Middeleeuwse woorden, verklaringen.

 

Deze woorden zijn nogal veranderlijk, zelfs bij een schrijver wisselen ze. C en ck, y of i, u of uu, s of z etc. Lees de tekst dan eerst goed of beter, schrijf het over en maak aantekeningen, dan kom je in de geest van de schrijver en heb je op het eind deze tekst niet meer nodig. De planten worden niet uitvoerig beschreven, daar zijn boeken genoeg van. Na mijn aantekeningen volgt het middelnederlands woordenboek van J. Verdam uit 1911. Uit; http://www.dbnl.org/arch/verd003midd04_01/pag/verd003midd04_01.pdf#page=7

 

 

Klik hier voor Nederlandse plantennamen.

Klik hier voor Latijnse en Griekse plantennamen.

Klik hier voor persoonsnamen, jongens en meisjes namen.

Klik hier voor plaatsnamen en hun betekenis.

Klik hier voor dieren:

Klik hier voor namen van mineralen en edelstenen.

 

I, tot 10, I, II, III, IV, V, VI, VII, VIIII, IX X, L: 50, C: 100. M is 1000.

Loumaand, lou maent, is januari, sporkele, sprockel, is februari, lentemaand is maart, grasmaand is april, bloeimaand is mei, braakmaand, braeckmaent is juni, hooimaand is juni, hoymaent, ook wedemaand, oogstmaand is augustus, fruitmaand is september, wijnmaand oktober, november is de slachtmaand, december wintermaand.

 

Span is 17cm, dat wat gespannen wordt, afstand tussen pink en duim van de gespannen hand.

Palm, van Latijn palma, naar de gelijkenis van een palmblad, afstand tussen de toppen der middenvingers met strekte armen,  is ca. 8cm.

Cubites, cubitus of cubiet, van Latijn cubitus; ellenboog, is 46cm of anderhalve voet, is ca. 6 palmen.

El of (je) ellenboog is 68-70 cm, is ook vadem of zijwaarts gestrekte arm, 198cm, kon dus varieren. Vanaf de 17de eeuw werd de Egelse vadem van 183cm gebruikt.

Een pas is 74cm. StadiĎn of stadium is 148cm. Een stadia of stadium bevatte 125 schreden of passen, 1490m: 1 mijl = 1000 schreden = Romeinse mijl. (1000 x 2 x 74) De Hollandse mijl  was 5600 el; 2380cm. Engelse of geografische mijl is een 1/15 graad van de grote cirkel op aarde, 5280 voet, is 1.609344m. Mijl van Latijn milia, meervoud van mille passuum; 1000 Romeinse dubbelpassen. De mijl van 1000 schreden is de Romeinse maat, is  4860 voet, is 1.43856m.

Voet is 29,6 cm.

Duim is een 2.54 cm, je duim, is een Engelse inch waarvan 36 een yard of Engelse el maken, 91.44cm.

Lb of pond, van Latijn pondo, verwant met pendere; doen hangen. (aan de weegschaal) Van een pond zilver werden een vast aantal penningen gemaakt en zo werd het ook een munteenheid. Dokters pond is 376, 4 gram, een pond van de kooplieden bestaat uit 16 ons, is 23, 5 gram, bij dokters bestaat het uit 12 ons, is 31, 2 gram, per stad verschillend. Pond is drie drachmen, is 3,9 gram. Een drachme bestaat uit drie scrupels, is 1, 302 gram. Een scrupel bestaat uit 20 greynen of greinen, is 0,065 gram of een gerstekorrel. 20 azen is ongeveer gelijk aan 1 gram. Pint is 5 a 6 deciliter.

I last is 27 mud. I mud is 4 schepels. 1 zak is 3 schepels

Maar de Rijmbijbel heeft hij het over een mijl van 16 stadiĎn, dus de onze, 2000 schreden groot.

 

Zie onderaan voor medische eigenschappen en verklaringen.

 

A.

Aalbes: aelbesyen.

Aalmoezen: alemosen.

Aanduiden, aanwijzen: bedieden.

Aangeraakt: aengerocht.

Aambeien: spenen, fickblattern, ambeyen, vijghpuysten, hemorroide.

Aanduidend, indicatief.

Aangaan: aengaen.

Aanhoudend; persistens.

Aanpassing; adaptie.

Aan te trekken; attahieren.

Aantrekkingskracht; affiniteit.

Aanval: assault, insult.

Aanvang: aenganck.

Aanvullend; complement.

Aanwijzen; indiceren.

Aanwijzing; indicatie.

Aanzicht: aensicht, antlisz.

Aard: aert.

Aars; anus.

Aardbei: aertbesyen.

Aardachtig: aertachtigh.

Aardrook: grisecom.

Aars: ers, aers, eerse.

Aas: aes.

Abdij: abdie.

Abt: abbete.

Abrikoos: abricots.

Achteruitgang; regressie.

Adem: azem, asem, aessem.

Aderen: arterien

Admiraal: ammirale.

Afbeelding: abmalung.

Afdrogende: afdroghende, afdroget.

Afgesloten: verhouwen.

Afkortingen: biediet.

Afgeschuimde: afgebloemt, afgescuymt, afghescuimt.

Afgrond: abisse.

Afleidend, revulsief.

Afnemen, declineren.

Afrika: Afrijcken, Moren landt.

Afschaven, velling: afscabling, gescaelget.

Africanus Constantinus, (1002-1087) Heeft door vertalingen van vele Arabische, oud klassieke en enige Byzantijnse geschriften aan de scholen van Salerno en Montpellier nieuw leven gegeven.

Aften, stomatitis: alcolaz, alcolam, puystkens in den mont, sonderlinghe den jonghen kinderen.

Afkooksel: afzietsel.

Afvegen, abstergeren.

Afwijkend; aberrant.

Agreste: van het veld of wild.

Ajuga: senegroen, ingroen.

Albucasis, Arabisch geneesheer uit de 10de-11de eeuw, vooral beroemd door zijn beschrijving van chirurgische instrumenten.

Allemaal hetzelfde: allevenleens.

Aller: alder.

Allerlaatste, ten slotte: alderlest.

Albaras, wit morfeem die vrijwel ongeneeslijk is.

Albucasis, Arabische geneesheer uit de 10de, 11de eeuw, vooral beroemd door zijn beschrijving van chirurgische instrumenten.

Albugiam, witheid van de ogen, wel staar.

Album grecum: dats honsstront.

Alchemilla: synnauw.

Alleen, alleenlick.

Alopicium, alopicia: uitvallen van haar.

Alsem: alssen.

Altaar: autaer.

Altijd: altoes.

Aluin: aluyn.

Amusement, batement.Ambt: ampt.

Alunir: zoute vochtigheid van vissen gemaakt als pekel haringsop.

Alzo: also.

Altijd: altijt.

Anders, el, nyeman el.

Andijvie: endivye.

Angst: anxt.

Animata is die het leven hebben.

Ans, eend: ende.

Ansjovis: anchoves.

Antimoon: antimony.

Ac v.jhgds part: bijsonderlijck.

Apostels 12: zwelfposten.

Apium: joffrouw merck, eppe.

ApuliĎ: Pouglia.

Arbeid, arbeyt.

Aristoteles, (384-323 v. Chr.) Griekse filosoof en metafysicus, schreef natuur- en geneeskundige werken.

Arm: arrem.

Arthetike is pijn in de gewrichten of leden.

Artisjokken: articiocken.

Artritis, artrose: artetike, is gewrichtsontsteking.

As: asschen.

Asperge: spargen.

Astma: asma, engborstig, aem of enghborstigheyt.

Auripigment, arsenicum: oripigment, rotte kruyt.

AziĎ: Asyen.

Azijn: eeck, eeckx, acetum.

 

B.

Baard: baert.

Baarmoeder: vulva: moyer, moijer, moeder, lijfmoeder, matrices of matrix.

Babylonie is in Egypte.

Bad: badt.

Baden: bayen.

Bajonet: peonjaert.

Bakkerij: backerye.

Baljuw: baliu.

Ballen: cullen, zwesers.

Balneo mariae, dat het in een vat heet water staat.

Balustia of balaustion, bloemen van granaatappel. Granaetappelen.

Bang: vervaert. Niet bang: onvervaert.

Barmhartig, ontverming: ontfermhertichste.

Barnsteen: amber, amer: emmer, glessum, electron. Amber grijs is amber, dierlijk.

Bast: rinden.

Bedaagd: bedaeght.

Bedenk: peynst.

Bedekkingen: coverturen.

Bedenking; obiectie.

Bederven: corruptie.

Bediende: seriant.

Bedriegelijke: bedriechteghe.

Bedwingende, stoppende: bedwinginghe, dats stipticiteyt-=stipticiteit= zuurachtigheid.

Begeerlijkheid: begherlicheit: appetijt.

Begiftigd: vergift, begavede.

Begint: beghint.

Beide: beyde.

Bekend: condech, kondich.

Bekleed: behangen.

Bekwaam: bequaem.

Belijden lien.

Beminnelijkheid: minlicheit. Beminnelijk: minlijc, minlijke.

Benaderend; approximaal.

Benauwdheid: benaeutheyt.

Beproefd, bewezen: geproeft, beproeven.

Bereid, klaar, bereet.

Besluiten: besluten.

Bernagie: bornaidze, bernaidge.

Beraad: baraet.

Beroerte, Multipe sclerose: geraecktheyd, dat is over alles onder het hoofd als ruggengraad en sommige leden en popelsy over het hele lichaam. Ook Apoplexie. Hersenbloeding heet geraaktheid of geraecktheydt.

Berouw: rew.

Besproeien: bespareyen.

Beschermkap: beckeneel.

Bestaan of doen: bestaen.

Bestrijk: bestrijct.

Bestuderen, doorzoeken: gronderen.

Beter: bat.

Betekenen: bedieden, bedien.

Betekenis, bedietselen.

Betonie: bottonie, betonye.

Beumigheydt, (van de tanden) houterigheid.

Beven: beefinghe.

Bever of castoreum.

Bevergeil: beverscullen, beverzijn, beversijn, dyascatorium.

Bevestigen, strijken: beseghen, consolideren. Toe te stemmen, bevestigen, consenteren.

Bevrijden: deliveren.

Bewegingen van het gemoed: affectus of affectiones.

Bezig het: beseg het.

Bijen: bien, ruthele.

Biechtvader: confessor. Biechten: bychte.

Biet: bete, beete.

Bijgeloof: superstitie.

Bij hem: bi hem.

Bijvoet: byvoet, bivoet

Bijzondere: sonderlinghe.

Bingelkruid: mercuriael.

Biscuit: biscuyt of tweeback.

Bitterheid: bitterheit.

Bitterzuur: amperechtegher, amperechteghen, amperheyt.

Blaren, apostomien, apostonien, apstonien. Blaren in de borst: apostomen in die borst, pleuresis= pleuritis, ontsteking in het ribbenvlies die Pleura heet en in die longhene: dats periplemonia= peripneumonie. Verzameling van etter in de borst heet empyema.

Bladeren: blayers.

Blaren: blattern, platern, bleynen.

Bleek: bleyck.

Blijven: merren.

Blindheid: blintheyt.

Bliksem: blixem. Bliksemt: vieroogt.

Bloed: bloet, bloye, bloijghen.

Bloedende of rode loop: bloyende lichaem, schoe. Bloederigheid: blodigkeit. Rotlauffen is rode huiduitslag.

Bloedzuiger: egels. Bloed laten door scherven is snijden in de huid en door koppen zetten, een warme koperen kop maakt het eronder gelegen gedeelte luchtledig waardoor er bloed uit de huid komt.

Bloed spuwen is emoptoicus.

Bloemen: blomen.

Bloem van lood, cerusen, blanketsel.

Boek: boecke, boeckx, boke.

Boekweit: boeckweydt.

Boete: puoz, puen, amende.

Boetedoening: penitencien.

Bok: boecx.

Bolus armenicus, dat is rode aarde: dats roye eerde.

Boodschap, boetscap. Boodschappers: messelgieren.

Boom: boem.

Boompje: boemle.

Boomgaard: bogaert.

Boomicheydt (der tanden) onzuiverheid.

Boosaardigheid: maledey.

Borst: amme, ammei of voedster.

Borstbeen: canebeen.

Bossen: bosschen, foreest.

Bosjes van planten, busselkens.

Boter of butrumi.

Boterbloemen: vlamkruyt of flammula, egelkolen, hane voet.

Braadt: breet.

Brandende, barrende.

Brandnetel: broenetelen

Braken: opwerpinghe.

Breekt: breect. breket.

Brei: bry.

Brein: breyn.

Breuk: scheursel.

Brieven: letteren.

Broeden: broeyen.

Bron: born, fonteyn.

Brouwt: brout.

Bruid: bruyt, bruyloft.

Buik: buyck, buyckx.

Buikwaterzucht: ascites.

Buikworm, swachtels zijn brede wormen

Buikloop: buyckloop of loslijvigheydt, geen stoelgang is hartlijvigheyt.

Buikloop: loslijvigheid.

Buiten: buten, buyten.

Buizen: aijeren

Burger: borger.

Bussen zetten bij bloedlaten.

 

C.

Caputpurgium, dat is een niespoeder om het hoofd te legen.

Cassia fistula, trommelstokken.

Catarre= licht slijmvormende slijmvliesontsteking.

Castreren: lubben. Gecastreerd lam heet hueken of hamel. Hedus: jong schaap.

Causam is een hete koorts rond het hart.

Cautery is met een gloeiend ijzer, brandende heelmiddelen.

Cerotum, ceroet of pleister gemaakt van rabarber en olie en was.

Chiromantie; eigenschap van de mensen door tekens in de hand te leren.

Chirurg: chirurgyn, van Grieks cheir: hand en ergia: werking of operatie.

Cholera: bort, boorts.

Christelijk: Kerstes.

Christus: Xristi. Christelijk: kersten. Christus: Kerst.

Cichorei: cicoreye.

Citroen: citrum, orangie, oraengy, limoenen.

Civet: zivet, sivet.

Cholericus =overvloed van vochtvermenging.

Coconidium, drankerszaad, van Daphne.

Colchicum is hermodactyli.

Os de Corde cervi, been ui het hart van een hert.

Cuscuta’ side op t vlas of wranghe.

 

D.

Daar: daer. Daar uit: dier uut. Daarna: dair nae. Daar het: daert. Daarom: daerom. Daarvan: daer af. Daartoe: dertoe.

Daardoor: midtsdien.

Dadel: daeyen.

Dag: daechs.

Dagelijks: dagelijcx.

Dan, want: wann.

Dank: danck. Dankbaar: danckbarich.

Dankbaar: danckbarich.

Dapperheid: vromigheyt.

Darmen: dermen, suyghaderen om de laatste overtolligheid uit te werpen, ydele der omdat hij altijd leeg is, slopderm of blinde derm om het duyster gebruik er van, kronckelderm heet Colon waarnaar colijk, koliek, of Colicompas genoemd is, van Latijn colica passio, eindigt in eyndelderm of rechte derm met een sluytspier.

Darmbreuk: carnofels.

Darmen: dermen

Datzelfde: dat self, dat selve.

De: die, den, dye

Deksels, bedekking, deckselen.

Deeltje: deleken.

Dennenappels: pineen.

Derdedaagse malariakoorts: terciane.

Dergelijke: derghelijke, diergeliken.

Desem: hessel.

Deugd: duecht, duuegt, doech, doget.

Deugdelijke, waardevol, redelijk: duegdeliker, deugdelijc.

Deugden: duegden. Deugdelijke: deuchdelijke.

Deuren: dueren, dore.

Deze: desen.

Diadrigium is klaar gemaakte scammonia: dyagridii, diadigrii.

Diafragma of middennerf: onderscot, dyafragma.

Die: dye.

Diegene: der gheender, den ghenen.

Dienaren: dieners.

Dieren: ghedierten.

Diergelijke: der ghelycke, dyergeliken.

Diezelfde: die self.

Diets, Duits: Dyetsche, Duytsche.

Dijbeen: dyebeen.

Dille: dyl.

Dingen: dinghen.

Diuretica is open verstopping van de blaas: diurticiem, is laten plassen.

Dode: doy.

Doe het: doeghet, doeget, douet.

Doek: doeck.

Doel: wit.

Dolle honden: verwoede honden.

Dolheid: dulligheyt, mania.

Dolk: fautsoene.

Domesticum zijn geteelde of thuis groeiende, hortulana, heimisch, heymisch.

Donderbaard: donderbaert.

Donderdag: donredach.

Donkerheid, blindheid: donckerheyt, duysternisse.

Doofheid: doofheyt.

Dooier: doyeren.

Door: doer.

Dorens: doerne

Dorheid: dorricheyt.

Draagt: draegt, draeght.

Draagbaar: orsbaer.

Draalde: merret.

Drachma, me, dragme, is 3,9 gram.

Drachten: droechten.

Drank: dranckx.

Drenken, tunken.

Driakel is zaad van raap.

Drie soorten, drierhande, dryerhande.

Drijven: driven.

Drinkt: drinckt.

Droefgeestige: melancolosen, swert humoer=melancholie: zwarte gal.

Droeg: droug.

Droesem of het dikke van: droessem.

Drogen: droeghen, droghende.

Droog: durr.

Dronk: dronckende. Dronkenschap: dronckenheit.

Droog: droeg, droeghe, droechten. Droger: droegher.

Druk: porsse.

Druppelen: trieffen, koude plas, pis, vaak met een steentje of ouderdom. Kalt Seich stamt van Frans chaude wat heet betekent.

Duidelijk: klaerlick.

Duidelijk meer; ongelijck meer.

Duisternis, blindheid: duysternis.

Duitsers: Duytschen, Duytschlandt.

Duivel: duvelie, duvels.

Duivelsdrek: duyvels dreck= asa foetida.

Duiven: duven.

Duizend: duysent.

Duizendblad, milie: mily, geruwe.

Duizendguldenkruid: santorie, eertgalle.

Duizeligheid: deuseligheyt.

Durven: derven.

Duur: dier.

Duurt: duert.

Duwen: douwen.

Dwaasheid: dwaesheydt.

Dyaforetica, diafreticum is dat het laat zweten.

Dysenteria: dissinteriam, diffenterias, dats velling der dermen.

Dysurie: diffurie: dats nu wat pissen ende over een ure noch wat. Furie is geheel niet plassen.

 

E.

Echte: rechte: oprechte.

Echtgenoot: quickgenoet.

Een: eenen. Eenmaal: enerwerven.

Eer: gome.

Eerste: ieste: ierste.

Eet: aet, eetinghe.

Ei: eye

Eigenschap: eygentheyt.

Eilaas: eylaes.

Eiland: eylant.

Einde: eynde, ende. Eindigt: eyndt.

Eierkoeken: struyven.

Eikel: eickelen, eyckel.

Eis: eysch.

Ellendige, katijd: kaytive, keytiven.

Elkaar: malkanderen.

Elke: een yegelijker. Elke: elcx. Elke keer: telker reysen.

Emperiginne is een smet in de huid met grote jeuk en scherpte.

Empetigen is een kwade soort schurft.

En: ende, uund, unn.

Engelen: ingele.

Enige: eeniger.

Enkels: encklauwen, versen, ferfene.

Enkelvoudige, simpele.

Eer: eere.

Eerste, ten eerste, ten yerste.

Eik: eycke. Eikels: eekelen.

Ekster: exters.

Eksterogen: exteroogen, naar het bruine vlekje in het midden dat op het zwart van een eksteroog lijkt.

Erg: fast, harde.

Ervaring: ervarentheyt.

Erwten: erweten.

Erysypelas: erispille, blaar van vuurachtige kleur, St. Anthonis vyer, Ignis sacer. Springend vyer, wilt vyer.

Es: esschen.

Ethyca is een veterende koorts.

Etterbuil,: abces.

Euvel: oevel, ovele.

Euphorbia: euforbij.

Evangelist: Euangelist.

Evenveel: allevenleens.

Excoriaties= oppervlakkige defecten van de huid.

Ezelskomkommer is Momordica

 

F.

Fabels: fabulen.

Fakkels: vackelen.

Fazant: phasanen.

Fijtnagees, nijnnahels.

Fijner: subtijl, subtiler, subtileren, subtiliseert.

Filipendula: geytenbaert, reynette.

Filosofen: philosphen.

Flauwekul: beuselinghen.

Flauwte: flaeute, onmacht.

Flegmones, dat sijn apstonien of puysten van heeten bloede.

Fornuis, over, fornays.

Foutief, bedrieglijk: bedriechlick.

Fluweel: samyte, sindalen.

Fontanellen die zo genoemd zijn omdat ze fonteingewijs hun vochtigheden uitgeven en worden in het vlees gemaakt of de huid wordt tussen de vingers opgetrokken en stijf geperst (wat het gevoel zo verdooft dat ik dikwijls gezien heb dat het werk volbracht is eer dat de zieke het gewaar werd) met een scheermes doorsnijden of door een caustiek.

Formicen: beten van giftige mieren: dats een cleyn puyste met ioecksel en grooter pijnen.

Fouten: feylen.

Fraaiste: fraeyste.

Fraaie: fraeye.

Frambozen: hinnebesyen.

Frankrijk: Vranckrijck:

Fransen: Francoysen.

Fruit: fruyt.

 

G.

Gaan: gaen, varen.

Gaat: gaet, porret.

Gal: colere, coleram, cholerisch. Licht geraakte: coloricis:

Galigaan: galegaen.

Gang: geer.

Gans: gente.

Gat: luegel.

Gaven, giften: mieden, gichte.

Gauw: haest, bald, scire, schier.

Ge: ghy, ghi.

Gebeden, gevraagd: ghebeden.

Gebrek: ghebrek, presten.

Gedaan: bestaen, ghedaen.

Gebeurt, gheschiet.

Gebreken: gebresten.

Gebruikt: besicht, besegh.

Gebruikelijk, oorboirlijk.

Gedaante, uiterlijk: ghedaenten.

Gedachte: pinsoen, pensee, peysende.

Gedeeld: gevacken.

Gedoogde: dogede.

Geheel: allenthalben.

Gedeeltelijke: deelechtige of parciale.

Gedijen: gedyen.

Gedronken: gedroncken.

Gedruppeld: ghedruupt.

Gedurig: geduerigen.

Geduwd: gedout, ghedout.

Geef: gevet, gheft. Gegeven: gegheven.

Geel: gheel. Gele kleur: gheel veru, komt van de lever. Milt heeft bruyne sucht.

Geelziekte, icter: gheel vrou, vrow of vrouw, gheelsucht, gelb, gilb.

Geest: spiriten, zielijck.

Gedroogde: gedroechde, gedroecht.

Gegeten: gheten, gheeten, geeten, geten.

Gehoond: ghenoent.

Geliefde: amijen.

Gelijk: ghelijck.

Gehele: geheels.

Geilheid: geylicheyt.

Geit: gheyt. Geiten wei, Gheyten wey.

Gekookt: gecoekct.

Gekonfijt: gheconfect.

Gekte: elsfsheyt.

Gekweekt: domestike.

Geleidelijk: allexcen.

Gelijke: gheliken, al te hant.

Gelegd: gheleet, gheleit.

Gelijk: ghelijck geluc.

Gelijkvormig: conformeren.

Geluid: geluyt, geluet.

Gemaakt: gemaeckt, gemaect.

Gemakkelijk, licht: lichtelijc. Gemengd: ghemingt, gheminghet.

Gember: ginber,, gengber, ghingebeers.

Gemoed: moet.

Genade: gratie.

Geneesbare: gheneselijcke.

Geneesheer: fisicine, fisike.

Geneigdheid: gheneychtheit, toeneighen

Genezen: ghenesen. Geneest: gheneest.

Genoeg: ghenoegh, genoech, ghenoch.

Genoeglijk: ghenuchlijker

Genoemd: ghenoemt.

Genomen: ghenomen.

Geneugte: genuchte.

Gentiaan: ganciaen.

Geordend: geordineert.

Gepijns: gepeys.

Gerookt: gheroeckt.

Gerst: geerste, ghersten.

Gerst met bronwater gekookt: ptisane.

Geschenk: schenckagye.

Geschiedt: ghescye, gheschyen.

Geschikt: bequaem.

Geschofffeerd: gesconfiert.

Geschreven: ghestrijckt.

Geslagen: gesleghen.

Gesmoord: gesnerckt.

Gesproken: ordinerede.

Gesteente: ghesteynten.

Geslacht: gemacht.

Gestoken: ghesteken.

Gestold: geronnen, gelebert.

Gestoten, gestampt: ghestoten.

Getal: ghetal, ghetael.

Geteeld, gekweekt: gheoeffent. Telen is oeffeninghe.

Getemperd: ghetympertlijc.

Geuren: vaporen.

Geur: smack.

Geurende: dufteneghe.

Gevangen: gevaen.

Gevangenis: prisoen.

Gewarmd: gewermt.

Geweekt: geweckt.

Geweld: gewout.

Gewijdt: gewyet.

Gewone, gewoonlijk: gewoenlijke, ghemeijnlic, gemeenlijck. Gewone, algemene: ghemeyne, gemeene, gemeyne, ghemeynder.

Gewrichten: juncturen, iuncturen.

Gewrocht: ghewracht.

Gezegelde aarde, silillum lemnium, in Lemnos was het beeld van de godin Diana gedrukt.

Gezegd: gesyet.

Gezegd: geseet.

Gezette: ghesette.

Gezicht: gesichte, ghesiechte, ghesichte.

Gezocht, geplukt: gelesen.

Gezoet: suet, gesuet, ghesuet, gesoet, suetet.

Gezonde: gesunde, ghesonden, ghesont.

Gezondheid: gesontheyt.

Gezuiverd: ghecleert.

Gezwellen: gheswil, gheswillen der oren dye ghandule heeten, =glandula parotis.

Gezwel aan de neus: polypus.

Gezwollen: gheswilder.

Gift: gichte.

Gij: ghi.

Glaasje, gleeskene: gelaeske, gheleesken.

Gloeiend: glyend.

Goed: wel, wol.

Goede: goy.

Gloed: prunst.

Goeds: goets. Goed: goet.

Goedheid: goetheit.

Goedertieren: goedertierlijc.

Gonorrhoeae: gomorream: dats dat men teghen sinen wil sperma of sijn nature quijt wort.

Goochelaars: gokelaers.

Gorgelen: gorghelen.

Gouden: gulden, guldijn.

Graag: gherne, geerne.

Graad: graet.

Graaf: graef, van graven.

Grap: jocken.

Gras; gars.

Gratie: gracie.

Grauw: graeuw.

Grieks hooi: fenu graecum, fenigrieck.

Grieks: Griex, Greco.

Grieks pek, colofium, ook wel warpout of walpotte wat verwant is met Frans galipot en stamt van Arabisch al-kal-bouth.

Griffel: griffie.

Grein, greyn is 0, o65 gram.

Groeien: wassen, wassende. Wassen is ook wast, wasschende.

Groef: frubel.

Grof: groffelijc, groffelijck.

Grommen: krimmen.

Grote: groote.

Grootste kracht: meester macht. Grootste en kleinste: meeste ende minste.

Gommen: gummen. Taaiheid: zaher.

Guichelheil: guychelheyl.

Gunnen: jonnen, ionste.

Gunstig, ionstigh.

 

H.

Haakjes, maillekens.

Haas: haese, lepus.

Haar: haers.

Haard: heert.

In haar: in hoer.

Hachelijk; periculeuse.

Halstarrigheid, obstinaetheydt.

Hand: hant.

Handgeklap: hantgeslach.

Hard: hart.

Hard gezwel: hart geswel, scirrhus.

Hardheid: hertheit, hartheijnen.

Haring: haringcxkens, gedroogd is bockent.

Harnas: haesberg.

Hars: herst, resin.

Hart, gemoed: core, cardia, hertpijn: cardialgia, hert.

Hartkramp: hert vank= Angina pectoris.

Havikskruid: havicxkruyt.

Hauwen, vrucht: haeuwen.

Haver: haber, wordt tot gort en grutten en bry gemaakt.

Hazenlip: scaertmunde.

Heb het: hebs.

Hechten: hefften.

Hedendaags: huydensdaeghs. Heden: huden.

Heeft: hevet.

Het heet: het heyt.

Heetheid: heetheyt.

Helaas: lacy.

Helen: heylen.

Heelt het: heelet.

Heemst: hoemsch, huemsch.

Heilige: heilger. Heiligdom: helechdom.

Heiden: heyden.

Helder, claer.

Helderheid: claerheyt.

Heilzaam: heylsaem.

Helemaal: zemal

Helleborus: elleborus, nieskruyt, vyercruyt.

Hemelrijk: hemelrijc.

Hen: hoen.

Heilige: heyliger, heylige, Heilge. Heilige Geest: Heyleghen Gheest.

Heilzaam: heylsaem.

Heimelijk: hemelike.

Herpes of hayrworm, Impetigo.

Hertstong: hertstonghe

Hete: heete.

Herders: hirten, schaffers.

Herfst: herrefst.

Herpes: Herpestiomus, herpestryanenum, is een knagende blaar.

Herstel: restoer.

Hertshooi: St. Jans kruyt, herts hoey.

Hersens: hersenen: hyrn.

Heup: hope.

Hier en daar: harentaer.

Hiernaast: hier beneffens.

Hik: hick, nock.

Hippocrates: Ypocryten.

Hitte: hette. Heyten.

Hoeken: houken.

Hoeveelheid, menigvuldigheid: menichfuldicheyt.

Hoefbladeren: houfbladeren, pestilentywortel.

Holipodrido, mengsel van allerhande vlees door elkaar voor koken.

Homo: verkouden, koude man, iemand die op vrouwen valt is vrouwelijk.

Hondsdraf: onderhave, onderave,

Holwortel: hoelwortel.

Hondsdraf: onderhave.

Honing: honich, hoenich of mel.

Hoofdstukken: partijkelen, partikelen.

Hoofd: hoefde, hope, hovet. Het hoofd: thoet.

Hoofdpijn: hoeftswer.

Hoofdzeer, schurft: grynt, grind.

Hoogmoed: hoeghmoet.

Hooi: hoey.

Hoovaardige: herevaerde.

Hoop: hope.

Hoornvlies: hoornigh vliesHorens: hoernen.

Houdt niet op: letter nyet.

Huig: huge, huych.

Hulp: behelp, behulpsel.

Humeuren of vochtvermenging, levenssappen: humoren.

Huid: huyt.

Huiduitslag: aussecigkeit.

Huilen: schreyen.

Huis: huse, huys.

Huisraad: allame.

Hun: horen.

Huur: huer.

Hydromel, honingwater: ijdromel.

HygiĎne: higiene, naar godin Hygieia.

Hypochondriaca is melancholie uit het ingewand.

Hysop: ysop, yspe.

 

I.

Ieder: yder.

Iedereen: een yegelijken, een yegelick.

Iemand: yemant.

Iep: olm: ypen.

Iren: Yren. Ierland: Irlant.

Iets: yet.

Ignis sacrum, heilig vuur: heylich vier.

IJdelheid: ydelheyt.

IJs: ys.

IJzer: yser.

Immer: ember.

Impetigo: huidbesmetting die ruw is, impetiginem.

Ik: ic.

IndiĎ: Indyen.

Infusie, vloeistof, ingieten, later gebruikt om in de aderen te brengen.

Insnijdend, inciderend, incideret.

Iris: yreas.

Is, ben: si, es, ees. Is het: eest.

Is het: eest.

Ichtyosis, huidafwijking, geschubde huid: ruwheid van het vel als impengo.

Ischialgie: sciaticam, sciacica: dats pijn in de hope.

ItaliĎ: Italyen.

Ivoor: yvore.

 

J.

Ja: iae.

Jaar: jaer.

Jaarlijkse: jaerlicksche.

Jaagt ze: jaegste.

Jaloerse: nijdegaaert.

Jalouzie: jalousie, yversucht.

Jeneverbes: geneverbesyen

Jeruzalem: Hierusalem.

Jeuk: ioecksel, jocksel, jucken.

Jezus: Jhesus.

Jicht: iecht, gicht, fleerfijn, fleerzijn, fleirfijn, flerecijn, arthritis, schiatica of ischias, gutta: druppel omdat het druppelvormig op de ledematen lekt, Franse goutte, Duitse zipperlee dat in de leden zippert. Podagra: voetgreep, is meer in de voeten.

Joodse. Joedsche.

Jonge: ionghe.

Jozef: Ioseph.

Jeugd: jonckheyt.

Judasoor, zwam. Vlieroor: Iudasoor.

Juffrouw: ioffrouwe.

 

K.

Kaakbeen: kaecxbeen.

Kaars: kaers.

Kaaswei: keeswey.

Kaas: kese of caseus.

Kabaal: samblant.

Kabeljauw: cabbeljauw, gezouten is abberdaen, gedroogd torsch of stockvisch.

Kalf: calveren, vituli.

Kalk: calck.Kalmijn of zinkerts: calmijn.

Kameelhooi: squinanti, kemels hoy, welrieckende biese.

Kameraden: cammeraets.

Kamer: kemenade.

Kamfer, canfer.

Kamperfoelie: memmekenskruyd.

Kan, vat: trifera. Drinkkan: roemer die ook santé heet.

Kanker: cancker, carcinomata.

Kanselier: cancelier.

Kapitein: capiteyn.

Kapittel: capittels, cap.

Kapoen: capoen, gecastreerde haan.

Karbonkel: kleine donkere blaar die soms met geel, rood of groenheid gemengd is als het heilig vuur: karbunkel.

Karel de Grote: Charlemagne.

Karnen: gekaernt: kaernemelck.

Kastanje: castanyen.

Kastijden: castien.

Katoen: cottoen, boomwolle.

Kattenkruid: cattencruyt.

Kaviaar: kaveaer.

Kauwpillen of koekjes: trochisci of kaeuw pillen.

Kauwoerden: couworden.

Keien: keyen.

Keizer: keyser.

Kennen: kinnen.

Kersen: kerssen en kriecken

Ketting: keeten.

Kikker: vorsken.

Kin: kinnebacken.

Klaar gemaakt: gedigeert.

Klaart op, verheldert: cleert.

Klaarheid: claereyt.

Klauwen: klaeuwen.

Klein: cleenlick, cleyn, cleijn.

Kleiner en groter, minder en meerder.

Kletsen: klappernyen.

Kleur, verf: veru, verwe, coloren. Doodskleur of bleekheid: Doy verwe

Klieren: clieren.

Klimop: veyl.

Klompen, houten schoenen; pattijnen.

Klonten: clonte.

Kloppen: cloppinghe.

Kloven: cliefinge.

Kluizenaars: cluysenaers.

Klysma: clister, clisteer, clysteer, clisterie.

Knagen: nagent

Kneuzen: knutsen.

KnieĎn: knyen.

Knieholte: hasen, haesen, vandaar loopt een ader naar de hiel, de wadenader.

Knipoog, sprietoog.

Koekoeksbrood: coecocksbroot.Knoesten, weeren.

Knoflook: driakel, drieakel.

Knoopachtig: cnoepechtich.

Knoken, ruggengraad: cnocht.

Koeienmest: koeye mis.

Koekje, coekelkine of trochisken.

Koeldranken heten juleb.

Koets: carine.

Kolen: colen.

Koliek: colica.

Kolokwint: coloquintida.

Komkommer: comcommeren.

Komijn: comijn.

Koning: coninck.

Koorts: corts, koortsche, van koren: walgen, febris, zage Duits Feber.

Komen: comen. Komende: comende.

Komijn: cumijn.

Komkommer: cucumeren.

Kooien: koyen.

Kooiker: koeyers.

Koperrod: coperroot.

Koraal: corael.

Koriander: kalander.

Kornoelje: cornoelyen.

Kornuit: kornuet.

Korte: corte.

Kostbaarheid: costelicheit. Kosten: cost.

Koud gezwel: koudt geswel: oidema, oedema.

Koud vuur: kout vyer, gangrena.

Koude, couder, coude, couwe.

Kozen: koren.

Kraaien: kraeyen.

Kraaienogen: egersten

Kraakbeen: geeroes.

Krabben, jeuken: krawagye.

Krachten: crachten, faculteyt, virtue.

Krachteloos: gheflaut.

Krachtiger: crachtiger.

Kracht: proprieteyt.

Kraakbessen: krake-besyen.

Kramp: spasmum of convulsie, krimpsel.

Kreeft, cancri: creeft.

Kreta, Candien.

Krijgt: criget, crijget.

Kroketten: koketten.

Krom: slim.

Kropzweren of koningszeer. Meliceris is een zweer met etter als honing. Steatoma is een spekzweer. Atheroma een papzweer.

Kruiden: cruiden, cruijt, cruyt, cruden, wurcz.

Kruidnagel: groffelsnagelen, gariofelsnagelen.

Kruidvlier: adeck, attich.

Kuch: kugh.

Kuisheidsboom: agnus castus, cuyschboom.

Kunstmatig; artificeel.

Kreupele: crepel.

Kruipende: crupende.

Kruid: cruyt. Kruidje: crudelijn.

Kruis: cruce.

Kunnen: connen.

Kunst: conste, konste.

Kussen: peluw, hoofdpeulen.

Kussen: cussen.

Kwaalt, lijdt: queelt.

Kwade, slechte: quade, quaet, quaije.

Kwaadaardig: quaedtaerdige.

Kwaal: qual.

Kwakzalver: quacksalvers.

Kwaliteiten: qualiteyten.

Kwam: quam.

Kwansuis: quansuys.

Kwant: quant.

Kwast; quispel.

Kwartels: quackels.

Kwee: quee, queen.

Kweek: quecke: ledt gras.

Kwellende: quellende, quellingen.

Kwetsing: quetsinge, quetsuren.

Kwijl: quijl.

Kwijt: quijt.

Kwikzilver: quicksilver.

Kwijlen; seeveren.

 

L.

Laat: spade.

Laars of beenbedekking; hose.

Laatste: leste: dleste.

Lachte: loech.

Lag: ghelach.

Lammeren: weeren.

Lan(c )franc, Lanfranck van Milaan was een der beste middeleeuwse chirurgie en vooral bekend als operateur, 1295 en later.

Lang: lanc, lanck, langhe.

Lans: glansien.

Lanspunt: trinsoen.

Lapis lazuli: lapide lazuli.

Latijn: Latin.

Lavendel: spijck.

Laurierbes: bayen, bakelaer.

Lauw: lau.

Leb, libbe.

Leeg: ijdel, ydel, idel.

Leden: leen.

Leger: heir, heyr, heer. Legerweg is heirweg tot herenweg.

Legeraanvoerder: coningstavel.

Legt: leghet.

Leidsman: leytsluyden.

Leken: laien.

Lelijk; onsiene.

Lenitas, zacht laxerende werking.

Leraren: leeraers.

Lethargie, slaapzucht: litargiam.

Leucolosleumancia is waterzucht van witte slijm die door het hele lichaam verspreid wordt.

Leugenachtige: logentlike. Leugen: logen.

Leuven: Loven.

Levermos: epatici.

Leverkruid: boelkenskruyt.

Lezen: lesen.

Lichaam: lighaen, lichaem, ook voor loop.

Lid: gleych.

Lieden: lien, lyen, luyden.

Lieflijk, liefghetal.

Lienterie, lientiria= ontlasting van onverteerde spijzen, vochtige loop is Diarrhoe en met bloed Dysenteria, los lijvicheyt.

Lijden: lyen, lien, lamenteren.

Lijnzaad: lizaet.

Lijn: linen, Linyen.

Ligplaats: legerplaets.

Liguster: keelkruydt: monthout.

Linnen: lijnen.

Lijkt me: duncket my.Likdorens: lijckdorens, lickdorens.

Likkepot: electuarium.

Linker: slincker.

Lispelen: lispen.

Litargiam: dats een apstonie achter in de hersenen.

Litergirium: goudschuim.

Lithospermum: steensaet: peerlenkruyt.

Littekens: litteyken, lickteeken. Littekenvorming is cicatriseren.

Lof: love.

Londen: Lonnen

Longen: longeren, longher, ook loose.

Lont: lemmet.

Lood: Plumbago, Bley, loet.

Lood, gewicht, een 7gram.

Loog: loege.

Look: loeck, loock, huysloock, boeren theriakel.

Loop: loep.

Lopende gaten als fistula: fistilen, fistelen.

Luchten: lochten.

Lui: leuy.

Luik, Leodiensis.

Luizen: luysen, lusen.

Lupinen: vijghboonen.

Lusteloosheid; apathie.

 

M.

Maag: mage, maghe, maegh.

Maagd: maegt, maget.

Maaien: maeyen.

Maal, eerste keer: eerstwerf.

Maden: maeyen.

Maeg: maegh, van achteren met een vleysch: Alvlysch of schoon vleysch.

Maag zuiverend: stomaticef.

Maak: maect, maeckt.

Maar, mair, maer, mer.

Maatje, meuken.

Machtiger: machtegher.

Mag: mach, meught.

Mager: magher.

Magneet: seylsteen.

Malum mortum is een soort van kwade schurft waarvan de leden dor of droog worden.

Manieren of soorten van: manaer.

Mannelijke: manlike.

Manlijkheid: manlicheyt.

Manschappen: meisenien.

Marjolein: marioleyne.

Marsepein: marcepynen.

Matig: zimlich.

Mastiek: masticke.

Matroos: maetroos.

Mechelen: Mechliniense.

Medelijden: compassie.

Meekrap: meekrapp, rotte.

Meer: lac: leke, lake, lek.

Medicijnen: medecijn, medecinen. Dokter: medicijn, meest met een hoofdletter.

Mei boter: meysche boter, mey boter.

Meidrank: apozema.

Meid: meyt.

Melaatsheid of huidziekte: lazerie, lazerscepe, lazarij, laserije.

Melde: milde, al goede, lammeensooren, Tota bona of Bonus Henricus.

Mellicratum, wijn met water en honing gekookt.

Melk: melck, lac.

Meloenen: melonen.

Menen: meynen.

Meng het: minghet. Meng: mingt.

Mening: gevoelen.

Menigmaal of vaak: menichwerven.

Menigvuldig: menechfout.

Mening, bedoeling: meneghe.

Mens: mensche.

Menstruatie: menstrua, menses, maen achter de kerck.

Merg: morg.

Merel: meerle.

Merlijn: Merlyne, Merline.

Merken, op te merken: maercken.

Mes: kniven.

Met: mitsgaders.

Meteen: mttien.

Metridaat: metridatum, naar koning Mithridates die een tegengif uitvond.

Middels, middelt.

Middelste: middelder.

Mierikswortel: peperwortel, meradigh.

Migraine: emigraneam: dats pijne in deen helft van den hove. In de helft van het hoofd heet Hemicrania of schelen hooftsweer.

Milsa is wijn en honing tezamen gemengd.

Milt: milten: melten

Minen: mijn, mijnen.

Minnaars: minners.

Misbruiken: misbruyken.

Misdaad: mesdaet.

Miskwam: mesquame.

Misselijkheid: meslicheyt.

Mits: mids.

Mistroostige: mistrostigen.

Moedervlekken, moermael, ook een egzwel op open wond aan een been.

Moeilijkheden, tribulatien.

Moerasachtig: broeckachtige, mersch.

Moerbei: moerbesyen.

Mola: lomp vlees in de baarmoeder.

Mond: mont.

Monnik: monick. Grauwe monniken of Cordeliers: grau monicken.

Moord: moert, moerdener.

Morfeem: morpheam. Morfeem albam zijn witte plekken in de huid.

Moskee: mosquees.

Moskou, Moscovien.

Mosterdzaad: mostaertsaet.

Motten: schaben.

Mozes: Moyses.

Mummie: mumia.

Munt: bruyn heyligh.

Muscus: moskeljaet.

Muizenoor, muysoren, muijsoren.

Mulsa is wijn en honing tezamen gemengd.

Mussen: mosschen.

Mutsjes: mudsaerdekens.

Murw: morw, mors.

Muscilago is een vetheid die niet uittrekt.

Muilezels: muylen.

Muis: muys.

Must: maetsue.Muziek: musijck.

 

N.

Na, erna: nae.

Naakt: naeckt.

Naam: naem.

Naar: nae.

Naar beneden: neerwert.

Naarstigheid: neerstigheyt.

Na-ijver of eerzucht: eergierigheyt.

Nachtschade: nachtscayen.

Nachtmerrie: nachtmerrye, Incubi en Succubi, nacht hengsten.

Nageboorte: velleken: palgel, burden.

Narigheid: naradicheit.

Natuurlijke: natuyrlicken.

Nauw: nau, naeuw.

Nauwheid: nauwycheyt.

Nauwelijks: naeulix, kaum, kum.

Navolgende: navolghende.

Nekrosis of versterving van de nieren.

Neemt: neempt, nempt, nemet.

Nekhaar: fasse, fas.

Net verteld: voergheseyt.

Neukten: queesteden.

Neus: nose, noese, nase.

Niemand: nyeman.

Niet: nye.

Nieren: nyeren.

Niergruis, graveel, gruys of calculosis.

Niet: nie, nyet.

Niezen: niesen.

Nieuws: niemare, nyemaer. Verhaal: mare.

Nimmermeer: nemmermeer.

Noodzakelijkheid: nootsakelickheyt.

Nodig: nootwendigh.

Noemt: nennet.

Nog: noch.

Nooit: noyt.

Nut algemeen, oirboir.

 

O.

Of: oft.

Ogen: ooghen, oghen. Witheyt van den ogen die albugo heet.

Oksel: oxelen, eghernis, eegernis.

Olie: oly, oli.

Olifant: oliphant.

Olijf: oliven, olyven. Oleum of olye uit olijven.

Omdat: mits.

Omdraaien: omdrayinghe in die ooghen, dats Vertigo. Schijnsel van vliegen in de ogen, schinsel der vlieggen in de ogen, dats scotomia.

Omhoog: ubersich

Omkeren: omkeringhe.

Omvangen: omvaen.

Omwindsel: scheyde.

Omzetting; transpositie.

Onbekend: onbekent.

Onderbuikspijn: lanckevel.

Onderdanig: onderhorigh.

Onderhuidse zweren: ondercoten.

Ondertussen: ter wijlen

Onderzoek: experienci.

Ongeduld: onverdult.

Ongesteldheid: ontsteltheyen, ongedaenheyt.                                                         

Ongewassen wol: wolle met der yecken.

Onguur: onghier.

Onkuisheid: oncuysheyt, unkueshede.

Ontelbaar: ontallick.

Onthouding: abstinentie.

Ontvellen: vlagen.

Onreinheid: onreynicheyt.

Ontspanning: relaxacie.

Ontvangen: ontfaen.

Onschuldig: onnosel.

Onsmakelijkehid: onsmaeckelickheyt of smettigheyt.

Ontstekingen, inflammatien.

Ontsteltenis: onstelcenisse.

Ontstellen: barenteren

Ontvangen: ontfaen.

Onveranderd: unverseret.

Onverwacht: onversiens.

Onvruchtbaarheid: onvruchtbaricheyt, unperhaft.

Onzichtbaar: onsienlicke.

Onzuiver: ompuere.

Oogzalf: colirium.

Ooghoek: werner.

Oogst: oegst.

Ooievaar: odebar: oeyvaer.

Ooft: oeft.

Ook: oec, oeck, ock.

Oordelen: ordeele.

Oorsprong, van water, conduyten.

Oorsuizen: doeselinge.

Oorzaken: oirsaken.

Opblazingen: opblasinghe.

Opeenhoping; accumulatie.

Opgeblazen: opgheblasen.

Opgelegd: opgheleit.

Ophtalmia, oogontsteking: obtalmia.

Oplossen: zerlassen, solvere, solutijf.

Oppervlakkig defect van de huid of afvallen van de nagels: excoriacie oft afvillige des nagels.

Opklimmen: opclimminghe.

Oplossen: resolveren.

Oprispingen: oprupsinghe.

Opwaarts: opwaert.

Opzwelling, fluxien.

Orchis: klootjeskruyd, satyria, standelkruyd, handekenskryd

Orde: ordre.

Oren: ooren.

Oude: outs, ouwen, ou.

Oudheden: outheyets, outheyt.

Overdag: overdach.

Overeen komen: concorderen.

Overspel: kevesdom.

Overvloedigheid: overvloedicheyt, overvloedicheit, overvloedich.

Overvloeien: over vloyen.

Overzetter: oversetter. Overzetten: versetten.

Oxisacar; een samenstelling die gemaakt is uit suiker, granaatappels en azijn.

Oxymel is azijn en water tezamen gekookt waar Helleborus een nacht in geweekt heeft. Of een syroop van honing en azijn.

 

P.

Paard: paert, wreen, ruyn, merrye. Strijdpaarden: orse.

Paardenbloem: papenkruyt, kanckerbloemen.

Paddenstoelen als kampernoelje: fungen, dats comperlolien, fongen, campernoelyen, aertbuylen, Tubera terrae, duyvelsbroot.

Paleis: palleys.

Paling: ael, palinckPaleizen: palleysen.

Panaritum: scherpe blaar aan de nagel: pannoricium.

Panum, pannum of duisterheid van de ogen.

Papaverzaad: oelsaet, heul, bolsaedt. Om te bollen, kinderen in slaap te krijgen.

Parels: perlen, paerlen.

Pasteien: pastyen.

Patrijzen: perdrisen.

Paviljoen: paveloen.

Peen: roode peen en caroten. Witte peen of pastinaken.

Pees: pistel.

Pees, navelstreng, peserick.

Pek: peck.

Pen: penne.

Penningmeester, tresorier.

Peterselie: percellen, peercel.

Per keer: smaels.

Perzen: Perssen.

Perzik: persekens, persen.

Pessaria, pessus, pesiarie.

Pest: pestilentie, morbus, Pestis, Pestilentia.

Peterselie: peterceleye.

PhoeniciĎ, FeniciĎ.

Phrenitis, hersenontsteking: frenesie, frenesye, uytsinnigheydt.

Pituitam is witte slijm

Pioen: pionie, peonye.

Pijn: pine.

Pijnboomzaden: pingels.

Pijnen, kwellingen: tormenten.

Pinksteren: Sinxen.

Pissenbedden of seugen.

Pistache: pistacyen of fistcien.

Plaats: plaetse, plaetschen, steden, stat.

Planken, berders.

Planten: pelzen.

Plassen: pissen.

Plas: zeik: siech (mogelijk naar de plas kijken om de ziekte vast te stellen)

Plavuizen: pluyvuysen, plavuysen.

Pleister: plaester, vaak van gyps, Emplastrum.

Plekken: plecken, pleckinghe, masen.

Plinius Caius Secundus of Maior. (23-79na Chr.) Zijn beroemdste werk; Naturalis Historia, een encyclopedisch werk over de natuurwetenschappen

Plotseling: schielinck, schielick.

Pluimen: pluymen.

Poeder: poier, poyer, bulver. Verpoederd: gebulvert.

Pokhout: pochout.

Poorten: poerten.

Pijlen: quarele

Polen: Polacken.

Polsen: polcen.

Pond: pont. Dokters pond is 376, 4 gram, een pond van de kooplieden bestaat uit 16 ons, 23, 5 gram, bij dokters uit 12, is 31, 2 gram, per stad verschillend, pond is drie drachmen, is 3,9 gram, een drachme bestaat uit drie scrupels, is 1, 302 gram, scrupel is 0, 433 gram.

Pooier; poytier.

Popelsie. popelsy is trillende leden, hersenbloeding, Multiple sclerose.

Portugezen: Portugysen.

Postelein: porcelyn, porceleyne.

Praktijk: practijken, practiken.

Prei: parye.

Priapismus of Priapis stuipen, seksaandrang.

Priemtijd, 6 uur, primetijt.

Primula: herba paralysis.

Prins: prince.

Proef: prouf.

Profeet: propheet.

Profijt, voordelig: proffitelicheyt, proffiteliker, profeijt.

Prognosticatie of voorspellen van de uitkomst van de ziekte.

Proloog: prologhe.

Propolis komt van de fijne gaatjes van een bijenkorf, was.

Prijzen: prisene.

Pruimen: pruymen.

Pterygium of ordeolen, dat is een lange blaar op het eind van de ogen.

Puikje: puyckje.

Punt: pount.

Puisten als anthrax: puysten als antrax= pestkolen

Purgeert of laxeert, purgatyen.

 

Q.

 

R.

Raad: raet.

Raag: raegh.

Raakte: roch.

Raap: raep.

Raapzaad: dryakelen.

Rabarber: rebarben.

Raden, raadsel; coniecture.

Ranzig: garstig.

Rapuntzel: repontijck.

Rauw: rou, raeuwe.

Recht: slecht.

Reinigt: reyniget, reynt.

Rein, zuiver: lauter.

Reinigende kracht, abstersieve, abstertijf.

Reinvaarn: reynvaen, reijnvaen.

Reis: reyse.

Retour: restour.

Reuk: ruecke, ruec.

Rijen: reken.

Rijpen: ripen. Rijp: zeytig.

Rijst: rijs.

Ring: rinc.

Roede: royen, mansruot of gezuugel.

Roegerrijn of Rogerinus of Rogerus van Parma of van Salerno leefde in de 13de eeuw; hij schreef een Methodus medendi waarin hij Albucasis plagieerde.

Roelant of Rolandinus van Parma was een leerling van Roegerrijn en schreef een supplement op het werk van zijn meester; Libellus de Cyrurgia met de beginwoorden; Post mundi fabricam.

Roeren: ruerende, ruerent.

Roeit uit: royet uut

Rode: roye.

Roodheid: rootheit.

Rode bloedgang: rote Ruhr, roet merizoen, rood melisoen, uit roy m’eleeson, koning ontferm u me, gebed van oude christenen en heidenen.

Roerkruid: ruyr kruyt.

Rond: sinbel.

Rood: roet.

Rook: roeck, roec.

Room, van melk, saene.

Rooms is Romeins: roems.

Roos van het hoofd: scellige van den hoefde.

Rottende, putrificeren.

Rozijnen: rosinen. Krenten of passule of corinthen.

Ruig: ruwweg: ruy.

Ruiken: reuck: ruycken.

Ruit: ruten.

Ruiter: ruyter.

Ruggengraad; rug graet: rachis, dat is graat of doorn naar zijn uitsteeksels.

Ruscus: brusci.

Runsel, rinsel= stremsel.

Rustende: rustieren.

Rusten: ruwen, ruoen, ruot, ruowt, rasten. Rust: ghermet.

Ruwweg: bottelinc

 

S.

Saffier: saphyr.

Saffraan: soffraen, sofferaen.

Salade: salaet.

Salie: savie, salye.

Samen: sampt, saen.

Samen binden: constringeren.

Samengaat: vergeselschappende.

Samengesteld, verzameld: vergadert

Samengesteldheid: complexie.

Samenzwering: sameninge.

Sanguiineis sijn bloedighe luyden= volbloedige, dat zijn driftige lieden, sanguinisch.

Sap: zap, sop.

Sarcophaag: sarck.Sausen: saasen.

’s Avonds: tsavonts.

Schaafsel: scavelinghe.

Schade: scade, scaeyen, schaet.

Schaduw: scaye, lommere.

Schalksheid: scalcheit.

Schamen: barenturen.

Schare: drochtijn.

Schat: tresoer.

Schaamdelen: scaemlechyet, heimelecheyt.

Scharlei: scaerleye.

Scheen: sceen.

Scheepslui: scheepvaerders.

Scheerde: raserende.

Scheurde: scoerde.

Scheerling: scherlinx.

Scheidden: verschieden.

Schemerige ogen, cataracta al of men seyde waterval.

Scherpe: scerpen, scerper, serp. Scherpte: serpicheyt, scerpicheit.

Scheurbuik: scheurbuyck, Grieks stomacace wat mondenstront betekent naar de geur, Scelotyrh betekent scheurbeen naar de pijn die ze in hun been voelen, en buik omdat die soms vaneen scheurt, blaeuschuyt naar de blauwe vlekken,

Schijten: sciten, cacken.

Schijtwit: sciterwit.

Schil: schelp.

Schildknaap, bediende: garsoen.

Schorpioenen: scorpionen.

Schors: scorsen.

Schudden: scuddinghe.

Schuld: scout, vandaar schout.

Schurk: vileine.

Schuwt: schout.

Schrijven: scrijven, scriving, scriven, scrijft,

Schrijvers: scribenten.

Schudden: scuddinghe.

Schuldig: schuldig.

Schurft: scorftheit: scorftheyt, scroftheye, scorftheien of Tineam. Rappig, Rappicheit is schurftachtige uitslag.

Schuwen: scuwen, scouwen.

Scrofulen, opgezwollen lymfeklieren: serofulen= scrofulas.

Scrupel, 1, 302 gram, scrupel, serupel.

Selderij: ionffrou merck, eppe.

Senna: sene, seneth.

Serpigem is ruwheid van de huid die scherp is en hier en daar kruipt.

Setons zijn niets anders dan een ruw koord of gedraaid doekje die met een grote naald door het vel geslagen worden

Sier: chier. Sieraad: cieraet.

Sier: opschik: pomperye.

Siroop: syroep, sijroep.

Sla: lattich, lachtich, latouw.

Slagen: slaghe.

Slaan: slaen.

Slagagaderlijk; arterieel.

Slakken: slecken.

Sleedoorn: slehen.

Sleewigheydt (van de tanden) bot of zuur.

Sleutelbloemen: herba paralysis, is tegen M. S. En hersenbloeding.

Sleutelbenen omdat ze de borst toesluiten.

Slijm: fleumatijck, flumen, flegma. Pituita. Flegmatieke: fleumatiken. Pusvormende ontstekingen: flumechtighe apostonien.

Slijmerigheid: gesmyigheyt.

Slijmachtig; mucilagineuse.

Slijpen: slypen.

Slim: loos, loosheyt.

Sluiten, sluten, sluuten.

Sluw: saluw.

Smaak: smaeck.

Smeedwerk: ghesmijde.

Snel: rat.

Snel: rassigheyt.

Sneeuw: znee

Soepen: supenen.

Solidago: heydens wondkruyt, ook Senecio.

Soldaten: soudenieren.

S’ morgens: smergens, smerghens.

Sommige: sommighe, zommege, sommege.

Soms: som.

Spanjaard: Spaengiaert.

Spanning van been: ghebannen der been.

Specerijen: specien.

Speeksel: zever.

Speerwortel, Dracontium.

Spelonk, duwiere.

Spelltjes: spellecheide.

Spreken: perlament.

Sperma: spma.

Spier: musech.

Spierkrampen, gespasmeerde.

Spijs: spisen.

Spinazie: spinagie, spinagye.

Spodium is gebrande ivoor.

Spons: sponcie, spongye.

Springend vuur: springend vyer, wilt vyer.

Spuiten: speuten.

Spreekt: spreckt.

Spruw: sprouw.

Spuwen: spouwen.

Squinancie: is een blaar in de keel, keelontsteking, squynancye.

Sri Lanka: Zeylon, Zeilon.

Staande: rampant.

Staat: staet, steet.

Staart: zagel, schwanz.

Stamppot: pottagie.

Steeds: staegh, gestadigh.

Steekt, stick, stect, heck, hekt.

Steenbreek: steenbreeck,

Steenwerper: pederier.

Stekelbes: stekelbesyen of croesbesyen, cruysbessen.

Stelpen: stellen

Stem: stemme.

Sterk: sterckelick, sterckelijc. Het sterkst: sterckxt.

Stevig: gelijvigh.

Stijfsel: colys

Stijven: stiven, stivigheyt.

Stinkende: stinckende.

Stinkende gouwe: gouwortel.

Stoechas: sticados.

Stof fijne: sindaal.

Stoot: stoet.

Stoppend, astrictie, adstrictie.

Storing, ongeregeldheid, verwarring; turbatie.

Stotteren: keeckeren.

Stoving: stoffing, fomentum, somentacie.

Strottenpijp: strootpijp.

Strottenhoofd of Lareynx.

Strijd: wijck, wijch, kamp.

Strijder: wigant.

Strijdbijl: gysarmen.

Strijk: strijckt, strikende. Strijk het eruit: striket rhoet.

Strijksel: epithima.

Stront: gerben.

Stuipen: freyscham

Stuk, voorstel, propoost.

Suiker: suker, suycker. Fijne suiker: penyt suker.

Sumach: smack. Rhus.

Suppoost, suppoeste.

Surgijn, chirurg.

Suikergoed: tregie.

Syncope: sincopium: dat es in onmacht of van zichzelf gaan.

 

T.

Taaie: taye, zehe.

Taarten: torten, coeken.

Stranguriam is een pijnlijke urinelozing.

Tandpijn. Tantzweer.

Tanden, voortanden, lachtanden omdat bij het lachen te zien wijn, daarnaast aan elke kant horentand: hoorentant of hontstant of ooghtanden die in de oppperkaak staan waar zenuwen in uitkomen die met de ogen bewegen. Kiezen: kiesen of moletanden die als molens malen, staan diep in de mond: backtanden, de laatste twee zijn wijsheytstanden die groeien als de jeugd voorbij is en wijsheid aankomt.

Tandzuur: tantsuer.

Tartarus is wijnsteen.

Tarwe: teruwen.

Tasjeskruid: teskenskruyd.

Tegen: teghen, wider.

Tegengestelde: contrarie.

Tegenwoordigheid: jegenwordicheit.

Tekens: teykens, teeckenen.

Tenasmonem: tenasmonen: een appetijt van schijten zonder doen= loze aandrang krampen.

Telkens: telcken.

Tercietijd is rond 10 uur.

Tering, Ftisis: teringhe, teeringe.

Verteren is verteringe.

Terpentijn: termentijn, termenthyn.

Teug: toge.

Tevergeefs: tevergheefs.

Tezamen: te gader.

Thucia: thutie. Ook het sap van stinkende gouwe heet zo, gemengd met honing en poeder van rozen en gebruikt om het gezicht te versterken.

Tijd, tyt.

Tinea is een huidschimmel waarvan tinea amiantacea een asbestachtige schilfering van de hoofdhuid geeft.

Tijm: thijm, thym, quendel.

Toen: doen.

Toegevoegd; additioneel.

Toestaan: gelengen.

Toevallen: symptomen

Toevallig, accident, accidenteel

Toilet: ter cameren, kamerganck.

Tot het: toet.

Toestemmen: consenteren.

Ten tweede: ten tweesten.

Teug: toeghe.

Toeval: accidencien.

Toorn: toren. Toornig: toernech.

Topjes: soppekens.

Traktaat: tractaet.

Tranen: lacryma.

Trekken: treckinghe, recken.

Troebelen: tribulantie.

Tropen: Tropicus. Zoa Torrica wat brandende zone betekent en Zona Frigidae wat koude banden is

Tracheam arteriam is de weg in de keel naar de borst.

Trekt: zeucht.

Trillen: populsien.

Tuiten of ruisen: tuytinghe en ruysschen.

Tuchia, pompholyx, tutia, Nichtes, zijn fijne vonken van de koperovens en de grovere vonken heten Spodium, Nil griseum, Grauw Nicht.

Turkoois: torkoysen.

Tussen: tusschen.

Tweede: tweetste, tweden.

Twee maal: II werven.

Tweevormig: twerley, tweederley.

Twijgen, takken: ryserenen: roijen, telgeren, fijferen, rijskens, esten. astel.

 

U.

U: v, tou.

UE: u edele.

Uilen: uylen.

Uit: wt.

Ui, eijwijn, sibollen, ajuynen.

Uit: uut, uuy, uyt, uuijt.

Uitgaan: uutgaen.

Uitgezonderd: sunder. Wtghenomen.

Uitkerering: pruven: proven.

Uitsluiten: uut sluytende.

Uitstoten: uffstossen.

Uitrekken: uutreikinge.

Uitstel: verse.

Uitvaart: uyytvaert.

Uitvallen: uutvallen, uutvalling.

Uitverkozen: verkoren.

Uitvoerig: wijtloopigh.

Uitwassen, uitgroeien, excescentien.

Uitwerken: uytwercken.

Urine: orinen.

Uur: uyre.

 

V.

Vaak: oft, dickmael, menechfuden.

Vaars: verre.

Vallende ziekte: vallende sieckte, ook Sint Valentijns ziekte.

Van: af.

Vanwege: midts, mids, overmidts.

Varken: vercken of porcus. Zeug: sogh.

Varkensbrood, verckensbroot, Cyclamen

Veegt: vaghet.

Veel: dick.

Veelvormig: veelderleie.

Vegetabilia: aardgewas.

Vel: feel.

Veertjes: veerkens.

Venijnige: fenijnde, ghefenijnde, gefenijnde. Venijn: fenijn.

Veranderen: verwandelen, verkeren.

Verband, doek: doucke, wieke, porpointe.

Verbergen: verhelen.

Verbrand: verbeert.

Vergenoegen: vernougen.

Verdeeld: gedeylt, ghedeylt.                 

Velletje, moederkoek: velleken.

Verbeteren: corrigeert.

Verbeurd: verboert.

Verbiedt: verbyte.

Verbranden: verbernen.

Verblijden: verblien, fraud.

Verbolgen: barentiert.

Verdriet, vermoeienis: vernoye.

Verdrijft: verdwinende.

Verdrijving: verdriven.

Verdunning of verzachting, extenuatie.

Verdwaasd, stuefactijf, maakt een misselijkheid of slaperig water in het lichaam, verdoesinghe.

Verdwaald: verdoolt.

Verdwijnen, verschwinden.

Vergaan: vergaen.

Vergaarde: vergheerde.

Vergenoegen: vernuyght.

Verjaagt: veriaghet, veriaecht.

Verhalen: jeesten.

Verhard: verherd.

Verharding: ondercootten.

Verheffing: verheffinghe.

Verhelderen: verclaren. Gezuiverd: gheclaert, gesuvert.

Verheugen: frauwen, fraut.

Verjus: sap van onrijpe druiven.

Verflauwt: flauwet.

Verkocht: verkost.

Verkoelt: vercoelt, vercouwene.

Verkoudheid: vercoutheit, sinckingen, catarrhen is meer ontsteking van het slijmvlies en vooral van hoofd en keel.

Verkrampt: vercrauwet.

Verkwikt: verquickt.

Verlof: oorlof.

Vermengd: vermuschet, gemuschet. Confundeert, confendre.

Vermoeiend: moyende. Vermoeienis: moyenesse.

Vernield: gedestrueert.

Verplaatsen: verporren.

Verrijzen: verrijsen.

Verrekken: vertreckinge.

Verschillen, verscheidenheid: verscheydenheit.

Versmadende, afstotelijke: versmayelike.

Verrotting: putrefactie, corruptie.

Verschil: onderscheyt.

Verschillend: verscheyden.

Versierd: verciert, vicieren.

Versperd: verhameit.

Verstand: verstant, verstans. Verstandig: verstandich.

Verstandiger: vroeder.

Versterken: conforteren. Versterkt: versterct. Verstercken: stercen.

Verstikking; suffocacie.

Verstopping: verstoppinghe.

Verteren, oplossen: verceren. Verteren, verwerken, digieren.

Vertoornen: vererren. Boos: erre.

Vertrokken: vertockenen.

Vertroosten: vertroesten.

Vertrouwde: betrouwde.

Vervaarlijk: verveerlyc.

Verwanten: maghe, magen.

Verwarring: confusie.

Verwurging: verworghinge

Verzachten, saechten, senfftiget.

Verzameling, vergadering, mengsel: vergheringhe, vergheering, vergheren.

Verzoening: soene.

Verzakking; extenuatie.

Vezelig, harig: zasecht.

Verzoek: versueck.

Verzoeten: versueten, suetet, zuetet.

Verzwakken: krencken.

Vet: vaizt.

Vierdaagse malariakoortsen: quartan, driedaagse, tertiane, uitdrogende Hectica.

Vijgen: vighen, vigen.

Vijt: paronychia, reduvia, panaritium, nijdnagel

Violen: viletten.

Vinden: gevinden.

Vijand: vyant.

Vinila is nattigheid die in de keel zit.

Viool: vyolen, pensee.

Vijven: viven.

Viride eris: Spaans groen.

Vitriool: dragagantum of vitriolum.

Vlees: vleesch, vleysch.

Vleeskleurig: lijfverwigh.

Vleesranden: vleescij.

Vlees laten groeien, incarnatijf.

Vlekken: vlacken.

Vliezen: flozzen.

Vlijt: neersticheydt.

Vlijtige: flucxe.

Vlinder: veivalter.

Vlozaad, psiliesaet, vloekruyt= Plantago

Vocht: vochtege.

Vochtigheid: vochticheit, vochtigheyt. Koude vochtigheid, cou reuma, vochtigheid in het hoofd= verkouden= zinkingen of catharren.

Voegen: begaden.

Voedt, nuttig, vued. Voeden: fuoren.

Voet: huft.

Voetboog: selfscotten.

Volgt: volcht.

Volheid: vervultheyden.

Voor: voer, voir.

Vooral of bijzonder: sonderlinge, sonderlinghe, in sonderheydt.

Voorbeeld: exempel.

Voordelig, gunstig, priselic, profitelic.

Voorgang, voorbede, voirganc.

Voorspraken: voerspraken, voerspraek.

Voortgaande: voertgaende.

Voornamelijk: principaellic.

Voornaamste: proprieteyt.

Voor vermelde, voorseyde.

Voren: rillekens.

Vorm: fatsoene.

Vos, vulpis.

Vreest: furcht, vryse.

Vreugde: vreught, joye, vrouden, delijt.

Vriend: vrint.

Vrijen: vryage, vryede.

Vrijwel: bicans.

Vrolijk: vrolick,vro. Niet vrolijk: onvro.

Vrouwelijkheid: vroulicheyt.

Vruchtbare: vruchtbarege, vruchtbarichlijken.

Vuilheid: vulicheyt, vuyl.

Vuur: vier, vierachtige, vyer.

                                                                                                                                           

W.

Waaien: waeyen.

Waals: Walsche.

Waarachtig: warachtych, waerachtigh.

Waard: waert.

Waardig: waerde.

Waarde: werde.

Waardigheid: weerdigheyt.

Waarheid: waerheyt.

Waaruit: waer uut.

Waarschuwde: warnde.

Waarzegger: divijn.

Wachten: ontbeiden, ontbyen.

Wafels: waeffelen.

Walgen, opwellen: walling, walginghe, Nautia, Nausae vanwege de varende mensen.

Walnoot: ockernoten.

Wandelen: laveien, wanderne.

Wangen: liere

Wantrouwen: mestrouwe.

Warme moes, salade: wermoes.

Warme stoving: somentacie.

Was of cera.

Wasem: waessem.

Wat: ‘t welc.

Waterlozing aandrang tot: coupis, coupisse.

Waterzucht: watersucht, Hydrops, Hyderiasis, Latijn Hydropisis, Engels dropsie.

Weegbree: weechbree, wegbre, wegebre.

Week, zacht: lind.

Weelderige: weeldege.

Weerlegd: wederleyt.

Weigeren: weygeren.

Weinig: weinich, wenich, weynigh, weynich, weijnich, luttel, lutter.

Weke: weecke.

Wel, goed: wael.

Wennen zijn gezwellen wiens stof met een blaasje besloten is, atheroa of steatoma.

Wenkbrauwen: wijnbrauwen.

Wereld: werelt.

Werken: wercken. Werk.: werck. Werking: werckinghe.

Werktuig: wercktuygh.

Werpt uit: worpet uut.

Wiens, welke: welcx.

Wijdde: wyede.

Wijn: wine.

Wijngaard: wigaert.

Wijsheid: wijsheit. Wijste: wiseste, wyseste.

Wijven: wiven: wyven. Oud wijf of kween: quene.

Wild: wilt.

Winderigheid: windechtighheyt.

Winst: miede.

Wit: wyt.

Wit brood: witte brood of heeren broot van terwe blom, met zemelen gruys broot of semel broot. Mistelluyn is gemengd brood.

Woensdag: goensdach.

Woog ze: woechse.

Woord: woerd.

Wormen in den buick die ascarides cucurbitini heeten.

Wordt: wort.

Wormen: pierwormen.

Wortel: wurtze:

Woud: wout.

Wrang: pontiken, pontiteyt, serp. Zonder smaak is smets.

Wromg: wranc.

Wratten: werten, warten.

Wreedheid: wreetheyt, wraetheyt.

Wrongel: rontsel, coagulum.

 

X.

 

Y.

Eerst: yerst.

 

Z.

Zaal: sael.

Zaden: zayen, sayen. Het saed: tsaet. Zaai het: sayet.

Zaak: saeck. Zaken: saken.

Zachter: sochter.

Zalf, unguentum.

Zakje: saxken.

Zal: sal.

Zaligheid: salicheyt.

Zaligmaker: SalighmakerZalven: salven.

Zang: sanck.

Ze: se.

Zee: more.

Zeep: seepe, sapo.

Zeer: seere, seer.

Zeeui: squilla, scylla, zee ajuyn.

Zegt: seyt, seit, zeiden, geseit, zeet, seet, heet. Zeggen: segghen. Gezegde: gheseyden, gheseyt.

Zeker: seker.

Zenuwen: zenuen, genuen.

Zesde: seste.

Zestien: sesthien.

Zet: sedt.

Zetmeel of krachtmeel: amidong, amidium.

Zetpil: zapplin.

Zevenblad: sevenblayeren, gerard of fledercijnkruyt.

Zevende: sevenste.

Zieden, koken: sieden, siet, siedt, siedet. syedt. Kooksel: siedinge. Verkookt: versoden, versoien, gesoyen, gesoden, gesoien.

Ziekte: siecte, sucht. Zieken: sieken. Verziekt: crancket: crankheyt, kranckheyt.

Ziekenzaal: fermerie.

 

Zijde: sijden.

Zijdestelen: pestemen.

Zijlen: selen.                                                                      

Zijn: sijn, sine, zinen. Zijnde: sijnde.

Zij, is: sij.

Ziltigheid: sultigheyt.

Zilverschuim, Lithargyros, Silver Glede, Lithargium aureum is goudschuim, Gold glede

Zintuigen: sinnen.

Zit: sit, sidt.

Zo: so, soo, soe.

Zoekt: zueckt.

Zoet: dulcis: ducis.

Zoethout: calissihout.

Zon: sonnen.

Zonder: sonder, abstinetie.

Zondvloed: sontvloet, di luvie.

Zonnedauw: sondauw of lopig kruyt.

Zoon: soen.

Zullen: sullen.

Zouten: souten.

Zot: sot.

Zout: sout.

Zoutigheid: sultigheyt.

Zuiden: suyt, suyden, zuyden.

Zuigen: sogen.

Zuipen: suypen.

Zuiver het: cleret, cleren, claer, suveret, suveren, suver.

Zuivering: cleering.

Zulke: sulke.

Zullen: sullen.

Zuring: sulker, suyringh, surckel, dokkebladeren, patich, patiente

Zuur: sueren, rinsch.

Zuurachtig: zuerechticheyt.

Zuurbes: saussenboom of suerboom.

Zwaard: swaerte.

Zwaarheid, moeilijk: swaerheyt.

Zwaan: swaen.

Zwakke, zieke: cranke.

Zwak: brode.

Zware: swaer.

Zwachte: scroden.

Zwakte, bang: bloodigkeit, blode.

Zwavel: soltere, solfer, swavel.

Zwart: swert.

Zwartheid: swertheyt.

Zweden, Sueden.

Zwelt: swillet.

Zweren: sweeren, sweeringhe, sweerende. Zweren tot etteren brengen, exulceratie.

Zweten: sweetende.

Zwijgen: swijghen.

Zwijmeling: swijmelinge of suysselinge.

Zwijnensmeer, varkensvet: swinensmeer.

Zwoel: zoel.

Zuurdeeg: suerdeegh.

 

Medisch.

De mens is uit aarde gemaakt en heeft in zich 4 levenssappen (humoren), die heet, koud, droog of vochtig zijn. Deze levenssappen zijn; bloed, gal, flegma (slijm) en zwarte gal.

Om gezond te blijven zal men eens in het jaar purgeren, in de lente of in de herfst en ook bloed laten.

In ieder mens is en van de 4 humoren predominant en de kunde van een goed geneesheer bestaat erin deze te kunnen aanduiden. Daartoe staan hem verscheidene criteria ten diensten; de urine, de pols, het bloed dat gelaten wordt, verder de kleur, het uitzicht en de karakteristieke eigenschappen van ieder mens.

Temperament

urine

polsslag

aangezicht

bloed

Sanguinisch

heet & vochtig

Dik – rood

troebel

Rap - zacht

Rood – vol rond

rooskleurig

Cholerisch

Heet & droog

Dun – rood

helder

Rap - hard

Geel - mager

Rood en klaar

Flegmatisch

Koud & vochtig

Wit

troebel

Traag - zacht

Bleek – rond

en vet

Wit als

koud vissap

Melancholisch

Koud & droog

Wit

helder

Traag - hard

Askleurig-

mager

Dik en zwart

 

Over inspanningen en rusten

Sanguinici

Cholerici

Flegmatici

Melancholici

Arbeiden

Goed

Goed

Rusten

Goed

Slecht

Korte slaap

Goed

Goed

Baden

Slecht

Goed

Slecht

Goed

Geslachtsgemeenschap

Goed

Slecht

Goed

Onverwachte

gebeurtenissen

Slecht

goed

Blijdschap

Goed

Goed

Gramschap

Slecht

Goed

 

Bij volle maan moet bloed gelaten worden.

Men laat de hoofdader, in de rechterarm, tegen hoofdziekten; de hartader tegen kwalen van hoofd tot navel; de lever- of miltader in de linkerarm, bij leverpijn en tegen de kwalen van de lichaamsdelen beneden de navel.

Oude lieden en kinderen worden minder bloed gelaten; kinderen beneden de 14 jaar helemaal niet.

Alle tijdstippen zijn goed om bloed te laten; doch de voorkeur wordt gegeven in de lente en in de herfst. Is het noodzakelijk bloed te laten bij warm weer, breng dan de patiĎnt in een koude plaats, bestrooi de vloer met lis, wilgentakken en druivenbladeren en besproei hem met water. Bij koud weer zal de patiĎnt in een verwarmde goed afgesloten plaats gebracht worden waarin hij 3 dagen zal blijven.

Zieken en gezonden komen in aanmerking voor bloed laten, doch de eerstgenoemde mogen niet te zeer verzwakt zijn; vallen zij toch in onmacht dan zal men hun gezicht besprenkelen met water, ’s winters warm, ’s zomers koud.

 

Koortsen.

Effimera febre’ (febris intermittens), een lichte koorts waarvan de etiologie aan allerhande ‘toevalle’ wordt toegeschreven als bitterheid, dronkenschap, vrees etc. Gewoonlijk wordt de geneesheer niet geraadpleegd, daar de koorts reeds op de derde dag verdwenen is.

 

Bij de simpele of enkelvoudige (malaria) koortsen zijn er 3 soorten die regelmatig opkomen en afnemen waarvan rottende levenssappen buiten de aderen de oorzaak zijn. hun namen; de cotidiana (febris quotidiana, met dagelijkse aanvallen),

De cotidiana- koorts is te herkennen aan volgende

Symptomen; komt iedere dag op en duurt 18 uur, de overige 6 uur stopt de koorts; de patiĎnt voelt kleine koude of kleine hitte en de dorst is dragelijk. De urine is troebel en weinig gekleurd; de pols slaat traag en zacht.

 

De tweede soort enkelvoudige koorts die regelmatig opkomt en afneemt is de terciana, derdedaagse, (febris tertiana, met koortsstoppen om de twee dagen)deze wordt veroorzaakt door de gal, buiten de aderen.

Symptomen; urine; rood en dun of geelrood.

Polsslag; rap, hard en dik.

Begint met grote koude en daarna grote hitte.

Komt iedere derde dag op.

 

De derde enkelvoudige koorts die op regelmatige tijdstippen aanvalt is de quartana; vierdaagse, (febris quartana, met koortsstoppen elke derde dag)deze wordt veroorzaakt door de zwarte gal.

Symptomen; urine dun en wit in het begin, wordt na een koortsaanval rood.

Polsslag; traag en hard.

Komt iedere 4de dag; twee dagen heeft men rust.

 

Verder bestaan er nog 4 soorten van simpele koortsen die gedurig aanhouden en waarvoor de materies peccans binnen in de aderen steekt.

Deze komen voort uit ieder van een van de 4 humoren die rotten in de aderen; de koorts blijft aanhouden.

1. Cynocus (bedoeld wordt febria synochalis, febris sthenica, koorts waarbij de hartwerking onverminderd intact blijft) wordt veroorzaakt door rottend bloed in de aderen.

Ziektebeeld; urine rood en dik.

Polsslag rap.

Meestal weinig koude.

 

Causon of terciana continua, vulgo ’theete ongemac’. (van χαύσων; hete koorts; terciana continua; aanhoudende koorts met koortsstoppen om de 2 dagen). Wordt veroorzaakt door rottende gal in de aderen.

Ziektebeeld; hoge koorts (‘groter hitte’).

Men geneest ervan op een oneffen dag.

Wordt de urine na de 7de dag bleek in plaats van rood, dan bestaat er gevaar voor frenesie; blijft ze bleek dan betekent dit de dood.

 

Epilepsie.

Er bestaan drie soorten van vallende ziekte; deze aanvallen kunnen zich voordoen van eens in het jaar tot 4 maal per dag.

 

1) Epilencia of groot ongemak (bedoeld wordt epilepsia, vallende ziekte, chronische aandoening gekenmerkt door aanvallen van bewusteloosheid, gepaard met convulsies) spruit voort uit de hersenen.

Ziektebeeld; de aanval komt plots; de zieke heeft koud, beeft en spartelt met handen en voeten en heeft schuim op de mond.

Medicatie; verboden; vleselijke gemeenschap, baden, zich opwinden, vasten, zich bloot stellen aan te hevige hitte of te grote koude; goed; gebraden ezellever eten; een zakje met pioenwortels om de hals hangen; hazengal, wierook, mirre, oxymel met castoreum; op het glad geschoren hoofd een papje leggen van mosterdzaad en andere kruiden’verder triakel, oxymel diureticum en purgatie met Hiera picra of met Benedecita lacativa.

 

2) Catalempcia (bedoeld wordt catalepsia, het innemen van standen en houdingen gedurende abnormaal lange tijd, zonder dat van vermoeidheid sprake schijn te zijn. Blankaart spreekt van ‘Zinvang, leden-styving’).

Ziektebeeld; men voelt in armen en benen en handen de aanval aankomen; de zieke heeft koorts en er staat geen schuim op de mond.

Dieet; zoals bij epilencia.

Medicatie; bloed laten; handen en voeten verwarmen.

 

3) Analempcia (bedoeld wordt analepsia, het brengen van het lichaam of van de ledematen in een hangende of zwevende houding bij wervel- resp. ruggenmergaandoeningen en bij ontstekingen aan de extremiteiten) komt voort uit de maag.

Medicatie; afkooksel van selderie- venkel- en peterseliewortels, purgeren naar gelang de urine aantoont.

 

Spasme, kramp.

 

Spasmus komt voort van te weinig of van te grote ophoping van humoren of van koude.

1) Spasmus van ‘ydelheid’.(leegte)

Diarree, braken, te sterke medicijnen, bloedverlies, galkoorts zijn hiervan de oorzaken.

Kuur; melk van een vrouw die bevallen is van een jongen zal men wrijven op de pijnlijke plaatse en op het ruggenbeen; maak een pleister van pluk gedrenkt in afkooksel van bepaalde kruiden en leg de pleister van nek tot lenden; op de pijnlijke plaats wol leggen die gedrenkt wordt in olie en lauw water.

2) Spasmus van ‘vervulten’. (volheid)

Kuur; ader laten, koppen zetten met of zonder scarificatie; hals en rugbeen met ruitolie insmeren.

3) Spasmus van ‘coude’. Koude)

Kuur; insmeren met verwarmende zalven; een versterkend en verwarmend middel ingeven zoals Electuarium diacastoreum.

 

Jicht, reuma.

Artetica, fledercijn of gescot, komt voort of van hitte of van koude en wordt veroorzaakt door een van de vier humoren.

1) van hitte komt het van;

a)     overtollig bloed in de zenuwen, aderen en slagaderen.

Kenmerken; urine rood en dik.

Polsslag vlug en zacht.

Aangezicht rood.

Medicatie; ader laten en daarna een pleister van bepaalde kruiden op de pijnlijke plaats leggen.

 

            B) gal.

            Kenmerken; urine rood of geelrood.

            Pols dik en hard.

Medicatie; medicijnen die gal purgeren.

Pleister zoals voorgaande of insmeren met zalf, samengesteld uit nagenoeg dezelfde ingrediĎnten;

Verkwikkende baden.

 

1) van koude komt het van;

a)     flegma

kenmerk; urine wit, dik en troebel.

Medicatie; medicijnen die flegma laten rijpen en purgeren

b)    zwarte gal.

Medicatie; medicijnen die zwarte gal laten rijpen en purgeren.

 

Voor deze beide laatste worden dan nog voorschriften gegeven van uitwendige toepassing; pleisters en zalven, waarvan een typische, nl. destillatie van oude urine tot levend water.

Helpt dit alles niet, dan zal men cauteriseren (met brandkop bloed laten)

 

Waterzucht.

Hydropsie wordt aan de lever geweten en kan veroorzaakt zijn door onjuiste verhouding tussen hitte en koude.

1) Van hitte.

A)   Alciten (ascites, buikwaterzucht) komt uit het bloed, heeft meer water dan wind; slaat men op het lichaam dan klinkt het alsof men op een halflege leren wijnzak zou slaan, vandaar de naam (άσχός; leren wijnzak, waarom de schrijver of kopiist het steeds heeft over alciten is me niet duidelijk)

B)   Timpaniten (tympanites, opgeblazen buik) komt van de gal; heeft meer wind dan water; slaat men op het lichaam klinkt het alsof men op een trommel slaat.

In beide gevallen is de urine rood; buik, handen, armen en benen zijn gezwollen. Deze ziekten zijn ongeneeslijk.

 

1) Van koude.

A) Leucofleumancia (leucophlegmasia, gegeneraliseerd oedeem; ‘de witte zugt, slym-zucht/ongendaantheid;. Blankaart en Herbarius in Dyetsche zeggen; ‘Leucolofleumencia dats die watersucht van witte flumen die alt lichaem doer verspraeyt komt van het flegma’; heeft meer water dan wind. De urine is wit en heel het lichaam staat gezwollen, een vingerdruk maakt een put.

Dieet; heet en droog, t.t.z. kiekens, lammerenvlees gekookt met peterselie, komijn en peper; witte wijn, tarwebrood, hazelnoten, amandelen.

Verboden; vlees en vis.

Medicatie; zachte drank met kruiden; verwarmende likkepotten; hete baden, eerst in gekruid water, daarna in zout water.

C)   Yposarca (hyposarca, anasarca, ‘‘t Lyfwater, tusschen vel en vlees liggende water/leden-zugt’) komt van de zwarte gal, heeft meer wind dan water tussen vel en vlees. De urine is donker gekleurd.

 

 

Huidziekte.

Elefancia (elefantiasis, elephantisis) vulgo lazerie. Lazerie is een huidziekte die niets met melaatsheid volgens de huidige begrippen van doen heeft. Herbarius in Dyetsche noemt iemand die lazers is ‘lasarus van verbart bloet’ (verbrand bloed) Deze en andere huidaandoeningen uit de oude geneeskunde zijn steeds zeer verwarrend en moeilijk te identificeren. (het lijkt wel een ziekte die uit moederkoren ontstaan is)

 

Alle ‘lazerie’ spruit voort uit rotte zwarte gal. Er bestaan verschillende soorten al naar gelang de menging van rotte zwarte gal met een der andere humoren.

 

1. Zwarte gal alleen; elefancia, aldus genaamd naar de olifant omdat die groter is dan andere dieren en omdat deze ziekte afschuwelijk is om te zien. Volgens Thomas Scellinck in zijn ‘derden boec cap. XII vander laserien die cuere daer af’is de etymologie alsdus te verklaren; ‘olefancia na een dier dat heit olifant ende het es dat alrestercste dier dat men vint. Ende alsoe is dit onghemac’.

2. Zwarte gal + flegma; tyria (tyriasis). Volgens Scellinck komt de naam ‘na een serpent ende es gheheeten tijrus. Ende dat serpent doet dicke siin sluiif (vel) af alsoe doet die sieke hem scellet dicke siin huiit ende siin wiinbrauwen vallen uut ende hi stinct herde seer’.

3. Zwarte gal + gal. De specifieke naam wordt niet gegeven, doch Scellinck noemt deze Leoninana (leontiasis leprosa), na eenen leeuwe omdat hij is anxteliic (angswekkend) ende ranpende (steigerend).

4. Zwarte gal + bloed; alepicia. Scellinck noemt deze ‘allopicia na den wolf allopes dat siin wolven’.

 

Morfea (een pigmentanomalie waarbij vlekken op de huid ontstaan) is volgens Herbarius in Dyetsche ‘een pleckinghe die wit of zwert int vel es; en Hortus sanitatis definieert; ‘Morphea dats die quade seericheit inder huyt die der melaetscheyt ghelijck is’.

Als de vlekken wit zijn dan zijn deze veroorzaakt door het flegma en genezen moeilijk; ofwel zijn ze rood, als ze veroorzaakt zijn door het bloed of gal, in het laatste geval kunnen ze zelfs geel zijn; deze zijn te genezen als er bloed uit vloeit wanneer men er met een naald in prikt; komt er water uit dan is de genezing uitgesloten. De vlekken kunnen ook zwart zijn; deze worden veroorzaakt door de zwarte gal. Aldus zijn we weer rond en zijn de 4 humoren even aansprakelijk.

 

Gutta rosacea vulgo de rose. Er wordt geen beschrijving van de ziekte gegeven. Bedoeld wordt erysipelas, belroos, Sint Antoniusvuur. (St. Antonius vuur, veroorzakt door moederkoren die in de kapel van Sint Anthonius genazen, dat vanwege het goede voedsel van de broeders) Herbarius in Dyetsche zegt; ‘Erispille dats een apstonie van vierechtegher coleren’ (blaar van een vuurachtige kleur) en Hortus sanitatis; ‘Herispula dat is een rode hittighe lopende seericheyt… dye int lijf lopet van dat een lidt aen dat andere’. ‘Men hevet oec met puustkine int ansichte;.

Hiertegen werden vooral zalven aangewend waarvoor verschillende recepten worden aangegeven.

 

 

Serpigo, (ook zeter) en inpigo, (ook single genaamd) komen beide voort van hete materien en zijn sterk gekleurd. Zij verschillen nochtans hierin dat serpigo een voortkruipende huidziekte is terwijl single zich uitbreidt rond de aangetaste plek en minder rood is. Scellinck is het hiermee niet eens, hij zegt nopens impigo; ‘in dietsche ommeleghe ende in walsche cingel’. Ortus sanitatis maakt evenmin onderscheid; ‘Impetetigo sive serpigo;. Herbarius in Dyetsche kent wel enig onderscheid; ‘Impetigo dats rouicheit van den velle. Serpigo dats rouicheit die scerp es ende cruypt herwert ende ghenswert’.

Medicatie; ader laten, zalven, laat koppen, drankje innemen. Ook wordt aangeprezen vel en vlees met een tang te grijpen waarvan de twee armen doorboord zijn; men steke een els door de gaten en dan trekke men een snoer erdoor, dat lang gedragen moet worden!

 

Drope (schurft) en ioocsele (jeuk) kunnen voortkomen van bloed, dan moet men bloed laten, komt het van andere humoren dan zal men deze purgeren, daarna baden (verschillende recepten worden aangegeven, waaronder en me zwavel) en vervolgens insmeren met zalf waarvoor meerdere formules worden gegeven.

Veelal, volgens de meesters, komt drope van falsum fleume, dat is gezouten flegma (een toestand waarin het levensvocht flegma kan verkeren in de aderen) waartegen een zalf wordt voorgeschreven ofwel een olie van essenhout, verkregen per descensum, dat wil zeggen door neerwaartse destillatie

 

Tinea, dats scorftheit (schurft). Herbarius in Dyetsche; ‘Tinea dats schorftheyt of rappicheyt van hoefde’.

Tinea (ringworm, teigne) komt voort ofwel van zout flegma, dan gaat het gepaard met jeuk, ofwel van zwarte gal, dan komen grote roven, ofwel van bloed, dan zijn de puisten bloedachtig en etterig, ofwel van gal en dan zijn het kleine puistjes alom verspreid.

De voorgeschreven medicatie; het hoofd bepleisteren, dan bedekken met een doek en met een ruk de doek aftrekken zodat het haar volgt. Deze barbaarse methode vroeger veel in gebruik is de geschiedenis ingegaan onder de benaming la methode dite de la calotte! Doch het moest gebeuren want ‘geen scorfde hoofden en genesen daer quade hare in siin’. Toch worden andere methodes aangegeven om haar te verwijderen en tevens te ontluizen, meestal op basis van loodglit.

Om nadien het haar terug te laten groeien worden allerlei middelen aangeprezen waarvan sommige in de volksmond nog bekend zijn zoals koeiendrek, verbrande schoenen of verbrandt perkament, verbrande bijen, geitenkeutels etc.

Luizen groeien (door generatio spontanea) in de poriĎn van de huid die verstopt zijn door humoren, rode luizen komen voort van hete materie, witte van flegma en zwarte van zwarte gal. Men verwijdert luizen met kwikzilver en loodglit in azijn. Een vernuftige methode; leg staverzaad (Delphinium staphisagria L) met terpentijn gemengd op katoen in de schoot en de luizen zullen er alle naartoe lopen.

 

Malum mortum, ‘Herbarius in Dyetsche’ het is een soort van kwade schurft als zeren van doodkleurige puisten omtrende benen, schenen of elders waarvan de leden dor of droog worden.

Malum mortuum, een lepra-achtige aandoening der huid met livide verkleuring alsof die afgestorven zijn, komt meest voor op de benen die vol etterige zwarte puisten staan.

 

Oogziektes.

Oogziekten kunnen ontstaan door ieder van de 4 humoren.

1. van bloed; kentekenen; rode ogen, rode vlekken in het wit van de ogen; de urine is rood en vet; medicatie; hoofdader laten.

2. van gal; kenteken; pijnlijk stekende ogen; urine geel; medicatie’gal purgerende middelen.

3. van flegma; kentekenen; aangezicht bleek en gezwollen; medicatie; flegma purgerende middelen.

Over zwarte gal wordt niet gesproken.

In geval van tranende ogen zal men op zwarte dingen kijken, een pleister appliceren van pluksel met allerlei geneesmiddelen erop, laat koppen zetten, het lelletje van de oren met een gloeiend ijzer doorboren en er een snoer doortrekken, cauterisatie op de arm, ader laten aan de slapen en het voorhoofd.

 

Macula, ‘dat betekent dat witte en vliezen op de ogen’. Zoals Scellinck zegt, zijn zwart of bruin als zijn van zwarte gal voortkomen en zijn ongeneeslijk; zijn ze wit dan kunnen die genezen; bruine die voortkomen van viskeuze humoren en die buiten aan de ogen hangen worden er afgelicht met een naald of haakje.

 

Ungula (bedoeld wordt pterygium, een driehoekig vlies dat zich aan de voorzijde van het oog vormt met de basis naar de ooghoek gericht en met de punt over het hoornvlies heen groeiend, wordt door Scellinck aldus beschreven; ‘Ungula in oculo dat is de nagel in het oog. En ungula begint te groeien in de ene hoek van het og en groeit geleidelijk door tot het geheel bedekt is en het zien beneemt’. Men zal het eveneens met een naald wegnemen, doch vooral zal men het weken hetzij met vrouwenmelk, met bloed uit de vlerken van jonge duiven, met merg uit een ganzenveer, met gal van roofvogels hetzij met gal van een man die met het zwaard gedood werd of met nog andere meer, om van te griezelen.

 

Neusbloeden.

Bij neusbloeden zal men aldus te werk gaan;

Bloedt men uit het linker neusgat;

De hoofdader laten op de linkerarm.

Pleisters leggen op de milt.

Voorhoofd en hals bestrijken met azijn.

Bloedt men uit het rechter neusgat;

De hoofdader laten op de rechterarm.

Pleisters leggen op de lever.

 

Buikloop.

Er bestaan 3 soorten buikloop, namelijk disenteria, lyentiria en dyaria.

Disenteria gaat gepaard met bloedafgang en men voelt stekende pijn soms boven en soms omtrent de navel. Naar gelang de plaats van de pijn en de kleur van de uitwerpselen zullen geneesmiddelen ingegeven worden; in sommige gevallen zet men klysma’s of legt men pleisters op de maag.

Lientiria is een diarree waarbij de faeces onverteerde voedselresten bevatten. Daar zijn vier oorzaken voor; ofwel zijn er in de maag en darmen te veel viskeuze humoren, ofwel heeft de natuur geen kracht om de spijzen te verteren, ofwel is de zieke te zwak om de spijzen in te houden, ofwel zijn maag en darmen gewond door hete humoren  .

Dyaria is een eenvoudige buikloop zonder stekende pijn; de spijzen zijn verteerd, het is een spoeling van het lichaam.

 

Buikwormen.

Acarides (=oxycures vermiculares, aarswormen) en lombrici (-ascarides lumbrodoides, spoelwormen) zijn wormen die in het lichaam groeien; zij ontstaan uit grove moeilijk te verteren spijzen. De lombrici, lange wormen, huizen in de kleine darmen, de acarides in de grote darmen of in de aars.

 

Antrax is een zweer die door giftige humoren veroorzaakt wordt. Er worden vier soorten onderscheiden naar gelang zij voortkomen van de 4 humoren of de menging ervan. Antrax wordt genoemd de ‘bloemen in het vlees; waar ze uitbreken zal heeft men het gevoel alsof daar lood gehangen is.

Medicatie; bloed laten dicht bij de aangetaste plaats, uitgezonderd als de anthrax aan het bovenste deel van het lichaam staat. Kinderen beneden de 14 jaar zal men laat koppen zetten, daar het niet toegelaten is die bloed te laten. Pleisters worden aangebracht en als de anthrax rijp is zal men er met een’schaar in snijden. Daarna zal men er gekookte kruiden op leggen om te genezen; mensendrek dient ook daartoe.

Ongelukkig geeft de auteur (of de kopiist) geen verdere uitleg over de 4 soorten van antrax en kunnen we de regels 2261, 2262, die waarschijnlijk op een corrupte tekst berusten, moeilijk verstaan. Het gaat dus over anthrax en carbunculus en verder lebon, mogelijk verminking van flegmon; dan zouden bonus (goedaardig) en malanus (malignus; kwaadaardig) slaan op phlegmon waarvan Scellink zegt; flegmon is diep in dat vleesch; en hij maakt ook onderscheid ‘’t zij datse waerachtig ofte onwaerachtigh zijn’.

            Hortus sanitatis noemt ‘antrax die zweer en lopenze blaar en ‘Carbunculus dat is een swarte bladere die gheheel feninich is Ende dese gelijckt der pestilencie Ende ghelinstert ghelijc eenen carbunckelsteen’. Herbarius in Dyetsche; ‘’het is tegen kwade puisten (als antrax), van Beverwijck; ‘Anthrax komt in alle delen van het lichaam voor als een klein puistje of hard knobbeltje met jeuk en grote brand, is in het begin nauwelijks zo groot als een erwt maar wordt geleidelijk aan groter met zeer stekende en onlijdelijke brandende pijn en vooral ‘s avonds en ’s nachts, ook meer terwijl de spijs in de maag verteerd wordt dan als het verteerd is. Werpt soms een, soms twee blaren op en als die geopend worden ziet men het vlees eronder dat net zoals met gloeiende kolen zwart verbrand is waarom het bij de Grieken Anthrax, bij de Latijnen Carbunculus en bij ons pestkolen genoemd wordt’.

 

Aderlaten.

Eerst wordt gewaarschuwd dat men oude lieden geen bloed zal laten, ook zwangere vrouwen niet, alleszins niet voor de 4de maand zwangerschap, ook kinderen beneden de 14 jaar niet; evenmin wordt bloed gelaten bij grot warmte of hevige koude of bij nieuwe maan.

            Op getuigenis van Aristoteles, Plinius en Galenus wordt het aderlaten uiteengezet;

            Uit het hart komen 2 aderen, een grote en een kleine; de eerste gaat naar voor, de andere naar achter. De voorste heeft veel vertakkingen, in het geheel 365. De ene soort aderen voeren bloed omhoog van de borst naar de schedel, de andere soort neerwaarts tot aan de voeten.

             Volgens de school van Salerno zijn er 34 aderen waaraan men bloed mag laten. Om de opwaartse aderen af te binden gebruikt men aan de hals een handdoek, doch aan de tong een houten tang; voor de neerwaarts gaande wollen doeken.

            Ligging van de aderen en reden van bloed laten;

            Een midden op het voorhoofd tussen de wenkbrauwen; goed voor het gezicht.

            Twee achter de oren; zuiveren van hoofd en ogen.

            Twee in de hoeken van de ogen; tegen huidziekte; voornamelijk rond de ogen en in het aangezicht.

            Twee bezijden de neus; zuiveren van ogen en aangezicht.

            Een vooraan in de neus; zuiveren van aangezicht en tegen koorts.

            In de mond aan beide zijden; zuiveren van klieren bij gekloven lippen en tegen neusslijm.

            Twee onder de tong; zuiveren van de huig en tegen wurggevoel.

            Twee in de hals; zuiveren van hoest, huidziekten en zwarte gal.

            Twee hoofdaderen in de bovenarm; zuiveren van hoofd, ogen en bij neusbloeden.

            Twee hartaderen in het midden van de arm; zuiveren opwaarts en neerwaarts.

            Twee leveraderen beneden de hartaderen; zuiveren lever.

            Twee longaderen beneden de leveraderen; zuiveren het midden lichaam.

            Twee miltaderen beneden de buiging van de elleboog; zuiveren de milt.

            Twee op de hand tussen de grot en kleine vinger; zuiveren de milt.

            Twee onder het vlezig gedeelte van de benen.

            Twee naast de enkel binnenwaarts.

            Twee midden van de wreef tussen de twee grootste tenen; bij heuppijn, pijn in de geslachtsdelen, aandoeningen van de baarmoeder, aambeien, zweren, blaasaandoeningen, jicht, reuma en anderen.

            Het kan gebeuren dat bij het vliemen het bloed er niet uitspuit, dit kan te wijten zijn aan verschillende oorzaken, als vrees, slecht gewarmd, slecht gebonden, slecht geraakt of het bloed te dik of de ader weggeschoten. Herdoen of op een andere plaats opnieuw beginnen. Verder worden aanwijzingen gegeven om het bloed nadien te stelpen.

            Wat nu de redenen betreft waarom bloed gelaten wordt. Die worden als volgt geformuleerd; ader laten is het begin van de gezondheid, het tempert de hersenen en het beenmerg, het verbetert de intelligentie, het slapen, het horen, het spreken, het zuivert het bloed en de maag en bewerkt een regelmatige stoelgang.

            Door middel van bloed in water te laten druppelen kan worden vast gesteld of iemand binnen het jaar zal sterven.

            De hoeveelheid bloed dat gelaten moet worden wordt bepaald en daarna volgen dan nog enkele raadgevingen voor diegene aan wier bloed werd gelaten.

            Men kan soms in plaats van bloed laten de voorkeur geven aan koppen zetten. Volgens getuigenis van Albucasis kan men op 14 plaatsen koppen zetten, liefst op vlezige plaatsen. Deze 14 plaatsen worden genoemd; onder de kin, in de nek of achter de schouders, 2 op de armspieren, 2 op de voorarmen, 2 op de billen, 2 op de dijen, 2 benneden de kuiten, 2 bezijden de enkels binnen beide voeten.

            Venteusen (koppen) worden 3 maal achter elkaar geplaatst, men mag om de uitwerking te verhogen vooraf scheuren maken met een mes. Om verzwering te voorkomen wordt de wond daarna gezuiverd.

Venteusen purgeren het klein bloed dat in de kleine aderen ligt tussen vel en vlees; het kan gedaan worden zonder gevaar of vrees. Men zal bij voorkeur koppen zetten bij volle maan, in het midden van de maand tussen 6 en 9 uur ’s morgens.

            Men zet koppen op het hoofd van krankzinnigen onder andere voor zweren bij deze lieden; in de nek, ofschoon dit nadelig is voor het verstand is het goed voor de schouders, de keel, de hals en het aangezicht; tussen de schouders is goed bij bloed spuwen, onder de kin goed voor de tanden, het gehemelte, de keel en het hoofd; aan de zijden, bij pijn in de schouders en armen; vooraan aan de zijden, bij schurft vooral aan handen; op de rug tegen zweren op de dijen, tegen aambeien en fistels; op de dijen bij verzweringen van de teelballen en zweren aan de benen; buiten aan de dijen tegen ziekten van de aars en zweren aan de heup; op het vette van de benen tegen ontstoken blaas en tegen geslachtsziektes bij vrouwen; op de kuiten van de benen om het bloed te zuiveren in het hele lichaam; onder de enkels tegen pijnen in de knieĎn en de schenkels en tegen geslachtsziektes bij de vrouwen.

            De schrijver maakt een duidelijk onderscheid tussen het koppen zetten met bloeding en zonder bloeding; voor de eerste geeft hij drie bestaansredenen aan, voor het koppen zetten zinder scarificatie zes verschillende redenen.

            Nadat de koppen afgedaan zijn moet de plaats gezuiverd worden met water.

            Kinderen beneden de 3 jaar zal men geen koppen zetten.

 

 

MIDDELNEDERLANDSCH HANDWOORDEN BOEK

BEWERKT DOOR J. VERDAM

HOOGLEERAAR TE LEIDEN, MAART 1911.

's-GRAVENHAGE

MARTINUS NIJHOFF

Uit; http://www.dbnl.org/arch/verd003midd04_01/pag/verd003midd04_01.pdf#page=7

 

A, het letterteken, vr.

A, voorvoegsel in abolge, adrotich, amechticla, asage, awech, awise. Zie bij awech.

A, znw. vr. Uit ahe; water, slechts bewaard als naam van rivieren en wateren; ook als tweede deel van samenstellingen.

AB, Abete, znw. o. (en m?). ABC, alfabet.

Ababijs, bnw. Verslagen, van zijn stuk gebracht.

Abanoyement, znw. o. Genoegen, genot.

Abatement, znw. o. Uitspanning, verlustiging, vooral toneelvertoning. Zie esbatement.

Abatementen, zw. ww. intr. Een toneelvoorstelling geven. Abatementer.

Abbedesse, abedesse, abedisse, abdesse, abdes, abbedersse, abbedesse, abbedis, ook: ebdisse, znw. vr. Abdis.

Abbedie, abedie, abdie, ook abbie, znw. vr. 1) Abdij. 2) de waardigheid van abt.

Abberdaen, abbordaen, abboerdaen, znw. m. Labberdaan (16de eeuw).

Abbet, abot (abbot), abd, abt, znw. m. Abt.; mv. abden, abte, abten, ook: abbaten.

Abbetijt, abetijt, 1) Lust, zin. 2) appetijt, eetlust.

ABC, Abecede, znw. o. en m. ABC, het alfabet.

Abdinne, znw. vr. Abdis. Abdisschap.

Abeel, ook: albeel, znw. m., (witte) populier. Populus.

Abeelijn, abeelen, bnw. Van abeelhout.

Abel, habel, bnw. 1) Geschikt, bekwaam. 2) bevoegd. 3) handig. 4) scherpzinnig, knap. 5) schoon, bevallig. 6) netjes. 7) kunstig; abel spel, een toneelspel met intrige en verwikkeling.

Abelheit, abelhede, znw. vr. 1) Geschiktheid, bekwaamheid, ervarenheid. 2) behendigheid, slimheid, scherpzinnigheid, schranderheid. 3) schoonheid, bevalligheid.

Abelijc, bnw. 1) Geschikt, kundig. 2) schoon.

Abelike, bijw. 1) Op een kundige, behendige wijze, handig. 2) op een mooie, bevallige wijze, mooi, netjes.

Aberdaen, znw. m. Abberdaan, labberdaan, zoute vis.

Abergoel, znw. o. Harnas. Vgl. halsberch.

Abeteker, abeteiker, abteiker, znw. m. Apotheker.

Abhominabel, bnw. Afschuwelijk, walglijk; een gruwel, een voorwerp van weerzin.

Abijt, habijt, znw. o. en m. 1) Kleed; tabbaard; ook: het kleed of de bedekking der ziel, het vlees, het lichaam. 2) ordekleed, kloosterkleed; kerkgewaad. 3) uitwendig voorkomen, uiterlijk.

Abis, abys, znw. m. Afgrond; ook: de hel.

Abisgronde, znw. vr. Afgrond.

Abisme, znw. m. (?). Onderwereld, hel.

Abiteren, habiteren, habitueren,  zw. ww. trans. Kleden. Vooral in het voltooid deelwoord geabitueert.

Aboleren, zw. ww. trans. Kwijtschelden.

Abolge, abolch, znw. vr. Verbolgenheid, verontwaardiging, vooral: de toorn van God.

Abolgich, bnw. Verbolgen, kwaad, kwaadaardig.

Abolginge, znw. Toorn (van God).

Abolitie, znw. vr. Kwijtschelding van straffen, amnestie.

Abillement, habilgement, znw. o. Uitrusting. Abilgement van orloge, krijgsbenodigdheden.

Abilleren, habilleren, abelgieren, zw. ww. trans. Bekleden; voorzien van het nodige, uitrusten.

Aborschap znw. o. Uit aenboortschap of aenborenschap. Familie; ook wel: eed hulp van familie.

Abortijf, aportijf, apertijf, znw. m. of o. 1) Misgeboorte. 2) een soort perkament.

About, znw. m. 1) Paal, grens, belending, 2) onderpand (?).

Aboutement, znw. Aanwijzing tot betaling, assignatie; ook: pand (?).

Abreye, znw. Vr. Koppelaarster. Abreischap.

Abreusch, bnw.; abreusch gout, fijn, zuiver, gelouterd goud.

Absenteren, zw. ww. trans. Ontvreemden, verduisteren; als wederkerig hem absenteren, zich verwijderen, wegtrekken.

Absconse, znw. vr. Slonsje, dievenlantaarntje.

Absolutie, absolocie, znw. vr. Absolutie, vergeving van zonden; vergiffenis van de geestelijke rechter voor een overtreding, waarvoor men in den ban is

gedaan.

Absolveren, apsolveren, zw. ww. trans. Vrijspreken, vergiffenis schenken, een straf kwijtschelden.

Abstinencie, abstinentie, znw. vr. Onthouding.

Abstinent, bnw. Hij die zich onthoudt (van iets).

Abstineren, zw. ww. intr. Zich onthouden.

Abstoen, znw. o. (of m. ?). Gezwel. Zie aposteme.

Abuke, znw. vr. Hinderlaag.

Abundament, habundament, abundanement, znw. o. Vergunning, verlof, vrijbrief.

Abusie, znw. vr. Dwaling, zonde.

Abusioen, znw. vr. Dwaasheid.

Abuus, znw. o. 1) Een vreemde, zonderlinge zaak; dat moye abuus, de dwaasheden der mode („costelick mal"). 2) fopperij, bedrog, zinsbegoocheling. bnw. (?) abuus vallen, bedrogen worden.

Accent, znw. V. Klemtoon; klemtoonteken. Accentueren.

Acces, znw. m. Aanval van een ziekte, opkomen van een koorts. Accessie, znw. vr. Hetzelfde.

Ach, tussenwoord. Ach, och ! Als znw. wenen, gejammer, ook in de uitdrukking ach no wach.

Acharme, achaerme, acherme, acharm. Helaas, wee! Achay, ach ay, Ha ha!

Achdage, achtage, uit acht dage.

Achel, znw. m. Hetzelfde als achtel, achtendeel. Naam van een landmaat (Noord Holland).

Achemant, aetsemant, bnw. Bevallig, schoon van uiterlijk, zowel door eigen schoonheid als door kleding.

Achemeren, aetsemeren (haetsemeren), acemeren, asemeren, atsemeren, zw. ww. trans. Uitdossen, optooien, opschikken. Hem atsemeren, zich uitdossen, zich uitrusten.

Achemure, aetsemure, znw. vr. Opschik, tooi, uitrusting.

Achendeel, znw. o. en m. Voor achtendeel, achtste gedeelte, 1/8. Ook benaming van een landmaat.

Achstende, bnw. Achtste.

Achtbaer, bnw. 1) Achting of aanmerking verdienende, aanmerkelijk; achtbare wonde, benaming van een verwonding van een bepaalde grootte en

diepte, zware verwonding. 2) van personen (oost midden Nederland), aanzienlijk, voornaam.

Achtbrief, znw. m. Brief waarin iemand in de ban wordt gedaan.

Achte, acht, hachte, znw. vr. 1) Gerechtelijke vervolging, straf. 2) rijks proscriptie, keizerlijke ban. 3) ellende, ellendige toestand.

Achte, acht, znw. vr. 1) Opmerkzaamheid, oplettendheid, aandacht, zorg; achte nemen, achte slaen, met de genitief opmerkzaam zijn, toezien. 2) achting, waarde aan iets toegekend; ook: eer die iemand geniet door zijn stand (vgl. achteloos). 3) toestand; enen in ere achte brengen, iemand in een zekere toestand brengen, hem op een zekere wijze stemmen. 4) overleg, beraad; met snelre achte, met kort beraad; in corter achte, met kort beraad, spoedig; sonder achte,  zonder beraad, terstond; in achte hebben, in beraad hebben, over iets denken, iets van plan zijn; achte hebben ere dinc, iets van plan zijn, iets in zijn gedachten krijgen. 5) beraad in recht; ene achte bidden, verlof vragen om zich te beraden; achte woorde, achtinge woorde, de woorden van het beraad, de uitslag van het gehouden beraad die de rechter moest worden medegedeeld. 6) uit overleg voortvloeiende mening, beschouwing, opvatting; in rechter achte, naar juiste opvatting, in waarheid; bi ware achten, in werkelijkheid, in waarheid.

Achte, aechte, achete, acht, telwoord. Acht; die acht te Dordrecht, een uit acht personen bestaand college van uit de gilden gekozen rechters of raadslieden; een acht, een lid van een dergelijk college. Achtendetwintich, enz.

Achtedach, achtendach, znw. m. Octaaf van een kerkelijk feest. Ook in het mv. achte dagen.

Achteel, znw. o. en m. Uit achtteel, achtdeel, achte deel, achtte deel. Achtste deel, 1/8.

Achtehalf, telwoord. Achthalf, zeven en een half.

Achtehoeven, znw. vr. mv. Achthoeven, naam van een buurschap. Misschien ook is het zw. mv. bedoeld van hof, „,hofstede". Vgl. Achtienhoven.

Achtel, echtel, znw. m. (?). Het achtste deel van een inhoudsmaat van natte en droge waren. Zie ook achel. Achtelinc, hetzelfde.

Achteloos, bnw. Eerloos; enen achteloos ende vredeloos ballinc leggen.

Achten, hachten, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Nadenken, zich beraden. 2) in recht, zich beraden, consult houden met de in rechte betrokken partijen. 3) achten jegen, tegen iet, bedenkingen tegen iets maken. 4) in rechte, tegen iets in verzet komen. 5) acht geven, zorg dragen, met de genitief of om. 6) zich voornemen, ook met de genitief. 7) zich gelegen laten liggen aan, zich bekommeren om, met diegene of met van, om, op en bi, of met een afh. zin. II. Trans. 1) Menen, geloven. 2) denken aan, bedacht zijn op. 3) denken, rekenen op, verwachten, vermoeden. 4) beramen; enen iet achten, iets voor iemand bestemmen; enen tot iet achten, iemand tot iets bestemmen. In recht, geachte tale, de geijkte rechtstermen. 5) iets voornemen, tot iets besluiten; geacht hebben, voornemens zijn. 6) achten, schatten, aan iemand of iets een zekere waarde of belang toekennen; achte over, houden voor, beschouwen als; achte te, opvatten als; geacht sijn met, mede gerekend worden onder, gelijkgesteld worden met; niet geacht zijn, geen waarde hebben, (niet) geacht

sijn jegen, (niets) te beduiden, hebben tegenover, (niet) in aanmerking komen bij.

Achten, achte, acht, bijw. In het Oost midden Nederlands; west midden Nederlands is bachten. 1) Van achteren; ook van achten. 2) achterna.

Achtendach, achtedach, znw. m. De achtste dag. Bepaaldelijk: de octaaf van een kerkelijk feest.

Achtendalf, telw. Achtalf.

Achtendalfwerven, achtendalfwerve, telwoord.

Achtende, bnw. Achtste. Eigenlijk achtede.

Achtendeel, znw. o. en m. Het achtste gedeelte; bepaaldelijk van een inhoudsmaat, vooral van koren en zout (een halve zak), en van een vlaktemaat. Vgl. ook achtel, achendeel, achel. Bij geslachtsberekeningen, een der acht kwartieren. Verkleinwoord achtendeeltge, achtendeeltkijn, vaatje, tonnetje (voor haring).

Achtenste, bnw. Achtste.

Achtentich, telwoord. Tachtig.

Achtentichmael, Achtentichste.

Achter, after, voorz. I. Van plaats. 1) Achter; achterrugge, achterbaks, achter de rug; achterwaarts, terug; achterwaarts, achterover; achterrugge

setten, werpen, op de achtergrond zetten, geringschatten; achtervoet, achteruit, terug; achter voet volgen, op de voet volgen; achter voet gaen, achteruitgaan, op de achtergrond geraken. 2) naar, in de richting van iemand die zich verwijdert; achter enen sien, roepen, iemand achterna kijken, roepen; achter enen horen, naar iemand luisteren; jagen achter een hert, op een hert jacht maken. 3) achter iemands rug, buiten iemands tegenwoordigheid, 4) doorheen, overheen, langs; achter lande, door het land heen, overal in het land; achter velde, tfelt, over, op het veld; achter straten, achter die strate, langs de weg; achter wege, langs de weg, hier of daar op de weg. II. Van tijd. Na; achter dien, achter dat, na die tijd, daarna; voor die sonne, noch achter die sonne, na zonsondergang; achter (dien) dat, nadat. III. Van rangorde of volgorde. Na, achter; achter een, achtereen, na elkander. IV. Van omstandigheid. Naar, bij, ww. van „heten, genoemd zijn", en gezegd van hetgeen als voorbeeld heeft gediend (Frans d' apres); gemaect achter, volgens; achter dat, recht. Van, bij ww. Van spreken.

Achter, after, bijw. I Van plaats. 1) Aan de achterzijde, van achteren. 2) aan de achterzijde, achteraan. 3) naar achteren. 4) in een nadelige of ongunstiger toestand, in benarde omstandigheden, in verval; in verslagenheid of neerslachtigheid. Naast achter staat in deze betekenis ook tacher (te achter;

vgl. Noord Nederlands „ten achteren"). Achter te hebben, het kwaad hebben, in het nauw zijn; het onderspit delven; het ten achter hebben: tachter

werden, gaen, ten achteren komen, er slecht aan toe worden; tachter doen, setten, achteruitzetten, terugslaan; tachter houden, in het nauw houden; tacher bliven, in de benauwdheid of het ongeluk blijven; hem tachter geven, zich overwonnen verklaren; tachter visschen, met nadeel vissen, met

schade de visserij drijven. 4) in gebreke, zowel in zedelijke zin als ten opzichte van betalingen, achter, tachter, ten achteren sijn; ook: nog

te goed hebben, nog van iemand te vorderen hebben. 5) nog over; achter sijn, overgebleven zijn, nog over zijn. II Van tijd. Na. 1) Verbonden

met voornaamw. bijwoorden, hierachter, hierna; daer achter, daarna. 2) hierna, naderhand; eer ende achter, vore(n) ende achter, vroeger

en later, voor en na, te allen tijden.

Achter, znw. o. Het bijw. zelfstandig gebruikt, schade, nadeel. Vgl. achterdeel.

Achter, znw. Een landmaat (Noord Holland). Vgl. achtel.

Achter, znw. m. Schatter, taxateur.

Achteraen, Achterbacs.

Achterban, znw. m. De legermacht door de leenheer ten strijde opgeroepen uit de achterleen mannen.

Achterbaren, achterboren, znw. m. Achterneef.

Achterbate, znw. vr. Later volgend geluk, de gelukzaligheid.

Achterbillen, znw. vr. m. De billen, het achterste.

Achterbliven, st. ww. intr. I. Met een persoon als onderwerp. 1) Achterblijven, na de dood van iemand blijven leven; het onderspit delven. 2) in

Gebreke blijven ten opzichte van iets, het niet volvoeren; eenre clagen achterbliven, een aanklacht niet kunnen bewijzen, zijn zaak verliezen. 3) niet verschijnen voor het gerecht. II. Met een zaak als onderwerp 1) Achterwege blijven, onvermeld blijven. 2) achterwege blijven, onvervuld of niet voldaan blijven. 3) ophouden te zijn of te bestaan, ophouden. 4) in recht, niet van kracht zijn, nietig zijn. 5) nablijven, nog over zijn.

Achterboech, znw. o. Staartriem van een paard.

Achterbordine, znw. vr. nageboorte.

Achterbraken, zw. ww. intr. Achterwaarts trekken, wijken.

Achterbringen, achterbrengen, onr. zw. ww. trans. Naar achteren brengen, terugdrijven.

Achterbucken, zw. ww. intr. Achterwaarts bukken, zich achterover buigen.

Achterdaet, znw. vr. Latere daad, hetgeen men doet tot herstel van een vroegere daad waarover men berouw heeft.

Achterdeel, znw. o. Het achterstaan bij iemand; nadeel, schade.

Achterdelich, achterdeelich, bnw. Nadelig, schadelijk.

Achterdeisen, achterdeinsen, zw. ww. intr. Achterwaarts deinzen, terugdeinzen, terugwijken, wijken.

Achterdecanie, znw. vr. Onder decanaat.

Achterdeken, znw. m. Onderdeken.

Achterdenken, onr. zw. ww. intr. Nadenken over, iets overdenken, inzonderheid over eigen handelingen met bekommering. znw. o. 1) Berouw,

inkeer. 2) achterdocht, verdenking.

Achterdijc, afterdijc, znw. m. Binnendijk; ook een sluiting aan de achter of binnenzijde, in tegenstelling met de dijk aan de voorzijde, nl. Tegen het

buitenwater.

Achterdijcesloot, znw. vr. Achterwetering. Achterdijcsloot: sloot langs een achterdijk.

Achterdoen, onr. ww. trans. 1) Naar achteren doen, achteruitschuiven. 2) terugslaan. 3) achteruitzetten, benadelen. 4) naar de achtergrond schuiven,

opzij zetten, opgeven, laten varen, een gebod, een mening, enz.

Achterdore znw. vr. Achterdeur.

Achterdragen, st. ww. intr. 1) Achterwaarts trekken, terugwijken. 2) enen (datief) achterna dragen, de handen van iemand aftrekken, hem in de steek laten.

Achterdraven, zw. ww. intr. Achteraan draven.

Achterdringen, st. ww. intr. en trans. I. Intr. Achterna dringen, met gedrang achterna komen. II. Trans. 1) Achterwaarts dringen, terugdringen. 2) iet

achterdringen, terugzetten, benadelen.

Achterdriven, st. ww. trans. 1) Enen achterdriven, terugdrijven, verslaan. 2) iet achterdriven, achteruitzetten, op de achtergrond drijven, afschaffen, te niet doen.

Achterdromen, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. Terugwijken, zich achterwaarts een doortocht banen, terugdringen. II. Trans. Achterwaarts

dringen, terugdringen.

Achterebbe, znw. vr. Het laatste gedeelte der eb.

Achtereen, bijw. van tijd en volgorde. 1) Achtereen, aan een stuk, achtereenvolgens. 2) ogenblikkelijk, op het ogenblik zelf.

Achteren, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. Achteruitgaan, benadeeld worden. II. Trans. 1) Benadelen. 2) uitstellen.

Achterende, achtereinde, znw. o. 1) Het achterste eind of gedeelte; int achterende bliven, achteraan blijven; ten achteren blijven, bij een wedstrijd. 2)

Achterste van het menselijk lichaam.

Achtererve, aftererve, znw. o. Een achter een huis gelegen erf.

Achtereten, aftereten, znw. o. Des achteretens, na het eten, na de maaltijd.

Achterfeeste, znw. vr. Feest dat men viert na afloop van een ander, nafeest.

Achtergaen, aftergaen, st. onr. ww. intr. En trans. 1. Intr. (scheidbaar). 1) Achteraan gaan, achternagaan, volgen. 2) achteruitgaan, wijken. 3) achteruitgaan, in het nauw geraken, het onderspit delven. 4) achteruit krabbelen, het beloofde of voorgenomen niet gestand doen, een plan opgeven. Met een zaak als onderwerp. 5) naar achteren gaan of gebracht worden. 6) achterwege blijven, niet plaats hebben, niet gebeuren. II Trans. Achterhalen, inhalen.

Achterganc, znw. m. Achteruitgang.

Achtergebliven, st. ww. intr. Uitblijven, niet geschieden. Vgl. gebliven.

Achtergebreken, st. ww. intr. Achterwege blijven, overblijven te doen.

Achtergedoen, onr. ww. tr. Terugslaan, verslaan.

Achtergecrigen, st. ww. trans. Achteruitkrijgen.

Achtergelande, znw. m. Hij die zijn land achter dat van een ander heeft.

Achtergerechte, achtergerichte, znw. o. Het gerecht van een plattelandsgebied, dat vroeger met een en later tot stad verheven, plaats één rechtsgebied

vormde, in tegenstelling met het stadgerecht.(Overijsel).

Achtergereide, znw. o. Achterste gedeelte van het paardentuig, staartriem.

Achterglas, znw. o. Achterraam van een kerk (?).

Achtergodinc, achtergeding, znw. o. Een terechtzitting telkens drie weken na het echte ding, “goding” gehouden.

Achterhacstuc, afterhacstuc, znw. o. Achterlap van een schoen.

Achterhalen, zw. ww. trans. I. Met een persoon als object. 1) Achterhalen, bereiken, vangen, vatten, aanhouden. 2) betrappen op iets dat strafbaar is,

iemand van schuld overtuigen, ook in recht. 3) verrassen. 4) beschuldigen; ook: van schuld overtuigen. II. Met een zaak als object. 1) Door een gerechtelijk vonnis verkrijgen. 2) bewijzen. 3) inhalen, herstellen, een schade. 4) terugkrijgen; vgl. onachterhaellijc, gezegd van de tijd. 5) invorderen,

een schuld.

Aehterhame, znw. m. Staartriem van een paard.

Achterheit, znw. vr. Het ten achteren zijn, dus 1) Achterstand, achterstal. 2) nadeel, schade.

Achterhere, znw. o. Achterhoede van een leger.

Achterhiel, znw. m. Hiel, hak. Op sine achterhielen vallen, achteruitkrabbelen, terugkrabbelen.

Achterhoede, znw. vr. Achterhoede, die achterhoede doen, de achterhoede uitmaken of vormen.

Achterhoeden, zw. ww. trans. Bewaren, behoeden, beschermen.

Achterhofstede, znw. vr. Een achter een andere of achteraf gelegen hofstede.

Achterhouden, st. ww. trans. en intr. Trans. Ten achteren houden, aanhoudend in het nauw brengen, in een treurige toestand houden. II Intr.

Ophouden, het er bij laten.

Achterhouder, znw. m. Beletter, hij die iets tegenhoudt of verhindert.

Aehterhusinge, afterhusinge, znw. vr. Achterhuis.

Achterhuus, znw. o.

Achterhuwelijc, achterhouwelijc, znw. m. en o. Later huwelijk.

Achterjagen, zw. ww. trans. Achteruitjagen, terugdrijven.

Aehtercamp, aftercamp, znw. m. Een achteraf gelegen kamp of stuk land; ook: een achterbuurt.

Achtercasteel, znw. m. en o. Hoog oplopend achtergedeelte van een schip, achtersteven.

Achterkeer, znw. m. Het achterwaarts keren, het terugwijken.

Achterkeren, achterkeeren, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Terugkeren, terugtrekken. 2) achterwaarts keren, terugwijken. 3) zich terugtrekken van

iets, iets niet gestand doen, met de genitief; sonder achterkeren, zonder bezwaren te maken, zonder mankeren. II. Trans. 1) Naar achteren brengen, verwijderen. 2) achteruitzetten, benadelen.

Achterkerke znw. vr. Het achtergedeelte van een kerk.

Achterkint, achterskint, after(s)kint, znw. o. Een bloedverwant in de graad van „achtersusterkint".

Achterkintsvrede, achterskintsvrede, znw. m. Een vrede of verzoening tussen twee families tot aan de graad van „achterkint."

Aehterclap, znw. m. Achterklap, laster, kwaadsprekendheid; enen achterclap doen, iemand belasteren.

Achterclappen, Achterclapper, Achterclappinge, Achterclapster.

Achterclocke, znw. vr. Avondklok.

Achterclop, znw. m. Klap of slag van achteren toegebracht; schade, nadeel.

Achtercomen, st. ww. intr. 1) Achteraankomen, volgen; ook: achteropkomen. 2) achteruitraken, in het nauw komen, het onderspit delven.

Achtercoper, znw. m. Latere of opvolgende koper.

Achtercrommen, zw. ww. trans. Achterwaarts buigen, naar achteren buigen of wenden.

Aehtercruden, st. ww. trans. Achterwaarts dringen, terugdrijven.

Achtercrupen, st. ww. intr. Terug kruipen, wegkruipen.

Achterlant, znw. o. Een land gelegen achter een ander.

Achterlaten, st. ww. trans. I. Met een persoon als object 1) Achterlaten, nalaten. 2) verlaten, begeven, aan zijn lot overlaten. 3) verloochenen. 4) laten

achterblijven, thuis laten, overslaan. II. Met een zaak als object 1) Achterlaten, nalaten. 2) verlaten. 3) afstand doen van iets. 4) achterwege laten, onvermeld laten. 5) achterwege laten, nalaten, verzuimen; enen wech achterlaten, een weg niet nemen, een tocht niet doen; als znw., tekortkomingen. 6) verzuimen, verwaarlozen, niet behartigen, in de wind slaan. 7) nalaten, laten varen. 8) afschaffen, buiten gebruik stellen. 9) ophouden, uitscheiden.

Achterlatenesse, achterlatenisse, znw. vr. 1) Verzuim, plichtverzuim, tekortkoming. 2) verlatenheid.

Achterlater, znw. m. Afvallige.

Achterlatinge, znw. vr. Het plegen van verzuim ten opzichte van iets, verkorting van of inbreuk op (iemands recht).

Achterleen, znw. o. Achterleen, leen waarvan een leenman leenheer is, leen uit de tweede hand.

Achterleenhouder, znw. m. Achterleenman.

Achterleggen, zw. ww. trans. 1) Naar achteren leggen, achterover leggen, 2) op de achtergrond schuiven, uitstellen. 3) op de

achtergrond schuiven, afschaffen.

Achterlene, znw. vr. Rugleuning.

Achterleven, zw. ww. intr. Overleven, nog leven bij iemands dood.

Achterliden, zw. ww. intr. 1) Voorbijgaan, van de tijd; achterleden, verleden, voorbij. 2) achteruitgaan, wijken; toegeven.

Achterlijc, bnw. Aan de achterzijde gelegen.

Achterlinc, achtelinc, znw. m. Achtste gedeelte van een (graan)maat.

Achterlopen, st. ww. trans. Inhalen.

Achtermersch, achtermeersch, znw. m. Weide die achter een andere gelegen is.

Achtermiddach, aftermiddach, znw. m. Achtermiddag.

Achtermoeder, achtermoder, znw. vr. Moeder in een gesticht (? ).

Achterna, bijw. Van plaats en tijd. 1) Achterna, 2) later, naderhand.

Achternaer, bijw. Achterna, later, daarna.

Achternaraet, znw. m. Raad die achterna gegeven wordt en dus te laat komt; of ook: een plan dat achterna gemaakt, een besluit dat achterna

genomen wordt.

Achternoene, znw. vr.; achternoen, znw. m. Achtermiddag.

Achterpensen, achterpeinsen, zw. ww. intr. Overdenken, nadenken; zich bedenken.

Achterporte, afterporte, znw. vr. 1) Achterpoort. 2) aars, het achterste.

Achterquerne, achterqueerne, znw. vr. Het achterste, het achterkwartier.

Achterraet, znw. m. 1) Hetzelfde als achternaraet. 2) in sommige zuid Nederlandse steden, buitengewone raad, gevormd uit de gezworenen der ambachten, de honderdmannen en de tiendemannen of wijkmeesters, die alleen in hoogst gewichtige aangelegenheden bijeengeroepen en geraadpleegd werd.

Achterrecht, afterrecht, afterricht, znw. o. Hetzelfde als achtergerechte.

Achterrechter, achterrichter, znw. m. Rechter in een „achtergerechte" (zie aldaar).

Achterrechterampt, achterrichtampt, znw. o. Het ambt van achterrechter.

Achterrechtsweer, znw. m. Achterneef.

Achterrepel, achterreypel, znw. m. Staartriem

Achterriden, st. ww. trans. 1) Achternarijden, achteroprijden. 2) rijdende achterhalen, inhalen.

Achterrine, znw. m. Schertsende benaming van het achterste, de aars.

Achterroep, znw. m. Echo.

Achterroepen, st. ww. intr. Naroepen, naschreeuwen.

Achterrouwe, znw. vr. Te laat berouw, naberouw.

Achtersate, znw. m. Nazaat; opvolger.

Achtersaysoen, znw. o. Het late seizoen (van de visvangst), in tegenstelling van het vroege seizoen, van half maart tot Sint-Jan.

Achterschade, znw. vr. Nadelige gevolgen.

Achterschou, achterschau, znw. m. Het achternakijken, het nakijken; achterschou hebben, mogen achternazien of nakijken zonder iets te kunnen uitrichten.

Achterschouwe, znw. vr. Naschouw, herhaalde schouw, van dijken, wegen enz., om te onderzoeken of de gebreken bij de eerste schouw aangewezen naar behoren hersteld zijn.

Achterschouwen, zw. ww. trans. Achternazien, nastaren, naogen.

Achterschuven, zw. ww. trans. Achteruitschuiven of achteruitduwen, terugzetten, versmaden.

Achterseende, afterseende, afterseend, znw. m. In Drenthe. De tweede rondreis van de deken ter uitoefening van het geestelijke recht in zijn decanaat, in

tegenstelling met „de eerste seende".

Achtersenden, zw. ww. trans. Nazenden.

Achtersetten, zw. ww. trans. I. Met een persoon als object. 1) Op de achtergrond zetten, benadelen. 2) belemmeren, te keer gaan. II. Met een zaak als object. 1) Op de achtergrond stellen, verwaarlozen, of ook: tegenwerken. 2) met een datief, achterstellen bij. 3) op de achtergrond schuiven, onvermeld laten. 4) zich tegen iets verzetten met woorden, iets af keuren.

Achtersien, st. ww. intr. Achteruit zien, omkijken; daer en was geen achtersien, er was geen tijd voor omkijken, (bij een overhaaste vlucht); dachtersien (t.) hebben van, iemand mogen nakijken, zien dat iemand weggaat zonder dat men er iets aan kan doen; geen achtersien an enen, zonder aanzien des persoon.

Achtersijn, znw. o. Achterstal.

Achterskint, achterkint, afterkint, znw. o. Hetzelfde als achtersusterkint;

Achterskintmaech, znw. o. Bloedverwant in de graad van „achtersusterkint" of achterneef.

Achterskintsvrede, znw. m. Verzoening waarbinnen begrepen zijn alle verwanten in de derde graad.

Achterslaen, zw. ww. trans. Achternazitten, vervolgen.

Achterslotel, znw. m. Nagemaakte sleutel (?).

Achtersprake, znw. vr. Achterklap, laster.

Achterspraker, znw. m. Kwaadspreker. Achterspraecster.

Achterspreken, st. ww. intr. Achterklappen. Achterspreker.

Achterspringen, st. ww. intr. Achteruitspringen.

Achterst, afterst, bnw. 1) Achterste in een rij, achterste, b.v. van de poten van een viervoetig dier, tegenover „de voorste"; zo ook achterst vingeren;

vooral als znw., die achterst, dachterste, de achterste, de laatste; dat achterst, dachterste, tachterst, het achterste, de achterzijde. 2) het meest achteraf zijnde, uiterste, buitenste. 3) het minst in waarde. 4) van tijd, laatst; achterst clocke, poortklok; achterst vierschare, achterst were, laatste eis of

conclusie. Als znw. Die achterst, dachterste, 1) de laatste; ten achtersten, ten laatste, in de laatste plaats; int achterst, ten laatste, tenslotte. 2)

langst levende.

Achterst, bijw.; ook tachterst(e). 1) Het laatst, in de laatste plaats. 2) het laatst, voor het laatst, 3) ten laatste, eindelijk. 4) laatst, onlangs; achterst (ver)

leden, laatstleden.

Achterstadich, achterstedich, bnw.; Achterstallig.

Achterstaen, st. ww. intr. I. Intr. 1) Wijken. 2) zich verwijderen. 3) achterstallig zijn, verschuldigd zijn, met een geldsom als onderwerp. II. Trans. Achteruitzetten, iemand de voet dwars zetten, het tegenovergestelde van vorestaen.

Achterstal znw. o. Achterstal, achterstand.

Achterstal, bnw. Achterstallig; achterstal vonnis, een vonnis door schepenen in advies gehouden en uitgesteld, dat zij nog uitwijzen moeten.

Achterstalich, bnw. Hetzelfde als achterstallich, in de uitdrukking achterstalich hebben, achter de hand hebben, nl. een redmiddel, toevlucht.

Achterstallich, achterstalling, bnw. Achterstallig.

Achterste, znw. o. 1) Het achterste deel van iets; van schoenen, hak. 2) het laatste van iemand, zijn einde. 3) wat na iemand blijft, nakroost, nageslacht. 3) wat achter iemand komt, achter zijn rug is.

Achtersteken, st. ww. trans. 1) Terugstoten, terugdrijven. 2) van zich stoten, verstoten, 3) achterhouden, niet overleveren (aan het gerecht). 4) tegenwerken. 5) iemand doen achterstaan in iets, hem van iets versteken of beroven. 6) iet achtersteken, iets verwerpen, beneden zich achten.

Achterstelle, Achterstel, bnw. 2) Achterstallig. Misschien ook is de juiste vorm achterstel; ook achterstal komt als bnw. voor.

Achterstelle, znw. vr.; achterstel, znw. o. Achterstand, achterstallige schuld; enen sine achterstelle gelden, iemand betalen hetgeen men nog schuldig is; ironisch hem iets betaald zetten.

Achterstellen, zw. ww. trans. Achterstellen, uit de weg ruimen, wegnemen.

Aehterstellich, achterstelling, bnw. Achterstallig. Achterstellicheit.

Achterstelling. Zie achterstellich. Ook als znw. mv., achterstallige schuld.

Achterstendich, bnw. Achterstallig (oostmnl.).

Achterstoot, znw. m. Achteruitgang in zaken, tegenspoed.

Achterstoten, st. ww. trans. 1) Van zich stoten, verstoten, verjagen. 2) verwaarlozen.

Achterstrate, znw. vr. Achterstraat.

Achterstwerf, achterwerve(n), bijw. Het laatst, voor de laatste maal.

Achtersusterkint, znw. o. Een bloedverwant in de graad van achterneef, een verwant van de derde graad, gerekend van de gemeenschappelijke stamvader.

Achtersusterkintmaech, znw. Een bloedverwant in de graad (maag; verwant) van „achtersusterkint".

Achtersusterkintvrede, znw. m. Verzoening waarin de verwanten in de derde graad, in de graad van „achtersusterkint" begrepen zijn.

Achtersusterlinc, znw. m. Hetzelfde als achtersusterkint.

Achterswemmen, st. ww. trans. Zwemmende achterhalen.

Achtertale, znw. vr. Achterklap, laster.

Achterterden, achtertreden, st. ww. intr. Achterwaarts treden, terugtreden, wijken.

Achtertiden, zw. ww. intr. Terugtrekken, wijken.

Achtertien, st. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Achterwaarts trekken, wijken. 2) zich terugtrekken van of onttrekken aan iets; onvervuld laten, niet gestand doen, een belofte. II. Trans. Achteruittrekken, naar achteren brengen.

Achtertreken, st.; achtertrecken, st. en zw. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Achterwaarts trekken, zich terugtrekken, ook: om voor iemand plaats te maken of

om zich te weer te stellen. 2) wegsluipen, zich schuil houden. 3) zich terugtrekken, achteruitkrabbelen. 4) zich onttrekken aan iets, iets nalaten; ook: weigeren iets te doen; van een belofte, haar niet gestand doen. II. Trans. 1) Achteruittrekken, verwijderen. 2) achterwaarts trekken, achteruitzetten, tegenwerken. III. Wederk. 1) Zich terugtrekken, wegblijven, zich schuil houden. 2) zich onttrekken aan iets, weigeren iets te doen.

Achterute, achteruut, bijw. 1) Achteruit, achterwaarts, 2) achteruit, de achterdeur uit.

Achteruteslaen, st. ww. intr. Achteruitslaan, van een paard en een balsturig mens.

Achterutestoten, st. ww. intr. Achteruitschoppen.

Achterutevaren, achteruutvaren, st. ww. intr. Achteruit weggaan, door de achterdeur het huis verlaten; ongemerkt heengaan, met de noorderzon vertrekken.

Achtervaren, st. ww. intr. en trans. I. Intr. achterwaarts trekken, terugtrekken. II. Trans. 1) Achternagaan; ook: achternarijden. 2) achteroprijden, van

achteren op iemand aanrijden met een vijandelijk oogmerk.

Achtervellich, bnw., achtervellich bliven, in een rechtszaak in het ongelijk gesteld worden.

Achtervelt, znw. o. Veld dat achter een ander gelegen is.

Achtervertrecken, zw. en st.ww. intr. Achteruittrekken, terugwijken.

Achtervlien, st.ww. intr. Achterwaarts vlieden, terugdeinzen.

Achtervoet, znw. m. Achterpoot, achtervoet.

Achtervolch, znw. o. Het najagen van iets; wijsheid sonder achtervolch van werken.

Achtervolgen, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Achtervolgen, achternagaan, nalopen, op de voet volgen, ook met de datief; vervolgen, met een vijandelijke bedoeling. 2) iets nakomen, handelen volgens een voorschrift of een belofte. II. Trans.1) Volgen op, komen na iets. 2) volgen, opvolgen,

nakomen, een gebod, voorschrift, verbintenis, verplichting, voorbeeld. 3) aanhouden, volhouden. 4) verwerven, verkrijgen. 5) vervolgen, voortvaren

met iets. 6) met een persoon als object, iemand volgen om hem in het oog te houden, beschermen. 7) zijn recht vervolgen op of tegen iemand. 8) voldoen aan een vonnis. 9) overtuigen.

Achtervolgende, bnw., bijw. en voorz. I. Bnw. Onafgebroken, doorlopend. II. Bijw. Naar verhouding, naar of in evenredigheid. III. Voorz. volgens, overeenkomstig met, met den datief of acc.

Achtervolger, znw. m. 1) Hij die iets najaagt of nastreeft; navolger. 2) hij die iemands voetstappen drukt, navolger.

Achtervolginge, znw. vr. Opeenvolging, aaneengeschakeld verband; ook: de gestadige voortgang, van de tijd.

Achtervrame, znw. vr. Nadeel, schade.

Achterwaerde, znw. vr. Achterhoede.

Achterwaerre, achterwarer, achterwaerder, znw. m. Behoeder, beschermer.

Achterwaersterigge, (Vlaams), znw. vr. Kraambewaarster, baker.

Achterwarenen, waernen, zw. ww. trans. Bewaren, bewaken, het toezicht houden over iets.

Achterwaert, achterwerf; ook achterwaerts, achterwens, bijw. I. Van plaats.1) Aan de achterzijde, van achteren; achteraf. 2) naar achteren, achterwaarts, achteruit, terug; achterwaert gaen, naar achteren gaan, achteruitgaan; met een zaak als onderwerp tegenlopen, tegenvallen; achterwaert

gaen, achterwaert sterven, versterven in een opklimmende lijn; achterwaert tien, trecken vlien, hetzelfde als achtertien enz.; achterwaert bliven, achterblijven, terug blijven; achterwaert rumen, terugwijken, naar achteren wijken; achterwaert doen, terugslaan; achterwaert scuven, terugzetten, in minachting brengen; achterwaert setten, op de achtergrond stellen, terugzetten, ook: vergeten; vgl. achter rugge setten; achterwaert steken, terugstoten, verwerpen; vgl. achtersetten en achtersteken; achterwaert houden, achterhouden; achterwaert steken, hetzelfde als achterwaert houden; achtewaert terden, achteruitkrabbelen, zijn woord herroepen; achterwaert keren, afzien van. II. Van tijd. Hier achterwaert, hierna, naderhand; het gaet achterwaert sdaechs, de dag is aan het dalen, het is over de middag.

Achterwaker, znw. m. Opzichter; bewaker, misschien ook: nachtwacht.

Achterwaren, zw. ww. trans. 1) Bewaren, beschermen; besturen, aanvoeren. 2) beheren, toezicht houden over iets. 3) verzorgen, verplegen, oppassen, zorg dragen voor iets; behandelen, een zieke, een ziekte; hem achterwaren, voor zich zelf zorgen. 4) waarnemen, bekleden, een ambt.

Achterwaringe, znw. vr. Verzorging, oppassing, behandeling, vooral van zieken.

Achterwater, znw. o. Molenwater van stroom opwaarts; hetzelfde als achterslach.

Achterwech, znw. m. Achterweg.

Achterweldaet, znw. vr. Een goede daad of een goed werk achterna verricht tot herstel van een vroegere daad.

Achterwesen, znw. o. Het ten achteren zijn in hetgeen men te vorderen heeft, vordering.

Achterwijn, znw. m. Wijn uit voor de tweede maal geperste druiven, schrale wijn.

Achterwiken, st. ww. intr. Terugwijken.

Achterwinter, znw. m. Nawinter.

Achterwisen, zw. ww. trans. Achterna wijzen.

Achterworte, achterwort, znw. Kruiderbier, bier met kruiden vermengd.

Achthondert. Tachtich, telwoord. Tachtig. Vgl. achtentich.

Achtien, Achtienhondert, Achtiende, achtientste, Achtienwerf.

Achtinge, znw. vr. 1) Overleg, beraad; ene achtinge nemen, beraad nemen; een achtinge geven, bidden, van de rechter verlof vragen om zich (met

partij, voorspraak of verwanten) vooraf te beraden, alvorens de zaak verdere voortgang heeft. 2) achtinge hebben jegen iet, het recht hebben zich tegen iets te verklaren (als gevolg van gehouden beraad) of in verzet te komen. 3) overtuiging. 4) bedoeling, voornemen, plan; achtinge hebben, plan

hebben, voornemens zijn; hetzelfde als geacht hebben. 5) mening, gedachte; achtinge hebben, van mening zijn, menen. 6) inachtneming; na achtinge van, lettende op, naar gelang van. 7) taxatie, waardeering.

Achtinge, Vlaams voor hachtinge, zie daar.

Achtjarich, Achtcant, Achtmael.

Achtsam, achtsaem, bijw. Opmerkzaam, zorgvuldig, ook met de genitief, oplettendheden hebbende voor.

Achtsamheit, znw. vr. Oplettendheid, zorg.

Achtschat, znw. m. Achtmaal een zekere waarde.

Achtsilbich, bnw. Acht lettergrepen.

Achtste, telwoord. Achtste; hem achtster(e), met zeven anderen.

Achtte, achte, telwoord, Achtste.

Achtvoudich, oostmnl. achtveldich, achtfeldich, bnw.

Achtvout, achtfout. Het achtdubbele, achtvoud.

Achtwerdich, achtwaerdich bnw. Aanzienlijk, notabel.

Achtwerf, achtwaerf, achtwerve, achtwerven, telwoord.

Adaem, Adam, znw. m. Adam; Adams kinderen, de mensen.

Adaemsappel, znw. m. De vrucht van een boom in Palestina waarin de beet van Adam gezien werd. Citrus.

Adamant, ademant, znw. m. 1) Diamant. 2) zeilsteen, magneet.

Adamantsteen, znw. m. Diamant.

Adder, znw. vr. Adder. Zie adere,

Adebe, znw. Pekel.

Adee, addee, tussenwoord. Adieu.

Adel, bnw. Edel, edelgeboren; ook: wettig, echt.

Adel, znw. m. Adeldom, edele afkomst, adel.

Adel, znw. oostmnl. 1) Poel, slijk, modder. 2) gezwel, zweer, vooral aan hand of voet.

Adelaer, adeler, znw. m. Adelaar, arend.

Adelbie, znw. vr. Wesp.

Adelborst, znw. m. Jongeling van edele geboorte, jonker; ook (in de 16de eeuw) jonker die krijgsdienst verricht.

Adelbroeder, znw. m. Broeder uit een wettig huwelijk.

Adeldom, znw. m. Adeldom, edele afkomst.

Adelheit, znw. vr. oostmnl. Edelheid.

Adelinc, znw. m. Adellijk persoon, edelman.

Adelincschap, znw. o. Adeldom, ridderschap(?).

Adelkint, znw. o. Kind van edele geboorte; kind uit een wettig huwelijk.

Adelsone, znw. Zoon van edele geboorte; ook: zoon uit een wettig huwelijk.

Adelsuster, znw. vr. Zuster uit een wettig huwelijk.

Adem, adaem, adom, znw. m., oostmnl. ook odem; ook naem (naeme). 1) Adem; den adem nemen, op adem komen, op zijn verhaal komen; den adem goet hebben of hoge dragen, een lange adem hebben, niet gauw moe worden; den adem weder gecrigen, weer op adem, op zijn verhaal komen; den adem behouden, niet buiten adem raken; sinen adem trecken, met moeite ademhalen, zieltogen; den adem in den live hebben, sinen adem binnen hebben, nog ademen, nog leven, nog een veer van de mond kunnen blazen; in enen adem, zonder tussenpoos. 2) wasem, damp. Ademen, Ademloos.

Ademgat, znw. o. 1) Keelgat. 2) luchtgat.

Ademinge, znw. vr. Het ademen; ook: adem.

Adempipe, znw. vr. Luchtgat, opening in een buis.

Ademtocht, adomtocht, ademtucht, znw. m. Ademtocht, adem; sinen ademtocht verhalen, ademhalen, lucht inademen.

Ademtochten, zw. ww. intr. Lucht inademen, zwaar ademhalen, ademtochten tot, hijgen of snakken naar.

Ader, znw. o. Aar, korenaar.

Ader, voegw. (oostmnl.), of (nevenschikkend).

Aderachtich, aderechtich, aderecht (oostmnl.), bnw. Aderrijk, vol van aderen; vol zenuwen, zenuwachtig.

Adere, ader, aer, znw. vr., verkleinwoord aderkijn. 1) Ader in het dierlijke lichaam; ene ader slaen, aderlaten; (dat bloet, gewoonlijk verzwegen) laten

ter aderen (aer), aderlaten; ook: een aderlating ondergaan. 2) zenuw, pees. 3) het binnenste, de zetel der aandoeningen, geest, gemoed, zin; een felle

adere hebben tot, een vijandige gezindheid tegen iemand hebben; ene quade adeer in iet porren (minder goed werpen), een kwade of slechte geest ergens in brengen, twist en tweedracht zaaien. 4) ader waaruit water welt; ader van edele metalen. 5) aderachtige streep op een voorwerp, b.v. in marmer. 6) sprank; niet ene edele adere an sines live hebben, geen sprankje van karakteradel hebben; negene adere van gepeinse quaet an sinen live hebben, zelfs geen slechte gedachten in zich voelen oprijzen. 7) aderspat.

Adere, adre, ader; ook adder, znw. vr. Adder.

Aderen, zw. ww. trans. De aders verbinden van een paard dat aderspatten heeft(?).

Aderkijn, znw. o. 1) Kleine ader. 2) waterstraaltje.

Aderlater, Aderlatinge.

Aderschoorre, aderschorer, znw. m. Gezegd van Christus die door de volheid zijner liefde de aderen doet zwellen en openscheuren.

Aderschrode, znw. vr. Adersnijding, aderlating.

Aderslach, znw. m. Aderlating.

Adesse, znw. vr., oostm. Hagedis.

Adieu, bijw. Adieu, vaarwel.

Adic, adec, (hadich) znw. m. Wilde vlier.

Admortiseren, zw. ww. trans. In de dode hand brengen, nl. goederen.

Adoberen, zw. ww. trans. Uitrusten, tooien, opsieren.

Adopcie, znw. vr. Verkiezing.

Adresseren, zw. ww. intr. Goed uitvallen, slagen.

Adrotich, bnw. (oostmnl.). Verdrietig, gemelijk.

Advenant, znw. o. Aandeel. Zie avenant.

Advent, znw. m. De besloten tijd van voorbereiding voor het Kerstfeest.

Adventen, zw. ww. intr. Communie doen, ter heilige tafel naderen.

Adversant, znw. m. Tegenstander.

Adversarijs, znw. m. Tegenstander, vijand; mv. Ook adversariĎn.

Advertissement, znw. o. Waarschuwing, onderrichting; in recht, een geschrift dat men inlevert voor de beslissing van een zaak waarin men haar nader uiteenzet en de bewijsgronden der tegenpartij weerlegt.

Adveu, znw. o. Toestemming.

AdvoĎren, advoueren, zw. ww. trans. Goedkeuren. Hem advoueren te rechte, zich onder een bepaalde rechtsmacht stellen.

Advocaat, avocaet, avecaet, advocaat; ook van Jezus, advocaat of voorspraak der mensen bij God; iemand die voor een ander pleit, hem ophemelt; des bisscops advocaet, de advocati episcopi stonden dezen ter zijde in de uitoefening van die wereldlijke rechten en plichten, welke waarneming hun stand

hun verbood; ook: procureur. Advocaetschap.

Advocaetster, znw. vr. Pleitbezorgster, voorspraak bij God, van Maria.

Advocaterige, advocaterigge, znw. vr. (Vlaams).

Advocatie, advocacie, advocasie, znw. vr. Advocaat-schap, ook: voorspraak voor de mensheid bij God.

Aecht, telwoord. Acht.

Aechtensteen, znw. m. Agaat.

Aefruy, aefruyt(e), znw. vr. Citroenkruid. Zie ook averone. Artemisia.

Aey, tussenwoord. Ai, ach!

Ael-, in aelmechtich, aelwarich, aeleigen. Zie a1.

Ael, hael, ale, znw. m. 1) Aal; ook: paling. 2) roervink (16de eeuw).

Aelachtich, bnw. Op aal gelijkende.

Aelbesie, znw. vr. Aalbes. Ribes.

Aelders, alders, znw. mv. Ouders (oostmnI.).

Aeldinc, aeldinger, haeldinc, haelinc, znw. in (Vlaams). Erfgenaam.

Aeldincsrecht, znw. o. Naastingsrecht.

Aeleigen, bnw., ook znw. o. Geheel eigen; volkomen eigendom.

Aelfuuc, aelfuyck, aelvuyc, znw. vr. Aalfuik.

Aelhuus, znw. o. Vismarkt (?).

Aelcorf, znw. vr. Aalkorf.

Aelmachtich, bnw. Almachtig.

Aelmachtich, onjuiste vorm van amachtig.

Aelman (een vaartuig). Zie a1eman.

Aelmisbroot, znw. o. Aan armen uitgedeeld brood.

Aelmisgelt, znw. o. Geld voor aalmoezen.

Aelmisgever, znw. m. Hij die liefdegaven uitreikt of liefdegiften geeft.

Aelmisgoet, znw. o. Een goed welks renten bestemd worden voor „aelmisgelt".

Aelmishaler, znw. m. Aalmoezenier.

Aelmiscorf, znw. vr. Bedelkorf.

Aelmiscupe, aelmiscuype, znw. vr. Een vaatwerk waarin men „aelmisgelt" bewaart.

Aelmislant, almisselant, znw. o. Land van een diaconie, land uit welks renten liefdegiften aan behoeftigen worden gegeven of de armen van een gemeente worden onderhouden.

Aelmispot, elmispot, znw. m. Pot waarin „aelmisgelt" wordt bewaard.

Aelmoesene, alemoesene, almoesene, aelmosene, aelmoesen, aelmoese, aelmuys(e), znw. vr.; ook aelmisse, aelmis, znw. vr. Eigenlijk barmhartigheid, medelijden; in aelmoesene bidden, uit barmhartigheid te gast noden; gewoonlijk: daad van barmhartigheid, van medelijden; een liefdewerk, en wel bepaaldelijk: liefdegift, aalmoes; aelmoesene doen, goede werken doen; ook: aalmoezen geven; aelmoesene varen, uitgaan om te bedelen; aelmoesene

roepen, om een aalmoes vragen; voedsel aan armen verstrekt; aelmoesene eten, gebedeld brood eten, leven van de liefdadigheid; bewijsde aelmoesene, een aan iemand toegewezen gave.

Aellmoesenen, zw. ww. intr. Een aalmoes of aalmoezen geven, een liefdegave uitreiken.

Aelmoesenie, znw. vr. Aalmoezeniershuis.

Aelmoesenier, ook: aelmissenier (almissenier, elmissenier), aelmissier (almissier, elmissier), znw. m. Benaming van een geestelijk ambt. Aalmoezenier,

uitdeler of beheerder van aalmoezen. In sommige steden, b.v. Antwerpen, ook benaming voor het hoofd van het armbestuur, oppertoeziener over armen

en wezen. In andere steden schijnen er nog andere ambtenaren onder verstaan te worden, nl. zij die het toezicht hebben over het aan de ontvangsten van sommige bedrijven verbonden armengeld. 2) ook, doch zeldzaam: hij die deelt in liefdegaven, er een deel van ontvangt.

Aelmoeseniere, almoesniere, ook: almoniere, almeniere, halmeniere, halmenier, znw. vr. Aalmoestas, geldbuidel; ook: tas, buidel in het algemeen.

Aelmoeseniere, znw. vr. Aalmoezenierster, uitdeelster van liefdegiften of goede gaven.

Aelmoesenierschap, aelmosenierschip, znw. vr. en o. Het ambt van de „aalmoezenier".

Aelmoes(en)gelt, znw. o. Hetzelfde als aelmisgelt.

Aelmoesenwijn, znw. m. Wijn die om Gods wil voor niet gegeven wordt.

Aelmoesnemer, znw. m. Hij die liefdegiften in ontvangst neemt, aalmoezenier.

Aelmogende, bnw. Almogend, almachtig.

Aelschip, znw. o. Aalschuit, visschuit voor de aal vangst, ook: aalkaar, bewaarplaats voor levende aal in een schuit.

Aelsmout, znw. o. Aalvet, palingvet.

Aelspise, znw. vr. Aalschoteltje, een gerecht van aal of paling.

Aalstal, znw. m. Afsluiting in een water met een opening, waarvoor netten, fuiken of korven voor aal en palingvangst worden geplaatst; aalstal.

Aelstede, znw. vr. Plaats waar aal bewaard wordt, aalkaar.

Aelwarich, alwarich, aelwerich, bnw. 1) Dom, onnozel. 2) gemelijk, knorrig. 3) dartel, brooddronken. Aelwaricheit.

Aem (inhoudsmaat). Zie ame.

Aemgelt, znw. o. Belasting of geldelijke opbrengst, betaald bij of van het aam van een bepaalde vloeistof, vooral van wijn.

Aemcanne, amekanne, znw. vr. Benaming van een inhoudsmaat van wijn en bier, een kwart vat(?).

Aemvat, znw. o. Aamvat, vat dat een of meer aam wijn of ander vocht inhoudt.

Aen, ane, an, een enkele maal in het rijm anne, voorzetsel met de 3de en 4de naamval. Het woord drukt in het algemeen de betrekking tussen een werking en een zelfstandigheid uit, van wiens oppervlakte een gedeelte wordt aangeraakt, of op welke een werking is gericht. I. Van plaats. 1) ter uitdrukking van onmiddellijke aanraking, aan, op, op de oppervlakte van; an der heiden, an die heide, op het veld, an de erde, op aarde, ook: op de grond; an den sande, in het zand; an den berch, op de berg; aen (later ook in) vaerde (vare) ende aen velde sijn, met iemand op pad en weg zijn, vooral aan een vechtpartij of een gewelddadige aanslag deelnemen; ter uitdrukking van aanhechting of verbinding, het zich bevinden van een voorwerp, een hoedanigheid aan enige plaats, bij, aan of in enig voorwerp of persoon: aan, in, bij, ten opzichte van; daer en is niet ane, daar is niets aan gelegen, verbeurd, dat komt er niet op aan; ook: daar is niets (van) aan, het is geheel onwaar; aen handen, in handen; aen iemants stat, in iemands plaats; aen brande, in brand; aen die vaert, die reise, die strate, den ganc, die wegen, op reis, op weg; an porre, anporre, onderweg (zie porre); an roere (zie roere); ter uitdrukking van aangrenzend of onmiddellijke nabijheid, bij, nabij, naast, nevens; een scure staet aen sijn huus; Absalon ghinc an Davids amiĎn liggen. 2) Van plaats in overdrachtelijke opvatting in een aantal verschillend gewijzigde toepassingen, aan welke het denkbeeld aanraking, verbinding, gepaard gaan, samenhang of het gelegen zijn in of bij iets ten grondslag ligt, aan, bij, in, met betrekking tot, ten opzichte van; gestadich an die minne; daer sijn sin al ane lach; dat dit an Christus bediet, betrekking heeft op Christus, op hem slaat; an die wapene connen, zich verstaan op de wapens; iet hebben an, enig recht hebben op; aen enen beginnen; an rade of an dade sijn met, in iets met raad en daad helpen. 3) Bij begrippen van ontlening; bij ww. van verkrijgen, ontvangen, veroveren, lenen, vernemen, verzoeken, vragen, ndl. van, doch vgl. Ontlenen aan, een voorbeeld nemen aan, vreugde beleven aan. Ook wordt aen gebruikt bij werkingen of zaken die voorgesteld worden als het middel waardoor iets geschiedt en waaraan het als het ware zijn vervulling ontleent. Mochti die maecht daer ane winnen; doe gi u daer ane hadt versadet. 4) Ter uitdrukking van een richting, zowel in een niet vijandelijke opvatting, naar, tot, als met een vijandelijke bedoeling, tegen. Lopen an de mure; dat gi vaert ane den coninc; dat hi an den tor niet ne strede.  5) Ter aanduiding dat een werking op een persoon of zaak gericht is, zich daarheen uitstrekt, ze ten doel heeft, aan, tot, op; roepen, spreken, minne dragen aen; lant an sine hant setten, naar zijn hand zetten, onder zijne macht brengen; het gaet aen iemants leven, zijn leven is er mede gemoeid, loopt gevaar. Nu en dan komt ane in het Mnl. ook reeds in de plaats van de datief; si obediĎren alle aen hem (14de eeuw). II. Van tijd. 1) Ter aanwijzing dat een werking geschiedt op een zeker tijdstip of binnen een bepaalde tijdruimte, op, in; an den middage, ane dien stonden, aenstonden, aanstonds; recht aen der selver tijt; aen corte stonden, binnen kort; aen (in, bij gelegenheid van) den hogen water, den hogen vloet, aen den ijsganc. 2) Van richting, slechts in verbinding met tote (tot); tote an den doemsdach.

Aen, ane, an, bijw. I. Van plaats. 1) Ter aanduiding van onmiddellijke aanraking, te weten van wapenen en kledingstukken die aan het lichaam gedragen worden; halsberch aen, aen sijn, vast zijn, vastzitten, verbonden zijn. 2) van aanhechting of verbinding, aan, in, bij; alle doget was hem ane. 3) van

aangrenzend of onmiddellijke nabijheid; alle die lande ten berge an; voren, aen, voorop, daarachter, achter, bijeen, ww. van beweging, varen, riden,

vlien; aen sijn, bij, nabij, tegenwoordig zijn, het tegenovergestelde van „afsijn". Ook van getuigen die bij een handeling zijn tegenwoordig geweest; (er)

bi ende aen, een ende bi, over ende aen; bi, over ende aen sijn; het is ieder gelijc an, het is ieder even na, voor ieder evenzeer plicht. 4) van richting, naar een doel; daer aen, derwaarts, hier aen, werwert an; vort aen, verder (komen); aen ende af, af ende aen; vgl. toe ende af. II. Van tijd. 1) Ter aanduiding van onmiddellijke aansluiting of opvolging; hier aen, straks hierna; daer aen, daarop; vortmeer aen, vorewaert aen, voortaan steeds, van nu voortaan, gedurig; vort aen, voort, terstond; voorts, vervolgens; voortaan, van nu af, in het vervolg, ook: van toen af, gerekend van een tijdstip dat in het verleden ligt; vortaen meer, voortaan, en: van toen af.

Aan, ane, an, voorz. Zonder. Vooral in het Oost mnl., ane vaer, aen twivel, aen (alle) argelist; in het Westmnl. in de uitdrukking ane sinen, minen, dinen enz. danc, zonder, buiten, tegen zijn wil of zin; aen sbisschops danc.

Aen, ane, an, bijw. 1) Zonder, behalve (oostmnl.). 2) des ane sijn, iets kwijt zijn, verloren hebben; des sinnes ane, van het verstand beroofd. 3) des ane sijn, oostmnl., vrij zijn van iets, er af zijn.

Aen, znw. Grootvader. Slechts in de oostmnl. samenstellingen aenhere (anichhere) en aenhete.

Aenaerden, zw. ww. intr. Aangeboren zijn, tot iemands aard behoren.

Aenbassen, st.ww. trans. Aanblaffen.

Aenbeden, zw. ww. trans. (scheidbaar en onscheidbaar). 1) Aanbidden, Latijn „adorare". 2) zijn gebed richten tot iemand, hem in gebed aanroepen, Latijn

„precari". Vgl. aenbidden.

Aenbeder(e), znw. m. Aanbidder, vereerder van God en het goddelijke. Aenbederse, Aenbedinge.

AenbediĎn (?), st. ww. intr. Worden.

Aenbedwingen, st.ww. trans. Onderwerpen, toevoegen aan zijn gebied.

Aenbeeldinge, znw. vr. Gelijkenis, afschaduwing.

Aenbeelt, aenbelt, znw. o. Beeld, afbeelding.

Aenbegin, znw. o. Eerste begin, aanvang.

Aenbeginnen, st. ww. intr. Beginnen, aanvangen.

Aenbegripen, st. ww. trans. Aanvatten, aanvangen, ondernemen.

Aenbehooren, zw. ww. intr. Met de datief. 1) Toebehoren, behoren tot. 2) toebehoren, tot iemands plicht behoren, hem opgelegd zijn.

Aenbehouden, st. ww. trans. Aanhouden, een kledingstuk.

Aenbeye, znw. vr. Aambei.

Aenbekennen, zw. ww. trans. Toekennen, de eigendom aan iemand.

Aenbecken, aenbicken, zw. ww. intr. Beginnen te bikken of te pikken; of beginnen te houwen, te vechten, of beginnen met de snavel te werken; van

vrouwen gezegd, beginnen te schelden, een grote mond opzetten.

Aenbelen, zw. ww. trans. Aanblaffen, aanbassen.

Aenbeloop, znw. o. Het verschuldigde aandeel in het beloop of bedrag van een geldsom.

Aenbelopen, st. ww. intr. Met de datief. Aan iemand toekomen in het beloop of bedrag van een geldsom; ook: voor rekening komen van iemand, van

een geldschuld.

Aenbelt, aenbilt, haenbelt, aembelt, ambelt, znw. o. I) Aanbeeld. Vgl. aenve1t. 2) Misschien ook: koot, in de uitdrukking aenbeelden werpen.

Aenbernen, st. ww. intr. Aanbranden.

Aenberren, st. ww. intr. Voortbranden.

Aenbersten, st. ww. intr. Comen aenbersten, komen opzetten, van een legermacht.

Aenbeschouwen, zw. ww. trans. Aanschouwen, met eigen ogen zien.

Aenbesien, st. ww. trans. Aanzien.

Aenbesteden, zw. ww. trans. 1) Aanbesteden, een werk. 2) besteden, bij iemand in de kost of als leerling plaatsen.

Aenbesterven, st. ww. intr. met de datief, Door eens anders dood eigendom worden van iemand.

Aenbestormen, zw. ww. trans. Aanvallen, bevechten, een stad, een land.

AenbetiĎn, st. ww. trans. Aantijgen, ten laste leggen, verwijten.

Aenbevechten, st. ww. tr. Aantasten, aanvallen, bevechten.

Aenbewijs, znw. o. Aanwijzing. Een dijc leget ter zen ende aenbewijs, door een zeventuig moet worden aangewezen, tot wiens last het herstel van een

dijkvak komt.

Aenbewisen, zw. ww. trans. Aanduiden.

Aenbidden, st. ww. trans. Scheidbaar, 1) Zijn gebed richten tot iemand, hem in gebed aanroepen; Latijn „precari". 2) aanbidden; Latijn „adorare", ook

met de datief, den Goden aenbidden. 3) toebidden, Latijn „imprecari". Aenbidder.

Aenbijt, znw, o. Ontbijt. Vgl. aenbiten, Ook inbijt, =beginnen te bijten.

Aenbinden, st. ww. trans. 1) Met de acc. der zaak, aanbinden, aanknopen, aanhechten, vastmaken (aan). 2) Met de acc. van de persoon, vastbinden aan iets.

Aenbiten, st. ww. trans. 1) Aan iets bijten, beginnen aan iets te bijten. 2) aanranden, aanvallen.

Aenblasen, st. ww. trans. 1) Aanblazen, door blazen doen ontbranden, van vuur. 2) aanblazen, toeblazen, venijn, met een slang als onderwerp.

Aenblic, znw. m. Aanblik, aanschouwing.

Aenbliven, st. ww. intr. met de datief, 1) Iemand bijblijven, hem getrouw blijven. 2) met een zaak als onderwerp, iemand of iets bijblijven, in iemands bezit blijven, aan iets blijven.

Aenboelen, zw. ww. intr. Aanblaffen.

Aenbogen, zw. ww. trans. Inbuigen, ombuigen, hem enen aenbogen, iemand aan zich gelijk maken.

Aenboorden, zw. ww. trans. Benaderen, naasten.

Aenboorder, znw. m. Hij die het recht van naasting heeft.

Aenboort, aenbort, znw. m. Vooral in het mv. Aangeborene, bloedverwant of verwant die als zodanig bij verkoop van vast goed het recht van voorkeur

of naasting heeft.

Aenboorte, aenboort, znw. vr. (en o. ?). Het op aangeborenschap of bloedverwantschap gegronde recht van voorkeur of naasting bij verkoop van een vast goed.

Aenboortich, bnw. Door aangeborenschap gerechtigd tot naasting, van een persoon; door bloedverwantschap aan iemand toekomende, van een zaak.

Aenbouwen, zw. zw. trans. Aanbouwen, bij hetgeen al bestaat.

Aenbranden, zw. ww. intr. met de datief. Inbranden, invreten, wegvreten.

Aenbreken, st. ww. trans. en intr. I. Trans. Breken, verbreken, een gebod. II. Intr. Aanbreken, naderen, van een tijd.

Aenbringe, znw. m. Hij die een zaak in recht aangeeft, voor het gerecht brengt. Vgl. aenbringer.

Aenbringe, aenbreng, znw. vr. Aangifte, het aanhangig maken van een zaak in recht.

Aenbringen, aenbrengen, zw. onr. ww. trans. I. Met een persoon als object. 1) Iemand ergens heen brengen. 2) iemand ergens toe brengen. II. Met een zaak als object en (vaak) een datief. van de persoon. 1) Iets met zich brengen, met zich voeren. 2) toebrengen, toevoegen, aan iets dat bestaat een nieuw gedeelte. 3) van klederen en wapenrusting, aantrekken, aandoen, aanhebben. 4) een tijding of mededeling aanbrengen, melden; aan iemand meedelen, kennisgeven; ook in recht, opgeven, aangeven, of rapporteren bij het ene of andere lichaam van bestuur. Als znw. gebruikt, bericht, verslag, ook: mededeling van bewijsgronden of bezwaren, vertoog; enen ene logene aenbringen, iemand leugens op de mouw spelden. 5) een zaak in recht aanhangig

maken of aangeven; over iets klagen bij een rechtbank. 6) van iets kwaads dat men aangaande iemand bericht of aangeeft, aantijgen, te laste leggen. 7)

instellen, bewerken, teweegbrengen. 8) de voor de behandeling van een geding nodige bewijsstukken overleveren. 9) een last aan iemand aanbrengen, hem die opleggen. Een zeer gebruikelijke wijze van scheiding van een gemeen goed was dat de ene eigenaar de ander de keuze gaf om zijn aandeel af te staan of het weder deel over te nemen. Het dwingen tot overneming heette te Enkhuizen aenbrengen of aenwerpen, het noodzaken tot afstand afriden. 10) iemand een gezindheid, stemming, gewoonte aanbrengen of bijbrengen, ze bij hem verwekken, opwekken, veroorzaken, ze hem inblazen. 11) iemand

iets toebrengen, bezorgen, toedienen.

Aenbringer, aenbrenger, znw. m. Aanbrenger, hij die een aangifte doet bij het gerecht of de overheid; hij die een zaak in recht aanhangig maakt; hij die van een overtreding aangifte doet bij de overheid (ook van een gilde).

Aenbringinge. Aenbrinc, aenbrenc, znw. m. Aangifte. Vgl. Aenbringe.

Aendachte, aendacht, znw. vr. 1) Het denken aan iets. 2) opmerkzame aandacht; ook: inspanning van krachten en vermogens, ijver. 3) vooral: godsdienstige of godvruchtige overpeinzing, innigheid, godvruchtige stemming.

Aendachtelike, bijwoord 1) Met aandacht. 2) met inspanning of aandrang. 3) met een godsdienstig gemoed, in een godsdienstige stemming.

Aendachtich, bnw. 1) Gedachtig, indachtig. 2) vol ingespannen vlijt, ijverig, zich met ernst op iets toeleggende. 3) Godsdienstig, godvruchtig, vroom, van God en heilige gedachten vervuld.

Aendachticheit, znw. vr. 1) Vlijt, ijver, ernst, inspanning. 2) godsdienstige overpeinzing.

Aendalen, zw. ww. intr. Nederdalen, dalende naderen.

Aendeel, znw. o. Een bepaald gedeelte waarop iemand recht of waartoe iemand verplicht is, aandeel, portie.

Aendelen, zw. ww. trans. 1) Een erfgoed, toedelen, toebedelen, over iets beschikken. 2) aandeel hebben aan of in iets, in iets delen.

Aendelinc, znw. m. Deelgerechtigde, deelhebber.

Aendenken, zw. onr. ww. trans. en intr. 1. Trans. Oplettend aan iets denken, gedenken, indachtig zijn. II. Intr. Met de datief. of op, aan iets denken, aan iets gedachtig zijn; a. om, zijn gedachten richten op God, in godsdienstige gepeinzen zijn.

Aendenkenesse, znw. vr. Godsdienstige overpeinzing, meditatie.

Aendenker, znw. m. Hij die denkt of indachtig is aan iets.

Aendenkinge, znw. vr. 1) Gedachte. 2) Godsdienstige overpeinzing.

Aandienen, zw. ww. trans.1) Iets toedienen, voordienen, voorzetten. 2) enen iet aendienen, iemand iets toedienen, bezorgen, verlenen. 3) enen aendienen, iemand dienen.

Aendieninge, znw. vr. 1) Het toedienen, voordienen, voorzetten of ook: het bezorgen van voedsel. 2) Bediening; Latijn „administratio" en „ministerium".

Aendienende, voorz. Dienende tot; rakende, betreffende.

Aendienresche, znw. vr. Voordienster, in de nonnenkloosters benaming van de kloosterzuster aan wie de zorg voor het ronddienen der spijzen was opgedragen.

Aendingen, zw. ww. trans. 1) Bij de overheid een eis instellen om tot de ene of andere gerechtelijke handeling over te gaan, in recht vorderen dat het gerecht een rechtshandeling verricht; vooral in het pandrecht, tot het verkopen van onroerende goederen voor schuld. 2) hetzelfde als aenbringen, 3). Iemand in rechte noodzaken het onverdeeld aandeel van zijn mede eigenaar over te nemen.

Aendoen, onr. ww. trans. 1) Aandoen, aantrekken, een kledingstuk, een deel der wapenrusting, Ook als wederkerend hem aendoen, zich aankleden, zich wapenen; aengedaen, aangekleed, gekleed, aangedaan; enen iet aendoen, iemand iets aan het lijf doen, het er aan verbinden of vastmaken. 2) bekleden in overdrachtelijke zin, voorzien van. 3) in verbinding met het tegengestelde afdoen, aanstellen tot een ambt; met een zaak als voorwerp invoeren, in verbinding met afdoen, afschaffen. 4) bereiden, appreteren, gezegd van laken. 5) enen iet aendoen, iets, een zekere toestand, over iemand brengen, hem iets toevoegen of aandoen; enen die doot, verdriet aendoen; ook: hem (Latijn„sibi") die doot aendoen; geselscap aendoen, gezelschap houden, vergezellen.

Aendoeninge, znw. vr. Het brengen van iemand anders in een zekeren toestand of een bepaalde stemming.

Aendoenre, aendoener, znw. m. Lakenbereider.

Aendoesel, znw. o. Kledij.

Aendonkeren, zw. ww. intr. Donker worden: het tegenovergestelde van ndl. „aanlichten".

Aendracht, znw. vr. 1) Het aanbrengen of aandragen van iets, een bericht, een klacht en dergelijke, aangifte. 2) beschuldiging, aanklacht.

Aendragen, st. ww. trans. en wederk.  I. Trans. met een persoon als onderwerp. 1) Aan het lijf dragen; draghet sine nature an, als zijn natuur dat aan of in zich heeft, medebrengt. 2) enen iet aendragen, iemand iets, een eigendom, recht en dergelijke opdragen, overgeven. 3) iet aendragen (met de datief

van het wederkerig vnw.), iets op zich nemen. 4) iets aan iemand opdragen, hem iets gelasten. 5) iets aan iemand toeschrijven of toekennen, danken, op rekening stellen van. 6) aangeven, aangifte doen van iets in recht, of bij de bevoegde overheid; als znw. aendragen, bericht, rapport. 7) iemand

iets bezorgen, schenken; ook: het hem toezenden, berokkenen, met een onwelkome zaak als object II. Intr. met een zaak als subject. Betrekking hebben op iemand, hem aangaan; aendragende, voorz., rakende, betreffende, aangaande. IlI. Wederk. hem aendragen. 1) Hem (datief) enen of hem (acc.) enes, zich iemand aantrekken, zich aan iemand gelegen laten zijn, belang stellen in. 2) hem ere dinc aendragen, zich iets aantrekken, het ter harte nemen; ook: het tot zich nemen, zich toe-eigenen; als znw., sonder enich aendragen, zonder enige inmenging of bemoeizucht; iets ondernemen, bepaaldelijk een handelsonderneming hebben, handel drijven in. 3) hem aendragen, met een datief, zich voegen bij, zich scharen onder, zich rekenen bij.

Aendrager, znw. m. Aanbrenger, verklikker.

Aendraginge, znw. vr. Aanbrenging.

Aendraven, zw. ww. intr. Aanrijden, draven, naar een bepaald punt. Met de datief, op iemand aandraven.

Aendreffen, zw. ww. trans. Versmelting van aendrepen en treffen. Betreffen, raken.

Aendrepen, st. ww. trans. en intr. De zuiver neder Frankische vorm van aentreffen. I. Trans. 1) Raken, aangaan, betreffen. 2) ergens geraken, in een bepaald vaarwater komen, belanden.

Aendrift, znw. vr. Al wat aandrijft, zowel aanslibbing als aan wal drijvende voorwerpen.

Aendringen, st. ww. tr. en trans. I. Intr. opdringen, voorwaarts dringen. II. Trans. Enen iet aendringen, iemand iets opdringen; ook iemand tot iets noodzaken.

Aendringende, bnw. Opdringerig, lastig.

Aendringinge, znw. vr. Het opdringen, veroorzaken van last aan anderen.

Aendriven, st. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Aandrijven tot, in een bepaalde toestand of stemming brengen, ergens toe brengen. 2) doorzetten. 3) enen iet aendriven, iemand iets, een last, opdwingen, opleggen, aandoen; enen die perse aendriven, iemand zeer in het nauw brengen. II. Intr. Aandrijven, drijvende aan land komen.

Aendrucken, zw. ww. trans. 1) Door drukken verwijderen, verdrijven, verjagen. 2) enen iet aendrucken, iemand iets opdringen of dwingen te doen.

Aenduwen, zw. ww. trans. Met kracht of geweld aandoen, van klederen.

Aendwingen, st. ww. trans. 1) Aansnoeren, aanhechten, aanbinden, vast doen zitten. 2) iemand dwingen iets te doen, tot iets dwingen. 3) enen iet

aendwingen, iemand iets opdwingen of opdringen.

Aeneen, bijw. Aaneen, aan elkander; van tijd, achter elkander, aan één stuk.

Aeneencomen st. ww. intr. Bijeenkomen, bij elkander komen; ook met een vijandige bedoeling, handgemeen worden.

Aeneenvoegen, aeneynvoegen, aeneenvoigen, Bijeenvoegen, verbinden. Aeneenvoeginge.

Aeneigenen, aenechgenen, zw. ww. trans. Enen iet aeneigenen, iemand iets bij gerechtelijk vonnis als eigendom toewijzen of toekennen.

Aeneischen, aeneeschen, zw. ww. tr. Oproepen.

Aenerven, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. Krachtens erfrecht of door erfopvolging op iemand overgaan, zijn eigendom worden, aan iemand als erfgoed ten deel vallen. II. Trans. Enen iet aenerven, iemand iets nalaten; enen aengeĎrft worden (met veranderd onderwerp), krachtens erfrecht verkrijgen.

Aeneten, st. ww. tr. Aanbijten, de mond in iets zetten.

Aengaderen, zw. ww. trans. 1) Vergaderen, naken dat iemand aan iets blijft kleven. 2) vergaderen, bijeenbrengen.

Aengaen, st. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Gaan naar een bepaalde plaats of met een bepaald doel, zich begeven naar. 2) gaan in de richting van iets, voortgaan, naderen; ook: zijn gang gaan; doen aengaen, aanzetten. 3) aan de gang gaan, aanvangen, beginnen te zijn; af- ende aengaen, ophouden (van het een) en beginnen (van iets anders); in dienst treden. 4) van een gloed, een vlam, aangaan, beginnen te branden. 5) aan de gang gaan met kracht, voortgaan, te werk gaan. 6) aangaan, behoren tot, in betrekking staan of komen tot; in den bloede bestaan; tot iemands partij behoren; zijn zaak omhelzen; met een zaak als onderwerp, aangaan, betreffen, behoren tot. 7) met den datief van de persoon en een zaak als onderwerp, aan iemand komen als aandeel, ten deel vallen, toebehoren. 8) met de datief, tot iemand gaan, hem naderen, aanklampen; met woorden aanspreken, hetzij vriendelijk

of vijandig, maar steeds met het doel om iets te verkrijgen; met daden, te lijf gaan, aanvallen, overvallen, bestoken; der doot aengaen, de dood tegemoet

gaan; enen boeke aengaen, tot een boek gaan, het open slaan om het te raadplegen. Met een zaak als onderwerp, een aandoening, stemming, geestestoestand of lichaamstoestand en dergelijke, aantasten, aangrijpen, aandoen, overkomen, overvallen, kwellen, plagen, treffen; wat gaet u aen, wat mankeert u, hoe verzint gij het? 9) aandoen, treffen, indruk maken op het gemoed. 10) een overeenkomst sluiten. II. Trans. 1) Aanvangen, beginnen te doen. 2) aanvangen, beginnen, ondernemen. 3) iets aannemen, volgen, opvolgen, er naar handelen. 4) iets vrijwillig ondergaan. 5) iets aanvaarden, op zich nemen, aannemen, een belofte, verplichting, verbintenis. 6) iets tot zich nemen, in bezit of beslag nemen. 7) nu en dan vindt men het ww. trans. gebruikt in enkele der bij Intr. Opgegeven betekenissen, o. a. in de betekenis „aanspreken" en „aandoen.

Aengaende, bnw. Met de datief, van de persoon, voorkomend, vriendelijk tegen iemand.

Aengaende, deelw. Betreffende, rakende. Ook voorz. met de datief (van het ww aengaen), aangaande, nopens, betreffende.

Aengangen, st. ww. intr. en trans. Hetzelfde als aengaen. I. Intr. Naderen, toegang krijgen tot. Trans. Beginnen; aangaan, een verbond.

Aenganc, znw. m. 1) Nadering, het aankomen, het tegemoet gaan; in het volksgeloof, goede of kwade aenganc, ontmoeting. Ten aengange comen, juist van pas aankomen, als men iets zal gaan doen, onverwachts of toevallig aankomen, onvoorziens verschijnen, ndl. „op den aangang komen", oorspronkelijk met het bijdenkbeeld dat die verschijning tot een goed of kwaad voorteken verstrekte. Ook van gebeurtenissen, zich onverwachts voordoen en iemand overvallen. 2) toegang. 3) aanvang, begin. 4) aanval. 5) het element of de grondstof waaruit iets is geschapen of zijn begin genomen heeft; het element waarin iets leven moet, in mystieke zin.

Aengebet, znw. o. Gebed tot God,

Aangeboorte, znw. vr. 1) Aangeborenschap, bloedverwantschap, maagschap, vooral het op die betrekking gegronde recht van naasting. 2) geboorterecht.

Aengeboren, bnw. 1) Door en met de geboorte verkregen, iemand bij geboorterecht toekomende. 2) met de geboorte voorbeschikt, volgens het volksgeloof aan een onontkoombare voorbeschikking. Ook geboren aen, hetzelfde als enen gescapen sijn. 3) met den datief, aan iemand door geboorte verbonden, tot hem in maagschap behorende. 4) ingeboren, ingeschapen; ook geboren in 't been.

Aengeboren, zw. ww. intr. met de datief. Iemand te beurt vallen.

Aengeborenheit, znw. vr. Ingeschapenheid, aangeboren aanleg.

Aengebringen, aengebrengen, zw. onr. ww. trans. 1) Iemand iets berichten of mededelen, hem aangifte van iets doen. 2) enen aen iet aengebringen, iemand tot iets brengen of drijven, hem er toe noodzaken.

Aengeburtich, bnw. Naburig.

Aengedachte, aengedacht, znw. vr. en o.1) Gedachte, voorstelling. 2) aandacht, stille overpeinzing, godvruchtige of vrome stemming.

Aangedeelte, znw. o. Aandeel.

Aengedenken, aengedinken, zw. onr. ww. intr. Denken aan; als znw. gedachte aan, het denken aan iets.

Aengedinc, znw. o. Aanspraak.

Aengedoen, onr. ww. trans. Vgl. gedoen. Aandoen, zich met iets bekleden of van iets voorzien; zich eigen maken (een eigenschap).

Aengedracht, znw. vr. Beschuldiging.

Aengedragen, st. ww. trans. Vgl. Gedoen. Aan het lijf dragen, van kleren en wapenen.

Aengegripen, st. ww. trans. Vgl. gedoen. Aanvatten, aanvaarden.

Aengehaelt, deelw. bnw. Besmet.

Aengehuset, aengehuust, aengehuest, bnw. Als znw., eigenaar van een belendend huis.

Aengecnocht, deelw. bnw. Verbonden, verknocht.

Aengelandet, aengelant, bnw. Als znw., zowel in de betekenis: eigenaar of eigenares van een land aan een weg, een dijk, een watering enz. als: eigenaar

of eigenares van een aangrenzend land, lende.

Aengelieven, zw. ww. intr. als znw. Welbehagen, welgevallen.

Aengelijc, bnw. 1) Enen aaengelijc, gelijkende op iemand. 2) ere dinc aengelijc, gelijk aan iets.

Aengeloven, st. ww. trans. Enen iet aengeloven, iemand iets aan- of toevertrouwen.

Aengeloven, st. ww. trans. Iet aengeloven, iets beloven, zich door een belofte tot iets verbinden.

Aengemerc, znw. o. Het aanmerken of in rekening brengen van iets. Uten, ten aengemerke van, met het oog op.

Aengename, aengenaem, bnw. Liefelijk, aantrekkelijk, bevallig; enen aengename, welgevallig, met een persoon en een zaak als onderwerp. In Oostmnl. ook aengenem(e).

Aengenamicheit, aengenemicheit, znw. vr. Liefelijkheid, bevalligheid.

Aengenemen, st. ww. trans. Aannemen, een gewoonte. Vgl. Genemen.

Aengenome(n)lijcheit, znw. vr. Vooringenomenheid, voorliefde.

Aengenomen, deelw. bnw. Aangenaam, welgevallig.

Aengenomenheit, znw. vr. 1) Het aangenomen hebben, de aanneming van (een levenswijze). 2) hetgeen aangenomen of ontvangen is door de mens

van God, aengenomenheit onser naturen, het ontvangen hebben van onze menselijke natuur, ons lichaam (naar Gods beeld). 3) vooringenomenheid, voorliefde.

AengeriĎn, st. ww. intr. met de datief. Zich aansluiten aan, raken, aangaan, in betrekking staan tot.

Aengeroepen, st. ww. trans. Aanroepen. Vgl. geroepen.

Aengeschapen, aengeschepen, bnw. Enen aengeschapen, aan iemand of iets van naturen eigen.

Aengeschijn, znw. o. Aanschijn, gelaat, of misschien: uiterlijk, verschijning.

Aengeschouwe, znw. vr. (o. ?). Uiterlijk voorkomen.

Aengeschouwen, zw. ww. trans. Aanschouwen, aanzien; ook: de uitdrukking van het gelaat.

Aengesichte, aengesicht, znw. o. Aangezicht, gelaat, vore dat aengesichte, in den aensichte van, voor het aangezicht van, ten aanschouwen van.

Aengesien, st. ww. trans. Aanzien. Vgl. gesien.

Aengesien, deelw. van aensien. 1) Aengesien dat, voegw., aangezien, naardien, daar. 2) in een absolute nv.; dese vier (poenten) aengesien, als wij deze

vier dingen in ogenschouw nemen. 3) als voorz., met het oog op, in aanmerking nemende, aengesien u armoede.

Aengesinnen, st. ww. trans. Enen des aengesinnen, iets van iemand begeren, verlangen, verzoeken (oostmnl.).

Aengesprokene, znw., eig. volt. deelw. Van aenspreken. Aangeklaagde.

Aengeval, znw. o. 1) Eigendomsovergang. 2) recht van de heer op het genot van het leen gedurende de onmondigheid van de leenvolger (oostmnl.).

Aengevecht, znw. o. Het aanvechten, bestrijden; vijandelijke aanval, bestrijding, ook van de duivel.

Aengevechten, st. ww. trans. Bevechten, bestrijden; als znw., vijandelijke aanval of inval.

Aengeven, st. ww. trans. 1) Enen een cleet aengeven, iemand een kleed aan het lijf geven, het hem geven om aan te doen. 2) uitgeven, uitvaardigen, een

verordening. 3) overgeven, in eigendom.

Aengewassen, deelw. bnw. Aangegroeid.

Aengewegen, zw. ww. trans. Enen iet aengewegen, iemand iets toezenden, doen toekomen, verlenen.

Aengewin, znw. o. Aanwinst, gewin.

Aengien, znw. o. Begin, aanvang.

Aenginge, znw. vr. (aenginc, o. ?). Begin, aanvang. Sonder aenginge, zonder begin, van eeuwigheid; van aenginge, van de aanvang af, van de beginne;

van de werelt aenginge, van het begin der wereld.

Aengorden, zw. ww. tr. Aangorden, aangespen (een zwaard).

Aangraven, st. ww. trans. Door het graven van een sloot aan zijn eigendom toevoegen, aan zich trekken, gezegd van markgronden (in Overijsel).

Aengreep, znw. m. Aanval, vijandelijke behandeling, daad van geweld wegens iemand gepleegd.

Aengrijp, znw. m. 1) Hetzelfde als aengreep. 2) Het ter hand nemen van iets, het zich zetten tot iets; misdadige onderneming van, het zich schuldig

maken aan iets.

Aengripen, st. ww. trans. 1) Aangrijpen, aantasten, de hand slaan aan, een persoon met vijandige bedoelingen; een zaak tegen recht en billijkheid; een

misdadige onderneming op het touw zetten; ook: aantasten, bestrijden, strijden tegen (de zinnen). 2) aanvaarden; in bezit nemen, in beslag nemen. 3)

aanvaarden, beginnen, in toepassing of in beoefening gaan brengen. Kennesse aengripen, een (rechts)zaak opvatten en er recht in spreken. 4) tegen

iemand uitvaren.

Aengripende, bnw. Alles meeslepend, onstuimig (van een vloed).

Aengriper, znw. m. 1) Overweldiger, geweldenaar, rover. 2) iemand die iets onderneemt, omhelst, in beoefening brengt, ook een ondeugd.

Aengripinge, znw. vr. Geweldenarij, daad van geweld; ook: vergrijp, inbreuk op het recht van anderen. 2) Aanvaarding, inbezitneming.

Aengroeyen, zw. ww. intr. Beginnen te groeien, ontkiemen.

Aengroeten, aengrueten, zw. ww. tr. Begroeten, groetend aanspreken, zijn compliment maken.

Aenhaen, st. ww intr. met de datief. Aanhangen, aankleven, bijblijven (oostmnl.).

Aenhaf, znw. m. oostmnl. Aanhef, begin, aanvang; ook: voorspel, preludium.

Aenhalen, zw. ww. trans. 1) Enen aenhalen, door vriendelijkheid en voorkomendheid tot zich trekken, aanhalen; ook: aanlokken, verlokken, ten kwade; iet aenhalen, aandragen, halen en ergens brengen. 3) buit maken, prijs verklaren. 4) aanhouden, in beslag nemen, aanhalen, van goederen. 5) aanhalen, aanleiding geven tot iets, iets zoeken of door zijn gedrag veroorzaken.

Anhaler, anhaelre, znw. m. 1) Hij die iets veroorzaakt of aanleiding tot iets geeft; van een vechtpartij, hij die ze aanhaalt, aanlegger. 2) hij die iets buitmaakt.

Aenhalinge, znw. vr. 1) Het aanhalen, aanleggen of aanleiding geven tot iets, in het bijzonder tot een vechtpartij. 2) het leggen van beslag op iets, in bezitneming.

Aenhangel, bnw. 1) Aanhangende, zich aan iemand vastklemmende. 2) iemand niet loslatende, vasthoudend, vast op zijn stuk staande, iets van iemand gedaan weten te krijgen. Aenhangelheit.

Aenhangelijc. bnw. 1) Hetgeen iemand van buiten aankleeft, uitwendig. 2) gehecht aan, verzot op iets.

Aenhangelijcheit, znw. vr. 1) Aanhankelijkheid, het iemand aanhangen, gehechtheid. 2) Het aan iets gehecht of op iets verzot zijn, hartstocht voor iets.

Aenhangen, st. ww. intr. (meestal met de datief) en trans. 1. Intr. 1) Iemand aan het lijf hangen; aan iets hangen, er aan vastkleven. 2) iets aankleven, aan iets zitten, er mede verbonden zijn, er bij behoren; iemand aankleven. 3) zich voegen of aansluiten bij iemand; zich vastklemmen aan iemand, bij hem aanhouden op. 4) zich hechten aan, iemand aanhangen. II. Trans. Aan iets hangen of ophangen. 2) iets aan iets anders hechten, bij iets anders voegen, aan iets toevoegen.

Aenhangende, bnw. Bijkomend; aenhangende reden, bijkomende redenen.

Aenhanginge, znw. vr. 1) Aanhankelijkheid, het zich hechten aan iemand, gehechtheid, verkleefdheid. 2) aanhorigheid. 3) aanhangsel.

Aenhanc, znw. m. 1) Aanhang van een persoon, aanhangers. 2) aanhangsel van een zaak. 3) bijgebouwtje. 4) toevoeging aan een eis in eerste aanleg.

Aenhebben, zw. onr. ww. trans. 1) Aanhebben, een kledingstuk; aan zich hebben, aan zich dragen, bevatten, hebben als iets uiterlijks en zichtbaars. 2) in

zich hebben, van al wat tot het innerlijk wezen behoort, hebben. Een onrecht aenhebben, iets kwaads op zijn geweten hebben; die gewoonte aenhebben, de gewoonte aangenomen hebben, zich gewend hebben aan iets, de slag beet hebben. 3) in zich hebben, bevatten, behelzen, met een zaak als onderwerp. 4) inhebben, vorderen, vereisen. 5) in hebben voor iemand (in de datief), voor iemand van veel belang of gewicht zijn; hem zwaar vallen; met veranderd onderwerp, door iets gedrukt worden, onder iets gebukt gaan. 5) aan zich gehecht hebben, met een persoon als object, aan zich verbonden hebben.

Aenhechten, aenheften, zw. ww. trans. Vasthechten, verbinden.

Aenhechtinge, znw. vr. 1) Verbinding, koppeling. 2) gehechtheid, verkleefdheid.

Aenheerden, zw. ww. trans. In het Nederrijns. Moeien, niet met rust laten, aan iemand moeite of last veroorzaken.

Aenheffen, aenheven, st. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Beginnen, een aanvang maken met iets, ook van een rechtshandeling. 2) van een lied, aanheffen. 3) beginnen, ondernemen, ook van de ene of andere rechtshandeling. II. Intr. Beginnen, opkomen, ontstaan.

Aenheffer, aenhever, znw. m. Hij die iets begint, de stoot tot iets geeft, iets op het touw zet.

Aenheftich bnw. Blijvend, duurzaam (oostmnl.).

Aenhelen, aenheelen, zw. ww. trans. Aaneenvoegen, tot een geheel maken.

Aenherden, zw. ww. trans. Aansporen, aanmanen, ook: sterken, stijven. Aenherdinge.

Aenhete, znw. m. Eigenlijk overgrootvader, vader van de grootvader (oostmnl.). In Gelderse tongvallen anythe, grootvader.

Aenhiliken, zw. ww. trans. In huwelijk met zich verenigen, huwen, trouwen.

Aenhoge, znw. vr. Naam van een belegeringswerktuig van gelijke hoogte als de muren.

Aenhoren, zw. ww. intr. 1) Toebehoren, in eigendom. 2) behoren tot, voegen of passen bij.

Aenhoren, zw. ww. trans. 1) Horen, vernemen, toevallig; aensiens ende aenhorens, zodat men het zag en hoorde. 2) aanhoren, luisteren naar, opzettelijk; ten aenhorene van al de wereld, ten aanhoren van iedereen, in het openbaar.

Aenhouden, st. ww. trans. 1) Vasthouden, vastklemmen. 2) in het oog houden, onderhouden, betrachten, zich houden aan. 3) aenhouden, onderhouden, in stand houden, bewaren; droefheit lange aenhouden, lang bedroefd blijven, rouw bedrijven. 4) aan zich houden, in zijn macht houden. 5) hem iet aentrecken ende aenhouden, blijvend op zich zelf toepasselijk maken, menen dat iets (wat als scherts bedoeld is) ernstig is gemeend. II. Intr. Aanhouden, voortgaan.

Aenhouwen, st. ww. trans. Met de datief. Bij het houwen van een beeld aanbrengen.

Aenjagen, zw. ww. trans. en intr. I. Trans. Iets naar iemand (datief) of iets toedrijven; ook: iemand (datief) iets op het lijf jagen, het hem bezorgen. II. Intr.

Komen aanrijden, voortrijden.

Aencaep, aencape, znw. m. en o. Bekijk, schouwspel; ook: een voorwerp van spot; te aencape, tot bekijk, tot spot.

Aencallen, zw. ww. trans.; enen iet aencallen, iemand iets mededelen, vertellen.

Aenkeren, zw. ww. intr., trans. en wederk. I. Intr. Gaan naar een bepaald doel, zich ergens heen keren. II. Trans. 1) Enen iet aenkeren, iemand iets bezorgen, het hem op de hals schuiven. 2) enen iet aenkeren te, iemand iets aanrekenen voor of tot; hem (zich) iet aenkeren te, zich zelf iets aanrekenen tot. III. Wederk. Hem aenkeren ere dinc. 1) Zich met iets bemoeien, bezighouden, inlaten. 2) zich aan iets storen of om iets bekommeren, met een ontkenning. 3) steunen op, zich beroepen op.

Aenclagen, zw. ww. trans. Aanklagen. Aenclager. Aenclagersche.

Aenkiven, st. ww. trans. Hetzelfde als aencnibbelen.

Aencleden, zw. ww. trans. Aantrekken, klederen en wapenen; aengecleet, aangekleed, bekleed.

Aencleef, znw. m. Hetgeen bij iets anders behoort, daarmede een meer of minder ondeelbaar geheel uitmaakt.

Aencleet, znw. o. Opperkleed.

Aencleven, st. en zw. ww. intr. met de datief (en acc.) en trans. I. Intr. 1) Aan of in iemand of iets kleven of vast zitten. 2) met het gemoed kleven aan, er aan verkleefd of verbonden zijn; Gode, der (die) werelt aencleven. (ook onscheidbaar); als znw., het aan de dienst van iemand verbonden zijn. 3) met een zaak als onderwerp, iemand of iets aankleven, nauw verbonden zijn met; aan iemand eigen zijn; met veranderd onderwerp, iets niet kunnen ontgaan. 4) betreffen, aangaan, behoren tot; goet den boedel aenclevende. 5) een aaneengeschakeld geheel vormen, van tijd, doorlopen; in één aencleven, achtereen. II. Trans. Aankleven, iets aan iets anders doen kleven of vastmaken.

Aenclevenisse, aenclevenesse, znw. vr. 1) Aankleving, het kleven van iets in overdrachtelijke zin (b.v. van schande) aan iemand. 2) verbondenheid, verkleefdheid, gehechtheid.

Aenclever, znw. m. Hij die met iemand nauw verbonden is, gemene zaak met hem maakt.

Aenclevich, bnw. Iemand aanklevend of aanhangend, met hem verbonden.

Aenclevinge, znw. vr. 1) Het aan of in iemand of iets kleven of vastzitten. 2) hetzelfde als aencleef; 3) verkleefdheid, gehechtheid; sinlike aenclevinge.

Aenclimmen, aenclemnmen, st. ww. intr. met de datief. Naar iets toe- of opklimmen.

Aencloppen, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. aankloppen, door de klopper te bewegen verzoeken om binnengelaten te worden. II. Trans. 1) Iet aencloppen, tegen iets kloppen of slaan. 2) enen aencloppen, iemand aantikken of aanroepen; ook: aanroepen in het gebed.

Aencloppinge, znw. vr. Aanroeping in het gebed.

Aencnibbelen, zw. ww. trans. Enen iet aencnibbelen, iemand iets uit schraapzucht aansmeren, b.v. werk tegen gering loon, hem afschepen met. Hetzelfde

betekent aenkibbelen en aenkiven.

Aencnopen, aencnoppen, aencnuppen, zw. ww. trans.(cnochte, gecnocht, gecnoft). 1) Aan iemand iets vastknopen, er hem mede binden. 2) iets aan

iemand aanbrengen, druc, doget aencnopen. 3) iets vastmaken of verbinden aan iets anders.

Aencomen, st.ww. intr. en trans. I. Trans. Aencomen met een persoon als onderwerp. 1) Aankomen, naderen; met te, tot iets komen, tot iets geraken. 2) aanvaarden, in dienst of in een zekere betrekking treden, gezegd met betrekking tot een leengoed, een pacht, een ambt, de troon; als znw. aencomen, troonsbestijging. 3) met den datief, iemand ontmoeten, tegenkomen; tot of bij iemand komen, zich tot hem wenden, zich aan iemands zijde scharen, zijn partij kiezen; ook: op iemand afkomen met een vijandige bedoeling, hem aanvallen, overvallen; als znw., het handgemeen worden; enen met rechte aencomen, iemand in recht aanspreken. 4) enen aencomen, iemand in de bloede bestaan, met hem verwant zijn. B. Met een zaak als onderwerp. I) Aan

het lijf komen, gedragen worden. 2) gebeuren, geschieden. 3) aanvangen, beginnen, opkomen. 4) aan iemand komen, hem bereiken. 5) met een aandoening, ervaring, stemming, toestand als onderwerp, iemand overkomen, overvallen; ook, van een ongunstige of ongewenste zaak, overkomen, overvallen, aangrijpen. 6) iemand (datief) aan- of toekomen als aandeel, toegevoegd worden, toevallen; iemands eigendom worden door erfenis, koop e.a. 7) slagen, gedijen, van een onderneming. 8) van een bericht, iemand ter oren komen, bekend worden. 9) van land, zich uitstrekken tot een zeker punt, aanliggen, aangrenzend. II. Trans. Aanspreken in recht, ook in het pass.

Aencomer, znw. m. Aankomende, in huur tredende pachter.

Aencomste, aencomst, znw. vr. 1) Het aankomen, aankomst, komst. 2) het treden in een zekere betrekking van dienst, pacht, bestuur enz.; troonsbestijging.

Aencopen, zw. onr. ww. trans. Aankopen, kopen.

Aencoppelen, zw. ww. trans. Vasthechten, verbinden, verenigen; aengecoppelt hebben, in zich hebben, met iets verbonden zijn.

Aencoppelinge, znw. vr. Vereeniging, verbinding; het verbonden zijn met, leven in (vrees b.v.).

Aencrigen, st. ww. trans. Bereiken, krijgen.

Aencrischen, st. ww. intr. met de datief, Toeroepen, toeschreeuwen, niet uitsluitend met een onaangename stem.

Aencruden, aencruyen, zw. ww. trans. Aankruien, kruiende aanbrengen.

Aenlachen, st. ww. intr. met de datief. Iemand toelachen, hem vriendelijk bejegenen, vleien. Aenlachinge.

Aenlaet, znw. m. Aanleiding, aanleidende oorzaak.

Aenlaet, znw. m. Diegene onder meer gerechtigde laten (horigen), die voor zich en zijn medegerechtigden met het laatgoed wordt beleend (Limburg).

Aenlage, znw. vr. 1) Kwelling, aanranding. 2) onkosten, hetgeen aan iets te koste gelegd wordt.

Aenlanden, zw. ww. intr. Aanslibben.

Aenlandinge, znw. vr. Aanslibbing, aanwas, van land.

Aenlangen, zw. ww. intr. Langer worden (van de nacht).

Aenlangen, zw. ww. intr. en trans. I Intr. Bij iemand met iets aankomen. II. Trans. 1) Iemand zoeken te naderen om hem iets te verzoeken; als znw., aanzoek. 2) Iemand naderen met een vijandelijk oogmerk; lastig vallen, aanvallen, een persoon; aantasten, aanvallen, een land.

Aenlaten, st. ww-. trans. 1) Enen aenlaten, iemand in een betrekking doen blijven; enen iet aenlaten, iemand iets laten behouden, het aan zijn zorg toevertrouwen.

Aenlech, znw. m. 1) Haak of kram waaraan men iets vastmaakt. 2) beschuldiging, aanklacht.

Aenleggen, zw. onr. ww. trans. 1) Een schip aan de wal vastleggen, meren. 2) beginnen te maken, te bouwen; ondernemen, op het touw zetten; een

rechtspraak, aanhangig maken, instellen, aanleggen, ook van vuur; aanbrengen op een bepaalde plaats, een zaak. 3) geld, tot een bepaald doel aanwenden; uitschieten; uitzetten, op interest zetten. 4) met te, iets bij iets anders leggen, het er bij voegen of optellen. 5) enen iet aenleggen, iemand

iets aanleggen, opleggen, op het hoofd leggen, b. v. De hand bij een zegening; iemand iets voorleggen, voorzetten van spijs; iemand iets voorleggen, voorstellen; iemand iets opleggen, voorschrijven, gelasten; iemand iets aandoen, doen ondervinden, een bejegening met woorden en daden, een welwillende en een vijandige; enen een vloec aenleggen, iemand vervloeken; hem iet aenleggen, zich op de hals halen; iemand iets als eigendom toeleggen, toekennen; iemand iets toekennen, toeschrijven, een titel, een hoedanigheid; enen prijs aenleggen, iemand lof toekennen; iemand een

handeling toeschrijven, ze hem aanwrijven, ten laste leggen. 6) enen aenleggen (van), iemand (van iets) beschuldigen, aanklagen in recht. 7) inrichten, regelen, besturen; hem (sich) aenleggen, in het Nederrijns, zich aanstellen, zich gedragen.

Aenlegger, znw. m. 1) Geldschieter. 2) hij die het eerst iets doet, met iets begint; uitdager tot een tweekamp; beginner, ontwerper; beschuldiger; aanvaller, hij die een strijd begint. 3) eiser in recht.

Aenleggerse, aenlechster, znw. vr. Eiseres.

Aenlegginge, znw. vr. 1) Aanzoek; verzoeking. 2) kosten, onkosten, het besteden van geld voor een bepaald doel. 3) aantijging, beschuldiging, klacht.

Aenleiden, zw. ww. trans. 1) Geleiden, brengen, voeren. 2) aanvoeren, ten strijde; aengeleit bringen, aanvoeren.

Aenleider, znw. m. Leider, hoofddader.

Aenleidinge, znw. vr. Het vatten en brengen voor de rechter.

Aenlenen, zw. ww. intr. Leunen, een leunende houding aannemen, tegen iets leunen.

Aenleveren, zw. ww. trans. In iemands handen leveren, een geldschuld; haar voldoen.

Aenlichten, zw. ww. trans. Bijlichten.

Aenliden, st. ww. trans. (Een weg) inslaan.

Aenliden, st. ww. trans. Lijden, ondervinden; als znw., onaangename gewaarwording.

AenliĎn, zw. ww. intr. met de datief. Belijdenis doen van, bekennen te behoren tot.

Aenliggen, st. ww. intr. 1) Aan of op een bepaalde plaats neerliggen, daar liggen of gelegerd zijn. 2) van een land, zo liggen dat het aan een ander grenst of paalt, grenzen aan. 3) met de datief, iemand of iets aankleven, eigen zijn, er aan of er in zijn, van een hoedanigheid, eigenschap, toestand, vooral een onaangename. 4) voor iemand weggelegd zijn, hem opgelegd zijn, aan iemand opgedragen zijn; also als hem daer anelach, wat voor hem niet anders kon, onvermijdelijk was; enen lastich aenliggen, voor iemand met moeite gepaard gaan. 5) betrekking hebben op iemand of iets, betreffen. 6) iemand aanklampen, aan boord komen met een vraag, een bede; aanzoek bij iemand doen; aanhouden of aandringen; voor aenliggen vindt men in deze betekenis

Herhaaldelijk aenleggen. 7) overvallen, aanranden, bestoken, teisteren met een persoon als onderwerp; overvallen, overkomen, aangrijpen, kwellen, van aandoeningen, ervaringen, onwelkome zaken, als den hont siecheit anleghet, so eet hi gras.

Aenlocken, zw. ww. trans. Aanlokken, tot zich lokken.

Aenlockinge, znw. vr. Aanlokking, verlokking, lokaas.

Aenlocsel, znw. o. Aanloksel, lokaas.

Aenloop, znw. m. 1) Loop, koers, van geld. 2) aanval, vijandelijke aanval; ook van de duivel. 3) aanval van pijn of smart.

Aenlopen, st. ww. intr. 1) Ergens heen (te) lopen; enen aenlopen, op iemand aanlopen, hem tegemoet lopen. 2) op iemand aanlopen of aanrijden met een

vijandelijke bedoeling, hem aanvallen. 3) aankomen, aangroeien, aan lijf of leden. 4) toekomen, komen aan iemand. 5) voordeel voor iemand opleveren; met veranderd onderwerp, iets aan iets verdienen of winnen. II. Trans. Aantasten, aanvallen, overvallen, met een ziekte als onderwerp; bi verwoetheden aenlopen (onscheidbaar deelw.), door razernij aangetast.

Aenloven, zw. ww. trans. Enen ere dinc aenloven, iemand tot iets in staat of bevoegd achten, het hem toevertrouwen.

Aenluken, st. ww. trans. Toesluiten, dichtdoen, een deur.

Aenmaken, zw. ww. trans. 1) Enen iet aenmaken, maken dat iemand iets heeft, het hem bezorgen. 2) doen ontvlammen, vuur; in gloed zetten, het gemoed.

Aenmanen, zw. ww. trans. Opwekken, aanmanen tot iets. Aenmaenre, Aenmaninge.

Aenmerken, zw. ww. trans. Opmerken, opmerkzaam zijn op; ook: iets in aanmerking nemen.

Aenmercsam, aenmarcsam, bnw. Oplettend, opmerkzaam.

Aenmerkinge, znw. vr. Opmerkzaamheid, oplettendheid, het schenken van zijn aandacht aan iets, ook: het iets in aanmerking nemen.

Aenmeten st. ww. trans. Enen iet aenmeten, toemeten.

Aenminnich, bnw. Aanminnig, liefelijk, welgevallig.

Aenmoeden, zw. ww. trans. (oostmnl.). Iets verzoeken of verlangen van iemand.

Aennaeyen, aennayen, zw. ww. trans. Aannaaien, aan iets vastnaaien.

Aennagelen, zw. ww. trans. Aan iets nagelen of vastklinken, vooral aan het kruis. Aennagelinge.

Aennaken, zw. ww. intr. Komen over of in iemand, van dorst, eigenlijk „tot hem komen".

Aenname, bnw. Aangenaam. (oostmnl.).

Aennamen, zw. ww. trans. Aannemen.

Aennemelijc, bnw. Geneigd of geschikt om aan te nemen, in zich op te nemen, vatbaar voor indrukken van buiten, aantrekkelijk.

Aennemelijcheit, znw. vr. Het aantrekkelijk zijn, vatbaarheid voor indrukken.

Aennemen, st. ww. tr., intr. en wederk. I. Trans. Met een persoon als object. 1) Enen aennemen, iemand ontvangen, welkom heten. 2) iemand tot zich nemen, opnemen, aannemen, b.v. een leerling. 3) nemen of kiezen tot de ene of andere waardigheid. Met een zaak als object. 4) Aannemen, aandoen, aantrekken, kleden, enz. 5) aannemen, een titel, hem aennemen, hetzelfde. 6) nemen tot een bepaald doel, ergens toe aanwenden, gebruiken; den name des Heren aennemen, gebruiken, op de lippen nemen. 7) aanvatten, aanvangen, beginnen, ondernemen, op zich nemen, ook aannemen of op zich nemen een werkstuk te leveren; sotheit aennemen, een dwaas stuk beginnen; berou aennemen, berouw krijgen; fortse aennemen, geweld bedrijven; dat wort aennemen, het woord opvatten; den slaep aennemen, gaan slapen; hem aennemen. (iet) Item, (des) aennemen, hetzelfde. Hem des aennemen, ondernemen, zich vermeten, zich veroorloven. 8) ontvangen, lijden, ongemak, zowel vrijwillig als onvrijwillig; die doot aennemen, lijden, ondergaan; sorge aennemen, slooven. 9) aanvaarden, in bezit nemen, op zich nemen, een waardigheid, betrekking, ambt; hem aennemen, hetzelfde. 10) in bezit nemen, aanvaarden, zich toe-eigenen, te recht of ten onrechte, een bezitting, een recht; hem aennemen, hem des aennemen, hetzelfde. 11) van voorvallen, ervaringen, enz., ze (op de ene of andere wijze) opnemen, ze zich aantrekken, er over gestemd zijn; hem aennemen, hem des aennemen,

hetzelfde. 12) alleen hem des aennemen komt voor in de betekenis zich iets aantrekken, zich aan iets laten gelegen zijn, zich met iets bemoeien of inlaten, zich er moeite voor geven. 13) een mening vaststellen, als waar erkennen. 14) in beslag nemen; vijandelijk aantasten. II. lntr. 1) Een begin of aanvang nemen. 2) toenemen, aangroeien.

Aennemer, znw. m. 1) Hij die iets onderneemt, verricht, bedrijft, op zich neemt.

Aenneminge, znw. vr. 1) Het aannemen van, aanneming; des vleysches aenneminge, incarnatio (van Christus). 2) aanneming, opneming in zijn huis, aanneming tot kind. 3) opneming in de hemel.

Aennipen, st. ww. trans. Knijpend of nijpend betasten, beetpakken, berispen.

Aennoemen, zw. ww. trans. Uitdrukkelijk of met name noemen.

Aennopen, zw. ww. trans. 1) Aanraken. 2) raken, betreffen. 3) aanvatten, ter hand nemen.

Aennopende, voorz. Nopens, aangaande.

Aenpachten, z.w. ww. trans. 1) Enen iet aenpachten, iemand gerechtelijk stellen in het bezit van iets als pand. 2) gerechtelijk rente doen vestigen op een onroerend goed.

Aenpanden, zw. ww. trans. Iet aenpanden, iets als gerechtelijk pand in beslag nemen. Aenpander, Aenpandinge.

Aenpart, aenpaert, znw. o. Aandeel.

Aenpensen, zw. ww. trans. Bepeinzen, overdenken.

Aenporren, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. In beweging zijn, van het gemoed. II. Trans. In beweging brengen, het gemoed; aandrijven.

Aenporringe, znw. vr. 1) Beweging, het in beweging zijn. 2) beweging, het in beweging brengen (van het gemoed), aandrift, hartstocht.

Aenprekelen, zw. ww. trans. Met een prikkel of ander scherp werktuig steken, aanprikkelen.

Aenprinden, zw. en st. ww. trans. Aanvatten, aangrijpen.

Aenprisen, zw. ww. tr. Prijzen, belonen (?)

Aenraden, st. Ww. intr. en trans. I. Intr. Raden, raad geven tot iets. II. Trans. Iets aanraden.

Aenraken, zw. ww. trans. Aanraken.

Aenranden, zw. ww. tr. Aanvallen, aantasten.

Aenransen, zw. ww. tr. Aanvallen, aanranden. Vgl. ransen.

Aenrecht, aenricht, znw. m. en o. Aanrechtbank of tafel.

Aenrechten, aenrichten, zw. ww. trans. Opdissen, spijs en drank.

Aenrechten, aenrichten, zw. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Aanwenden, besteden, geld. 2) uitrichten, verrichten, iets kwaads. -- II. Intr. Een gerechtelijk vonnis uitvoeren.

Aenrechten, zw. ww. trans. Oprichten.

Aenrechtinge, aenrichtinge, znw: vr. Gerechtelijke tenuitvoerlegging, aanhouding of inbeslagneming; het verschaffen van voldoening door de rechter.

Aenreiken, zw. ww. intr. Reiken tot.

Aenreisen, aenresen, zw. ww. trans. Aanvallen, aanranden, bestoken.

Aenrekenen, zw. ww. trans. 1) In rekening brengen. 2) betalen, uitbetalen.

Aenriden, st. ww. intr. en trans. I. Trans. 1) Aanrijden, rijdende naderen, met de datief, op iemand aanrijden, met vriendschappelijke of vijandelijke bedoelingen; 2) voortrijden met een bepaald doel, er op aan rijden. 3) met de datief, bij iemand aanrijden om hem een bezoek te brengen. - II. Trans. Het

Dwingen tot overneming van een aandeel in gemeenschappelijke eigendom (West Fries).

Aenrinen, st. ww. trans. Aanroeren, aanraken. Aenrininge.

Aenrinnen, st. ww. trans. 1) Op iemand inlopen, hem aanvallen. 2) aanvallen, bestormen, berennen, een stad. 3) aanlopen bij iemand om hem een bezoek te brengen.

Aenrisen, st. ww. intr. Rijzen, opkomen, ontstaan; met de datief, bij iemand opkomen (b.v. van een twist); iemand overkomen, (b.v. van een ziekte).

Aenroeyen, zw. ww. intr. Voortroeien, roeiende naderen.

Aenroepen, st. ww. trans. 1) Aanroepen, God enz., gewoonlijk onscheidbaar. a). toeroepen, iets roepen aan of tot iemand, ook om hulp. 3) een gerechtelijk verzoek tot iemand richten. 4) betogen, vertonen. 5) met te, roepen of bestemmen tot.

Aenroeper, znw. m. Voorspraak, advocaat; iemand die men aanroept, te hulp roept. Aenroepinge.

Aenroeren, aenrueren, zw. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Aanraken. 2) beroeren, in beweging brengen, vooral het gemoed. II. Intr. 1) Raken, betreffen. 2) ere stat aenroeren, een plaats aanraken, er aan grenzen.

Aenroerich, bnw. Aangrenzend, naastgelegen. Vgl. bij roeren.

Aenruchtich, bnw. Befaamd, berucht (oostmnl.).

Aenruken, st. ww. trans. Ruiken aan iets, het beruiken.

Aensaken, aenzaken, zw. ww. trans. 1) Aanklagen, een klacht tegen iemand indienen. 2) veroorzaken, aandoen, nadeel, schade.

Aensaken, zw. ww. trans. Begeren, verlangen. Vgl. saken.

Aensale, aensael, znw. vr. Opperhof, herenhuis.

Aensate, znw. m. Inleiding van een rechtszaak, opening van het geding.

Aensaten, zw. ww. trans. Bij schikking regelen, tot een vergelijk brengen, vereffenen (oostmnl.).

Aenschapen, zw. ww. trans. In den vereiste vorm brengen, een dijk (16de eeuw).

Aenschatten, zw. ww. trans. 1) Iemand dwingen schatting te betalen. 2) iets gerechtelijk bij executie toewijzen.

AenscheriĎn, zw. ww. trans. Beginnen.

Aenschieten, st. ww. intr. en trans. 1 Intr. Op iemand aanschieten, snel op hem afkomen. II. Trans. 1) Aanschieten, schielijk aantrekken, klederen en

wapenen, 2) gezegd van een slang en de duivel, enen iet (nl. venijn) aenschieten, iemand vergiftigen; venijn, ook zedelijk gif, in iemand brengen.

Aenschijn, znw. o. I) Hetgeen aan iemand of iets gezien wordt, uiterlijk voorkomen, schijn. 2) aangezicht, als spiegel van het innerlijk gelaat, ook als lichaamsdeel. 3) de uitdrukking van het gelaat; bij uitbreiding, de aandoeningen van iemand. 4) het gezien worden, de aanblik; het bijzijn, de tegenwoordigheid. 5) zichtbaarheid, blijkbaarheid; in de uitdrukking in aenschine (int aenschijn), blijkbaar, duidelijk; int aenschijn van, ten aanzien van, in vergelijking met; in aenschine doen, duidelijk maken. 6) hetzelfde als aspect (Latijn „aspectus"), gezegd van de planeten (gelaat, gedaante), stand.

Aenschine, aenschijn, bijw. 1) Eigenlijk aen (in) schine, in blijkbaarheid, dat is blijkbaar, klaarblijkelijk, kennelijk; aaenschine werden, blijkbaar worden;

blijken; aenschine sijn, blijkbaar zijn, gebleken zijn; ook: zich voordoen, zich vertonen, aanwezig zijn, te vinden zijn; aenschine comen, tevoorschijn komen, zich vertonen; van wind, opzetten; aenschine doen, blijkbaar maken, doen blijken, bewijzen, betonen; enen iet aenschine doen, iemand iets tonen, ook ironisch, iemand iets betaald zetten. 2) als bijw. Van graad, in de uitdrukking gelijc aenschine, blijkbaar gelijk, volkomen. Ook als bnw. gebruikt, gelijkende op, gelijk aan (naar het uiterlijk).

Aenschinen, st. ww. intr. met de datief. 1) Beschijnen, met de datief en acc.; ook: bestralen, met „Gods gunst" als onderwerp. 2) aanlichten, voor iemand opdagen, met „dag" als onderwerp; ook „vreugde, geluk". 3) blijkbaar zijn, duidelijk zijn; doen, laten aenschinen, laten blijken, ook: doen opbreken, iemand inpeperen.

Aenschot, aenschoot, znw. o. 1) Aangeslibde grond, aanwas. 2) land dat bezwaard is met het onderhoud van een gedeelte van een dijk.

Aenschou, aenschau, aenschouwe, znw. m. 1) Het aanschouwen, de aanblik. 2) opmerkzaamheid, aandacht, consideratie; aenschou hebben, nemen, acht slaan op iets, iets in aanmerking nemen, bij iets in rekening brengen; sonder aenschou, zonder te letten op. 3) het gezien worden; ook: iemands toestand of uiterlijke omstandigheden, of ook: opzicht (?); elc in sijn aenschou, ieder voor hetgeen hem betreft; int aenschou van, ten opzichte van, met betrekking tot.

Aenschouwe, znw. vr. 1) Het gezien worden, ook: aanzien, uiterlijk voorkomen, uiterlijk. 2) het schouwen, het toezicht, vooral: gerechtelijke schouwing. 3) begin van een dijkvak, nl. daar waar de schouw begint. 4) eerste schouw van het jaar.

Aenschouwe, bijw. Uitdrukking, Uit aen scouwe, Aenschouwe sijn, duidelijk zijn, blijken aan iemand; met veranderd onderwerp, ondervinden.

Aenschouwelijc, bnw. 1) Zichtbaar (Latijn „conspicabilis"). 2) aanzienlijk (Latijn „spectabilis") 3. In de 16de eeuw, aenschouwelijc sijn, omschrijving

van „aenschouwen".

Aenschouwen, zw. ww. trans. (scheidbaar en onscheidbaar). 1) Aanschouwen, aanzien; als znw. aangezicht; in, voor, iemants aenschouwen, voor zijn

aangezicht, onder het oog of in de tegenwoordigheid van; uitzicht, voorkomen. 2) aanschouwen, ook: letten op, zijn opmerkzaamheid schenken aan, iets

in aanmerking nemen.

Aenschouwinge, znw. vr. 1) Aanblik. 2) aanzien, uiterlijk voorkomen.

Aenschreien, zw. ww. intr. met de datief. Aanroepen; ook: schreiend, onder tranen aanroepen.

Aenschriven, st. ww. trans. 1) Enen iet aenschriven. Iets aan iemand schrijven, ook: een ambtelijke brief tot iemand richten. 2) iemand aanschrijven, schriftelijk iets gelasten. 3) iemand iets toeschrijven; hem (selven) iet aenschriven, zich zelven iets toeschrijven, menen dat iets hem toekomt. 4) enen

aenschriven, inschrijven, in een boek, een register; opnemen in; ook (in 6de eeuw) inschrijven voor de krijgsdienst.

Aenschudden, zw. ww. trans. Aandoen, aantrekken, klederen en wapenen.

Aensech, znw. m. Beschuldiging; aanklacht.

Aensedel, znw. o. Woonstede, woning, huis.

Aensegelen, zw. ww. trans. Aanzeilen, aanvaren, een vaartuig.

Aensegelen, zw. ww. trans. Enen iet aensegelen of afsegelen, een akte onder zijn zegel opmaken krachtens welke iemand iets verkrijgt of moet afstaan.

Aenseggen, zw. ww. trans., meestal met de datief van de persoon 1) Iemand iets bekend maken; ook: gerechtelijk aankondigen. 2) iemand door zeggen

of spreken tot iets opwekken of bewegen, het hem aanraden of aanpraten; ook: inspreken, moed, troost. 3) iemand iets beloven. 4) iemand iets aanwrijven, te laste leggen. 5) enen aenseggen, iemand in recht aanspreken. 6) aanspraak op; diere aenseggen toe heeft. 7) zonder uitgedrukt object, beginnen te zeggen; zeggen, wat men te zeggen heeft, segt an, zeg op, spreek op!

Aensegger, znw. m. Hij die iemand iets verkondigt, mededeelt; lof aensegger, lofredenaar.

Aenseilen, zw. ww. intr. Aanzeilen, zeilende naderen.

Aensenden, aensinden, zw. en st. ww. trans. 1) Iemand aan of naar iemand zenden. 2) iemand iets toezenden, doen geworden, een voorwerp, ook een toe

stand, geluk, ongeluk enz., verlenen, met God als onderwerp; enen aensende, dat hi, iemand het geluk verlenen dat hij; ook: in hem werken, hem ingeven. 3) iets aan iemand laten weten, berichten; ook: aanzoek doen bij iemand

Aensetten, zw. ww. trans. 1) Aanzetten, aan iets vastmaken; ook: iets stijf drukken, vastzetten tegen iets, vastklemmen. 2) inrichten, regelen. 3) in handen stellen of ter beschikking stellen; ook: overleggen, bewijsstukken. 4) sinen sin, sijn herte ere dinc aensetten, zijn zinnen ergens op zetten. 5) instellen, aanleggen, een rechtszitting, een geding. 6) van een geijkte maat, tot het ijkteken vullen. 7) enen aensetten, iemand ergens plaatsen, ook aanstellen tot een ambt, een waardigheid; af ende aenstten, iemand afzetten en (een ander) aanstellen. 8) iemand in het nauw brengen, verdrukken. 9) enen iet aensetten, iemand iets op het gemoed drukken, gelasten, aanbevelen; met een zaak als onderwerp, tot noodzakelijkheid maken, opleggen.

Aensetter, znw. m. Aanlegger, eiser in rechten. Aensetterse.

Aensettinge, znw. vr. 1) Aanstelling, benoeming. 2) oplegging, bepaaldelijk handoplegging.

Aensichte, aensicht, znw. o. 1) Gezicht, aanblik. 2) aanblik, voorkomen. 3) aangezicht; dat aensichte togen ende bieden, in persoon verschijnen, enen een liefijc aensichte bieden, iemand een vriendelijk gelaat tonen; met bedecten aensichte, vermomd; met verkeerden aensichte, vermomd, met onherkenbaar gemaakt gezicht. 4) aanblik, het gezien worden; tegenwoordigheid; Gode tansichte, voor het oog van God, als in zijn tegenwoordigheid; 5) momaanzicht, masker, mombakkes.

Aensichticheit, znw. vr. In het Oostmnl. Hetzelfde als aensichte, aanblik, ook: uiterlijk voorkomen.

Aensichtkijn, znw. o. Gezichtje, lief gezicht.

Aensien st. ww. intr. en trans. Intr. 1) Zien op, letten op, aanzien. 2) het uitzicht hebben op, gericht zijn naar de ene of andere zijde. II. trans. 1) Aankijken, aanschouwen; als toeschouwer of ooggetuige; aensiender ogen, voor de ogen der aanwezigen; aensiens hare alre, terwijl zij het allen zagen; als znw., blik; in passieve opvatting, aanblik, voorkomen. 3) aanzien, letten op, inzien, bedenken, overwegen, in aanmerking nemen; als znw., opzicht, in de aankijken van, ten aanzien of ten opzichte van. 4) letten op iemand of iets, er acht op slaan; niemant aenkijken, geen aanziens des persoon gebruiken.

5) als wederk. hem aensien, op zichzelf letten.

Aensiener, aensiender, aensiener, znw. m. Hij die iets aanziet of beschouwt, aanschouwer.

Aensieninge, znw. vr. Aanblik.

Aensienlike, aensienlijc, bijw. Op een duidelijke wijze, zichtbaar, blijkbaar.

Aensingen, st. ww. trans. Zingend aanheffen, beginnen te zingen.

Aensinnen, st.ww. trans. (oostmnl.), enen iet aensinnen, iet van enen aensinnen, iets van iemand verlangen, begeren, hem tot iets uitnodigen; ook met een ambtenaar als onderwerp.

Aensitten, st. ww. intr. met de datief. 1) Nevens (naast) of nabij iemand gezeten zijn of wonen, aangrenzend. 2) met een zaak als onderwerp, aan iemand

zitten, hem aankleven; met veranderd onderwerp, zitten of verkeren in.

Aenslach, znw. m. 1) Aanslag, aanval, misschien ook: verraderlijke aanslag, samenzwering; aenslach doen aen enen, iemand aantasten, in hechtenis nemen. 2) het aanslaan of vasthechten; ook: het punt waar iets vastgehecht is (een grensbepaling b.v.).

Aenslachte, aenslacht, bnw., eigenlijk bijw. uitdrukking, uit aen en slachte, geslacht. Door geslacht of afkomst aangeboren, door afkomst kenmerkend eigen aan.

Aenslachten, aenslechten, zw. ww. intr. Door geslacht of afkomst aangeboren zijn.

Aenslaen, st. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Iemand slaan, hem afrossen; ook: iet aenslaen, op iets slaan. 2) de hand slaan aan iemand of iets, aantasten,

aanvallen; als znw., aanslag, aanslagen; ook: iemand aanhouden en zich iets toe-eigenen. 3) die hant aenslaen aen iet, de hand aan iets slaan, beslag leggen; ook,zonder „die hant": aanslaan; in beslag nemen; als znw., inbeslagneming. 4) een cleet aenslaen, aandoen, aantrekken; enen isere aenslaen,

iemand boeien aanleggen. 5) slaan of bevestigen aan iets; ook: aanhechten, aanhangen, aanplakken en ergens aanbrengen; laken aenslaen, laken slaan aan het raam. 6) Aanheffen, beginne te zingen of hardop te lezen, vooral van de mis; ook: beginnen te spreken van iets, het aanroeren. 7) iets beginnen. 8) enen iet aenslaen, iemand iets opdragen. 9) toedelen, verdelen, bestemmen, een geldsom, een boete. II. Intr. 1) Beginnen te slaan, ook: beginnen te vechten. 2) beginnen te spreken. 3) beginnen te zijn, een aanvang nemen. 4) met snelheid, op iemand of iets afkomen; aengeslagen comen. 5) ten laste komen van (in de datief). 6) zich hechten aan iets, er aan blijven kleven (van roest en dergelijke).

Aenslagen, zw. ww. trans. Beslag leggen op. Vgl. aenslaen, 3).

Aenslager, aenslare, (aenslaenre). zw. m. In de lakenweverij, de werkman, belast met het aanslaan, of spijkeren van het laken aan de ramen.

Aensmeken, aensmeiken, zw. ww. intr. Vleien, vleiend aanspreken, flikflooien. Nederrijns evenals de afleidingen: Aensmeker, aensmeiker. Aensmekinge, aensmeikinge.

Aensniden, st. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Knippen, snijden, van laken. 2) uitsnijden, beeldhouwen. II. Intr. Aangaan, betreffen.

Aensoec, znw. o. Gerechtelijke aanmaning, sommatie.

Aensoeken, zw. ww. trans. 1) Iets zoeken te verkrijgen; ook: van iemand, dat is verzoeken. 2) enen iet aensoeken, iemand iets verzoeken, aanzoek doen bij, iemand om iets. 3) gerechtelijk iets van iemand verzoeken, hem sommeren. 4) in recht aanspreken; als znw., vordering, eis. 5) enen recht aensoecken,

rechten op een land doen gelden; enen onrecht aensoecken, een onrechtmatige eis tegen iemand instellen, hem onrechtvaardig behandelen. 6) bezoeken

met vijandige bedoelingen, aanvallen, bestoken. 7) iet aensoeken, iets zoeken te volbrengen, beproeven, ondernemen.

Aensoeker, znw. m. Aanvaller, aanrander, hij die een vechtpartij begint.

Aensoekinge, znw. vr. 1) Gerechtelijke aanmaning, sommatie. 2) vordering, eis, in recht.

Aenspannen, st. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Aanbinden, aangespen, een sieraad aan het lijf. 2) aanspannen, inspannen, paarden. II. Intr. Met enen

aenspannen, met iemand samenspannen, zich met iemand verbinden.

Aensprake, aenspraec, znw. vr. 1) Aanspraak, toespraak, het toespreken. 2) gerechtelijke eis; van aensprake dienen, zijn eis inbrengen; aensprake

ende antwort (verantwordinge, verantworden), eis en verdediging; ook: het geschreven stuk waarin de eis is gevat. 3) aanklacht, beschuldiging.

Aenspraker, znw. m. Van aensprake. Eiser in recht.

Aensprakich, bnw. Waarover een eis in recht wordt ingesteld (oostmnl.).

Aensprekelijc, bnw. 1) Vriendelijk, aangenaam in de omgang (oostmnl.). 2) aansprakelijk in recht.

Aenspreken, st. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Aanheffen, beginnen te spreken, zeggen wat men te zeggen heeft. 2) iemand aanspreken, het woord tot hem

richten. II. Trans. 1) Iemand aanspreken, ook: aanspreken over iets, hem lastig vallen; enen versmadelike aenspreken, iemand smadelijk toespreken, beledigen. 2) enen iet aenspreken, van woorden of gezegden die men tot iemand richt, iets aan of tot iemand spreken. 2) iemand iets te laste leggen. 3) aanspreken in recht, een eis instellen; enen aenspreken, iemand in recht aanspreken, aanklagen; enen van iet aenspreken, iemand in recht betrekken wegens iets, hem aanklagen van iets; iet aenspreken, aanspraak maken op iets, eisen; enen iet aenspreken, bij iemand aanspraak maken op iets, het in

recht van hem eisen.

Aenspreker, znw. m. 1) Eiser in recht; klager. 2) hij die men aanspreekt, vooral om hulp; beschermer, verdediger (oostmnl.).

Aensprekinge, znw. vr. 1) Aanspraak op iets. 2) het aanspreken in recht, het instellen van een gerechtelijke eis.

Aenspringen, st. ww. intr. en trans. 1) Bespringen, vijandelijk aanvallen. 2) bespringen, een merrie.

Aensprokich, aensprueckich, (Limburg), bnw., aensprokoch maken, in recht aanspreken.

Aenspronc, znw. m. Aanval, overval.

Aenstaden, zw. ww. trans. (Een beschuldiging) tegen iemand staande houden, volhouden.

Aenstaen, st. ww. intr. I. Met een persoon als onderwerp, 1) Aanhouden (bij iemand), aandringen. 2) op iemand aandringen, het iemand lastig maken. II. Met een zaak als onderwerp, 1) Ophanden zijn, aanstaande zijn, ook voor iemand (datief), van de tijd of van gebeurtenissen, te wachten staan. 2) dáár zijn, van rampen enz.; met veranderd onderwerp, treffen, overkomen. 3) aanhangig zijn, uitgesteld worden, van een rechtshandeling. 4) aanstaan, aantrekken, behagen.

Aenstaende, bnw. Aanstaande, op handen.

Aenstaenlike, bijw. Onmiddellijk, welhaast (oostmnl.).

Aenstal, znw. m. Aanlegplaats.

Aenstaren, zw. ww. intr. en trans. Naar iets staren, met gespannen aandacht naar iets kijken, met de datief en acc., ook met een bepaling met aenstaren.

Ook: beschouwen, vooral met het oog van de geest, schouwen. Aenstaringe.

Aensteken, st. ww. trans. en intr. I. Trans.1) Aandrijven, een paard met de sporen. 2) een kleed, aantrekken, 3) aansteken, van vuur en licht; ook: verbranden, aensteken te verbernen, in brand steken; enen brant aensteken, brandstichten. 4) aanhechten, vaststeken. 5) een land, bestoken, aanvallen. 6) aantasten, in beroering brengen, met een ondeugd, een zedelijk kwaad als onderwerp II. Intr. 1) Opsteken, opkomen, van wind, onweder e. a. 2) ontsteken, beginnen te branden, vlam vatten.

Aensteker, znw. m. Hij die vuur aansteekt, een vlam veroorzaakt, iets verbrandt.

Aenstellen, zw. ww. trans. 1) Iets vast tegen iets drukken, aanleggen. 2) regelen, schikken, ordenen. 3) beginnen, op het touw zetten.

Aenstemmen, zw. ww. trans. Bepalen, vaststellen, bestemmen.

Aensterken, st. ww. trans. 1) Iemand sterken, krachtig maken. 2) enen iet aensterken, iemand iets bevestigen, hem iets plechtig beloven, en dus ook: zich

plechtig verbinden tot iets. 3) Iemand iets te laste leggen; enen trouwe aensterken, beweren dat men met iemand een geheim huwelijk gesloten heeft. 4)

iet aensterken, klem op iets leggen, met nadruk op iets wijzen.

Aensterven, st. ww. intr. met de datief. Van goederen en rechten. In iemands eigendom overgaan door de dood van een ander, aanbesterven. Vgl. aenbesterven en aenversterven.

Aenstichten, zw. ww. trans. Aanstichten, stichten, teweegbrengen.

Aenstics, aensticx, bijw. Stuk, in tweeĎn.

Aenstoken, zw. ww. trans. 1) Aanstoken, aanleggen, opstoken, vuur. 2) bestoken, aanranden; een huus metten brande aenstoken, een huis met brandstichting bestoken, bij een vijandelijke aanval in brand steken, of misschien eenvoudig: een huis in brand steken.

Aenstonden, bijw. Aanstonds.

Aenstoot, znw. m. 1) Iets waartegen iets stoot of stuit, b.v. een rots in een rivier. 2) drempel, iets waartegen men stoot met de voet, of grenssteen. 3) aanval, hevige aanval, aanranding; ook: aanvechting, van de zonde, de duivel.

Aenstormen, zw. ww. trans. Bestormen, stormenderhand aanvallen; ook: aanvechten, van de zonde, de duivel. Aenstorm.

Aanstoten, st. ww. trans. 1) Aanstoten, ook: wakker maken, en: wakker schudden, in geestelijke zin. 2) beledigen, slecht of smadelijk bejegenen; als

znw., beledigende behandeling. 3) bestoken, aanvallen, met daden en woorden; ook van de aanvechtingen der zonde. Aenstotinge.

Aenstrecken, zw. ww. intr. met de datief. Toekomen, toebehoren, als wettig aandeel.

Aenstriden, st. ww. intr. en tr. 1) Met strijd aanvallen, bevechten; ook met woorden: beledigen, uitschelden; van de duivel, de zonde, aanvechten. 2) enen met beden aenstriden, iemand met dringende beden bestormen, aanvallen doen op zijn gemoed.

Aenstrijt, znw. m. Strijd, gewapend of gewelddadig verzet, het doen van aanvallen op iemand.

Aenstriken, st. ww. trans. en intr. I. Trans. platstrijken, gladstrijken, aanstrijken. II. Intr. Recht op iemand of iets afgaan, ook met de datief of een bepaalde met jegen.

Aenswemmen, aenswimmen, st. ww. intr. Aanzwemmen, zwemmende naderen.

Aensweren, st. ww. trans. I. Trans. Onder ede toekennen, verklaren dat iets aan iemand toekomt. II. Intr. Een ambtseed doen.

Aent, haent, znw. m. (mv. aende, haende). Eend.

Aentale, antael, znw. vr. Aandeel, het iemand toekomende deel.

Aentale, znw. vr. Aanspraak in recht, eis of beschuldiging.

Aentalen, znw. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Aanspreken, het woord tot iemand richten. 2) aanspreken in recht; enen aentalen, iemand in recht betrekken, een eis tegen iemand instellen, hem beschuldigen; iet aentalen, aanspraak maken op iets, eisen. II. Intr. Aentalen aen ene dinc, aanspraak maken op iets in recht.

Aentalinge, znw. vr. Aanspraak in recht, zowel: aanklacht, beschuldiging, als: aanspraak, eis, vordering.

Aentangeren, aentangeeren, zw. ww. intr. met de datief. 1) Aangaan, raken. 2) iemand van rechtswege toekomen.

Aentast, znw. m. In hechtenisneming van personen, beslag van goederen; ook: het recht van inhechtenisneming en beslaglegging.

Aentasten, zw. ww. trans. 1) Aanraken, komen aan, raken aan, b.v. een spijs; ook: het aanraken met de hand als zinnebeeld bij leenhulde; lot aentasten, deelnemen aan de verkiezing van het stedelijk bestuur. 2) iets ter hand nemen om er aan te beginnen, beproeven. 3) van goederen en rechten, de hand aan iets slaan, óf: zich met iets inlaten, óf: iets in bezit nemen, het aanvaarden; iets in beslag nemen, het zich toe-eigenen. 4) de hand aan iemand slaan, hem aanhouden, hem in hechtenis nemen; als znw., aanhouding. 5) vrijelijk over iets beschikken, in iets toetasten voor eigen gebruik. 6) aannemen, in gebruik nemen, een gewoonte. 7) aanvallen, bestoken.

Aentastinge. Hetzelfde als aentast.

Aentaster. Hij die iemands goederen aanvaardt, ze zich toe-eigent of er beslag op legt.

Aentaxeren, zw. ww. trans. Toestaan, toekennen.

Aentekenen, aenteykenen, zw. ww. trans. Aantekenen, schriftelijk aanwijzen, optekenen.

Aentekeninge, znw. vr. Aantekening, optekening, schriftelijke aanwijzing.

Aentellen, zw. ww. trans. Tellen, een som opmaken; aengetellet, in aantal.

Aentempteren, zw. ww. trans. In verzoeking brengen.

Aenterden, st. ww. intr. 1) Aantreden, vijandig naderen. 2) enen, op enen aenterden, op iemand aantreden, hem aanvallen. 3) iemand aangaan, raken, met een zaak als onderwerp.

Aenticht, antucht, znw. vr. Aanspraak in recht, beschuldiging.

Aentiden, zw. ww. intr. Aantijgen, te laste leggen.

AentiĎn, st. en zw. ww. trans. 1) Iets van iemand zeggen of verhalen. 2) iemand iets goeds toeschrijven, toekennen, enen ere aentiĎn, iemand lof toekennen of toezwaaien. 3) aantijgen, te laste leggen, wijten, verwijten; enen sijn (eens anders) wijf aentiĎn, iemand beschuldigen van overspel met

eens anders vrouw; als znw., aantijging, beschuldiging, aanklacht.

Aentien, st. ww. trans. en intr. I. Trans. 1) Aantrekken, klederen. 2) hem (wederk.) iet antien, zich iets aantrekken, het niet van zich kunnen zetten, iets niet kunnen verdragen. 3) hem (wederk.) iet aentien, iets tot zich trekken, zich toe-eigenen. 4) hem enen aentien, zich iemand, zijn lot aantrekken, ook: zich aan iemands dienst wijden, ook van de goden. 5) enen aentien, zich iemand aantrekken. 6) hem (wederk.) enen aentien, tot zich trekken, aan zich verbinden. II. Intr. Optrekken, oprukken.

Aentienisse, znw. vr. Aanklacht, het iemand iets, te laste leggen of aanwrijven.

Aentigen, st. ww. trans. Jongere vorm van aentiĎn. 1) Enen iet aentigen, iemand iets aantijgen, te laste leggen, verwijten. 2) aanrekenen; enen solaes aentigen, iemand iets als een genoegen aanrekenen.

Aentorsen, aentrossen, zw. ww. tr. Opladen.

Aentoucheren, zw. ww. trans. Raken, treffen, indruk op iemand maken.

Aentrat, aentret, znw. m. Aanloop, aanval.

Aentreden, st. ww. intr. 1) Voorttreden, toetreden. 2) enen (datief) aentreden, op iemand aantreden, hem aanvallen.

Aentreffen, st. ww. trans. Betreffen, raken. Vgl. aendrepen.

Aantreckel, bnw. Aantrekkelijk, aanlokkelijk.

Aentreckelheit, znw. vr. Aantrekkelijkheid, aanloksel.

Aentreckelijc, bnw. 1) Aantrekkelijk, aanlokkelijk. 2) zo zijn dat men iemand aantrekt, welwillend, voorkomend, beminnelijk.

Aentrecken, aentreken, st. en zw. ww. intr. en trans. I. Intr. 1) Optrekken, oprukken. 2) met de datief, zich bij iemand aansluiten, zich aan zijne zijde scharen als bondgenoot, partij voor iemand trekken; ook: vijandelijk op iemand aantrekken. 3) ere dinc aentrecken, naar iets trekken, er toe overhellen. 4) enen of ere dinc, iemand of iets aangaan, betreffen, in betrekking staan tot iemand of iets. II. Trans. 1) Aantrekken, klederen en wapenen. 2) enen aentrecken, iemand met vriendschappelijke bedoelingen tot zich trekken, aanhalen; iemand aan zich verbinden; ook: met een vijandelijk oogmerk tot zich trekken of lokken, zich van hem meester maken. 3) iet aentrecken, iets tot zich trekken, tot zich nemen; hem (wederk.) iet aentrecken, iets tot zich nemen, er zich meester van maken, het zich toe-eigenen, zich van iets de eer geven; iets op zich nemen, aannemen, ondernemen, veelal in ongunstige zin, zich aanmatigen, zich vermeten; ontvangen, krijgen, met een zaak als onderwerp. Vlaenderen began hem grave trecken an. 4) hem (wederk. datief) enen, ene

dinc of hem (wederk. acc.) enes of ere dinc aentrecken, zich met iemand of iets afgeven of bemoeien, zich op iets toeleggen; hem die werelt aentrecken,

de wereld nalopen of zoeken. 5) hem ene dinc of ere dinc aentrecken, zich iets aantrekken, in de hedendaagse betekenis, doch zowel van aangename als

onaangename gewaarwordingen. 6) iet aentrecken te, iets aanwenden, toepassen op, besteden aan.

Aentreckende, bnw. Inhalig.

Aentreckinge, znw. vr. 1) Aanlokking, verlokking. 2) aanwerving van krijgsvolk.

Aentrucken, zw. ww. trans. Hetzelfde als aentrecken. Aantrekken, aandoen, klederen.

Aentvogel, znw. m. Eendvogel.

Aenvaen, st, ww. trans. 1) Met de hand aanvatten, aangrijpen, aanraken.2) van goederen en rechten, de hand er aan slaan, ze in bezit nemen, aanvaarden; in recht, aanvaarden, zich toe-eigenen, in beslag nemen. 3) enen aenvaen, iemand in verzekerde bewaring nemen, aanhouden. 4) iemand aanklampen, aanspreken. 5) iemand tot zich nemen, aannemen, in vriendschap, gunst enz. 6) in zich opnemen, aannemen, b.v. een kleur. 7) ter hand nemen, aanvatten, aanpakken, ondernemen, aannemen, aanvangen, een zaak, handeling, besluit enz.; aannemen, een godsdienst, leefregel, beroep enz.; aannemen, aanvaarden, treden in, een verzoening, vrede enz. 8) (moeite, lasten, ontberingen) op zich nemen, of wel ondergaan, lijden. 9) aanvangen. 10)

ontvangen, krijgen; wesen aenvaen, het aanzijn ontvangen.

Aenvaarden, aenveerden, aenveerden, zw. ww. trans.1) De tocht of de reis naar iets ondernemen, op reis gaan naar. 2) enen aenvaerden, tot iemand komen, zich tot iemand wenden met toespraak, verzoek, bede, iemand aanspreken, met vriendelijke en vijandige bedoelingen; ook: een vrouw aanspreken om betrekkingen met haar aan te knopen. 3) iemand te lijf gaan, aantasten; ook: aanvallen, bestormen, van vestingen; van dieren, bespringen. 4) iemand vriendelijk aanvatten, omhelzen, ook een vrouw, eufemistisch; gastvrij opnemen, beschermen. 5) de hand slaan aan iemand of iets, aanvatten, aanraken. 6) ter hand nemen, ondernemen, beginnen; een boec aenvaerden, een boek beginnen, ondernemen het te schrijven; wapene aenvaerden, wapenen gaan

hanteren, zich tot wapenoefeningen zetten; enes rechterhant aenvaerden, aan iemands rechterhand plaats nemen. 8) goederen, in beslag of in bezit nemen. 9) rampen, aanvaarden, gelaten dragen.

Aenvaerdenesse, aenverdenisse, znw. vr. Aanval, conflict.

Aenvoerder, aenveerder, znw. m. Aanvaller.

Aenvaerdigen, aenvairdigen, aenverdigen, aenveerdigen, zw. ww. trans. Jongere vorm van aenvaerden, vooral in het Oostmnl. 1) Aantasten, aanvallen, te lijf gaan, overvallen; ook: met vijandige woorden aanspreken. 2) aantasten, in bezit nemen, zich toe-eigenen.

Aenvaerdinge, znw. vr. 1) In bezitneming. 2) vijandelijke aanval.

Aenvaert, znw. vr. Invaart, plaats waar men in- en uit kan varen, mond van een rivier.

Aenvaerten, zw. ww. trans. Aanvaarden, aantasten, goederen.

Aenval, znw. m. 1) De wijze van zich aan iemand voor te doen, waarop men iemand aanspreekt; soeten aenval maect soete antwoorde. 2) aanloop, bezoek van gasten. 3) aanval. 4) het toevallen, ten deel vallen, aankomen, van rechten en goederen; de aankomst, eigendomsovergang. 5) hetgeen iemand krachtens erfrecht ten deel valt. 6) aanwas; ook: aanwas van grond door aanslibbing. 7) een recht aan een zaak verknocht, bijkomend voordeel. Vgl. verval.

Aenvallen, st. ww. intr. meestal met de datief. I. met een persoon als onderwerp. 1) Enen aenvallen, voor iemand neervallen, als smekeling. 2) zich bij iemand vervoegen, naar hem toekomen. 3) Iemand bijvallen, toevallen, als vriend of bondgenoot tot hem komen; aenvallen met (bij) enen, hetzelfde; ook: zich wijden aan de dienst van een godheid. 4) als vijand iemand naderen, hem aanvallen. II. met een zaak als onderwerp. 1) Aan iemand ten deel vallen, vooral krachtens erfrecht; ook: iemand door aanwas ten deel vallen. 2) iemand overvallen, overkomen, van aandoeningen of uiterlijke omstandigheden. 3) aanwassen door aanslibbing, aanspoelen.

Aenvallinge, znw. vr. Aanval, het aanvallen van een vijand, een stad.

Aenvangen, st. ww. trans. Jongere vorm van aenvaen. 1) Aanvatten, aangrijpen, in vijandelijke en vriendschappelijke zin. 2) goederen en rechten, aantasten, in bezit nemen; zich toe-eigenen. 3) enen aenvangen, iemand in verzekerde bewaring nemen, gevangen nemen. 4) ter hand nemen, aanvatten, ondernemen, aannemen. 5) ontvangen, krijgen. 6) aanvangen, ergens toe overgaan. 7) ontginnen, beginnen te bebouwen.

Aenvanger, znw. m. 1) Hij die iets in bezit neemt. 2) hij die iets, een koopwaar, in beslag neemt.

Aenvanc, znw. m. 1) Het aanvatten, aangrijpen, de aanval. 2) het leggen van de hand op een zaak, als handeling waarmede een geding begint; ook: het

proces zelf. 3) het aanvaarden of in bezit nemen, van goederen en rechten; aenvanc doen aen iet, iets in bezit nemen; onrechte aenvanc, onrechtmatige inbezitneming. 4) het aanhouden of gevangen nemen van een persoon. 5) het in bezit genomene, de bezitting, het goed; van een persoon, schat; mijn

hoochste aenvanc, van een geliefde; van een zaak, mijn hoogste goed, mijn enige troost. 6) begin. 7) in het dijkrecht van sommige oostelijke streken, de eerste schouw; den aenvanc riden, schouwen, de eerste schouw houden.

Aenvaren, st.ww. intr. 1) Aanrijden, voortrijden naar een bepaald doel. 2) op iemand aankomen, aanrijden of aanvaren, óf om zich bij iemand aan te sluiten of om hem aan te vallen. 3) varende naderen, landen.

Aenvaren, zw. ww. trans. Andere vorm van aenvaerden, aanvaarden, de hand aan iets slaan, ergens aan willen.

Aenvaten, aenvatten, zw. ww. trans. 1) Aanvatten, opvatten. 2) van goederen en rechten, aanvaarden, de hand aan iemand slaan; ook: de regering aanvaarden over een land. 3) van personen, iemand in verzekerde bewaring nemen, aanhouden.

Aenvechten, st. ww. trans. Met strijd aanvallen, bestrijden, bestoken, een vechtpartij met iemand beginnen; ook: aanvechten, de zedelijke mens,

met de duivel als onderwerp; als znw., aanvechting.

Aenvechter, znw. m. Aanvaller, hij die een vechtpartij begint.

Aenvechtinge, znw. vr. Aanval, bestrijding, ook: aanvechting.

Aenverboren, aenverbeuren, zw. ww. trans. Verbeuren, vervallen in (een boete).

Aenvererven, zw. ww. intr. met de datief. Door erfenis iemands eigendom worden.

Aenversien, st. ww. trans. Aankijken.

Aenversoeken, zw. onr. ww. trans. Enen iet aenversoeken, iets van iemand zoeken te verkrijgen; enen lande recht aenversoeken, rechten er op doen gelden.

Aenversterven, st. ww. intr. met de datief. Door versterf op iemand overgaan, door het sterven van een ander iemands eigendom worden.

Aenverwinnen, st. ww. trans. Buiten echt winnen, een kind.

Aenvesten, zw. ww. trans. 1) Vastmaken, vasthechten. 2) iet aenvesten, iets aan zich verbinden, het zich aanhechten, zich toekennen, aannemen, meesters name aenvesten; enen aengevest sijn, met iemand, zijn wezen, zijn aard, verbonden zijn, hem aankleven, van een zaak; iemand aanhangen, van een persoon.

Aenvestigen, zw. ww. trans. Verbinden. In het pass. met de datief, verbonden zijn met of in, geworteld zijn in (van een plant); gepaard gaan met.

Aenvlechten, st. en zw. ww. trans. Verbinden, dooreen strengelen met iets anders. In het pass. Met de datief, eng of nauw verbonden zijn met iets anders.

Aenvleyen, zw. ww. intr. Met de datief. Iemand vleiend naderen, strijkages voor iemand maken.

Aenvlien, st. ww. intr. Zijn toevlucht tot iemand nemen.

Aenvloeyen, zw. ww. intr. Toevloeien, toestromen.

Aenvoeden, zw. ww. trans. Fokken, aanfokken, vee.

Aenvoegen, zw. ww. trans. Aan iets anders voegen, aaneenvoegen. Aenvoeginge.

Aenvoeren, zw. ww. trans. 1) Dragen aan het lijf, aanhebben, klederen of wapenen. 2) iemand naar een plaats voeren. 3) het beheer over iets voeren, besturen. 4) iemand brengen tot iets, tot iets opwekken; hem aenvoeren tot, zich zelf opwekken of brengen tot iets.

Aenvolgen, zw. ww. intr. 1) Volgen, achteraan komen. 2) met de datief, iemand volgen, ook: achtervolgen, achternagaan met vijandige bedoelingen. 3) achternazitten. 4) iemand navolgen, zijn voetstappen drukken, overdrachtelijk 5) iemand volgen of achternalopen, als aanhanger of gunst bejager. 6) op

iemand volgen, hem opvolgen. 7) des aenvolgen, het met iets eens zijn, zijn instemming met iets betuigen. 8) met een zaak als onderwerp, een gevolg of

uitvloeisel van iets zijn. 9) enen aenvolgen, met een zaak als onderwerp, in eigendom toebehoren, iemand ten deel vallen.

Aenvreden, zw. ww. trans. Omheinen, afsluiten, door het maken van een vrediging voegen bij iets of toewijzen aan iemand.

AenvriĎn, zw. ww. tr. Onder de stadsvrijheid brengen.

Aenvrouwe, zw. (oostmnl.). Grootmoeder.

Aenwaeyen, zw. ww. trans. en intr. I. Intr. Aanwaaien, toewaaien, met den wind als onderwerp. II. Trans. 1) Enen (datief) wint aenwayen, iemand een koeltje aanbrengen. 2) enen iet aenwaeyen, iemand onverwachts of plotseling iets aanbrengen, een stemming b.v. Vgl. ndl. intr. aan waaien.

Aenwaken zw. ww. intr. Zijn ingespannen aandacht aan iets wijden.

Aenwalt, znw. vr. (?) (oostmnl.). Behartiging van een zaak voor een ander, vooral in recht.

Aenwardinge, znw. vr. (oostmnl.). Het recht om iemand in zijn leen op te volgen („anwartschaft").

Aenwas, znw. m. en o. Aangewonnen grond door aanslibbing.

Aenwassen, st. ww. intr. I. Met een zaak als onderwerp. 1) Aangroeien, toenemen, blijven groeien. 2) enen aenwassen, iemand aangroeien, aan het lijf groeien, van vlees, vet, uitwassen; iemand eigen worden, van hoedanigheden, gewoonten; iemand aankomen, ten deel vallen, ook: overkomen. 3) iemands eigendom worden door aanslibbing of aanwas. II. Met een persoon als onderwerp. 1) Enen aenwassen, zich bij iemand aansluiten, zich aan zijn zijde scharen en hem daardoor aangroei van macht bezorgen. 2) zich scharen tegenover iemand, tegen iemand gemene zaak maken.

Aenwassinge, znw. vr. Aanslibbing, aanwas.

Aenwedde, znw. o. (?). Pand, onderpand. Taenwedde, te pand. Vgl. wedde. 2) jaarwedde, jaargeld.

Aenwedden, zw. ww. trans. Beslag leggen op onroerende goederen voor schuld.

Aenwegen, zw. ww. trans. In een bepaalde richting bewegen.

Aenwegen, st. ww. intr. met de datief. Op iemand wegen, hem drukken.

Aenweide, aenwede, znw. vr. Weiderecht.

Aenwecken, zw. ww. trans. Opwekken, aanzetten; ook als wederk. hem aenwecken.

Aenwelven, st. en zw. ww. intr. In een kring ten aanval aanrijden.

Aenwenschen, zw. ww. trans. Voor zich wensen.

Aenwentelen, zw. ww. trans. Ergens heen rollen.

Aenwerden, st. ww. intr. met de datief. Op iemand afkomen, iemand aanvallen; ook met woorden.

Aenwerf, znw. vr. (?). Aanlegplaats voor schepen.

Aenwerc, znw. o. Bouwstof, materiaal; voorbereide bouwstof tot de arbeid, voorwerk.

Aenwerp, aenworp, znw. m. 1) Aangeworpen of aangeslibd land, aanwas. 2) aangeworpen of opzettelijk aangebracht land, dam, krib. 3) verzinsel, iets dat iemand ten onrechte „aengeworpen", dat is aangewreven wordt.

Aenwerpen, aenworpen, st. ww. trans. en intr. I. Trans.1) Een kleed in de haast aan het lijf werpen, omwerpen. 2) iets op iemand werpen, hem iets aanwrijven; iemand iets onaangenaams aandoen of bezorgen. 3) enen iet aenwerpen, bij iemand de lust doen komen om, hem tot iets brengen of drijven. 4) enen aenwerpen, iemand aanklampen, een verzoek of bede tot iemand richten. 5) (West Fries) enen lant enz. aenwerpen, iemand in recht noodzaken het onverdeeld aandeel van zijn mede-eigenaar over te nemen. II. Intr. Aanslibben, aanwassen, van land.

Aenwersamheit, znw. vr. Vijandige gezindheid, geneigdheid om iemand aan te tasten, vooral met woorden.

Aenwerven, st. ww. trans. Verkrijgen, zich verwerven, vooral onroerend goed.

Aenweten, onr. ww. trans. Enen ondanc aenweten, iemand iets kwalijk nemen.

Aenwerven, st. ww. trans. Inweven, in een doek, een stof.

Aenwijs, znw. vr. Aanwijzing van een geldswaarde, assignatie.

Aenwillen, onr. ww. intr. met de datief. 1) Iemand te lijf willen. 2) iets begeren, er mede te maken willen hebben; der lieften aen willen.

Aenwinden, st. ww. tr. 1) Opwinden, met een windas omhoog brengen. 2) hem iet aenwinden, zich met iets inlaten.

Aenwinnen, st. ww. trans. 1) Winnen, verwekken, kinderen. 2) enen iet aenwinnen, van iemand iets voor zich zelven winnen, het op hem winnen of veroveren. 3) enen iet aenwinnen, iets van iemand winnen of verkrijgen, nl. Een bekentenis; ze hem afdwingen.

Aenwinninge, znw. vr. Boedelgemeenschap (oostmnl).

Aenwisen, zw. ww. trans. 1) Aanwijzen, bestemmen voor een bepaalde betrekking of een bepaald doel. 2) aanwijzen, wijzen op, verkondigen, voorspellen. 3) onderwijzen. 4 enen iet aenwisen, iemand iets toewijzen, ook bij rechterlijke uitspraak. 3) Aanwijzing van betaling doen.

Aenwisinge, znw. vr. Rechterlijke toewijzing.

Aenwispelstaerten, zw. ww. intr. met de datief. Iemand aankwispelen, kwispelstaartend liefkozen, van een hond.

Aenwissel, znw. m. Wissel, verwisseling van vrijen en onvrijen.

Aenworpe, aenworp, znw. m. Een persoon in een gilde opgenomen zonder in de volle rechten en verplichtingen daarvan te delen.

Aenworpelinc, znw. m. Hetzelfde als aenworpe.

Aep, ape. Aap. Vgl. scheminke1.

Aer, znw. o. Aar, korenaar. Ook are (aere) en ader.

Aer, aren, aern, znw. m. Arend, adelaar,

Aer. Hetzelfde als ader, znw.

Aer, samentrekking van ader, bijvorm van ander, (West Fries),

Aerbeiden, Aerbeit, Aerbeiten. Zie arbeiden, arbeit.

Aerden (ter aarde bestellen). Zie erden.

Aerden, zw. ww. intr. Aarden, geaard zijn, de aard hebben van; ook: een zekere gesteldheid, manier of wijze hebben.

Aerdich, bnw. Keurig, schoon, mooi; ook: kunstig (16de eeuw).

Aerdich (aards, van (de) aarde). Zie erdich.

Aerdicheit, znw. vr. Schoonheid, keurigheid; sierlijkheid (6de eeuw).

Aerdinge, ardinge, znw. vr. Datgene waarmede het land bebouwd is, veldvruchten; ook: voedsel van dieren in het algemeen.

Aerentsgulden. Zie arentsgu1den.

Aergelieus, bnw. Trots. Zie orgelioos.

Aergeren (erger worden, erger maken). Zie argeren.

Aergeren (verwoesten). Zie argeren.

Aern, aerne, arent. (arend). Zie aren en vgl. aer.

Aert, aerd, art, ard, znw. m. 1) Beploegde of bebouwde grond, bouwland. 2) land in het algemeen, grond, vaste grond in tegenstelling van water. 3) land,

landstreek; sinen (den) aert rumen, zijn land verlaten. 4) gemeenteweide, gemeenteheide, gemeentebos, gemeentegrond; ook in het algemeen: terrein, gebied; sbosen aert (art), het gebied van de duivel, de hel. 5) plein, werf, markt aan of bij een water gelegen; wal, kade (in Vlaanderen). 6) marktdag, 7) vloer (? Z. Holland)

Aert, znw. m. en vr. 1) Afkomst, geslacht; ute den aerde slaen, zijn afkomst schande aandoen, het kenmerkend en erfelijk karakter van edele geslachten; den hogen aert, van Limborch; den aert hebben in een lant, uit een land afkomstig zijn, er inheems zijn of thuishoren, van bomen e. a. 2) geslacht, soort. 3) aard, geaardheid, natuur, karakter; aert es een vast cleet, gewoonte (geaardheid) is een tweede natuur; sinen aert laten, zijn natuur verloochenen; sinen aert werken, zijn geaardheid volgen; sinen aert doen, zich in zijn ware aard tonen, of: zijn slag slaan (?). 4) aard, hoedanigheid, eigenschap, van onbezielde zaken; na den aert, naar de eis, naar de aard der zaak. 5) wijze of manier van doen.

Aert, znw. m. 1) Akkerbouw, de verschillende bezigheden behorende tot het landbouwbedrijf in de verschillende jaargetijden. 2) datgene waarmede het land bebouwd is, veldvruchten, bij uitbreiding: voedsel van dieren.

Aert, aerte, znw. vr. Kunst, kunstgreep.

Aertacker, znw. m. Akkerland, bouwland.

Aertgat, znw. o. Een weg, uitsluitend bestemd voor de verrichtingen van de landbouw.

Aertgelt, znw. o. Marktgeld; ook: kaai- of havengeld.

Aertgracht, znw. vr. Gracht of sloot tussen twee bouwlanden, scheisloot.

Aerthuus, znw. o. Het huis waarin de boeren het onverkochte graan in bewaring gaven; „aardhuis".

Aertlant, artlant, znw. o. Bouwland.

Aertschouwe, erdschouwe, znw. vr. Schouw over het aardwerk van een dijk.

Aertvogel, znw. m. Landvogel, het tegengestelde van watervogel.

Aertwech, artwech, ertwech, znw. m. Hetzelfde als aertgat. Of is het eerste gedeelte aerde, erde ?

Aertwelp, znw. o. Landskind, inboorling; rechte aertwelpe(n), echte landskinderen (Overijssel).

Aertwinne, ook aertwinneman; znw. m. Landbouwer.

Aertwinre, znw. in. Landbouwer.

Aes, znw. o. 1) Spijs, voedsel, aas, vooral van dieren; van mensen o. a. in de samenstelling magenaes, (maagaas) mondkost; op quaet aes leven, op een

verachtelijke manier aan de kost komen. 2) prooi, buit, aas, vooral van dieren; dood beest, aas, kreng. 3) lokaas, eigenlijk en overdrachtelijk; een quaet

aes, een verachtelijk lokaas, vuig gewin.

Aes, znw. o. 1) De eenheid of het laagste getal in verschillende spelen, aas; deus aes, twee (en) een, de laagste getallen op de dobbelsteen; liede van

deus aes, geringe lieden, mensen van geringe zedelijke waarde; sijn aes verdoen, zijn kans verspelen. 2) de eenheid in gewichten, het laagste of kleinste

gewicht; niet een aes, geen aasje, volstrekt niets.

Aesgelt, znw. o. Het geld voor het aas of voedsel van dieren, b.v. jachthonden en jachtvogels.

Aesgrave, znw. m. Stedelijke ambtenaar belast met de rechtspraak in zaken van vers visaas voor de kabeljauwvangst.

Aessac, znw. m. Spijszak, knapzak: ook: tas, buidel in het algemeen; iet in sinen aessac steken, het (iets wat tegen iemand gezegd wordt) in zijn zak steken, goed onthouden; aessacbogel, azackbeugel, beugel aan een „aaszak’.

Aessen (aesse?) znw. vr. Dienst, diensttijd, van dienstboden (waarschijnlijk zulke die bij iemand in de kost zijn; vgl. aes); ook: de daarvoor verschuldigde huur.

Aet, znw. m. Eten, spijs, voedsel; aet ende dranc, spijs en drank; in enes ate ende dranke zijn, bij iemand in de kost zijn. Vgl. brootate en brodich.

Aetschare, znw. vr. Eetwaar, eetwaren. Vgl. aet.

Aetsemant, Aetsemeren. Zie achemant, achemeren.

Aex, aecs, aexe, aecse, haecs, haecse, znw. vr. Bijl, zowel timmerbijl als strijdbijl.

Aexter, aecster, ecster, ook aester, znw. m. Ekster.

Aexteroge, znw. o. Eksteroog.

Af, ave, of, af, off, bijw. 1) In verbinding met de voornaamwoord, bijwoorden, hier, daer, er, waer, iewer (ergens), iegeren, iegerinc, niewer (nergens) e. a.; ook in danof en wanof (daarvan, waarvan; vooral in het Vlaams, in welke verbindingen men niet –af vindt), van. Daer wordt ook verzwegen. 2) in de uitdrukkingen af ende aen, of toe of af, af en toe, nu en dan, af no an, af no toe, nu noch dan, volstrekt niet, in het geheel niet. Ook in verbinding met werkwoorden van richting komen af ende aen en toe ende af als elkanders tegenstellingen voor. 3) eveneens in verbinding met voornaamwoorden, bijwoorden; waer af, op welke grond, ook: waarom ? hier af, hierom; daer af lachen, er om lachen. 4) af op zich zelf of in verbinding met ww. van beweging of richting, weg. Bat af, bet af, verder af, verder weg, op enige afstand. Zie betekenis 5) Het begrip verwijdering ligt ook ten grondslag aan de volgende opvattingen. a) Van lichaamsdelen, af, van het lichaam gescheiden. b) Van vlekken, smetten enz., weg, verdwenen; enen af sijn, van iemand weggenomen zijn, iemand niet meer aankleven. c) Van instellingen, verordeningen, wetten, vorderingen enz. Afgedaan, afgesteld, afgeschaft, vervallen; af ende quite, af ende te niete. d) Van zaken die niet meer bruikbaar zijn, op; af ende versleten. e) Van personen, afgezet, ontslagen; des af sijn, van iets af zijn, van iets ontslagen of ook: beroofd zijn; des af werden, van iets afkomen, van iets beroofd worden; hoe werdic dus mijn levens ave! Bij ww. in verbinding met de tegenstelling aen, drukt af uit: het verwijderen van een persoon, het afschaffen van een zaak, en aen: het aanstellen van iets anders; b.v. af- ende aensetten.

Af, voorz. Slechts een enkele maal in de uitdrukking af beeden ziden, van beide zijden, en in enkele samenstellingen als afgronde, aflivich, afweghes (af

weghe) e.a. Een ander woord is het voorz. of (in of ander side), dat met ob afwisselt.

Afackeren, zw. ww. trans. Met land als object, door ploegen of graven land afnemen, iemands land verminderen.

Afbegeren, zw. ww. trans. Enen enen enen eet afbegeren, van iemand een eed vergen, iemand op een eed vorderen.

Afbehanc, znw. o. Hetzelfde als afhanc.

Afbelenen, zw. ww. trans. Voor geldlening in pand nemen.

Afbergen, zw. ww. trans. Enen iet afbergen, iets voor iemand achterbaks houden of achterhouden, verduisteren.

Afbennen, zw. ww. trans. 1) Door branden wegnemen, afbranden; enen dat haer doen afbernen. 2) Door branden verwoesten, afbranden.

Afberren, st. ww. trans. Afbranden, door branden verwoesten, vernielen, platbranden.

Afbesegelen, zw. ww. Door een bezegelde akte afstand doen van een recht. Vgl. toebesege1en.

Afbeten, afbeeten, zw. ww. intr. Afstijgen, vooral van paard of wagen.

Afbewaren, zw. ww. trans. Handhaven (nl. zijn recht).

Afbidden, st. ww. trans. 1) Afbidden, afsmeken. 2) door bidden van iemand afwenden.

Afbieden, st. ww. trans. 1) Afroepen, afkondigen. Vgl. afgebot. 2) enen iet afbieden, van iemand een schuld invorderen langs de wettelijke weg.

Afbinden, st. ww. trans. Afbinden, opbinden.

Afbiten, st. ww. trans. 1) Afbijten. 2) afsnijden, verwijderd houden, die logene afbiten.

Afbladen, afbladeren, zw. ww. trans. De vruchten van een land inzamelen.

Afbliven, st. ww. intr. 1) Wegblijven, niet verschijnen. 2) onvermeld blijven. 3) des afbliven, van iets verwijderd blijven, er van beroofd of verstoken blijven. 4) des afbliven, zich ergens niet mede inlaten of ophouden, zich er van onthouden.

Afboedelen, zw. ww. trans. Uitboedelen, aan een rechthebbende zijn deel uit een boedel uitkeren; afgeboedelt sijn, zijn wettig deel uit een boedel

ontvangen hebben.

Afboren, afboeren, afbeuren, afboeren, zw. ww. trans. 1) Afbeuren, aflichten, aftillen. 2) beuren, in afbetaling ontvangen.

Afborgen, zw. ww. trans. Enen iet afborgen, iets van iemand borgen, het hem aflenen; ook zonder de datief.

Afbouwen, zw. ww. tr. Enen iet afbouwen, iemand iets door bouwen ontnemen.

Afbranden, zw. ww. intr. en trans. I. Intr. Afbranden, door brand vernietigd, vernield, verwoest worden. II. Trans. Door branden verwoesten; met de

datief, ten nadelen van iemand.

Afbrant, znw. m. Verwoesting door brandstichting (16de eeuw).

Afbrec, znw. m. 1) Afbrokkeling, van land door het water. 2) afbreuk, tekortdoening, het iemand te kort doen. 3) een tekort.

Afbreecsel, znw. o. Stuk (steen).

Afbreken, st. ww. trans., wederk. en intr. I. Trans. 1) Af breken, afslaan, van iets door breken verwijderen. 2) afbreken, staken, doen ophouden, van

werkingen en toestanden; sonder afbreken, zonder zijn voornemen te laten varen. 3) verbreken, een verbintenis, belofte; ook met de datief, ten nadelen

van iemand. 4) enen iet afbreken, iemand iets met geweld of list afnemen, ontroven, ook: ontstelen, en: iemand iets niet uitbetalen, inhouden. 5) enen afbreken, iemand afbreuk doen, bestelen. II. Wederk. Zich losmaken van iets, zich van iets ontdoen, er van scheiden of afstand doen. III. Intr. 1) Met een zaak als onderwerp, losbreken, zich afscheiden van datgene waaraan het verbonden is, loslaten, afvallen, afbrokkelen. 2) van een dier, losbreken, zich loswerken. 3) van iemand afvallen, de betrekkingen met iemand verbreken; zich afscheiden. 4) afbreken, plotseling ophouden. 5) opbreken, met een leger aftrekken. 6) ophouden met, iets staken, uitrusten van; der pinen afbreken.

Afbreker, znw. m. Hij die een ander met geweld of list het zijne ontneemt, rover of afzetter.

Afbrekinge, znw. vr. 1) Het afbreken of afslaan van een oever door de golven. 2) afbreuk, tekortdoening, korting; ook: afpersing.

Afbringen, afbrengen, zw. onr. ww. trans. 1) Iemand van zijn partij afbrengen, er hem ontrouw aan doen worden. 2) enen des levens, des lijfs afbringen,

iemand om het leven brengen; wellicht is hier af van bringen te scheiden; zie bij af. 3) iet afbringen, wegbrengen. 4) afschaffen, in onbruik brengen. 5) enen iet afbringen, iemand iets afdoen of uittrekken, een kledingstuk, er hem van ontdoen.

Afbroeyen, zw. ww. trans. Enen iet afbroeyen, van iemand iets door broeien (schroeien) wegnemen, het hem afschroeien.

Afbrugge, znw. vr. Helling of afloop, afgang van een brug (16de eeuw).

Afbruken, afbruycken, zw. ww. trans. Enen iet afbruken, iemand iets onbruikbaar maken; maken dat hij het niet gebruiken kan, door het hem te ontnemen. Hetzelfde als enen iet tonbruuc maken.

Afbugen, st. ww. trans. Door buigen van iets verwijderen, van iets loswringen.

Afdagen, zw. ww. trans. In de 16de eeuw. 1) dagvaarden ter zuivering of ontlasting van een met renten bezwaard goed. 2) afwijzen, buitensluiten. Afdaginge.

Afdalen, zw. ww. intr. 1) Afdalen, naar beneden gaan. 2) afstammen (16de eeuw). 3) van goederen, voortkomen, versterven.

Afdalinge, znw. vr. Uitwatering.

Afdanken, zw. ww. trans. Iets (een schuld) afdoen.

Afdeelachtich, bnw. Hetzelfde als afdelich. In de uitdrukking enen des afdeelachtich maken.

Afdelen, afdeelen, afdeylen, zw. ww. trans. 1) Afscheiden, afnemen van een geheel waaraan het verbonden is. 2) iet afdelen, scheiden, verdelen, van goederen; ook: toedelen. 3) enen iet afdelen, iemand (gerechtelijk) iets ontnemen. 4) enen afdelen, iemand afscheiden van iets, hem van iets vervallen verklaren. 5) als wederk., zich afscheiden; afgedeilde menschen, lieden die zich zelf buiten de gemeenschap stellen, afgescheidenen.

Afdelich, bnw. Geen aandeel aan iets hebbende. Enen afdelich maken, ere dinc, iemand van het aandeel aan iets beroven.

Afdelinge, znw. vr. Deling, scheiding.

Afdelven, st. ww. trans. (Land) afgraven.

Afdingen, st. ww. trans. 1) Hetzelfde als afriden, het tegenovergestelde van aenriden, aenbringen, aenwerpen, iemand noodzaken tot afstand van het

wederdeel bij gemeenschappelijke eigendom. 2) gerechtelijk uit de eigendom van iets zetten, uitwinnen. 3) die rolle afdingen, haar uitputten, af handelen.

Afdiken zw. ww. trans. (Land) door middel van, een dijk afsluiten, afdijken; afgedijct sijn, door een dijk van iets gescheiden zijn.

Afdinkelijc, bnw. Afschuwelijk, deerniswaardig.

Afdinken, zw. onr. ww. Onpersoonlijk, Mi dinct des af, het grieft of deert mij, verwekt mij afschrik over een daad, vervult mij met deernis met het slachtoffer; ook: medelijden gevoelen, zonder het bijdenkbeeld van afschrik.

Afdocht, znw. vr. Medelijden, ontferming.

Afdoden, zw. ww. trans. Enen (datief) enen (acc.) afdoden, iemand aan een ander door een doodslag ontnemen, hem van hem beroven.

Afdoen, onr. ww. trans en wederkerend I. Trans. A. Met een zaak als object. 1) Uitdoen, afdoen, afleggen, van klederen en wapenen. 2) afdoen; wegnemen, van stoffelijke zaken in eigenlijke zin en in figuurlijke toepassing, een plaester afdoen, een laken afdoen, een laken van het raam nemen; iets

van het vuur nemen; enen sijn hooft afdoen, iemand onthoofden; enes lichame afdoen, iemands lichaam (lijk) afnemen, van kruis of galg; vruchte afdoen, vruchten afplukken, inzamelen; enen doden die hant afdoen, een dode de hand afhouwen (ten einde daarmede te klagen); enen enes (van

iemand anders) onrechte hant afdoen, die geweldige hant afdoen, van iemand eens anders onrechte hand wegnemen, iemand onttrekken aan een anders onrechtmatige macht; een door geweld in zijn bezit gestoorde daarin herstellen; sine hant des (van ere dinc) afdoen, de hand van iets aftrekken; die handen afdoenvan ere dinc, de handen van iets aftrekken; van onstoffelijke zaken, wegnemen, afdoen, kwijten, aflossen; sonden afdoen, zonden uitdelgen, uitwissen. 3) lossen, een wagen. 4) iets afdoen, iets van zich zetten, wegdoen, versmaden; dat doet (imper.) al af, dat zij verre. 5) verbieden,

afdoen ende verbieden dat (niet). 6) iets brengen in een toestand dat het af, dat is afgedaan is, afschaffen, te niet doen, doen ophouden, instellingen,

verordeningen, wetten, gebruiken; ook van personen, als de instelling vertegenwoordigende, die keisers afdoen, dafgode afdoen. 7) uit de weg ruimen, doen ophouden, een einde maken aan, moeilijkheden, twisten enz. 8) aftrekken, opbreken, huizen, tenten, belegeringswerktuigen e. a. 9) verwoesten, vernielen; een woord, een naam, doorschrappen. 10) enen iet afdoen, iemand van iets ontheffen. B. Met een persoon als object. 1) Afnemen, t. w. van kruis of galg. 2) afzetten, ontslaan, dat aweit afdoen, de wacht afdanken, ontslaan; enen verlaten ende afdoen, iemand ontslaan en afzetten; af- ende

aendoen, afzetten (de een) en aanstellen (een ander), ook: afzetten en aanstellen. 3) voldoen, betalen. 4) verjagen, afstaan; ook: uitroeien, verdelgen. 5) enen des afdoen, iemand van iets afhelpen, dus of ontslaan, bevrijden, of beroven; enen des lijfs afdoen, II. Wederk. 1) Hem afdoen, zich zelven ontslaan, dat is zijn ontslag nemen. 2) hem des afdoen, zich aan iets onttrekken, er van ontslaan; afstand doen, afzien van; hem der werelt afdoen, afstand doen van de wereld; hem iemans afdoen, zich van iemand afmaken of ontslaan, door zich aan hem te onttrekken, of hem van kant te maken.

Afdoeninge, znw. vr. Het afdoen, wegnemen, of afleggen van iets.

Afdolen, zw. ww. intr. Afdwalen.

Afdom, ofdom, znw. m. of o. Winst (West Vlaams).

Afdraeyen, zw. ww. intr. Ter zijde wijken of afwijken, zich ter zijde draaien.

Afdragen, st. ww. trans. en wederk. A. Trans. Iet afdragen. 1) Wegdragen, wegvoeren, met zich voeren. 2) wegnemen, afnemen, benemen. 3) afslaan, afhouwen, leden of delen der wapenrusting in de strijd. Enen afdragen, afwerpen, van het paard stoten, neerwerpen. B. Wederk. Hem des afdragen, zich aan iets onttrekken, ook: iets laten varen.

Afdragende (afdragent), deelw. bnw. 1) Eer rovend, kwaadwillig, boosaardig (van woorden). 2) hellend.

Afdrager, znw. m. Hij die iets wegdraagt, verplaatst, verspreidt. Afdraginge.

Afdreigen, zw. ww. trans. Afpersing door bedreiging. Afdreiginge, znw. vr.

Afdringen, st. ww. trans. Enen afdringen, Wegdringen, achteruit dringen; Iet afdringen, 1) Scheiden van. 2) roven, afdwingen.

Afdringinge, znw. vr. Afdreiging, afpersing door bedreiging.

Afdrinken, st. ww. trans. Enen iet afdrinken, ten nadelen van iemand opdrinken.

Afdriven, st. ww. trans. en intr. A. Trans. 1) Enen afdriven, wegdrijven, terugdringen. 2) in recht, overwinnen, een eiser afweren, aantonen dat iemands

eis ongegrond is. 3) met geweld ontnemen, afpersen. Iet afdriven, 1) Doen wegdrijven, met de stroom meevoeren. 2) verwijderen, verwijderd houden, ook

van zich zelf. B. Intr. Wegdrijven, door de stroom meegevoerd worden.

Afdrogen (afdrugen), zw. ww. trans.

Afdrogen (oostmnl.). Afdreigen.

Afdrucken, zw. ww. trans. Met geweld afpersen of ontroven.

Afdrupen, st. ww. intr. Afdruipen, zich druipstaartend of stilletjes verwijderen.

Afdruppe, znw. m. Drup, lek, doorsijpeling.

Afdruppen, zw. ww. intr. Afdruppelen, lekken.

Afdunkelijc, bnw. Beklagenswaardig, betreurenswaardig.

Afduwen, zw. ww. trans. Afdrukken, overhalen.

Afdwaen, afdwagen, st. ww. trans. 1) Afwassen; ook een zedelijke smet. 2) uitwissen, te niet doen.

Afdwainge, afdwaninge, znw. vr. Afwassing, vooral van zedelijke smetten, reiniging.

Afdwalen, zw. ww. intr.

Afdwingen, st. ww. trans. Ontweldigen, ontroven, afhandig maken. Afdwinginge.

Afeigenen, zw. ww. trans. In recht de eigendom van iets aan iemand ontnemen, of van iemand verwerven.

Afeischen, zw. ww. trans. Rechtens van iemand vorderen of hem opleggen.

Afeten ,st. ww trans. 1) Afeten, door het op te eten van iets of iemand afnemen. 2) afbijten (de tong).

Affarant, znw. m. Strijdros.

Affare, affere, znw. vr. 1) Zaak, aangelegenheid. 2) wijze van doen. 3) karakter, inborst.

Affectie, znw. vr. 1) Aandoening. 2) neiging.

Affectioos, bnw. Vatbaar voor indrukken, ontvankelijk.

Affelgeren, affalgeren, affelgieren, zw. ww. trans. 1) Kwellen, in het nauw brengen. 2) terneerslaan, ontmoedigen.

Affen, zw. ww. intr. Schimpen, spotten. Zie veraffen.

Affenheit, znw. vr. Aperij, dwaasheid, zotheid.

Affieren, flueren, zw. ww. intr. Overvloeien, overvloed hebben.

Affineren, affinieren, zw. ww. tr. Zuiveren, goud.

Affoleren, zw. ww. trans. 1) Enen affoleren, aan lijf of leden beschadigen, verwonden, verminken. 2) iet affoleren, vertreden, verwoesten.

Affoleringe, znw. vr. Verwonding.

Afgaderen, zw. ww. trans. 1) Iets zorgvuldig (van iets) verwijderen. 2) enen iet afgaderen, iemand iets door gaderen (verzamelen) afhalen, het van hem

innen.

Afgaen, zw. ww. intr. I. Absoluut. A. Met een persoon als onderwerp. 1) Weggaan, vertrekken; sterven; afvallig worden; aftreden, een ambt of bediening neerleggen; uitscheiden; naar beneden gaan, van iets afgaan, afkomen. B. Met een zaak als onderwerp, Weggaan, verdwijnen; afnemen, verminderen, ophouden, eindigen, zijne grenzen hebben; zich afscheiden van, van iets afvallen; naar de grond gaan, verwoest worden. II. Met een gen. Der zaak. 1)

Van iets afstappen, met iets eindigen. 2) van iets afstand doen, het laten varen; als rechtsterm: afstand doen van; van hem selven afgaen, afstand doen

van zich zelven, zich verloochenen. 3) laten varen, laten lopen, een belofte, overeenkomst enz., er ontrouw aan worden. 4) Met een gen. van de

persoon, van stoffen; iemand verlaten, in de steek laten; iemand laten lopen. III. Met een datief. Van de persoon, en een zaak als onderwerp. 1) Weggaan bij, zich ontlasten bij iemand, hem ontgaan, ontvallen, begeven; met veranderd onderwerp: kwijtraken, verliezen; voor iemand teloor gaan, ophouden zijn eigendom te zijn; ontbreken. IV. Met de datief. van de persoon en een persoon als onderwerp. 1) Verlaten, begeven; afvallen van, iemand ontrouw worden, hem verloochenen. 2) enen des aafgaen, iemand iets ontzeggen, weigeren; iemand iets (een belofte) verbreken.

Afgaende, bnw. Afnemend in krachten, zwak.

Afgangen, hetzelfde als afgaen;

Afganc. znw. m. 1) Het heengaan; toeganc ende afganc, het recht om ergens te gaan en te komen naar welgevallen. 2) ondergang (der zon). 3) aftreding. 4) dood, overlijden. 5) begin ende afganc; opganc en afganc, begin en einde van dijk of hoefslag.

Afgebidden, st. ww. trans. Afbidden.

Afgebieden, st. ww. trans. Gebieden iets weg te doen of te veranderen.

Afgebreken, st. ww. trans. Afhandig maken.

Afgebruken, zw. ww. trans. (Iemand) het gebruik van iets benemen.

Afgedoen, onr. ww. trans. 1) Wegdoen, uit de weg ruimen. 2) Van iets afdoen, verwijderen, afnemen (b. v. van het kruis). 3) enen afgedoen, verdrijven.

Afgedwaen, st. ww. tr. Afwassen. Vgl. Gedwaen.

Afgegaen, st. ww. intr. Ontrouw worden. Vgl. gegaen.

Afgekeren, zw. ww. I. Trans. Afkeren, afwenden, enen afgekeren, verdrijven. II. Wederk. Zich afwenden, zich afkeren, het veld ruimen. Vgl. gekeren.

Afgelden, st. ww. tr. Enen iet afgelden, iemand iets afkopen.

Afgeleggen, zw. ww. tr. Uit de weg ruimen, bijleggen (een geschil).

Afgelosen, zw. ww. tr. Aflossen.

Afgenemen, st. ww. tr. Afnemen, wegnemen.

Afgeraken, zw. ww. intr. Des afgeraken, van iets afkomen, er van bevrijd worden.

Afgescheiden, bnw. Afgescheiden, afgezonderd, eenzaam. Afgescheidenheid.

Afgescheidenlike, afgescheidelijc, bijw. Afzonderlijk, op zich zelf.

Afgescheit, afgescheet, znw. o. Uitkering van goed.

Afgeschudden, zw. ww. tr. Afschudden.

Afgeset, deelw. gebruikt in een absolute nv., uitgezonderd.

Afgesetten, zw. ww. tr. Van een plan of voornemen doen afzien, hem er af krijgen.

Afgespelct, bnw. Steil (Nederrijns).

Afgestaen, st. ww. intr. Afstand doen (van iets), (het) laten varen, ophouden.

Afgestoken, st. ww. tr. Uit de zadel lichten en ter aarde werpen.

Afgesuveren, zw. ww. tr. Ten volle zuiveren, verzoenen.

Afgetrecken, zw. en st. ww. trans. 1) Aftrekken, met kracht van iets verwijderen of losmaken, wegtrekken. 2) enen afgestrecken, aftrekken, ontrukken, losmaken; hem afgestrecken, zich losmaken van iets.

Afgetrocken, deelw. bnw. Abstract. Afgetrockenheit.

Afgeve, znw. m. Afstand van een goed.

Afgeven, st. ww. tr. Opgeven, overleveren.

Afgewasschen, st. ww. tr. Afwassen.

Afgewinnen, st. ww. tr. 1) In een strijd van iemand winnen of veroveren; van iemand krijgen of verwerven. 2) afwinnen, in het spel. 3) afkrijgen, losmaken, met kracht of geweld van iets verwijderen.

Afgewisen, zw. ww. tr. Afwijzen.

Afgieten, zw. ww. tr.

Afgliden, st. ww. intr. 1) Afglijden. 2) van de rechte weg afwijken.

Afgod, afgot, znw. m.

Afgoden, zw. ww. tr. Verafgoden, vergoden. Afgodendienst.

Afgoderie, znw. vr. 1) Afgoderij. 2) heidense godsdienst. 3) ketterij.

Afgoderier, afgoderiere, of afgodier, znw. m. Afgoden, -dienaar.

Afgodie, znw. vr. Afgoderij.

Afgodinge, znw. vr. Afgodendienst, de heidense goden.

Afgodinne, afgoddinne, znw. vr. Vrouwelijke afgod, afgodin.

Afgoeden, zw. ww. trans. (Iemand) voldoen door uitkering van goed. Afgoedinge.

Afgonnen, afgunnen, onr. ww. tr. Niet gunnen.

Afgraven, st. ww. tr. Afgraven. Enen iet afgraven, iets afgraven ten nadelen van iemand, het door graven van zijn goed wegnemen.

Afgrasen, zw. ww. tr. Afgrazen.

Afgrijs, znw. o. Afgrijzen, ontzetting.

Afgriselijc, bnw. Afgrijselijk, afschuwelijk, afschuw wekkende. Afgriselike.

Afgrisen, st. ww. intr., onpers. en wederk. Afgrijzen of afschuw hebben (van), gruwen, zich ontzetten.

Afgrisinge, znw. vr. Afgrijzen, afschuw.

Afgronde, znw. vr. en o. Afgrond.

Afgrondelijc, bnw. Onmetelijk diep.

Afgrondelijcheit, znw. vr. Peilloze diepte; ook: peilloze diepheid.

Afgrondeloos, Afgrondich, bnw. Grondeloos, peilloze, onpeilbaar. 2) ondoorgrondelijk.

Afgrondicheit, znw. vr. Grondeloosheid, peilloze diepte.

Afgront, afgrunt, znw. o. Afgrond.

Afgruwelijc, bnw. Gruwelijk, afgrijselijk.

Afhalen, zw. ww. trans. 1) Wegnemen, weghalen; wegdoen, wegnemen (b.v. zonde). 2) naar beneden halen. 3) invorderen (boeten).

Afhandich, afhendich, bnw. Uit de hand geraakt, ontglipt, voor iemand teloor gegaan; Afhandich maken, van de hand doen, vervreemden; enen

afhandich maken, afnemen; enen afhandich werden, voor iemand verloren gegaan, hem ontnomen worden; hem afhandich houden, zich weg of schuil houden; hem ere dinc afhandich maken, zich van iets ontdoen.

Afhangen, st. ww. intr. Afhangen, naar beneden hangen.

Afhangende, deelw. Hellende; dat afhangende, helling (van een berg).

Afhanc, znw. m. 1) Helling. 2) afhankelijkheid; negenen afhanc hebben (van), niet afhankelijk zijn van. 3) uitstek, uitsprong van een bouwwerk. Vgl. aflaet, 2de artikel.

Afheffen, st. ww. tr. 1) Enen afheffen, aftillen, aflichten, afnemen (van het kruis, een paard). 2) iet afheffen, wegnemen; die tafle afheffen, afnemen; enen

die wape afheffen, iemand van de wapenen ontdoen.

Afheit, znw. vr. Dwaasheid, zotternij.

Afhelden, zw. ww. intr. 1) Afhellen, hellen. 2) afwijken, van het rechte pad; afglijden.

Afheldich, afhaldich, bnw. Afhellend; steil.

Afhelpen, st. ww. tr. 1) Van het paard helpen, helpen afstijgen. 2) enen des afhelpen, iemand van iets afhelpen, hem er van bevrijden.

Afhertich, bnw. Bevreesd, kleinmoedig.

Afhoeden, zw. ww. trans. Afhouden.

Afhof, znw. m. Te hove ende te afhove, in de hof en daarbuiten?; ten ophove ende ten afhove, te hoogen en lagen gedinge, voor een hoger en een

lager hof.

Afhorten, zw. ww. tr. Afrukken, afstoten.

Afhouden, st. ww. tr. Wegnemen, weghouden, wegtrekken (de hand).

Afhouwen, st.ww. tr. Afhouwen, afhakken, omhakken; enen iet afhouwen, door hakken iemand iets (nl. hout) ontnemen. Afhouwer.

Afhuren, zw. ww. trans. Enen iet afhuren, iets van iemand huren.

Afjagen, st. ww. trans. 1) Wegjagen, verdrijven, verwijderen (iets van iets anders). 2) (een paard) door hard rijden afmatten. 3) enen iet afjagen, het hem afhandig maken.

Afjockeeren, zw. ww. tr. Door een botsing (van twee op elkaar inrijdende ridders) wegnemen of afstoten.

Afjonnen, zw. ww. tr. Misgunnen. Vgl. afgonnen. Afjonste.

Afcaerden, zw. ww. tr. Met een „caerde" of wolkam wegnemen, ook met scherpe of hekelende taal aan iemand ontroven (de eer).

Afcavelen, zw. ww. trans. Na een discussie ontzeggen, een beslissing nemen in iemands nadeel.

Afkeer, znw. m. 1) Afkeer. 2) afval, afdwaling.

Afkennen, zw. ww. tr. In recht ontzeggen.

Afkenninge, Een bepaalde afstand waarop men iets (van de zee uit) kan zien of kennen.

Afkeren, zw. ww. I. Trans. 1. Afkeren, afweren. 2) afwenden. 3) afwenden, verdrijven. 4) afwerpen, van zich doen. II. Wederk. Zich keren, zich wenden (tot). III. Intr. 1) Zich keren, teruggaan; zich verwijderen, ook uit de schepenbank, als in de zaak betrokken of als bloedverwant. 2) zich ter zijde keren. 3) afwijken, de rechte weg verlaten, afdwalen. 4) des afkeren, zich van iets afwenden, het nalaten of er mede ophouden. 5) enen (datief) afkeren, zich van iemand afkeren, van hem afvallig worden. IV. deelw., afgekeerd, afgedwaald, verkeerd, goddeloos.

Afkerer. znw. m. Hij die een ingeslagen goede weg verlaat, afvallige.

Afkeringe, znw. vr. 1) Verdrijving. 2) afdwaling.

Afkerven, st. ww. tr. 1) Afleggen, wegdoen, van zich zetten. 2) wegnemen, verminderen.

Afclagen, zw. ww. tr. Een klacht of aanklacht tegen iemand inbrengen met betrekking tot iets, een eis tegen iemand instellen.

Afclaren, zw. ww. tr. Enen een oordeel afclaren, iemand een vonnis door de klaring, de hogere rechtbank, doen verliezen, het hem doen verliezen in hoger beroep. Vgl. toeclaren.

Afcleppen, zw. ww. tr. Bij klokgeklep afkondigen.

Afclieven, st. ww. tr. Afkloven, door kloven van iets verwijderen.

Afclimmen, st. ww. I. Intr. Afklimmen. II. Trans. Enen iet afclimmen, door beklimming der muren, stormenderhand, op iemand veroveren.

Afclouwen, zw. ww. tr. Afwrijven, een toegebrachte avond of de pijn van een kastijding.

Afcloven, zw. ww. tr. Door kloven verwijderen of afsnijden; enen afcloven, afsnijden, als onwaardig verwerpen.

Afcnagen, st. ww. tr. Afknagen, enen iet afcnagen, iemand uit nijd iets afnemen of ontroven.

Afcnaven, st. ww. tr. Afknauwen, afknagen, afbijten.

Afcnopen, zw. ww. tr. 1) Afbinden, een lichaamsdeel. 2) ontknopen, losmaken. 3) afknotten, afsnijden. 4) deelw. afgecnocht, ontbonden, duidelijk, uitgemaakt, boven alle bedenking verheven.

Afcomen, st. ww. intr. 1) Van een hogere streek naar een lagere komen. 2) afstammen. 3) afcomen van, van iets terugkomen, met een persoon als onderwerp; van iets komen, als opbrengst, met een zaak als onderwerp. 4) wegkomen, verdwijnen, van zaken. 5) aftreden, een ambt neerleggen (van eenre officiĎn, ook absoluut). 6) met de genitief van de persoon. Van iemand af komen, hem laten lopen. 7) met de genitief der zaak, van iets afkomen, er van bevrijd of ontslagen worden, van iets afzien; van iets afkomen, het kwijtraken; met iets ophouden of uitscheiden; iets gedaan maken.

Afcomen, znw. o. (eigenlijk volt. deelw.). Nakomelingschap; m. mv. enes afcomene, afstammelingen, nakomelingen.

Afcomende, znw. in. (eig. onvolt. deelwoord). Afstammeling; ook collectief: afstammelingen.

Afcomer, znw. m. Afstammeling.

Afcomste, afcoomste, znw. vr. 1) Het komen naar een lager gelegen streek of land, overkomst naar, bezoek aan (Nederland). 2) afstand, ontzegging, weigering.

Afcondigen, zw. ww. tr. Afkondigen.

Afcoop, znw. m. Afkoop; afcoop maken van (een straf), haar afkopen.

Afcopen, zw. ww. tr. 1) Afkopen, door afkoop een verplichting doen ophouden, zich van iets vrijkopen; ook: een ander door afkoop er van vrijstellen. 2) afkopen, aflossen, een rente. 3) enen iet afcopen, door koop iets van iemand verwerven; door een geldsom de toestemming tot iets van iemand verkrijgen.

Afcoren, afkeuren, afkueren, zw. v. tr. 1) Bij een keur onteigenen. 2) afkeuren.

Afcorten, zw. ww. tr. 1) Verkorten, korter maken. 2) verkorten, minder maken van duur. 3) aftrekken, korten, van een gedeelte van een schuld. 4) enen

afcorten, iemand afsnijden, als onwaardig verwerpen, uitroeien, uitdelgen.

Afcorter, znw. vr. Hij die iets verkort, een uittreksel uit iets maakt (abbreviator).

Afcortinge, afcurtinge, znw. vr. Korting, mindering.

Afcrauwelen, zw. ww. tr. Met ijzeren „crauwels" of haken af krabben.

Afcrigen, st. ww. tr. 1) Van iets af krijgen, met kracht verwijderen. Enen iet afcrigen, iets van iemand door geweld verkrijgen, het hem ontroven.

Afcrupen. st. ww. intr. Wegkruipen of naar beneden kruipen.

Aflaet, znw. m. en o. 1) Nalatigheid, verzuim; sonder aflaet, onafgebroken. 2) kwijtschelding, van een verplichting. 3) kwijtschelding of vergiffenis van zonden. 4) kwijtschelding van kerkelijke straffen, door de kerkelijke overheid de zondaren na de biecht verleend; lettere van aflate, aflaatbrief; in aflaet

eens siele, ter verkrijging van spoediger ontheffing van de pijnen van het vagevuur der ziel van een afgestorvene. 5) plaats waar de aflaat verleend wordt. 6) grote aflaet, kruisvaart, kruistocht (waarvoor de volle of grote aflaat verleend werd).

Aflaet, znw. m. Uitstek, uitsprong van een bouwwerk. Vgl. ute1aet.

Aflaetsbrief, znw. m. Aflaatbrief.

Aflaetskiste, znw. vr. De kist waarin de aflaatpenningen worden bewaard.

Aflaetsstoel, znw. m. Biechtstoel.

Aflangen, zw. ww. trans. Van iets afkrijgen, op iets beknibbelen of uitzuinigen; of hetzelfde als aflengen (?).

Aflaten, avelaen, st. ww. I. Trans. 1) Laten gaan, wegzenden, ontslaan. 2) laten varen, laten gaan, loslaten. 3) laten lopen, nalaten, staken. 4) laten varen, afstand doen van, ergens geen werk van maken. 5) laten varen, verlaten (een ambt). 6) (wijn) aftappen. 7) ophouden met; sonder aflaten, zonder ophouden, voortdurend. 8) enen des aflaten, iemand van iets vrijstellen. 9) kwijtschelden, vergeven, geen wraak of straf voor iets nemen. 10) neerlaten, laten zakken; hem aflaten, nederdalen. 11) uitlaten, niet aan doen, klederen. II. Intr. 1) Met de genitief van een persoon, van iemand aflaten, zich van hem iemand verwijderen. 2) met de genitief der zaak, van iets aflaten, er mede ophouden. III. Wederk. Aftreden, van een overheidspersoon (oostmnl.).

Aflatenen, zw. ww. trans. Laten varen, nalaten (oostmnl.).

Aflatinge, znw. vr. 1) Het ophouden met of aflaten van iets. Sonder aflatinge, zonder ophouden, voortdurend. 2) vergeving, vergiffenis.

Aflech, znw. m. Afstand (in recht).

Afleden, zw. ww. tr. (Een lid) van het lichaam scheiden, vooral de hand. Vgl. ontleden.

Afleggen, zw. ww. tr. 1) Wegleggen, ergens anders leggen; wegbrengen, ter zijde leggen; ergens anders opslaan (een koopwaar). 2) neerleggen, van zich af leggen, zich van iets ontdoen (van hetgeen men aan heeft of bij zich heeft, ook van de zonde). 3) afbakenen, een bepaalde richting door bakens aangeven, afzetten; van land, afmeten met baakstokken. 4) afbreken, slopen. 5) enen dijc afleggen, de verplichting tot onderhoud van een dijk opheffen. 7) doen ophouden, bijleggen, vereffenen (een vete, geschil enz.), betalen (een schuld); ene mort afleggen, een manslag verzoenen door betaling der gestelde boete; afschaffen, in onbruik brengen, te niet doen een gewoonte, gebruik, wet, enz.; afgeleit (afgeleecht), afgeschaft, in onbruik geraakt; enen iet afleggen, ten behoeve van iemand iets afschaffen, hem er van ontheffen; afzetten (een overheidspersoon); te niet doen, verbreken (een verbintenis, een koop); afslaan, van de hand wijzen (een verzoek). 8) het doen eindigen van een onrecht door een uitspraak of beslissing. 9) afstaan, uitkeren aan iemand hetgeen hem wettig toekomt. 10) beleggen, bepalen, (een dag).

Aflegger, znw. m. Hij die in een twistzaak de ander betaalt, de geleden schade vergoedt, aansprakelijk persoon.

Aflegginge, znw. vr. 1) Afschaffing (van tollen, lasten enz.). 2) lossing, afkoop.

Afleiden, afleden, zw. ww. tr. 1) Wegleiden, wegbrengen. 2) afbrengen van iets, ook van de deugd, verleiden. 3) enen iet afleiden, iets van iemand verwijderen, er hem van beroven (vgl. afleggen). 4) iemand renvooieren naar een andere rechtbank. 5) bijbrengen, doen verschijnen voor de rechter, nl. getuigen.

Afleidinge, znw. vr. 1) Het wegleiden van iemand van de recht plaats. 2) het zenden, brengen, renvooieren van iemand naar zijn eigen rechter. 3) aansprakelijkheid voor een ander, het hem helpen of houden uit de handen der rechters.

Afleken, st. ww. intr. Naar beneden druppelen; aflekende, lek.

Aflenden, zw. ww. trans. Krachteloos maken, te niet doen, doen ophouden (een eis enz.).

Aflenen, aflienen, zw. ww. trans. Van iemand lenen (enen iet aflenen); soms ook met de acc. Van de pers.

Aflener, afleenre, znw. m. Hij die iets van een ander leent, die geld van een ander opneemt.

Aflengen, zw. ww. tr. Afkorten. Vgl. af1angen.

Aflesen, st. ww. tr. 1) Aflezen, afplukken, bijeenzamelen: plumen aflesen, pluisjes van iemands klerenwegnemen. Vgl. p1uumstriken. 2) aflezen, in het openbaar afkondigen of bekend maken. 3) door het lezen van een bezwerings- of toverformulier trachten te verwijderen (een kwaal, zweer enz.).

Afleveren, zw. ww. tr. Leveren, ter hand stellen, in handen stellen.

Aflichten, zw. ww. tr. 1) Aftillen, afnemen of wegnemen door iets in de hoogte te brengen; aflichten; die hant aflichten, de hand wegnemen, zijn hand afhouden van iets, geen recht op iets doen gelden. Vgl. hantlichtinge. 2) ophouden, uitscheiden (met verzwijging van het object, die hant).

Afliggen, st. ww. intr. 1) Afzitten, van het paard doen stijgen. 2) aflaten, ophouden.

Aflijf, znw. o. 1) Overlijden, dood. 2) doodschuld, van poorters of leden van een corporatie. 3) heerlijk recht, te voldoen bij het overlijden van horigen.

Aflijfsch, Aflivich, bnw. Overleden, gestorven, dood. Aflivicheit.

Afloden, zw. ww. tr. Met het lood of peillood afmeten of onderzoeken.

Afloop, znw. m. Loop naar beneden; ook van water, het afvloeien of afstromen, verval.

Aflopen, st. ww. intr. 1) Van iemand of iets weglopen, op de vlucht gaan. 2) van een andere plaats komen, aankomen, naderen. 3) neervloeien. 4) aflopen,

opgewonden worden (een kluwen). 5) enen aflopen, van iemand weglopen, hem ontrouw worden, iemand verlaten of in de steek laten. 6) aflopende payementen, betalingen die op bepaalde tijden moeten geschieden.

Aflopinge, znw. vr. Het aflopen, van een kaars.

Aflosen, afloossen, zw. ww. tr. 1) Aflossen, van een band, losmaken, door het afbetalen van een schuld, gezegd van goederen. 2) iet aflosen, lossen, afbetalen, afkopen. 3) enen aflosen, iemand afkopen, losmaken van een bezit door het betalen van een som gelds.

Aflosenen, zw. ww. tr. 1) Aflossen, afkopen, een zaak. 2) iemand afkopen. Aflos(s)inge.

Aflossen, zw. ww. tr. 1) Geheel lossen, afladen, een vracht. 2) aflossen, een schuld. 3) hem aflossen, zich losmaken, losgaan, loslaten.

Afluden, zw. ww. tr. Bij klokgelui bekend maken.

Afludinge, znw. vr. Openbare bekendmaking; ook: het geschreven stuk, de publicatie.

Afluken, st. ww. tr. Afscheiden, afsluiten.

Afluuc, afluyc, znw. m. Afscheiding, afsluiting.

Afmaeyen, afmeyen, afmayen, zw. ww. trans. Afmaaien; enen iet afmaeyen, iemand van iets (koren, gras) beroven door het af te maaien.

Afmaken, zw. ww. tr. Met de genitief der zaak, maken dat iemand iets verliest, niet meer bezit; hem van iets beroven.

Afmalen, st. ww. tr. Door malen verbruiken of wegnemen (nl. water).

Afmanen, zw. ww. tr. Enen iet afmanen, iemand om iets manen, iemand in recht over iets (de voldoening van een schuld) aanspreken.

Afmelken, zw. ww. tr. Door melken aan iemand onttrekken of ontnemen.

Afmeten, st. ww. tr. Enen iet afmeten, door meten aan iemand ontnemen, van iemands eigendom afnemen.

Afmetsen, zw. ww. tr. Afmetselen.

Afmieden, zw. ww. tr. Afkopen door loon of geschenken, omkopen.

Afminnen, zw. ww. tr. Ontvrijen. Zie ontminnen.

Afmoedich, bnw. Kleinmoedig, bevreesd. Zie afhertich.

Afmorden, afmoorden, zw. ww. tr. Enen (datief) enen (acc.) afmorden, iemand een ander doen verliezen, door hem te vermoorden.

Afmortbranden, zw. ww. tr. Enen een huus afmortbranden, iemands huis in brand steken (te zijnen nadelen).

Afmuren, zw. ww. tr. Met een muur afzetten of omheinen.

Afnagelen, zw. ww. tr. Losmaken, ook: bevrijden, verlossen.

Afneemschotel, znw. m. Schotel gebruikt bij het voordienen der spijzen en het afnemen der tafel.

Afneigen, zw. ww. I Intr. Afwijken, zich afwenden. II. Trans. Afwenden, afkeren. III. Wederk. Afwijken, de juiste weg of het rechte pad verlaten, zich bezondigen.

Afneigich, bnw. Hellend.

Afnemen, st. ww. I. Trans. 1) Afnemen, ontnemen. 2) wegnemen, afwissen. 3) wegnemen, te niet doen, opheffen, van iets dat iemand bezwaart. 4) een deel van iets afnemen, iets doen verminderen (land). 5) invorderen, een boete. 6) vergoeden (schade, last e. a.). 7) enen iet afnemen, iemand iets verhinderen. II. Wederk. Hem des afnemen, zich van een beschuldiging losmaken door een eed te doen, zich door een reinigingseed zuiveren, zijn onschuld bewijzen door een eed (vooral oostmnl.). III. Intr. 1) Afnemen, in krachten verminderen. 2) afnemen, in prijs verminderen. 3) afnemen, slinken, mager worden.

Afnemen, znw. o. Vermindering, verkorting van rechten.

Afnementheit, znw. vr. Vermindering, verslapping.

Afnet, znw. o. Een verboden visnet.

Afnipen, st. ww. tr. 1) Afnijpen, afknijpen; met een schaar, nijptang of snuiter van iets wegnemen. 2) enen iet afnipen, iemand iets (een lid) afknijpen, afnijpen; ook: iets afknibbelen of afpersen.

Afonnen, onr. ww. intr. Op iemand afgunstig zijn; sonder afonnen, zonder dat het iemand misgund wordt.

Afonste, znw. vr. Afgunst.

Afordelen, zw. ww. tr. Afwijzen, in recht ontzeggen.

Afordineren, st. ww. tr. Door een order of bevel afstellen, afcommanderen.

Afpachten, zw. ww. tr. Enen iet afpachten, van iemand iets langs gerechtelijke weg voor schuld in bezit nemen.

Afpalen, zw. ww. tr. 1) Afmeten, afpalen, een land. 2) enen iet afpalen, zich wederrechtelijk toe-eigenen, een land.

Afpanden, zw. ww. tr. Enen iet afpanden, door gerechtelijke pandneming op iemands eigendom beslag leggen; enen gelt afpanden, van iemand geld innen door gerechtelijke pandneming, zich zelf betalen uit de verkoop van in beslag genomen panden.

Afpeken, zw. ww. tr. Afbikken, uithakken (steen).

Afpellen, zw. ww. tr. Afschillen, verwijderen.

Afpersen, zw. ww. tr. Afpersinge.

Afplamen, Afplanen, zw. ww. tr. Uitvoegen, uitwissen, te niet doen.

Afpleiten, zw. ww. intr. De rol der bij een rechtbank aanhangige zaken afhandelen.

Afplecken, zw. ww. tr. Afnemen, wegnemen.

Afplucken, afplocken, zw. ww. tr. Afplukken, uitplukken, uit de grond halen; afnemen, wegroven.

Afquiten, zw. ww. tr. 1) Te niet doen, vernietigen. 2) aflossen, afbetalen, een schuld; enen afquiten, iemand iets afkopen. Afquiter, Afquitinge.

Afraden, st. ww. tr. I) Afraden. 2) enen iet afraden, iemands goed in „rade", dat is bij rechterlijk vonnis, doen verbeurd verklaren; op een listige wijze ontnemen.

Afradich, bnw. Enen afradich, kwalijk gezind jegens iemand, vijandig, besloten om hem in ridderlijke vete (aan lijf, eer en goed) te deren.

Afradicheit, znw. vr. Vijandige gezindheid jegens iemand, laster.

Aframen, zw. ww. tr. Beramen, voorlopig bepalen (gezegd van een regeringslichaam).

Afransoeneeren, zw. ww. tr. Brandschatten, de betaling van een zekere som (van iemand) afdwingen.

Afrapen, zw. ww. tr. 1) Enen iet afrapen, van iemand iets afhalen of afnemen, bepaaldelijk pluisjes, vuil en dgl. 2) enen de roeper afrapen, de keel afsnijden.

Afreiken, afreken, zw. ww. tr. Zover reiken (eigenlijk met een uitgestrekte arm) dat men iets raakt, bereiken; ook: de grond van iets bereiken, peilen.

Afreinigen, zw. ww. tr. Afwassen, uitwissen, zonden.

Afreisen, zw. ww. intr. Reizen van een bepaalde plaats, van huis gaan.

Afrekenen, afrechenen, zw. ww. I. Intr. Afrekenen, een betaling regelen, een rekening afsluiten. II. Trans. Vereffenen, afbetalen; ook: enen iet afrekenen,

iemand iets afbetalen.

Afresen, zw. ww. tr. Afristen.

Afrepelen, zw. ww. tr. Afschillen.

Afriden, st.w. I. Intr. 1) Afrijden, wegrijden. 2) enen afriden, iemand afvallen of ontrouw worden, zijn partij verlaten. II. Trans. 1) Door rijden onbruikbaar maken, afrijden, een paard. 2) enen afriden, iemand neerrijden, op hem aanrijdende hem uit het zadel lichten en ter aarde werpen; ook: iemand van een ander verwijderen door op hem aan te rijden (met een bepaling met van). 3) een lant afriden, het rijdend doorkruisen om te roven en te plunderen. 4) enen iet afriden, iets op iemand veroveren, door een vijandelijke aanval (te paard). 5) als rechtsterm, bij gemeenschappelijke eigendom het gedeelte, dat van de ander hoort, tegen taxatie overnemen.

Afrinnen, st. ww. intr. 1) Afvloeien, afstromen, neervloeien. 2) weglopen.

Afrinnich, afrennich, bnw. Afrinnich werden, weglopen, op de loop gaan, gezegd van een paard.

Afrinninge, znw. vr. Het weglopen of weggaan, tocht, reis.

Afriten, st. ww. tr. Afrukken, met geweld verwijderen van iets waaraan het bevestigd is of vastzit. Vgl. afrucken.

Afroden, afraden (oostmnl.), zw. ww. tr. Rooien, uit de grond halen (bomen, struiken en dergelijke).

Afroeyen, afroyen, zw. ww. intr. Weg roeien.

Afroepen, st. ww. tr. Afroepen, afkondigen, een verordening en dergelijke; ook enen afroepen, iemands naam openlijk bekend maken. Afroepinge.

Afropen, zw. ww. tr. Afrukken, afplukken.

Afroven, zw. ww. tr. Enen iet afroven, iemand iets door roof ontnemen.

Afrucken, zw. ww. tr. Afrukken, afplukken, losrukken; enen iet afrucken, iemand iets uitrukken.

Afrumen, st. ww. tr. 1) Wegruimen, opruimen door iets weg te nemen. 2) enen iet afrumen, iemand iets ontruimen, afstaan (een vast goed).

Afruminge, afruyminge, znw. vr. Ontruiming, afstand van een vast goed.

Afsagen, zw. ww. tr. Afzagen.

Afsate, znw. (vr. en) m. 1) Kroonlijst, aan een gebouw; ook: uitstek, uitsprong, uitlaat (vgl. afIaet en utelaet) aan een gebouw. 2) stut, b.v. onder een wiel, om het schoon te maken.

Afschaden, zw. ww. tr. Enen iet afschaden, iemand iets tot zijn schade ontnemen, hem voor een zekere waarde benadelen.

Afschaefsel, znw. o.

Afschampelen, afschampen, zw. ww. intr. Afschampen, van een zwaard.

Afschatten, zw. ww. I. Trans. 1) Enen iet afschatten, iemand iets als schatting of rantsoen doen betalen, afvorderen. 2) iet afschatten, de door gerechtelijke verkoop verkregen som geheel en al besteden ten einde de schuldeisers te voldoen. II. Intr. Een vordering verhalen op een pand.

Afschattigen, zw. ww. tr. Hetzelfde als afschatten.

Afschaven, zw. ww. tr. Afscheden. Zie afscheiden.

Afscheiden, afscheden, st. ww. I. Intr. Zijn afscheid nemen, vertrekken, scheiden. 2) met de genitief, heengaan of vertrekken; des lives (levens) afscheiden, uit het leven scheiden, sterven; van iets afstand doen, het laten varen; der werelt afscheiden, afstand doen van de wereld, een geestelijk leven gaan leiden: van iets afstappen (een onderwerp); sonder afscheiden, zonder ophouden; voor eeuwig. II. Trans. 1) Iets van iets anders scheiden, het er van losmaken. 2) afscheiden, afzonderen, verwijderen. 3) uitkeren. III. Als znw. 1) Afloop, einde. 2) aftreding, uit een ambt.

Afscheidinge, znw. vr. 1) Heengaan, vertrek. 2) uitkering van goed. 3) afpaling van een erf.

Afscheit, znw. o. 1) Het vaarwel zeggen of afstand doen van iets. 2) scheiding, deling van goederen, uitboedeling. 3) vereffening, overeenkomst, besluit, beslissing, uitwijzing, waardoor een zaak wordt geĎindigd of afgedaan. 4) grensscheiding, afscheiding.

Afschelen, zw. ww. tr. Afschillen.

Afschepen, zw. ww. tr. 1) Inschepen en verzenden, van goederen. 2) uitreden, van schepen.

Afscheppen, st. ww. tr.

Afschepper, znw. m. Een voorwerp (lepel), waarmede men iets (room, vet, schuim) afschept.

Afscheren, st. ww. tr. Afscheren, afsnijden of afknippen, van het haar.

Afscheveren, zw. ww. intr. Afbrokkelen, loslaten, gezegd van stenen.

Afschieten, st. ww. I. Trans. 1) Haastig uittrekken, klederen en wapenen. 2) door schieten verwoesten, platmaken, ook: onbruikbaar maken. 3) door schieten of een schot naar beneden doen vallen. 4) afschudden, vruchten van bomen. 5) afgraven, een bergtop, om hem te verbreden. 6) enen iet afschieten, door schieten iemand zijn volk doen verliezen, door neerschieten beroven van iemand. II. Intr. Weglopen, afloop hebben, van water.

Afschifelen, zw. ww. intr. Afschampen. Vgl. scheife1en.

Afschoren, afschueren, zw. ww. tr. Afscheuren, met geweld afrukken. Afschoringe.

Afschou(w), znw. m.; afschouwe, znw. vr. 1) Het schouwen en goedkeuren van opgeleverde werken. 2) einde van een dijkvak.

Afschouwen, zw. ww. intr. Onderzoeken, bezichtigen.

Afschrabben, afschrabbelen, zw. ww. intr. Afschrappen, afkrabben met de nagels.

Afschrappen, zw. ww. tr. 1) Afschrappen. 2) uitschrappen, wegdoen. Afschrappinge.

Afschrepen, st. ww. tr. 1) Afschrapen. 2) uitschrappen, uitwissen. 3) enen afschrepen, iemand royeren, hem als een onwaardig lid afsnijden.

Afschrifte, znw. o. Brief van iemand, of kopie, of schriftelijke opzegging (?).

Afschriven, st. ww. trans. 1. Afschrijven, overschrijven op een andere rekening. 2) uitwissen, delgen, royeren. 3) afschrijven, kopiĎren. 4) door het opmaken van een akte afstand doen van een recht.

Afschroden, zw. ww. tr. Afsnijden.

Afschromen, afschroemen, zw. ww. tr. Wegjagen, verdrijven.

Afschudden, zw. ww. tr.

Afschumen, zw. ww. tr. Schuimen, afschuimen.

Afschuven, st. ww. tr. 1) Afschuiven, wegduwen. 2) met een scheepsboom voortstuwen, bomen (een schip( 3) afstand doen van, van zich afzetten. 4) verschuiven, uitstellen.

Afschutten, zw. ww. tr. Opsluiten, gezegd van vee dat schade aanricht in eens anders eigendom; ook (met een datief) ten nadelen van een ander.

Afseggen, zw. onr. ww. I. Trans. 1) Bij scheidsrechterlijke uitspraak vervallen verklaren, afschaffen, intrekken. 2) iemand (van een ambt) vervallen verklaren, hem afzetten. 3) enen iet afseggen, iemand iets in recht ontzeggen, beweren dat hij geen recht op iets heeft, iemand bij scheidsrechterlijke uitspraak iets ontzeggen, ook: hem veroordelen tot betaling (een geldsom). II. Wederk. Zich ontdoen van, afstand doen van iets, ook: van een ambt, zijn ontslag nemen.

Afseilen, zw. WW. tr. Zeilende neerhalen of naar de grond doen gaan, stukzeilen.

Afsenden, zw. ww. tr. Afzenden, toezenden; ook: een bode zenden.

Afsetene, znw. m. en vr. Hij die elders gezeten of woonachtig is.

Afsetten, zw. ww. tr. 1) Uit de zadel lichten, het onderspit doen delven. 2) iemand wegzetten, verwijderen; verwijderen uit een betrekking, doen aftreden, ontslaan (ook zonder ongunstige bijbetekenis. 3) iemand afzetten, gewelddadig aanranden en beroven. 4) afschepen, iemand; in de wind slaan, ter zijde stellen, een verzoek. 5) van geld, de waarde er van verminderen, de koers er van verlagen. 6) iet afsetten, iets ter zijde zetten, afschaffen. 7) enen iet afsetten, ten behoeve van iemand iets afslaan of minderen, ook: zijn onderhoud in een dijk. 8) afzetten, met verschillende kleuren beschilderen. 9) een stof, glanzen. 10) een merkijzer, afzetten, scherper maken.

Afsettinge, znw. vr. 1) Verlaging van koers, waardevermindering. 2) afzetting uit een ambt.

Afside, znw. vr. Afgelegen plaats, heimelijke of verborgen plaats in een huis.

Afsieden, st. ww. tr. Af koken, in kokend water afwassen.

Afsien, st. ww. I. Trans. 1) Uit de verte zien, bespeuren. 2) enen iet afsien, iemand door zien iets afhandig maken. II. Wederk. Hem des afsien, zich voor iets wachten of hoeden.

Afsien, st. ww. tr. Afzijgen, afzeven.

Afsiensel, znw. m. Afkooksel (van afsieden), of wat door zeven wordt afgescheiden (van afsiĎn).

Afsigen, st. ww. tr. Hellen, schuins naar beneden lopen.

Afsijn, onr. ww. intr. 1) Des afsijn, iets nalaten. 2) ontzet zijn van een ambt, ook: niet benoembaar zijn. 3) niet gebeuren. 4) afwezig zijn.

Afsitten, st. ww. intr. 1) Afstijgen van het paard. 2) elders woonachtig zijn, in het deelw. Afsittende (vgl. afgezeten en afseten). 3) enen afsitten, zich van

iemand verwijderen, hem niet bijblijven.

Afslach, znw. m. en o. 1) Het wegslaan van land door de golfslag. 2) mindering, korting. 3) vermindering in prijs. 4) verkoop, vooral van vis; ook het geld dat de verkoper aan de afslager of roeper schuldig is. 5) laadplaats voor koopwaren, stapelplaats (? in verbinding met opslach).

Afslaen, st. ww. I. Trans. 1) Afslaan, met een slag van iets verwijderen; dau afslaen, dauwtrappen, rinkelrooien. 2) afslaan, afhouwen; enen iet afslaen, iemand iets uit de hand slaan; enen dat hovet afslaen, iemand het hoofd afslaan; enen (acc.) afslaen, iemand onthoofden. 3) lant afslaen, doen wegbrokkelen, wegslaan, van het water gezegd. 4) afslaan, omhouwen, vellen. 5) afslaan, afnemen van een kruis. 6) afslaan, verslaan. 7) enen iet afslaen,

iemand zijn volk enz. doen verliezen door ze te verslaan; iemand iets ontweldigen, bv. vee; ook, een rechtsgrond; enen (datief) enen (acc.) afslaen, iemand zijn maag, broeder, man enz. doen verliezen door hem te verslaan. 8) bij afslag verkopen. 9) lossen, goederen. 10) weglaten, verkorten, verkleinen. 11) aftrekken, in mindering brengen, korten. 12) overwegen. II Intr. 1) Van de weg afslaan, in een andere richting gaan, zich verwijderen. 2) afslaan, in prijs verminderen.

Afslipperen, zw. ww. tr. Laten glippen, prijsgeven.

Afsliten, st. ww. I. Trans. Enen iet afsliten, iemand door de beslissing van een rechtsprekend lichaam veroordelen tot het betalen van een geldsom, ook:

riem. bij vonnis het eigendom van iets ontzeggen. II. Intr. 1) Afslijten. 2) door slijten afvallen.

Afsluten, st. ww. tr. Afsluiten; uitsluiten, buitensluiten.

Afslutinge, znw. vr. Afsluiting, afzetting of omheining van een erf.

Afsluutsel, afsluytsel, znw. o. Afsluiting, ook: barriŹre, sluitboom.

Afsmeren, zw. ww. tr. Smelten, erts.

Afsmiten, st.ww. tr. 1) Afslaan, afhouwen. 2) verslaan, om het leven brengen. 3) terugwerpen, afslaan, op de vlucht drijven.

Afsniden, st. ww. tr. 1) Afsnijden, afknippen,,afhouwen; enen den budel afnsiden, iemand zijn geld ontfutselen; van een onstoffelijke zaak, van zich zetten, -wegdoen (gebreken). 2) iemand uitstoten. 3) enen iet afsniden, iemand iets weigeren, ontzeggen.

Afsnidinge, znw. vr. 1) Afsnijding, snoeien, ook: afsnijding van de keel. 2) afsnijding, verzaking. 3) afsnijsel, afknipsel.

Afsnijtlinc, znw. m. Afsnijsel.

Afsnoeyen, zw. ww. tr. Afsnoeien.

Afsoene, znw. vr. Eindachtige zoen of verzoening.

Asoenen, zw. ww. tr. Tevredenstellen door een uitkering, uitkopen.

Afsoeken, zw. onr. ww. tr. Opzoeken.

Afsonderen, zw, ww. tr. Afzonderen, uitzonderen, afscheiden.

Afspannen, zw. ww. tr. 1) Afbinden, losmaken en afdoen, het zwaard, de sporen. 2) afbinden, door erfbinding doen versterven en afvallen, van ledematen. 3) ontspannen, een boog.

Afspliten, st. ww. tr. 1) Afrukken, afsplijten. 2) afscheiden, verwijderen, vooral leengoederen; enen iet afspliten, iets van iemand verwijderen, scheiden.

Afsplitten, zw. ww. tr. Hetzelfde als afspliten; ook: iet van ere dinc afspliten, iets van iets anders afnemen of scheiden.

Afspoelen, zw. ww. tr. Afspoelen, wegspoelen, van grond.

Afspotten, zw. ww. tr. Door spotten doen verliezen.

Afspreiden, st. ww. tr. Uitspreiden.

Afspreken, st. ww. tr. 1) Ten einde toe bespreken, afhandelen. 2) ontzeggen, verbieden. 3) waarborgen, borg blijven voor iets.

Afspringen, st. ww. intr. Afspringen, naar de laagte of ter zijde.

Afstaen, st. ww. I. Intr. 1) Zich verwijderen, -wijken, ter zijde gaan. 2) afstijgen, afstappen. 3) enes afstaen, zich van iemand afmaken, zich niet meer met hem inlaten. 4) des afstaen, zich van iets afmaken, zich aan iets onttrekken; ook: afstand doen van iets, het laten varen, er mede ophouden, ook absoluut

gebruikt; der werelt afstaen, van de wereld afstand doen, zich aan een geestelijk leven wijden, in een klooster gaan. II. Trans. Enen iet afstaen, maken dat