder dat hulpmiddel anders om het leven zouden raken.’

‘Maar al deze dingen die Josephus en Aelianus van dit kruid schrijven zijn enkele en louter ijdelheden en heidense razernij, want men kan de wortels van de pioen zonder enige moeite of gevaar te alle tijden en stonden, hetzij ‘s nachts, hetzij op de dag uit de aarde halen. Daarom is ook niet minder voor ijdel en bespottelijk te houden hetgeen dat Theophrastus en Plinius van de pioen schrijven dat men ze ‘s nachts behoort te plukken omdat (zo zij zeggen) dat als iemand die wortel op de dag zou uittrekken dat het door de vogel Picus Martinus gezien zou worden en die mens zou in grote nood zijn om zijn gezicht te verliezen en indien hij de wortel wilde afsnijden dat hij gemakkelijk met de zinking van de aarsdarm gekweld zou worden.

Dan het behoeft ons niet vreemd te lijken dat men zulke flauwekul ijdel bijgeloof en ongoddelijke ceremonies in de boeken van de zeer oude schrijvers plag verspreidt te vinden doordat er vele dingen in oude tijden versierd zijn geweest tot stoffering en ijdele opgeblazenheid en onwaarachtige beroemen van de kunsten zoals Plinius zelf betuigt die van de Egyptenaren en meer andere diergelijke bedriegers en goochelaars spreken waarvan een groot navolger geweest is een dokter die Andreas heette en die, zo Galenus schrijft, vele flauwekul en ijdelheden, ja goochelarij in de geneeskunst heeft gebracht tot grote schade van de zieken en verachting en schande van de medicijnmeesters en verachting van de jonge leerlingen die daarom van dezelfde Galenus niet zonder reden vermaand worden om zich van zulke leugens en versierde ijdelheden te wachten en diergelijke boeken niet te lezen.’’

De mandraak zou dan ook alleen maar daar groeien waar een onschuldig man gehangen was en ontstaan zou zijn uit zijn laatste zaaduitstorting. (bij vermoorden en om zelfmoord voor te spiegelen gebeurt dat niet) Bij het graven moest de graver met zijn gezicht naar het westen zich achter de mandraak plaatsen en er driemaal met zijn zwaard omheen gaan. Hierna kon begonnen worden met graven, echter zonder de wortel aan te raken. Door de vorm van de wortel werd verondersteld dat het een kabouter of een ander mysterieus wezen was die bij aanraking die verschrikkelijke gil zou laten horen. Voor het uittrekken werd dan een zwarte hond genomen die met een touw om de staart gebonden de wortel eruit trok.

Vele gevaren bedreigen hem: "Mandragoras ostendit similitudinem feminae et dicitur, qui eam eradicit, non posse vivere".

Of dat het groeide onder een galg en door een alwetende vrouw onder zekere bezweringen uitgegraven werd in de tijd van de zonnewende en het laatste maandkwartier, dan klinkt alleen nog maar een klagend gejank uit de bodem van de bezworene op. De alwetende vrouw neemt de wortel in haar armen en zie, de wortel strekt zich reeds, ze draagt het naar huis en zet het op een bed. Maar hoe ziet het er uit. De haren vallen lieflijk naar beneden als een mensenkind en daar verschijnen borsten op het vreemde lichaam. Als vervanging voor de ogen steekt de vrouw een paar jeneverbessen op die betreffende plaats, die bessen worden al gauw echt, niet ovaal maar rolrond. Sinds de vrouw eenmaal de vreemde vorm uit de weerspannige aarde heeft gehaald en het vormsel leven heeft gegeven hangt het met lijf en ziel aan haar, ondanks dat het qua grootte met een driejarig kind vergeleken kan worden. Als ze verzuimt om het schepsel te baden huilt het zo luid en verschrikkelijk dat het niet om aan te horen is. Daarbij moet het in onvermengde en zuivere wijn gebaad worden. Uitgewassen tekent het wezen zich in zijn ganse duivelse boosheid. Daar springt het over huizen en daken, een angstige bewoonster achterlatend, om haar zorgen lachend en honend, dan weer vertoont het in de schoot der aarde een verborgen schat die de vrouw uitgraaft en haar met rijkdom overspoeld. Maar aan deze rijkdom hangt een hellevloek, ze wordt niet gelukkig in het bezit, het geld brengt onvrede, ja moord en doodslag in haar familie, haar vader sterft wegens hoogverraad, haar man en haar broer vechten tegen elkaar om de alruin, die om haar tranen spot, het brengt haar met zijn duivelse streken tot waanzin zodat ze tenslotte onder dezelfde galg haar ziel uitsteekt.

Symbool van kwaad, verschrikking.

Overigens schijnt de alruin, en dat schijnt het oudste karaktertrekje geweest te zijn, als een goeddoend wezen voor te komen, het werd veel in huizen opgehangen om hen te beschermen.

 

Beschrijving: kronfeld3Magische krachten.

(187A) Na de ceremonie van het opgraven kon het vastgepakt worden. Uit die wortels sneed men Mannetjes, Heksen, Goud‑Galgen‑Aard of Alruinmannetjes die in kastjes op geheime plaatsen werden gezet. Ze werden hieruit gehaald als hun magische krachten, als waar te zeggen, eeuwig leven, schatten zoeken of liefde en geluk nodig waren.

Zo werden ze bij keizer Rudolf II, 1576-1612,  bij de maaltijd gehaald, eten en drinken voorgezet en op zondagavond in wijn en water gewassen en met volle maan in nieuwe kleren gestoken. Ze zijn nog te zien in de hof bibliotheek van Wenen. De grote wortel heet Thrudacia en geldt als het mannetje, de kleinere draagt de naam Marion. Beiden hebben roodzijden hemdjes aan en werden in vroegere tijd in kistachtige kastjes bewaard waar ze door de keizer als huisorakels geraadpleegd konden worden.

Dat de alruin kan kreunen als men ze uitgraaft gelooft men ook in Engeland. Ben Johnson (Masque of Queens) laat een heks die de mandraak verzameld had, zeggen:

"De laatste nacht lag ik heel alleen

Op de grond om de mandraak te horen kreunen

Ik plukte hem, ofschoon hij zeer diep groeide

En, toen ik klaar was, kraaide een haan".

(187A) En in ’t tweede deel van Faust laat, in de eerste acte, de dichter Mephistopheles zeggen;

Da stehen sie umher und staunen

Vertrauen nicht den hohen Fund

Der eine faselt von Alraunen

Der andre von dem schwarzen Hund’.

Vondel, De Heerlijckheyd van Salomon;

Hier danst een ouwe baas met zijn mantel lang

En bruingrauw stijl omgordt met een blauwe adderslang

Die knaagt haar kronkelstaart en kunstelijk ik bespore

Ruit, vuurkruid (witte nieswortel) en komijn, alruin en mandragore’.

 

Jeanne d'Arc zo zo'n alruin bezeten hebben en er "haar militarisch toverwerk" mee verricht hebben. In haar verhoor is er sprake van Mandragora en, zo als men weet, werd de ongelukkige Heks veroordeeld en verbrand! Thans wordt de Jonkvrouw van Orléans door Rome heilig verklaard".

In de 17de eeuw woog het kruid tegen goud op.

 

De Fransen maakten uit de naam mandragora, main de gloire: geluks­handje. Leg je een geldstuk naast een main de gloire dan vind je men er de volgende dag twee. Het Duitse Geldmannchen, in Wenen zegt men van iemand die geluk in het spel heeft: ‘Der musz Alraun im Sack hebben’

Omdat de plant op onze gronden niet groeit werd hiervoor de inlandse wortel gebruikt als dat van Bryonia, soms van Arundo, Iris pseudoacorus, Allium victorialis, Potentilla tormentilla en Gentiana lutea. Tegenwoordig zijn ze niet meer te verkrijgen en wordt meestal Scopolia carniolica gebruikt.

 

Uit Gart der Gesuntheit.

Voor de oude kruidenkamers was dit het duurste middel dat ze te bieden hadden, soms 60 thaler voor een wortel, en dan was er nog de twijfel of het een echte was. Alleen zekere handelaren hadden de roep echte alruinen te leveren. Ze verkochten ze meestal in hout gesneden en met zijde gevoerde kastjes en verhaalden daarbij bijzondere verhalen om de prijs hoog te houden. Het wijfje zou men een uit reine rode zijde gemaakte en het mannetje een zwart hempje aandoen maar nooit, never met een mes eraan prutsen. M. Teenstra, 1795-1864, beschrijft dat er in de provincie Groningen boerinnen zijn die door over- en aanerving alroentjes bezitten die ze in het kabinet voor het linnen geplaatst hebben en dat ze gewoonlijk bij bijbels en zilveren krappen en pauwveren staan. Sommige vrouwen bewaarden zulke wortel in een fraaie en antieke doos als een talisman, omdat hij de duivel uit het huis houdt en er geluk brengt, zou ook de vrouw vruchtbaarheid brengen.

 

 

 

Uit MS. Ashmole, Pseudo Apuleius Herbal, 1070-1100.

Erotische bessen.

De bessen bezitten een aparte geur, ze zijn slaapverwekkend en werden door de Arabieren wel gegeten. De bessen bezitten een krachtig erotiserende werking, het effect is alleen in verschillende jaargetijden verschillend. De vruchten zouden wellust of vruchtbaar maken, reden om ze in de oudheid als liefdesdrank te gebruiken. Ook H. Maundrell vermeldt dat ze gebruikt werden om te hulp te komen bij zwangerschap, waartoe ze onder het minne bed gelegd werden.

Door de Arabieren worden ze duivelsappels genoemd omdat ze hen opwinden en stimuleren, zelfs tot krankzinnigheid aan toe, vandaar de naam appels van Jan (Kwade geesten) luffČh of beid el-jinn betekent eieren van de geest, (djin). De bewoners van die landen menen nog steeds dat zij de vruchtbaarheid bevorderen en een opwekkende werking bezitten.

 

 

Bijbel.

Genesis 30: 14-16 ‘Toen Ruben in de dagen van de tarweoogst naar buiten ging, vond hij op het veld liefdesappelen, die hij aan zijn moeder Lea bracht. En Rachel zei tot Lea, ’Geef mij toch enige van de liefdesappelen van uw zoon. Maar zij zei tot haar: Is het niet genoeg, dat gij mijn man genomen hebt? En nu ook nog de liefdesappelen van mijn zoon nemen? Rachel zei ”Daarom mag hij vannacht bij u liggen voor de liefdesappelen van uw zoon. Toen Jacob des avonds uit het veld kwam, ging Lea hem tegemoet, en zei, Kom bij mij, want ik heb u eerlijk gehuurd voor de liefdesappelen van mijn zoon. Daarom lag hij die nacht bij haar. En God hoorde naar Lea; zij werd zwanger en baarde Jacob een vijfden zoon’.

Hooglied 7: 13 ‘De liefdesappelen geven hun geur’.

Als liefdesappel van de oudheid lijkt het de enige echte. Ze zouden de liefdesappelen geweest zijn van Genesis 30: 14/16, die zoveel waard waren dat Rachel in ruil daarvoor haar man aan haar zuster uitleende. Sommige vertalingen van de Bijbel vertalen, דודאים (děwôdčym, dudaim; ’liefdesplant, dan ook direct als mandraak. (187A) De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, heeft voor het Hebreeuwse dodaim, mela mandragoroon, of mandragora vruchten. Die vreemde handel tussen 2 vrouwen had de verwachte resultaten, ze ontving en baarde een zoon, Jozef.

Dit woord zou ontleend zijn van de stam dud, wat liefkozen of liefde betekent. Het woord zou verwant zijn met het Hebreeuwse woord voor liefde bedrijven zoals in Ez. 16:8 voor komt. De dudaim van de HebreeĎrs zou gelijk zijn aan de jabruchin van de ChaldeeĎrs. Ofschoon niet inlands in Egypte, werden vruchten gevonden in de tomben van Tut Ankh Amun en er zijn er gevonden die op regelmatige afstand geplaatst waren, wat dat betekent is onbekend. Een Egyptisch reliĎf van Echet‑Aton, 4 eeuw v. Chr., toont een koningin die een alruinplant vasthoudt. In de Eberspapyrus vind je zeven recepten waarin de mandraak voorkomt.

De Griekse vertaling van het Oude Testament geeft het woord mela mandragoroon weer: de vrucht van mandragora. In het Hooglied 7: 13 wordt de dudaim als een sterk riekende plant vermeldt.

Toch kan je je afvragen waarom Rachel zo'n hoge prijs betaalde voor een plant die daar zo veelvuldig voorkomt? Linnaeus dacht nog dat het Cucumis dudaim, L. was.

 

Over de soort mandraak die in de Bijbel gebruikt werd zijn dan nog enige twijfels. De herfstmandraak heeft dan nog niet voldoende kracht in zijn wortels om als liefdesappel te dienen. Of heeft hier ook de bes gediend waarvan een sap getrokken wordt die wel krachtig is?

 

Libido verhogend effect.

Lehane vermeldt dat de familie van de nachtschadeachtige een vernauwing van de bloedvaten veroorzaken, wat een libido verhogend effect zou hebben. De plant veroorzaakt dan ook een korte periode van opwinding, waarin de hartslag versnelt, de temperatuur stijgt en duizeligheid optreedt. Dit zal gestimuleerd zijn door de roesverwekkende werking van deze nachtschadeachtige. Tussen de roesverwekkende en dodelijke werking liggen slechts graduele verschillen.

 

De wortel werd wel als een soort gelukbrengend amulet om de hals gedragen van Duitse meisjes. Zo was ook het gebruik in de tijd van Henry VIII, 1509. Als geluksbrenger gaf het de jongen onweerstaanbare krachten, vandaar de naam Mannenstreu. Liefdesdranken werden uit de wortel bereid, het hief onvruchtbaarheid op en bracht de gunst van de rechters  als het onder de rechterarm gedragen werd.

De liefdesdranken zijn feitelijk aphrodisiacaea, middelen om de geslachtsdrift op te wekken. Ze zijn in de romantiek bedoeld om iemand tegen zijn wil in liefde te doen ontvlammen voor de schenker of schenkster van de drank. Men herinnert zich slechts hoe Brangaene aan de van de dorst smachtende Tristan en Isolde, bij vergissing, de drank schenkt die bedoeld was om bij de ontmoeting van Isolde met haar toekomstige gemaal, Koning Mark, een rol te laten vervullen. Men kent de gevolgen. Zie Chretien de Troyes schitterende liefdesdrama Tristan et Iseut en Wagners muziekdrama. Zie de frivole poĎzie van de Fransen, La Fontaine's "La mandragore", bij de Italianen Machiavelli's lustspel "La Mandragola".

De Fransman roept” Mandragora charmee, fais que je suis aimee”.

Van Beverwijck: ‘’Maar zover is het zeker dat de kettingen, ringen, karaktertekens, briefjes en andere duivelse middelen of ook kruiden en minnedrankjes liefde tot zekere personen zouden verweken (zoals ze wel in het algemeen geilheid teweeg kunnen brengen) dat ze in plaats van liefde vaal dulligheid en de dood zelf veroorzaken. Zo dat de poĎet Ovidius goede raad geeft in de kunst van het minnen:

‘ Verhoedt u, zoete jeugd van alle minnedranken. Vandaar komt razernij en alle boze vertakkingen’.

De keizer Cajus Caligula is van een minnedrankje dat door zijn vrouw Caesonia ingegeven werd, zo slecht bekomen dat hij na die tijd nooit aan geest, noch aan lichaam gezond was, maar altijd verdwaasd bleef zodat een tovenaarster, zegt Josephus 19 Ant., de gehele wereld veel verdriet aangedaan heeft.

Cornelius Gallus die ten tijde van keizer Augustus gouverneur van Egypte was werd door dergelijke drankjes heel razend en buiten westen.

De poĎet Lucretius die zoiets ook van zijn huisvrouw Lucilla ingenomen kreeg is in z’n razernij geraakt dat hij zichzelf doorstak.

Lobel: ‘de naam van de Mandragora was Circaea en bij avonturen worden beide gebruikt in minnedrankjes gelijk Dioscorides van de Mandragora schrijft, te weten van die minnendrank met de welriekende koudheid die een wonderlijke en zeer sterke en natrekkende kracht heeft om liefde en vriendschap tussen twee personen te vestigen’.

 

Uit J. Weinmann.

De liefdesdranken bevatten vooral Doornappel en Mandragora. Ze verhogen de geslachtsdrift met uitschakeling van de ordenende wilsfunctie, zodat de vleugels van het morele overwicht op die driften gevierd worden.

In the Wife of Bath's prologue verhaalt Chaucer in zijn Canterbury Tales, 1387, over een liefdesdrank:

"Lucia, likerous, loved hire housebonde so

That, for he sholde alwey upon hire thynke

She yaf hym swich a manere love-drynke

That he was deed er it were by the morwe,(:morgen)

And thus algates housbondes han sorwe". (Ja, zo had ze zorgen)

 

Romeo en Julia.

Als slaap- en dodelijk middel wordt de mandraak gemeld door Shakespeare in Othello III, 3, 330;

"Not poppy nor mandragora

Nor all the dowsy syrups of the world

Shall ever medicine thee tot that sleep

Which thou owedst yesterday".

II King Lear VI, III, 2,310;

"Kill, as doth the mandrake's groan". De appels zijn, met wijn, gebruikt als slaapmiddel.

 

Zeer uitvoerig beschreef Apuleius in zijn Metamorfosen de daden van een gifmengster. Hier zou een jonge man vergiftigd worden, de arts weigerde om een dodelijk gif te geven en gaf daarom een slaapmiddel uit alruinwortel dat voor enige tijd een de dood zeer gelijkende slaap voorstelde. In Shakespeare 's Romeo en Julia komt dit ook voor en had dit mogelijk van Apuleius overgenomen. Shakespeare was bewust van de krachten en mysteries van de mandraak, Juliet, bij haar angstig ontwaken in de grafkamer roept uit:

"Alack, alack! is it not like that I Wee , wee mij, is het niet waarschijnlijk dat

So early waking, whith loathsome smells Ik, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bij

And shrieks like mandrakes totn out of the earth". Gekrijs als van alruinen, de aard ontscheurend.

The living mortals hearing them run mad Dat levenden, die ’t horen, zinloos maakt

O! if I wake, shall I not be distraught, O, zal ‘k ontwakend, niet verbijsterend zijn

Environed with all these hideaous fears?". Omringd van al die aak’ligheid en schrik’.

Het gekrijs van de mandragora, de waanzinnig makende kreet als de alruin uit de grond getrokken wordt.

Zie ook Antonius and Cleopatra I,5,4 en Othello III, 3,330; Shrieks like mandrakes' torn out of the earth."

De geruime tijd inslapende, maar niet dodende middel speelt overigens ook een rol in Sneeuwwitje en Doornroosje.

Je kan je nog afvragen of de wortel tot dit bijgeloof gestimuleerd had, maar dat de werking van de zaden uitging, een werking die het bijgeloof vergeten had.

 

Vergetelheidsdrank.

De mandraak is een van de oudst bekende narcotische middelen. Zijn identiteit is zonder twijfel, hoewel het kruid eeuwen lang in mysteries en magie gehuld was. Shakespeare was wel bekend met zijn mysteries.

Moord en kwaad waren synoniem met de mysterieuze wortel, als Suffolk antwoordt aan Koningin Margaret, in het tweede deel van Henry VI,  roept:

“A plague upon them! Wherefore should I curse them?

Would curses kill, as doth the mandrake’s groan,

I would invent as bitter-searching terms

As curst, as harsh, and horrible to hear...

As lean-fac’d Envy in het loathsome cave”.

Het was een plant van haat en liefde.

Uit deze planten, Solanaceae, werden toverdranken gebrouwen die zelfs de dood konden brengen waardoor de mensen zeggen “hij heeft mandragora gekregen. Het kruid is een echt vergetelheidsdrank “ Geef me Mandragora te drinken” zegt Cleopatra (Antony and Cleopatra. 1, 5)..dat ik de tijd verslaap als Antonius weg is.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/