Middeleeuwse woorden, verklaringen.

Deze woorden zijn nogal veranderlijk, zelfs bij een schrijver wisselen ze. C en ck, y of i, u of uu, s of z etc. Lees de tekst dan eerst goed of beter, schrijf het over en maak aantekeningen, dan kom je in de geest van de schrijver en heb je op het eind deze tekst niet meer nodig. De planten worden niet uitvoerig beschreven, daar zijn boeken genoeg van.

 

Eerst Nederlandse en dan Middeleeuwse naam. Daaronder dan het omgekeerde. Zie onderaan voor medische eigenschappen en verklaringen.

 

Klik hier voor Middelnederlandsch handwoorden boek

 

I, tot 10, I, II, III, IV, V, VI, VII, VIIII, IX X, L: 50, C: 100. M is 1000.

Loumaand, lou maent, is januari, sporkele, sprockel, is februari, lentemaand is maart, grasmaand is april, bloeimaand is mei, braakmaand, braeckmaent is juni, hooimaand is juni, hoymaent, ook wedemaand, oogstmaand is augustus, fruitmaand is september, wijnmaand oktober, november is de slachtmaand, december wintermaand.

 

Span is 17cm, dat wat gespannen wordt, afstand tussen pink en duim van de gespannen hand.

Palm, van Latijn palma, naar de gelijkenis van een palmblad, afstand tussen de toppen der middenvingers met strekte armen,  is ca. 8cm.

Cubites, cubitus of cubiet, van Latijn cubitus; ellenboog, is 46cm of anderhalve voet, is ca. 6 palmen.

El of (je) ellenboog is 68-70 cm, is ook vadem of zijwaarts gestrekte arm, 198cm, kon dus varieren. Vanaf de 17de eeuw werd de Egelse vadem van 183cm gebruikt.

Een pas is 74cm. Stadi創 of stadium is 148cm. Een stadia of stadium bevatte 125 schreden of passen, 1490m: 1 mijl = 1000 schreden = Romeinse mijl. (1000 x 2 x 74) De Hollandse mijl  was 5600 el; 2380cm. Engelse of geografische mijl is een 1/15 graad van de grote cirkel op aarde, 5280 voet, is 1.609344m. Mijl van Latijn milia, meervoud van mille passuum; 1000 Romeinse dubbelpassen. De mijl van 1000 schreden is de Romeinse maat, is  4860 voet, is 1.43856m.

Voet is 29,6 cm.

Duim is een 2.54 cm, je duim, is een Engelse inch waarvan 36 een yard of Engelse el maken, 91.44cm.

Lb of pond, van Latijn pondo, verwant met pendere; doen hangen. (aan de weegschaal) Van een pond zilver werden een vast aantal penningen gemaakt en zo werd het ook een munteenheid. Dokters pond is 376, 4 gram, een pond van de kooplieden bestaat uit 16 ons, is 23, 5 gram, bij dokters bestaat het uit 12 ons, is 31, 2 gram, per stad verschillend. Pond is drie drachmen, is 3,9 gram. Een drachme bestaat uit drie scrupels, is 1, 302 gram. Een scrupel bestaat uit 20 greynen of greinen, is 0,065 gram of een gerstekorrel. 20 azen is ongeveer gelijk aan 1 gram. Pint is 5 a 6 deciliter.

I last is 27 mud. I mud is 4 schepels. 1 zak is 3 schepels

Maar de Rijmbijbel heeft hij het over een mijl van 16 stadi創, dus de onze, 2000 schreden groot.

 

 

A.

Aalbes: aelbesyen, aelbessen, Ribes rubrum.

Aalmoezen: alemosen.

Aanduiden, aanwijzen: bedieden.

Aangeraakt: aengerocht.

Aambeien: spenen, fickblattern, ambeyen, vijghpuysten, hemorroide.

Aanduidend, indicatief.

Aangaan: aengaen.

Aanhoudend; persistens.

Aanpassing; adaptie.

Aan te trekken; attahieren.

Aantrekkingskracht; affiniteit.

Aanval: assault, insult.

Aanvang: aenganck.

Aanvullend; complement.

Aanwijzen; indiceren.

Aanwijzing; indicatie.

Aanzicht: aensicht, antlisz.

Aard: aert.

Aars; anus.

Aardbei: aertbesyen, Fragaria vesca.

Aardachtig: aertachtigh.

Aardrook: grisecom, Fumaria officinalis.

Aars: ers, aers, eerse.

Aas: aes.

Abdij: abdie.

Abrotani (aqua -): water gemaakt van abrotanum.: citroenkruid, averuit Artemisia abrotanum.

Abt: abbete.

Abrikoos: abricots. Prunus armeniaca.

Achteruitgang; regressie.

Adem: azem, asem, aessem.

Aderen: arterien

Aderspat; varende.

Admiraal: ammirale.

Ammoniacum, armoniaci:. armoniacum: armoniaec, armoniaec, aermoniacum, armoniakum, gomme armoniaci, ammoniacum: een gomhars, bereid uit de stengels van Dorema ammoniacum en andere umbelliferen..

Afbeelding: abmalung.

Afdrogende: afdroghende, afdroget.

Affodillen: Asphodelus ramosus.

Afgesloten: verhouwen.

Afkortingen: biediet.

Afgeschuimde: afgebloemt, afgescuymt, afghescuimt.

Afgrond: abisse.

Afleidend, revulsief.

Afnemen, declineren.

Afrika: Afrijcken, Moren landt.

Afschaven, velling: afscabling, gescaelget.

Africanus Constantinus, (1002-1087) Heeft door vertalingen van vele Arabische, oud klassieke en enige Byzantijnse geschriften aan de scholen van Salerno en Montpellier nieuw leven gegeven.

Aften, stomatitis: alcolaz, alcolam, puystkens in den mont, sonderlinghe den jonghen kinderen.

Afkooksel: afzietsel.

Afvegen, abstergeren.

Afwijkend; aberrant.

Agremonia, agrimonia, agrimonie, agrimonien, agrimoni, agrimonye, Agrimonia eupatoria.

Ajuga: senegroen, ingroen.

Akelei, akolie, akolie, akolien, acoleyem Aquilegia vulgaris.

Alant, alante:  alant, alantwortel, alants wortelen, Inula helenium.

Albarum rosarum (aqua -): water gedistilleerd uit witte rozen.

Albucasis, Arabisch geneesheer uit de 10de-11de eeuw, vooral beroemd door zijn beschrijving van chirurgische instrumenten.

Alcana: De Grieken noemden de plant cypron, de Arabieren alchanna, alcanna. Arkanette: Alcanna tinctoria.

Allemaal hetzelfde: allevenleens.

Aller: alder.

Allerlaatste, ten slotte: alderlest.

Alexandrie: ヤPetrocilium macedonicum. Dat is persiin van marcedonie of alexanderユ. Smyrnium olusatrum..

Albaras; wit morfeem die vrijwel ongeneeslijk is.

Albugiam; witheid van de ogen, wel staar.

Album grecum: dat is hondenstront.

Alchemilla: synnauw.

Alleen; alleenlick.

Allunden water: water waarin aluin werd opgelost, allunen: met aluin instrijken. Aloen: aluin, aluyn, alune van glaecse, glase aluun: aluin in kristalvorm, aluunt:  dat water: los aluin op in het water.

Aoe, aloes (epaticum): is tweerhande, die een is bruin rood van kleur als een lever, ingedikt sap van Alo perryi.

Alsem, alseme, alsen, alssen, alsenne, alsenen, alzen; absint, Artemisia absinthium .

Alopicium, alopicia: uitvallen van haar.

Altaar: autaer.

Altijd: altoes.

Amantilli (aqua -): water van valeriaan, Valeriana officinalis.

Ambrosia: ambrosia, ambrosiaen, Artemisia campestris.

Amone (witte -): anemoon, Anemone coronaria.

Amusement, batement.

Ambt: ampt.

Alzo: also.

Altijd: altijt.

Anders; el, nyeman el.

Andijvie: endivye, Cichorium endivia.

Anthimonie: antimonium, antimoniumsulfide, antantimoni, antimonium:.

Antrax: koolbuil, miltvuur.

Angst: anxt.

Animata; is die het leven hebben.

Ans, ende; eend.

Ansjovis: anchoves.

Antimoon: antimony.

Apostels 12: zwelfposten.

Apium graveolens, selderij: joffrouw, juffrouw merck, merke, eppe, apie.

Aposteem: gezwel, ontsteking- of ettergezwel, apostema, aposteme, apostemen, apostemibus.

Apostolicum:. een soort zalf.

Appollo, appolo: alchemistenterm voor goud.

Appoponac: harsachtige gom van Opoponax chironium.

Apuli: Pouglia.

Arbeid, arbeyt.

Argentum viuvm: kwikzilver.

Aristologia, astrologia, astrologie: - rotunda, aristologiam rotundam,. Longa, Aristolochia longa, gewone pijpbloem, Aristolochia clematites, sarasine, sarasyns, Aristolochia rotunda, de ronde Aristolochia.

Aristoteles, (384-323 v. Chr.) Griekse filosoof en metafysicus, schreef natuur- en geneeskundige werken.

Arm: arrem.

Arsenicum: - album, - rubeum, arseensulfide, natuurlijk a. (rubeum) en geel of wit arseensulfide (album).

Arthetike is pijn in de gewrichten of leden, artetica, artetick: gewoonlijk jicht, podagra, artetikam: artetike(l): artetiken: artetyke,  Artritis, artrose: artetike, is gewrichtsontsteking.

Artisjokken: articiocken, Cynara scolymus.

Arweten: erwten, Pisum sativum.

As: asschen. aschen van loeden: loodwit, loodglans, loodmonoxyde, litargirum, lithargyros of lithargirum. Al naar gelang het uit de goud- of zilversmeltoven kwam, noemde met het l. auri of l. argenti, goudschuim of zilverschuim, Silver Glede, Gold glede.

Asperge: spargen, sparge, spargus. Asparagus officinalis.

Astma: asma, engborstig, aem of enghborstigheyt.

Aterment: atrament, atrement, atriment, atriments; zwarte vloeistof, in het bijzonder inkt. Blijkt soms ook een mineraal in kristalvorm aan te duiden, wellicht een metaalsulfaat, koper- of ijzersulfaat.

Averone, affrut, averute, averone, auerone, auerone, Artemisia campstris subspecie campestris.

Azi: Asyen.

Azijn: eeck, edich, edick, edic, edics, edicx, edix, eeckx, acetum, asyl, aysijl, aysile, eisine, etich, eticks, etyck, aceti:  van Latijn acetum: azijn.

 

B.

Baard: baert.

Baarmoeder: vulva: moyer, moijer, moeder, lijfmoeder, matrices of matrix.

Babylonie; is ook in Egypte.

Baden: bayen.

Bajonet: peonjaert.

Bakkerij: backerye.

Baljuw: baliu.

Ballen: cullen, zwesers.

Ballich: ingewanden

Balneo mariae, dat het in een vat heet water staat.

Balsanum:  balsem, gom van Commiphora opobalsamum.

Balsania: olie bereid uit eppezaad en azijn.

Balustia of balaustion, bloemen van granaatappel. Granaetappelen, granaten appelen, Punica granatum..

Bang: vervaert. Niet bang: onvervaert.

Bar; beer.

Barmhartig, ontverming: ontfermhertichste.

Bast: rinden.

Bedaagd: bedaeght.

Bdellium, bedellium, bidellium, bdellium, hars van Commiphora africanum.

Bedden: te bed leggen.

Bedenk: peynst.

Bedekkingen: coverturen.

Bedenking; obiectie.

Bederven: corruptie.

Bediende: seriant.

Bedriegelijke: bedriechteghe.

Bedwingende, stoppende: bedwinginghe, dats stipticiteyt-=stipticiteit= zuurachtigheid.

Begeerlijkheid: begherlicheit: appetijt.

Behalden; behouden.

Begiftigd: vergift, begavede.

Begint: beghint.

Beide: beyde.

Beieren; wilde bessen, bosbes.

Bekend: condech, kondich.

Bekleed: behangen.

Bekwaam: bequaem.

Belijden; lien.

Beminnelijkheid: minlicheit. Beminnelijk: minlijc, minlijke.

Benaderend; approximaal.

Benedicta, Geum urbanum.

Benauwdheid: benaeutheyt.

Beproefd; bewezen: geproeft, beproeven.

Bereid; klaar, bereet.

Besluiten: besluten.

Bernagie: bornaidze, bernaidge.

Beraad: baraet.

Beroerte, Multipe sclerose: geraecktheyd, dat is over alles onder het hoofd als ruggengraad en sommige leden en popelsy over het hele lichaam. Ook Apoplexie. Hersenbloeding heet geraaktheid of geraecktheydt.

Berouw: rew.

Bertram; piretrum, Anacyclus pyrethrum.

Besproeien: bespareyen.

Beschermkap: beckeneel.

Bestrijk: bestrijct.

Bestuderen, doorzoeken: gronderen.

Beter: bat.

Betekenen: bedieden, bedien.

Betekenis; bedietselen.

Betonie; bitonie, bitonien, betoni, bottonie, betonye, bethonie, Stachys officinalis.

Betringhe; waanzin.

Beven: beefinghe.

Bevenelle, beuernelle, beurnellen, pepernelle, pimpernel, kleine steenbreek, Pimpinella saxifraga.

Bevergeil: beverscullen, beverzijn, beversijn, dyascatorium, bevergheilen, beuergheilen, Bever of castoreum, castoerie, castori, castorium; bevergeil. Beuers quaet; dek van de bever.

Bevestigen, strijken: beseghen, consolideren. Toe te stemmen, bevestigen, consenteren.

Bevrijden: deliveren.

Bewegingen van het gemoed: affectus of affectiones.

Bezig het: beseg het.

Bicomen; toekomen.

Bijen: bien, ruthele.

Biechtvader: confessor. Biechten: bychte.

Biesen; biezen.

Biest; de eerste melk van een koe na het kalven.

Bieslook; biest looc, Allium schoenoprasum.

Bijgeloof: superstitie.

Bij hem: bi hem.

Bijvoet; byuoet, byvoet, byuoet, bivoet, mucwort, Engels mugwort, Artemisia vulgaris.

Bijzondere: sonderlinghe.

Bingelkruid: mercuriael.

Biscuit: biscuyt of tweeback.

Bitterheid: bitterheit.

Bitterzuur: amperechtegher, amperechteghen, amperheyt.

Blaren, apostomien, apostonien, apstonien. Blaren in de borst: apostomen in die borst, pleuresis= pleuritis, ontsteking in het ribbenvlies die Pleura heet en in die longhene: dats periplemonia= peripneumonie. Verzameling van etter in de borst heet empyema. Blaren, gezwellen, pestbuilen: blattern, platern, bleynen, blader, bladeren.

Bladeren: blayers.

Blanket; blanketsel.

Bleec; bliek, vis.

Bleek: bleyck.

Blijven: merren.

Blindheid: blintheyt.

Bliksem: blixem. Bliksemt: vieroogt.

Bloed: bloet, bloye, bloijghen.

Bloedende of rode loop: bloyende lichaem. Bloederigheid: blodigkeit. Rotlauffen is rode huiduitslag.

Bloedzuiger: egels. Bloed laten door scherven is snijden in de huid en door koppen zetten, een warme koperen kop maakt het eronder gelegen gedeelte luchtledig waardoor er bloed uit de huid komt.

Bloed spuwen; emoptoicus.

Bloemen: blomen.

Bloem van lood, cerusa, blanketsel. Blywit; loodwit, loodglans. Wit van spaengen; loodwit, loodoxide.

Boek: boecke, boeckx, boke.

Boekweit: boeckweydt Fagopyrum esculentum.

Boete: puoz, puen, amende.

Boetedoening: penitencien.

Bok: boecx.

Bolus armenicus, bolen, bolne, bolus, bolum armenicum, boli armenici, armoniacij, dat is rode aarde uit Armenie: dats roye eerde.

Bolkeraen; soort gekleurd laken.

Boodschap, boetscap. Boodschappers: messelgieren.

Boom: boem. Boompje: boemle.

Boomgaard: bogaert.

Boomicheydt (der tanden); onzuiverheid.

Boort; plank.

Boosaardigheid: maledey.

Bostel; borstel.

Borst: amme, ammei of voedster.

Borstbeen: canebeen.

Bossen: bosschen, foreest.

Bosjes van planten; busselkens.

Boter;, botter of butrumi.

Boterbloemen: vlamkruyt of flammula, egelboterbloem of Ranunculus flammula of brandklimop, brandkruid, Clematis flammula, egelkolen, hane voet. Ranunculus.

Bokkenhoren; boxhorn; bokshorne.

Braadt: breet.

Braem; braam, Rubus fruticosus, braembeyen, brambessen, brame, braemcoppe; jonge scheuten van de braam.

Brandende, barrende.

Brandnetel: broenetelen, Urtica.

Braken: opwerpinghe.

Breekt: breect, breket.

Brei: bry.

Brein: breyn.

Breuk: scheursel.

Brieven: letteren.

Brouwt: brout.

Bruid: bruyt, bruyloft.

Buik: buyck, buyckx.

Buikwaterzucht: ascites.

Buikworm, swachtels zijn brede wormen.

Buikloop: buyckloop of loslijvigheydt, geen stoelgang is hartlijvigheyt.

Buikloop: loslijvigheid.

Buiten: buten, buyten.

Buizen: aijeren

Burger: borger.

Bussen zetten, bij bloedlaten.

 

C.

Chirurg: chirurgyn, van Grieks cheir: hand en ergia: werking of operatie.

Cholera: bort, boorts.

Christelijk: Kerstes.

Christus: Xristi. Christelijk: kersten. Christus: Kerst.

Cichorei: cicoreye, Cichorium intybus.

Citroen: citrum, orangie, oraengy, limoenen, Citrus soorten.

Civet: zivet, sivet.

 

D.

Daar: daer. Daar uit: dier uut. Daarna: dair nae. Daar het: daert. Daarom: daerom. Daarvan: daer af. Daartoe: dertoe.

Daardoor: midtsdien.

Dadel: daeyen, dalen, Phoenix.

Dadelijk; voervoets, voervoets.

Dag: daechs.

Dagelijks: dagelijcx.

Dan, want: wann.

Dank: danck. Dankbaar: danckbarich.

Dankbaar: danckbarich.

Dapperheid: vromigheyt.

Darmen: dermen, suyghaderen om de laatste overtolligheid uit te werpen, ydele der, omdat hij altijd leeg is, slopderm of blinde derm om het duister gebruik er van, kronkeldarm heet Colon waarnaar colijk, koliek, of Colicompas genoemd is, van Latijn colica passio, eindigt in endeldarm of rechte darm met een sluitspier.

Darmbreuk: carnofels.

Darmen: dermen

Datzelfde: dat self, dat selve.

De: die, den, dye.

Deksels, bedekking, deckselen.

Deeltje: deleken.

Dennenappels: pineen.

Derdedaagse malariakoorts: terciane.

Dergelijke: derghelijke, diergeliken.

Desem: hessel.

Destilleerkolf; viole, fiole.

Deugd: duecht, duuegt, doech, doget.

Deugdelijke, waardevol, redelijk: duegdeliker, deugdelijc.

Deugden: duegden. Deugdelijke: deuchdelijke.

Deuren: dueren, dore.

Deze: desen.

Die: dye.

Diegene: der gheender, den ghenen.

Dienaren: dieners.

Dieren: ghedierten.

Diergelijke: der ghelycke, dyergeliken.

Diezelfde: die self.

Dijbeen: dyebeen.

Dilde, dun, dilder; dunner.

Dille: dyl. Anethum graveolens.

Dingen: dinghen.

Diuretica is open verstopping van de blaas: diurticiem, is laten plassen.

Dode: doy.

Doe het: doeghet, doeget, docht, douet.

Doek: doeck.

Doel: wit.

Dolle honden: verwoede honden.

Dolheid: dulligheyt, mania.

Dolk: fautsoene.

Dolke; dolik, Lolium temulentum.

Domesticum zijn geteelde of thuis groeiende, hortulana, dus heimisch, heymisch.

Donderbaard: donderbaert, donderbard, donrebarden, donreblader, donderbraet, Sempervivum tectorum..

Donderdag: donredach.

Donkerheid, blindheid: donckerheyt, duysternisse.

Doofheid: doofheyt.

Dooier: doyeren.

Door: doer.

Dorens: doerne, witte dorn, meidoorn, Crataegus oxyacantha.

Dorheid: dorricheyt.

Draagt: draegt, draeght.

Draagbaar: orsbaer.

Draalde: merret.

Drachma, drachme, dragme, is 3,9 gram.

Drachten: droechten.

Dragagantum: afscheiding van verscheidene soorten van het geslacht Astragalus, die stolt bij contact met de lucht.

Draken bloet: drakenbloed, het hars van sanguis draconis, Daemonorops draco.

Drank: dranckx.

Driakel, tiriaca, tiriacke, tiriacum,: theriak, een beroemd tegengif van een zeer ingewikkelde samenstelling en waaraan wonderlijke eigenschappen tegen velerlei kwalen werden toegeschreven. Men onderscheidde de theriaca magna en de theriaca diatesseron. Dit laatste is een vereenvoudigde theriak op basis van vier ingredi創ten, dyasesseron: dyathessarum: hetzelfde als theriaca diatesseron.

Drinten: een oogziekte.

Drenken, tunken.

Drie soorten, drierhande, dryerhande.

Drijven: driven.

Drinkt: drinckt.

Droefgeestige: melancolosen, swert humoer; melancholie: zwarte gal.

Droeg: droug.

Droep, droepe, dropich, dropighe, huidziekte, vooral jeuk en schurft, droepighe, jeukende, schurftige.

Droesem of het dikke van, bezinksel: droessem, drosem, drosse, drossicheit, troebelheid, wyndroesenen, wyndrosem.

Drogen: droeghen, droghende.

Droog: durr.

Dronk: dronckende. Dronkenschap: dronckenheit.

Droog: droeg, droeghe, droechten. Droger: droegher.

Druk: porsse.

Druppelen: trieffen, koude plas, pis, vaak met een steentje of ouderdom. Kalt Seich stamt van Frans chaude wat heet betekent.

Duidelijk: klaerlick.

Duidelijk meer; ongelijck meer.

Duisternis, blindheid: duysternis.

Duitsers: Duytschen, Duytschlandt.

Duivel: duvelie, duvels.

Duivelsdrek: duyvels dreck= Ferula asa-foetida.

Duiven: duven.

Duizend: duysent.

Duizendblad, milie: mily, geruwe, gaerwe, gerewue, gherue: gherwe: gerwe,  garwe, gerwe, millefolium, Achillea millefolium.

Duizeligheid: deuseligheyt.

Dulcedinis oculorum (aqua -): een oogwater.

Duivelsbeet, duuels beet(e): kleyne -, - dy grote. Men onderscheidde een witte, ook tremorse, tremoers of duvels bete genoemd, blauwe knoop, duivelsbeet, Scabiosa succisa en de zwarte: knoopkruid, Centaurea jacea.

Durven: derven.

Duur: dier.

Duurt: duert.

Duwen: douwen.

Dwaasheid: dwaesheydt.

Dyaforetica, diafreticum is dat het laat zweten.

Dyadragantis: dyadragantum: een likkepot op basis van dragant, het aan de lucht gestolde afscheidingsproduct van verscheidene Astragalus soorten.

Dyaltea: een zalf waarvan het actieve bestanddeel heemst is, Althaea officinalis, heems, heemsche, hems, hoemsch, huemsch.

Dysenteria: dissinteriam, diffenterias, dats velling der dermen.

Dysurie: diffurie: dats nu wat pissen ende over een uur noch wat. Furie is geheel niet plassen.

 

E..

Ebuli (aqua -): water bereid uit ebulus, edec, kruidvlier, Sambucus ebulus.

Echtgenoot: quickgenoet.

Een: eenen. Eenmaal: enerwerven.

Eer: gome.

Es; eeschen, eschen, ask, Fraxinus excelsior.

Eerst: yerst.

Eerste: ieste: ierste.

Eet: aet, eetinghe.

Egelantier; eghenletyer, eglentyer, egelentire, egelentyer, hondsroos, Rosa canina.

Agrimonia eupatoria; eggerimone.

Ei: eye

Eigenschap: eygentheyt.

Eilaas: eylaes.

Eiland: eylant.

Einde: eynde, ende.

Eindigt: eyndt.

Eierkoeken: struyven.

Eikel: eickelen, eyckel. Eek, ek, eken, eik, Quercus robur.

Eis: eysch.

Electuarium, electuarie, electuaerie lactuarium, latuarie; likkepot.

Ellendige, katijd: kaytive, keytiven.

Elk van, ytelick.

Elkaar: malkanderen.

Elke: een yegelijker. Elke: elcx. Elke keer: telker reysen.

Emoeraides, emorroidarum: aderspat in de aarsstreek die dikwijls aanleiding geeft tot bloederige stoelgang, aambeien, Haemorrhoiden (Grieks: haem=bloed; rhoos=stroom)

Emplastrum:  pleister.

Emperiginne; een smet in de huid met grote jeuk en scherpte.

Empetigen is een kwade soort schurft.

En: ende, uund, unn.

Ende: eend.

Engelen: ingele.

Enige: eeniger.

Enkels: encklauwen, versen, ferfene.

Enkelvoudige, simpele.

Eer: eere.

Eerste, ten eerste, ten yerste.

Eik: eycke. Eikels: eekelen.

Ekster: exters.

Eksterogen: exteroogen, naar het bruine vlekje in het midden dat op het zwart van een eksteroog lijkt.

Endivie, endiiuie, andijvie, Cichorium endiva. Sonwervel, sucureie, sukarey, Cichorium intybus, cycorie (aqua -): water bereid uit cichorei, Chicorium intybus.

Enula campana; alant, Inula helenium.

Eppe, Apium graveolens.

Erg: fast, harde.

Erisipula: erysipelas, belroos, een gezwel, ook roos genoemd.

Eris ustu of vstu: es ustum messing, legering van koper en zink.

Ersatre: artsenij, geneesmiddel.

Ervaring: ervarentheyt.

Erwten: erweten, erwiten, erten, Pisum sativum.

Erysypelas: erispille, blaar van vuurachtige kleur, belroos, St. Anthonis vyer, Ignis sacer. Springend vyer, wilt vyer erisipula.

Esula, heksenmelk, Euphorbia esula.

Ethycaユ s een verterende koorts.

Etterbuil: abces.

Euvel, kwaal; oevel, ovele. Grote euvele, lanc euvele; vallende sieckte, ook Sint Valentijns ziekte; vallende ziekte

Euphorbia; Euforbium, euforbij, mogelijk Excoecaria agallocha.

Euphrasia officinalis, eufrasia, eufrasie, ogentroost.

Eupatorium. De valse is Eupatorium cannabinum, de echte Agrimonia eupatoria

Evangelist: Euangelist.

Evenveel: allevenleens.

Excoriaties= oppervlakkige defecten van de huid.

Ezelskomkommer; Momordica charantia.

 

F.

Fabarum. Van Faba; bonen, Vicia faba.

Fabels: fabulen.

Fakkels: vackelen.

Fazant: phasanen.

Fistel, festel, een diep onder de huidoppervlakte gelegen wonde die door een buisvormig kanaaltje met de oppervlakte verbonden is.

Fstum Assumptionis ... marie: feest gevierd op 15 augustus.

Festum ... nativitatis marie: de geboorte van Maria wordt gevierd op 8 september.

Feyich: in doodsgevaar verkerend.

Fijtnagels, nijnnahels, fick, fic, wick: de fijt, een pijnlijke verzwering aan de vingerwortel.

Fijner: subtijl, subtiler, subtileren, subtiliseert.

Filipendula ulmaria: geytenbaert, reynette.

Filosofen: philosphen.

Flauwekul: beuselinghen.

Flauwte: flaeute, onmacht.

Flegma; levensvocht, slijm: fleumatijck, flumen, flueme, flegma,flegmon, flegmones, een van de vier levenssappen. Pituita. Flegmatieke: fleumatiken. Pusvormende ontstekingen: flumechtighe apostonien, apstonien of puysten van heeten bloede

Flueel: fluweel, samyte, sindalen.

Foeder:  wyns: vat.

Foel: veel.

Fortis (aqua -): sterk water.

Fornuis, oven, fornays.

Foutief, bedrieglijk: bedriechlick.

Fontanellen die zo genoemd zijn omdat ze fonteingewijs hun vochtigheden uitgeven en worden in het vlees gemaakt of de huid wordt tussen de vingers opgetrokken en stijf geperst (wat het gevoel zo verdooft dat ik dikwijls gezien heb dat het werk volbracht is eer dat de zieke het gewaar werd) met een scheermes doorsnijden of door een caustiek.

Fouten: feylen.

Fraaiste: fraeyste.

Fraaie: fraeye.

Frambozen: hinnebesyen. Rubus idaeus.

Frankrijk: Vranckrijck.

Fransen: Francoysen.

Frenesim: frenesy: krankzinnigheid, waanzin, delirium.

Fundament:  bodem.

Fruit: fruyt.

 

G.

Ga doet; snelle, vlugge dood.

Gaan: gaen, varen.

Gaat, ga weg: gaet, porret.

Gal: colere, coleram, cholerisch. Licht geraakte: coloricis:

Galbanum, hars van Ferula galbaniflua.

Galigaan, galiagaen, galanga, galaga, galigan, galegaen, Alpinia officinarum.

Galle, galappelen, galnoet, galnote. Quercus.

Gallen, builen, zweren.

Gang: geer.

Gans, mannelijk: gente, gant.

Ganse; gezond, gansen; helen, genezen.

Gat: luegel.

Gaven, giften: mieden, gichte.

Gauw: haest, bald, scire, schier.

Ge: ghy, ghi.

Gebeden, gevraagd: ghebeden.

Gebrek: ghebrek, presten.

Gedaan: bestaen, ghedaen.

Gebeurt, gheschiet.

Gebreken: gebresten.

Gebruikt: besicht, besegh.

Gebruikelijk, oorboirlijk.

Gedaante, uiterlijk: ghedaenten.

Gedachte: pinsoen, pensee, peysende.

Gedeeld: gevacken.

Gedoogde: dogede.

Geheel: allenthalben.

Gedeeltelijke: deelechtige of parciale.

Gedijen: gedyen.

Gedronken: gedroncken.

Gedruppeld: ghedruupt, gedropen.

Gedurig: geduerigen.

Geduwd: gedout, ghedout.

Geef: gevet, gheft. Gegeven: gegheven.

Geel: gheel. Gele kleur: gheel veru, komt van de lever. Milt heeft bruyne sucht.

Geelziekte, icter: gheel vrou, vrow of vrouw, gheelsucht, gelb, gilb.

Geest: spiriten, zielijck.

Gedroogde: gedroechde, gedroecht.

Gegeten: gheten, gheeten, geeten, geten.

Gehoond: ghenoent.

Geliefde: amijen.

Gelijk: ghelijck.

Gehele: geheels.

Geilheid: geylicheyt.

Geit: gheyt. Geiten wei, gheyten wey.

Gekookt: gecoekct.

Gekonfijt: gheconfect.

Gekte: elsfsheyt.

Gekweekt: domestike.

Geleidelijk: allexcen.

Gelijke: gheliken, al te hant.

Gelegd: gheleet, gheleit.

Gelijk: ghelijck geluc.

Gelijkvormig: conformeren.

Geluid: geluyt, geluet.

Gemaakt: gemaeckt, gemaect.

Gemakkelijk, licht: lichtelijc.

Gemengd: ghemingt, gheminghet.

Gember: ginber, gengber, ghingebeers, gengebeer, genegeber, gengiber, genfer, ghengewaer: ghengeuer, ghengheuaer:, gynfers, gyngeber, gyngfer gember,  sisembra, sinsiber, zinziber, Zingiber officinale.

Gemoed: moet.

Genade: gratie.

Geneesbare: gheneselijcke.

Geneesheer: fisicine, fisike.

Geneigdheid: gheneychtheit, toeneighen

Genet, genest, geneste, gheinste, Cytisus scoparius.

Genezen: ghenesen. Geneest: gheneest.

Genoeg: ghenoegh, genoech, ghenoch.

Genoeglijk: ghenuchlijker

Genoemd: ghenoemt.

Genomen: ghenomen.

Geneugte: genuchte.

Genset; geneest het.

Gentiaan: ganciaen, ganciaens, ganciane, Gentiana lutea.

Geoerbert; gebruikt.

Geordend: geordineert.

Gepijns: gepeys.

Gequellet; geleden, gekweld.

Gerookt: gheroeckt.

Gerst: geerste, ghersten garste, gheersten: gersten; gheerstin, gherste: gherstine, gheeste: gerst, Hordeum vulgare.

Gerst met bronwater gekookt: ptisane, teysene.

Gerwen; looien (van huiden).

Geschenk: schenckagye.

Geschiedt: ghescye, gheschyen.

Geschikt: bequaem.

Geschofffeerd: gesconfiert.

Geschreven: ghestrijckt.

Geslagen: gesleghen.

Gesmoord: gesnerckt.

Gesproken: ordinerede.

Gesteente: ghesteynten.

Geslacht: gemacht.

Gestoken: ghesteken.

Gestold: geronnen, gelebert.

Gestoten, gestampt: ghestoten.

Gesult; ingezouten.

Getal: ghetal, ghetael.

Geteeld, gekweekt: gheoeffent. Telen is oeffeninghe.

Getemperd: ghetympertlijc.

Geuren: vaporen.

Geur: smack.

Geurende: dufteneghe.

Gevangen: gevaen.

Gevangenis: prisoen.

Gewarmd: gewermt.

Geweekt: geweckt.

Geweld: gewout.

Gewicht; wechte.

Gewijdt: gewyet.

Gewrichten: juncturen, iuncturen.

Gewrocht: ghewracht.

Gezegelde aarde, silillum lemnium, in Lemnos was het beeld van de godin Diana gedrukt.

Gezegd: gesyet.

Gezegd: geseet.

Gezette: ghesette.

Gezicht: gesichte, ghesiechte, ghesichte.

Gezocht, geplukt: gelesen.

Gezoet: suet, gesuet, ghesuet, gesoet, suetet.

Gezond: gesunde, ghesonden, ghesont.

Gezondheid: gesontheyt.

Gezuiverd: ghecleert.

Gezwellen: gheswil, gheswillen der oren dye ghandule heeten, =glandula parotis.

Gezwel aan de neus: polypus.

Gezwollen: gheswilder.

Gift: gichte.

Gij: ghi.

Gipsum: gips.

Glaasje, gleeskene: gelaeske, gheleesken.

Gloeiend: glyend.

Goed: wel, wol.

Goede: goy.

Gloed: prunst.

Goeds: goets. Goed: goet.

Goedheid: goetheit.

Goedertieren: goedertierlijc.

Gomme, gumme, arabici; arabische gom, Acacia arabica.

Gomme, gumme amigdolorum, amigdalarum, gom van amandel, Prunus dulcis, (amygdalus)

Gomorream: dats dat men teghen sinen wil sperma of sijn nature quijt wort.

Goochelaars: gokelaers.

Gorgelen: gorghelen.

Goud; golde, golt.

Gouden: gulden, guldijn.

Graag: gherne, geerne.

Graad: graet.

Graaf: graef, van graven.

Grap: jocken.

Gras; gars.

Gratie: gracie.

Grauw: graeuw.

Grieks: Griex, Greco.

Grieks pek, grecs pek, colofium, ook wel warpout of walpotte wat verwant is met Frans galipot en stamt van Arabisch al-kal-bouth.

Griffel: griffie.

Grinsing, zilverschoon, Potentilla reptans.

Groeien: wassen, wassende. Wassen is ook wast, wasschende.

Groef: frubel.

Groener; jonger, verser.

Groente; warmoes.

Grof: groffelijc, groffelijck.

Grommen: krimmen.

Gronnen; groen maken.

Grote: groote.

Grootste kracht: meester macht. Grootste en kleinste: meeste ende minste.

Gommen: gummen. Taaiheid: zaher.

Guichelheil: guychelheyl, Anagallis.

Gunnen: jonnen, ionste.

Gunstig, ionstigh.

 

H.

Haakjes, maillekens.

Haas: haese, lepus.

Haar: haers.

Haard: heert.

In haar: in hoer.

Hachelijk; periculeuse.

Halstarrigheid, obstinaetheydt.

Hand: hant.

Handgeklap: hantgeslach.

Hard: hart.

Harde; zeer.

Hard gezwel: hart geswel, scirrhus.

Hardheid: hertheit, hartheijnen.

Haring: haringcxkens, gedroogd is bockent.

Harnas: haesberg.

Hars: herst, harst, resin.

Hart, gemoed: core, cardia, hertpijn: cardialgia, hert.

Hartkramp: hert vank; Angina pectoris.

Havikskruid: havicxkruyt.

Hauwen, vrucht: haeuwen.

Haver: haber, wordt tot gort en grutten en bry gemaakt.

Hazenlip: scaertmunde.

Heb het: hebs.

Hechten: hefften.

Hedendaags: huydensdaeghs. Heden: huden.

Heeft: hevet.

Het heet: het heyt.

Heetheid: heetheyt.

Helaas: lacy.

Helen: heylen.

Heelt het: heelet.

Heilige: heilger. Heiligdom: helechdom.

Heiden: heyden.

Helder, claer.

Helderheid: claerheyt.

Heilzaam: heylsaem.

Helemaal: zemal

Helleborus niger: elleborus, nieskruyt, vyercruyt.

Hemelrijk: hemelrijc.

Hen: hoen.

Heilige: heyliger, heylige, Heilge. Heilige Geest: Heyleghen Gheest.

Heilzaam: heylsaem.

Heimelijk: hemelike.

Helm: helmvormig deksel waarmee een pot wordt afgedicht.

Hennep, hennippen: hennep, kemp, Cannabis sativa.

Herba perforata, St. Jans kruyt, herts hoey, Johans cruyt (sunte -), ypericon: hertshooi, St. Janskruid, hertshooi, Hypericum perforatum.

Herba roberti, oriuael: robertskruid, Geranium robertianum.

Herpes of hayrworm, Impetigo.

Hertstong: hertstonghe, herst tonghen, Asplenium scolopendrium.

Herders: hirten, schaffers.

Herfst: herrefst.

Herpes: Herpestiomus, herpestryanenum, is een knagende blaar.

Herstel: restoer.

Hersens: hersenen: hyrn.

Heup: hope.

Hier en daar: harentaer.

Hiernaast: hier beneffens.

Hik: hick, nock.

Hippocrates: Ypocryten.

Hitte: hette. Heyten.

Hoeken: houken.

Hoeveelheid, menigvuldigheid: menichfuldicheyt.

Hoefbladeren: houfbladeren, pestilentywortel.

Hondsdraf: onderhave, onderave,

Holdet; houd het.

Holt, holten; hout, houten.

Holwortel, haelwoertel, hoelwort, hoelwortel. Corydalis cava.

Hondsdraf: onderhave.

Honing: honich, hoenich of mel.

Hoofdstukken: partijkelen, partikelen.

Hoofd: hoefde, hope, hovet. Het hoofd: thoet.

Hoofdpijn: hoeftswer, hoeftswere, hooftzweere.

Hoofdzeer, schurft: grynt, grind.

Hoogmoed: hoeghmoet.

Hooi: hoey, hoeij.

Hoovaardige: herevaerde.

Hoop: hope.

Hoornvlies: hoornigh vlies.

Horens: hoernen.

Houdt niet op: letter nyet.

Hout aderen; houtvezels.

Huig: huge, huych.

Hulp: behelp, behulpsel.

Humeuren of vochtvermenging, levenssappen: humoren.

Huid: huyt.

Huiduitslag: aussecigkeit.

Huilen: schreyen.

Huis: huse, huys.

Huisraad: allame.

Hun: horen.

Huur: huer.

Huusmur, pigla, pigle, Middenegels pygle, vogelmuur, Stellaria media. Rode muer Anagallis arvensis.

Hydromel, honingwater: ijdromel.

Hygi創e: higiene, naar godin Hygieia.

Hypochondriaca is melancholie uit het ingewand.

Hysop: ysop, yspe, isope, isop, isope, ysope, ysopo, ysopy: hysop,  Hyssopus officinalis.

 

I.

Ictericiam; geelzucht, yctericiam, yctericia

Ieder: yder.

Iedereen: een yegelijken, een yegelick.

Iemand: yemant.

Iep: olm: ypen, Ulmus.

Iets: yet.

Ignis sacrum, heilig vuur: heylich vier.

IJdelheid: ydelheyt.

IJs: ys.

IJzer: yser.

IJzerhard,  verbene, yseraet, yserhart, yserne, Verbena officinalis.

Immer: ember.

Impetigo: huidbesmetting die ruw is en minder rood is dan serpigo (seter, ceter), impetiginem.

Ik: ic.

Indi: Indyen.

Indie van baldi: indi of nigri zijn onrijp geplukte chebuli, de vruchten van Terminalia chebula. Met van baldi wordt wellicht de plaats van herkomst aangeduid.

Infusie, vloeistof; ingieten, later gebruikt om in de aderen te brengen.

Insnijdend, inciderend, incideret.

Is het: eest.

Ichtyosis, huidafwijking, geschubde huid: ruwheid van het vel als impengo.

Ischialgie: sciaticam, sciacica: dat is pijn in de heup.

Itali: Italyen.

Ivoor: yvore, elpen, eelpen been.

 

J.

Ja: iae.

Jaar: jaer.

Jaarlijkse: jaerlicksche.

Jaagt ze: jaegste.

Jager, yeger, J拡er.

Jaloerse: nijdegaaert.

Jalouzie: jalousie, yversucht.

Jeneverbes: geneverbesyen

Jeruzalem: Hierusalem.

Jeuk: ioecksel, jocksel, jucken.

Jezus: Jhesus.

Jicht: iecht, iocht, gicht, fleerfijn, fleerzijn, fleirfijn, flerecijn, pledersijn, pledersiin,  arthritis, schiatica of ischias, gutta: druppel omdat het druppelvormig op de ledematen lekt, Franse goutte, Duitse zipperlee dat in de leden zippert. Podagra: voetgreep, is meer in de voeten.

Joodse; Joedsche.

Jonge: ionghe.

Jozef: Ioseph.

Jeugd: jonckheyt.

Judasoor, zwam. Vlieroor: Iudasoor.

Juffrouw: ioffrouwe.

 

K.

Kaakbeen: kaecxbeen.

Kaars: kaers.

Kaaswei: keeswey.

Kaas: kese of caseus.

Kabaal: samblant.

Kabeljauw: cabbeljauw, gezouten is abberdaen, gedroogd torsch of stockvisch.

Kalf: calveren, vituli.

Kalk: calck.Kalmijn of zinkerts: calmijn.

Kameelhooi: squinanti, kemels hoy, welrieckende biese.

Kameraden: cammeraets.

Kamer: kemenade.

Kamfer, canfer.

Kamperfoelie: memmekenskruyd.

Kan, vat: trifera. Drinkkan: roemer die ook sant heet.

Kanker: cancker, carcinomata.

Kanselier: cancelier.

Kapitein: capiteyn.

Kapittel: capittels, cap.

Kapoen: capoen, gecastreerde haan.

Karel de Grote: Charlemagne.

Karnen: gekaernt: kaernemelck.

Kastanje: castanyen, Castanea sativa.

Kastijden: castien.

Katoen: cottoen, boomwolle.

Kattenkruid: cattencruyt, Nepeta cataria.

Kaviaar: kaveaer.

Kauwpillen of koekjes: trochisci of kaeuw pillen.

Kauwoerden: couworden.

Keien: keyen.

Keizer: keyser.

Kennen: kinnen.

Kersen: kerssen en kriecken, kerssen kruyt; jam van kersen, Prunus cerasus.

Kers, waterkers, Rorippa nasturtium-aquaticum, Nasturtium officinale.

Kervel, keruele, Anthriscus cerefolium.

Ketting: keeten.

Kikker: vorsken.

Kin: kinnebacken.

Klaar gemaakt: gedigeert.

Klaart op, verheldert: cleert.

Klaarheid: claereyt.

Klauwen: klaeuwen, klauen; de wortels.

Klein: cleenlick, cleyn, cleijn.

Kleiner en groter, minder en meerder.

Kletsen: klappernyen.

Kleur, verf: veru, verwe, coloren. Doodskleur of bleekheid: Doy verwe

Klieren: clieren.

Klimop: veyl. Hedera helix.

Klocke; distilleerkolf.

Klompen, houten schoenen; pattijnen.

Klonten: clonte.

Kloppen: cloppinghe.

Kloven: cliefinge.

Kluizenaars: cluysenaers.

Klysma: clister, clisteer, clysteer, clisterie.

Knagen: nagent, knaging; knachting.

Kneuzen: knutsen.

Knie創: knyen.

Knieholte: hasen, haesen, vandaar loopt een ader naar de hiel, de wadenader.

Knipoog, sprietoog.

Koekoeksbrood: coecocksbroot.Knoesten, weeren.

Knoflook: knoflocks, knofloeck, driakel, drieakel.

Knoopachtig: cnoepechtich.

Knoken, ruggengraad: cnocht.

Koeienmest: koeye mis. Mest; myst, mis, misse.

Koekje, coekelkine of trochisken.

Koeldranken; heten juleb.

Koets: carine.

Koliek: colica.

Kolokwint: coloquintida, Citrullus colocynthis.

Komkommer: comcommeren, cucumeren, Cucumis sativus.

Komijn: comijn, Cuminum cyminum.

Koning: coninck.

Koorts: corts, koortsche, van koren: walgen, febris, zage Duits Feber.

Koortsaanval; acces, accesse.

Komen: comen. Komende: comende.

Komijn: cumijn.

Kooien: koyen.

Kooiker: koeyers.

Koperrod: coperroot.

Koraal: corael.

Koriander: kalander, Coriandrum.

Kornoelje: cornoelyen, Cornus mas.

Kornuit: kornuet.

Korte: corte.

Kostbaarheid: costelicheit. Kosten: cost.

Koten; bikkels gegoten in lood.

Koud gezwel: koudt geswel: oidema, oedema.

Koud vuur: kout vyer, gangrena.

Koude, couder, coude, couwe.

Kozen: koren.

Kraaien: kraeyen.

Kraakbessen: krake-besyen. Vaccinum.

Kraaienogen: egersten

Kraakbeen: geeroes.

Krabben, jeuken: krawagye.

Krachten: crachten, faculteyt, virtue.

Krachteloos: gheflaut.

Krachtiger: crachtiger.

Kracht: proprieteyt.

Kramp: spasmum of convulsie, krimpsel.

Kreeft, cancri: creeft.

Kreta, Candien.

Krijgt: criget, crijget.

Kroeske; krusken.

Kuen, kuent; kauw het.

Kroketten: koketten.

Krom: slim.

Kropzweren of koningszeer. Meliceris is een zweer met etter als honing. Steatoma is een spekzweer. Atheroma een papzweer.

Kruiden: cruiden, cruijt, cruyt, cruden, wurcz.

Kruidnagel: groffelsnagelen, garioffels, gariofilaet, gariofilate, gariofili, gariofelsnagelen, groffels nagel, galiofle, Syzygium aromaticum.

Kuch: kugh.

Kuisheidsboom: Vitex agnus-castus, cuyschboom.

Kunstmatig; artificeel.

Kreupele: crepel.

Kruipende: crupende.

Kruid: cruyt. Kruidje: crudelijn.

Kruis: cruce.

Kunnen: connen.

Kunst: conste, konste.

Kussen: peluw, hoofdpeulen.

Kussen: cussen.

Kwaalt, lijdt: queelt.

Kwade, slechte: quade, quaet, quaije.

Kwaadaardig: quaedtaerdige.

Kwaal: qual.

Kwakzalver: quacksalvers.

Kwaliteiten: qualiteyten.

Kwam: quam.

Kwansuis: quansuys.

Kwant: quant.

Kwast; quispel.

Kwartels: quackels.

Kwee: quee, queen. Cydonia.

Kweek: quecke: ledt gras. Elytrigia repens.

Kwellende: quellende, quellingen.

Kwetsing: quetsinge, quetsuren.

Kwijl: quijl.

Kwijt: quijt.

Kwikzilver: quicksilver.

Kwijlen; seeveren.

 

L.

Laat: spade.

Laars of beenbedekking; hose.

Laatste: leste: dleste.

Lachte: loech.

Lag: ghelach.

Lammeren: weeren.

Lanfranc, Lancfranc, Lanfranck van Milaan was een der beste middeleeuwse chirurgie en vooral bekend als operateur, 1295 en later.

Lang: lanc, lanck, langhe.

Lans: glansien.

Lanspunt: trinsoen.

Lapis lazuli: lapide lazuli. Lasuer, lazuur, lazuer; blauwe verfstof.

Latijn: Latin.

Lavendel: spijck, lauendula, Lavandula spica.

Laurierbes: bayen, bakelaer, loerbeen, loerberen. Lauri; laurie, laurine, Laurus nobilis.

Lauw: lau.

Lazarus, lazarien, lazaris; melaats, meestal voor allerlei huidziektes.

Leb, libbe.

Leeg: ijdel, ydel, idel.

Legge; leeg, onbedekt.

Leden: leen.

Leger: heir, heyr, heer. Legerweg is heirweg tot herenweg.

Legeraanvoerder: coningstavel.

Legt: leghet.

Leidsman: leytsluyden.

Leken: laien.

Lelie, lely, lelij, lylie, Lilium candidum.

Lelijk; onsiene.

Lenitas, zacht laxerende werking.

Leraren: leeraers.

Lethargie, slaapzucht: litargiam.

Leucolosleumancia; waterzucht van witte slijm die door het hele lichaam verspreid wordt.

Leugenachtige: logentlike. Leugen: logen.

Leuven: Loven.

Levermos: epatici.

Leverkruid: boelkenskruyt, Eupatorium cannabinum.

Lezen: lesen.

Lichaam: lighaen, lichaem, ook voor loop.

Lickent, licket; polijst het, licksteen, glazen staaf gebruikt bij het polijsten.

Lid: gleych.

Lieden: lien, lyen, luyden.

Lieflijk, liefghetal.

Lienterie, lientiria; ontlasting van onverteerde spijzen, vochtige loop is Diarrhoe en met bloed Dysenteria, los lijvicheyt.

Liesten; omlijsten.

Lijnsaet, lizaet, lynzaet, lindsade, lijnzaad, Linum usitatissimum.

Lijden: lyen, lien, lamenteren.

Lijn: linen, Linyen.

Ligplaats: legerplaets.

Liguster vulgare: keelkruydt: monthout.

Limatura; vijlsel.

Linnen: lijnen.

Lijkt me: duncket my.

Likdorens: lijckdorens, lickdorens.

Linker, lucteren: slincker, luchter.

Lipende ogen, leepogen, aegilops, een perforerend abces aan de binnenzijde van het oog.

Lispelen: lispen.

Litargiam:, lytargirum, litaergia, litargia; dats een blaar achter in de hersenen.

Litargia, litaergia: slaapzucht.

Littekens: litteyken, lickteeken, lyclaen. Littekenvorming is cicatriseren.

Lof: love.

Londen: Lonnen

Longen: longeren, longher, ook loose.

Lont: lemmet.

Lood: Plumbago, Bley, loet.

Lood, gewicht, een 7gram.

Loog: loege.

Look: loeck, loec, loock, loke, loock, huysloock, boeren theriakel. Allium sativum.

Loop: loep.

Lopende gaten als fistula: fistilen, fistelen.

Loys evel (sinte); ziekte aan de benen bij Yperman.

Luchten: lochten.

Lui: leuy.

Luik, Leodiensis.

Luizen: luysen, lusen.

Lupinen: vijghboonen.

Lusteloosheid; apathie.

 

M.

Maag: mage, maghe, maegh.

Maagd: maegt, maget.

Maag zuiverend: stomaticef.

Maak: maect, maeckt.

Maar, mair, maer, mer.

Maatje, meuken.

Maaien: maeyen.

Maal, eerste keer: eerstwerf.

Maden: maeyen.

Maag: maegh, van achteren met een vleysch: Alvlysch of schoon vleysch.

Mael; oogziekte, vlekken op het oog.

Macersucht: de ene of andere huidaandoening, melaatsheid, mazelen, enz

Maiorana, maiorane, Origanum majorana.

Maagdenwas: klaar was uit pasgebouwde raten die nog met honig nog met de eieren van de bijenkoningin in aanraking gekomen zijn en daarom als maagdelijk en bijzonder krachtig beschouwd werden.

Machtiger: machtegher.

Mag: mach, meught.

Macht; geslachtsdelen en lies.

Mager: magher.

Magneet: seylsteen.

Malum mortum, een soort van kwade schurft waarvan de leden dor of droog worden.

Mandel; amandel; Prunus dulcis.

Mandragora; Mandragori, mandragra, mandragora testiculus: de wortels van mandragora, alruin vertonen een vage gelijkenis met het menselijk lichaam. Men onderscheidde een mannelijke en een vrouwelijke vari奏eit. De toevoeging testiculus wijst erop dat hier de mannelijke vari奏eit bedoeld is, Mandragora officinarum.

Maniam; waanzin, zinsverbijstering.

Manieren of soorten van: manaer.

Mannelijke: manlike.

Manlijkheid: manlicheyt.

Marjolein: marioleyne.

Mars; alchemistenterm voor ijzer.

Marsepein: marcepynen.

Matelieven, matelyue, mateliven; madelief, Bellis perennis.

Matig: zimlich.

Materfelloen, matrifiloen; Centaurea jacea.

Matten; brij dat lijkt op geklonterde melk.

Matroos: maetroos.

Mechelen: Mechliniense.

Medelijden: compassie.

Meekrap: meekrapp, rotte, mede, meede, Rubia tinctorum.

Meer: lac: leke, lake, lek.

Medicijnen: medecijn, medecinen. Dokter: medicijn, meest met een hoofdletter.

Mei boter: meysche boter, mey boter.

Meidrank: apozema.

Meid: meyt.

Melaatsheid of huidziekte: lazerie, lazerscepe, lazarij, laserije, laser.

Melde: milde, al goede,  Tota bona of Bonus Henricus, Chenopdium bonus-henricus.

Mellicratum, wijn met water en honing gekookt.

Melloten, millelote, melliloti; Mellilotus officinalis.

Melk: melck, lac.

Meloenen: melonen, Cucumis melo.

Menen: meynen.

Meng het: minghet. Meng: mingt.

Menie; rode kleurstof.

Menisoen, menizoen, menysoen, merisoen, merysoen; buikloop, al dan niet bloederige stoelgang; in dit laatste geval wordt dikwijls rode toegevoegd.

Mening: gevoelen.

Menigmaal of vaak: menichwerven.

Menigvuldig: menechfout.

Mening, bedoeling: meneghe.

Mens: mensche.

Menstruatie: menstrua, menses, maen achter de kerck.

Merk; gewicht voor goud en zilver, een half pond tot acht ons.

Mercurium, mercurius; kwikzilver.

Merg: morg.

Merel: meerle.

Merien melck; mel van een merrie.

Merlijn: Merlyne, Merline.

Merken, op te merken: maercken.

Mes: kniven.

Met: mitsgaders.

Meteen: mttien.

Metridaat: metridatum, naar koning Mithridates die een tegengif uitvond.

Middels, middelt.

Middelste: middelder.

Mierikswortel: peperwortel, meradigh.

Migraine: emigraneam: dats pijne in deen helft van den hove. In de helft van het hoofd heet Hemicrania of schelen hooftsweer.

Milsa; wijn en honing tezamen gemengd.

Milt: milten: melten

Minnaars: minners.

Misbruiken: misbruyken.

Misdaad: mesdaet.

Miskwam: mesquame.

Misselicke; kwaadaardige.

Misselijkheid: meslicheyt.

Mits: mids.

Mistroostige: mistrostigen.

Moedervlekken, moermael, ook een gezwel op open wond aan een been.

Moeilijkheden, tribulatien.

Moerasachtig: broeckachtige, mersch.

Moerbei: moerbesyen.

Mola: klomp vlees in de baarmoeder.

Mond: mont.

Monnik: monick. Grauwe monniken of Cordeliers: grau monicken.

Moord: moert, moerdener.

Morbum caducum; vallende ziekte.

Mormael; gezwel of open wond aan de benen, soms ook een moedervlek.

Morfeem: morpheam. Morfeem albam zijn witte plekken in de huid.

Mortier; matyr.

Moskee: mosquees.

Moskou, Moscovien.

Most; gistende onge wijn.

Mosterdzaad: mostaertsaet.

Motten: schaben.

Mozes: Moyses.

Mummie: mumia, geensmiddel van dode lichamen.

Munt, ment, aelment: een soort munt, wellicht hofmunt, een soort van het geslacht Mentha.

Mus; vlezige delen, spieren.

Muscaet, muscata, muschaten, Myristica fragrans.

Muscus; muskus; afscheidingsprodukt van de geslachtsklieren van een mannelijk muskushert of muskusrat, moskeljaet.

Mussilago, het uitwringen, mussilagine; uitgeperst sap.

Muizenoor, muysoren, muijsoren. Hieracium pilosella.

Muizendoorn, vriesen wonden, vriesen wonden, vries uuonde, Ruscus aculeatus of Hylotelephium telephium.

Mussen: mosschen.

Mutsjes: mudsaerdekens.

Murw: morw, mors, moru, morwe, moruet, muruet.

Muscilago; een vetheid die niet uittrekt.

Muilezels: muylen.

Muis: muys.

Must: maetsue.

Muziek: musijck.

 

N.

Na, erna: nae.

Naakt: naeckt.

Naam: naem.

Naar: nae.

Naar beneden: neerwert.

Naarstigheid: neerstigheyt.

Na-ijver of eerzucht: eergierigheyt.

Nachtschade: nachtscayen, naschade, nascadren, nachschaden, Solanum nigrum..

Nachtmerrie: nachtmerrye, Incubi en Succubi, nacht hengsten.

Nageboorte: velleken: palgel, burden.

Narigheid: naradicheit.

Nate; maak nat, natter; maak er mee nat.

Natuer; sperma.

Natuurlijke: natuyrlicken.

Nauw: nau, naeuw.

Nauwheid: nauwycheyt.

Nauwelijks: naeulix, kaum, kum.

Navolgende: navolghende.

Nekrosis of versterving van de nieren.

Neemt: neempt, nempt, nemet.

Nekhaar: fasse, fas.

Netelen, Urtica urens, Uritca dioica en Roomse netel, Urtica pilufera.

Net verteld: voergheseyt.

Neuken: queesteden.

Nitrum; zoute salpeter.

Nolimetangere; moeilijk te genezen soort zweer. Ook wolf fistel.

Neus: nose, noese, nase.

Niemand: nyeman.

Niet: nye.

Nieren: nyeren.

Niergruis, graveel, gruys of calculosis.

Niet: nie, nyet.

Niezen: niesen.

Nieuws: niemare, nyemaer. Verhaal: mare.

Nimmermeer: nemmermeer.

Noodzakelijkheid: nootsakelickheyt.

Nodig: nootwendigh.

Noemt: nennet.

Nog: noch.

Nooit: noyt.

Nut algemeen, oirboir.

 

O.

Of: oft.

Ogen: ooghen, oghen. Witheyt van den ogen die albugo heet.

Oksel: oxelen, eghernis, eegernis.

Olie: oly, oli, Olea sativa. Olijf: oliven, olyven. Oleum of olye uit olijven.

Olifant: oliphant.

Omdat: mits.

Omdraaien: omdrayinghe in die ooghen, dats Vertigo. Schijnsel van vliegen in de ogen, schinsel der vlieggen in de ogen, dats scotomia.

Omhoog: ubersich

Omkeren: omkeringhe.

Omvangen: omvaen.

Omwindsel: scheyde.

Omzetting; transpositie.

Onbekend: onbekent.

Ongans; ongezond. Onganshede; ongezondheid, ziekte.

Onderbuikspijn: lanckevel.

Onderdanig: onderhorigh.

Onderhuidse zweren: ondercoten.

Ondertussen: ter wijlen

Onderzoek: experienci.

Ongeduld: onverdult.

Ongesteldheid: ontsteltheyen, ongedaenheyt.                                                         

Ongewassen wol: wolle met der yecken.

Onguur: onghier.

Onkuisheid: oncuysheyt, unkueshede.

Ontelbaar: ontallick.

Ontstaet; stelpt.

Ontstelt; verkleurd.

Ooit; ye.

Orenelinge; naam van een oogziekte waarbij een vlies vanuit de ooghoek (hornine) geleidelijk een gedeelte van de pupil bedekt.

Onthouding: abstinentie.

Ontvellen: vlagen.

Onreinheid: onreynicheyt.

Ontspanning: relaxacie.

Ontvangen: ontfaen.

Onschuldig: onnosel.

Onsmakelijkehid: onsmaeckelickheyt of smettigheyt.

Ontstekingen, inflammatien.

Ontsteltenis: onstelcenisse.

Ontstellen: barenteren

Ontvangen: ontfaen.

Onveranderd: unverseret.

Onverwacht: onversiens.

Onvruchtbaarheid: onvruchtbaricheyt, unperhaft.

Onzichtbaar: onsienlicke.

Onzuiver: ompuere.

Oogzalf: colirium.

Ooghoek: werner.

Oogst: oegst.

Ooievaar: odebar: oeyvaer.

Ooft: oeft.

Ook: oec, oeck, ock.

Oordelen: ordeele.

Oorsprong, van water, conduyten.

Oorsuizen: doeselinge.

Oorzaken: oirsaken.

Opblazingen: opblasinghe.

Opeenhoping; accumulatie.

Opgeblazen: opgheblasen.

Opgelegd: opgheleit.

Ophtalmia, oogontsteking: obtalmia.

Oplossen: zerlassen, solvere, solutijf.

Oppervlakkig defect van de huid of afvallen van de nagels: excoriacie oft afvillige des nagels.

Opklimmen: opclimminghe.

Oplossen: resolveren.

Oprispingen: oprupsinghe.

Opwaarts: opwaert.

Opzwelling, fluxien.

Orchis: klootjeskruyd, satyria, standelkruyd, handekenskryd.

Orde: ordre.

Oren: ooren.

Os de Corde cervi, been uit het hart van een hert.

Oude: outs, ouwen, ou.

Oudheden: outheyets, outheyt.

Overdag: overdach.

Overeen; oer eyn, over ein.

Overeen komen: concorderen.

Overlangs; verlanse.

Overvloende; overtollig.

Overspel: kevesdom.

Overvloedigheid: overvloedicheyt, overvloedicheit, overvloedich.

Overvloeien: over vloyen.

Overzetter: oversetter. Overzetten: versetten.

Oxisacar; een samenstelling die gemaakt is uit suiker, granaatappels en azijn.

Oxymel; azijn en water tezamen gekookt waar Helleborus een nacht in geweekt heeft. Of een syroop van honing en azijn.

 

P.

Paard: paert, wreen, ruyn, merrye. Strijdpaarden: orse.

Paardenbloem: papenkruyt, kanckerbloemen.

Paddenstoelen als kampernoelje: fungen, dats comperlolien, fongen, campernoelyen, aertbuylen, Tubera terrae, duyvelsbroot.

Paleis: palleys.

Paling: ael, palinck.

Paleizen: palleysen.

Panaritum: scherpe blaar aan de nagel: pannoricium.

Panum, pannum of duisterheid van de ogen.

Panne; pen, veer.

Papaverzaad: oelsaet, heul, papauer, olibladen, bolsaedt, Papaver somniferum. Om te bollen, kinderen in slaap te krijgen.

Parels: perlen, paerlen.

Papuloen, popel, popelen, pople, popolioen, unguentum, populier, zalf van Populus nigra.

Paralisis, herba paralysis, is tegen M. S. en hersenbloeding, Primula veris.

Parasisim, Latijn arthritis; gewrichtsontsteking, jicht.

Paritarien, glaskruid, Parietaria officinalis.

Pasteien: pastyen.

Patella; schotel.

Patrijzen: perdrisen.

Paviljoen: paveloen, tent

Peels lappe; stuk pels.

Penis; Rode; roede, veden, wede.

Pentafilon, quinque folium,  wyffbladeren, vijfvingerkruid, Potentilla reptans.

Peen: roode peen en caroten, Daucus carota. Witte peen of pastinaken, pasternaken, Pastinaca sativa.

Pees: pistel.

Pees, navelstreng, peserick.

Pek: peck.

Pen: penne.

Penningmeester, tresorier.

Percussatiuum, percussativum; een geneesmiddel dat de huid doorboort.

Per keer: smaels.

Perzen: Perssen.

Perzik: perseken, persekers, persen, perkers, Prunus persica.

Pessaria, pessus, pesiarie.

Pest: pestilentie, morbus, Pestis, Pestilentia.

Peterselie: peterceleye, petercely, petercilie, perssine, persyn, percellen, peercel., peterceli, Petroselinum. Grote peterselie van Macedoni of Alexandri; Smyrnium olusatrum.

Peter olie; petroleum; steenolie.

Phoenici, Fenici.

Phrenitis, hersenontsteking: frenesie, frenesye, uytsinnigheydt.

Pituitam ; witte slijm

Pioen: pionie, peonye, pioen Paeonia officinalis.

Pijn: pine.

Pijnboomzaden: pingels.

Pijnen, kwellingen: tormenten.

Pinksteren: Sinxen.

Pissenbedden; seugen.

Pistache: pistacyen of fistcien, Pistachia vera.

Plaats: plaetse, plaetschen, steden, stat.

Planken, berders.

Planten: pelzen.

Plassen: pissen.

Plas: zeik: siech (mogelijk naar de plas kijken om de ziekte vast te stellen)

Plavuizen: pluyvuysen, plavuysen.

Pleister: plaester, vaak van gyps, Emplastrum.

Plekken: plecken, pleckinghe, masen.

Plinius Caius Secundus of Maior. (23-79na Chr.) Zijn beroemdste werk; Naturalis Historia, een encyclopedisch werk over de natuurwetenschappen

Plotseling: schielinck, schielick.

Pluimen: pluymen.

Pluksel; stof uit hennep, werck, wercke, werke.

Poeder: poier, poyer, bulver. Verpoederd: gebulvert.

Pokhout: pochout. Guiaicum.

Polipum; poliep, aangroei in de neus.

Poorten: poerten.

Pijlen: quarele

Poisoen; soort drankje.

Polei, poley, poleyden, polioen, poleye, Mentha pulegium.

Polen: Polacken.

Polsen: polcen.

Pond: pont. Dokters pond is 376, 4 gram, een pond van de kooplieden bestaat uit 16 ons, 23, 5 gram, bij dokters uit 12, is 31, 2 gram, per stad verschillend, pond is drie drachmen, is 3,9 gram, een drachme bestaat uit drie scrupels, is 1, 302 gram, scrupel is 0, 433 gram.

Pooier; poytier.

Popelsie, popelsy is trillende leden, hersenbloeding, Multiple sclerose.

Portugezen: Portugysen.

Pot assche; potas, pot test, beide woorden zijn gelijk; pot.

Praktijk: practijken, practiken.

Prei: parye, poerloeck, preiloock, poreyde, poreye, Allium porrum.

Priapismus of Priapis stuipen, seksaandrang.

Prickolen; prikkelen,

Priemtijd, 6 uur, primetijt, priimtijt, tijd waarin de primen gebeden werden.

Primula veris: herba paralysis.

Prins: prince.

Proef: prouf.

Profeet: propheet.

Profijt, voordelig: proffitelicheyt, proffiteliker, profeijt.

Prognosticatie of voorspellen van de uitkomst van de ziekte.

Proloog: prologhe.

Propolis komt van de fijne gaatjes van een bijenkorf, was.

Prijzen: prisene.

Pruimen: pruymen, Prunus domestica.

Pterygium of ordeolen, dat is een lange blaar op het eind van de ogen.

Pthisicus, ptisike, tisike: ziekte waarbij de ヤleden dy werstoruen synユ phtisis, tering.

Puikje: puyckje.

Punt: pount.

Puisten als anthrax: puysten als antrax; pestkolen

Purgeert of laxeert; purgatyen, purgirt; zuivert.

Pusoen, wondendrankje.

Putrefactione; verrotting.

 

Q.

Quartaen, quartein: vierdedaagse koorts, een vorm van koorts waarbij een onderbreking optreedt elke derde dag.

 

R.

Raad: raet.

Raag: raegh.

Raakte: roch.

Raap: raep.

Raapzaad: dryakelen, Brassica napus. Rape crut, blad van raap, Brassica napus.

Rabarber: rebarber, rebarberen, reubarbers, rubarbarem, Rheum ponticum.

Raden, raadsel; coniecture.

Raphanus, of mieriksworte, Armoracia rusticana of radijs, Raphanus sativus.

Ranzig: garstig.

Rapuntzel: repontijck.

Rauw: rou, raeuwe.

Recht: slecht.

Rede; koorts, rede sucht; koorts ziekte. Ridinghe; aanval van de rede; koorts.

Reghers smout; vet van reiger.

Reinigt: reyniget, reynt.

Rein, zuiver: lauter.

Reinigende kracht, abstersieve, abstertijf.

Reinvaarn: reynvaen, reinvane, reyneuaen, reinewaen, reynuaen,  reyneuaen, reijnvaen, reinvaan, reinvaarn, Tanacetum vulgare.

Reis: reyse, wandert; reis, zwerft..

Repurcussie, repercussiue; geneesmiddelen die plaatselijke ongevoeligheid tot gevolg hebben.

Resolutiue, resolutoen; geneesmiddelen die zwelling doen verminderen.

Retour: restour.

Reuk: ruecke, ruec.

Rijpen: ripen. Rijp: zeytig.

Rijst: rijs.

Ring: rinc.

Roede: royen, mansruot of gezuugel.

Roegerrijn of Rogerinus of Rogerus van Parma of van Salerno leefde in de 13de eeuw; hij schreef een Methodus medendi waarin hij Albucasis plagieerde.

Roelant of Rolandinus van Parma was een leerling van Roegerrijn en schreef een supplement op het werk van zijn meester; Libellus de Cyrurgia met de beginwoorden; Post mundi fabricam.

Roeren; aanraken.

Roeren: ruerende, ruerent.

Roeit uit: royet uut

Rode: roye.

Roodheid: rootheit.

Rode bloedgang: rote Ruhr, roet merizoen, rood melisoen, uit roy mユeleeson, koning ontferm u me, gebed van oude christenen en heidenen.

Roerkruid: ruyr kruyt, Gnaphalius of verwante droogbloem.

Rond: sinbel.

Rood: roet.

Rook: roeck, roec.

Room, van melk, saene, zanen.

Rooms is Romeins: roems.

Roos van het hoofd: scellige van den hoefde.

Rottende, putrificeren.

Rozijnen: rosinen. Krenten of passule of corinthen.

Rubrica; rode verf, menie om rubrieken in handschriften aan de brengen.

Rude; verzamelnaam voor allerlei huidziekten, rudichde, rudicheit.

Ruig: ruwweg: ruy.

Ruiken: reuck: ruycken.

Ruit: ruten.

Ruiter: ruyter.

Ruggengraad; rug graet: rachis, dat is graat of doorn naar zijn uitsteeksels.

Ruptura tipharis: scheur in het ti(m)panis, dat is het trommelvlies?

Ruscus aculeatus: brusci.

Runsel, rinsel; stremsel.

Rustende: rustieren.

Rusten: ruwen, ruoen, ruot, ruowt, rasten. Rust: ghermet.

Ruta graveolens, ruit; ruten, ruttse.

Ruwweg: bottelinc.

 

S.

Saffier: saphyr.

Saffraan: soffraen, sofferaen, seffraen, sefferaen, saffrans, Crocus sativus.

Salade: salaet.

Salvia officinalis: saule, saluia, savie, saelie, sali, sagie, sailge, salye.

Sal armoniacs, salmoniach, sal armoniac(i), sal armonia(e)ck, salmiak, ammoniumchloride.

sal gemme, sal gemma: steenzout.

Salsum flegma: gezouten fleuma: het levensvocht (flegma) in een speciale toestand die de aanleiding vormt voor  ziekteverschijnselen.

Salt; zout.

Samen: sampt, saen.

Samen binden: constringeren.

Samengaat: vergeselschappende.

Samengesteld, verzameld: vergadert

Samengesteldheid: complexie.

Samenzwering: sameninge.

Sanguin; bloedrood, sanguyn, sangwyn. Sanguiineis sijn bloedighe luyden= volbloedige, dat zijn driftige lieden, sanguinisch.

Savelboom, sauenboem, sauelboem, Juniperus sabina.

Sanen; room van melk.

Sap: zap, sop.

Sarcophaag: sarck.

Sapo gallicus; witte of harde zeep.

Sarcocolla; gom van Astragalus sarcocolla, sarcorolle.

Sausen: saasen. Sausir, zaucier; sauskom. Sausicken; kleine kom.

Scabiem; scabies; schurft.

Scabiosa, scabiose, Knautia arvensis.

Scaerley, scharlei, scaerleye, Salvia sclarea.

Scheur; scare.

ユs Avonds: tsavonts.

Schademael, scotema; het komen en gaan van zwarte of troebele vlekken voor de ogen.

Scheepeel; maat voor droge waren, zoveel als men met een schop eenmaal kan scheppen.

Schaafsel: scavelinghe.

Schade: scade, scaeyen, schaet.

Schaduw: scaye, lommere.

Schalksheid: scalcheit.

Schamen: barenturen.

Schare: drochtijn.

Schat: tresoer.

Schaamdelen: scaemlechyet, heimelecheyt.

Scheen: sceen.

Scheepslui: scheepvaerders.

Scheerde: raserende.

Scheurde: scoerde.

Scheerling: scherlinx.

Scheidden: verschieden.

Schemerige ogen, cataracta al of men seyde waterval.

Scherpe: scerpen, scerper, serp. Scherpte: serpicheyt, scerpicheit.

Scheurbuik: scheurbuyck, Grieks stomacace wat mondenstront betekent naar de geur, Scelotyrh betekent scheurbeen naar de pijn die ze in hun been voelen, en buik omdat die soms vaneen scheurt, blaeuschuyt naar de blauwe vlekken,

Schijten: sciten, cacken.

Schicht; pijl.

Schelle drope; oogziekte.

Schijtwit: sciterwit.

Schil: schelp.

Sclirosis, verharding.

Schildknaap, bediende: garsoen.

Scilt veruen: verdigris, kopersubacetaat, aerugo.  Sciltvarwe, een oud geneesmiddel.

Schorpioenen: scorpionen.

Scorfde, scorftheit; schurft, soort van huiduitslag.

Schoonheid, bevalligheid; abelheit.

Schors: scorsen.

Schudden: scuddinghe.

Schuld: scout, vandaar schout.

Scrofeloen; klieren, scrophule. Scrofulen, opgezwollen lymfeklieren: serofulen= scrofulas.

Schurk: vileine.

Schuwt: schout.

Schrijven: scrijven, scriving, scriven, scrijft,

Schrijvers: scribenten.

Schudden: scuddinghe.

Schuldig: schuldig.

Schurft: scorftheit: scorftheyt, scroftheye, scorftheien of Tineam. Rappig, Rappicheit is schurftachtige uitslag.

Schuwen: scuwen, scouwen.

Scrupel, 1, 302 gram, scrupel, serupel.

Secundina; nageboorte.

Seenen; stuifsel,

Selderij: ionffrou merck, eppe, Apium gravelens.

Sems leder; zeemvel.

Senna: sene, seneth, Cassia senna.

Serpigem; ruwheid van de huid die scherp is en hier en daar kruipt.

Senep, senip, sennip, sennep, witte mosterd, Sinapis alba, zwarte Brassica nigra.

Sent; sinds.

Sichte; ziekte.

Sie; het gezichtsvermogen.

Sier: chier. Sieraad: cieraet.

Sier: opschik: pomperye.

Siler montanum: seselikruid, bergeppe, Laserpitium siler L.. silicis (aqua -): 703, 748 Latijn water bereid uit siler montanum.

Siroop: syroep, sijroep.

Sla: lattich, lachtich, latouw, Lactuca sativa.

Slagen: slaghe.

Slacht; slaet.

Slaan: slaen.

Slagagaderlijk; arterieel.

Slakken: slecken.

Slecht; klein, 2, lichtjes, 3, buiten gebruik gesteld.

Sleedoorn: slehen, sleen, sliene, leyen, sleedornen, Prunus spinosa.

Sleutelbenen; omdat ze de borst toesluiten.

Slijmerigheid: gesmyigheyt.

Slijmachtig; mucilagineuse.

Slijpen: slypen, slyp, slijp; wat door een slijpsteen afgeslepen wordt.

Slim: loos, loosheyt.

Slim; slym: doorschijnende stof, bereid uit kalfs- of schapenvellen

Sluiten, sluten, sluuten.

Sluw: saluw.

Smaak: smaeck.

Smeedwerk: ghesmijde.

Smout van ghelase; glasschuim.

Snel; zaen.

Snel: rat.

Snel: rassigheyt, varinc.

Sneeuw: znee

Soepen: supenen.

Solidago: heydens wondkruyt, ook Sene sarracenia.

Soldaten: soudenieren.

Sユ morgens: smergens, smerghens.

Sommige: sommighe, zommege, sommege.

Sonderlinghe; vooral.

Soms: som.

Spade; laat.

Spanjaard: Spaengiaert.

Spanning van been: ghebannen der been.

Specerijen: specien.

Speeksel: zever.

Speerwortel, Dracunculus vulgaris, ook Bistorta.

Spelonk, duwiere.

Spelltjes: spellecheide.

Spreken: perlament.

Sperma: spma; zaad.

Spica nardi, spich, spikenard, Nardostachys jatamansi, Valeriana celtica.

Spier: musech.

Spierkrampen, gespasmeerde.

Spiet; spuwt.

Spijs: spisen.

Spinazie: spinagie, spinagye.

Spodium is gebrande ivoor.

Spons: sponcie, spongye, spongi.

Sporen; gedijen, groeien.

Springet, springhet; strooi, sprenkel.

Springend vuur: springend vyer, wilt vyer.

Spuiten: speuten.

Spreekt: spreckt.

Spruw: sprouw.

Spunne; moedermelk.

Spuwen: spouwen.

Squillen, zeeui, Urginea maritima.

Squinancie: is een blaar in de keel, keelontsteking, squynancye.

Sri Lanka: Zeylon, Zeilon.

Staande: rampant.

Staat, stop: staet, steet.

Staart: zagel, schwanz.

Stamppot: pottagie.

Staphyzagria, staverkruid, Delphinium staphisagria.

Stappans, staphans, staphant; dadelijk.

Steeds: staegh, gestadigh.

Steekt, stick, stect, heck, hekt.

Steenbreek: steenbreeck,

Steenwerper: pederier.

Stekelbes: stekelbesyen of croesbesyen, cruysbessen, Ribes uva-crispa.

Stelpen: stempent, stempen, stemp.

Stem: stemme.

Stemrie; stramien.

Sterk: sterckelick, sterckelijc. Het sterkst: sterckxt.

Stevig: gelijvigh.

Stijfsel: colys

Stijven: stiven, stivigheyt.

Stinkende: stinckende.

Stinkende gouwe: gouwortel, Chelidonium majus.

Stoechas: sticados, Lavandula stoechas.

Stof fijne: sindaal.

Stoot: stoet.

Stoppend, astrictie, adstrictie.

Storing, ongeregeldheid, verwarring; turbatie.

Stotteren: keeckeren.

Stoving: stoffing, fomentum, somentacie.

Strottenpijp: strootpijp.

Strottenhoofd of Lareynx.

Stroet; strot, hals.

Stronken; stengels, strunck.

Strijd: wijck, wijch, kamp.

Strijder: wigant.

Strijdbijl: gysarmen.

Strijk: strijckt, strikende. Strijk het eruit: striket rhoet.

Strijksel: epithima.

Stront: gerben.

Stranguriam; een pijnlijke urinelozing.

Stuipen: freyscham

Stuk, voorstel, propoost.

Sublimeren; doen neerslaan van de damp.

Suiker: suker, suycker, zukar. Fijne suiker: penyt suker.

Sumach, sumac: smack. Rhus coriaria.

Suppoost, suppoeste.

Suikergoed: tregie.

Swartcole; houtskool.

Syncope: sincopium: dat is in onmacht of van zichzelf gaan.

 

T.

Taaie: taye, zehe.

Taarten: torten, coeken.

Tandpijn. Tantzweer, tantswer, tantsweer, tantsuere, tantsuere.

Tanden, voortanden, lachtanden omdat bij het lachen te zien wijn, daarnaast aan elke kant horentand: hoorentant of hontstant of ooghtanden die in de oppperkaak staan waar zenuwen in uitkomen die met de ogen bewegen. Kiezen: kiesen of moletanden die als molens malen, staan diep in de mond: backtanden, de laatste twee zijn wijsheytstanden die groeien als de jeugd voorbij is en wijsheid aankomt.

Tartarus, tartarum, tarterum; wijnsteen, ook moder, moer, wynsteyn, wynsteens.

Tarwe: teruwen, weit, Triticum vulgare. Weiten blomme; bloem van tarwe.

Tasjeskruid: teskenskruyd, Capsella bursa-pastoris, kleine; Teesdalia nudicaulis.

Taxis baccata; ywys, ywi, yw, ief.

Tbeet; des te beter.

Tedeke; aardwormen.

Teest, test, teeste; pot.

Te gaet; vergaat.

Te laden; ophopen.

Tegen: teghen, wider.

Tegengestelde: contrarie.

Tegenwoordigheid: jegenwordicheit.

Tekens: teykens, teeckenen.

Tenasmonem: tenasmonen: een appetijt van schijten zonder doen= loze aandrang krampen.

Telkens: telcken.

Tering, Ftisis: teringhe, teeringe.

Verteren is verteringe.

Terpentijn: termentijn, terepentina, terpentyn, terbenthyn, terbetina, terbutina, terbentine, terbentyn, terbentyns, Larix europaea en Pistacia terebinthus.

Te varen: verdwijnen.

Thans, thant; dadelijk.

Teug: toge.

Tevergeefs: tevergheefs.

Tezamen: te gader.

Terciaen cortse; derdedaagse koorts.

Thucia: thutie, tuthia, tuthie, tutie, Niet, Kleime, Oogniet. Tuchia, pompholyx, tutia, Nichtes, zijn fijne vonken van de koperovens en de grovere vonken heten Spodium, Nil griseum, Grauw Nicht.Ook het sap van stinkende gouwe heet zo, gemengd met honing en poeder van rozen en gebruikt om het gezicht te versterken.

Tijd, tyt.

Tinea is een huidschimmel waarvan tinea amiantacea een asbestachtige schilfering van de hoofdhuid geeft.

Tijm: thijm, thym, quendel.

Titimalle. Een Euphorbia soort.

Tormentille, tormentil, Potentilla tormentilla.

Toen: doen.

Toegevoegd; additioneel.

Toestaan: gelengen.

Toevallen: symptomen.

Toevallig, accident, accidenteel

Toilet: ter cameren, kamerganck.

Tot het: toet.

Toestemmen: consenteren.

Torsioen, torsione; kramp.

Ten tweede: ten tweesten.

Teug: toeghe.

Toeval: accidencien.

Tonst; tot het.

Toorn: toren. Toornig: toernech.

Topjes: soppekens.

Traktaat: tractaet.

Tranen: lacryma.

Trekken: treckinghe, recken.

Troebelen: tribulantie.

Trosisken, trosissen; bolletjes.

Tropen: Tropicus. Zona Torrica wat brandende zone betekent en Zona Frigidae wat koude banden is.

Tracheam arteriam; de weg in de keel naar de borst.

Translacionis maertini:. het feest van de H. Martinus, gevierd op 11 november.

Treit, treite, treiten, treyt; trekpleister.

Trekt: zeucht.

Trillen: populsien.

Tuiten of ruisen: tuytinghe en ruysschen.

Turkoois: torkoysen.

Tussen: tusschen.

Tweede: tweetste, tweden.

Twee maal: II werven.

Tweevormig: twerley, tweederley.

Twint; niet het minst, hoegenaamd niet.

Twijgen, takken: ryserenen: roijen, telgeren, fijferen, rijskens, esten. astel.

 

U. UU is W, alleen een w is uit.

U: v, tou.

UE: u edele.

Uilen: uylen.

Uit: wt.

Ui, eijwijn, sibollen, ajuynen, Allium cepa.

Uit: uut, uuy, uyt, uuijt.

Uitgaan: uutgaen.

Uitgezonderd: sunder. Wtghenomen.

Uitgewrongen; verwrongen.

Uitkerering: pruven: proven.

Uitsluiten: uut sluytende.

Uitstoten: uffstossen.

Uitrekken: uutreikinge.

Uitstel: verse.

Uitspuwen; ut, vt keren.

Uitvaart: uyytvaert.

Uitvallen: uutvallen, uutvalling.

Uitverkozen: verkoren.

Uitvoerig: wijtloopigh.

Uitwassen, uitgroeien, excescentien. Uitwas, gezwel, vinnen.

Uitwerken: uytwercken.

Umbelicus veneris; Cotyledon umbelicus.

Unguentes; zalven. Unguentum nigrum; zwarte zalf. Vnguentes.

Urine: orinen.

Uur: uyre.

 

V.

Vaak: oft, dickmael, menechfuden.

Vaal, bleek; wael.

Vaars: verre.

Valeriaan, valeriaen, valeriane, Valeriana.

Van: af.

Van waar; wane. Want, wantet, vanthet; tot het.

Vanwege: midts, mids, overmidts.

Varen; vaern, waern.

Varken: vercken of porcus. Zeug: sogh.

Varkensbrood, verckensbroot, Cyclamen europeanum.

Veegt: vaghet.

Veel: dick.

Veelvormig: veelderleie.

Vegetabilia: aardgewas.

Vel: feel.

Veertjes: veerkens.

Venijnige: fenijnde, ghefenijnde, gefenijnde. Venijn: fenijn.

Veranderen: verwandelen, verkeren.

Verband, doek: doucke, wieke, porpointe.

Verbergen: verhelen.

Verbrand: verbeert. Verbranden: verbernen, verberne, verbernesse, verbrand ze, verbernet, verberntheden, verbandheid, verberrense, verbranden ze.

Verbijt hen, bestrijdt hen; verbiten.

Vergenoegen: vernougen.

Verdeeld: gedeylt, ghedeylt.                 

Velletje, moederkoek: velleken.

Verbeteren: corrigeert.

Verbeurd: verboert.

Verbiedt: verbyte.

Verblijden: verblien, fraud.

Verbolgen: barentiert.

Verdriet, vermoeienis: vernoye.

Verdrijft: verdwinende.

Verdrijving: verdriven.

Verdunning of verzachting, extenuatie.

Verdwaasd, stuefactijf, maakt een misselijkheid of slaperig water in het lichaam, verdoesinghe.

Verdwaald: verdoolt, woet; doolt.

Verdwijnen, verschwinden.

Vergaan: vergaen.

Vergaarde: vergheerde.

Vergenoegen: vernuyght.

Vergiftig; venende, veneden, venijnde,

Vergroot, verruimt; vergroit.

Verjaagt: veriaghet, veriaecht.

Verhalen: jeesten.

Verhard: verherd.

Verharding: ondercootten.

Verheffing: verheffinghe.

Verhelderen: verclaren. Gezuiverd: gheclaert, gesuvert.

Verheugen: frauwen, fraut.

Verjus: sap van onrijpe druiven.

Verflauwt: flauwet.

Verkocht: verkost.

Verkoelt: vercoelt, vercouwene, vercolt, vercoltheiden; koude.

Verkoudheid: vercoutheit, sinckingen, catarrhen is meer ontsteking van het slijmvlies en vooral van hoofd en keel.

Verkrampt: vercrauwet.

Verkwikt: verquickt.

Verlof: oorlof.

Vermengd: vermuschet, gemuschet. Confundeert, confendre.

Vermoeiend: moyende. Vermoeienis: moyenesse.

Vermiljoen; vermillion.

Verkwikt; verquict.

Snel; verringe.

Vernield: gedestrueert.

Verplaatsen: verporren.

Verrijzen: verrijsen.

Verrekken: vertreckinge.

Verschillen, verscheidenheid: verscheydenheit. Verscheydelike; afzonderlijk.

Verschroeiing; verscoutheit.

Versmadende, afstotelijke: versmayelike.

Verteren; verdwuen, verdowen.

Verrotting: putrefactie, corruptie.

Verschil: onderscheyt.

Verschillend: verscheyden.

Versierd: verciert, vicieren.

Versperd: verhameit.

Verstand: verstant, verstans. Verstandig: verstandich.

Verstandiger: vroeder.

Versterken: conforteren. Versterkt: versterct. Verstercken: stercen.

Verstikking; suffocacie.

Verstopping: verstoppinghe.

Verteren, oplossen: verceren. Verteren, verwerken, digieren.

Vertoornen: vererren. Boos: erre.

Vertrokken: vertockenen.

Vertroosten: vertroesten.

Vertrouwde: betrouwde.

Vervaarlijk: verveerlyc.

Verwanten: maghe, magen.

Verwarring: confusie.

Verwurging: verworghinge

Vervuldheid, overladenheid, van de maag, verfulheiden, veruultheiden, verwlthede wulheiden.

Verzachten, saechten, senfftiget.

Verzameling, vergadering, mengsel: vergheringhe, vergheering, vergheren.

Verzoening: soene.

Verzakking; extenuatie.

Verwayen; drogen in de wind.

Verzwelgen, inslikken, versuillighen.

Verwoede; gekke, hersen dolle.

Vezelig, harig: zasecht.

Verzoek: versueck.

Verzoeten: versueten, suetet, zuetet.

Verzwakken: krencken.

Vet: vaizt.

Vierdaagse malariakoortsen: quartan, driedaagse, tertiane, uitdrogende Hectica.

Vierde deel, van een munteenheid; vierlinc, vierdinc.

Veertien dagen; viertendech.

Vijgen: vighen, vigen.

Vijt: paronychia, reduvia, panaritium, nijdnagel, vijc.

Vingerhoed; wyngerlingh.

Vinden: gevinden.

Vijand: vyant.

Vinila is nattigheid die in de keel zit.

Viool: vyolen, viletten, violetten, Viola odorata, pensee. Viola tricolor.

Vitriool, vitrioel; rood ijzeroxide.

Hevig, violentlic.

Vijand, viant, wiant. De duivel.

Vijven: viven.

Viride eris: Spaans groen, Spaens groen, kopergroen en aerugo genoemd. Spaens wyt; loodwit, loodoxide.

Vitriool: dragagantum of vitriolum.

Vlees: vleesch, vleysch.

Vleeskleurig: lijfverwigh.

Vlees randen: vleescij.

Vlees laten groeien, incarnatijf.

Vlekken: vlacken.

Vliezen: flozzen.

Vlijt: neersticheydt.

Vlijm; vliim, vliimachtig; vlijmachtigheid, scherpte, vliimachtichede.

Vlijtige: flucxe.

Vlinder: veivalter.

Vlozaad, psiliesaet, vloekruyt; Plantago psyllium.

Vocht: vochtege.

Vochtigheid: vochticheit, vochtigheyt. Vochtig; wac. Koude vochtigheid, cou reuma, vochtigheid in het hoofd; Verkouden; zinkingen of catharren.

Voegen: begaden.

Voedt, nuttig, vued. Voeden: fuoren.

Voet: huft.

Voetboog: selfscotten.

Volgt: volcht.

Volheid: vervultheyden.

Voor: voer, voir.

Vooral of bijzonder: sonderlinge, sonderlinghe, sunderling, in sonderheydt.

Voorbeeld: exempel.

Voordelig, gunstig, priselic, profitelic.

Voorgang, voorbede, voirganc.

Voorspraken: voerspraken, voerspraek.

Voortgaande: voertgaende.

Voornamelijk: principaellic.

Voornaamste: proprieteyt.

Voor vermelde, voorseyde.

Voren: rillekens.

Vorm: fatsoene.

Vos, vulpis.

Vreest: furcht, vryse.

Vreugde: vreught, joye, vrouden, delijt.

Vriend: vrint.

Vrijen: vryage, vryede.

Vrijwel: bicans.

Vrolijk: vrolick,vro. Niet vrolijk: onvro.

Vrouwelijkheid: vroulicheyt.

Vruchtbare: vruchtbarege, vruchtbarichlijken.

Vuilheid: vulicheyt, vuyl, woelheit.

Vuur: vier, vierachtige, vyer.

Kikvors; vorsce.

                                                                                                                                           

W.

Waaien: waeyen.

Waals: Walsche.

Waarachtig: warachtych, waerachtigh.

Waard: waert.

Waardig: waerde.

Waarde: werde.

Waardigheid: weerdigheyt.

Waarheid: waerheyt.

Waardevolste, beste; werste.

Waarde, hoeveelheid; wert.

Waaruit: waer uut.

Waarschuwde: warnde.

Waarzegger: divijn.

Wachten: ontbeiden, ontbyen.

Wafels: waeffelen.

Walgen, opwellen: walling, walginghe, Nautia, Nausae vanwege de varende mensen.

Walnoot: ockernoten Juglans regia.

Wandelen: laveien, wanderne.

Wangen: liere

Wantrouwen: mestrouwe.

Warme moes, salade: wermoes.

Warme stoving: somentacie.

Was; cera.

Wasem: waessem.

Wat: ヤt welc.

Waterlozing aandrang tot: coupis, coupisse.

Waterzucht: watersucht, Hydrops, Hyderiasis, ydropisim, Latijn Hydropisis, Engels dropsie.

Weegbree: weechbree, wegbre, wegebre.

Wedewinden, wedeuuinden, wedewynden, weduuwynden, Calystegia of Convolvulus.

Wedom; pijn, smart.

Week, zacht: lind.

Weelderige: weeldege.

Weerlegd: wederleyt.

Weerstaan, doen ophouden; wederslaen, weder staet; houdt op.

Weigeren: weygeren.

Weinig: weinich, wenich, weynigh, weynich, weijnich, luttel, lutter.

Weke: weecke.

Wel, goed: wael.

Wennen zijn gezwellen wiens stof met een blaasje besloten is, atheroa of steatoma.

Welp; jonge hond.

Wenkbrauwen: wijnbrauwen.

Wereld: werelt.

Werken: wercken. Werk: werck. Werking: werckinghe.

Werktuig: wercktuygh.

Werpt uit: worpet uut.

Wind laten; vijsten.

Wiens, welke: welcx.

Wijdde: wyede.

Wijn: wine. Vitis aqua; brandewijn. Vitis vinifera. Vue, uve passe; rozijnen. Wedeasche, weedas, weet asche, ; eerst as van wijngaarden, later van gebrande wijnmoer. Wijngaard: wigaert. Druiven; wiin beyen. wiins ... van sinte iohans: wijn ingevoerd uit Saint Jean d'Ang四y in Frankrijk, de haven van waaruit, samen met La Rochelle en Niort, de meeste wijn naar de Nederlanden verscheept werd.

Wijsheid: wijsheit. Wijste: wiseste, wyseste.

Wijven: wiven: wyven. Oud wijf of kween: quene, vgl. Engelse queen.

Wild: wilt.

Wilg; wulghe, Salix alba.

Wijnruit, vynrute, wynrute, wynrut. Ruta graveolens.

Winderigheid: windechtighheyt.

Winst: miede.

Wit: wyt.

Wit brood: witte brood of heeren broot van terwe blom, met zemelen gruys broot of semel broot. Mistelluyn is gemengd brood.

Woensdag: goensdach.

Wolf; wulf, volf. Kankerachtige zweer.

Wolkruid, vulle wort, Verbascum thapsus.

Woog ze: woechse.

Woord: woerd.

Wormen in den buick die ascarides cucurbitini heeten.

Wordt: wort.

Wormen: pierwormen.

Wortel: wurtze:

Woud: wout.

Woude, wouw, Reseda luteola.

Wrang: pontiken, pontiteyt, serp. Zonder smaak is smets.

Wrocht, werkte; wrachte.Wromg: wranc.

Wratten: werten, warten, worten.

Wreedheid: wreetheyt, wraetheyt.

Wrongel: rontsel, coagulum.

 

Z.

Zaal: sael.

Zaden: zayen, sayen. Het saed: tsaet. Zaai het: sayet.

Zaak: saeck. Zaken: saken.

Zachter: sochter.

Zalf, unguentum.

Zakje: saxken.

Zal: sal.

Zaligheid: salicheyt.

Zaligmaker: Salighmaker.

Zalven: salven.

Zang: sanck.

Ze: se.

Zee: more.

Zeep: seepe, sapo.

Zeer: seere, seer.

Zeeui: squilla, scylla, zee ajuyn, Urginea maritima.

Zegt: seyt, seit, zeiden, geseit, zeet, seet, heet. Zeggen: segghen. Gezegde: gheseyden, gheseyt.

Zeker: seker.

Zenuwen: zenuen, genuen.

Zesde: seste.

Zestien: sesthien.

Zet: sedt.

Zetmeel of krachtmeel: amidong, amidium.

Zetpil: zapplin.

Zevenblad: sevenblayeren, gerard of fledercijnkruyt, Aegopodium podagria.

Zevende: sevenste.

Zieden, koken: sieden, siet, siedt, siedet. syedt. Kooksel: siedinge. Verkookt: versoden, versoien, gesoyen, gesoden, gesoien. Wallen; kooksel, wallent, wellent; kook het, wallet. Wellinghe; brij, pap.

Ziekte: siecte, sucht. Zieken: sieken. Verziekt: crancket: crankheyt, kranckheyt.

Ziekenzaal: fermerie.

Zijde: sijden.

Zijdestelen: pestemen.

Zijlen: selen.                                                                      

Zijn: sijn, sine, zinen. Zijnde: sijnde.

Zij, is: sij.

Ziltigheid: sultigheyt.

Zintuigen: sinnen.

Zit: sit, sidt.

Zo: so, soo, soe.

Zoekt: zueckt.

Zoet: dulcis: ducis.

Zoethout: calissihout, lackrys, licorisse, liquarisse, liquorici, racolissien, recolissie, reculisse, kalissiehout, sut hout, Glycyrrhiza glabra.

Zon: sonnen.

Zonder: sonder, abstinetie.

Zondvloed: sontvloet, di luvie.

Zonnedauw: sondauw of lopig kruyt.

Zoon: soen.

Zullen: sullen.

Zouten: souten.

Zot: sot.

Zout: sout.

Zoutigheid: sultigheyt.

Zuiden: suyt, suyden, zuyden.

Zuigen: sogen.

Zuipen: suypen.

Zuiver het: cleret, cleren, claer, suveret, suveren, suver.

Zuivering: cleering.

Zulke: sulke.

Zullen: sullen.

Zuring: sulker, suyringh, surckel, dokkebladeren, patich, patiente, acetosa (aqua -): water bereid uit veldzuring, Rumex acetosa, suring, surkele, of een andere Rumex soort.

Zuur: sueren, rinsch.

Zuurachtig: zuerechticheyt.

Zuurbes: saussenboom of suerboom, Berberis vulgaris.

Zwaard: swaerte.

Zwaarheid, moeilijk: swaerheyt.

Zwaan: swaen.

Zwakke, zieke: cranke.

Zwak: brode.

Zware: swaer.

Zwachte: scroden.

Zwakte, bang: bloodigkeit, blode.

Zwaluw; yrundina.

Zwavel: soltere, solfer, swavel.

Zwart: swert.

Zwartheid: swertheyt.

Zweden, Sueden.

Zwelt: swillet.

Zweren: sweeren, sweeringhe, sweerende. Zweren tot etteren brengen, exulceratie.

Zweten: sweetende.

Zwijgen: swijghen.

Zwijmeling: swijmelinge of suysselinge.

Zwijnensmeer, varkensvet: swinensmeer.

Zwoel: zoel.

Zuurdeeg: suerdeegh.

 

Andersom.

A

Accorus, lies, lis, Acorus of Iris.

Acrysse, wellicht astricum, grote centaurie, Rhaponticum carthamoides.

Achemant; bevallig, fraai van uiterlijk.

Acht, Ge trac bet acht = lette beter op.

Achte, verl. tijd v. achten; dacht, was erop verdacht.

Achterbleven; volt. deelw. v. achter-bliven; weggebleven, nagelaten, niet

gebeurd.

Achtergaen; nalaten, opgeven.

Achter hilt; verl. tijd v. achterhouden; die daer achter hilt = die zich daar op de achtergrond hield,.

Achter lande; het land door.

Achterstelle, achterstallige schuld; enen sinen aachterstelle gelden = betalen wat men iemand nog schuldig is; iron.: hem iets betaald zetten.

Achterstwerven; de laatste maal, voor het laatst.

Achter velde; over het gevechtsterrein.

Achterof voren; te eniger tijd.

Achterwaren; verzorgen, verplegen.

Acort, harmonie van klank.

Adech: adechs woertelen wilde vlier (Sambucus ebulus). adecke: adic, adick, adyck: aedicke; hadik, adeck, attich.

Adde, hadde; had (3e p. enkv. verl. tijd v. hebben), adden, hadden, addijt; had ge het.

Adt; had.

Aelyncken; allenken: allengs, stilaan.

Aerch, ongemak, verwonding.

Aerchede; gemene, bedrieglijke dingen.

Aern, aren, aerne; arend.

Aert; die streek.

Agreste: van het veld of wild.

Akerre, op een kier.

Al, bijw.: geheel (en al), - voegw., ヤalsユ (hyp. voegw.) of ヤook alユ.

Al bloet, al bloot; openlijk, onomwonden. Vgl. bloet.

Aldat, al dat et; al dat het, aldat hi mach, al datti mach,; alles dat hij kan.

Al in een; al maar door.

Allene;  meteen, op hetzelfde ogenblik, of: met 試n zwaai.

Al over al; beslist, in ieder geval, overal, van alle kanten.

Allentoes: altijd, steeds.

Alreerst, nu alreerst = nu voor de allereerste keer, nu pas.

Als, alse; toen, (ev. ヤnadatユ), : als = toen of zoals, als die niet en spaert = zonder te talmen, ook zo als die

gone die niet ne spaert.

Alsi; toen zij.

Also; evenzo.

Also houde; even snel, also houde als; zodra, also saen; als, zodra, also zere als, also zere als yemen die levet = als niemand anders.

Al sulc: zodanig.

Altehant, al te hant, al thant; onmiddellijk, terstond.

Al te enen;=, alteenen: samen.

Altenen male; in 試n keer.

Altevoren; v覧r allen, als eerste.

Alve; halve.

Alver; 2e nv. v. half.

Alunir: zoute vochtigheid van vissen gemaakt als pekel haringsop.

Amachtich; uitgeput.

Ambra, ember: amber, afscheidingsproduct uit de darm van de potvis. Amber grijs is amber, dierlijk product. Barnsteen: amber, amer: emmer, glessum, electron.

Amelaken; tafellaken.

Amie, amye; vriendin, geliefde, amijs; vriend.

Amillote: wellicht a millote, van millote, mellilotum, honigklaver, steenklaver, Trifolium mellilotus officinalis.

Amoers; mingenot, liefde.

Andersins; ergens anders heen.

Ane, hars lives ane; hun leven kwijt.

Anegaen; aanvaarden, aanvangen, beginnen, andere zake anegaen = andere dingen aanvatten, ane mijn leven gaen; mijn leven kosten.

Ane hebben; aan zich hebben, als zichtbaar onderdeel hebben.

Aneresen; aanvallen, aantasten.

Ane schieten, scoten ane mi;schoten op mij af, vielen op mij aan.

Anevaen; aanvaarden, accepteren, of  aanvangen, ondernemen.

Aneti (aqua -): water gemaakt uit dille, Anethum graveolens.

Anthos: rosmarijn, rozemarinus, Rosmarinus officinalis.

An hant; ter hand; doe namen si ander tale an hant; toen begonnen zij over iets anders te spreken.

Anschine; zichtbaar aan, an scine, duidelijk, blijkbaar, inderdaad.

Ansichte; gelaat.

Antieren; behandelen, verplegen.

Anwisse, anwissen; benauwdheid.

Anxene; benauwdheid, benarrende situatie, nood, gevaar, (uter) anxene van der doot = (uit) het doodsgevaar.

Anxt; benauwdheid, benauwde, pijnlijke situatie, angst.

Appel; knop aan het gevest van het zwaard, (zie ook: hilte).

Aplompen: witte waterlelie, Nymphaea alba of gele, Nuphar lutea.

Aqua; water.

Aranien appelen: sinaasappelen, Citrus sinensis.

Arbeide; inspanning, werk, moeiten, folteringen.

Archoen, artsoene, art-soene; zadelboog.

Arde; harde; zeer.

Arde; aarde, grond, hi sochte die arde; tuimelde op de grond.

Argheren: deren.

Ariveerden; aankomen,.

Arm; slecht, ellendig, armzalig.

Arnasch; harnas.

Arsaters; dokters.

Arceterie: arsaterie; geneesmiddel, arsateren: de geneesheren.

Aronam, aaron; gevlekte aronskelk, Arum maculatum.

Arvachtichede; erfelijke bezittingen.

Asselgierde, asselgieren; aanvallen, bespringen, bestormen.

Asmonde (witte-): Sint-Jansvaren, Osmunda regalis.

Assijs, assise: lijmpreparaat dat als onderlaag dient waarop men bladgoud of zilver kan plakken.

Asure; azuur, blauw.

Ate; eten, spijs.

Athanasie: (aqua -):. water bereid uit reinvaarn, Tanacetum vulgare.

Atrement; inkt..

Atriplicis (aqua -): water bereid uit melde, Atriplex hortensis, dat gebezigd werd om wonden of buikloop te stoppen.

Auripigment, arsenicum: oripigment, operment, orpriment, rotte kruyt. Men onderscheidde twee soorten: rood a. (sandaracha, realgaar, natuurlijk arseensulfide), en geel a. (geel arseensulfide).

Auantse avantse; hazenpoot, Trifolium arvense.

Ave; af, van.

Avestaen, avestaen der quaetheit = ophouden met, nalaten.

Auenthore, aventhore; bij toeval.

Avonture; gebeurtenis, of bericht, verhaal van een of ander voorval, wat iemand overkomt, het over iemand beschikte lot; in avonturen van; in gevaar van zijn leven, up avonture wat si begheren = in onzekerheid, over wat ze wilden.

Avonturen, aventuren, avontuerde; riskeren, op het spel zetten.

Ay lace, helaas.

Ayngioen; uien, Allium cepa.

 

B.

Bacalar, bakelaar, bakeler, baculaere, bakelers, baccalaar; laurierbes. Lauri fructus of Baccae lauri, baculaere, Laurus nobilis.

Bachten, voorz.: achter, van achteren, aan de achterpoten, achteraan,

Baeldadichede; slechte daden, schandelijkheden.

Baer; getrokken, ontbloot.

Baerken, baerghin: van de barg, het mannelijk zwijn. Barghen, barghin, beerge, beergen, bergen, berghen.

Baernen, barnen: verbranden, barntse: verbrand ze. Barn: verbrand, barnde: gebrande, barnende; brandende, barnet: verbrand het, barnse: verbrand ze, barnt: verbrand (het), barnthem: verbrand hem, bernen; verbranden, bernens, bernesse, bernse; verbrand ze, bernt, bernten; verbrand ze, bernten, verbrand (hen), berrede; brandend vuur, vuurgloed.

Baghel; prachtig.

Balch; verl. tijd v. Belgen; boos zijn.

Banderside; aan de andere kant, anderdeels ook.

Bant; verled. tijd v. binden: bond.

Baraet; teg. tijd v. beraden: bezorgt, bewerkt.

Baren; aanlichten.

Barlabaen; de duivel.

Barago, borrage, boragen, boraginis, borragie, bernagie, Borago officinalis.

Bernaeds, bernaen, buglosse, bernartse (wilde) geheiten tonghen, ossen tonghen, ossentong, Anchusa officinalis L.

Barba iouis, huusloec, huyslock, huyslock: huislook, donderblad, semperviva (Sempervivum tectorum L.).

Bardana: Men onderscheidde een Bardana minor, Xanthium en een Bardana maior, Arctium.

Baucie:  pastinaak (Pastinaca sylvestris).

Bawet: kneed het.

Baroen; baron, edelman, (aanzienlijk) ridder.

Bastaerdie; schandelijke daad.

Bat; beter, meer, bat naer = dichter bij, nader op hem af.

Bataelge, battaelge; strijd, gevecht.

Bate; voordeel; bate bieden = genoegdoening, vergoeding geven, in bate staen = helpen.

Beckijn, beckin; schaal, waskom.

Becochte; verl. tijd v. becopen = het ontgelden, er slecht af komen.

Becomen; aangenaam zijn, bevallen, belanden, terechtkomen.

Becraecte; verl. tijd v. becraken = losbarstte.

Becrijtter hem; verl. tijd v. hem be-criten: trok een cirkel om zich heen.

Bed; bedacht, hoe sidi bedacht = wat bezielt je, wat voor bedoeling heb je? also bedacht; van zodanige gezindte, zo gezind, wel bedacht; verstandig, van goede inborst, hi was wel bedacht; hij had er goed over nagedacht.

Bedarve; behoefte; waert uwe bedaerve; wanneer gij er behoefte aan had, als ge het wenste.

Bedde; zelfstnw.: rustbank, verl. t.v. bedden = naar een slaapplaats brengen. Bedden: te bed leggen.

Bede; beden, telw.: beide, 3323; zelfst. nw.: verzoek, doen ene bede = een verzoek vervullen,; sonder beden; ongevraagd,.

Bederven; ten onder gaan, sterven.

Bedi; bijwoord: daarom. voegw.: want, omdat,

Bedichte; onophoudelijk, telkens weer, hevig.

Bedieden; duidelijk maken, nader beschrijven, meedelen, vertellen, betekenen, bediedet; betekent, bedijt; verklaring, toelichting, nl.: de samenhang van gebeurtenissen, nodig om het vervolg te begrijpen.

Bedigora, bedugar, (aqua -): water bereid uit eglentier, honderoos (Rosa canina). meel rosaris; (Latijn mel) honing met rozensap). oleum rosarum: nog niet ontloken rozeknoppen worden in olie gemacereerd. Oly rosaet, olien van rosen of van violetten: olie waarin respectievelijk rozeblaadjes of blaadjes van viooltjes worden gekookt, waarna het aftreksel gefilterd werd en gedistilleerd.

Bedinken; hem bedinken = bij zich zelf overleggen, en daardoor tot een besluit komen.

Bedocht, bedocht sijn = in een of andere gemoedsstemming zijn, wel bedocht sijn van menigherande saken; verstandige gedachten hebben omtrent allerlei dingen, kennis van zaken hebben, wel bedocht; verstandig, van goed verstand.

Bedroopt; bespikkeld; al bedroopt = geheel en al bespikkeld.

Bedt, zie bet: beter; bedt naer: dichter bij.

Bedurste; behoefte.

Bedwanc; macht; in mijn bedwanc hebben; er heerschappij, macht over hebben, zeggingschap, ouderlijke macht, hi sal hebben swaer bedwanc = hij zal het zwaar te verduren krijgen. Bedwanghe; verbogen vorm van bedwanc; uten bedwanghe = uit de macht, druk, in swaren bedwanghe; onder de macht v.e. sterke bedwelming.

Bedwellen; misleiden, doen dwalen.

Beet; gebiedende wijs v. beten: stijg af. Beete, beette, beetten, verled. tijd v. beten: steeg af, beetti, beette hi: steeg hij af.

Begaert; begeert,.

Begaf, verled. tijd v. begeven: ophield met.

Began; verled, tijd v. beginnen: begon.

Begeren; sijns begeren = het op hem gemunt hebben, op hem aanvallen.

Begeven; opgeven, in de steek laten, begheven; opgeven, afzien van.

Begevet; teg. tijd v. begeven: ophoudt met.

Beghene; te zamen,

Begon; zelfstnw.: begin, begonste, verled, tijd v. beginnen: begon.

Begreep; verled. tijd v. begripen: greep vast.

Behaghel; schoon, Vgl. baghel.

Beheet; belofte, behiet, verled. tijd v. beheten, oplegde door haar bezwering

Behendelike; kunstig, met list en overleg.

Behilt; verled, tijd v. behouden: behield.

Behoeft, alst behoeft; zoals het nodig is.

Behouden, tvelt behouden; standhouden in het veld, in het strijdperk.

Behout; macht, hoede, bewaking.

Behuwedic; verwierf ik door mijn huwelijk.

Beide, verled. tijd v. Beiden; wachten.

Beide; zelfst. nw.: uitstel, oponthoud, sonder beide; onverwijld.

Beiden, beidden; talmen, wachten, sonder beiden; zonder talmen, onverwijld.

Beit, gebied, wijs v. beiden: wacht.

Bekebenghe: beekbenghe, bonghe, bongi, beekbonghe, Veronica beccabunga.

Bekennen; herkennen.

Bekinden; verled. tijd v. Bekennen; herkennen, kennen, bekinnen, te kennen geven.

Beleit; belegerd.

Belenden; (wederk.) zich ergens heen begeven.

Belget; gebied, wijs v. Belgen; boos zijn, worden.

Belijen, mochtic belijen mine sonden; had ik nog gelegenheid te biechten.

Belof, belofte; toezegging, gelofte.

Belove; 3e nv. van belof; te minen belove; naar de strijd die ik heb aangenomen, beloven, hem beloven, (wederk.); zich gelukkig prijzen, zich verheugen.

Benomen; verled, dw. v. Benemen; belet (nl. de doorgang), verijdeld (nl. mijn plan).

Bepeinsde, (wederk.) bepeinsde hem: overlegde bij zichzelf.

Bequam; verl. tijd v. becomen: kwam weer tot bewustzijn,  bequame; aangenaam; waert of sijt u bequame; als het u welgevallig mocht zijn.

Beraden; de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, zich beschermen, zich van iets vrij waren.

Beraden; volt. deelw. beraden sijn: ergens aan denken, wel beraden: verstandig.

berde, verled. tijd v. beren of baren: gedroeg zich, deed, 8624.

Berecht; volt. deelw. v. berechten: ingelicht (over deze zaak), gebiedende wijs v. berechten: geef me inlichtingen over, berechten, te recht helpen, ten dienste staan, mededelen, inlichten over, berechtene; berechtedene, verled. tijd + voornw. object: bediende hem.

Beriet; verled. tijd v. beraden; die mi dit vernoy beriet; die mij dit verdriet bezorgde, bewerkte.

Beriewen; verled. tijd v. Berouwen; berouwden.

Bernde; verled. tijd v. bernen: brandde.

Bernen, berrent; branden, verbranden, bernende; brandend, bernt, teg. tijd v. bernen: brandt, bernten, teg. tijd v. bernen + voornw. obj.: verbrandt hem.

Beroemelike; beroemelike tale; stoutmoedige, drieste woorden.

Beroepere; aanklager, uitdager.

Beromt; volt. deelw. v. Beromen; zich op iets beroemen.

Beronnen; volt. deelw. van berinnen: belopen, overstroomd.

Beroupen; volt. deelw.; enen camp jeghen hem beroupen; hem uitdagen tot een tweekamp.

Berouwen; (onpers, met 3e nv. v.d. persoon) berouw hebben over,  volt. deelw., hem es berouwen; hij heeft berouw gekregen.

Berste; gemis, gebrek.

Bescoudde; verled. tijd van bescouwen: beschouwde, inspecteerde, onderzocht nauwlettend.

Bescreden; volt. deelw. v. bescriden: bestegen, te paard gestegen, bescreet, bescret, verled. tijd v. bescriden; bescreet sijn ors = steeg te paard,.

Bescreven; verled. dw. v. bescriven: beschilderd, te boek gesteld.

Bescudden, bescuddene; beschermen, helpen.

Bescuddere; beschermer, aanvoerder.

Bescuds; 2e nv. van bescut = bescherming, hulp.

Besebucs; 2e nv. van besebuc = belzebub, de duivel.

Beseffen; voelen, ondervinden.

Beseten; volt. deelw. v. besitten: belegerd.

Besiden; afzonderlijk.

Besloten; volt. deelw. v. besluten: afgesloten.

Besluten; omsluiten, afsluiten, of verhinderen.

Besochte; verled. tijd v. besoeken: probeerde.

Besochten; zochten.

Besperst; bestrooid, besprenkeld.

Bespreken; overleggen, uitmaken.

Bestaen; durven, aannemen, ondernemen, bestondt, verled. tijd v. bestaen: durfde.

Bestaet; teg. tijd v. Bestaen; verwant zijn.

Bestede; teg. tijd v. Besteden; in de schede steken, bestedet; teg. tijd v. besteden: breng het op een verborgen plaats.

besteedde, verl. tijd v. besteden: borg weg, gaf een plaats.

Ten besten; op de beste wijze. heel prettig, zo aangenaam mogelijk.

Bestoet, bestoet hem niet te dele; kwam hun niet toe als rechtmatig deel,

Beswiken; in de steek laten, bezwijken.

Bet; comp. van goed: beter, meer, liever, dikwijls is bet verbonden met een bijv. nw. of bijw.

waarvan het dus de comp. omschrijft; bet an; dichter op hem toe, bet na: dichter bij, hare bet naer, si reden bet uut: reden verder naar buiten, bet vort; verder, een eindje verderop, bet vulcomen: volmaakter, voortreffelijker, te bet: des te beter, te gereder, hem waes te bet: het was tot hun voordeel, te bet hebben: voordeel van iets hebben, vele bet: veel meer, in lanc so bet: hoe langer hoe beter, in sterke mate, hevig.

betalen, (onoverg.) vergelden, doorgaan voor.

Berewoertelen, breklauw, Heracleum sphondylium .

Bescheydelic; in het bijzonder.

Beslaen; verwerken, beslagen, belegd, overdekt.

Besoden; gekookt, soden; koken

Besprenghen; besprenkelen.

Bestadet; bewaar het, bestede, bestedet besteden, bestedent, bestedet, bestaen, besteetse; bewaar het.

Bestempen; stelpen, bestempt; verstopt.

Besycken; bezigen.

Bete colen, bete, beete, beten; bieten, Beta officinalis.

Bete; verled. tijd v. Beten; afstijgen, beti; betede hi, verled. tijd v. beten: steeg hij af.

Beter; kostbaarder.

Betoghen; tonen, laten zien.

Betren, betren sinen rouwe; zijn droefheid wegnemen, goed maken.

Beumigheydt; (van de tanden) houterigheid.

Bevaen; volt. deelw.: bevangen, bevaen met (groten) rouwe; in hevige smart gedompeld, omvangen, (van takken); beetgegrepen, vasthoudend in hun handen, bevangen, besloten, gewikkeld in de strijd, hi beval die dode

dies si waren; hij liet de doden over aan hem aan wie ze toebehoorden (God), m.a.w.: hij liet ze daar liggen, bevalse: droeg haar op aan.

Bevaren; inhalen, aantreffen.

Beveden; verled. tijd v. beven: beefden.

Bevinc; verled. tijd v. omvaen: sloot haar in zijn armen.

Bevrede; conjunct, v. bevreden: beschermen.

Bevreden; bevrijden, verlossen, beschermen, beveiligen, verlossen uit gevaar, vrijwaren van, bevredene, verbogen vorm v.d. onbep. wijs: bevrijden.

Bevroeden; meedelen, iem. inlichten.

Bewinden; (wederk.) zich wenden, richten, begeven naar.

Bewonden; volt. deelw. v. bewinden: omwonden, bedekt.

Bezochte; verled. tijd v. bezoeken: onderzocht (nl. om een geschikte plaats te vinden).

Bi;, bijw.: dichtbij, hi es om bi; dicht bij ons, voorz.: door middel van; door (een persoon), ten gevolge van, bij, bi al dien dat noit wart gheboren; bij allen die ooit geboren werden, bij alle mensen.

Bidi; daardoor, daarom; vgl. bedi.

Biechtene; verl. tijd v. biechten + voornw. obj.: nam hem de biecht af.

Bielsaet, bille, billen cruyt, bilsaet, bilsenzaet, beelden, belric, bellencruyt, belryke: bilzekruid, slaapkruid (Hyoscyamus niger)

Biket; jeukt, steekt.

Bin; voorz.: binnen, bin desen: intussen.

Binden; voorz.: binnen + lidw. (3e nv.): binden woude: in het woud, binden hove, binden tanden; binnensmonds.

Binder; voorz.: binnen + lidw. (3e nv.): in de (zaal).

Binnen, verzwarend bijw. achter de voorzetselverb.: in de warelt binnen; in de wereld, voorz.: in; binnen desen: intussen; binnen dien.

Bisante; byzantijnse munten.

Blaexeme; vuurstraal, vlam. Vgl. blexeme.

Blaken; (onoverg.) gloeiend worden, branden, (overg.) verzengen, blakenden, verbogen vorm v. teg. deelw.: blinkend.

Blame, sonder blame; eig. zonder schande; volkomen terecht.

Blecken; schitteren.

Bleecksucht; geelziekte.

Bleckende; teg. deelw. v. blecken: glanzend, schitterend, blecte, verled. tijd v. blecken: schitterde.

Bleven; volt. deelw. van bliven: overgeleverd.

Blexeme; bliksem.

Bliden, waren met den bliden; waren in een genoeglijke stemming.

Blijf, al sonder blijf;onverwijld,.

Bliven; achterwege blijven, niet gebeuren, met een 3e nv. v.d. persoon: of 't hem mochte bliven; of hij het in het leven kon behouden, hadt den gonen moeten bliven; als het in het bezit van diegene had mogen blijven.

Bloeme; de beste.

Bloenden; blond.

Bochs; bos; woud.

Boelkens; bolletjs, balletjes.

Bloet, bloeten; bijw.: openlijk, verbog. vorm v. bijvnw.: met enen bloeten swerde; met een getrokken zwaard.

Blom, blommen, blommen; maandstonden.

Bloot; (v.e. zwaard) ontbloot, getrokken, ongewapend.

Blootheit; bangheid, vrees.

Blouwen, blouwene; slaan.

Blozen; bloeien (v. bomen).

Boeten, in boeten staen; er voor boeten.

Bolghen; verled. tijd v. Belgen; woedend worden.

Boomgaert; tuin met boompartijen, lusthof.

Boem oly, olys, olij; olijfolie, Olea sativa.

Boem wolle; boomwol, Gossypium herbaceum.

Boort; oever.

Borch; burcht.

Bore; bijw. v. graad; bore wat: een klein beetje, overigens met ontkenning; als ironische omschrijving van het tegendeel; ne bore wel: niet erg goed,; -bore blide, niet erg blij; zeer vertoornd, bore verre; dichtbij.

Borghen; beschermen, redden, op crediet geven.

Borne; verbogen vorm van born; bron, bronwater.

Borsene; herderstasje, Capsella bursa-pastoris.

Bottelgier; opperschenker.

Boude; stoutmoedige; alse die boude; op stoutmoedige wijze, bout; dapper, koen.

Boutet; kneed het, bouuent; kneden het.

Boven; voorz.: over; boven die borne; over die bron, bijw. boven ende onder;overal, ter versterking van ヤvan allen sinneユ.

Boyen; boeien.

Branca ursina, vrsina; berenklauw, Heracleum sphondylium.

Brant; zwaard.

Brasset; meng.

Bredewegen, plantaginis, plantagis, plantaginem, weghebreden, wegebladen, weghebraden, weghebreede; grote weegbree, Plantago major.

Brect; ontbreekt.

Breedde; verled. tijd v. breden (wederk.);zich uitstrekken, neervlijen.

Breidel; teugel, breidele; teugels, breidelde, verl. tijd v. Breidelen; de teugel aanleggen.

Breken; afnemen in krachten.

Bresilien: bresiliehout, Caesalpinia sappan.

Britsieren; meerv. v. Britsiere; vest, kledingstuk onder de wapenrok.

Brocht; volt. dw. van brengen, als hijt ten vollen slaghe brochte; als hij goed raak sloeg, brochtse: brachten ze.

Broken; volt. deelw. v. breken; gebroken.

Brunelle, brunellen, prunelle, Prunella vulgaris.

Brunerent; polijsten het, brunyrt; gepolijst, brunyrtet; doe het glanzen.

Brusemen; tot kruimels maken.

Buccis ditanis; diptam, diptannum, diptannus, dyptannus, dyptam(n)us: dyptamni;, Dictamnus albus, soms en dan vaak zonder wit, Origanum dictamnus.

Brionie, bryonie, bryonie, brionien; heggerank, Bryonia dioica.

Broemsaet; zaad van brem, Cytisus scoparius.

Broeden: broeyen.

Budelt; pers het, buidel het. Bultet; buidel het. Bultgen; buideltje.

Buggel, bugghem, bughel, bughen, buguum, bugie, bugla, bugle, zenegroen, Ajuga reptans.

Buke; verbogen vorm v. Buuc; romp.

Busch; bos.

Buten, buten love gheworpen worden; alle eer of roem verspelen.

 

C.

Calandre; leeuwerik.

Caelment, calament, calamenti, calamentum, calamyn; rondbladige munt, Mentha rotundifolia. Ment, mente, meent; munt.

Caelmine, calemie, calemyn, calemine, calmine, calmyn, calmy, kaelmie; kalaminsteen, galmei, zinkspaat of zinkcarbonaat.

Caempsaet, caenpin, caenppe, caemp, canepe, canepin, caneppe, kaneppe; hennep, Cannabis sativa. Campens wercs; pluksel van hennep.

Calamis; kalmoes, Acorus calamus.

Cald, calt; koud, calden.

Calmita; mogelijk Liquidambar orientalis.

Camederos; Teucrium chamaedrys. Camopiteos; Ajuga chamaepitys.

Carmerloghe; pis.

Camfer, canfer, canpher, camphore; kamfer, Dryobalanops aromatica.

Camille, camomille, madere, materne, maters; kamille, Matricaria chamomilla.

Candida; alchemistenolie gemaakt uit kwikzilver en suiker.

Candijs; kandij.

Caniel, knel, cannel; kaneel. Cinnamomum verum.

Capillis veneris; venushaar, Adiantum capillus-veneris.

Capitellum, capitell; loog gemaakt uit ongebluste kalk en weedasche; as van wijngaardranken, gebruikt bij zeepbereiding.

Capparis; kappertje, Capparis spinosa.

Capoen, cappoen; kapoen, gesneden haan.

Caprifolium, matrisilua, mater silva; kamperfoelie, Lonicera periclymenum.

Carbunculus; gezwel, een karbonkel, kleine donkere blaar die soms met geel, rood of groenheid gemengd is als het heilig vuur: karbunkel.

Cameriere; kamenier, hofdame, camerieren, meerv. v. Cameriere.

Camp, den camp nemen; de strijd aannemen, camp hadde ghenomen; een tweegevecht had aanvaard.

Campioene; de kampvechters.

Canselierden; wankelden.

Cardamomum, cardimonie. De grote, paradijskoren, Aframomum melegueta, de echte Elettaria cardamomum.

Carde, karden; kaardendistel, Dipsacus fullonum.

Carotel, corotelen, corotuli: caroot, Daucus carota.

Carui; karwij, Carum carvi.

Caputpurgium, dat is een niespoeder om het hoofd te legen.

Castonie, castaengiere; kastanje, Castanea sativa.

Cassia fistula, trommelstokken.

Carine; smart, pijn.

Caritate, bi caritaten; bij Gods liefde, bij Gods barmhartigheid, bi rechter caritate; zoals de ware christelijke liefde betaamt.

Carmen; kermen.

Casteel; kasteel, castelein; kasteelheer, slotvoogd.

Catarre; licht slijmvormende slijmvliesontsteking.

Castreren: lubben. Gecastreerd lam heet hueken of hamel. Hedus: jong schaap. Hamelin roet; vet van hamel.

Causam; een hete koorts rond het hart.

Cautery; is met een gloeiend ijzer, brandende heelmiddelen.

Celidonia, celidonie, celidonien, celidoniam, sceelwoertel scelwortel; Chelidonium majus, of kleine speenkruid, Ranunculus ficaria, spenen cruyt. Of de naam van twee stenen, rood en wit, die in de maag van de zwaluw gevonden worden.

Cenende; bloedstelpende plant, mogelijk van centinodia; Polygonum aviculare, of herderstasje Capsella bursa-pastoris.

Cenitte; mogelijk cenicle, sencle, sanikel, Sanicula europaea.

Centaurea, centorie, centori, centauree, centauriam, centaurum; Centaurium erythraea, duizendguldenkruid: santorie, eertgalle, en de grote  Rhaponticum carthamoides.

Cera, latijn voor was. Ceranum; waspleister. cyrone: waspleister.

Cerapinum, serapinum, Sagapenum; Ferula persica.

Cerotum, ceroet of pleister gemaakt van rabarber en olie en was, cirone; waspleister.

Ceter, cetter, ceteren; serpigo; huidziekte.

Cerusa, ceruse; loodwit, loodglans, loodcarbonaat.

Chathimia, chathimia: goudschuim.  lithargyrium auri, litargirum, loodglit dat door verontreiniging met koper geler van kleur is dan het lithargyrium argenteum.

Chiromantie; eigenschap van de mensen door tekens in de hand te leren.

Cesseren; ophouden.

Chierheit; kostbare sieraden.

Cicute; gevlekte scheerling Conium maculatum.

Cinopre, cynopre, verb. vorm v. cinoper, rode kleurstof.

Claechde; betreurde.

Claer; helder, helderschijnend, helder blinkend, schitterend, glanzend.

Claerheden; licht glanzend.

Claerheit, clarheit, clareit, clareide; kruidenwijn.

Clagedi; betreurde hij.

Claghe, hi souds hebben clene claghe; hij zou weinig reden hebben om er over te klagen, volghen mire claghe; handelen ingevolge mijn aanklacht, de verplichting ten gevolge van mijn gerechtelijke aanklacht nakomen.

Clare, claren; helder, helder licht, lichtgevend, schitterend, glanzend, zuiver, blank, schoongepoetst, helder van toon, tclare vier;  het helder lichtende vuur. Zie ook claer.

Clene ende groot; geheel en al.

Clerc; geletterd man, iem. die kan lezen en schrijven en zich met studie heeft beziggehouden.

Clopter;... ene belle; luidde een bel.

Cholericus; overvloed van vochtvermenging.

Claerheit, claereit; gesuikerde aromatisch kruidenwijn.

Clarificirt; geklaard; gezuiverd.

Claporen; kwaadaardig gezwel (bubo) in de lieslieren of klieren onder de oksels.

Clasen; kleefkruid, Galium aparine.

Clawen; jeuk, het krauwen.

Cleinsen, clensen; wringen, cleyns, cleynse, cleinset; wring het.

Clistier; klisteerspuit.

Clocke, clocken, cloeck; glazen distilleerkolf. Eerde clocke; aarden kruik. Coderolf; distilleerkolf.

Cloten; ballen.

Cloue, clove; kloven.

Cleun; zemelen.

Cluutkens; kluitjes, klonters.

Coaguliren; stollenCnape, cnapen; bediende.

Cnielinghen; kniestukken, - bedekkingen.

Cniven; dolken, messen.

Cnoesele; 3e nv. enkv. v. Cnoesel; enkel.

Coene, die coene; de dappere.

Coenroet; troep, legermacht. Zie ook: conroet.

Coep, den coep hebben, ontfangen; de koopprijs ontvangen, betaald worden,

Cocoexloec, coccuuxloec, coccoclooces; klaverzurig, Oxalis acetosella.

Coelblat, cole, colen, coel, coele, coelen, koels; kool, Beta vulgaris, rode; subsp. capitata var. rubra. Coeltstoeck; stengels.

Coconidium, drankerszaad, van Daphne.

Coerlen; korrels.

Colde, colder, coolde, coldt; koud, colt; verkoelt.

Coleert, coliren, coleret; zuiver het. Colirt, gecoleerd; gezuiverd.

Colchicum autumnale; hermodactyli hermodactili , hermadattulen.

Coliander, coriander; koriander, Coriandrum sativum.

Colirie, collirien, collirium; oogwater.

Collen bloemen, kollebloem, Papaver rhoeas.

Collofonie, collofonien na distillatie van ruwe terpentijn, spiegelhars, colofonium, colofonie genoemd, omdat men eertijds deze harssoort bereidde te Colophon, een stad in Ioni. Wordt ook wel Grieks pek, pik, genoemd, haerpoys, harpuis en erpuis. Warpond, waerpend, waerel pend, waerpond; vooraf gekookte colofonium, dus colofonium van de beste handelskwaliteit.

Colummen; zuilen.

Comen, volt. deelw.: uut of ute comen - eig. naar buitengekomen, comen up; afkomen op, aanvallen op, op hem comen; hem ontmoeten, ook vijandelijk, in gevecht, ic wils an u zelven comen; ik wil mij aan u onderwerpen, uw voorwaarde aannemen.

Comets of; houd er mee op.

Comijn, commijn, comyn, commyn, commine, comine, comiin, hoef commyn; Cuminum cyminum.

Commixturen; mengsels.

Compost; confituurtaart.

Confeli, confiere wortelen, confilie, confolie, consoude, cossouden, consolida, consolidatiuum. Men onderscheidde drie soorten: ヤgrote ende middele ende cleine confilieユ: respectievelijk smeerwortel, Consolida major of Symphytum officinale, zenegroen, Ajuga reptans, en brunel Prunella vulgaris.

Confoertirt, confortirt; versterkt, confoertyf; versterkend.

Conglutiniren: stollen.

Conservativum, conseruatiuum: Latijnse alchemistenterm voor water gedistilleerd uit peterselie, conserveren.

Coperrroeck, coperroet; koperrood, vitriool, rood ijzeroxide.

Compagnie; gezelschap,.

Condre; beter op de hoogte, ingelicht, condre werden; meer bekend worden.

Condute; 3e nv. v. Conduut; onder iets doorlopende buis, pijp, of gang.

Confuus; in verlegenheid, verwarring.

Conroet; gewapende troep, schare. Zie ook: coenroet.

Conste, verl. tijd v. Connen; kunnen, al den liste die hi conste; al de kennis of schranderheid die hij wist aan te wenden.

Consticse; kon ik het.

Cont; bekend; cont doen; meedelen, zeggen, ook cont maken, maect mi cont; vertel het mij, deel het me mee.

Contrarie; tegen.

Contreie; streek,.

Coop, den quaetsten coop hebben; er het slechtst aan toe zijn, het slechtst af zijn.

Corbitaem, corbitatam: hetzelfde als cucurbita, pompoen, Cucurbita pepo.

Cordewaen: Cordovaans leder, geitenleder.

Cornel euven of euel (sancte -), cornelis ongemack gewoonlijk wordt hiermee de vallende ziekte of de stuipen bedoeld.

Corrodert, corrodirt, corrodiert: bijt, vreet in. Corrosijf: bijtend, invretend. Corrosiva, corosiue: geneesmiddelen die invreten en overtollig vlees verteren.

Corrumpiret: bederft het.

Corse: bast.

Cost: korst.

Cotidiane: dagelijkse koorts.

Couke, cuke: verharding binnen in het lichaam, vooral van de lever.

Corden, meerv. v. Corde; koord, touw.

Core, wel ter core; op voortreffelijke wijze, zoals het hoort en gewenst is.

Coren; kozen.

Coret, 2e p. meerv. verl. tijd v. kiezen.

Cornuut; sukkel, kinkel.

Corsier; harddraver.

Cort; binnenkort, na korte tijd.

Corteleke; spoedig daarop, cortelike; binnenkort.

Corts; koorts, Vgl. ridene.

Costen, dat hijt hem liete costen een let; dat het hem een lichaamsdeel waard was.

Couverturen, coverture, coverturen; (zijden) dekens, bedekking.

Cousen; kousen.

Covent; afspraak, voorwaarde.

Cracht; geweld, krijgsmacht.

Cranc; zwak, cranken ware nemen tot iets; slecht voor iets zorgen, weinig op iets letten.

cranken, verbogen vorm v. cranc, zie ald.

Crap, mede, meede: meekrap, Rubia tinctorum.

Crassula:  maior et minor. Men onderscheidde twee soorten de grote crassula is groot vetgroen, hemelsleutel , smer wort, groot vetgroen, orpijn, roecelle, Hylotelephium telephium en de kleine is schotskruid, wit vetkruid, muurpeper, Sedum album.

Creuse: kroes.

Crauwelen; drietanden met omgebogen tanden, vleeshaken.

Crayeren; schreeuwen, roepen.

Creature; schepsel, levend wezen,

Crebbe; krib, voederbak.

Crede; geloofsbelijdenis.

Creesc; verl. tijd v. Crischen; krijsen, creischen, crescen; schreeuwden.

Cruce wiet: kruiskruid, Senecio vulgaris. Wiet betekent kruid.

Crues botter: de eerste grasboter, bereid gedurende de kruisdagen de drie dagen voor O. L. H. Hemelvaart.

Crumen: kruimels.

Cruseken: kroesje.

Cruyswortel, yringi: Eryngium campestre.

Cryet: krijt. Crijt, crite; strijdperk, te(n) crite; in het krijt, strijdperk.

Cufie; ijzeren kapje, ter bescherming v.d. hersenen, onder de helm.

Cubeben: vrucht van de staartpeper, Piper cubeba.

Cukene: kuikens.

Cunele: Saturea hortensis.

Cume; nauwelijks.

Cupe; kuip, teil.

Cure, ter cure; op de juiste, gewenste wijze, juist als het wezen moet, goet ter cure; bijzonder goed, voortreffelijk, wel ter cure; op de juiste plaats of wijze, raak.

Curie; lederen of metalen kolder, mali創kolder.

Curliaen; kan bijv. nw. achter dorper zijn; lomp, of zelfst. nw.; lomperd,

Cussijn; kussen, vgl. orcussijn.

Cyprus: galigaen, galigaan, Cyperus longus.

Cyroen: zalf gemaakt uit olie en was met eventueel andere ingredi創ten en die harder is dan unguentum doch weker dan een pleister.

Cuscuta campestris; side op t vlas of wranghe.

 

D.

Dachvaerde; afstand per dag afgelegd, dachvart riden; route van een dag afleggen.

Dade; verl. tijd van doen; ridder doen; tot ridder slaan.

Daden; krijgsverrichtingen.

Daden up; deden open.

Daer; plaatsaanduidend - tijdaanduidend - toen, op de plaats dat; toen.

Daert, deert; kwelt, in can gheweten wat hare daert; ik zou niet weten wat haar ontbreekt, wat haar verdriet zou doen.

Daer voren setten; inzetten voor.

Dagen; toeven, talmen, zich ophouden, sonder dagen; zonder talmen.

Daghe, bi den goeden daghe: een stereotiepe uitdr. als bezwerende formule of krachtterm: bij God en de gelukkige dag die Hij ons moge geven (of het geluk). Misschien is met ヤde goede dagユ speciaal bedoeld ヤde laatste dagユ d.i. het begin

van Gods rijk, te minen daghe; op de aangenomen dag.

Dakerende; tegenw. deelw. v. Dakeren; opdoemen.

Dal; kuiltje, in den dale; terneer; int dal; op de grond, in dat dal; daar op de grond.

Dalf; verl. tijd v. delven: begroef.

Damosele; jonkvrouw.

Dan; kuil, gebruikt als hol, leger, bebost dal, stille, hooggelegen plek in het woud.

Danc; wil, zin; an .sinen danc = tegen zijn zin, wil.

Dane; (daar) vandaan, waar vandaan, van dane;  daar vandaan.

Dangier, dangiere; geweld, macht, drukte, aanmatiging, geweld; sonder dangier; zonder geweld te gebruiken, op vreedzame wijze, dangierde, verl. tijd v. dangieren, (hem) dangieren; zich verwaardigen.

Danne; dat ne = dat + ontkenning.

Dapper; snel, flink, fors (v.e. paard), dapperlike; snel, ijlings, passim; met snelle, krachtige bewegingen, vlug, met spoed en kracht.

Dar; durft, durfde, in dars; ik durf u er niet over spreken.

Darde; de aarde.

Dare; letsel, pijn (= dere).

Dare waert; daarheen.

Dat;  omdat, opdat.

Dauci, Daucus, Daucus creticus, Kandische belwortel, Athamanta cretensis, ook Daucus carota of sylvestris; wilde peen.

Dealbans (aqua – dentes) water om de tanden wit te maken.

Dealbatica, dealbatium (aqua -): water bereid uit de as van een mol.

Decken: verbergen.

Deduut; genoegen, plezier, genot.

Deelkijn;; een beetje.

Deghen; held, deghenleke, deghenlike;, dapper, heldhaftig.

Dele, tharen dele hebben; bezitten, si zullens te haren dele ghenouch hebben; zij zullen nog wel een portie krijgen.

Deleghe: lees d'heleghe, heleghe, heleghe, helssche fuer: het heilig vuur, synoniem van erisipula, belroos, roos, St.-Antoniusvuur.

Delen; toebedelen, arrangeren van een kampstrijd, ic sal delen ende ghi kiesen, etc., spreekw. vorm: ik stel u voor de keus, gij moogt beslissen, ik zal 't nemen zoals gij verkiest.

Der; durft, vgl. dar.

Dere; leed, verdriet, lichamelijke pijn.

Derven; verliezen, missen, ontberen lijfs (2e nv.) derven; (ons) leven missen, verliezen, d.w.z. sterven, ook zo; uwes lives derven, slives derven.

Des en ware niet; zo was hiervan niets gebeurd.

Deysen; achteruitwijken.

Diadrigium; klaar gemaakte scammonia: dyagridii, diadigrii.

Diafragma of middennerf: onderscot, dyafragma.

Diamoron; sap van moerbeien, Morus nigra, morbeyen, moerbezi創.

Dicke, dicken; dikwijls, herhaaldelijk. Dic, dick, dicke, dicken, dickent; vaak.

Die; dijbeen,dij, poot.

Diede; 3e nv. v. Diet; volk.

Diets, Duits: Dyetsche, Duytsche.

Dietsche, in dietsche; in Nederlandse volkstaal.

Die gone; degene.

Dienstwijf; dienstmaagd.

Diere; kostbaar, prachtig, kostelijk, duur, niet te krijgen.

Diere; die er.

Dinc; zaak, onderneming, avontuur.

Dinghen, dingen; pleiten (in rechtsgeding), woorden verspillen.

Dinne; dun, nauw,.

Doblitse; een kaars met twee pitten.

Doch; toch, inderdaad.

Dochte; verl. tijd v. Dogen; deugen, dochte hem, omschr. ww., eig.: hij meende te zien komen, het scheen hem toe dat.

Docken; krulzurig of ridderzuring Rumex crispus of Rumex obtusifolium.

Doe; bijw., toen, en doe; als niet doet; zonder.

Doen, doene, te doene hebben (ev. + 3e nv. obj.);nodig hebben, behoefte hebben

aan,hi hads te doene; hij had er alle reden voor (?) of: hij had het nodig, van groten doene; aanzienlijk, staerc van

sinen doene; krachtig in zijn optreden, dapper.

Doet, doet et; doe het.

Doghedi, doghede hi, verl. tijd v. Doghen; lijden, doorstaan, ondergaan, te doghene; te lijden, te doorstaan.

Dogeden, doghet; alle goede eigenschappen van een ridder, riddereer, dor uwe doghet; als bewijs van uw goedheid.

Dole; an dole sijn + 2e nv. obj.; over iets in onzekerheid verkeren, of: mis tasten, mis zijn, in dole; in onzekerheid, twijfel.

Domesdach; oordeelsdag, laatste dag, einde v.d. wereld, daer an leecht zijn domesdach; dat kost hem de dood.

Dompheit; domheid.

Doorperheit; onbeschaafdheid, onridderlijkheid, onbetamelijkheid.

Doorslegen viande; doodsvijanden.

Dore dringhen; doorboren.

Doren; deuren.

Dor houwen; hevig gewond, zwaar toegetakeld, (duer sleghen: idem).

Dorpect; volt. deelw. v. Dorpecken; dore pikken; stuk bijten, speciaal van vogels (de specht), doorwond.

Dorper; als bijv. naamw.: onbeschaafd, lomp.

Dorperhede, dorperheit; grofheid, gemeenheid, onbeleefde daad, laagheid, sonder dorpeheit; op betamelijke wijze.

Dorperlijc, dorperliken, dorperliker; schandelijk, laag, dorpeliker daden; onbeschaafde, ruwe behandelingen.

Dorste; behoefde, mocht.

Dorstict; durfde ik het.

Dort; durft. Zie ook dar.

Dorter; behoeft er.

Douevende, dovende hont, door rabies aangetaste hond.

Douuen kerwel, duivenkervel, fumi terre; fumus terre: duivenkervel, griseconten, grissecom, aardrook, Fumaria officinalis.

Douuet: duw het, dowet: druk, duw het.

Dracht; aandrang, geweld.

Draghen; helpen draghen; bijstaan in de strijd, ondersteunen.

Dragunsel: wellicht is bedoeld dragontea, dragunteam: ook wel hertstonghe genoemd, adderwortel, Polygonum

bistorta.

Dranc; drank, sat dranc; zich verzadigde.

Drasen, dreesene, drensen, edere, hondsdraf, gundraven, gundrauen; aardveil, Glechoma hederacea.

Draunkelhede: wel drawonkelhede: gezwel, ettering van een wonde.

Dreghen, dreecht; dreigen.

Dreven, dreven spel; maakten plezier.

Driuen: bewerken.

Drierande; drie喪lei soort.

Driewerf; driemaal.

Droegen overeen; waren het met elkaar eens.

Dromen; dringen.

Drouchene; droeg hem; ten zadel uut dragen; uit het zadel lichten.

Drou; het rauwe.

Drouven; treuren, droef zijn; droefheid.

Drussate, drossaard; hofmaarschalk.

Druust; kracht, geweld.

Ducht; vrees, duchte; vreesde.

Duer; door en door (bij bijv. nw. en bijw.); duer fel; door en door wreed, onmeedogend, onstuimig, duer scone; door en door helder, licht, buitengewoon helder, zie dor.

Duere leden; gingen (de zaal) door.

Duer houwen; volt. deelw., gebeeldhouwd.

Duer sleghen; door geslagen.

Duer sneden; volt. deelw. v. duer sniden: uitgesneden, naast duerhouwen: gebeeldhouwd.

Dukende; bukkende, duikende.

Dul; dwaas, zot, dulheide, dulheit; dwaasheid, domheid, dullede; dwaasheid.

Dumme: duim.

Dunst: bezinksel op de bodem.

Durdi; durft ge.

Dure, aldure; er dwarsdoor heen, 621,

Durste; durfde, durster; durfde er, dursti, durste hi  durfde hij.

Durt; durft.

Dus; zo,

Dusghedanen; in zulke toestand verkerende, dusdanig.

Duulde; huilde.

Duuenbeen: zachte ooievaarsbek, Geranium rotundifolium.

Duuen quaet: uitwerpselen van duiven.

Duwarie; onderaardse gang, duwiere;, hol, schuilplaats, spelonk.

Dwaen, dweet,  dwoeghen, dwouch, dwoughen; (de handen) wassen. Duane, duuaen, dwaan; wassen, dwaet men; wast men, dwaetse; wast ze, dwaet, was het, dwater, was het, dwoech, zou wassen, dwoghe.

Dwale; handdoek, servet, laken, tafelkleed.

Dwanct, dwanct an hem;drukte het tegen zich aan.

Dwe; gedwee, soepel.

Dwelmen; bedwelming, flauwte.

Dwers; dwars er over, al over dwers; dwars door.

Dwelt; 3e p. enkv. tegenw. tijd v. Dwellen; doen dwalen.

Dwinghes; 2e p. enk. tegenw. tijd, aant. of aanv. wijs, v. Dwinghen; beknellen, in het nauw brengen. Dwyngen; samenknijpen.

Dystorie; de geschiedenis, het geschiedverhaal.

 

E.

Echt; wederom, opnieuw of: vervolgens, naderhand, later. Echte: rechte: oprechte.

Eder netelen, heide netel; brandnetel, Urtica.

Een ende een, 試n voor 試n.

Eenparlike; zonder onderbreking, gelijkelijk door.

Eer; voorz., eer avont; voor het avond is/was, v覧r de avond, eer hiet lanc; spoedig daarop, eer yet lanc; al gauw, binnen korte tijd, bijw.: tevoren, als voegw.: voordat; voor.

Eerdbeesen cruyt, aardbei kruid, Fragaria vesca.

Eerlijc, eerlike; op eervolle wijze.

Eerst, so hi eerst mach/mochte: zie mach en mochte; zo gauw het kan.

Egghe; scherpe kant, snede.

Egglentiere; wilde roos.

Eghin, eghijn; eigen, eigendom.

Eist; is het (dat).

El; anders, el ne ghene(n); anders niemand, niemen elユ; niemand anders.

Elc ander, elc andren bi; bij elkaar (eig. ieder de andere nabij).

Elfs ghedrochte; door elfen voorgetoverde verschijning.

Elkerlijc; ieder, elkerlijc andren; elkander.

Ellinde; verdriet, smart.

Elleborum album. Witte nieswortel, scamenien, scamponie, Veratrum album, de zwarte, niger, is Helleborus niger.

Elne; anders niet, anders geen, elne gheen; noch iemand anders, om elne ghene sake; nergens anders om, elne gheine; niemand anders.

Enyoen; uien, Allium cepa.

Elps bene; ivoor, vorm v. Elpsbeen; elpenbeen, ten elpsbene; aan elpenbenen tafels.

Elre; elders.

Els; anders, els en gene dinc; anders niets.

Emmer; beslist, in ieder geval, althans, steeds, al maar door, altijd, emmerme; voor langere duur, emmermere; voor altoos,

emmer toe; al maar door.

En; ontkennend partikel; niet, passim; en ghene; geen.

Ende; en.

Ende, ten ende; aan het eind, tenslotte.

Engiene; 3e nv. v. Engien; list, bedrog, meerv.: vernuftigheden, knepen; ook concreet: vernuftig aangebrachte werktuigen.

En si; zij het niet, tenzij.

Ens niemen; er is niemand.

Entie, entien; ende die, enties; ende dies; en hiervan.

Entrouwen; waarlijk.

Erch; letsel, schade,.

Ere, enen die ere doen; iem. met een daad tot eer strekken, eer aandoen,

Ermenien; verbogen vorm van ermenie = hermelijnbont.

Erre; toornig, verontwaardigd, spijtig, boos, wanhopig, verdrietig, 5062; erre sijn; het betreuren,; erre werden + 2e

nv. obj.; er spijt van krijgen.

Erssine; hersens.

Etelic; van elk.

Etmael; periode van 24 uur.

Evel; kwaad, slecht, ghi hebt een evel spel beroert; ge zijt een gevaarlijk spelletje begonnen, boos, lelijk.

Euvel moet, evel moet; boosheid, toorn; sinen evel moet vergheven; lett. iem. zijn toorn (over gepleegd onrecht) vergeven, d.w.z. hem niet meer straffen, zijn schuld vergeven, evel moet up mi draghen groot; zeer boos op mij zijn.

Exemple; leerzame aanwijzing, bewijs, voorbeeld.

 

F.

Faelge, gespeelt ter faelge; verloren, faelgen; ontbreken, bezwijken, het begeven, sonder faelgen; zonder

te missen, zonder twijfel,; ter faelgen spelen; voor de grap vechten,

faelgierden; verl. tijd v. Faelgieren; bezwijken, breken.

Fazeelhouts, fatseelhout: fustethout (Frans fustet), Cotinus coggygria.

Faute, bi der jaute; door het ontbreken van.

Fayt; een bedreven daad, feit; daad.

Feeste driven; plezier maken.

Fel, felre; woest, onmeedogend, hard, verschrikkelijk, gevaarlijk,

Fenecoel: fenecols,  feniculi, veenckelen, veenckle, veencoel, vencoel, vennecoel, venkol, venkel, Foeniculum vulgare.

fenugrecum: fenegriek, funagreye, fenigriec, fenegriek, venigriec, Grieks hooi: fenu graecum,  Trigonella foenum-graecum.

Fermilioen, formilioen; vermillioen, scharlakenrood, hoogrood.

Felre stede; uiterst gevaarlijke plaats.

Felloen; booswicht.

Festeren; feestelijk ontvangen, f腎eren, fisteerdene; f腎eerde hem

Fijn; schoon.

Fioel, fiole: distilleerkolf.

Fiole, fioletten, viooltje, Viola odorata.

Flau; laf.

Floers: wilt soffraen diemen hiet, Carthamus tinctorius of saffloer.

Floreye: blauw schuim, afgeschept van de kuip waarin linnen blauw geverfd wordt.

Flos eris: groenspaan, aerugo, verdegris, een verbinding van azijnzuur met koperoxide.

Fluctes: snel.

Foelge, folium, folien: foelie, het vlies rond de muskaatnoot, Myristica fragrans.

Foert: verder.

Fonteine; fonteyne, fontein, bron.

Foreest; woud.

Formicen: beten van giftige mieren: dats een cleyn puyste met ioecksel en grooter pijnen.

Freut: poeder gebruikt in spijzen.

Frisken steen: Friese steen.

Frues verue: fruitkleurige verfstof.

Frugber: vruchtbaar.

Fulheiden: vuiligheden, hier stofjes, vuiltjes in de ogen.

Frotsieren; verbrijzelen, kneuzen.

 

G.

Gader, te gader; op elkaar in, tezamen. Te gader comen; elkaar aanvallen, treffen in het gevecht, te gader keren; op elkaar in rijden.

Gaen, die tale laten gaen; er niet meer over spreken, het verhaal staken, onderbreken, mijns gaens nes daer niet;voor mij is het niet geschikt daar heen te gaan.

Gaept; v. Gapen; de mond opendoen.

Gaghel, gagle; gagel, Myrica gale.

Galt,... weder: verl. tijd v. weder gelden; iem. betalen, vergelden.

Gans; hersteld, genezen.

Garsoen; schildknaap, bediende, vgl. Ghersoen, garsoene, meerv. v. garsoen, garsoenen.

Gast, gaste; vijand, vreemdeling, bezoekers.

Gave, gave .... up = gaf (hij zich) over.

Gawi,  gawi toe; laten we aanvallen.

Geachtewaert; gezorgd voor.

Gebout; gekneed.

Gebrac, gebraken; ontbraken

Gebrunirt; zilver gepolijst.

Gecancelirt; ghecancelert: vernietigd.

Gedurich; duurzaam.

Gefaelgiert; toegetakeld, kapot; zie ook: faelgieren.

Gefrocherden, gefrotserde; gekneusde.

Gehacht, lettel gehacht; als van geringe betekenis geacht.

Gehebt; ge礎d.

Geleden; geleiden, brengen.

Gelet; gedraald.

Gemake, met gemake; rustig aan, gemakkelijk, te gemake sijn; in zijn schik zijn.

Gemoeden; bedenken, erkennen.

Gemynde; gemene; algemeen.

Geneettet, genet; nat gemaakt.

Genent, met genent; met stoutheid, ook: met spoed, ijlings.

Gepingiert; geschilderd.

Geproevet; ondervonden.

Gerynghe; zonder moeite, graag.

Geseget, gesicht; gezift.

Gescouuen, geschouwen; verzengd, gebrand.

Geschuerde; geschuerde, de breuk.

Gesouch; gehijg.

Gespaert; getalmd.

Gestaden, met gestaden zinne; beheerst, welgevoegelijk, waardig.

Gesteken; gestoken.

Gesyen; gezien,

Getagen; getogen, gespreid.

Getouuet; toebereid, bewerking van leer.

Gewontlich; gewoonlijk.

Gewacht; beloerd, gewachten; op z'n hoede zijn voor iets.

Gewaget, v. gewagen + 2e nv.-obj.;spreken over;: dat ge nu hierover spreekt.

Gewaken; gewaakt.

Gewone, gewoonlijk: gewoenlijke, ghemeijnlic, gemeenlijck. Gewone, algemene: ghemeyne, gemeene, gemeyne, ghemeynder.

Gewouden; de macht hebben over, er over beschikken, gedogen, tot stand brengen, daventure moets

Gewouden; het lot moge hem gunstig zijn.

Ghaerne, bijw., gemakkelijk, licht.

Gheachemeert; uitgerust ten strijde, v achemeren; uitrusten, uitdossen.

Ghearnen; succes hebben.

Ghasp; handvol,

Ghealuunt: met aluin ingewreven.

Ghebernt ghenernet, gheberrent, gheberent: gebrand, verbrand.

Ghebroect: gebroken, verpulverd.

Ghecleinset: gewrongen.

Ghecoleert: ヤcoleren is dat men puluer of dranc of syroep of salue of plaister doer een cleet built of cleynst doer een teemsユ.

Ghedwoghen, gedwogen, ghedweghen, gedwegen; gewassen.

Gheetinre ghetinre:  geiten(melk).

Ghelte: vochtmaat, inz. voor wijn en bier, met ongeveer dezelfde inhoud als een stoop, dat is ongeveer 2,60 l.

Ghemane: gemene, gewone.

Ghemete:. naam van een inhoudsmaat.

Ghenet, ghenettet: natgemaakt.

Gheort: gezet, geslepen.

Ghereit: maakt gereed, geneigd.

Ghespaente: bose - boosaardige geest, (ziekte)demon.

Ghetogen: getrokken.

Gheuorwet: geverfd.

Ghewalket, ghewallet, ghewalnen, ghewellet: gekookt.

Ghezitten: ophouden, gedaan zijn.

Ghebare; zijn (heftige) manier van doen,; in dier ghebare; op zodanige, op die wijze.

Ghebaerde, gheberde, ghebaers, ghebaert, ghebaren, ghebarde; doen, zich gedragen,te keergaan, jammerlike ghebaert; maakte hevig misbaar, gheberde blidelike; was blij, toonde vreugde.

Ghebeden; volt. deelw. v. Bidden; vriendelijk verzoeken, vragen om iets.

Ghebenedijt; gezegend, geprezen, volt. deelw. v. Benedijen; zegenen, verheerlijken, prijzen.

Ghebod, ghebot, ghebode; aanbod, voorstel, ghi biet mi een scone ghebod; ge doet me een prachtig voorstel, macht, heerschappij, ghebot hebben; te gebieden hebben, gezag, macht hebben, staen te uwen ghebode; tot uw beschikking staan; mede te doene al u ghebod; er mee te doen wat ge wilt, jou ghebod; hetgeen ge wilt,.

Gheboet, gheboot; verl. tijd v. ghebieden; vaste uitdr.: God die mij gebood, nl. te leven, d.i.: die mij het leven gaf, creature die God gheboot; schepsel, dat God het leven gaf,; die God gheboet; die God heeft geschapen.

Ghebose; slecht, onaangenaam (niet ghebose = heerlijk).

Ghebrac, ghebraken, ghebrake, ghebreict, ghebreket, ghebreken; ontbreken, dat hem sins ghebrac; dat hij buiten bewustzijn geraakte,; hem niet laten ghebreken; het hem aan niets laten ontbreken, hem van al het nodige voorzien; dat hem ..... der hooft zwere niene mach ghebreken; dat hij er duidelijk hoofdpijn van zal hebben.

Ghebruneerd, ghebruneerden swaerden; gepolijste zwaarden,.

Ghebruuc, die gheen ghebruuc heeft sire lede; die zijn ledematen niet gebruiken kan.

Ghecele; gesel, touw met knopen.

Gheconreit; volt. deelw. v. Conreiden; verzorgen van een paard, van het nodige voer voorzien.

Ghecreghic, ghecrighen, ere ghecrighen; eer inleggen met iets, dies ne ghecreghic nemmer ere; die schande zou ik nooit meer kunnen uitwissen, eig.: daarmee zou ik nooit meer eer kunnen behalen.

Ghecroect; gedeukt, gekreukt.

Ghedade; volvoerde.

Ghedaen; volt. deelw., up ghedaen; weggenomen,; + bijw.: hoe ghedaen; hoedanig; so ghedaen; zodanig, van zo voortreffelijke inborst, of: zo dapper.

Ghedane; uiterlijk, gestalte, gedaante.

Ghedanen, dus ghedanen, so ghedanen; zodanige(n), Zie ook: ghedaen.

Ghedede; klaarspeelde.

Ghederen; deren, kwetsen, letsel toebrengen, vant ghederen; streef er naar (je vijand) te deren, Vgl. vant.

Ghedichte, gedichte; dicht op 試n, snel na elkaar, vele, hevig, so ghedichte; zo veel achtereenvolgens, wel ghedichte; snel op試n, de een na de ander in snelle opeenvolging.

Ghedinken; bedenken.

Ghedogen, ghedoghen, ghedoghe; toestemming,

Ghedoghen; doorstaan, doorlijden.

Ghedomt; bedwongen.

Ghedraghen, uten sadele ghedraghen; uit het zadel gewipt, gestoten.

Ghedreecht; gedreigd.

Ghedreighe; bedreiging, gevaar.

Ghedrouch; voortbracht.

Gheduren; standhouden, het uithouden (tegen), doorstaan.

Ghedweghen; volt. deelw. v. Dwaen; (de handen) wassen.

Gheeft, gheeft ju up; geef je over!.

Gheerwede; verl. tijd v. Gheerwen; kleeden, tooien in ambtsgewaad, spec. v.e. priester.

Ghefeen; verl. tijd v. Ghefinen; eindigen, (er mee) ophouden.

Ghefesteert, ghefisteert; feestelijk ontvangen, onthaald.

Ghegaen, an ghegaen; gekomen.

Ghehebbet; ge礎d. Zie ook: gehebt.

Ghehende; nabij, dicht in de buurt.

Ghehulpich; tot hulp bereid, behulpzaam.

Ghehuuc, tghehuuc; geschreeuw, vgl. ghuuc en huuc.

Ghehuut, ge uut; afgelegd (v.e. dode).

Ghehuust; opgejaagd, vervolgd.

Ghelaet; wijze van doen, houding, van ghelate; van uiterlijk, van voorkomen, manier v. doen.

Ghelaten; achtergelaten, wederk., zich gedragen, 10913; hine can van hem bliscapen hoe ghelaten; hij weet niet hoe hij zich van blijdschap gedragen, houden moet, wel ghelaten; goed gedragen.

Ghelauwe; lees: ghelaude; greep beet.

Ghelden; betalen, vergelden. Zie ook achterstelle.

Ghelede, gheleide; vrijgeleide; vast gheleide; bestendige, duurzame vrijgeleide, in die Gods gheleide; onder Gods bescherming, up sine ghelede; onder zijn bescherming.

Gheleden; begeleiden, vgl. Geleden; gheleden in; beschermen op je tocht.

Gheleec, verl. tijd v. Gheliken; toeschijnen, blijken.

gheleet, hier van telgen, wide gheleet = wijd vertakt, 5098.

Gheleit; belegerd, vergl. beleit.

Gheles; gewoon.

Ghelide; (wijt), teg. tijd 1e pers. plur. van gheliden; passeren: dan komen wij er nooit over heen,. Vgl. liden.

Ghelievet, nu ghelievet mi de strijt;nu is de strijd mij aangenaam.

Ghelike, in der ghelike of; net alsof, dergelijke.

Ghelof; belofte, aanbod, ghelof te behoudene; belofte, eed te houden, hi hevet sijn ghelof gedaen; hij heeft zijn toezegging gestand gedaan, tghelof ontfaen; de toezegging gedaan krijgen, belofte; aanbod, onderneming waaraan een belofte is verbonden, voorwaarde.

Ghelogiert; gekampeerd, gelogeerd.

Gheloken; volt. deelw. v. Loken; sluiten.

Ghelooft; belooft, beloofd.

Ghelosede; overlegde.

Ghelouwen, hi ghelouwen; hij greep hem.

Ghelove; beloof, ghelof; hetgeen ge beloofd of gezworen hebt, tharen ghelove; tot haar dienst, te hare beschikking, gheloven; beloven, ghelovet; belooft, 2e ps. enkv. verl. tijd = ghelovedet; beloofde.

Ghelovich; vermoeid.

Ghelu; geel, gheluwen, geel, blond.

Ghemac; verzorging, rust.

Ghemake, met ghemake; kalm, in rust en vrede, in een prettige stemming; te ghemake; in prettige omstandigheden, in z'n schik, te ghemake sijn; tevreden zijn, het naar z'n zin hebben, alles hebben wat men behoeft, hoe sidi te ghemake; hoe gaat het met u, sijt te ghemake; stelt u tevreden met, neemt genoegen met, bet te ghemake wesen; er beter aan toe zijn, te ghemake doen = iem. van het nodige voorzien, goed verzorgen, iem. het aangenaam maken, ghemaken; volvoeren, ghemaken (= volledig maken) vroet; volledig inlichten.

Ghemeenlike; tezamen.

Ghemeine; alegmeen,, gemeenschappelijk.

Ghemicke; passend; si waren hem wel ghemicke; zij pasten hem precies.

Ghemicken; beramen, met juistheid berekenen.

Ghemoet; aanval, vijandelijke ontmoeting, starc ghemoet; zwaar gevecht,; in sijn ghemoet; in gevecht met hem, teerste ghemoet doen; de eerste aanval doen.

Ghemoet, wel ghemoet; van goede inborst, minzaam.

Ghemoete, ghemoette; ontmoette, ghemoetti; ontmoette hij.

Ghenaden, verbogen vorm v. ghenade; welwillendheid, (2e nv. enkv.); goedheid, grote ghenaden doen; welwillend bedienen, bi uwer ghenaden; door uw goedheid, uit goedheid, dor, duer ghenaden; uit gunst, welwillendheid, dor ghenaden dat sect mi; wees zo vriendelijk mij dat te zeggen, te ghenaden comen; te pas komen, van nut zijn, staen tuwer ghenaden;ootmoedig vergeving vragen, soe es ter Gods ghenaden; zij is in de hemel (waar ze Gods genade geniet), ghenadichede, doen uwe ghenadichede; u genadig zijn.

Ghenaken; naderen, aanraken.

Ghenaren; generen; voedsel zoeken.

Ghenende; moed, onverschrokkenheid; met ghenende; onverschrokken, (stout)moedig, met kracht, en met spoed,.

Ghenendelike; onverschrokken, stoutmoedig,fier, met moed, ghenenden; wagen.

Ghenent, met ghenent; met geweld, met kracht, onverschrokkenheid.

Ghenentalve, van ghenentalve; eig. van geen enkele kant: nergens, ghenenthalve, zie ghenentalve en vinden.

Ghenesen; levend, goed van iets afkomen, enz.; levend, gered ontkomen, er goed van afkomen, of: herstellen van?

Gheninden, + 2e nv.-obj., iets durven ondernemen, wagen.

Ghenomen; opsommen, opnoemen.

Ghenoot; gelijke.

Gheordineert; uitgerust, toegerust, opgetooid.

Ghepait; tevreden gesteld.

Ghepiert; vastgebonden.

Ghepijnt,- volt. dw. v. (hem) pinen; zich inspannen, moeite doen; hevets hem ghepijnt .... te ghewinnen; heeft er zich voor ingespannen .... om in zijn bezit te krijgen, vgl. pinen.

Gheproeft; geprobeerd, gheproevet, volt. deelw. v. (wederk.) proeven; zich betonen; mijn swaert hevet gheproevet wel; heeft zijn kwaliteit bewezen.

Gheraden; met raad bijstaan.

Gheraect, volt. deelw. v. raken = eig. aan iets kunnen komen, aanraken; fig. Met abstract object: zien, in aanraking komen met, (vgl. ghelesen); v. Gheraken; terechtkomen, es gheraect te; is terechtgekomen op, wel gheraect; sierlijk,; op een goede plaats terechtgekomen, voortreffelijk, uitstekend, mooi, wel gheraect van seden; welgemanierd, keurig in zijn optreden, gheraecte, verl. tijd v. Gheraken, gheraecter, bet gheraecter; voortreffelijker.

Gherande, = gheenre hande; generlei.

Ghere; begeerte, verlangen, lust, begeerte nl. om te strijden, strijdlust, of ic blive doot in die ghere, bezwerende formule:

ヤik moge sterven als ik deze wens niet vervul!ユ, elkerlijc had anders ghere; ieder had het op de ander begrepen, biden ghere; volgens zijn verlangen.

Ghere; slip v.e. kleed, kledingstuk, bi den ghere; bij de slip van zijn kleed, met zinen ghere; met de slip van zijn kleed.

Gherechte, tgherechte vaghevier; het echte vagevuur.

Ghereckets, ghereckets hals; met gerekte hals.

Gherede; zadel, tgherede; het zadel, Vgl. ghereide.

Gherede; bijw. als ghereet; zonder omwegen, onverwijld, zonder voorbehoud.

Gheredelike; vlug, zonder moeite.

Ghereden, ghereiden; in gereedheid brengen, klaarmaken, voorbereiden (met wederk. voornw.: hetz. + zich), dikwijls: voor de strijd.

passim; slagvaardig maken, hi (ghe)reedde hem ter were; stelde zich in afweer, ghereedde(n), verl. tijd v. ghereden. Ghereet; gebied. wijs v. Ghereden.

Ghereet; gereed, stellig, ongetwijfeld, vlot, vaardig, snel, gemakkelijk, zonder talmen, onverwijld, zonder aarzelen,.

direct, onmiddellijk, aanstonds, of: zonder twijfel, wel ghereet; zonder moeite, zonder omwegen, onmiddellijk, vant

ghereet; vond klaar staan, jou so eest al ghereet; het staat geheel tot uw beschikking, ic bem ghereet ende soude varen; nu sta ik op het punt uit te rijden, ghereit, volt. deelw. v. ghereiden: in gereedheid gebracht, gereed, schoon gemaakt en hersteld.

Ghereide; paardentuig en zadel.

Ghereide; zadel,  passim; tghereide; het zadel. Vgl. gherede.

Gheretiere; generlei.

Gherne; met aandrang, graag, met (grote) begeerte, gemakkelijk, licht, gewillig, bereidwillig.

Ghernen; baardharen.

Gherochte, gerochte, verl. tijd v. Gheraken; raken, treffen, aanraken, bereiken, up ons maken groet gherochte; een hevig strijdgewoel tot ons trekken.

Gherochten(e); raakte hem, gherochtene, gherochte ne; raakte hem, gherochter, gherochte er; raakte er, gherochti; raakte hij, gherochtine, raakte hij hem.

Gheronnen; volt. deelw. v. Rinnen; stromen, vloeien.

Ghers; gras, vgl. tgars.

Ghersoen = garsoen; dienstknecht, ghersoene, meerv. v. ghersoen.

Ghesant; volt. deelw. v. Senden zenden.

Ghesate; woonplaats, sate, kasteel.

Ghescaect; geruit.

Ghescal; lawaai.

Ghescent; geschonden, in het ongeluk gestort.

Ghescepen; geschapen; nadien dat ghescepen staet, stoet, nadien dat het geschapen staat.

Ghescie, geschiede; ghescie daer of wats ghescie: laat er van komen wat er wil, ghescien, geschieden.

Ghescoeite; schoenwerk, schoeisel.

Ghesconfiert; uiteengedreven, in de pan gehakt.

Ghescoort, ghescoort, volt. deelw. v. Scoren; scheuren.

Ghescreven; volt. deelw. v. Scriven; schrijven.

Ghescuerd; gescheurd, gehavend, Vgl. ghescort.

Ghesecghen, ghesegghen, gheseggen, (volledig) opsommen, zeggen.

Gheselle; gelijke, gezel, ghesellen, zwakke 2e nv. enkv. v. Gheselle.

Ghesent; volt. deelw. v. Senden; gezonden. Vgl. ghesant.

Ghesien; in ogenschouw nemen, overleggen: den raet ghescien ende ghetelen; het plan overwegen en ten uitvoer leggen (omschr. voor: laten we vluchten!).

Gheslaen; schieten met pijl en boog.

Ghesleghen, geslegeb; geslagen, ane hem slaen; op zich nemen, Vgl. ghelof.

Ghesmet; gesmeed, ghesmide, met metaal beslag bewerkt paardetuig, up grote orsse ende diere ghesmiden; op grote rijk opgetuigde paarden, ghesmiden, meerv. v. ghesmide.

Ghesonde; gezondheid.

Ghesont; ongekwetst.

Ghespelen; gezellinnen.

Ghestaden, (van) ere bede ghestaden; een verzoek inwilligen, ene bede ghestaden; toestaan, vergunnen, ghestaden, verbogen vorm v. bijv. naamw. Gestade; kalm, beheerst, deftig; in enen ghestaden zinne; waardig, deftig, ghestaen, standhouden, het uithouden tegen.

Ghetelen; uitvoeren van een plan. Vgl. ghesien.

Ghetellen; volledig vertellen.

Ghetemen; in overeenstemming met z'n waardigheid achten, gepast achten, met z'n geweten overeen brengen.

Ghetoget; getoond, betoond.

Ghetrouwen, dies machic hem wel ghetrouwen; dat kan ik hem wel toeschrijven, dat kan ik gerust van hem zeggen, dies mochti wel an hem ghetrouwen; dat kan je wel van hem verwachten.

Ghetrucket, getruct; getrokken.

Gheturst; opgeladen.

Ghevaen; volt. deelw. v. Vaen; vangen.

Gheval; geluk, lot(sbeschikking), goet geval: een gunstig lot, ghevalle, els ghevalle datter of ghescie; er kome van wat er van komen moet, ghevalle, verbogen vorm v. gheval,

Ghevallen; gebeuren, overkomen, gebeuren, ten deel vallen, ghevalt, tegenw. t., enkv. v. Ghevallen, ghevellen, verl. tijd v. Ghevallen.

Ghevaren, volt. deelw. v. Varen; gaan.

Gheve, gheve mi up; geef mij over.

Ghevelt; te niet gedaan.

Ghevelt, was ghevelt; was gedoofd.

Ghevereschen; informeren.

Ghevet, ghevet wel (zonder object, nl. ヤslagenユ); er van langs geven.

Ghevisiert; bedacht, uitgedacht.

Ghevoert, volt. deelw. v. Voeren; behandelen, bejegenen.

Ghevoech,  ghevouch, eig. hetgeen iem. voegt, past; hetgeen iem. behoeft of wenst, mijn ghevouch; wat mij past, van pas komt, wat ik nodig heb, hare ghevouch hebben + 2e nv; zoveel hebben als ze wensten, als hen paste, het was qualike haer ghevouch; het was niet erg in hun voordeel, waert u ghevouch (beleefdheidsformule); als ge wilde, als het

u belieft, int ghevouch; genoeg, zoveel als past of gewenst is, juist zoals het goed is, na mijn ghevouch; naar mijn zin, overeenkomstig mijn verlangen, na zijn ghevouch; zoveel hij wenste, zoals hij behoefde.

Ghevreeschte, verl. tijd v. ghevreesschen, (door vragen) te weten komen.

Ghevroede, ghevroeden; inzicht, kennis van iets krijgen, bevroeden, menen.

Ghevurst; uitgesteld.

Ghewach, ghewach doen; mededeling doen.

Ghewacht;  bewaakt, beloerd.

Ghewaerde; snel, spoedig.

Ghewaerlike; in waarheid.

Ghewaghen; melden, zeggen; hine wils hem niet ghewaghe; hij wil het hem niet zeggen, doen blijken.

Gheware, gheware werden van; bemerken, gewaar worden, zien.

Ghewat; de doorwaadbare plaats.

Ghewedde, 3e nv. enkv. v. Ghewet; gevaarlijke toestand.

Ghewelt; macht, siere zinne ghewelt; de heerschappij over zijn verstand, bewustzijn.

Ghewer; hulpvaardig.

Ghewes; gewis, zeker.

Ghewesen; (+ 2e nv.-obj.) iets volhouden, erin volharden; wat sal mijns ghewesen; wat zal er van mij overblijven, worden, ic moets ghewesen; ik moet er door, er aan geloven.

Ghewijst; gewezen.

Ghewilleger, ghewillegher, met ghewilleger hant; strijdvaardig, met grote strijdlust, met veel animo.

Ghewin; jachtbuit.

Ghewinnen; veroveren, door strijd in bezit krijgen, in ghewinnen, (onoverg.); binnendringen.

Ghewoude, ghewouden, verbogen vorm v. Ghewout; macht, geweld, met ghewoude; met inspanning van zijn krachten, fors, ghewouden,;(2e nv.-obj.) macht hebben over.

Ghewracht, ghewrocht, volt. deelw. v. Werken; maken, doen, ghewrocht wonder groot; dappere staaltjes uitgehaald,

Ghewrocht; gemaakt, gevormd, verricht, tot stand gebracht, ghewrochte; maakte.

Ghezijn; geweest.

Ghichte; gift.

Ghile; spot; juwe ghile houden; de spot drijven, gekscheren.

ghin, ghinc hen ane; viel op hem aan, ghinc toe; paste, ghine = ghi + neg. partikel ne; neg. Zin.

Ghinghebare; gember, Zingiber.

Ghinghen, ginghen, ghinghen hen an; reden op hem af, toe, vielen hem aan.

Ghirich; begerig.

Ghisarmen; strijdbijlen.

Ghispe; gesp.

Ghoden nacht, ghoden nacht gheven; zegenen, geluk geven, helpen.

Ghuuc, tghuuc; het geschreeuw, Vgl. ghehuuc, en huuc.

Gichticheit, gichte, gycht, giechte, yecht, yechtichede; jicht.

Gladie: Iris pseudo-acorus.

Glandule: glandulae; klieren.

Glarie:  dat is wyt van eye; glarien; eiwit.