Plantaardigheidjes.

 

Aardigheden van planten door Nico Koomen.

 

A.

Abies alba wat wit betekent. Het is de witte boom of zilverboom naar de zilveren tint onder de naalden. Groeit slank en piramidaal op maar bij ouder worden wordt hij net als bij de mensen onregelmatiger. Ontwikkelt zich maar langzaam, pas met een 25 jaar komt hij op gang maar gaat dan wel een 200 jaar door en bereikt zo een hoge leeftijd, een Abraham maar geen Methusalem. 

Het is een sapboom, de Fransen noemen het dan ook sapin blanck of wit sap. Dit is een geurende olie of terpentijn met de reuk van citroenen. Terpentijn is in gebruik geweest om boze geesten uit te roken. (=ontsmetten)

Het is ook een edele den, een edelden omdat het hout edeler is dan van de den of vurenhout.

Maar de eigenlijk naam is spar. Een spar was oorspronkelijk een woord voor het ge­vorkte eind van een balk waarop de vorstbalk rust. Het is een boom die geschikt is voor het maken van sparren.  Ook sperren of versperren betekent dan met sparrenwerk verstopt. Maar de naam spar is ook verwant met speer, een minder aangename afleiding.

Het hout is wit en laat zich goed bewerken, een prima bouw en brandhout en ook voor draaiers en snijwerk, ook voor muziekinstrumenten. De Cremonenzer vioolbouwers hebben het dennenhout beroemd gemaakt. Dit waren de gebroeders Amati met hun zoons, waar Stradivarius en Guarneri leerlingen van waren. Vooral het hout van jonge bomen wordt gebruikt als resonansbodem.

God kwam door een bos, samen met de H. Nicolaas. Ze zagen dat er rook opsteeg vanuit een bepaalde plaats. St. Nicolaas er heen en die zag dat de duivel bezig was om brandewijn te stoken uit eikels. St. Nicolaas vond dat een wonderbaarlijk ding en vroeg zich af of dit werkelijk naar brandewijn zou smaken. Het was voor de duivel dan ook geen moeite om hem over te halen wat te proeven. St. Nicolaas had zo een beker leeg en wilde weer vertrekken. ヤHoユ, zei de duivel, ヤje hebt me nog niet betaaldユ. Dat was vervelend. Een heilige heeft nooit geld op zak. ヤHet spijt meユ, zei hij, ヤik heb geen geld bij me, maar ik zal het laten brengenユ. ヤOkayユ, zei de duivel, ヤwanneer zal dat zijn?ユ ヤAls de zilverden zonder naalden staatユ. De duivel vond dat goed en St. Nicolaas keerde terug naar God. Die vroeg hem waar hij zo lang gebleven was en hij vertelde hem alles eerlijk. God maakte dat de zilverspar in de zomer en winter zijn naalden behoudt. Wel bleef St. Nicolaas de schuldenaar van de duivel.

 

Abrus precatorius, die laatste toevoeging betekent bidden omdat van zijn blinkend rode en steenharde zaden als gepolijste koralen rozenkransen of paternosters werden gemaakt, het is de paternostererwt. Ze hebben ook een zwarte plek om de navel waarom ze Amsterdamse weesmeisjes genoemd werden naar de combinatie van rode en zwarte kleur net als de kleur van de weesmeisjes.

Maar de zaden zijn gevaarlijk giftig en bevatten eiwitachtige stoffen die ongeveer dezelfde uitwerking hebben als slangengif. Er zijn vermeldingen dat mensen gedood zijn doordat ze zich per ongeluk in de vinger staken bij het rijgen van de zaden en zodoende het sap binnenkregen. Volgens de zwarte bevolking zou een half zaadje genoeg zijn om een man te doden.

De zaden zijn vrij gelijk in gewicht. Door Boeddhisten worden ze gebruikt als gewicht om goud en andere dure zaken af te wegen. Het gewicht van de diamant Koh-i-Noor werd met dergelijke bonen afgewogen, ze wegen rond een karaat net zoals bij ons de karaat van de Johannesbroodboom.

 

Acacia.

Acacia's zijn vooral bekend geworden door de Arabische gommen die gewonnen worden uit de bast van verschillende soorten.

De oude Egyptenaren gebruikten de gom in de schilderkunst. De gom is bij normale temperaturen in water oplosbaar en geeft zo een dikke kleverige substantie. Dit werd als kleefmiddel en als medicijn gebruikt. In de middeleeuwen werd de gom weinig gebruikt en kwamen er slechts kleine hoeveelheden naar Europa. Op het eind van de 18deeeuw kwam de gom in stijgende hoeveelheden voor in de industrie (de gom is later vervangen door dextrine). De Duitse drukkerij gebruikte voor postzegels jaarlijks 100 000 kg van deze gom. Verder werd de gom gebruikt voor likeurbereiding, het appreteren van zijde en kantwerk. Ook kon de gom gebruikt worden voor fijne waterverven en bereiding van inkt. 

De tempelbouwmeester Hiram Abif werd door drie afgunstige metgezellen vermoord en onder een grafheuvel begraven. Hierop werd een acaciatak geplant. Omdat de gedode symbolisch in de tak voortleeft is de acacia het symbool van de wederopstanding, het leven na de dood. Bij de vrijmetselaars worden de overlijdensberichten met deze tak opgesierd en worden er takken in het graf gelegd.

De Acacia was in Egypte het symbool van eeuwigdurend leven, wat de Isra鼠ieten daar mogelijk geleerd konden hebben. Een takje van Acacia werd wel in een open graf geworpen als deel van een begrafenisceremonie.

Dit symbool van onsterfelijkheid is door de latere bewoners, barbaren en ongelovigen overgenomen, samen met die van de begrafenisplechtigheid. Deze latere gebruikers waren onverschillig voor de diepere betekenis ervan en zagen het gebruik geleidelijk aan als een teken van de dood. Een Acacia zou dan nu ook nooit in huis genomen worden omdat dat ongeluk brengt.

Acacia, geel. Symbool van kuise liefde of vriendschap.

In de symboliek is het geven van een Acacia bedoeld als teken van kuise liefde of vriendschap. Mogelijk is dit naar de meestal negatieve gele kleur die gecompenseerd wordt door de warme geur.

 

Acanthus. Berenklauw.

De smaakvolle Korinthische bouwmeesters hebben de kapittelen, die de Korinthische zuilen versieren, de gedaante van acanthusbladeren gegeven. Zo was het gebruik al in de vijfde eeuw voor Christus. Die kapittelen waren ontworpen door de beeldhouwer Callimachos. De Grieken hebben hun drie orden van bouwkunde in de Korinthische proberen te verenigen door zuiverheid van stijl, sierlijkheid en pracht. Vitruvius zegt: メDe Korinthische stijl kan men vergelijken met een jong meisje, ze heeft het sierlijke van haar ledematen en is beter geschikt om door natuurschoon versierd te worden dan de anderenモ.

Zie hier, volgens de overlevering, de oorsprong van het Korinthische kapittel. Een voedster die op het graf van een jong meisje een offer bracht, die enkele dagen voor haar huwelijk was gestorven, plaatste het korfje met de sluier en bloemen op een acanthusplant. Toen nu de lente was gekomen hadden de bladeren zich om het mandje gegroepeerd en bogen de punten zich naar elkaar toe zodat het geheel op een hart leek dat gevormd werd door acanthusbladeren. Callimachos was verrast door deze natuurlijke versiering, die wel het werk van de Grati創 scheen, en maakte er het kapittel van het Korinthische kapittel van.

 

Acer, platanoides (plataanachtig), esdoorn.

Let bij deze boom op het openbreken van de grote zilveren nagels en het ontplooien van de bladeren en op hun stand aan de takken. Het blad is 10-18cm lang en 12-22cm breed, 5 en soms 7 lobbig, bochtig getand, tanden en lobben zijn scherp toegespitst.

De bloemen vallen ondanks de weinig sprekende groenachtig/gele kleur voldoende in het oog, want zij zitten aan grote recht opstaande trossen en gaan open voordat er bladeren aan de boom zijn. De esdoorn is het symbool van terughoudendheid, reserve, vanwege de onopvallendheid van de bloemen.

Is de bloem uitgebloeid dan ontstaan er op het vruchtbeginsel twee randen die spoedig uitgroeien tot grote vleugels. Bij rijpheid splitst die zich in twee創 wat in elk dik deel een zaadkorrel bergt. Als die afvalt komt die vrucht in een draaiende beweging zodat die vele malen langzamer naar beneden gaat dan een zaadkorrel van dezelfde grootte en heeft de wind de gelegenheid het vruchtje verder weg te voeren. De esdoorn is een vliegkunstenaar, een bezoekdag aan dit vliegveld der natuur toont ons honderden en duizenden piloten in training. In wedstrijdvliegen is de prijs voor de hoogst en verst vliegende, de verzekering van leven. Op zo'n hoogzomernamiddag als de lichtste luchten schijnen, die de droogte nog vermeerdert, dan vinden deze wedstrijden plaats.  Het zaadje ligt de gehele winter plat op de grond en in het voorjaar, als de wortels beginnen te groeien, steekt elk zijn vlag op in een rechte positie alsof het zeggen wil, hier ben ik. Van deze zigzaggende vleugels tref je er soms duizenden aan in een vlak gazon.

De boom kijkt wat nors van 30m hoogte op ons neer. Als echte noorderling is de Noorse esdoorn wat stugger van bouw dan zijn zuidelijke familielid. Deze Viking is wat woester, ruiger en forser, in zijn dikke knoppen wat rood aangelopen en aanliggend. Die knoppen bezitten melksap wat de zuidelijke vorm Acer pseudoplatanus  mist. Heeft ook wat scherper gevormd blad met meer lobben, ook tekenen de nerven zich scherper af, vooral aan de onderkant. De zuiderling heeft meer roodkleuringen aan de onderkant. De Noorman heeft zich goed verankerd in zijn standplaats, rooft als een echte Viking het voedsel weg van het grasveldje en breekt met zijn voeten dwars door paden heen.

Acer pseudoplatanus (valse plataan)

Met een 15 jaar heeft de boom de volle wasdom bereikt. Dan rekken de groene knoppen zich uit met het warmer worden van de voorjaarszon en soms blozen ze met heldere tinten. Uit de zwangere zachtgele cilinders breekt de bloei door als een groene, gouden waterval. Zo wordt de boom al vroeg overdekt met een gouden kleed. De overdaad van hangende trossen versieren de nog bladerloze boom als kaarsen.

Na die gouden stroom komen ongemerkt de grote en meestal drie- maar ook vijflobbige bladeren tevoorschijn, elk lob heeft een sterk middenrif. De scherp gepunte bladeren zijn aan de onderzijde blauwgroen en soms wijnrood gekleurd. De steeltjes zijn vaak karmozijnrood. Op hun levensavond sieren zij het park met geel en rood getint loof.

In Engeland komt het onder de naam wilde vijgenboom voor, sycamore. Volgens de traditie klom Zache殱 in de wilde vijgenboom (Ficus sycamorus) om de Heer te zien. Bij de mystieke spelen van de middeleeuwen ontbrak ten ene male die boom in Engeland waardoor de esdoorn als vervanger optrad. Vandaar dat de boom nu algemeen bekend is als sycamore.

De opmerkelijkste sycamoreユs in Schotland worden ヤdool trees ヤ genoemd, smartbomen. Die worden door de meest krachtigste baronnen in het westen van Schotland gebruikt om er hun vijanden en onhandelbare vazallen in op te hangen, daarom worden ze dool of grief tree genoemd. Een van deze is de zeer eerwaardige boom bij het kasteel Cassilis, een van de zetels van de markies van Ailsa, aan de oever van de rivier Doon. Het is niet zo opmerkelijk voor zijn omvang van stam als voor zijn wijduitstaande takken en weelderige bladen waaronder je wel 20 tot 30 man kan verbergen. De boom werd gebruikt door de Kennedy familie die de meest krachtige baronnen van west Schotland waren. Het laatste geval was meer dan 300 jaar geleden toen sir John Fau van Dunbar daar opgehangen werd, want hij probeerde, in de vermomming als zigeuner, de hertogin van Cassilis te ontvoeren die de dochter was van de Earl van Haddington, met wie hij verloofd was geweest toen hij naar het buitenland vertrok. Doordat hij een paar jaar in Spanje in de gevangenis zat dacht men dat hij dood was en trouwde de lady in zijn afwezigheid met John, Earl of Cassilis. Er wordt verteld dat de lady getuige was van het ophangen van haar vroegere verloofde vanuit haar slaapkamerraam.

Acer saccharum (suikerachtig) suikeresdoorn.

Het is de Canadese maple tree, de nationale boom van Canada, het blad staat in hun vlag. Een flinke boom kan 1‑1,5 kg suiker opleveren en kan daarmee een 40 jaar doorgaan zonder er last van te hebben. In 1870 werd er zo 20.000.000. kg. suiker gewonnen.

Verschillende legende van bomen en planten verwijzen naar Hiawatha. Hij gaf de rozen dorens vanwege zijn liefde voor de bloem zodat dieren die niet zouden eten, hij stal de eerste tabak van een reus en de rook die hij uitblaast in de herfst maakt de Indian summer, de prachtige herfstkleuren van de Amerikaanse bomen.

Als de kroon op zijn werk cre粗rde hij de suikeresdoorn, hoewel daar door de oosterse stammen over gediscuteerd wordt die verzekeren dat de suiker door een squaw ontdekt was. Die kookte elandvlees in het vroege voorjaar en omdat ze op enige afstand van water was vulde ze haar ketel met het sap van de boom. Ondertussen ging ze weg om wat met de buren te praten en op haar terugweg kreeg ze de schrik dat de vloeistof uitgekookt was. Het vlees was verdroogd zodat dit tot een onaangename materie geworden was die lelijk was om te zien maar met een aangename geur. Bang voor haar man, wiens voetstappen ze in het bos hoorde, vloog ze weg. Groot was haar verbazing toen ze naar het kamp terug kroop om te ontdekken dat hij prinsheerlijk bij het vuur zat en zijn vingers aflikte, die met een bruine substantie bedekt was, en het bruine en vieze vlees niet eens zag. Ze kwam naderbij en hij vergaf haar afwezigheid, sloeg zijn hand om haar hals en bedankte haar met vele woorden want ze had iets ontdekt dat veel waardevoller was dan elandvlees, ze moest voor altijd zijn bruid blijven.

 

Aceras.

Dit is de mensorchidee ofwel de Duitse Man-orchis. In het Engels is zijn naam green man orchis of man-orchis en in het Frans aceras en homme pendu: hangende man. De bloem lijkt wat op een mensenvorm, het lagere gedeelte van de bloem, de onderlip, is tweemaal zo lang dan de kelkbladen. Dit gedeelte hangt naar beneden en wordt met een lichaam vergeleken. De twee zijdelingse stukken lijken op armen, het gevorkte eind doet dienst als benen. Het algemene gezicht op het bloemhoofd is grappig en lijkt wel wat op een geelgroen poppenhoofd. Vandaar de Nederlandse naam poppenorchis of mensorchidee.

 

Achillea millefolium (duizendbladig), duizendblad.

Voorts zo heeft dit kruid om zijn wonderbaarlijke krachten om de wonden te genezen de naam Achillea gekregen naar de edele en zeer dappere ridder Achilles wiens leven en dapperheid van de po粗t Homerus beschreven is (Homerus Ilias XI 830). Want Achilles heeft het duizendblad, wiens krachten hem eerst van Chiron de Centaur gewezen en geleerd waren dit kruid allereerst gevonden en zijn kracht te kennen gegeven en Telephium van al zijn kwade zweren en zeer kwalijk heelbare wonden genezen.

Als bloedstelpend middel was het vroeger h春 middel tegen wonden die met ijzeren wapens waren toegebracht. Deze plant is daarom ook het symbool van oorlog. Als er wonden genezen moesten worden paste men het kruid toe door op het blad te kauwen en zo op de wond te leggen. Vergelijk de Engelse namen souldierユs wound wort, knyghten milfoil en militaris.

In midden Latijn was het (herba) carpentaria waar de bloedstelpende werking terug komt in het Franse herbe aux carpentiers en het Duitse Zimmermannskraut. Die heet ook wel herbe de St. Joseph omdat toen de schrijnwerker Jozef zich eens had gekwetst Jezus met dit kruid hem genas.

Dat het vooral toegepast werd bij neusbloedingen is terug te zien in de Engelse benaming 'nose bledeユ of nosebleed en in het nesebloede in middeleeuws Nederlands. H. Bock; ヤDit kruid is een tegengestelde natuur, alzo, wanneer men dat kruid kneust en op de bloedige wonden legt zo stijft dat bloed, daar tegenover wanneer iemand een blaadje in de neus doet, na een klein tijdje volgt er bloed uit hiernaユ. Het kruid werd vooral gebruikt bij neusbloedingen. Een oude variant van het gebruik is de volgende: neem een blad en steek die in je neus en draai het driemaal rond en denk ondertussen aan je geliefde. Als de neus bloedt kan je er zeker van zijn dat je haar krijgt. Deze bloeding blijft meestal uit, zodat het blad smarte­lijk in de neus blijft ronddraaien. Volgens een bericht uit de 17de eeuw zouden schoolkinderen het duizendblad gebruikt hebben om een bloedneus te veroorzaken zodat ze niet naar school hoefden.

 

Aconitum, monnikskap.

Stormhoed, Duitse Blauer Eisenhut en der Sturmhut, ranse casque: helm, of casque blue vanwege de blauwe kleur. In Shakespeare 's tijd was het kruid bekend als helmet flower.

Het laatste deel van een gegeven naam is bijna altijd een kap of hoed. Dit laatste gegeven bevindt zich ook in de veel oudere naam van de plant als Thorshelm die aan Thor (Donar) was gewijd. In de Noorse mythologie vertegenwoordigt de hoed van de akoniet de kap van duisterheid, wie in staat is die te dragen wordt onzichtbaar als hij of zij het wil. De kap was een deel van Odinユ s uitrusting. Vandaar de naam Odinユ s helm en gewoonlijk Thorユ s hoed of helm. De helmvorm suggereert meer de twee grote vechtende goden van het Noorden dan de wijze Odin. De Deense naam was troldhatl, de helm van Troll, een reus die soms de goden verving. Doordat de bloem met de kap bedekt is van de Noorse helden symboliseert de plant ridderschap. Omdat de bladeren schildvormig zijn zou de naam stormhoed, naar de tijd van de ridders, de beste naam zijn die bij deze plant past.

Toen de Benedictijnen de domeinen van Thor binnenvielen werd het de monnikskap, vergelijk het Duitse Munchs-Kapffen, Franse capuche de moine en Engelse friars cap.

Maar ondanks de goddelijke verbinding heeft de monnikskap, samen met veel gewijde planten, een kwalijke reputatie. Het gewas behoort tot de kruiden die heksen gebruiken voor hun zwarte spellen. In Duitsland behoort de plant tot de duivel en is populair bekend als Teufelswurz. De akoniet ademt een duistere sfeer uit. Met zijn giftige adem is het typisch een ongeluksplant en behoort tot de kruiden van duistere praktijken die in donkere en eenzame plaatsen groeien.

(Dodonaeus) ヤDit is met een opmerkelijke, doch zeer beklagenswaardig en jammerlijk teken te Antwerpen niet veel jaren geleden gebleken zodat de herinnering daaraan noch vers is want sommige vrouwen die dit kruid niet kenden en de wortels er van in salade voor een goed kruid gedaan hebben zijn daardoor en al diegene die er van gegeten hadden kort daarna in onlijdelijke en onuitsprekelijke smarten, trekkingen, spanningen en hartaanvallen gevallen en allen zijn er niet lang daarna van gestorven. Zo groot is ook de kracht van dit vergif dat de punten of spitsen van de pijlen, schichten en flitsen die ermee bestreken zijn al diegene die daardoor gekwetst worden tot de dood brengen.

Ondanks alle oude waarschuwingen ziet men het kruid nog steeds in tuinen als een herinnering aan oude pijlgiften, moordenaars en fatale vergissingen. Plantverzamelaars nemen deze plant pas op als ze handschoenen aan hebben. Het gif kan door een wondje of de mond opgenomen worden en is vrij snel actief. Net als de meeste ranonkelachtige is het groen schadelijk voor vee, maar in gedroogde vorm geheel onschadelijk.

Vrijwel zeker heeft Aristoteles er de dood door gevonden en het zou het gif zijn dat Romeo (te vroeg) innam.

 

Acorus calamus, kalmoes.

De wortelstok is het meest in gebruik. Deze smaakt vers bitter kruidig en later na drogen milder. Ze worden gebruikt in parfums en lotions en likeuren, de berenburg, en in Deventer koeken verwerkt. Door die bitterheid zou het in bierbrouwerijen gebruikt zijn om het bier goed te houden. De wortels werden als lekkernij verkocht en met suiker bestrooid gegeten.

De plant gold vroeger bij de Berbers en Arabieren als een krachtig Afrodisiacum. (liefdesversterkend middel) Het was bij hen ook geliefd als konfijt. Van Beverwijk is het hier mee eens: "Gekauwd maakt het een goede adem en verwekt de geilheidユ. Herbarius in Dyetsche; ヤIn Latijn Acorum, door sommige Aphrodisia, Venerea of Radix nauticaユ. Hij beschrijft hier dus ook zijn afrodisiaca krachten. Kalmoes is lang in gebruik geweest als een symbool van mannelijke liefde. De naam wordt geassocieerd met een Griekse mythe; Kalamos was een zoon van de riviergod Meander die van Karpos hield, de zoon van Zephyrus en Chloris. Toen Karpos verdronk werd Kalamos veranderd in een riet wiens rusteloos ruizen in de wind ge貧terpreteerd werd als symbool van droefheid. De plant was a favoriet van Henry David Thoreau (die het sweet flag noemde) en ook van Walt Whitman die het toevoegde aan de zogenoemde ヤThe Calamus Poemsユ, waarin hij de liefde van mannen vierde in de derde editie van Leaves of Grass (1860). In de po僧en wordt de kalmoes gebruikt als een symbool van liefde, lust en affectie. Er wordt gesuggereerd dat het zijn symbool ontving naar de gelijkenis van de opgerichte menselijke penis.

 

Actaea, Christoffelkruid.

St. Christoffel is de schutspatroon van de schatgravers. De plant zou toverkracht bezitten en middels deze toverkracht helpen bij het zoeken naar verborgen schatten. St. Christoffel is ook de patroon van geesten en tovenaars. Onder het kruid zou een geest liggen die de schat bewaakte. Om de geest te verdrijven moest het kruid aangeraakt worden en een bijzonder christoffelgebed opgezegd worden. Dit bezweren werd christoffelen genoemd. Tovenaars gebruikten het kruid om te christoffelen, met andere woorden: om geld verbergende geesten te bezweren.

Deze heilige wordt op tal van plaatsen afgebeeld, soms met het onderschrift; メChristum sum ferensモ, メIk draag Christusモ. In de Dom te Keulen, de Martinikerk te Emmerik, het Steen te Antwerpen en het Bisschoppelijk Museum te Utrecht is zijn beeld levensgroot te zien. In vele oude katholieke kerken komt hij voor.  Dan zie je vaak boven de westelijke ingang van zoユn kerk het beeld van Christoffel. Zie je Christoffel die dag, dan zal je niets gebeuren en kan je niet dood gaan. Zag je hem niet, dan was je die dag ziek en kon je de kerk niet zien. Omdat je hem niet gezien had was de kans dat je die dag dood zou gaan vrij groot. Hij was beschermheilige tegen plotselinge dood. Dit is de reden voor de vele afbeeldingen van de heilige in en rondom kerken en autoユs. Denk aan St. Christoffel, rij veilig, op autoprentjes. De H. Christophorus is de beschermer van reizigers.

De verering ging zo ver dat men zei: メDoor U wordt helder weer verkregen, alle soorten van ziekten, de zwarte hongersnood en de pest verdreven, Oユ Christophorus!モ. Een blik op zijn beeld was ook een middel om bij zware arbeid niet vermoeid te worden, reden waarom de boeren hem lieten schilderen op een plank die ze bevestigden boven hun huisdeur.

 

Actinidia, kiwi.

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: meyers1De vruchten stammen oorspronkelijk uit zuid China. De lerares Mary Isabel Fraser importeerde de eerste zaden uit een missiepost in Yichang uit het Jangtsekiang dal in januari 1904 naar Nieuw Zeeland. De kweker Alexander Allison plantte die op een stuk grond zuidelijk van Wanganui waar de planten in 1910 voor de eerste keer vruchten droegen in N. Zeeland. De tuinbouwdeskundige Hayward Wright zocht uit de toen nog Chinese stekelbessen genoemde planten de commerci鼠e soort Hayward uit die nog steeds bestaat. Rond 1950 werden ze voor het eerst in de Bay of Plenty geteeld en al gauw kwamen ze naar Europa en N. Amerika. In 1959 werd dan de naam Kiwi naar de gelijknamige vogel voor de vrucht ingevoerd. Die betekenis werd niet vastgelegd zodat onder de naam wiki ook buiten N. Zeeland geteelde vruchten die naam dragen. Nu worden de in N. Zeeland gebouwde kiwiユs als Zespri verkocht.

 Het nationale symbool van N. Zeeland is de kiwivogel, een bruin bolletje op poten. De kiwi is hiernaar genoemd omdat de vrucht op dat bruine balletje lijkt.

 

Adiantum capillus-veneris (Venus haar). Venushaar. De stengel is meestal de helft van het blad, en is glanzend zwart tot diep purper. De hoofdstengel is zelden dikker dan pakdraad en de lichte steeltjes zijn zo licht en elastisch, zo zwart en haarachtig dat het de specifieke naam gaf. Adiantum komt van het Griekse a: niet, en diainein: bevochtigen, omdat de bladeren niet nat worden. Dit verwijst naar het haar van Venus dat niet nat was toen ze uit de golven stapte. Daarom is ze ze zeer behulpzaam in alle ziektes van het hoofd en voor het herstellen of het opnieuw groeien van haar. Het zou het ook opnieuw laten golven of draaien.

 

Adonis, kooltje vuur.

Adonis was bij de Grieken een jongeling van spreekwoordelijk geworden schoonheid. Hij was de zoon van Theias en zijn eigen dochter Myrrha. Als de vader, door zijn eigen dochter bedrogen, haar zwanger heeft gemaakt en dit bedrog ontdekt, achtervolgt hij haar met een zwaard. Myrrha wordt dan in een boom veranderd. (zie Commiphora myrrha) Uit haar barstende stam wordt Adonis geboren. Adonis was de favoriet van Aphrodite/Venus en werd gedood door een ever. Na zijn overlijden snelde Aphrodite wenend heen en drong door de struiken en doornen heen. Die bezeerden haar en het bloed dat op de witte rozen viel gaf die een rode kleur terwijl er anemonen of adonisroosjes ontloken op de plaats waar haar tranen de aardbodem drenkten. Ze kon de jongeling niet redden van de dood omdat Persephone (van de onderwereld) verrukt was over zijn schoonheid en hem niet terug wilde geven. Ze maar verwierf van Zeus de gunst dat Adonis een derde jaar bij haar, een derde jaar bij Persephone en een derde jaar vakantie zou hebben.

Dit gegeven komt overeen met het Mediterrane seizoen ritme. Na de oogst (vakantie) weer naar de onderwereld (Persephone) en in de lente werd de vruchtbaarheidsgod (Aphrodite) weer actief.

Uit Ovidius kunnen we halen dat men Adonis jaarlijks zal herinneren en dat uit zijn bloed een bloem was voortgekomen. De liefdesgodin zou zijn bloed besprenkeld hebben met nectar. Zodra het bloed met nectar geraakt was begon het te borrelen zoals luchtige bellen ontstaan uit het slijk. En het duurde geen uur of er ontsproot uit het bloed een bloesem van dezelfde kleur als die van de granaatappel.

Hij is de jaarlijks vernieuwende, altijd jeugdige vegetatie god, een leven-dood-herboren god wiens tijd aan de kalender is gebonden. Zijn cultus behoort toe aan vrouwen, de cultus van de stervende Adonis is volledig ontwikkeld in de groep van jonge maagden rond Sappho op Lesbos, rond 600 v. Chr. Zijn naam wordt tegenwoordig vaak aan knappe jonge mannen gegeven.

 

Aegopodium podagria  (voetje, ook jicht, dat begint in de voet) zevenblad.

Zevenblad omdat er meestal zeven blaadjes te zien zijn, vaak twee maal drie bladen.

Vroeger heette het Herba Santa Gerardii en bij ons Gerardskruid. St. Gerard is de schutspatroon van jichtlijders.

Het kruid werd in Engeland in de middeleeuwen als middel tegen de jicht ingevoerd. De botanist Gerard, 1597, schreef erover als 試n van de aangenaamste van de wilde planten. (mogelijk in andermans tuinen) De koninklijke hoveniers kweekten het. Het was zo succesvol dat ze aannamen dat dit kruid een gift van St. Gerard was die hen zou bevrijden van de kwaal. Zo werd het gepromoveerd tot bishopユs weed. Zonder twijfel kregen onschuldige burgers het in de tuin als een remedie tegen dezelfde ziekte. Zevenblad was zo blij in Engeland dat het zich snel verspreidde, gelukkig was en bloeide en zo vruchtbaar dat het al gauw niet meer erg welkom was.

 

Aesculus hippocastanum, (hippos: Grieks voor een paard, plus castanum: kastanje) paardenkastanje.

Toch draagt de paardenkastanje die naam met eren, want in de winter kan men op de plaatsen waar de bladeren afgevallen zijn de bladmerken zien die op een hoefijzer lijken. Verder zie je, als die bladmerken goed bestudeerd worden, er zelfs de hoefnagels in. De zeventallige bladeren laten elk een afdruk achter, de nagel in het hoefijzer. Hierdoor is in de winter ook goed het verschil te zien tussen de rode en de witte (wilde kastanje) kastanje, de eerste heeft vijftallige bladeren, dus 5 hoefnagels en de wilde 7.

Zijn voorkomen is van stoere kracht, een Hercules onder de bomen. Als de boom zijn geweldige armen uitstrekt, waarbij zijn ellenbogen naar de hemel wijzen, is het ook net of hij een geweldige vracht te dragen heeft. Zijn torso is massief, zijn schouders indrukwekkend, zijn biceps zijn gespierd en zijn handen groot. Een boom waarin het symbool van zijn macht wordt weerspiegeld in zijn vrucht, een knots, als een ouderwetse goedendag. De boom is een symbool van weelde.

Opvallend is de stam van de kastanje. Op oudere leeftijd begint de stam zich spiraalsgewijze, slangachtig te draaien, terwijl je normaal zou verwachten dat die stam recht omhoog groeit. Maar bij de kastanje lijkt het wel of de achterkant naar voren wordt gedraaid. Het is alsof de boom zijn hoofd omdraait om ook de achterkant eens te bezien. De bast blijft lang glad, later wordt de schors dun.

De kastanje bezit harsachtige knoppen en schubben die nog steviger aan elkaar vast zitten doordat ze voor het grootste gedeelte met dikke haren bedekt zijn. Al vroeg in de lente zwellen de grote knobbels op het eind van de tak open, knoppen die eruit zien als de hoofdjes van een bedstijl, en glinsteren de geverniste jasjes die door de zon gesmolten worden.

Bij het ontluiken ontvouwen de zacht groene bladeren zich snel. Als de oren van pasgeboren lammetjes hangen ze naar beneden en hoe sterker ze worden, hoe meer horizontaal ze gaan staan. Bij koude sluiten ze hun bladeren weer en gaan pas met het komen van de zon open. Dit is goed te zien met nachtvorst als de zon de eerste bladeren al heeft ontdooid. Dit samenvouwen doen ze ook met droogte. 10-20cm lange deelblaadjes die omgekeerd eivormig zijn met de grootste breedte in de top, top toegespitst en de rand gezaagd.

Het is een boom met een machtige en fraaie stijl. Gelijk met het uitspreiden van de bladeren verrijzen tussen de laatste paar bladeren de bloemtrossen. Een laan van zeer statige paardenkastanjes, met hun glorie van wit rode bloemen, versiert de jonge zomer met hemelse kaarsen. De schitterende bloemen staan als kandelaars, als een levende kerstboom met lichtjes, het is de fakkeldrager van het voorjaar. Zijn edele kroon is bezet met duizenden luchters die allen tussen het donkere groen zijn opgehangen en met bevallige zwier gedragen worden. Een geweldig bloemenruiker voor reuzen. Het is een stoere groeier die al op zijn tiende kan beginnen te bloeien. De boom komt steeds meer in de belangstelling als bloeiboom. Om het ontroerend ontwaken van de jonge bloemen mee te maken worden de takken wel in een vaas in bloei getrokken. Op de maagdelijke witte bloem zie je gele en rode vlekken.

 

Agave americana (uit Amerika) Honderdjarige Alo.

Deze Agave wordt ook wel 100 jarige alo genoemd en in Engels century plant, omdat de plant bij ons gekweekt pas na 40‑60‑80 of na 100 jaar bloeit. Onder die naam, zoals die ook in Duitsland heet, is het geloof ontstaan dat de plant met zijn 100ste verjaardag pas zou bloeien. Dit zou het gewas zelf vieren door de bloem met een knal als van een pistoolschot te openen. Sommigen beweerden met een knal als van een kanon. Ze gaan echter even stil open als de meeste andere planten. De agave is het symbool van rust, omdat haar zware en dikke bladeren bij de hevigste stormen in rust blijven.

Deze heeft lange en bijna 2 meter grauwgroene bladen. Die lopen op het eind in een scherpe punt uit als ware het een jachtkano.

De agave groeit in geweldige rozetten als een buitenaards insect, pas op dat je er niet opvalt want dan word je doorboord als vlees aan het spit. De Agave 's staan in de desert als een octopus die wacht tot er een onschuldige toerist onder hen doorgaat. Ook uit de bloemen steken lansen. Deze planten zijn wat formeel, toch is er een zekere voluptueuze in hun losse rondingen die hen een wat rococo effect geven. Zij zijn de begeleiders van grote Mexicaanse hoeden en van Spaanse conquistadores. Het zijn trotse planten die zichzelf verdedigen tegen alle kommer, van dier en mens. Het mooist groeien ze in Mexico waar men ze in rechte lijnen naast elkander zet, zo ook voor ondoordringbare hagen.

Uit die rozetten verheffen zich geweldige palen als antennes. Als de paal zich verheft trekt hij de bladeren leeg zodat die tenslotte als een lege huidenzak overblijven rondom de paal. In mei is er van de bloem nog niets te zien, maar in augustus kan er al een gevaarte staan van meer dan twaalf meter met een stamdiameter van een grote boomstam waarop zich wel 4000 bloemen kunnen ontwikkelen.  De piramidale bloemvorm drupt bij elke beweging een honingsap als een regen.

Agave is afgeleid van het Griekse aganos of agauos: trots, bewonderenswaardig, fier of held, een verwijzing naar de statige vorm waarin sommige bloeien. Dit was de naam van de Amazones en andere mythologische karakters, in het origineel de vrouwelijke of agauos: de nobele of opmerkelijke.

 

Agrimonia eupatoria (leverkruid).

Agrimonia heeft grijsgroene, geveerde en aromatische bladeren. Aan de basis van de stengels staan de bladeren dicht opeen, als een rozet. Kleine bladen worden afgewisseld door grotere en zijn sterk gezaagd, donzig aan de onderkant. Het laatste blad is eindstandig en gesteeld.

De lange, harige en meestal onvertakte bloeistengel heeft iets koninklijks. Het doet met zijn delicate geur denken aan abrikozen, anderen denken aan lemon, vooral als je de bloemen kneust, de mooie gele bloemaren staan als statige toortsen in juni/juli.

De bloe­sems worden gevolgd door stijve en harige, kleine zaden. De zaden hangen naar beneden en zijn klaar om je te bespringen. De stekelzaden worden door mens en dier verspreid.

Agrimonia komt van het Griekse agros: veld, en mone: woonplaats, een plant die in de velden groeit. Of de naam komt van argemon, een witte vlek op de ogen die deze plant zou genezen. De fabelleer zegt dat de reus Argus zijn honderd ogen in goede staat hield door deze plant, dan is Agrimonia van Argus af te leiden.

Eupatoria is zo genoemd naar Koning Mithridates Eupator, Koning van Pontus (Mithridates VI) die in 63 v. Chr. gestorven is, die de geneeskracht ervan ontdekt zou hebben. Die is beroemd geworden omdat hij het bekende tegengif, mithridaat, ontdekt zou hebben dat uit 54 verschillende stoffen bestaan zou hebben. Plinius noemt het een koninklijk kruid.

 

Alcea rosea (roze) stokroos.

In mei staan er aan ieder plantje een stuk of tien grote heldergroene bladeren die nog steeds laag bij de grond staan maar zich al meer en meer uitspreiden. Op het eind van juni begint zich in het midden een groene kegel te vormen en zachtjes aan verheft die zich en vertoont zich als een dikke en dichte aar die bezet is met een groot aantal bloemknoppen. Het puntje van de aar is nog zachtjes omgebogen en naarmate de aar zich ontwikkelt verheft de stengel zich langzaam aan. De stok wordt nu vaak opgebonden wat de plant dat stijve geeft. Toch geeft de eigen "stok" kracht en sterkte en is houtig genoeg om de plant te steunen. De stok wordt nu verbreed door de naderende bloei. De knoppen die zich eerst dicht tegen de stengel aangedrukt hebben verwijderen zich ervan met een lichte kromming. Onder de onderste knoppen ontplooit zich ondertussen een blad dat ook aan de versiering van de plant meewerkt. Eindelijk openen zich de bloemen en de vijf blaadjes zijn zo dicht aaneengegroeid dat ze een klokje schijnen te vormen.

De stokroos leeft op grote voet. Prachtig grote bloemen worden getoond met een heerlijk glanzende en wasachtige stof, zoals alle Malva' s bezitten, met een mooi ornamentale pluimpje van meeldraden. Fantastisch hoge stengels en overal staan tussen de hartvormige bladeren de grote bloemen, ze hebben iets openhartigs en vertrouwelijk staan ze op alle ooghoogten naar alle kanten open.

In het Engels hollyhock en holy hoke in Duits Stockmalve die altijd in stock, (voorraad) gehouden werd door herbaristen. Het is niet zeker of de stokroos in de oudheid bekend was, de eerste vermeldingen vinden we in de 15de eeuw. Mogelijk werd op Althaea officinalis gedoeld die heilig was als een gezegend kruid, holy + hock.

Plinius vertaler Holland vertelt als een man en vrouw elke dag een beetje sap van welke mallow dan ook nemen zullen ze vrij zijn van ziektes "and live in perfect health". Dat is mooi, heel mooi.

Symbool van vruchtbaarheid.

De witte gold als symbool van vrouwelijke ambitie.

 

Alchemilla. Vrouwenmantel.

Dodonaeus; ヤHet wordt in het Hoogduits ook Unser Frauwen mantel genoemd en hier te lande noemt men het ook naar de Hoogduitse naam vrouwenmantel en onzer vrouwenmantel, in Engeland ladies mantelユ. De naam is afgeleid van de schutmantelmadonnaユs die sinds de 14de eeuw een beeldvorming van onze cultuur waren. Een zo krachtige plant heeft een Christelijk aureool nodig. Vrouwenmantel heet zo omstreeks 1500 naar de grote, ronde en ietwat gevouwen bladeren die met een mantel vergeleken werd die Maria op heiligenbeelden draagt. Symbool van kleding.

Het is vooral een vrouwenkruid, daarvoor was het aan Freya gewijd, godin van liefde en vruchtbaarheid.

Alchimistenmantel, Duitse Alchimistenkraut omdat door de pori創 in het blad water op de bladeren komt die er als fijne dauwdruppeltjes uitzien. Een "edelsteen van het zuiverste water". Dit water kan opgezogen worden. Omdat de bladeren vrijwel altijd met die fijne druppeltjes bedekt zijn verwachtten de alchimisten dat ze met die druppels een wondermiddel bezaten om goud en de steen der wijzen te maken. Alchemilla komt van het Arabisch alkemelych, omdat de plant voor proeven van Alchimisten heeft gediend.  Alchemilla werd wel vertaald als kleine alchimist.

 

Alkanna, henna.

Alkanna tinctoria levert een dus rode verfstof, alkannine. De bladeren worden gepoederd en met water uitgekookt. Deze, in spiritus oplosbare stof, kleurt zo intens rood dat 1000-2000 delen met een deel alkannine al fraai rood getint worden. Deze verfstof wordt sinds de oudste tijden door de oosterse vrouwen gebruikt om nagels en haar donkerrood te verven. Ook de voetzolen en binnenkant van de handen, naar het heet om de huid sterker te maken.

Het is een leugenplant omdat ze de gezichten van minder fraaie vrouwen opmaakt. Het werd gebruikt als kleurplant bij lipzalven, olie en was. Geeft kleur aan portwijn en verft kurken. Bij de Romeinen werd het gebruikt om wol te kleuren.

Er wordt verondersteld dat dit de substantie is die in Napels gebruikt wordt als het bloed van St. Januarius dat spontaan begint te smelten en te borrelen. Er werd in 1389 voor het eerst melding van gemaakt. In dat jaar plaatst de bisschop, voorafgaande aan de mis, twee flesjes bloed van Januarius voor de zilveren relikwie創houder met het hoofd van de heilige. Dit zou zijn gebeurd op de zaterdag voor de eerste zondag van mei. Sinds die tijd wordt dit gestolde bloed drie keer per jaar vloeibaar. Behalve als Napels bedreigd wordt, dan blijft het in de oude vorm. Driemaal per jaar - op de zaterdag voor de eerste zondag in mei, 19 september en 16 december - komen de gelovigen bijeen om getuige te zijn van het bloedwonder. De bisschop plaatst de relikwie創houder, met daarin hermetisch afgesloten achter dubbeldik glas, twee ampullen bloed voor een zilveren buste met het hoofd van Januarius. In het kleinste van de twee flesjes zitten sporen van bloed, in de grootste van de twee zit ondoorzichtig gedroogd bloed. In de daarop volgende mis, maar meestal in de octaaf die daarop volgt, wordt het bloed vloeibaar. Soms rustig, maar het is ook gebeurd dat de ampul wild bruisend de hele ampul vulde. Het gebeurt geregeld dat het bloed niet gaat vloeien. Dit wordt door de Napolitanen gezien als een slecht voorteken. Maar als het bloed bruist, is alles goed en kunnen de gelovigen rustig gaan slapen.

 

Allium, ui.

Doordat de bol in zeven rokken of schillen is verdeeld beschermt het tegen zeven kwade geesten en zo tegen heksen en dergelijk gespuis. Het is algemeen bekend dat men tegen geesten en duivels uien en vooral knoflook moet gebruiken. Dit gebruik stamt uit de oudheid, het is geen sprookje, het werkt echt.

Verse look bevat antiseptische stoffen en helpt tegen verschillende ziektes. Vroeger, en nog niet zo lang geleden, dacht men dat ziektes door boze geesten en demonen werden overgebracht. Men wist uit ondervinding dat knoflook de demonen (ziektes) uit het lichaam kon trekken en gebruikte ze met succes. Als knoflook doorgesneden wordt kleurt het aan de lucht zwart en men meende dat dit zwarte het rondtrekkende kwaad was dat in de bol gekropen was. Het demonen afwerende gebruik zien we eigenlijk nog steeds, bij verkoudheid wordt een halve ui in de slaapkamer gelegd. In latere tijden is dit gebruik wat vervaagd en werd de knoflook op een andere manier gebruikt, bijvoorbeeld in een zakje om de hals gedragen of tegen de deur gespijkerd.

Zo groot is hun kracht dat alleen al het uitspreken van de naam voldoende is.

Knoflook is goed voor het hart. De oude Grieken gaven het aan kemphanen om die sterk en onvermoeibaar te maken. Hanen die ui eten zijn meestal stoute vechters en daarom gebruiken reizigers het en bijten erop. Zo ook met oorlogen, het vermeerdert woestheid, geeft kracht en maakt je kwaad. Het wordt aan paarden gegeven in tijden van oorlog of conflicten om ze fierder te maken en beter hun werk te doen. Dat zie je nog steeds. Op Kerstavond geef je een haan, gans of een hond knoflook, zodat ze goed kwaad worden en dan hoef je zelfs voor de duivel niet bang te zijn. Ook wordt het tot dat doel in soep gegeven zodat men duchtig aan de arbeid zal gaan.

Volgens de legende is de prei gedragen door de Welshmen ter herinnering aan St. David. De H. David heette Davis (Dewi) van Menevia, geboren 480 a 500. Hij is de apostel van Zuid-Wales, Cornwall en Bretagne. Hij was een monnik in Wales die van prei en ongezouten brood leefde. Het is nu het embleem van de Wales sinds hun strijd voor onafhankelijkheid.

De primitieve traditie verwijst naar de keus van het badge ver voor de tijd van Arthur toen St. David in een grote slag tegen de Saksers beval dat ieder van zijn soldaten een prei op zijn kap ter onderscheiding moest hebben. Midden in het gevecht sloegen de Saksers vriend en vijand en de Britten alleen de vijand. Ze wonnen en bleven Keltisch tot op de huidige dag. Omdat de prei in opdracht van St. David op hun mutsen geplaatst was, daarom dragen ze die nog op St. Davids dag, 1 maart.

 

Alnus, els.

De els komt voor bij water en vormt daar donkere groepen die zich weerspiegelen in de zilveren  vloed van de stroom, dan weer vormt het een krachtige piramide die zich tot aanzienlijke hoogte boven het water verheft. De els is in de winter een van onze mooiste loofhoutbomen.

De els is niet fel getint maar vol fijne nuances met gesteelde blauwachtige knoppen die samen met de katjes en twijgen de mooie fijne kleur aan de els geven. De katjes lopen al vroeg uit en geven de boom daardoor een levendige indruk. Het behangsel van de elzen is eerst pimpelpaars grauw en onaanzienlijk maar komt tot een breed hangende en bronzen gloedvolle tooi. De stamperkatjes veranderen door het houtachtig worden van de schubben in ronde, op dennenappels gelijkende kegels. In de winter wijken de schubben dan uit en kunnen de vruchtjes er uitvallen. Aan een els kunnen verschillende soorten katjes zitten. De oude vrouwelijke katjes gapen vol verbazing naar de nieuwkomers die alweer opgevolgd worden door fijne puntjes, hun opvolgers in het volgende jaar. Die vrucht werd wel jodentabak of soldatenprumkes genoemd. De zaadvorm is aangepast aan zijn vochtige omstandigheden; ze drijven op het water.

Vermoedelijk is de els een vrouwelijke boom, de naam Els, de katjes maar ook het omgekeerde hartvormige blad spreken duidelijke taal. De els hangt met massa's jong blad over gouden bedden van dotterbloemen. Later in het jaar vormt het de achtergrond voor bedden met madeliefjes of de opgaande trossen van kattenstaart.

Het is een boom van de duivel. In volkssages wordt het boze met elzen in verband gebracht. In Siberi denkt men dat de boom bewoond wordt door Kauna, een soort duivel die de zielen van ongedoopte kinderen als dwaallichtjes door de takken laat gaan.

Ook in onze streken geloofde men dat het elzenvuur hellevuur was. Rood was een ongunstig teken en duidde op heksenwerk. Er is een gezegde dat hieraan refereert: ヤrood haar en elzenhout groeien niet op goede grondユ.

Nog kan men huiveren bij een elzenboom. Bij het omhakken van een els wordt het hout na enige tijd bloedrood. Het gaat bloeden en 's nachts dansen er rode vlammen op en om de stronken. In werkelijkheid ontstaan de vlammen door een schimmel die op de wortels en onderstam woekert, die bindt stikstof en zet die om in salpeterzure verbindingen.

In de onderwereld leefde een vrouwmens, vrouw Holle. Zij is de moeder of grootmoeder van de boze. Eens op een avond sleepte de boze haar naar het moeras en ranselde met zijn knuppel op haar los. Hij sloeg z hard dat het moeras zich rood kleurde van het bloed. De elzen in het moeras zogen het bloed op tot in hun hout om er beter van te worden. Door dit bloed houden ze het teken van de boze in zich. Nog kan men huiveren bij een elzenboom. Bij het omhakken van een els wordt het hout na enige tijd bloedrood. Het gaat bloeden en 's nachts dansen er rode vlammen op en om de stronken. In werkelijkheid ontstaan de vlammen door een schimmel die op de wortels en onderstam woekert, die bindt stikstof en zet die om in salpeterzure verbindingen.

 

Alo.

Vele soorten zijn al eeuwenlang in de Europese tuinen in cultuur. Als succulent is de Alo in staat om bij verwonding van zijn bladen die snel af te sluiten om zo vochtverlies tegen te gaan. Dit verschijnsel heeft men ook wel in de oudheid opgemerkt en beredeneerd dat als dit bij de plant zo werkte ook bij de mensen toepasbaar was.

Het sap van de Alo was al bij de ouden bekend, bij de Grieken in de 4de eeuw v. Chr. Bij de Egyptenaren zou het gebruikt zijn bij het balsemen van hun doden of zuivering van lichamen door middel van roken. Vooral werd het gebruikt als verkoelende zalf. Het sap zou gebruikt zijn om bloedingen te stimuleren, bij menstruatie of als afdrijfmiddel. De alo is een bestanddeel van vele hoog geroemde en geheime middelen die algemeen onder het volk verspreid waren.

Als bittermiddel was het al zeer vroeg bekend. Symbool van grote bitterheid, droefheid, woede, grief.

Als oeroude productieplaats gold het eiland Socotra. Historici melden dat Aristoteles Alexander de Grote overhaalde om het eiland Socotra aan de oostkust van Afrika te veroveren met als doel over voldoende alo te kunnen beschikken voor de wondverzorging van zijn soldaten. Deze Alo zou afkomstig zijn uit het eiland Socotra en werd om die reden Alo succotrina genoemd. De plant die nu onder die naam bekend is komt echter uit de Kaap regionen en is dus niet de Alo van de ouden. Dat zou dan Alo perryi geweest zijn.

Het Alo sap raakte na die tijd in de vergetelheid omdat de beschaving zich verplaatste naar de gematigde zones waar de tropische plant de ijzige winters niet overleefde.

Brandwonden en zweren ten gevolge van straling waren tot kort nauwelijks te behandelen totdat men de Alo weer begon toe te passen. Het probleem was echter de conservering van het sap, de bladen werden vanuit de tropen verscheept. In 1942 liep Rodney Stockton, een chemisch ingenieur, tijdens zijn vakantie te Florida een ernstige zonnebrand op. Thuisgekomen sprenkelden zijn vrienden Alo sap over zijn huid dat onmiddellijk verlichting gaf en herstel. Hij ontwikkelde een balsem die een diepe brandwond kon terugbrengen tot een tweedegraads brandwond door de snelle regeneratie van de weefsels. Het meest belangrijke is dat de genezing plaats vindt zonder grote littekens.

 

Althaea officinalis, L. (geneeskrachtig) heemst.

De wortel is gevuld met een slijmig sap wat in water gelegd zich verdikt als ware het stroop. De in het voorjaar of herfst opgegraven wortel worden gesneden en bij 35 graden gedroogd. Het afval en kleinere stukken worden tot poeder verwerkt. De waterige afkooksel is een geliefd hoestthee die met suiker wordt gebruikt. Voor kleine kinderen wordt zo een hoestsiroop gemaakt. Uit 20 delen wortel en 400 delen water wordt na koken en zeven met 500 delen suiker een siroop gekookt en met een theelepel vol dagelijks gegeven. Het poeder werd wel aan huisdieren gegeven, vooral paarden tegen problemen met de luchtwegen.

Deze plant werd gebruikt als siroop- of theebestanddeel. Op grond van het slijmgehalte werd het ook gebruikt als inhullend, opwekkend, hoeststillend en pijn verminderend middel bij hals- en borstziektes.

Het zijn de originele marshmallows, de mallow die langs de moerassen (marsh) groeit. De marshmallows die gemaakt worden van meel, stroop, gelatine en suiker werden oorspronkelijk gemaakt van de wortels van deze plant.

 

Alyssum, schildzaad.

Alyssum komt van a: niet, en lyssa: gekte of razernij, zo genoemd omdat het kruid de kracht had om dolheid of razernij te genezen, alleen al door het aan te zien. Of, in plaats van gekte, dolle hond, omdat het een middel tegen dolle hond was. Vandaar de Engelse naam madworth: gekkenkruid, Franse passerage: ce qui fait passer la rage: een kruid dat de woede voorbij laat gaan. Symbool van kalmte.

Gestampt met de spijs en gegeven aan diegene die van dolle honden gebeten zijn geneest die, zoals sommige geloven.

 

Amanita muscaria (vlieg)vliegenzwam.

Vliegenzwam heeft zijn naam gekregen omdat als je deze zwam op een schoteltje legt, met wat suiker of stroop erop, het de vliegen aantrekt die met de suiker het vergif eten en zo sterven

Deze paddenstoel wordt algemeen voor een van onze giftigste paddenstoelen gehouden, dit is het echter toch niet. De giftige werking van het muscarine en vooral van het muscaidine, dat alleen in de rode opperhuid van de hoed voorkomt, werkt als opium, doch is zelden dodelijk. Als men de rode opperhuid verwijdert is het onschadelijk. Door gebruik met de opperhuid krijgt men hallucinaties, razernij en krankzinnigheid, in grote getale is het wel dodelijk, net als opium.

De berk, met zijn lugubere heksenbezem wordt verbonden met de rode paddenstoel, dit omdat die daar graag onder groeit. Ook kabouters worden verbonden met deze paddenstoel. De verdovende stof muscimol en iboteenzuur bezorgen de gebruiker hallucinaties waarin mensen het formaat van kabouters aannemen, vandaar de combinatie van kabouters en de rode paddenstoel. De vliegenzwam verschijnt op Kerstkaarten en Nieuw Jaarkaarten over de hele wereld als symbool van geluk.

Op een grote paddenstoel, rood met witte stippen

Zat kabouter Spillebeen, heen en weer te wippen.

"Krak", zei toen de paddenstoel, met een diepe zucht,

Allebei de beentjes hopla in de lucht.

 

Amaranthus, kattenstaart.

Amaranthus, Grieks amarantos, van a: niet, en mairaino: verwelken of vervagen. Het is een verwijzing naar de niet verwelkende bloemen van sommige soorten. Een onverwelkbare schoonheid. Als een immortelle symboliseert het gewas onsterfelijkheid en werd op tomben gelegd en in hoofdtooien gewoven. A. Munting: ヤDeze bloemen werden in vorige eeuwen, in allerlei gevlochten kronen gemaakt die ter eren van een koning of prins opgehangen werden veel gebruikt. Omdat ze niet verflensten of vervuilden en in de winter als ze met water besprengt worden wederom verfrissende groenden. Daarom werden die ook in de kerken opgehangen om aan de goden toege訴gend te worden.

De amarant stond eerst naast de boom des levens in het aardse Paradijs, maar kwam na de eerste mensenzonde in het Hemelse Paradijs.

 

Amaryllis bella-donna.

Linnaeus noemde het bella donna (schone dame) naar de stralende roze en witte kleuren

Amaryllis heet een herderin uit de idyllen de Griekse dichter Theocritus, zo ook bij Ovidius en een pastorale "Eclogues," van Virgilius,  van het Griekse amarussoo: stralen of fonkelen en zo mogelijk naar haar ogen. Het is een naam die gekozen is wegens de stralende schoonheid van de bloemen.

De naam komt ook voor in de pastorale po想ie van de Renaissance en is daardoor als doopnaam in gebruik gekomen.

Amaryllis was een lieflijk en bekoorlijk meisje. Stralend was ze om alles wat haar jonge ziel in verrukking kon brengen. Ze was iedereen tot vreugde. Op haar zestiende was ze nog rein en onbedorven. Geen minnaar had haar nog wakker gemaakt. Tot ze de schaapherder Alteo ontmoette toen ze bloemen plukte op de voorjaarsweide. Ze was hoger geklommen dan ze ooit gedaan had en vond zodoende de schapen, hond en schaapherder. Die stond in de verte te turen en merkte het meisje nauwelijks. Maar zij zag hem in de stralende zon en toen, ze was al blij vanwege de bloemen, veranderde haar wereld en werd alles anders. Alteo gaf echter niet om haar, de mooiste meisjes lieten hem onverschillig, hij hield alleen maar van de bloemen die op zijn weiden en in de tuinen groeiden. Hij had vaak gezegd: "alleen haar zal ik mijn liefde geven die mij een nieuwe bloem kan brengen". Niemand had daar aan kunnen voldoen en zo waren vele meisjesharten gebroken. Hij was daar onverstoorbaar onder, zo ook bij Amaryllis.

Uit wanhoop trok ze naar het orakel van Delphi en stelde daar de vraag. "Wat moet ik doen, hoe krijg ik zijn liefde?" Uit de donkere tempel klonk de stem van de Pythia, "zou je eigen bloed willen geven om zijn liefde te winnen? "O ja", zei het meisje. "Luister dan goed, bij de uitgang van de tempel staat een beeld van de godin Urania, ze draagt een koker met gouden pijlen en die hebben een fijne stalen weerhaak. Neem er een mee naar huis, ze verwonden het hart, maar nooit zo dat het dodelijk is. Wacht dan tot een stille en heldere maannacht in mei. Sta klokslag 12 op en steek de pijl zonder vrees in je eigen hart en ga dan blootsvoets naar zijn deur. Klop op de deur en zeg hem hoe je hem lief hebt. Een als het de eerste nacht niet helpt, geef de moed vooral niet op en ga de andere nacht weer, vergeet alleen niet dezelfde weg te nemen en de pijl te gebruiken". Op haar vraag hoe het zat met de bloem kreeg ze geen antwoord. Zo ging ze heen en de eerste nacht werd ze wakker en alles was helder om haar heen, ze nam de pijl en verwondde zich in het hart, het was zo stil dat ze het vallen van de bloeddroppels hoorde. Ze kwam voor zijn deur en riep zijn naam, maar de deur bleef gesloten, zo de volgende en volgende en zo had ze ook haar trots te overwinnen. Op het laatst was het tot stamelen een gefluister geworden tot ze op de 30ste nacht naar huis wilde terugkeren toen op de plek waar de meeste van haar bloeddruppels waren gevallen een bloem opgebloeid was, een vreemde bloem die de grote kelk wijd open had. "Alteo", riep ze verheugd, "ik heb de bloem uit mijn bloed voor jou opgebloeid". Alteo deed de deur open en zag het meisje met de zware stengel in de hand waaraan vuurrode bloemen van liefde bloeiden. Hij huilde bittere tranen en knielde voor haar. Had zij hem niet datgene geschonken dat hem van zichzelf verloste en wel door haar eigen leed volhardend te dragen?

Symbool van bedeesdheid, ook van trots.

 

Amelanchier. Krentenboompje.

De struik kwam in de 19de eeuw in de mode en werd veel op landgoederen aangeplant, vooral in Drenthe. Het is het Drentse krentenboompje. De struik groeit bij de Krententuin te Hoorn, vroeger een gevangenis. Veel staan ze rondom Dwingeloo en Ruinen. De plant zou door de Groninger prof J. Munniks uit Canada gehaald zijn en naar de universiteitstuin gebracht zijn die toen nog in Groningen gevestigd was. Deze Munninks werd in 1797 eigenaar van het landgoed Oldengaerde in Dwingeloo waar hij veel bijzondere planten kweekte. Zo zou hij de krentenboom van de hortus naar zijn zomerverblijf gebracht hebben. Vooral de spreeuwen lusten de krent graag zodat die voor de verspreiding gezorgd hebben.

 

Anagallis, guichelheil.

Guichelheil was vroeger een beroemd geneesmiddel tegen de verschillende soorten van krankzinnigheid. Een afkooksel van dit lieflijke bloempje heelt de gauch. Een woord dat sinds de 10de eeuw gebruikt werd voor geestesziekten. Gauchelheil verdrijft gauch und gespenst zegt Fuchs. Een Gauch is een simpel en dom mens en gespenst is een spook of een boze geest.

Met het woord is misschien ook teveel gegoocheld en is mogelijk teveel vertaald uit het Duits. Het zaad werd gebruikt tegen vallende ziektes en zou de kracht bezitten om de mensen op te vrolijken, een goochelmiddel dus. Dit naar de witte doosvrucht, het ronde zaad, die zo rond is als een kale schedel en daardoor in de signatuurleer gebruikt werd als een middel tegen hersenziektes.

Anagallis komt van het Griekse anagelao: lachen, dit naar de fabel dat het kruid de kracht zou bezitten om droefheid tegen te gaan. Plinius en Dioscorides vertellen van zijn gebruik om te bemoedigen, vanwege het gebruik bij nierziektes waarvan de lach vergaat.

De gewone vorm werd ook wel barometer der armen genoemd omdat de bloemen zo gevoelig zijn voor de minste weersverandering. De bloemen sluiten zich enige uren voordat het gaat regenen. Normaal gaan ze tegen 8 uur open en sluiten tegen 4 uur, of tien over 7 en sluiten een paar minuten na 2 uur. Het is al eeuwen een combinatie van klok en barometer.

 

Anastatica hirochuntia ((de soortnaam is de Latijnse naam voor Jericho, letterlijk betekent het, met de geslachtsnaam, de opstandingsbloem van Jericho) roos van Jericho.

Een zeer merkwaardig verschijnsel vormen de ヤrolplanten. Die zie je op de steppen, de vlakke en ongebouwde streken. Zodra de wind opsteekt en wervelend over het vlakke land giert en stof en stoppels opjaagt, ziet men grote ronde ballen die al rollend met grote snelheid zich over de velden voortbewegen of hoog de lucht in gejaagd worden.

Toen de Isra鼠ieten Jericho belegerden ging Jozua op een vroege morgen naar de top van een berg om in de morgenstilte de hulp van de Heer aan te roepen. Toen hij opstond waaide de wind hem een rommelige bos in het gezicht. Het was een droge plant die door de storm ontworteld was en in de woestijn ronddoolde. Jozua hief de plant omhoog en bad luid: "Heer God! Deze dode plant leg ik in het water. Als ze dan nieuw leven krijgt en zich ontvouwt, dan zal ik erkennen dat U Jericho in onze handen zal geven". En hij legde het kruid in de Jordaan en zie, de bos werd groen en ging zich ontvouwen. Toen maakte hij onder klaroengeschal een nieuwe poging en de muren van Jericho stortten in en de stad was in zijn handen. Het dorre bosje lichtte op in een purperen bloemenpracht en Jozua noemde die wonderbare bloem roos van Jericho. Die naam heeft ze tot aan de huidige dag gehouden.

Het is geen ヤroosユ en groeit niet bij Jericho. Oorspronkelijk werd met de ヤroos van Jerichoユ wat anders bedoeld dan tegenwoordig. Jesu Sirach: "24:14 Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadel­boom te Engadi en gelijk een rozenboom te Jericho".. Waarschijnlijk zullen daar de prachtige oleanders mee bedoeld zijn, Nerium oleander. Die bloemen lijken wat op een roos.

Terwijl Maria naar Egypte vluchtte, spreidde zij de luiers van Jezus op de grond waar Jericho rozen groeiden. Toen ze die oppakte raakte haar handpalm de bloemen en Jezus sprak, ヤDe bloem die door Maria aangeraakt is, zal niet sterven en zal onsterfelijk zijnユ Deze kleine plant was opgedragen aan Maria, patrones van getrouwde vrouwen en ter hare eren rosa Mariae genoemd, Mariaroos.

Wonderbare nevelen spreidden zich als een zilveren waas van geheimzinnigheid om de stengel en knop. De berichten over dit kruid klimmen op tot het begin van de 17de eeuw. De hygroscopische werking, het sluiten en vrij plotseling heropen van de bladeren bij bevochtiging, haar vluchtig herleven werd steeds weer als iets wonderbaarlijks beschouwd. Zo kreeg ze een ereplaats tussen de toverplanten en speelde ze een voorname rol in de waarzeggerij en vooral in de droomverklaring. Er worden profetisch vermogens aan de plant toegeschreven. Men noemt ze ヤVoetstappen van de Jonkvrouwユ, omdat ze daar groeien waar Maria op haar vlucht naar Egypte de bodem heeft aangeraakt.

Als het in (wij) water gezet wordt, op het moment dat een vrouw haar eerste geboortewee創 krijgt, bloeit ze op het moment dat het kind geboren wordt. Als een zwangere vrouw weten wil of de bevalling goed of slecht verloopt plant ze een Jerichoroos in het water, de bevalling gaat goed als de roos zijn takjes opent, wat bijna altijd het geval zal zijn, zo niet zal het een slecht kraambed worden.

Volgens de transmigratieleer bezit dit voorwerp een openende kracht zodat bij moeilijke verlossingen een stukje daarvan geweekt wordt in water, dat aan barende te drinken wordt gegeven.

Men verhaalde dat de plant in de Kerstnacht ontplooide als een zinnebeeld van de opstanding. Door zijn kracht om weer te bloeien, na eerst dood te lijken, wordt het opstandingsbloem genoemd. Die eigenschap werd in de middeleeuwen als iets wonderbaarlijks gezien, de kruisridders en pelgrims brachten zulke rozen mee als een heilig relikwie. In vroeger eeuwen was dit een talisman en zo'n roos die meegebracht was door een kruisvaarder vrijwaarde de bezitter tegen besmettelijke ziektes, het werd in die dagen tegen goud opgewogen.

De Roos van Jericho zou, naar het bijgeloof, eenmaal in het jaar en wel met kerstmis bloeien. Het is een gewoonte in menig gezin van Duitsland en vroeger nog in Limburg om een Jericho takje in water te zetten. Richten alle takjes zich op dan mag men een goed jaar verwachten, blijft die daarentegen gesloten dan ziet het er niet best uit. Terwijl men op de ontplooiing van de bloemen wacht worden er kerstliederen gezongen of brengt men de tijd met gebed en overweging door.

Op de vraag waarom deze plant op 25 december in het water gezet wordt, kijken we naar het oude kerstliedje, "Er is een roos ontsprongen- uit een wortel zacht etc.ユユ. Ook de christelijke verbeelding, waar de gehele natuur aan deelneemt, speelt een rol bij de geboorte, "D'Erd grunet und bringet rossle". In de kerstnacht is de natuur, bij het volksgeloof, op haar hoogtepunt, varens bloeien, de vlierboom bot uit, het vee kan spreken en dan bloeit ook de kerstroos.

 

 

Andromeda, parelkruid naar de parelachtige bloempjes, lavendelheide naar de bladkleur en vorm.

Andromeda is zo genoemd naar de Ethiopische koningsdochter Andromeda, de dochter van Cepheus en Cassiope. Het woord betekent man - beheersen, mannenbeheerser. Ze beroemde zich erop mooier te zijn dan de Nere錨en en daarom zond Poseidon een vloedgolf die alles overstroomde. Omdat het orakel van Ammon bevrijding opgaf als Andromeda voor de wilde monsters gegooid zou worden liet Cepheus haar vastketenen aan een rots waar haar voeten omspoeld werden door de golven. Ze werd bedreigd door het zeemonster Medus, maar werd net op tijd gered door Perseus die het monster doodde. Na de bevrijding huwden ze met elkaar en werden na hun dood door de Goden onder de sterren van het sterrenbeeld opgenomen. Perseus en Andromeda zijn sterrengroepen aan de noordelijke hemel.

Linnaeus zag Andromeda voordat ze zich ontvouwde en helemaal bloedrood gekleurd was, terwijl als ze bloeit, de bladen helemaal roze kleurig laat worden.

Linnaeus: "Ik betwijfel of een schilder zoveel bekoorlijkheden aan een portret van een jonkvrouw kan schenken en met zo'n schoonheid de wangen kan tooien. Geen schmink is hierop gekomen. Toen ik haar zag moest ik aan Andromeda denken, zoals de dichters haar schilderen. En hoe meer ik naar haar keek en nadacht, hoe meer zij overeenkwam met deze bloem. Andromeda wordt beschreven als een buitengewone maagd en vrouw wier wangen deze schoonheid bezitten. Deze bekoorlijkheid houdt ze zolang ze maagd is tot ze bruid (ongesteld wordt staat er) wordt. Ze is vastgebonden midden in het water en staat altijd op een polletje in een nat moeras, evenals Andromeda op een rots in zee was gebonden. Ze staat tot haar knie創 in het water. Ze is altijd omgeven door vergiftige draken en andere dieren, dat wil zeggen lelijke padden en kikkers die in de lente, als ze paren, water op haar blazen. (parallel van de gif spuitende draken) Ze staat en buigt haar hoofd van kommer. Evenals de bedroefde maagd haar blozend gelaat naar de aarde keert en verbleekt van pijn en verdriet, zo laat de roze kleurige bloem het kopje hangen, wordt al bleker en, verdort. Eindelijk komt Perseus in de gedaante van de zomer en droogt het omringende water uit en vernietigt zo het monster. Symbool van zelfpijniging.

 

Anemone, anemoon.

Anemone, komt van Griekse anemone, anemos: wind, met een vrouwelijke suffix one: literair, dochter van de wind, en mone: een plaats. Dit woord werd aan deze plant gegeven omdat de bloemen met het minste windzuchtje al bewegen. Het Latijnse animus: soul of ziel en Gotisch us-anan: uitademen, zijn vergelijkbaar.

Op een anemoon past de zinsnede: メ Brevis ets ususモ. メHaar rijk is van korte duurモ, een volmaakte zinspeling op de vergankelijke schoonheid.

In de herbaristentaal, herba venti: kruid van de wind.

 1) Omdat het plantje op winderige terreinen zou groeien.

2) Omdat ze door de minste windbries al bewogen wordt.

3) Omdat ze de bloem bij wind opent.

4)  Omdat de bloemkroon door de wind licht ontbladerd wordt.

5)  Vanwege de bloeitijd, met Pasen, de tijd van grote winden.

Plinius, hij vertelt dat de anemoon dan ook dat de bloem niet uit zichzelf opent, alleen als de wind waait. Mocht dit niet zo zijn, geef hem dan de schuld. Ook de pluizige zaden vliegen mee met de wind. Symbool van verlatenheid.

In de mythologie was Anemona een nimf uit het gevolg van de godin Flora, die door haar grote schoonheid de andere nimfen jaloers en wraakzuchtig maakte. Ze belasterden Anemona bij Flora dat haar gemaal, Zephyr, haar in het geheim zou beminnen. Flora zond de nimf dan ook naar het hof van Pomona, de godin van het ooft. Na haar vertrek bemerkte Zephyr hoe hij haar liefhad en vertrok onder een voorwendsel en verkreeg haar liefde. Ze werden echter verrast door de wantrouwige Flora die zich in een zwaluw had veranderd en voor straf werd de nimf in een bloem veranderd. Zo is de anemoon een bruid van de westenwind. Van de zachte Zephyr wordt verteld dat hij bloemen en vruchten produceert door de zoetheid van zijn adem. Sindsdien is de anemoon in de taal der bloemen geworden tot het symbool van de trouwe en zo onschuldige liefde.

Anemoon veranderde in een bloem. Zo komt het dat de anemoon steeds beweegt want dan is Zephyr bij haar. Zo af en toe komt ook Boreas, de noordenwind, bij haar. Maar die blaast met zijn koude wind de bloemblaadjes weg.

Bij de ouden was de anemoon ook het zinnebeeld van gemakkelijk weer drogende vrouwentranen, omdat het maar zo kort leeft.

Anemone coronaria zou door Clusius zijn meegenomen. Naar andere bron zou het al door de kruisvaarders meegenomen zijn. Tijdens de kruistochten liet de bisschop van Pisa aarde van het Heilige Land naar huis brengen. Toen dit werd uitgespreid over de Italiaanse bodem bloeiden er enige tijd later anemonen op. Een wonderbaarlijke metamorfose van het bloed van de H. Martelaren.

Om­streeks 1650 werd het gewas al op vrij grote schaal gekweekt en over Europa verspreid. Vooral Franse kwekers hebben zich verdienstelijk gemaakt. Dodonaeus heeft 5 en Lobel 8 soorten getekend.

Over de verspreiding van de zogenaamde Franse anemonen wordt het volgende bericht. Een monsieur Bachelieu had in het begin van de 17de eeuw prachtige anemonen uit het verre oosten gekregen. 10 jaar lang gaf hij niets weg, niet aan vrienden, nog voor geld. Op een dag, toen de anemonen hun pluizige zaden droegen bezocht hem een listig lid van het Franse parlement, volgens anderen was het de burgemeester van Antwerpen, en die liet zijn met pelzen bezette mantel op de anemonen vallen. De dienaar van de bezoeker nam de mantel op en bracht zo de zaden mee. Op die manier verspreidde de anemoon zich over de Parijse tuinen.

In de Christelijke legende wordt verhaald dat het bloed aan de voet van het kruis veranderde in een rode anemoon. De rode kleur zou uit de bloeddruppels van Christus ontstaan zijn. Deze kleur komt het meest voor op de Batha en braakliggende gronden. De purperen kleur komt het meest voor in Galilea en Esdralon en de witte meer rond de heuvels van Tiberias en andere kleuren noordelijker. Waarschijnlijk is de kleur afhankelijk van de toestand van de grond. Een mengsel van die kleuren is bij ons bekend onder de naam ヤThe Caenユ, naar de naam van de Franse stad waar ze ontstaan zijn.

 

Anethum, dille.

Dille zou een kalmerende uitwerking bezitten. De naam is afgeleid van het oud-Noors dilla, wat sussen betekent, zijn uitwerking op babyユs, vergelijk het Engelse dull: verminderen of verzachten. Al eeuwen wordt het kruid gebruikt om babyユs in slaap te krijgen, dil water heeft een verzachtende invloed en laat de kinderen slapen. Beschermt het kind ook tegen heksen.

Wie dille bij zich draagt kan geen heks hem wat doen. Sterk geurende planten verdrijven de heksen (ziektes en dergelijke). Vooral bruidslieden hadden daar nogal eens last van. Bruid en bruidegom deden wat dille en zout in hun tas. Bruiden deden nog al eens dille en zout in hun schoenen in de hoop dat mannen hun trouw zouden blijven. ヤMosterd en dille, mijn man doet wat ik willeユ. Als geluk kruid werd het gebruikt door bruiden die een takje dille op hun bruidsjapon droegen.  Vooral werd het in een kussen gedaan, Maar nog meer kan dille doen, ze geeft de bruid de heerschappij in de komende trouw.

 

Angelica archangelica (aartsengel), engelwortel.

Angelica stamt van het Latijnse angelus: engelen, het is een verwijzing naar de fabelachtige en engelachtige eigenschappen als medicijn.

In katholieke tijden werden meer planten bekend als aartsengel omdat ze in mei bloeien, vroeger het feest van de verschijning van St. Michael, 8 mei, de aartsengel. Daarom is het goed tegen heksen en betovering. Met zulke verbindingen was de plant bestemd tegen heksen en duivelse geesten, ook tegen hun betoveringen en heksenwerk. Het was een complete bescherming tegen ziektes. Met zulke dubbele engelentitels moeten we wel een van de meest krachtige planten in huis hebben. Machtige krachten tegen dreigende heksenkrachten zoals te verwachten valt van de wortel van de Engelse Holy Ghost.

Het leger van zekere keizer, dat door de pest was aangetast, zat in zware ellende. De keizer werd door de engel Raphael in een droom aangeraden om deze plant te gebruiken waardoor hij zijn leger behouden heeft. Symbool van inspiratie.

De engelwortel zou ontstaan zijn toen een arme bakker diep in de put zat. Aan een hoogstaande familie moest hij gebak leveren en had geen geld meer om aan zoetigheden te komen. Toevallig kwam er net een engel voorbij(?) die hem op een plant wees, waarvan de bladstelen gekonfijt konden worden. Tevens wees ze hem op de geneeskrachtige eigenschappen. Blijkbaar was die ene uitleg aan die bakker nog niet voldoende, want er bestaat ook nog een aartsengelwortel.

 

Antiaris, upas boom.

De upas boom heeft veel schrikwekkende verhalen gewoven in de historie en wel zo dat zijn bestaan ter discussie kwam. Reizigers brachten verhalen terug, die ze gehoord hadden van andere reizigers, en die verhaalden waarschijnlijk in goed vertrouwen van een boom die zo dodelijk was dat zijn uitwaseming mens en dier kilometers in de omtrek doodde. Vogels vlogen over dit kwalijke creatuur heen, stokten en vielen dood neer. Alleen de skeletten van mens en dier werden op deze dooie grond gezien. Een Hollands geneesheer Foersche, die in Java reisde, claimde dat hij dit bebladerde monster had gezien, hij publiceerde dit in 1783. Geen boom, schreef hij, geen blad of gras wordt er in de vallei of omliggende bergen gevonden. Geen beest of vogel, reptiel of levend wezen leeft in de omgeving. Hij voegde er aan toe dat er bij gelegenheid 1300 vluchtelingen kampeerden binnen 20km van de boom die allen, buiten 300, stierven binnen twee maanden. De plaats werd bekend als de vallei des doods.

Het vee zou niet onder deze boom komen omdat ze dan direct zou sterven. Het gif zou zo hevig zijn dat zelfs de geringste hoeveelheid dat in het bloed gebracht werd de mens niet alleen onmiddellijk doodde, maar dat reeds na een half uur al het vlees van de beenderen zou vallen.

Niets zou er onder deze bomen kunnen groeien. Tegen het einde van de 17de eeuw kwam er het bericht dat zelfs het aanraken of het ruiken al dodelijk zou zijn. De uitwaseming van de boom zou zich zelfs op aanzienlijke afstand op alle levende wezens wreken. Vogels die zich op de takken zetten zouden onmiddellijk sterven, en zelfs in de buurt van de boom, of zij moesten kraanogen (Strychnos nux vomica) eten, waardoor zij wel in leven zouden blijven, maar alle veren verloren. Om kort te gaan, de dood had zijn tenten opgeslagen bij deze boom.

Wanneer men in de buurt van zo'n boom in slaap viel was het een zekere dood, vooral als de boom van de westzijde benaderd werd, kwam men echter uit het oosten zou men juist door de slaap van de dodelijke werking verlost zijn. De Russische po粗t Pushkin schreef erover, waarschijnlijk uit tweede hand, "het gif smelt in de middagzon en dringt door de bast in druppels die in de avond tot een dikke gom wordt samengebald. De vogels mijden zijn verschijning, de tijger schuwt het en geen windvlaag ruist door het blad, de passerende wind zakt afユ.

Het verhaal vermeldt dat de heerser van Java het gif gebruikte voor iedereen die hem niet aanstond of tegen hem was. Omdat er problemen waren om de dodelijke stof te winnen werden er misdadigers gehaald. Ze kregen de keus; of executie of naar de boom gaan wat gevolgd werd door een vrij pardon. Verhoudingsgewijs weinigen maakten gebruik van de laatste keus. Die het deden maakten de reis in stijl in hun beste kleren en met de zegening en instructies van de priesters. Ze kregen elk een paar leren handschoenen en een leren kap mee die de schouders en borst bedekte. De kap was uitgerust met glazen oogholtes, naar de verwachting dat de trillende drager wenste uit te kijken. Ze waren ook uitgerust met lange bamboestokken om de druppels op te vangen en een zilveren doos om in te doen.

De boom geeft werkelijk een gom, zoiets als dat gevonden wordt in gom tragacantha, waarin het gif ligt. De stof wordt hard in de lucht en als het de huid raakt ontstaat er een lichte opzwelling, niet meer.

Deze verhalen zijn nu gedeeltelijk ontzenuwd en werden voornamelijk versterkt door het feit dat de inboorlingen met hun giftige pijlen op de loer lagen wat een groot gevaar vormde voor de ontdekkingsreizigers. De dodelijke pijlen die overal vandaan konden komen en de moordende rimboe met zijn verstikkende lucht zullen hieraan wel bijgedragen hebben.

Gedeeltelijk waren deze verhalen waar omdat de boom groeit in lage valleien die tot zekere diepten gevuld werden met een scherp gas die op elk persoon die naderde bewees dodelijk te zijn. De upasboom kreeg daar de schuld van.

 

Antirrhinum, leeuwenbek.

Leeuwenbek wordt het genoemd omdat als je achter de bloemkroon aan de zijkant drukt  met duim en wijsvinger gaat de bloemmond open die op een leeuwenbek lijkt.

Antirrhinum is zo genoemd naar de weetgierige zoon van Priapus en Phisie die bij een meifeest te Rome uit nieuwsgierigheid een liefdesverklaring afluisterde, met gevolg dat hij ontdekt en na een strijd gedood werd. Priapus was radeloos over het verlies van zijn veelbelovende zoon en onmachtig om hem het leven weer terug te geven veranderde hij hem in een bloem.

 

Aquilegia, akelei.

Er was eens een prinsesje dat door haar vader ten huwelijk werd gegeven aan de prins van Lombardije. Die prins stond slecht bekend, maar ja, hoe ging dat vroeger, een goede partij, het huwelijk ging gewoon door. Misschien was ze in het begin wel gelukkig maar al gauw had ze geen leven meer. Ze sloot zich op en wist zich goed te houden en bleef haar best doen om samen toch wat van het leven te maken. Het hielp niets, de prins bleef wreed en men zei dat ze haar man moest verlaten. Kennissen haalden een tovenaar en vroegen hem om de prins weg te halen zonder te doden. De tovenaar stelde voor om hem in een bloem te veranderen. Dit lokte een protest uit, メhij verdient het niet om een mooie bloem te wordenモ, zeiden ze. メDan zal ik de bloem horentjes geven en geen zoete geurモ, zei de tovenaar メzodat niemand van hem zal houdenユ. Zo werd de prins veranderd in een akelei, de bloem met horens. Toen dat aan de prinses werd verteld huilde ze en verzorgde de plant en haar tranen raakten de horentjes. Die werden tot fijne lange sporen en in plaats dat niemand van de bloem houdt planten we ze nu in de tuin.

Elke bloem heeft 5 kleine holle horens en kleine bladen die omhoog staan als een klein vogeltje. In de heraldiek heeft het de vorm van een klokje en wordt met de steel naar boven toe afgebeeld. In de taal der bloemen verbeeldt de akelei de dwaasheid omdat het bloempje op de kap en bellen van de hofnar lijkt. Symbool van narren.

Goethe zegt van zijn kleine "fruhling".

"Schon erhebt sich der Agley, und senkt das Kopfchen herunter

Ist das Gefuhl? oder ist's Mutwill? Ihr ratet es nicht".

Ook het symbool van ongeluk in de liefde of huwelijk vanwege de horentjes, vergelijk het spreekwoord; ヤde hoorns op hebbenユ. Akelei zou een ondankbare bloem zijn, symbool van afgewezen minnaars.

"There's fennel for you, and columbines" Hamlet 4, 180. De bloemen in Opheliaユs hand en in haar dwalende geest kunnen verbonden worden als een associatie met zekere menselijke kwaliteiten. Ze werden verbonden met trouweloze geliefden en zo was venkel het symbool van vleierij en columbine van ondankbaarheid.

Een purperen akelei, een koninklijke kleur, duidt op vastbeslotenheid.

Een rode akelei, rood is de kleur van bloed, is echter het symbool van angst en trillen.

Columbine is het badge van het House of Lancaster en ook van de Derby familie.

De langsporige blauwe akelei spreekt tot de mensen van Colorado over blauwe luchten en besneeuwde bergtoppen en het goud dat de zendelingen meebrachten. Een staatsbloem sinds 1858. Geadopteerd pas in 1899.

Men heeft voorgesteld om de akelei tot nationale bloem van Amerika te maken want zijn gewone naam columbine suggereert Columbus en Columbia, kan in vrijwel elke tuin van uit zaad opgroeien en is inlands in vrijwel alle staten.

 

Araucaria araucaria (naar de Araucanos‑stam, een volksgroep in de Chileense provincie Araneo, waar de stamvorm groeit), apenboom.

is een boom die groeide in een tijd dat er vele voorwereldlijke dieren op aarde ronddraafden. Velen van deze mastodonten waren bewapend met zware pantsers. Ook deze boom draagt nog het fossiele verleden met zich mee. De boom is overal zwaar bewapend met dikke en driehoekige platen die een scherpe punt bezitten. De leerachtige en gelakte schubben lijken van zuiver plaatijzer gesneden. Voor zo'n boom ga je eerbiedig opzij. De Araucaria met zijn brede en stijve geschubde armen, is dit een boom of kapstok? De platen zijn dakpansgewijze geplaatst en overlappen elkaar.

Araucaria bezit grote, grillige takken waarom die slangeden genoemd wordt omdat die in de verte wel wat op een slang lijken. Kandelaar kroonspar omdat de takken samen de kandelaar vormen. In Engels sprekende landen ook wel monkey puzzle: apenpuzzel. De naam zou ontstaan zijn door een opmerking van de advocaat C. Austin in de tuinen van Pencarrow, Cornwall, 1834. Hij plantte de boom voorzichtig en zei: "It would be a puzzle for a monkey".

 

Arbutus unedo, aardbeiboom.

De bloei is in februari en de herfst met witte bloemen in eindstandige, hangende bloemtrossen, behaarde kelk wordt spoedig kaal, kelkslippen zijn gewimperd, bloemkroon is 6-8mm in diameter en soms wat roze.

Het rijpen van de vrucht duurt een jaar en, met het vallen van het jaar, levert dit een mooi gezicht op als de wasachtige bloemen en de 2cm grote rode, ruwe bessen tussen de groene laurierachtige bladeren hangen. De aardbeiboom draagt, net als de citroenboom, gelijk vruchten en bloemen aan een tak.

De aardbeiboom groeit op de maquis, rotsen en dergelijke in Spanje, Turkije, N. Afrika, Libanon en Ierland. Met zijn eeuwig vernieuwend loof geeft het gewas een adembenemende draaikolk van kleuren weer, geheimzinnig stralend en op zoek naar de betovering van het ogenblik. Symbool van: "alleen van jou hou ik".

De rode schijnvruchten smaken aangenaam zuur‑zoet en zouden licht bedwelmend werken en hoofdpijn veroorzaken.

Nu geldt de vrucht in Itali en Griekenland als ongezond en verdovend en laat men ze aan de vogels die ze een lekkernij vinden. Plinius noemt het Unedo, 1 eet ik er maar. (Dodonaeus) ヤPlinius zegt dat deze vrucht slecht om te verteren is en voor de maag niet nuttig en dat ze daarom Unedo heet, als een vrucht daar men niet meer dan een tegelijk van mag eten zonder schade. Atheneus zegt ook dat die meer dan zeven van deze vruchten eet pijn in het hoofd zal krijgen.

 

Arctium. Klis.

Iedereen kent wel de klit die we in onze jeugd naar elkaar en vooral naar de meisjes gooiden en die dan verward bleven in hun haren. Het spreekwoord, als klitten aan elkaar zitten is hiervan afkomstig. De stekelzaden bezitten dan ook weerhaken. Het principe van een aantal uiterst kleine haakjes, zoals bij de klit, wordt industrieel gebruikt om er klitsluiting van te maken.

Shakespeare in Troilus and Cressida; ヤde meisjes uit onze familie dralen lang eer ze ja zeggen, maar, eenmaal gewonnen, zijn ze standvastig; dan zijn ze als klissen, verzeker ik u, ze blijven hangen, waar ze geworpen zijnユ.

Symbool van: raak me niet aan, overlast, ruwheid,  en opdringerigheid   of  een symbool van aanhankelijkheid.

 

Aristolochia.

(Dodonaeus) (a) ヤDit kruid heet in het Grieks en in het Latijn Aristolochia omdat het op het Grieks ariste tais lochois is, dat is zeer goed voor de vrouwen die gebaard hebben. Al deze kruiden zijn de gebreken van de vrouwen die hun na het baren plegen aan te hangen zo zeer nuttig en toegedaan dat ze daarom de Griekse naam Aristolochia gekregen hebben die zoveel betekent als of men zei, allerbeste kruid om de vrouwen na het baren bij te staan en van alle nawee創 te verlossen en te bevrijden.'

Aristolochia familie heet dan ook geboortekruidfamilie omdat het de bevalling zou bevorderen. De bloemvorm werkte hier aan mee, de doorsnede doet denken aan een ongeboren kind in de baarmoeder. Het is het Engelse birthwort: geboortekruid, dat vroeger bij bevallingen gebruikt werd. Dit kruid helpt om te ontvangen. Deze plant helpt het krachtigst om een zwangerschap te verkrijgen. Ze heet letterlijk ヤde beste voor een wiegユ.

Pijpbloem, de bloem lijkt bij veel vormen op die van een pijp.

 

Armeria, Engels gras.

In de perm tijd, 286 000 000 jaar geleden was in het huidige Noordzeebekken een bocht waar zeewater indampte, waardoor honderden meters zeezout werden opgehoopt. Dit bleef tot op de huidige dag bewaard, in Winschoten en Veendam wordt dat ontgonnen. Zout is daar overvloedig en wordt daar veel gebruikt. Armeria als zoutplant profiteert daarvan en groeit op die plaatsen en zo ook van zoutbestrijding langs de wegen. Door het gebruik van zout zie je de plant verschijnen op plaatsen waar veel gepekeld wordt.

Armeria, deze naam stamt van de Keltisch-Bretonse naam ar: bij, mor: zee, een plant die dichtbij de oever van de zee groeit. Het is dan ook een zeeplant wat we kunnen zien aan de dikke wortel waarop de plant in de tijdingen heen en weer gespoeld wordt en met vele broeders en zusters hele vlakten bedekt

 

Armoracia rusticana (rusticana betekent boers, landelijk, tegenwoordig heeft het woord meer de betekenis van rustiek, zo is het een rustieke plant) Armoracia is afgeleid van het Keltisch are‑mor: ar; nabij, mor; zee, aan zee. Mogelijk naar Armorica een streek in Bretag­ne.

Eerst werd de mierikswortel gebruikt om zijn medische kwaliteiten tot op het einde van de 16de eeuw de Duitsers er een saus van maakten. Die werd gebruikt bij vis, vooral bij de katholieken, die op de vrijdagse vastendag vis aten.

De mierikswortel behoort tot de grotere kruiden, het is een van de beste kruiden en de winnaar van de altijd kant en klare maaltijd. Het kan vers geplukt worden op het moment dat het gebruikt moet worden. Sympathiseert met citroensap en citroensap behoudt de mierikswortelgeur. Als een kruid in zijn natuurlijke vorm geeft het appetijt aan vlees of vis.

De wortel bevat vitamine C en mosterdolieglycosiden en heeft een scherpe smaak. In de 17de eeuw werd het door de VOC schepen tegen scheurbuik gebruikt.

 

Arnica, valkruid, wolverlei.

De eerste vermelding van onze plant is bij H. Hildegard te vinden waar ze zegt dat de plant wolfesgelegena onze Arnica is. Die plant wolfesgelegena kende ze niet als geneeskruid, maar vooral als liefdestoverij. Ze schrijft, ヤde wolfesgelegena is zeer warm, ze heeft een giftige warmte in zich. Als een man of vrouw in liefde ontvlamt en als iemand, hij of zij, op de huid met groene wolvesgelegena aangeraakt wordt dan zal het de aangeraakte in de liefde van een ander laten ontbranden en als het kruid gedroogd is dan wordt de man of vrouw door de liefdesvlam geheel razend zodat ze vrijwel uitzinnig wordenユ. De Gart der Gesundheit zegt; ヤFlores sancti Johannis in Latijn. De meesters spreken dat deze bloemen zijn van natuur getemperd en worden tot een ziekte genuttigd genaamd Amor hereos, dat is een zorgvuldige begeerte van de man tot een vrouw of een vrouw tot een man. Ettelijke meesters die spreken dat dit is duivelsliefde en niet menselijk. Daarom wie zoユn melancholicus is alzo dat hij nog dag nog nacht rust heeft in zijn hoofd en altijd graag bij vrouwen zijn wil, diezelfde neemt tot hem deze bloemen en zijn fantasie en kwade wil die wordt veranderd in een goede. En u zal ook daarmee gedenken de kuisheid Sint Johannes en hem offeren een pater noster en een Ave Maria, u wordt zonder twijfelユverlost van deze kwade melancholie. Dan komt de naam wolverlei van wohl; welzijn en verleiden.

 

Artemisia absinthium (absint).

Alsem werd gebruikt voor likeuren, sterke drank, en om wijnen te kruiden, het maakte die wijn slaperig. Mogelijk ook om het effect van de wijn weg te nemen. Het alcoholgehalte is hoog, de kleur is groen. Een versterkend bitter kan verkregen worden door 1 deel gedroogde toppen met 6 delen wijngeest te mengen en 6 dagen op 16 graden te laten trekken. Om zijn grootste werking te verkrijgen moet het wel 8 dagen voor het feest van St. Bartholomeus geplukt worden (24 augustus) dan verkrijgt men Tinctura d' absynthe, Spaans bitter. Dat doodt de wormen en zou wonden genezen zowel oude als jonge.

In vroegere eeuwen werden er miljoenen gallons alsemlikeur gedronken, vooral in Frankrijk. Het werd daar in 40 fabrieken gemaakt, in 5 jaar was de productie 72 575 hl.

De drank geeft eerst activiteit en aangename sensaties, inspireert tot grote gedachten maar bij gewoontedrinkers degenereert het de hersenen, beschadigt het centrale zenuwsysteem, het eindigt in delirium en dood. Wermutolie is een uitgesproken hersengif. Het is het "kruid van het vergeten". Het thujon dat de absintolie bevat veroorzaakt o.a. epilepsie. Symbool van afwezigheid. De Franse regering vond het nodig om het gebruik te verbieden bij het leger en zeevaart. Door de volkstelling van 5 juli 1908 is de fabricatie, invoer, transport verkoop en bewaren van absint in Zwitserland verboden. Het verbod gold alle dranken die iets met absint te maken hadden omdat ze een openlijk gevaar gaven. De wet trad op 5 juli 1910 in werking. 

In ons land is volgens de Absintwet van 6 dec. 1909, in werking getreden 20 juli 1910, verboden absint in te voeren, te vervaardigen, te verkopen, af te leveren etc. Wetboek van Strafrecht 7 juni 1910 Stb. 160. In Duitsland werd het in 1923 verboden. Nu wordt het weer toegestaan.

Artemisia vulgaris, L. (vulgair of gewoon), bijvoet. Naar de godin Artemisia Ilithya (gezondheid helpster), de dochter van Zeus en Leto, door de Romeinen Diana genoemd, de godin van de kuisheid, geboorte jacht die het eerste tegen vrouwenziektes gebruikt zou hebben. De godin zou zijn krachten ontdekt hebben en dit aan de centaur Chiron medegedeeld hebben. Dit vanwege de gunstige werking op vrouwenziektes en zijn vele geneeskrachtige eigenschappen.

Bijvoet werd dan ook wel Parthenia of maagdelijke plant genoemd. Deze soorten leveren een vluchtige blauwe olie, absintolie, die aan water werd toegevoegd waardoor er een drank werd verkregen die zo sterk, in sommige uitzonderlijke producten kan zijn, dat ze zelfs fataal voor de mens kan worden, het werkt vooral sterk op de voortplantingsorganen, vandaar parthenia.

Het bloeiende kruid, dat met Johannes geplukt wordt, bevordert de maandstonden en drijft dood en nageboorte af. Sinds Moza不che tijd is het een bestanddeel van een afdrijvingmiddel, foetor judaicus, dat door joodse handelaren verkocht werd. Misbruik tot afdrijving kwam voor, of bij grote dosis als wormmiddel, bij overdosering tot dodelijke vergiftigingen door het in de vluchtige olie bevattende, toxisch werkende Thujon.

Bijvoet werd vroeger als middel tegen vermoeidheid bij de voeten gelegd, of door bijvoet in de schoenen te stoppen maakte het onvermoeibaar. Volgens Plinius zal een reiziger geen vermoeidheid (artemes) voelen als hij een takje van bijvoet in zijn schoenen had. Volgens hem zouden de Romeinse soldaten de weg naar Zwitserland gemakkelijk hebben afgelegd omdat ze bijvoet in hun sandalen hadden. Voor ons gevoel gaan onze voeten gloeien en steken. De bijvoetbladeren bevatten een vluchtige olie die, als het met warme voeten in aanraking komt, verdampt en zo de warmte afvoert, een soort eau de cologne

 

Arum maculatum, maculatum betekent gevlekt, hoewel de plant niet altijd donkere vlekken heeft, ongevlekte schijnen zelfs meer voor te komen. Bij de gevlekte komen er ook vlekken voor in de bloem.

Arum maculatum was traditioneel de passiebloem. De lange zuil vertegenwoordigt de paal waaraan onze Heer was gebonden en beneden zie je de gesel met zijn vele ruwe geknotte einden.

Een aardige legende verhaalt hoe de purperen vlekken ontstaan zijn. Toen onze Heer aan het kruis hing en luid riep "Vader vergeef hen want ze weten niet wat ze doen", passeerde een vogel het kruis en uit medelijden voor zijn lijden perste ze zich tegen Hem aan en met zijn bek streek ze het bloed van zijn bloedende hand. Al gauw was de zachte bast van de vogel rood van het bloed, het draaide zijn kleine hoofd zodat rode droppen op de plant beneden op de grond vielen. De vlekken op deze bladeren gaven de plant de naam van Passion flower en Gethsemane. Nu meer voor Passiflora.

Aronstaf. De Aronstaf zou ontstaan zijn op de plaatsen waar Aron zijn staf had neergezet. Toen Joshua en Caleb in het beloofde land spioneerden namen ze de Aronstaf mee en hierop droegen ze op de terugweg de grote druiventrossen die ze plukten te Eschol en brachten ze het naar Mozes als bewijs van de rijkheid van het land. Nu, nadat ze de stok ontlast hadden van zijn lading, staken ze die in de aarde en zie! Daar sprong de Arum op. Het is het symbool gebleven van gezegende overvloed en vol met trossen vruchten bezet. De naam slaat dan vooral op de met bessen bezette vruchtenstengel die wel wat op een staf lijkt.

Naar Plinius stamt de naam uit Egypte. De Egyptische naam aur of ar: brandend of vurig, de smaak van de plant, werd vertaald in het Grieks als Arum: nuttig, en kwam daarna in het Latijn als aron. Waarschijnlijk werd het woord volks etymologisch met Exodus 4:17 verbonden en werd de kolf met de Aronstaf vergeleken, omdat de naam Aron een gelijke klank bezit. Waarschijnlijker is het dat Colocasia in Egypte de naam van aron had waar deze plant mee vergeleken werd.

Het sap en de bessen werden in vroegere tijden, toen de mode was om zo blank mogelijk te zijn, als blanketsel gebruikt door de adellijke dames. "Het uitgeperste sap van de wortelen dat bezonken is en dan wordt het bezonkene in de zon te drogen gezet en voor een blanketsel gehouden."

Mogelijk was dit gebruik ontstaan omdat het in vroegere eeuwen gebruikt werd om de huid te schonen van vlekken en ander ongerief, een soort nachtcr塾e. "

 

Arundo donax, reuzenriet. (doneo: ik beweeg heen en weer of wuiven).

Al in Homerisch tijd gebruikten de Phoenici喪s veel materialen hieruit. Vanuit de Semitische taal, in Assyrisch heet het kanu, maakten de Grieken er kana van en de Romeinen canna.  Frans grand roseau of canne de Provence, Engels giant reed of cane. De Europese spraken bezitten nog verdere afleidingen van dit woord canna zoals kanne, kannengieter, canon, kanon, kanonisch recht, kaneel, het Engelse channel; Kanaal en zelfs de karamel komt van Spaans caramelo, oud-Frans calemelle, laat-Latijn calamellus, van canna mellis: zoet riet.

Schalmei, het muziekinstrument, heette in midden-Nederlands scalmeie dat uit oud-Frans chalemie en dit uit Latijn calamellus, en zo verder. Men snijdt nog als in de oudheid zijn muziekinstrumenten, de tibia, fistula, syrinx en hobo van Arundo donax. Heel bekend is de Pansfluit die samengesteld is met 7‑9 rietpijpjes van afnemende lengte die Pan zou hebben gesneden uit het riet waarin de door hem vervolgde stroomnimf Syrinx was veranderd.

Het riet dat zich bij het geringste briesje zo sierlijk beweegt is het zinnebeeld van de menselijke zwakheid. Ja, God zal ook Isra鼠 slaan en beroeren gelijk een riet in het water, 3 Richteren 14: 15, zie ook Mattheus waar ze hem een riet in de hand gaven. Zo kroon, zo scepter: een doornenkroon als zinnebeeld van de zonden, een riet als zinnebeeld van de menselijke zwakheid, een zinnebeeld van het heen en weer slingeren van de mensen tussen geloof en ongeloof, tussen ijdelheid en ernst, tussen het ware vertrouwen en het valse zelfvertrouwen evenals het riet bij het minste windje.

 

Aspalathus linearis (lijnvormig) rooibos.

Het is een plant uit de omgeving van de Cederberg, Zuid-Afrika.

Het wordt gekweekt  voor de vervaardiging van een op thee lijkende drank. De bladeren van de plant worden geplukt, gestampt en in de zon gelegd. In de laatste fase verkrijgt de rooibos haar roodbruine kleur. In tegenstelling tot de echte thee bevat rooibos geen cafe貧e en bijna geen tannine die in gewone thee verantwoordelijk is voor de iets bittere smaak ervan. Er zitten wel antioxidanten, calcium, ijzer en vitamine C in, en de drank werkt licht ontspannend. Rooibos is dus uitstekend geschikt als avonddrank voor het slapen gaan.

Tijdens de apartheid werd rooibos onder de naam Massai-thee ge匝porteerd om economische sancties tegen Zuid-Afrika te omzeilen. De naam rooibos is Afrikaans en afgeleid van het Nederlandse rood bos, de avondrode kleur van de drank.

Ofschoon rooibos al vermeld werd door de botanist Carl Thunberg in 177, gebruikten de Khoisan mensen van dat gebied het al lang en waren bekend met zijn medische krachten. De Hollanders die naar de Kaap kwamen namen rooibos aan als een alternatief voor zwarte thee en verstuurden het naar Europa. Tot de 19de eeuw was het gebruik maar matig. In 1903 realiseerde Benjamin Ginsberg (een Russische kolonist in de Kaap en afstammeling van een beroemde theefamilie) de potentie van rooibos en begon met de lokale Khoisan mensen te handelen die het oogsten. Hij verkocht zijn bergthee aan mensen in de Kaap en werd de eerste exporteur van rooibos door zijn familiecontacten. Nu kweken meer dan 300 boeren het.

 

Asparagus, asperge.

Asperge groeit bijna overal, maar wordt vooral op zandige gronden geteeld om de eetbare spruiten er gemakkelijker uit te kunnen steken. Jonge spruiten zijn zacht maar mogen niet te lang gekookt worden anders worden ze taai en bitter. Enige uren na het nuttigen van verse asperges heeft de urine bij de helft van de mensen een merkwaardige geur. Dat komt doordat de zwavelhoudende stoffen in de asperge in het lichaam na consumptie snel worden omgezet in vluchtige zwavelhoudende verbindingen.

Het is geen geheim dat de asperge op de seksuele delen en nieren werkt, ja zelfs zo sterk dat men het genot ervan overal vermijden moet waar de plas drijvende werking problemen kan veroorzaken.

 

Asphodelus, affodil.

De affodilweiden zijn een begrip. Hier dwaalden de schaduwen van de helden en aten de bollen. Zie Atlantis.

De raapachtige verdikte wortels, die diep in de steenlagen kunnen doordringen, geven hun een ongelofelijk weerstandsvermogen en kunnen daarmee zelfs bosbranden overleven. Om die reden komen ze ook veel voor op woeste gronden en op plaatsen die eertijds door bos en maquis bedekt waren. De affodilweiden zijn een voorbeeld van overbegrazing door geiten en schapen. Deze vernietigers van de natuur lusten geen Asphodelus en laten die staan en op den duur vormen zich zo hele vlaktes met alleen Asphodelus.

Die dorre, woeste en onvruchtbare oorden waren verdorven plaatsen waar duistere verschijningen samenkwamen. Naar zijn vele voorkomen in Griekenland zou dit de Asphodelus van de ouden kunnen zijn waar de bleekgele bloemen verbonden waren met duistere plaatsen en kerkhoven. Symbool: "mijn berouw volgt je tot in het graf". Het is mogelijk de plant van Homerus die over de weiden des doods sprak, de affodilweiden, waar de schaduwen van de helden verzameld waren in de Hades.

Hades is de Griekse naam voor de onderwereld en de god ervan. (Pluto) Hades was verdeeld in twee secties, Erebus en Tartarus. Erebus was de plaats waar de doden voor het eerst het rijk der doden binnenkwamen. Charon voer ze dan over de rivier Styx waar ze dan in de Tartarus kwamen. Tartarus is dan weer verdeeld in drie subsecties, de Elyseese velden, de Affodil weiden en Tartarus.  Zijn de schimmen eenmaal binnen de poort van Hades duistere rijk, dan moeten ze voor de drie rechters verschijnen, Minos, Rhadamanthys en Aiakos, zonen van Zeus die wijze koningen op aarde waren en nu oordelen over het aardse bestaan van de doden.

Wie goed noch slecht geleefd hebben, en dat zijn de meeste mensen, worden verwezen naar de Affodilweiden die zo genoemd zijn de onopvallende bloem die er bloeit. Ze leiden er een vreugdeloos bestaan en kunnen niet meer denken en voelen en weten ook niets meer van hun bestaan op aarde, ze hebben gedronken uit de Lethe, de rivier van Vergetelheid. Alleen, als door de levenden een bloedoffer van lammeren wordt gebracht, krijgen ze even hun gewone bewustzijn terug.

De dappere helden, buitengewone edelen en edele burgers gingen naar het Elysion. Dit is een heerlijk land, vergelijkbaar met onze hemel. Dit ligt terzijde van het Dodenrijk. Het heeft een eigen zon en maan die nooit verduisterd wordt door wolken of noodweer, het is er altijd zomer met zoele westenwinden die koelte brengen. Op de Elyseese velden bloeien de prachtigste bloemen en men geniet er van muziek en voordracht van dans zoals op de mooiste oorden op aarde. Men zou zelfs na verloop van tijd weer in een nieuw lichaam op aarde kunnen terugkeren en dat tijdstip mochten de zielen zelf bepalen.

Nog heerlijker stelde men zich het leven voor van diegenen die, na be訴ndiging van drie levens, telkens door de rechter van de Elysische velden waardig gekeurd zijn. Zij mogen naar de Eilanden van de Gelukzaligen die aan het eind van de wereld gelegen zijn. Zij zijn vrij van alle verdriet en zorgen en hoeven nooit meer terug naar de aarde.

Tartarus is de plaats waar de kwade en bedrieglijke zielen gingen om voor eeuwig verschrikkelijk gestraft te worden, vergelijkbaar met onze hel.

 Men schreef deze plant wonderbare krachten toe en zette deze plant rondom de graven, om reden dat de zaden en wortels voedsel zouden vormen voor de geesten van de doden, hoewel ze ongekookt niet te eten zijn. Waarschijnlijk is dit een overlevering uit zeer oude tijden, voor de introductie van de granen was dit het basisbestanddeel van het Griekse menu.

De Asphodelus was aan Persephone (Demeter) gewijd. Op 28 april werden er ter eren van Flora wel kransen van gemaakt waar de huizen en graven mee versierd werden. Kransen van deze en andere narcissen werden gebruikt bij de doden. Nog dient het als grafversiering in Itali en Griekenland.

De affodil is gewijd aan Persephone of Proserpina in Romeinse mythologie die met geweld in de onderwereld gebracht werd door Hades (Pluto). Persephone is de dochter van Demeter. (Ceres)

 

Aster, sterrenkruid.

Het ontstaan van de aster.

In de tijd dat Jezus nog een kind was zond zijn vader een engel naar beneden en gaf hem kindervorm zodat hij met Jezus en andere kinderen van Nazareth zou kunnen spelen. Op zekere avond zei hij tegen de kleine Johannes: "ik ga slapen". "Waar is je bed" vroeg Johannes. "Daar, boven bij de sterren", zei de engel. "Mag ik niet met je mee"?" vroeg Johannes. "Nee, nu nog niet", zei de engel, "je bed is al wel klaar maar je moet nog even wachten". Johannes begreep dat laatste niet zo goed en plukte snel een bosje rozen en leli創 om die aan de engel mee te geven. "Hier heb je een bloemenruiker en als je nu morgen terugkomt breng dan voor mij er een van boven mee, daar moeten wel mooiere bloemen zijn dan hier". "Die hebben we ook", zei de engel, "maar we kunnen die niet naar beneden brengen. Zie je die sterren aan de hemel blinken, dat zijn onze bloemen. Ik kan je dat niet goed zeggen, maar die bloemen zijn niet in de aarde geplant. Toch wil ik morgen wel een stukje meenemen. We zullen die in de aarde planten en zien wat eruit komt". De volgende morgen had hij een helder schitterend zaadje in de hand die in de aarde begraven en overgoten werd met vers water. En zie, daar groeide en bloeide in de herfst een mooie bloem van een ronde vorm met rondom vele blaadjes als van kleine zonnestralen omgeven. Ze kreeg de hemelse naam die het kind gegeven had.

Als je 's avonds bij een asterbed staat en goed luistert kun je een licht fluisteren horen. De bloemen spreken met hun verwanten, de sterren.

Aster tripolium. Tripolium komt van het Griekse tripolion, tri: wat wij kennen als 3, en polein: omkeren. Een naam die door de ouden aan een soort werd gegeven omdat die 3x van kleur verwisselt, een blauwe kelk en een witte bloemkroon die uitgebloeid violet kleurt. Zulte is een naam die afkomstig is van oud-Nederlands sulte: pekel, inzulten betekent dus inpekelen. Zulte groeit aan de zoute kust. Zijn vlezige bladeren staan geregeld in het zoute water. Dit zou geen plant uit houden, ook de zulte niet. De plant is echter in staat om het overtollige zout uit zijn weefsels uit te scheiden, dit zijn die fijne kristalletjes die op de achterkant van de bladeren worden aangetroffen. De bladeren worden wel als groente verzameld, het zijn de zogenaamde lamsoren. De ongeveer een meter hoge plant is ook van belang voor landaanwinning en komt daar voor op iets hogere gronden die af en toe overstroomd worden, waarachter de slibdeeltjes bezinken en zo het land ophogen.

 

Astragalus, boksdoorn.

Astragalus stamt van het Griekse astragalos, naar het enkelbeen of sprongbeen van het menselijk lichaam, een bot dat het been verbindt met de voet in de menselijke anatomie, naar de hoekige vorm van het zaad, of omdat de wortel erop zou lijken.

Homerus spreekt over bikkels, dat men die in de handen van krijgslieden gaf die Troje belegerde, ten einde hun geest van ernstige bezigheden af te leiden. Hercules werd te Achaja met het werpen van bikkels geraadpleegd en ook werden er op die wijze de godsspraken van Geryon bij de fonteinen van Apone aan de poorten van Padua uitgesproken. Later zijn de bikkels uit de handen van koningen en veldheren, hogepriesters en profetessen in die van de kleine kinderen overgegaan.

Een van de meest oudste spelen ter wereld is dat van bikkels, dat bekend is in het Latijn als tali en in het Grieks als astragaloi, waarin de voetwortelbeentjes van schapen en geiten gebruikt worden als dobbelstenen.

Bij ons is dit spel bekend als bikkels of bikkelen, het zijn de kootbeentjes uit de hiel van een schapenpoot. Mogelijk is vroeger de plant gebruikt, ons kootkruid.

 

Astrantia is afgeleid van Grieks astron: een ster, en anti: in de betekenis van "als" naar de uitgespreide bloemschermen. Sterrenbloem. Zeeuws knoopje komt in de Zeeuwse natuur niet voor. Het heeft de naam omdat de bloemen van bovenaf gezien op de oude zilveren Zeeuwse knopen lijken.

 

Atropa bella-donna, L. (schone dame)

Met zijn dikke stengels en grote, zachte bladeren lijkt het wel wat op een tabaksplant. Verwondt geeft het kruid een duivelse lucht. Bloemen zijn okselstandig en staan aan korte stelen. De snelle bloemkleurwisselingen zijn moeilijk te beschrijven. Ze opent met groen/geel en wordt geleidelijk aan van een bruingele kleur aan de buitenkant. Van binnen verandert het van roodbruin of chocolade teint naar dof violet en verkleurt tot ziekelijk bruin in juni tot augustus.

Het doodkruid geeft een donkere zwarte, zoete bes met violet sap dat ter grootte is van een kleine kers. De vrucht wordt wel door sommige dieren gegeten, zoals lijsters en merels. Atropa is een stevige tante, vrij vertakt met ronde en wat donzige stengels.

Bella donna betekent schone vrouw en het sap van deze plant werd op de ogen gedruppeld waardoor er glanzende ogen en een grotere oogappel werd verkregen. Dit kan ook bereikt worden door een deel van het blad buitenwaarts op de ogen te leggen. Of de plant is zo genoemd omdat als je dit sap in neemt het illusies geeft van mooie vrouwen. In geringe hoeveelheid veroorzaakt het ook hallucinaties en diepe slaap. 

Een ander verklaring verhaalt een drasti­scher behandeling van de vrouwelijke sekse, een Italiaanse gifmenger zou er gebruik van gemaakt hebben om de lieflijke dames naar de hemel te verwijzen. Het is een oud bijgeloof dat op zekere tijden de plant de vorm aanneemt van een tovenares van een heerlijke schoonheid waar het gevaarlijk is om naar te kijken

Atropa is zo genoemd naar de Griekse Atropos, de onafwendbare. Ze was een van de drie ongeluksgodinnen, de Parzen, die de door haar zusters gesponnen levensdraad afsnijdt, dit is een verwijzing naar zijn giftigheid. Ieder mens ontvangt bij zijn geboorte een draad. De andere twee waren de godin Klotho die de draad spint en Lachesis die de draad begeleidt die Atropos vervolgens op zekere tijd doorknipt.

 

Aucuba.

E. Kaempfer ontdekte de bonte vorm in Japan en maakte er een tekening van. Een honderd jaar later, 1783, bracht Thunberg de eerste plant in Europa. Veel begeerd en aanbeden, probeerde men het gewas te cultiveren waardoor de struik bijna werd omgebracht. Men teelde de plant eerst in warme kassen, maar de hardheid was gauw genoeg bekend en zo werd het voor het eerst beschreven te Kew, 1813, als een winterharde plant. Het werd ook in 1856 door Phillip Franz von Siebold ingevoerd en na von Siebolds werd het populair.

Deze luchtige en gele wolk hult zich nu soms met rode bessen. Het is een tweehuizige plant. Al de planten in Engeland waren in de eerste tijd vrouwelijk, wat eerst niet opviel, de plant was mooi genoeg. Een nieuwe aanvoer door von Siebold haalde ook niets uit, wel bracht hij vele nieuwe var. maar die waren ook allen vrouwelijk. Men begon te fluisteren dat in zijn thuisland de plant compleet was met een hoofdtooi van helder rode bessen die een mooie achtergrond vormden tegen de bonte bladeren. Zo zette in 1860 R. Fortune zeil om een mannelijke Aucuba op te halen. Er werd er een gevonden die groenbladig was en die direct opgestuurd werd zodat in 1864 de eerste vrouwelijke plant versierd was met rode bessen. Dit was een sensatie onder de kwekers, vele biologieboeken werden weer eens doorgelezen.

 

Auricularia auricula-judae (Joods oor)

Een 2-6cm grote zwam van een satijnachtige tot donkerroze kleur die zacht aanvoelt. Vaak is het een geaderde en enigszins doorzichtige oor. Bij droogte krimpt het in, wordt harder en donkerder (tot zwart) van kleur.

Het is de meeste wel eens opgevallen dat er een gom uit de vlier vloeit. Deze gom verhardt zich en krijgt de vorm van een oor. Die gom wordt Judasoor genoemd naar de sage dat Judas zich aan deze boom verhangen zou hebben. Ook Shakespeare in Love Labour's Lost doelt op het middel­eeuwse idee dat Judas zich aan deze boom had verhangen. Sir John Mandeville verhaalde dat in zijn tijd de vlier de boom was waar Judas zich aan heeft verhangen en nog te zien was bij Siloe.

Wat genoeg was om de boom een slechte naam te geven, wat door andere karakteristieken van de boom bevestigd werd. Dit was bijvoorbeeld de duivelse lucht van zijn bladeren en zijn sombere kleur, het was een doodsboom. De zware giftige reuk van de bloemen en hard en harsloos hout met de lelijke zwarte hangende zwam die vrijwel alleen in de vlier gevonden wordt. Zo werd het een wijdverspreid geloof dat het de boom was waaraan Christus werd gekruisigd. Daarom werd op veel plaatsen, ondanks dat brandhout schaars was en dit hout voldoende, niet gebruikt voor de haard.

In latere tijden werd Cercis siliquastrum de judasboom. Of Judas zich verhangen heeft is niet duidelijk, maar zeker was het een steviger boom dan onze vlier. Naar dit geloof werd de vlier een embleem van zorgen en verdriet.

 

Avicennia, mangrove.

De mangrove of vloedbos is een plantenformatie die uit houtgewassen bestaat die men aan moerassige tropische kusten aantreft, ook nog wel in het binnenland langs de rivieren. Ze vormen vrijwel ondoordringbare bossen. De mangroveplanten kunnen tot zeer verschillende families behoren, de bekendste is wel Rhizophora mangle en deze. Het zijn allen bomen of heesters met leerachtige bladeren die met een deel van hun wortels buiten het water uitsteken, tenminste bij eb. Deze ademwortels bevatten dan openingen waardoor de lucht kan binnendringen en ook in die delen van de wortels die diep in de modder zitten en anders zouden verstikken.

Verschillende mangroveplanten zijn in het bezit van zaden die kiemen terwijl zij nog aan de plant zitten, terwijl dan later de kiem uit de vrucht valt, vivipare (levend barend) Het krachtigst ontwikkeld is de mangrove in zuidoost Azi waar vandaan de soorten door zeestromingen vervoerd kunnen worden tot aan de oostkust van Afrika, Z. Japan en de eilanden van Oceani.

 

B.

 

Barbarea, Barbarakruid.

Het kruid is naar een heilige vernoemd. Zo naar St. Barbara, omdat men het kruid nog kan plukken op de dag van St. Barbara, 4 december. Deze heilige stierf de marteldood door de hand van haar vader in 237‑238. Ze werd door haar heidense vader in een toren opgesloten, vandaar dat metselaars en timmerlieden, architecten en ingenieurs haar tot patroon kozen.

Aan St. Barbara was in de middeleeuwen ook de wat ongewone en onvrouwelijke functie van patrones van arsenaal en kruithuizen toegedacht. De legende verhaalt dat ze op de dag van christianiseren door haar vader was overgeleverd aan de autoriteiten. Nadat ze gemarteld werd was het de taak van haar vader om haar te onthoofden. Toen hij de fatale slag toe wilde brengen legde een bliksemstraal hem dood aan haar voeten neer. Vandaar dat ze door de bijgelovige betrokken werd tegen bliksem en onverwachte dood en haar bescherming werd verwacht bij oorlogsmateriaal. Het is de beschermheilige van soldaten, de plant wordt als wondkruid gebruikt. 

Fuchs; ヤDat Barbarakruid schijnt te zijn een verstoorde naam vanuit het Latijnse woord Carpentariorum herba, dan alzo is het in Latijn dit kruid genoemd geworden derhalve dat de wagenmakers en schrijnwerkers zulks tot heling der wonden zeer gebruikt hebben. Omdat nu onze Duitsers gehoord hebben dat dit gewas Carpentaria herba is geheten geworden hebben ze uit het woordje Carpentaria Barbara gemaakt zoals ze ook in vele andere dergelijke kruiden gedaan hebben.

 

Bellis, madelief.

Parels en madelief werden beiden Margaretユ s genoemd.

De bloem werd vroeger gebruikt bij vrouwelijke klachten en daardoor door de monniken opgedragen aan St. Margaret van Cortuna. De H. Margaret die zo veel voor de aankomende moeders bad.

Meestal wordt de H. Margaret van Antiochi bedoeld: "Als een vrouw geboortewee創 krijgt, roep me, laat haar dan het kind krijgen". St. Margaret maakte gebruik van de madelief, die soms Margaret genoemd wordt, een parel. De Margaretha gordel heeft een helpende kracht. In Parijs kwamen op deze dag vrouwen en meisjes ヤmet menigte in de kerke daar de Priester de riem van de H. Vrouwe haar om het lijf sloeg om vruchtbaar te zijnユ. In de Margaretha kapel te Neustadt kwamen jaarlijks een groot aantal vrouwen, katholiek als protestant, om haar geloften af te leggen en gaven te offeren ヤop hoop van zegenユ.

De bloem is gewijd aan alle koninginnen Margarets en heiligen Margarets. Marguerite de Valois adopteerde de madelief als haar devies. De trotse en ongeluk­kige Margaret van Anjou, vrouw van Hendrik VI, koos de bloem als embleem en stikte ze op de robes van haar kleding, de hofdames om haar heen droegen het op de kleding, de ladyユs in het haar. Toen de zorgen kwamen voor de koningin werd de madelief verwijderd als zijnde ongeschikt voor dit moment. De taaie Margaret had weinig van de zachtheid waarvan de madelief het type is, haar vrouwelijk hart was gepijnigd toen ze zag dit die genegeerd werd en kende zichzelf als een helder bloem

De moeder van Henry VII, lady Margaret, droeg drie witte madelieven als devies.

Margaret, de zuster van Francis I droeg de madelief als haar devies en werd door haar broer Marguerite of Marguerites genoemd, zijn parel van parels.

Lodewijk de IX (1214–1270) nam de madelief met leli創 in zijn wapen op. Hij droeg een ring met tekens waarvan hij het meeste hield, een kruis voor de religie, een lelie van Frankrijk en een margriet voor zijn liefste vrouw Margaret.

In latere dagen werd de madelief als devies gekozen, vooral bij studies van de geleerde mannen van Itali. De madelief figureerde, met de roos, distel en andere favoriete bloemen veel in designs.

Het nederige madeliefje is het symbool van onschuld en zuiverheid en daarom is het ook aan de H. Maagd Maria opgedragen. Maria is immers de altijd schone  bloem (Bellis), de bloem van hemelse schoonheid, de bloem van de bloemen die nooit verwelkt. De volbloemige madeliefjes, zo mooi rood en wit van kleur, zijn het symbool van de koningin der martelaren en het leliewit der maagden.

Madelief bloeit vrijwel het hele jaar door. Zolang de bloem gesloten is kan die wel tien graden vorst verdragen. Maar in het voorjaar komen ze weer en zie je de meeste bloemen. Een spreekwoord zegt: "het is nog geen voorjaar voor je je voet niet op 12 madelieven kan zetten". Zo zien we de madelief is alle vroegte de velden kleuren. Nog is alle sneeuw niet verdwenen of het woud wordt met een groene deken overhult en schemert het in de weiden van de witte ster van de madelief. De madelief barst uit haar wintertombe in een zonnig uur. Maar de koele en snijdende oostenwinden geven een terugval en brengen weer vorst. Na enkele boze dagen lokt eindelijk weer de blije lucht en komt het madeliefje weer ongeschonden tevoorschijn. Alleen het wit heeft ze afgelegd, in ieder geval is Bellis aan de buitenkant met rood overtrokken. Het is overigens een uiterst lief perzikrood zodat ze eruit ziet als een bakvis met blozende wangen.

De madelief brandt het voorjaarsgras met zilveren vuren. Een gele kop wordt als het ware gekroond met een guirlande van fijne witte blaadjes die rond zijn hoofd zijn gezet. De stralen van parelachtige bloembladen ontvouwt het om het gele zonnetje zodat het centrum bloot gesteld wordt aan de dauwende zon, dat andere oog van de dag. De madelief is een miniatuur van die gouden schijf met zijn striemende stralen van licht.

De madelief heeft een 250 witte lintbloemen, die aan de onderzijde vaak rood omfloerst zijn. Het is een volksgeloof dat men aan deze bloem de liefde en trouw van een ander meten kan. Dit gebeurt na het bekende bevestigend en vraagspel: ヤhij houdt van mij, niet van mijユ. Kinderen die lang buiten zijn geweest gebruiken de bloemen om te weten te komen hoe ze bij de terugkeer door hun ouders ontvangen worden en het ene blaadje na de ander afplukken, slagen, schelden, goede woorden, slagen. Of, edelman, bedelman, boer, soldaat, student? Symbool van deelnemen (geluk), ik deel jouw gevoelens.

Madeliefkransen maken is een precies werkje. De stengels moeten doorboord worden met de nagel, of een mes als je die bij je hebt. Die moet lang genoeg zijn en dusdanig dat er een klein gaatje in de stengels ontstaat waardoor een stengeltje gestoken kan worden, niet te ver want dan heb je een madelief met 2 poten, in die steek je de volgende etc.

 

Berberis, zuurbes.

Het frisse groen in mei lokt tot een tweede bekijken van talloze struiken die dan uitgehuwelijkt worden. Ieder probeert de ander te overbieden in schoonheid en ook de onaanzienlijkste zijn in deze tijd sierlijk opgesmukt. Daar staat er een voor ons die je het hele jaar geen aandacht schenkt, mogelijk in de herfst met de bes, maar straalt je nu tegen in helder geel. Zijn meeldraden zijn gevoelig voor aanraken, zoals ze midden in het gele rokje staan en aangeraakt worden door de bestuiver of door middel van een speld, buigen ze zeer snel naar binnen. Doordat die meeldraden bij de minste prikkel bewegen is Berberis het symbool geworden van jalousie.

Zijn parfum is ongepast, hoewel die toch omzwermd wordt door talloze aanbidders. De ornamentele vruchtentrossen hangen tussen een gloeiende herfstkleur en blijven ook in het donkerbruine hout hangen als rode koralen die de plant sieren alsof ze een huwelijksfeest houdt.

Berberis is berucht vanwege zijn driespaltige bladdorens die van kort tot zeer lang en zeer stekelig kunnen zijn. Voor beginners zijn de soorten altijd wat moeilijk uit elkaar te houden. Een herkenningsteken is vaak het wit of grijs aan de onderkant van de bladeren. Gemakkelijker zou het gaan als er een term stekeligheid bestond. Er zijn zachte tot scherpe en soms zeer lange stekels. Met 1-3 maar ook 3-7 dorens. De mate van prikkeligheid zou ons dan kunnen brengen tot het juiste soort. De dorens op de twijgen staan, wat vooral in voorjaar goed te zien, als een wenteltrap geplaatst.

Ze staan onder het beheer van Mars.

Het heette vroeger sausenboom. De groene bladeren van sausenboom dienen om er sausen van te maken voor de spijs net zoals zuring en de saus die daarvan gemaakt wordt of het water daar ze in gekookt zijn is verkoelend en maakt appetijt of lust om te eten en is daarom ook zeer goed voor diegene die verhit en met enige hete of brandende koortsen gekweld zijn en verkoelt of matigt de brand van het bloed en de al te grote hitte van de lever.

 

Beta, biet.

Naar Plinius en Dioscorides was suiker al in de oudheid bekend. Het speelde geen belangrijke rol en werd meer gebruikt voor de artsenij. Door de Arabieren werd suiker verspreid. Suiker behoorde tot de 15de eeuw nog tot de apothekerswaren, ook al werd het al lang voor bakwerk en als genotmiddel gebruikt.

Een omkering bracht in 1747 de ontdekking van de Berlijner apotheker Andreas Sigismund Marggraf dat verscheidene inheemse planten suiker bevatte die gelijk was aan rietsuiker. Hij haalde suiker uit de zogenaamde suikerwortel, Sium sisarum, en uit de rode en witte biet. Eerst 50 jaar later, in 1796, probeerde Achard die ontdekking in het groot te gebruiken. Met steun van de Pruisische regering zette hij de eerste suikerfabriek op. Het lukte hem in 1786 mangelwortels met een hoog suikergehalte te kweken. Dit eerste suikerbieten ras werd gekweekt uit een Silezische witte mangelwortel en dit werd de stamvorm van de latere suikerbietenrassen. De eerste fabriek voor suikerwinning kwam met regeringssteun in 1802 te Kunern, Silezi, in werking en kwam tot winning van 2‑3% suiker, later werd het 7‑8% en nu 18%.

De jonge industrie had met veel moeilijkheden te kampen, maar kreeg echter onverwacht een geweldige steun door het continenttalstelsel van Napoleon, waardoor de invoer van suikerriet onmogelijk werd en de suikerprijzen tot fabelachtige hoogten stegen. Er werden in Nederland enige suikerfabriekjes opgericht. Na de val van Napoleon en de heraanvoer van suiker uit suikerriet kwam de bietencultuur volledig op de achtergrond en verdween in de meeste landen zo goed als geheel. Alleen in Frankrijk bleef ze met de steun van de overheid bestaan. In Nederland kwam de suikerbietenteelt omstreeks 1860-1870 door wijziging in de accijnspolitiek en het uitvallen van intensieve cultures als koolzaad en meekrap. De eerste suikerfabriek na de Napoleontische tijd werd in 1858 in Zevenbergen opgericht. Na de invoerstop van suikerriet in 1884 werd het een belangrijke cultuurplant. Na aanvankelijke aarzeling breidde de bietenteelt zich in Nederland snel uit, terwijl de opbrengst in kg/ha steeg van 21.600 omstreeks 1865 tot 37.500 omstreeks 1950. In verband met de deviezenpositie werd de bietencultuur na de tweede wereldoorlog door de regering aangemoedigd en bedroeg de beteelde oppervlakte in 1954 78.500ha. De suikerbietencultuur heeft zich over een groot gedeelte van de gematigde luchtstreek uitgebreid, maar is merkwaardigerwijs vrijwel alleen tot het noordelijke halfrond beperkt. Blijkbaar is het klimaat in de overeenkomstige gematigde luchtstreek op het zuidelijke halfrond niet geschikt door een minder goede regen- en warmteverdeling.

 

Betula, berk.

De sierlijk gevormde berk, met zijn huppelende bladeren geeft een gezelliger indruk dan de wat sombere els, de bevallige groeiwijze geeft de boom een romantisch voorkomen. In sprookjes zien we de witte stam staan bij een oude bouwval. Zijn voorkomen gaf in het weifelende maanlicht de indruk van oude schimmen alsof de vroege ridderlijke bewoners van het huis nog rondwaren. De berkenjonkvrouw staat het liefst alleen op de wijde heide, badend in de zonneschijn en hemelsblauwe luchten en laat zijn bladeren ritselen op de fluisterende stem van de wind.

Zijn glinsterende bast is van een zilveren schoonheid en een opvallende verschijning in het landschap. De blanke bast heeft in het maanlicht de beste uitwerking en men beweert dat de boom vroeger veel geplant werd aan de zandwegen zodat de boeren zich konden richten op het wit van de stammen. De berk is een tikje ijdel en houdt ervan om gezien te worden en laat zich zien, hoewel zijn huid niet meer zo strak is en niet meer zo glimt dan in zijn jeugd, plekken en wratten vertoont.

Zijn twijgen hangen sierlijk naar beneden als de vlechten van een bosnimf. Door die fijne twijgen krijgt het een luchtig geheel met jonkvrouwachtig voorkomen. De berk schudt zijn dun behaarde kruin en buigt die deemoedig tegen de overmacht van de westenwinden. Menige winters deden de lange en sluike haren grondig uitge­kamd worden door de harde winden.

De boom lijkt meer gevormd voor elegantie dan kracht en toch is het opmerkelijk vanwege zijn weerstand en de kracht om de zware winden te trotseren waarbij zware bomen ten onder zullen gaan. Het is sterk bij door zijn zwakheid en buigt voor de storm.

Een groep goed gevormde berken bij winterzonsondergang geeft een merkwaardig dramatisch natuurverschijnsel. Uit de franjeachtig overvloed van takjes en glimmende stammen wordt het effect getoverd van een purperachtige damp die doorsneden wordt met verticale zilverlijnen, dit is de artistieke zijde van de boom.

Zo gauw de eerste zonnestralen mild aan de hemel staan smukt het zich met fris groen en laat de zachte bladeren als betoverde vlinders in de wind fladderen. Ze bewegen vrijwel altijd in een briesje waardoor het lijkt alsof ze in een zachtgroene waas wegsmelten. Het is de Lady van het Woud, de vergoddelijking van sierlijkheid en bekoorlijkheid. Een boom die aan Venus behoort. De berk heeft een fijnheid van voorkomen maar is bijzonder sterk en ontwikkelt zich tot een van de taaiste bomen. De vroeg ontluikende bijna ruitvormige en tere blaadjes zijn puntig en dubbel gezaagd. In hun jeugd worden de zachte blaadjes beschermd tegen de barre natuurelementen door een laagje hars dat blinkt in de zon. Dit hars verspreidt op warme lentedagen een heerlijke geur en het Russische juchtleer heeft zijn eigenaardige aroma van de berk die bij het bereiden wordt gebruikt.

De Lady van het woud is vruchtbaar. Volwassen produceert ze jaarlijks 30 000 000 zaden en kan ze, met hun nakomelingschap, in een periode van 28 jaar voldoende zaad produceren om daarmee de gehele aarde met zaailingen van berken te bedekken.

De zelden rechte, maar slanke stam bereikt meestal niet meer dan 40cm. doorsnede. In jeugdige toestand is de groei het best waarom het wel wilg van de hoge gronden wordt genoemd. De wortels zijn licht en verspreiden zich dicht onder de oppervlakte, vandaar ook dat de boom van vochtige gronden houdt. De oude en diep gegroefde stam wortelt vast in de magere en zompige bodems. Men ziet de berk wel aangeplant in dennenbossen als een brandgang tegen een mogelijke vuurhaard dat door het waterrijke blad wordt tegengehouden.  Op zijn 140ste verjaardag heeft de berk zijn beste tijd wel gehad.

Symbool van zachtzinnigheid en nederigheid.

De boom is in staat de felste kou te weerstaan doordat die uitstekend ge不oleerd is. Die isolatie zien we aan de kleur van de stam, die is meestal licht of wit gekleurd door de vele lucht dat die stam bevat. En lucht is een goede isolatie. Zo kan het ook ver in de noordelijke streken groeien.

Kenmerkend voor dit juffertje zijn vogelnesten of zoals het in de volksmond genoemd worden, de heksenbezems. Een berk met zo'n kenmerk herken je al in de verte. Volgens het bijgeloof zouden ze ontstaan zijn doordat de heksen in deze bomen hun bezems waren kwijtgeraakt. De heksenbezem is een heksennest en een heks woont in zulke nesten en daar broedt ze stormen uit. In werkelijkheid wordt die heksenbezem veroorzaakt door een schimmel.

Het belangrijkste medicijn kan in het voorjaar gewonnen worden. Tegen de tijd dat de bladeren in het blad komen begint het bloed van de berk sneller te stromen. Die stroom wordt in februari op gang gezet en gaat door totdat de bladeren voldoende water kunnen verdampen. In die tijd mag de berk niet gesnoeid worden anders verliest het teveel vocht en is kans op doodbloeden aanwezig. Dit vocht is bekend als berkenwater. Men kan dit moedwillig tappen door dwarse insnijdingen te maken in de zuidzijde van de schors of een gat te boren waar een kurk in gestoken wordt en in die kurk een slangetje te bevestigen die aan de andere zijde in een fles uitmondt. Voor de bomen is dit aanboren niet goed en een Russische boer zegt dan ook: "Berkenwater wint men voor een dubbeltje en vernielt daarmee het woud voor een daalder". Van deze donor kan in een week zowat 8 liter afgetapt worden. Dit water is een oeroud middel tegen blaasziektes, reuma en longziektes. Het is de berkenmede, de levenskracht van de berk waarmede men zich in het voorjaar versterkt. Deze grote lentekracht drinkt men zwijgend, de oerbron van het levens schenkt vruchtbaarheid aan jonge paren en gaf in de eindeloze heidevelden lafenis aan de herders. Het is een versterkend middel voor de メbreukige メ mannen, die vroeger als impotent golden. Was ook goed tegen koliek en nier pijnen.

De dunne berkentwijgen dienen om er roeden van te maken om kinderen te straffen of daarnaast om de huizen te reinigen en men maakt er ook mandjes van en men bekleedt er de flessen mee.

 

Borago officinalis, L. (geneeskrachtig) Bernagie is een ruige plant, een Esau, over het geheel zilverachtig behaard.

Borago is mooi om naar te kijken, zijn blad is ruig, maar van een ruigheid als ruw fluweel en met een dezelfde zachtheid van glans. Zijn groen is zachtjes overschaduwd en zijn bloe­men zijn prachtig blauw. De bloeiwijze is een schicht die zich tijdens de bloei verlengt en bijna tot bovenaan toe bebladerd. Lang gesteelde blauwe bloemen staan in de oksels, een kleur waarvan de bloemkronen de ultraviolette stralen terugkaatsen, stralen die onder andere door bijen worden waargenomen. Het is een goede bijenplant. Opvallend zijn de donkere meeldraden. De heldere bloemen steken mooi af tegen het wat duistere blad. Het gewas kan, net als andere leden van deze familie, blauw en roze tegelijk bloeien. In hete wijn worden de mooie blauwe bloemen ogenblikkelijk rood. In de helder blauwe bloemsterren zit een distinctieve zwarte schoonheidsspot. Die spot wordt veel gezien op de beroemde middeleeuwse Franse tapijten. De stervormige bloemen zitten aan een steel die wat gebogen is en na de bloei nog meer doorbuigt en werden daarom wel beschaamde meiskens genoemd. Symbool van verlegenheid. Duitse Lieb隔glein: mooie oogjes. Wil je mooie dromen hebben dan moet je een vaas met deze bloemen naast je bed zetten.

(f) De bloem heeft drie kleurschaduwen tijdens de bloei die bekend zijn als Abraham, Isaac en Jacob, rood violet en blauw.

Het Latijnse "ego borago gaudia semper ago". "Ik Borago, breng altijd moed" is voor meer dan duizend jaar geciteerd. Bloemen van dit brave kruid vloeiden in de wijn van de bekers die de kruisvaarders dronken voor hun vertrek. Het zou de beroemde nepenthe van Homerus, (zie Nepenthes)  zijn geweest, de drank die vergetelheid bracht en zo werd het ook aan studenten gegeven, mogelijk pas nadat ze gezakt waren. Mogelijk is dit woord be貧vloed door Keltisch borrage: moed brengen. Duits Herzfreude.

 

Boswellia thurifera Roxb. (wierook leverend) wierookboom. Wierook of gewijde rook. Het is een rookmiddel dat in de R.K. en Griekse kerk als rookmiddel gebruikt wordt en zelden in de artsenij. De Katholieke kerk gebruikt de wierook om de zinnebeeldige betekenissen die daaraan verbonden zijn, bijvoorbeeld de wierook stijgt op in rookwolken, =symbool van het naar de hemel opstijgend gebed.

Plinius verhaalt dat men wierook uit Arabi haalde en grote aandacht had om het voor diefstal te vrijwaren. In Alexandri werd de wierook gezuiverd en voor verkoop klaar gemaakt. Men kon er niet genoeg opletten en nog werd men bestolen. De arbeider die dit deed was geheel naakt, met maar een kort beenkleed die toegenaaid en verzegeld werd zodat hij er niets in kon steken. Op de kop had hij een masker zodat hij niets in zijn mond of oren kon steken. Als hij naar huis ging werd hij poedelnaakt uitgekleed.

De geur zou het leven vertegenwoordigen in Hebreeuwse, Christelijke en Islamitische geloven die het gebruikten gemengd met oli創 om pas geboren te zalven en individuele om ze een nieuwe fase in hun geestelijk leven te geven.

In de tijd van de republiek werd het oude voorgeschreven offer van de Romeinen vervangen door wierook en bij bid en dankgebed liet men wierookkorrels in speciaal daarvoor bestemde vazen, acerra, in vuur verbranden.  Keizer en stadhouder werden bij hun intocht in een stad met wierook vooraf gegaan, als teken van huldiging, ook om de stank van de kleren te verdringen. Nero gebruikte ook een enorme hoeveelheid bij de begrafenis van Poppaa. De Romeinse keizers lieten zich als 絅ominus et Deusメ (紿eer en Godメ) vereren en verlangden rookoffers voor hun beeld. De vroege Christenen legden die goddelijke verering van de keizer af en moesten daardoor vervolging dulden. Op deze grond was wierook in het begin veracht en spraken de kerkvaders zich daartegen uit. Pas veel later kwam wierook in gebruik nadat er heidense elementen aan toegevoegd werden.  Doorslaggevend was de hervorming van keizer Constantijn in de kerkvoering, de geestelijken en vooral de bisschoppen kregen een volledig nieuwe rechtsstatus. Ze werden nu rijksbeambten en dat op een hoge post en konden recht spreken. Met deze rangverhoging ging ook waarschijnlijk het recht op de daarbij behorende statussymbolen mee en vandaar is ook wel het gebruik te verklaren dat bij een intocht van een bisschop een lichtdrager en wierookvat vooraf ging. In die vorm komt wierook voor het eerst voor in de liturgie.

Wierook had een ontsmettende werking in de tempels tijdens offeranden van dieren, zie hysop. Geurende kruiden, de bestrijding van stank, de stank van het kwaad. Het roken en zuiveren van kleren, gebouwen en dergelijke heeft misschien oorspronkelijk een functioneel doel gehad en is door de priesters tot een geestelijke zuivering verheven. De meeste oude rites zijn naar hun oorspronkelijke doel of iets dergelijks af te leiden.

Parfums, de Romeinen gaven hun gaven "per funum", (parfum) via rook, naar de goden. Ze zijn en waren in het Oosten in gebruik om te getuigen van respect voor de bezoekers (Dani鼠 2: 46).

 

Botrychium lunaria (maan), maanvaren.

Het blad komt al vroeg in het voorjaar en dan lijkt het nog niet op een varen. Het lijkt eerst op een eenvoudige en opgaande stengel van een 4cm hoog, dit is eigenlijk een knop die het blad omsluit, het laagste gedeelte is dikker dan het bovenste en de twee takken van het jonge blad kijken elkaar aan, de vruchtbare staat tegen de onvruchtbare aan. In juni is de plant geheel ontwikkeld en dan 10-25cm hoog en dof geelgroen. Het laagste deel is succulent en hol met de resten van de schaalachtige schede waar het ingesloten was. Rond de helft wordt het verdeeld in twee takken. Het bladige deel is geveerd met 3 tot 8 bladparen die dicht bij elkaar staan. De vruchtbare tak is opgaand en vertakt, de vertakkingen zijn meestal van hetzelfde aantal vertakkingen als het bladige gedeelte, maar hun takjes zijn weer verdeeld in kleine takjes waaraan de vruchtlichaampjes groeien.

Het is zo genoemd naar de maan vanwege zijn magische krachten in de Walpurgisnacht. Vanwege de sikkelvorm van de bladeren werd de plant in verbinding gebracht met de maan en magie. Men geloofde dat het groeide met wassende maan en verdween of verlepte met afgaande maan. Het ene blad zou met de maan groter en kleiner worden. Ook dat het in het maanlicht blonk als een parel. Het werd gebruikt door alchimisten die zeggen dat ze lokken laat verdwijnen en iemand van een paard laat vallen die grazen waar de plant groeit. Zijn bijzonder eigenschap was het losmaken van bouten en moeren. Inbrekers staken een stukje bij zich en kregen daardoor een hand die als bij toverslag deuren en ramen kon openen.

Het op maandag geplukte maanvaren is een echt heksenkruid. Al de lunariaユ s waren toverkruiden want naar het gevoelen van de ouden konden de tovenaressen "de Maan bedwingen om haar schuim te worpen op de Kruiden om te dienen tot de Toverijen".

Hertog Karel, verhaalt de legende, zocht eens dit kruid op, vond het en zag dat het met gulden dauw overdekt was en daarom moet er goud gevonden worden, daar waar het groeit. Maanvaren of het Walpurgis kruid gold bij de alchimisten als een goud- en zilverbron. Een toverbron.

 

Brassica oleracea (groente, moeskruidachtig)kool.

Dit is een krasse stammoeder die al duizenden jaren leeft langs de kusten. De plant is vermoedelijk in de oudheid al door de barbaren en half geciviliseerde mensen verzameld en gegeten. Het gewas zou in gebruik zijn geweest voor de Arische migratie naar het westen. Toen de historie begon werd de plant overgebracht naar cultuurgronden en begon rozetten of bladhoofden te produceren. Waar de plant in menselijke nabijheid op voedselrijke gronden terechtkwam begon het zichzelf te verbeteren. We zien bij de aanvang van de beschaving dat de oude Grieken aarzelend en de Romeinen met grote toewijding zich toelegden op het kweken van kool. 

Dodonaeus; ヤMen zegt ook dat de bladeren van rauwe kolen voor de maaltijd gegeten de dronkenschap beletten en dat diegene die ze zo ingenomen heeft voor alle ander spijs geenszins dronken zal kunnen worden en, dat meer is, dat die bladeren na het eten ook rauw ingenomen de dronkenschap verdrijven en de hoofdpijn die er van komt genezen. De oorzaak daarvan is de ingeboren en eigen vijandschap die tussen de kolen en de wijngaard geloofd wordt te zijn en die tegenheid is zo groot is dat wanneer de kool in enig veld nabij de wijngaard gezaaid of gezet wordt of zelf van stonden aan vergaat en verwelkt of de ranken van de wijngaard laat verdorren en versterven en zover iemand bij het water daar ze in gekookt wordt wat wijn giet dan zou de kool verder rauw blijven en zal niet murw worden dan ze tevoren was en daartoe zal het zijn kleur verliezen. Lycurgus, prins van Thraci, had de druiven in Dionysos wijngaard vernield en werd als straf aan een druivenstok gebonden. Hij huilde zo omdat hij zijn vrijheid had verloren dat zijn tranen vast werden en in kool veranderde. Daarom zweren de Ioni喪s bij de kool en Nicander noemt het een heilige plant. Hierin wordt het oude geloof gesymboliseerd dat kool een vijand is van de druif en dronkenschap voorkomt. De kool werd als een vijand van alle andere planten gezien want het maakt zichzelf dik uit de vetheid van de aarde en het sterven van zijn buren. Mogelijk is dit voor de Duitsers een reden geweest om deze groente dagelijks op tafel te brengen om de gevolgen van bier en wijn onschadelijk te maken.

Grote kolen krijg je als je op Johannes onthoofding, 29 augustus, in de koolvelden rondloopt of als je de plant op Hemelvaartsdag onder het klokkenluiden zaait. In het eerste geval krijg je kolen zo groot als het hoofd van Johannes en in het tweede zo groot als de luidende kerkklokken.

St. Bartholomeus doet op St. Bartholomeus dag, 24 augustus, zijn ronde in de moeshoven. Niemand mag dan in de koolbedden gaan, want de heilige legt in alle planten de malse kroppen. Hij mag in dat kapitale werk niet gestoord worden.

Op Sint Stevensdag mag je geen kolen eten. Stephanus, om de dood te ontvluchten, verborg zich in een koolveld en daarom mag je op die dag geen kolen eten.

Brassica napus, raap.

Lodewijk XI was ook een hartstochtelijk liefhebber van de raap en gaf veel gunsten aan een boer genaamd Koen, die hem met een grote knol vereerd had. Na het overlijden van zijn vader werd Lodewijk koning van Frankrijk. Koen werd door zijn vrouw aangespoord om de koning zijn trouw te betuigen en gelijk wat knollen mee te nemen. Onder druk van zijn vrouw ging hij op pad, bang om uitgelachen te worden door de grote heren. Op het hof werd hij direct tot de koning toegelaten en gaf hem zijn geschenk, een grote knol, die dankbaar werd aangenomen. De koning gaf dan ook bevel om die knol bij zijn kostbaarste juwelen te bewaren en gaf Koen na het eten 1000 Franse kronen. Dit verhaal kwam het hof te horen, een hoveling kwam dan op het idee om de koning een prachtig paard te schenken. De koning die echter in de gaten had dat zijn milddadigheid aan Koen was opgevallen, nam het geschenk aan. De weldoener bouwde reeds luchtkastelen, wat hij wel niet zou mogen ontvangen in verhouding tot die armzalige knol van die boer. De koning riep hem dan bij zich en gaf hem iets wat onder een sluier verborgen was geweest. Daar kwam de knol voor de dag en zei daarbij dat het paard hiermee wel vergolden zou zijn, met deze gift die wel 1000 kronen gekost hadユ.

Brassica nigra (zwart) zwarte mosterd.

Mosterd is een van de eeuwige specerijen. De zwarte is de basis voor de beroemde mosterd die ook bekend als Franse mosterd. De witte is bekend als Engelse mosterd. Mosterd rondt kleurloze sauzen af in smaak en verschijning.

Mosterd wordt wel gebruikt om etenswaren te conserveren en om bepaalde negatieve geuren van het eten weg te werken en verteert ook rauwe spijzen wat gemakkelijker. Vroeger werd het veel gebruikt toen er nog geen koelkasten en dergelijke waren om het vlees goed te houden, besmeer het gewoon met mosterd. Daarom moet je het vlees eerst proeven en dan pas naar smaak mosterd toevoegen. Om uit de zaden mosterd te maken had men een smeu蛭e, zurige pap nodig, de moust de vin of most van wijn.

Het nadeel van mosterd inzaaien is, dat als het eenmaal ingezaaid is het vrijwel niet meer weg te krijgen. Ze kunnen wel 100 jaar lang in de grond goed blijven doordat de zaden oliehoudend zijn. Plinius vermeldt dan ook al dat ze nauwelijks uitgeroeid kan worden. Een gezegde luidt ook: "de teelt is niet vrij, je hebt de toestemming van de buren nodig". Symbool van onverschilligheid.

Mosterd was dan ook bij de ouden het zinnebeeld van vruchtbaarheid. Er wordt verteld dat de Spaanse paters die aan hun missiewerk begonnen in Californi mosterdzaden uitstrooiden om zo hun weg weer terug te vinden.

Darius III stuurde Alexander de Grote een zak vol sesamzaden om daar mee te kennen te geven dat zijn manschappen bijzonder talrijk waren, Alexander stuurde een zak met mosterdzaden terug daarmee te kennen te geven dat ze niet alleen talrijk, maar ook bijzonder sterk waren.

 

Briza, trilgras of bevertjes.

De stengels zijn een 25-40cm hoog en aartjes purperbruin met wat wit.

Bloempluim met beweeglijke hoofdjes, de aan zachte stelen hangende aartjes zijn breed eivormig  met ongeveer 5 bloempjes. Er staan er verschillende aan een stengel, als zo'n luchtig werkje, een mobiel, dat aan de zolder hangt. Symbool van agitatie. Ze wuiven bij elke wind en zelfs bewegen ze bij elke stap van de wandelaar. Een aardig trillend gras van blauwgraslanden en weiden in juni.

Als het overvloedig voorkomt is het een indicatie van arme grond en verdwijnt als het land beter wordt. Het is wat te bitter om graag door het vee gegeten te worden.

 

Bryonia, heggenrank.

Een vurige martelplant. Het melksap veroorzaakt op de huid blaren. De witte en vuistdikke penwortels smaken scherp bitter en ruiken naar vers gebakken brood, maar werken drastisch afvoerend en in grote dosis braak verwekkend, zelfs dodelijk. De bessen en de knolvormige wortelstok zijn het meest giftig. Na drogen wordt het minder scherp. Het gewoon al aanwezig zijn in de tuin of akker brengt al geluk voor het huis en de hele familie. Daarom is de plant dan ook zo geliefd en als je die ergens vindt zet je er zorgvuldig een hek omheen zodat ze onaangetast kan groeien. Je moet ze voorzichtig en met zekere regels behandelen en verzorgen anders heb je de kans, in plaats van geluk, ongeluk en rampspoed te krijgen. Als je bij het graven op de wortels stoot moet je je onmiddellijk stoppen zodat je de wortel niet snijdt, je hebt anders kans dat je het geluk ten gronde snijdt. Je kan ook ter plaatse verlamd of waanzinnig worden. Om die reden kan je de wortel er ook niet zonder voorzorgsmaatregelen er zo maar uithalen. In de meeste plaatsen zijn er maar enkele mensen die de toverachtige eigenschappen van de plant volledig kennen. Meestal zijn dit wat ervaren mensen, die gewoonlijk als tovenaars en heksen gelden, die dit werk kunnen ondernemen. Daarvoor moeten ze, voordat ze de plant of een deel ervan uit de bodem halen, 3 geldstukken en een brood op de aarde leggen (een soort offer omdat je iets uit het aardrijk ontrukt) en dan met de operatie zeer voorzichtig beginnen en afmaken. De wortel baad je vervolgens in melk en droog je behoorlijk en wikkel je die in doeken waarna die als een werkelijk daadkrachtige en invloedrijke fetisj in een doosje in huis bewaard en verzorgd wordt. Die brengt het huis geluk en rijkdom, ontdekt dieven en dergelijke. Zo wordt verteld dat uit een wortel die zeven jaar ononderbroken op zijn plaats groeide, na zeven jaar een naakt kind ontstond die de huisvrouw steeds na liep of het werd naar de wortel een mensachtig wezen dat rijkdom en geluk brengt waar het gegroeid is. Als het uitgegroeid is roept het de mens dopen, dopen toe. Uit de wortel heet het in Bohemen ontstaat er daarna een huisvadertje die geld en voedsel brengt. In sommige streken ging het zo ver dat men het onkruid niet uit wilde roeien omdat het ongeluk zou bijbrengen. Ongeveer hetzelfde zie je bij de mandraak, Mandragora.

 

Butomus umbellatus (scherm of parasol dragend), zwanenbloem.

Zwanenbloem, omdat de stamper in de bloem iets heeft van een zwanenhals, mogelijk ook iets van een ooievaar.

Het blad is in het begin driekantig als een rapier en gaat recht omhoog uit het water en is meestal wat gedraaid op het eind. Het blad wordt een 60cm lang. Die driezijdige bladen zijn zo scherp dat je je hand verwondt bij het plukken van de bloem. (nu verboden)

De echte bloemen worden geboren op een stevige ronde stengel die 60-90cm lang of meer langer kan zijn en boven het blad uitgroeit.

Warm bloed stroomt door zijn aderen. Opmerkelijk is dat zelfs de bloemstengels overgoten zijn met een rode tint en wat warm bloed zien we stromen door de nerven. Een zelfde kleur stroomt door de meeldraden en in de stamper met een diepere schaduw. Het steeltje showt 20-30 tere bloemen in een tros en elk bloemetje wordt geboren op een stengeltje. Op een stralende manier toont de bloem zijn driedelige symmetrie. Ten tijde van de bevruchting keren de meeldraden zich naar de stamper toe en nemen later hun oorspronkelijke plaats weer in, juni/augustus.

Deze fraaie bloemen worden tussen andere planten gezien in de zomer aan de oevers van een trage rivier of stilstaande zoete waters. Hier heeft het ook zijn zaadverspreiding aan aangepast. Die laat de plant drijven op het stromende water.

Volgens Ovidius was het de favoriete bloem van Flora, de godin van de bloemen en de lente.

Axis, een bloeiende jongeling, had Galathea, de mooiste onder de nimfen, tot bruid gekozen. Ook zij had hem gewogen en hield nu van hem met haar hele hart. Maar Polyphem, de grote cycloop, hield ook van de lieflijke nimf en volgde haar overal. Eens was het mooie paar in de schaduw van een haag. Vol woede wierp hij een geweldig rotsblok naar hen en verpletterde Axis. De nimf wist met moeite de dodelijke worp te ontkomen en verdween in het water. De vermoorde Axis werd onder het rotsblok in een beek veranderd. Nadat het water rustig in zijn bedding liep verscheen in de bronnen van de heldere beek, tussen hoog groeiend riet, de jongeling zelf, maar veranderd in de mooie rozerode waterviool. In de zoete droom van zijn vroegere geluk wiegt hij zijn jongelingsachtige bloemenhoofd en slanke stengel in de murmelende en ruisende wateren zacht heen en weer. Daar staat hij nog steeds en herinnert ons met manende stem aan de wisselingen van het lot. De bloemengodin Flora vond de nieuw geschapen bloem zo mooi dat ze hem tot haar lievelingsbloem koos. Zo als het met haar gegaan is gaat het met de meeste mensen die deze bloem zien. Symbool van vertrouwen in de hemel.

 

Buxus sempervirens (altijd levend) palmboompje.

Palmboompje  is een slome groeier die in alles dicht en stevig is. Een onge貧teresseerde boom, waar die ook staat, zon, schaduw, zure grond of kalk? De plant groeit gewoon door. Liefst heeft het kalkgrond met wat stalmest onder de voeten. Zijn voornaamste en belangrijkste eigenschap is dat de plant groen is. Goed groen en dicht groen, in de zon geelgroen in de schaduw glanzend groen met een bronzen herfsttint. Voor de rest valt het niet op, niet de geelgroene bloemen en ook niet de vruchten. Symbool van sto苗ijnse beheersing. Vrij staand vormt het een hoge struik of kleine boom met een brede en losse kroon.

Een plant waarop of onder geplast wordt. Omdat die geur in de bladeren getrokken is of dat de katten hun geur overbrengen, er hangt altijd een typische en ranzige urinegeur. De plant ruikt naar de dood en groeit op kerkhoven.

Het Griekse woord betekent dicht, vast, ineengedrongen, en is een verwijzing naar het dichte en harde hout en bladstand. Buxushout is zeer hard, dicht en zwaar, het is de enigste Europese houtsoort die in water zinkt. Vanwege zijn zwaarte, maar ook vanwege zijn zeldzaamheid werd het hout vroeger verkocht bij gewicht. Er werden speciale kistjes van dit hout gemaakt. Het woord Buxus werd in het Latijn pyxos: wat letterlijk een bukshouten doos betekent, de uit buks gedraaide voorwerpen. Dit is nog te zien in de Engelse box: doos, het Franse boite: doos, en mogelijk ook ons woord bus, de uit bu(h)s vervaardigde bussen. De buxus: koker en zo broekspijp tot boks, een in dialect gebruikt woord voor broek. Verdere woordafleidingen zijn interessant vooral omdat vele bekende materialen en de daaruit gemaakte voorwerpen bij ons bekend zijn. De Engelse bushel: de schepel of korenmaat en de buste. In het leger heeft het hout veel gediend, zo is het woord buks ervan afkomstig en in het Slavisch heet de struik pusika en puska is een kanon.

Het beroemd geworden kwekersoord waar tijdenlang de Buxus gekweekt werd, Boskoop, werd in 1222 voor het eerst vermeld als Buckiscope. Kon men hier toen al buxus cope?

De as die op Aswoensdag bij ons symbolisch gebruikt wordt, is de as van de buksboompjes die het jaar ervoor overgebleven zijn van Palmpasen. Het palmboompje heeft zijn naam gekregen omdat het met Palmpasen gebruikt wordt om de intocht van Christus in Jeruzalem in de kerken te vieren. Dit gebruik komt omdat men de uittocht van Christus ging nabootsen en onder andere Buxus ging gebruiken. Buxus werd dan gebruikt omdat de plant altijd groen is. In de Provence gebruikt men olijf- en lauriertakken en op andere plaatsen de mirt, de wilg of beukenboom en zuidelijker de echte palmboom.

Na de wijding werd de palmtak mee naar huis genomen en achter het kruis gestoken of zorgvuldig bewaard. Naar het vrome geloof zou die gewijde palm het huis en zijn bewoners tegen alle boze dingen behoeden. Met zwaar weer gaat de huisvrouw door het huis om met palmtak en wijwater de muren te besproeien zodat het onweer niet inslaat. Dat lijkt wat op bijgeloof of overdreven, maar het werkt echt. In vroegere tijden toen de huizen nog van riet en hout waren was een blikseminslag met daarna brand levensgevaarlijk. Logisch dat de huismoeder dan alle kamers langs ging om te kijken of alles goed was. Nam je een palmtak erbij met wijwater en bespreng je elke kamer betekent dat je ze alle gezien had en er geen gevaar meer was.

 

C.

Cactus.

Cactussen vormen bizarre constructies die gecombineerd worden met wonderlijke kleuren aan vaak gigantische bloemen. Cactussen vallen letterlijk op door hun lelijke vormen. Zie eens een flinke Cereus monstrosus. Alleen de naam doet je al griezelen. Symbool van afschuw.

Er zijn grote, vlezige en grijze monsters in een dor landschap alsof ze van ijzer gemaakt zijn, gevlekt en gedraaid kruipen ze als slangen over de grond. Deze kronkels blijven echter stijf liggen, maar ook hier eindigt elk eind in een gevaarlijk uiteinde waarvoor je moet oppassen. Dat eind wordt afgesloten met een scherpe naald. Het is alsof er een reusachtig insect klaar ligt die bereid is de aanval te openen en de wapens geslepen heeft.

Anderen liggen als geweldige zeeschelpen op de grond. De kom is hier bezet met bosjes naalden, zoals de valkuilen in griezelfilms afgebeeld worden, waarin je zo gespietst kan worden. Als je hierop valt zal je doorboord worden als een stuk fonduevlees. Van boven op de rotsen huiver je bij die gedachte. In verbeelding zie je je vallen boven op zo'n schelp waarop de volgende schelp weer toeslaat en je ingesloten wordt als een hamburger. Nu kan je je voorstelen hoe het is om gepijnigd te worden in zo'n middeleeuwse ijzeren lady.

In elke vorm verschijnen ze nu en draaien als serpentines en windend in vreemde bochten. Niet bezet met groene maar met stijve grijze of staalblauwe naalden. Hier worden middeleeuwse veldslagen uitgevochten. De goedendag zie je op vele plaatsen verschijnen, speren, pijlen en andere wapentuig verhinderen je het doorgaan. Bij het vallen van de schemering zie je zelfs de ruiters op hun paarden roerloos de wacht houden totdat je je beweegt. Met een doffe grijsgroene kleur verheffen zich tot tien meter hoogte de kantige zuilen van fakkeldistels als ware het de aanvalspoorten die een kasteel gaan bestormen. Daartussen kronkelen andere als slangen van lange dorre stengels. Geen vrolijkheid begroet ons en geen zacht of vriendelijk groen lacht ons tegen, alleen de ronde bollen van de meloencactus, met vreselijke dorens bezet, knikt ons tegemoet. Verderop zien we ze als orgelpijpen omhoog gaan, als een achtergrond in een decor, een gouden kathedraal.

Alles wat die planten betreft is vreemd. Vrijwel geen een bezit bladeren en zijn met een leerachtige huid bekleed. Sommige hebben dikke ribben en weer anderen hebben lange dunne en vaak zweepvormige stengels zoals de slangencactus die van de bomen afhangt.

Als artistieke vormgevers spelen ze mee met de omgeving. In gedachten zien we een cactus met wat stenen in een zandbak, ze zijn voor ons het symbool van warmte, droogte en coyotes.

Daar staat een machtige zuilcactus die tegen een vlakke achtergrond oprijst. Verderop staan er wat stakerige vormen tegen rotsen aangeleund. Soms wordt de wandelaar zoals in Peru op meer dan 4000m hoogte, de grens van het plantenleven, verrast door eigenaardige gestalten van een geelrode kleur, van verre lijken ze op rustende wilden en bij nader onderzoek blijken dit onregelmatig hopen cactussen die dicht met geelrode stekels bezet zijn.

De bloemen hebben 8 tot vele kelk- en kroonbladen, die vaak geleidelijk in elkaar overgaan en vele meeldraden en een onderstandige, eenhokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen.

Verbaasd kan men zijn over de schoonheid van bloemen op zo'n ondergrond. Hun kleuren lijken een tegenstelling te zijn met de dorre leefwijze van de gastheer. Kijk eens naar een onregelmatige grijsgroene Mammillaria die pronkt met een fraaie purperrode bloem. Tussen de kale dorre stengels van de fakkeldistel ontplooien zich in een stille nacht grote en krachtige izabelkleurige bloemen die stralen als de zon. De kleur wordt nog verlevendigd door het hemelse vanille-aroma die de bloem uitzendt. Meestal staan de bloemen in het bovenste gedeelte van de areolen, maar in sommige Mammilaria en verwanten komen ze tussen de zijbollen of vanaf de basis tevoorschijn. Gewoonlijk staan de bloemen alleen, behalve in het geslacht Pereskia, daar staan ze in trossen. Zij zijn getint met roze, geel, rood of oranje  en zelden koperkleurig, maar nooit blauw. Vaak zijn ze eerst geheel wit en geleidelijk aan worden ze bij ouderdom met een roze kleur overtrokken. Bij een paar soorten zijn ze onaanzienlijk, als bij de epifyt Rhipsalis. Sommigen openen met zonsopgang en sluiten tegen de avond of als de lucht bewolkt wordt, anderen hebben een zeker uur van de dag of nacht, sommigen bloeien maar een paar uur en anderen verscheidene dagen. Sommigen geuren heerlijk zoals de nachtcereus en anderen hebben een smerige geur of hebben helemaal geen geur.

Let op de fascinerende dorens en beharing die bij vele cactussen verschillend zijn. Sommige creaties zijn met eerbiedwaardige grijze haren bedekt. Soms zijn de kleine stekels zeer bros en breken licht af en zijn van boven naar beneden met achterwaartse weerhaken bezet. Bij aanraking dringt een hele bundel in de huid, trek je die er uit of wrijf je erover dan breken de verschillende stukjes af en de stukjes dringen verder in de huid en in andere delen van de huid etc. Er ontstaat tenslotte een onverdraaglijke jeuk en uiteindelijk een lichte ontsteking. Dit gebeurt vooral met Opuntia ferox die om die reden zijn bijnaam "de wilde" heeft gekregen. Bij anderen verheffen zich tussen die haren en kleine stekels grote stekels die in aantallen en vorm verschillen. Soms zijn die zo hard en sterk dat ze bij wilde ezels verlamming veroorzaken als ze die stekels met hun hoeven afschrapen om zo vocht te krijgen.

Een van de meest opvallende vormen is die van de Myrtillocactus geometrizans, waarin de stevige, recht opgaande en centrale doorn van het blad op een dolk lijkt en de omgevende dorens de as voor het heft vormen. In contrast hiermee zijn de dorens van Pelecyphora aselliformis die op een miniatuur zaag lijkt, of asellii.

Vrouwen gebruiken de lange stekels van de cactus als breipennen. Met een cactus kan men kammen maar ook borstelen.

 

Caesalpinia sappan groeit in Zuid Azi. De boom levert het sappanhout waarvan het afkooksel eerst zwart is maar door toevoeging van aluin fraai rood wordt en voor verf gebruikt wordt. Uit sappanhout kan men een fraaie rode inkt koken waarmee de Chinezen hun papier helderrood weten te kleuren. Hier wordt ook Wener lak van gemaakt. 

Reeds in de 14de eeuw was het rode hout onder de naam Lignum presillum bekend. Toen men later in Z. Amerika dergelijk rood hout in overvloed ontdekte heeft het woord presillum aanleiding gegeven tot de naam Brazili. (Caesalpinia brasiliensis, L, nu Caesalpinia echinata). In the Nun's Priest Tale vertelt Chaucer in zijn Canterbury Tales (1387)

"Him nedeth nat his colour for to dyen

With brasile, ne with greyn of Portyngale".

Hij had geen behoefte om zijn gezicht met rood te kleu­ren door rode verf te gebruiken dat gemaakt was van brazilhout of scharlaken bessen.

De uitdrukking zo hard als Brazilianen verwijst naar dit hout, het brazilhout.

 

Calendula officinalis, (geneeskrachtig, werd in de office gemaakt) goudsbloem.

Calendula is zo genoemd naar het Latijnse Calendae, de eerste dag van de maand omdat de bloemen op vele kalendis, dus vele maanden bloeien. Of de plant is zo genoemd naar het dagelijks openen en sluiten van de bloemen met de zonbeweging en zo als een kalender de dag aanduidt.

Sinds de middeleeuwen is de bloem gebruikt bij graf- en lijkenversiering (doodsbloem) Het is de Duitse Totenblume omdat ze met het feest van Allerheiligen en Allerzielen, 1 en 2 november, op de graven gezet werd. De goudsbloem is een van de weinige bloemen die in die tijd nog bloeien. Men mag de goudsbloemen dan ook niet als liefdesorakel gebruiken, het is een doodsbloem en scheidt de geliefden in plaats van ze te verenigen. Symbool van smart en droefheid.

In sommige delen van Amerika zijn het nog doodsbloemen. Hier is het echter een verwijzing naar de traditie dat de mooie roodbloedige soort uit de grond ontsproten is die gekleurd is met het bloed van onfortuinlijke Mexicanen. Dit waren de slachtoffers van de op goud beluste Spaanse zendelingen.

Een gele goudsbloem gewrocht in zilver is een van de prijzen die aan over­winnende po粗t op de Jeux floraux te Toulouse gegeven wordt. De bloem is een van de bloemrijke souvenirs met romantisch associaties aan Clemence Isaure, de traditionele stichtster van de spelen. Hier, bij het oude kasteel, hoorde ze op een avond haar naam zingen, gemengd met de klanken van een gitaar. Voorzichtig ging ze heen en tussen de bladeren zag ze een jonge troubadour die ze hoorde mompelen "een bloem is mijn beloning, jij hebt mijn verzen ge貧spireerd". Ze bloosde en plukte een viool en de volgende dag en dagen plukte ze telkens een bloem en luisterde naar de welluidende klanken. Tenslotte kwam er een avond dat de liederen zo droevig waren dat de tranen in haar ogen opwelden en op de gele goudsbloem druppelden die ze op haar schoot had. De troubadour, Raymond, moest zijn vader vergezellen op een oorlog en zong een vaarwel lied. De dagen vloden en Clemense treurde om haar geliefde, maar hij zou nooit meer komen, hij was een van de eersten die gevallen was. Op zijn hart was een verbleekte gele goudsbloem gevon­den, de laatste bloem die hij gekregen had.

Mary Gold was een lieflijke jonge maagd met gouden lokken waarin het goud van de zon zich weerspiegelde. Ze was anders dan andere jonge meisjes, ze werkte niet en speelde niet, maar zat voor het huis stil te wach­ten tot de zon kwam. De dagen dat de zon zich niet liet zien schudde ze haar gouden lokken over het gezicht en huilde. Maar als de zon boven de heuvels verscheen klapte ze in haar handen van blijd­schap en zat ze stil totdat hij eindelijk wegzonk in de diepe blauwe zee. Al die tijd zat ze daar maar en deed verder niets. Op een zekere zomer ver­dween Mary. De hele streek zocht naar haar maar men kon haar niet vinden en ze zouden haar ook nooit vinden. Wat was er gebeurd? Mary had zo lang naar de zon zitten staren dat ze ten­slotte geadsorbeerd werd in zijn stralen. Kijk, zei een wandelaar, dit was de plaats waar het arme meisje altijd zat, ze had zulk prachtig haar, precies zoals de kleur van dat kleine bloem­pje daar. Juist daar waar het meisje altijd had gezeten groeide een gouden bloem, in vorm als een miniatuurzonnetje en zo gauw het dag wordt keert het zijn gezicht naar de zon en buigt het hoofd met zonsondergang.

 

Calla palustris (moerasbewoner) slangenwortel.

Opstaande en gesteelde, glanzend groene, hartvormige tot bijna ronde, toegespitste bladeren van 7-12cm lang en 4-12cm breed. Opmerkelijk is dat de slangenwortel het ene jaar grotere bladen maakt dan het andere jaar. De verschillen vallen op als er meerdere planten bij elkaar staan.  Ze staan op 10-20cm lange stengels.

De opmerkelijke bloemen, het zijn schutbladen, zijn van buiten groenig en van binnen wit. De top van de bloeischede heeft een staartje. De bloem wordt bestoven door slakken in mei/juni en soms nog eens in de herfst.

De giftige bes staat in een tros en is eerst groen en later rood. De plant is giftig vanwege zijn oxaalzuur, maar de wortel is eetbaar na drogen, malen, weken en koken.

Slangenwortel heeft een kruipende, lange en groene slangachtig kruipende wortelstok.

God had deze plant aan de mensen als voedsel gegeven en die bakten er een soort brood van. Nu waren er zelfs mensen die daar van leefden en niet werkten. De duivel zag dit en het verveelde hem. Op zekere dag stapte hij naar een luiaard toe en zei: "Zeg vriend, jij voert de hele dag niets uit, toch behoor je mij niet toe, waarvan leef je eigenlijk?" メWel van ditモ, zei de man en hij wees naar de slangenkruidknollen. De duivel ging er bovenop zitten en sindsdien zijn de knollen giftig. De man begon echter te werken zodat de duivel onverrichter zake naar huis ging.

 

Calluna vulgaris (vulgair, gewoon) struikheide.

Lange trossen van licht paarse klokvormige bloempjes. Elke kleine bloembel opent in augustus zijn parfum. Dan trekken de heidevelden vliegende insecten aan. Het zijn goede bijenplanten. De bloemen staan aan een kant van het takje en vallen niet af en kunnen lang gedroogd bewaard worden.

De vrucht is een klein zaaddoosje dat bij rijpheid met 4 kleppen openspringt, de zaden worden door de wind verspreid.

Op de grote stille heide dwaalt de herder eenzaam rond. Dit is op deze heide, de gewone struikheide.

Bij de naam heide denk je onwillekeurig aan een plantengroei van Erica's en Calluna 's. Deze planten zijn zo genoemd naar hun standplaats, de heide.

Is het u nooit opgevallen dat het woord "heiden" zoveel lijkt op de heide? En dat het Engelse woord voor de heide, heather op de (heidense) heathen lijkt, en de Duitse Heiden vrijwel gelijk is aan der Heide? Een verklaring hiervoor vinden we bij de heide.

In de spraaktaal en de omschrijving is de benaming van het begrip heide vaak verwarrend en wisselend geweest.

In de ruimste zin is het een plantenformatie, bestaande uit open terrein zonder noemenswaardige boomgroei, waarvan de houtige beplanting bijna uitsluitend uit lage en altijdgroene heesters of halfheesters bestaat dat tevens geen gesloten grasbedekking draagt.

Het oorspronkelijke begrip van heide sloot waarschijnlijk een menselijke woonplaats, huis en hof in. Van waaruit, waarschijnlijk door menselijke cultuur, de vroegtijdige tuin ontstond. Hoe verder die natuur werd teruggedrongen, hoe dichter we bij een primitieve akkerbouw komen met soms wisselende bebouwing die de eenmaal uitgeputte bodem na langere of kortere tijd aan zichzelf overliet. Met het latere eigenbezit, de engere verbinding van akkers met de hof en een zorgvuldige bewerking kwam er een scheiding van korenveld en heide. In de Edda betekende de naam heidr een voor kamp geschikt land.

Hier was al sprake van bebouwd land in tegenstelling tot een ruw en onbebouwd veld. In Beieren werd de heide, nog haid genoemd, als een eigennaam gebruikt voor verscheidene vlakke stukken die meestal niet gecultiveerd en boomloos waren. 

In samenhang met dit begrip noemde men, omstreeks 500, een ongelovige, een heidinen mann, waaruit in het midden-Hoogduits het substantief "der heide" zich ontwikkelde. Luther spreekt van oden, durren en wilde heide en naar hem werd dit een meest algemene voorstelling zoals we later bij Shakespeare, Burger, Goethe en andere schrijvers tegenkomen.

Een heiden is dus gelijk aan de heide, dor en onbewerkt.

Omdat op het platteland de voorvaderlijke goden het langst bestaan bleven, waren de Germaanse heidebewoners de eerste heidenen in de letterlijke zin van het woord.

Naar oude vertellingen zijn de bloemen van de heide rood gekleurd door de verslagen heidenen.

Er was eens een ridder die ten strijde trok. Hij werd op zijn paard gezet en vertrok, nadat hij eerst bij een grote steen afscheid nam van zijn vrouw. Daar beloofde zij hem eeuwige trouw en zei: "Ik zal jou nooit ontrouw zijn, zowaar deze steen hier altijd zal blijven liggen". Haar man vertrok en liet haar alleen. Al gauw hoorde ze dat hij gevangen genomen was en het duurde niet lang of ze stond met een vrijer bij dezelfde steen. Plots rolde de steen om, boven op de ontrouwe vrouw. Haar bloed kleurde de tot dan toe witte heide rood. Soms zie je nog wel eens een witte heidestruik.

Tijdens de vele Schotse oorlogen stierven er vele mannen waardoor de heide roder en roder werd.

De rode heide zou uit het bloed van verslagen helden ontstaan zijn die in de hunebedden liggen.

Jezus en Petrus zaten eens vrolijk te drinken in een staminee. Na een poos raakten ze in een vrolijke bui en besloten dat het tijd was om op te stappen en liepen de deur uit. De waard merkte dat zijn klanten weggelopen waren zonder te betalen. Hij stormde de deur uit, beide mannen achterna die nog niet zo ver waren.

メH, mannen h謝, riep de waard. Verwonderd keken Petrus en Jezus om en zagen de waard komen aanhollen,

メH, mannen h謝, riep de waard. Toen zei Jezus "Als je hee wilt hebben, dan kan je het krijgen". Sindsdien is er hee of hei in de Kempen.

 

Caltha palustris (moeras) dotterbloem.

In april/mei verschijnen de 4-5cm grote bloemen met breed eivormige donkergele kelkbladeren. De dotterbloem schijnt als vuur in grijze moerassen. Zijn glimmende oogjes openen in een kleurloos jaargetijde in vochtige weiden. Verlichten duistere vennen en zwarte akkers, of de dompige modder bij de elzenwortels en spreidt zich uit in overspoelde weilanden. Vroeger waren de hoger gelegen groene weiden omgeven door vlammende dotterbloemen. Soms doet ze de bloei ook nog eens dunnetjes over in de herfst. Veel honig bevat de bloem, voor vliegen, bijen en kevertjes.

De vrucht met gekromde rugzijde is een kokervrucht die zich opent met vochtig weer waardoor ze met regen uitgespoeld worden. Dit is een aanpassing aan zijn groeiomstandigheid, vochtige, moerassige gronden en langs oevers.

Dotterbloem is een letterlijke vertaling van het Duitse Dotterblume, het moest dooierbloem zijn want de bloemen lijken op de dooier van een ei.

In Angelsaksische talen wordt het gewas dronkaards genoemd naar de natte standplaats. Pluk ze niet of bekijk ze niet, anders word je alcoholist. Als het blad tezamen trekt zou het gauw gaan regenen.

Als het in Ierland met zekere ceremonies geplukt en weggedragen wordt zal het de drager beschermen tegen kwade woorden die tegen hem gesproken zouden worden.

Als een vrouw een dotterbloem ten geschenke kreeg betekende deze ondankbaarheid of kinderachtigheid.

Het is de meibloem. Op die eerste meidag waren de elven en heksen gebonden zoals in de Johannesnacht. Meidagbossen hingen over de deuren en de vruchtbaarheid van vee was zo verzekerd.

 

Calystegia sepium (haag, groeit in de hagen), winde.

De grote bladen zijn pijlvormig, de lobben vaak stomp als afgesneden, in de herfst geel. Stengels klimmen als lianen tot 2-4m hoog. Enkelbloeiend met witte en soms roze bloemen, bloeit van juni tot de herfst. De bloemen sluiten tegen de avond.

Het was op een septemberavond in Vlaanderen. Een voerman reed met zijn wagen terug naar de stad. De weg was slecht zodat de wagen in de modder bleef steken. Wat de man probeerde, niets lukte, de wagen zat vast en bleef vast. Er kwam een arme vrouw de weg op, het was de maagd Maria, maar dat wist hij niet. "Ik heb dorst", zei ze, "heb je voor mij wat te drinken? : "Och vrouwtje ik heb niets bij me". Maar terwijl hij dat zei, hoorde hij zwaluwen over het water scheren en hoewel hij zeker wist dat er nergens een dronk te halen was ging hij toch over de haag kijken en jawel hoor, daar was water. Hij verwonderde zich niet lang en zocht een gat tussen de struiken en stond bij het water. "Als we nu maar een glas hadden". "Hier is er een", zei Onze Lieve Vrouw en ze plukte een witte heggenwinde en gaf die de man. Die schepte water in de kelk als in een glaasje en bood het de dorstige vrouw aan. Ze dronk en verfriste zich en nam toen een rank van de winde, deed die om het wiel en zie, zonder verdere moeite trok het paard aan en de wagen ging voort. De voerman groette eerbiedig en zag nu wel wie hem geholpen had. Hij vertelde het in het dorp en de meisjes daar dronken in het vervolg ter herinnering hieraan op de 8ste september uit de windekelken een afscheidsgroet voor de zwaluwen als deze vogels van Onze Lieve Vrouwe weer naar het zuiden trekken. Op een behouden terugkeer in mei, klinkt het terwijl ze de bekertjes omhoog houden, de heggenwinde noemen ze Onze Lieve Vrouwe glazeken. Ook wel Hemdeke zonder naad.

In een Duitse sage was het geen water maar wijn en dit is nog te zien in de bloempjes, vandaar dat je in de kelk nog wat roze streepjes ziet die overgebleven zijn van de rode wijn. Het heet vandaar Mutter Gottes Trinkbecher en Muttergottesglaschen.

 

Camellia japonica.

Deze plant wordt in Japan al sinds onheuglijke tijden gekweekt als bonsaiboompje. De steeds met bladeren bezette takken worden tot sieraad van begraafplaatsen gebruikt en volgens landsgebruik het gehele jaar op orde gehouden. Ze geeft met haar rode bloemen enkele, terwijl de sneeuw er nog ligt, wat rode kleur die aan vergoten bloeddruppels herinneren. Daarom is ze het symbool van de dood en vergankelijkheid gezien. Ook voor gebruik van de eredienst wordt de plant aangewend. Het lantaarnfeest wordt gevierd ter herinnering van een dochter van een Mandarijn die verloren was en met lantarens weer teruggevonden werd. In de bloeitijd van de camelia's wordt in de tempels het lantaarnfeest gevierd. De graven zijn dan rijk met bloemtakken versierd en worden, zo gauw als de avond valt, de hele nacht door met lampen verlicht. Gelijk de dennenboom bij ons met kerstmis, zo worden daar de cameliabomen in menigte naar de stad gebracht. De bosjes die de tempel omgeven hebben de hoogte van bomen. In de bloeitijd ziet men zo'n boom met honderden bloemen versierd, rode, witte, gespikkelde, dubbele en enkele, allen aan een stam. Deze wonderboom wordt door het enten van verschillende takken verkregen en levert een toverachtig gezicht op.

Het is een symbool van zuiverheid, niet alleen door zijn opvallende witheid, maar ze heeft ook geen geur. Zo had de jonge Dumas een sinistere bedoeling met de naam van zijn beroemde heldin, de camelia dame. Niet iedereen weet dat de wereldberoemde Violetta van Verdis Traviata ook werkelijk geleefd heeft. Ze kwam als 15jarige van het land naar Parijs waar ze begon te werken in een snijatelier. Ze hield van Liszt en een van haar vele affaires was met Dumas, werd zeer rijk en zeer beroemd, droeg witte Camelia's en stierf op 22 jarige leeftijd. De camelia dame werd de glansrol van alle grote actrices van Sarah Bernhardt tot Elisabeth Berger toe. Het hoogtepunt van haar roem bereikte de camelia dame in Verdis Traviata.

In zijn Dame aux camelias heeft Dumas onze bloem op tragische wijze vereeuwigd en haar met het beklagenswaardige lot van deze mensenziel verbonden. Ze heette Marie-Duplessis en in het jaar na haar dood werd het bij hen, die haar weelde bewonderden en haar geluk benijdde, mode om een pelgrimstocht naar het kerkhof van Montmartre te maken en daar kransen van camelia's te leggen. Een dichter, die bij haar dood afwezig was en tot haar vrienden behoorde, maakte in 1847 een vers dat hij op het graf legde. Sinds die tijd werden bijzonder mooie meisjes, die zich in de maalstroom van het levens wierpen, Camellia of ook Cascade genoemd.

Een cameliawoede brak uit. In bruidsboeketten willen de bruiden nog steeds witte cameliaユs hebben.

Camellia sinensis Kuntze (uit China) thee.

Bodhidharma, de Chinese patroon van de theeplant zou de thee vanuit India naar China gebracht  hebben volgens deze legende; 

"Een zeker Indische vorst, Darma, had een inval gedaan in China en deed zijn best om de mensen vroom te maken. Hij gaf dan zelf het voorbeeld en leidde een leven van onthouding en zelfkastijding. Zo bracht hij dagen en nachten door onder de open hemel en had in het hoofd gezet dat het hem zou lukken onophoudelijk te bidden en de slaap te overmeesteren. Op een gegeven moment dommelde hij toch in, toen hij ontwaakte was hij daar zo boos over dat hij zijn oogleden afsneed en ter aarde wierp. De andere dag waren de oogleden in planten veranderd en wel in een soort planten die hem onbekend waren. Toen hij van de bladeren proefde bemerkte hij dat ze een bijzondere opwekkende eigenschap bezaten zodat hij van zijn uitputting weldra hersteld was. De thee drank was uitgevonden en de naneven van de brave koning plaatsten zijn naam dan ook onder de heiligen in de almanak".

De oorsprong van de Chinese thee is vrijwel gelijk aan de Arabische overlevering van het koffiedrinken, het waken tijdens religieuze ceremonies.

In de Cha-koning of heilig theeboek lezen we dat de beste bladen gevouwen moeten zijn als een laars van de Tartaren, draaibaar als een stierennek en ontvouwen moet worden als een mist uit de vallei, schijnen als een meer in de wind en in vochtigheid en zachtheid als aarde die opgefrist is na een regenbui. De eerste kop bevochtigt je keel, de tweede vergeet je eenzaamheid en de derde frist je geheugen van boeken op en stimuleert je om te gaan schrijven, de vierde veroorzaakt zweten zodat alles wat er in je verkeerd is uitgezweet wordt via de pori創, de vijfde vervolmaakt de zuivering, de zesde roept je tot de goden en de zevende wuift je in hun tegenwoordigheid.

De theekamer in Japan is simpel, zodat zijn kracht die uitstroomt door de geur niet vervallen of gevat zal worden door de aanwezigheid van onbelangrijke objecten.

Het gebruik van thee in China lijkt in de afkeer van hun gebruik van koud water te liggen. Dit omdat ze water dronken die meestal over de rijstvelden gelopen en daar kwalijke stoffen opgenomen had. Of van slechte bronnen die in de stad waren waar de samengedrongen bevolking ervoor zorgde dat het water niet goed was. Het is daarom waarschijnlijk een oud gebruik geweest, om gezondheidsreden, om gekookt water te nemen wiens smaak door enige in de zon gedroogde bladeren verbeterd werd. Het blad van de theestruik werd als beste gevonden die buiten de smaak ook andere eigenschappen had.

Als genotmiddel kwam het pas tegen de 4de eeuw in gebruik, in de 8ste eeuw werd de thee in China al belast. De grote uitbreiding van thee valt in die periode, het was dus een zeer belangrijke bron van inkomsten.

Door de Arabieren is thee in Azi algemeen verspreid. In Azi verspreidde het theedrinken zich in de 15de eeuw. Europa kreeg het pas voor het eerst te zien door de Portugezen en Hollanders, omstreeks 1559.

In 1610 brachten de Hollanders op Bantam van Chinese kooplieden gekochte thee op de markt. Naar verluidt zouden de Hollanders dit geruild hebben voor onze thee, de salie, en kregen een  driedubbele portie thee voor een deel salie.

Voorspellen. Drijft er een theeblaadje op de thee, dan is bezoek onderweg. Zie je luchtbelletjes op de oppervlakte drijven, dan zal diegene die de thee opdrinkt binnenkort gekust worden.

Roer de thee met de richting van de klok mee, doe je het andersom krijg je ruzie. Ook het dekseltje er vergeten op te zetten geeft ongeluk. Als een dame een heer toestaat voor haar thee in te schenken krijgt ze binnenkort een kind van hem.

 

Campanula medium (middelste) Mariette klokje.

Mariette genoemd van de Nederlanders die vanwege de aardigheid van de bloemen die geschonken hebben als een present aan de zeer edele hoog geboren en vrome koningin Marie van Hongarije. Vandaar de naam Mariette. Dit zijn de beroemde Canterbury bells. De oorsprong van de naam ligt in oude tijden toen er klokken gedragen werden om de kragen van paarden. Dit omdat de wegen te smal waren om elkaar te passeren en vooral tijdens pelgrimage naar de schrijn van St. Thomas a Becket te Canterbury moest men elkaar van tevoren waarschuwen.

Hoe de eerste klokjesbloem ontstaan is.

De vrome legende knoopt het ontstaan van het klokje aan die van de kerkklok. De eerste christenen hadden geen klokken. In die tijd van christenvervolging moesten ze de godsdienst verborgen houden en ging men van huis tot huis aanzeggen. Toen de christenen vrijheid van religie kregen hielden ze openlijke godsdiensten en toen kwamen ook geleidelijk aan de klokken op. Een 1500 jaar geleden was het ongeveer dat de eerste klok ontstond. Het was in Nola, Campani. Daar leefde de vrome bisschop Paulinus, die als uitvinder van de klok geldt. Hij wandelde eens door een woud en toen de avond naderde kwam hij op een stille en lege plaats. Een zalige vrede heerste daar, alles was rustig en vredig. Alleen een licht gefluister van de wind en wat ruisen van de bomen heerste daar. Paulinus liep vredig tussen de bloemen. Aan de wereld ontrukt voelde hij de hemel. Onbewust vouwde hij de handen en riep tot de hemel: "Geprezen zei de Heer, O, geef mij een teken dat U bij me bent". Daar hoorde hij een licht klingelen alsof kleine klokjes zich bewogen. De vrome priester keek rond en zag dat alle klokjes op de weide zich in de avondwind bewogen en zo het geluid maakten. Dat was een heerlijke tijd voor Paulinus en ter herinnering hieraan liet hij thuis een reuzenklok maken van metaal en liet die in de dom van Nola ophangen. De klok klonk zo dat de mensen zich tot gebed verzamelden. Dit was de eerste kerkklok.

Campanula rapunculus (raapachtig) of Phyteuma, rapunzel.

Er was eens een man en een vrouw die graag een kindje wilde hebben. In de muur van het achterhuis was een venstertje, dat uitkeek op de ommuurde tuin van een heks. Toen de vrouw eens door dat venstertje keek zag ze malse rapunzels in die tuin groeien en ze kreeg er zo'n trek in dat ze er bleek van werd. Haar man klom over de muur en stak wat rapunzels uit die zijn vrouw met smaak opat. Maar toen wilde ze de volgende dag weer rapunzel eten en de man was niet zo goed of hij ging weer over de muur de tuin van de heks in. Die wachtte hem op en zei boos, "hoe durf je mijn rapunzels te stelen?" De man legde het uit en toen zei de heks: "Nu, neem die rapunzels dan maar mee, in ruil voor het kindje dat de vrouw zal krijgen". Toen het kindje geboren was, kwam de heks het halen en noemde het rapunzel etc.

Het plantje rapunzel, dat in de Romaanse versies van het sprookje vervangen wordt door de peterselie, kan in het sprookje ook opgevat worden als een afrodisiacum.

Het plantje groeit in de tuin van Vrouw Gotel, de hemelmoeder die op ongeboren kinderen past. De plantjes die daar groeien zijn de levenskiemen die bij de vader en moeder gebracht moeten worden om een lichaam aan te nemen

 

Canna, bloemriet, Indisch riet.

Volgens het geloof van de Birmaans ontsprong de canna uit het gewijde bloed van Boeddha. De duivelse Dewadat die jaloers was op Boeddhaユs invloed en beroemdheid hoorde dat hij van plan was om een reis te ondernemen en klom op een heuvel en wachtte tot de heilige zou komen. Hij had een geweldig rotsblok neergezet bij een doorgang en op het moment dat zijn object van haat doorkwam gooide hij de steen naar beneden.. De steen plofte op Boeddhaユs voet waar die in duizend stukken brak. Een enkel stuk die op zijn teen gekomen was trok het bloed in zich en toen die weer in de aarde viel kwam dit er opnieuw uit als Canna, terwijl de aarde, met gelijke gevoeligheid, zich opende juist onder de voeten van Dewadat en hem verzwolg.

Het bloemriet met zijn pompeuze rode banieren stamt uit tropisch en subtropisch Amerika. Hier is toch enige verwarring over geweest omdat een van de eerste bekende vormen indica genoemd werd. Er zijn verscheidene vormen uit Azi ingevoerd. Toch verschijnen alle Aziatische vormen pas na de Amerikaanse invoer.

Indian shot werden de zaden genoemd naar het gebruik dat de inlanders van de harde zaden maakten, bij gebrek aan gewone kogels namen ze deze. Goed rijp zijn de zaden zo hard als ijzer.  Bij de Indi喪s worden ze als bidkoralen gebruikt.

 

Cannabis, hennep.

Hennep is een tweehuizige plant. De groene manlijke bloemen staan in pluimen en de vrouwelijke in aarvorm. Het is een windbloeier. Hennep heeft een ruw behaarde stengel en 5‑9tallige, handvormige bladeren. De deelblaadjes zijn smal lancetvormig en getand, de bovenste bladen staan afwisselend en daaronder min of meer tegenoverstaand.

De planten worden ongeveer twee meter hoog en ruiken onaangenaam, wat zelfs bedwelming kan veroorzaken. Het wordt hier wel als snelgroeiende haagplant gebruikt als windbeschutting. Het zou de zwarte luis uit de bonen houden, reden dat het vroeger als haag om bonen geteeld werd.

De harsachtige stof die door de vrouwelijke bloemen afgescheiden wordt voordat ze bestoven zijn heet charas, churras of hasj of haschisch (soms shit). De plant heet in het Arabisch haschisch: wat plant betekent en een naam is die overgegaan is op de verdovende zelfstandigheid die eruit bereid wordt. Marihuana wordt gemaakt van de gehele bloemhoofdjes en bevat minder alkalo錨en en hars dan hasj. Wiet komt van het Engelse weed; onkruid.

De verdovende stof was al bekend bij de Isma鼠iten voor Marco Polo zijn tijd die de plant gebruikten om politieke daden, door onder invloed staande mensen, te laten uitvoeren. Dit gaf de Isma鼠iten de naam Haschischinen waaruit men in de Avondlanden Assasinen maakte. In herinnering aan de door hen begane moorden is het woord assassin in het Frans een betekenis van een moordenaar geworden. Deze Assasinen zouden in 1159 Frederik van Barbarossa vermoord hebben. De sjeiks kregen door middel van hasj absolute gehoorzaamheid van hun onderdanen. Symbool van het noodlot.

De vezels van hennep zijn beter dan die van vlas en waterafstotend. Om die reden werd het gebruikt voor nautische doeleinden. Het Franse woord canevas, in Nederlands canvas, is afgeleid van Cannabis.

Vondel, Den Gulden Winckel der konstlievende Nederlanders XLVIII;

ヤDie zijn Zoon liefheeft, hem matig zal kastijden

Opdat hij je met je oude dag mag verblijden

Eer de Misdadiger door een kenユpen venster (een venster van hennep of kennep, namelijk een strop)

Aanschouwen van het licht de laatste straal of glinster

Hij zijn Moeder kustユ.

Capparis, kappertje.

Kappers worden bij warme gerechten pas op het eind gegeten omdat ze bij warmte gauw haar geur verliest. Ingezouten kappers, als in de Italiaanse en Spaanse keuken, moeten ervoor gegeten worden. Vanwege haar smaak zullen andere kruiden maar spaarzaam gebruikt mogen worden. Kappers worden vooral in Sicili en Italiaanse keuken gebruikt, salades, pizzaユs, vlees en pasta saus. Vaak opgediend met gerookte zalm, soms als vervangers voor olijven bij martini, bij tapas.

De kappertjes werden wel in wijn gedaan om die te laten geuren. Het is een smaakmaker en vooral bestemd voor de ouderen als de eetlust minder wordt, de kapper kan hiertoe een stimulans zijn bv. in de vorm van een sausje. Shakespeare in Twelfth Night, 3,129 waar Sir Andrew zich niet wenst te vergelijken met een oude man:  "Sir And. Faith, I can cut a caper".

Het kappertje zou een afrodisiaca werking bezitten. Om deze redenen is de vrucht dan ook vele malen vervalst en bij ons werd de brem hiertoe wel gebruikt. De bloem van deze struik heeft een lange stengel die bij het verwelken zich naar de aarde buigt, een mooi zinnebeeld van de ouderdom.

 

Carlina, zilverdistel.

Carlina is zo genoemd naar Karel de Grote. In een pestperiode verscheen er een engel aan Karel die hem beval een pijl af te schieten in de richting van de opkomende zon. De plant die getroffen zou worden was dan een middel tegen de pest. Dit zou dan de driedistel of Karelsdistel geweest zijn en zo zijn leger gered hebben.  Daarom heeft het nog steeds splijten en wonden van de pijl in de wortel.

De omwindselblaadjes zijn vocht aantrekkend of hygroscopisch en kunnen zo gebruikt worden als een weerglas. De omwindselblaadjes sluiten zich met vochtig weer om de gele bloem heen en gaan met zonnig en droog weer open. Door die eigenschap zijn ze ook goed in een droogboeket te gebruiken, het open en dichtgaan behouden ze ook in de kamer. Dit kan getest worden door er een paar maal over te ademen. In Duitsland wordt de Wetter Distel wel aan de deuren genageld om zo als hygrometer te dienen. De blaadjes sluiten voor een regenbui. Dit gebruik zien we ook wel eens in Itali en Frankrijk.

 

Carpinus, haagbeuk.

De bast is dun en glad en gewoonlijk licht van kleur. De haagbeuk groeit in zijn jeugd lang bossig en vormt hierna meestal maar een kleine boom tot 15m. hoog. De stam van de boom is meer ovaal dan rond en heeft een gegroefde vorm. De stam verdeelt zich in takken op zo'n manier dat de hoofdstam verloren gaat in deze massa. De boom draagt de zwakke takken opgericht en vertoont zo meer een onderstutte vorm. Kan die opwaartse takken maar een 150 jaar dragen, hoewel er voorbeelden zijn van 3‑400 jaar oud met een stamdoorsnede van een meter.

De knoestige stammen en verdraaide takken maken een haagbeuk tot een goede schuilplaats voor moordenaars en andere duistere lieden. Een Duistere, Donkere Doemboom.

De lange en groengepunte knoppen gloeien op een zwarte tot zilveren bast die zich in het voorjaar uitspreiden en plotseling is de boom getooid in het voorjaarskleed. Niet de bladeren maar de bloemen zijn verschenen in een druipend, groen/gouden gewaad wat uit de katjes gewoven is. Dit levert een fraai gezicht op in maart. De mannetjes zie je op het oude hout, terwijl de vrouwtjes aan de jonge scheuten van dezelfde boom komen. Het geeft al jong zaad, een zwevend zaad dat grote afstand kan afleggen. De bladknoppen houden zich dan nog steeds bescheiden op de achtergrond en zijn bezig met open gaan, de waaiervormige plooien van de tere bladeren zijn pas in het eerste stadium van ontvouwing. Na het verdwijnen van de manlijke katjes ontluiken de emerald groene bladeren, eirond maar niet symmetrisch van vorm met een fijn ingesneden en gezaagde rand en getekend door een sterke middennerf van waaruit de parallel lopende nerfjes naar de bladrand gaan. Heeft duidelijke en meer nerven dan de beuk. Het blad heeft een mooie patine van puur goud in oktober. 5-8cm lang en 3-4 cm breed, lancetvormig.

In de verte lijkt het wel wat op de beuk vooral omdat het blad in de winter, net als bij gesnoeide beuken, er lang aan kan blijven. De haagbeuk heeft echter kleine en aanliggende knoppen en de beuk afstaande, grote en spitse knoppen. Meer lijkt het blad op dat van de iep en ook op de berk, Betula, vandaar zijn tweede naam betulus. Groeit op dezelfde gronden als de beuk en zelfs op drogere gronden, houdt echter niet van zure gronden. De verwarring ontstaat voornamelijk omdat de haagbeuk en de beuk als haag gebruikt worden. Als haag houdt het ook in de winter zijn vaalbruine blad, de gesnoeide beukenhaag ook, de ongesnoeide beuk laat zijn blad vallen, vandaar de verwarring.

Meestal wordt de haagbeuk gebruikt voor de wat forsere hagen. Ook werd het gebruikt in de zogenaamde Franse tuinen omdat het geschikt is voor vormsnoei. Symbool van sieraad, ornament.

 

Carthamus, saffloer.

Het werd veel gebruikt als vervalsing van de saffraan, (Crocus)  vandaar valse saffloer/saffraan. Het kleuren met de beroemde saffloer is als een komedie, volgens de klassieke regels in vijf bedrijven. De plant wordt eerst met water uitgetrokken, waarna het aflopende gele water het doek op een omslachtige manier geel verft. Vervolgens wordt de kleurstof vermengd met een mengsel van andere plantendelen. Na dooreen te zijn gekneed wordt dit mixtum compositum roodgekleurd met citroensap. Daarmee wordt het eerst geel geverfde doek in alle nuances van rood tot hoog purper toe gekleurd. Blauw gekleurd goed verf je hiermee bruin of licht violet en oranje kleuren verkrijg je door wat geelwortel bij te voegen. Toch zijn die kleuren niet sterk, komen ze in aanraking met zweet, dan verschieten ze van kleur.

Door de komst van teerverven heeft het zijn waarde als verfplant verloren.

 

Carya, hickory. De naam Carya komen we meer tegen. Dit was de Griekse naam voor de (wal)noot en is zo genoemd naar Carya, de dochter van Dion en de koning van Laconie. Bacchus beminde Carya, maar haar zusters waren jaloers en kwamen tussenbeide. Bacchus werd hierover vertoornd en veranderde de zusters in keien en Carya in een walnoot.

Philip Miller uit Chelsea zag deze boom vanuit een paar opgestuurde bladeren en noten en noemde die naar de mythologische Carya.

Van het zware hout worden kastjes, stoelen, gereedschappen en dergelijke gemaakt. De beste meubelen worden van deze houtsoort verkregen die in Amerika hickeries genoemd worden. De naam old hickory was geassocieerd met een sterke en taaie president, Andrew Jackson. Een andere president, Abraham Lincoln, was bekend als railsplitter, de gespleten hickory werd gebruikt voor treinbielzen vanwege de hardheid van het hout.

Hickory hout wordt genoteerd niet alleen voor zijn hardheid, maar ook voor zijn taaiheid en mogelijkheid om plotselinge schokken op te vangen. Om deze reden heeft het de eerste plaats bij het maken van bijlheften en de vroeger wielsturen van automobielen. Amerikaanse bijlen zijn beroemd over de wereld en niet vanwege de bijl maar vanwege de hickory-steel.

Men vertelt ook dat de drafsport ontwikkeld werd in Amerika na de uitvinding van de lichte sulky waarvoor het hout van de hickory onmisbaar is.

 

Cassiope, klokjeshei.

Cassiope is zo genoemd naar Cassiope, Koningin van Ethiopi, de vrouw van Cepheus en de moeder van Andromeda. Cassiope beweerde mooier te zijn dan de zeenimfen, waardoor zij de woede opwekte van de zeegod Poseidon. Om die reden werd ze verbannen naar koude oorden.

 

Castanea, tamme kastanje.

Naar de mythologie werd de nimf Nea (casta-nea) tegen haar zin door Jupiter bezocht en overweldigd, daarna pleegde ze zelfmoord en werd door Jupiter in een kastanje veranderd. Naar Isidorus zou de kastanje met castreren in verband staan omdat de vrucht, als ze uit het omhulsel is gevallen, als gecastreerd lijkt.

Het sterke blad heeft een krachtig belijnde middennerf en van daaruit lopen parallel de zijnerven door tot buiten de bladrand waar ze als een punt aanvoelen. Bladen zijn ovaal en lancetvormig tot een punt versmallend en gezaagd. Vooral in juni zijn ze glanzend groen en lichter aan de onderkant en zeer lang.

In de winter is deze magnifieke boom te herkennen aan  de ronde knoppen met aan weerszijden kleinere knopschubben en aan de ribbels op de twijgen. Op zijn 50ste verjaardag begint de boom te bloeien. Omdat de bloei midden in de zomer valt, juni/juli in de scheuten van nieuwe loten en als laatste van de loofbomen, lijkt de bloei op een groene zee met daarin goud doorstraalde kleuren. Met grote snelheid haalt het gewas nu zijn achterstand in. De grote donzige ballen nemen in augustus/september al flink in grootte toe en splijten in oktober in vieren. Hierbij wordt het zijdeachtige interieur tentoongesteld. De pluk valt in oktober, afhankelijk van warm weer. Een rijke oogst is 4000kg kastanjes de ha. Symbool van weelde.

De eerste eeuw is er groei, de tweede stilstand en in de derde eeuw nemen de krachten af en komt er verval.

De tamme of eetbare kastanje, is een boom die geweldige afmetingen kan bereiken en hier 30m hoog kan worden. Er zijn er gevonden met een stamomvang van meer dan 10m.

De tamme is een statige en majestueuze boom en een rivaal van de eik die het overtreft in grootte en ouderdom. De kastanje heeft een korte romp en zijn massieve armen staan laag bij de grond. Zijn hoofd is breed en grillig en matig verzorgd. Vrijstaande bomen hebben soms een kroondoorsnede die gelijk is aan of breder dan de hoogte

Hij groeit gemakkelijk uit zijn grijze jasje waardoor er scheuren in zijn huid ontstaan. De bast is door die diepe en wijde spleten opmerkelijk en ijken sommige idee創 voor de bijzondere ornamenten in de gotische architectuur geleverd te hebben. Die schors kan net als die van paardenkastanje ook draaien, zodat de boom achterom lijkt te kijken. De stam draait met de wind mee, een veranderlijke boom.

De kastanjes uit het vuur halen is een uitdrukking die ontleend is aan de fabel. Een aap die kastanjes uit het vuur wilde halen was bang zich te branden en gebruikte hiervoor de poot van een daarbij liggende slapende hond.

Kastanjes werden wel in het vuur gelegd met de namen van de aanbidders erop. Bleven ze rustig liggen was dit een teken van trouw, diegenen die opsprongen of knapten, waren ontrouw. Kastanjes waren een soort huwelijksorakel in Engeland. Naar dit geluid maakte Shakespeare Taming of the shrew 2,208:

"Do you tell me of a woman's tongue

That gives not half so great a blow to hear

As will a chestnut in a farmer' s fire?".

Geroosterd of gekookt is het een delicatesse en zou dan stimulerende krachten bezitten. Van Beverwijk; "Zij hinderen het hooft en verwekken de geile minnegloed, oordelen ook met anderen dat ze door hun winderigheid veel eerder een wellust prikkel zijn. Het schijnt dat ze zo vast bebolwerkt zijn, (de vrucht) dat men ermee zo geprikkeld en gestoken wordt voor men aan de vrucht komt wat Petrus Gravina met de dood bekocht heeft. Een zinnebeeld, zo men zegt, hoe sommigen geprikkeld en gestoken door Venus prikkels zijn omgekomen voor ze de vrucht, waar naar zij snakten, gesmaakt hadden".

Verder is er weinig ophef over de kastanje. Men zegt alleen dat God de tamme kastanje schiep en de duivel de paardenkastanje. Een compliment voor de boom.

Oude bomen.

De tamme kastanje geldt als een van de oudst en dikst wordende bomen.

De beroemdste kastanje was wel de kastanjeboom van de Etna die door de inwoners van Sicili, ヤCastagna di Centi Cavalliユ, ヤkastanjeboom van de honderd paardenユ genoemd werd. Die naam berust op de overlevering dat Johanna, Koningin van Aragon, op een reis van Spanje naar Napels door een onweersbui werd overvallen en onder deze boom een schuilplaats vond. Doordat de boom geheel hol is, beweert men dat ze hier met haar gevolg van honderd ruiters in geschuild heeft. De boom zou een kleine 60m. in omvang geweest zijn en de ruimte in de boom was in vroeger eeuwen zo groot dat er een huis in gemaakt was die voorzien was van een oven waar de kastanjes van deze boom in gedroogd werden. Het benodigde brandhout werd dan ook door deze boom geleverd. Door al die activiteiten waren er in de vorige eeuw nog maar een paar brokstukken van die boom over, die elk afzonderlijk toch nog leefden. De vroegere opening zou zo groot geweest zijn dat er twee rijtuigen tegelijk in en uit konden rijden. De omvang van de stam zou tussen de 48 en 54m liggen en de oudheid berekende men op hoger dan de tot dan toe bekende geschiedenis, ouder dan de bijbel. Dat vond men toch in vroegere tijden toch onmogelijk.

Niet ver van die boom zouden er nog drie gestaan hebben waarvan er twee waren met een stamomtrek van 21m voet en de derde kleinere van 15m.

 

Catalpa, trompetboom.

De grote lappen van bladeren, 12-20cm lang en aan jonge planten nog groter met toegespitste top, staan als twee harten, soms drie, tegenover elkaar. De vorm lijkt lieflijk maar bij wrijven kom je op andere gedachte en haal je je neus op. Al met al, wegens zijn bladeffect, een boom voor tropische tuinen.

Als boom van de trompetfamilie blaast het zijn deuntje mee. Op zijn vijftiende verjaardag speelt het boompje voor het eerst solo. Dan staan zijn witte trompetten in 20cm lange pluim, groot en van binnen door spikkelt met purperrood, bloem 4-5cm in diameter, meeldraden zijn even lang als de kroonbuis. Dit gebeurt in de vakantietijd zodat we lui onder zijn bladerdak van deze ontluikende schoonheid kunnen genieten. Niets menselijks is de boom vreemd.

Na de bevruchting vormt het in alle rust een bundeltje sigaretten, een soort cilinderachtig peulen of potloden van 35cm lang die in Amerika Indiaanse bonen genoemd worden.

De kort gestuikte boom heeft een brede en ronde kroon. Omvangrijk wordt de boom met het verstrijken van de jaren zodat die het breed laat hangen. Zijn maten zijn 0.50-0.50-16m, bij een lengte van 10m. Zo'n boom heeft dan ook veel ruimte nodig. Dit komt doordat de takken geen eindknoppen maken, wel zijknoppen waardoor de kroon breed uitgroeit.

Ironische wordt het wel ambtenarenboom genoemd, het komt als een van de laatste in blad en laat als een van de eersten zijn blad vallen, komt laat en vertrekt vroeg. In de zomer is de ambtenarenboom op zijn best, in bloei, de vakantiedagen.

 

Catananche, blauwe strobloem.

Opstaande, dunne en vertakte, grijsachtig behaarde stengels.

Talrijke lang gesteelde, zacht blauwe bloemhoofdjes met donker purperen hartje, aan de buitenkant purper/blauw, de vliezige, parelmoer/witte omwindselblaadjes steken fijn af tegen het blauw van de lintbloemen in juli/augustus.

Plinius schrijft dat Catananche een kruid is dat in Thessali groeit wat hem onnodig dacht om te beschrijven omdat het nergens toe nuttig is dan om bij de minnedranken te vermengen waartoe ook en tot geen ander ding zowel deze eerste als de andere of tweede Catanance van Dioscorides nuttig gehouden is geweest: ヤBeide Catananche, zegt hij, worden gezocht en veel geacht om de liefde te verwekken en er minnedranken van te maken. En men zegt dat de vrouwen van Thessali die tot dat doel zeer plegen te gebruikenユ. Catananche komt van Grieks katanagke: dwang. Uit de planten brouwde men een liefdesdrank die door de begeerde gedronken moest worden. Hiervandaan stamt de Duitse naam Zwangkraut.

(b) Bij Lobel; en is het de Catananche van Dioscorides dan schijnt het naar de kracht om de mensen tot de liefde te verwekken, ja te dwingen genoemd te wezen, dat is liefde kruid, kruidje volg me na, minnekruid of dwingend kruid.ユ

Catananche werd daarom ook wel Cupidone genoemd en zo is nog de Franse naam, Engelse blue cupidone of cupidユs dart.

 

Catha, khat.

De plant is afkomstig uit Ethiopi en kwam mogelijk in de 6de eeuw v. Chr. naar Arabi en Jemen. Anderen geloven dat ze uit Jemen stamt voordat het naar Ethiopi kwam en andere erbij gelegen landen. De eerste vermelding van khat zou in het Nieuwe Testament zijn. http://en.wikipedia.org/wiki/Khat. De oude Egyptenaren beschouwden het als goddelijk voedsel die de menselijke godheid kon vrijmaken en gebruikten het meer dan zijn stimulerende effecten, een memorfoos proces om de gebruiker god-achtig te maken.

Het wordt al eeuwen in het Arabisch schiereiland als stimulans gekweekt. Daar vervangt khat koffie en wordt gebruikt in een gelijke sociale context. Zijn verse bladeren en toppen worden gekauwd en soms, minder vaak, gedroogd en als thee gebruikt om een staat van euforie en stimulatie te krijgen. Het wordt meestal niet door een geloof verboden ofschoon de Ethiopische Orthodoxe kerk de christenen het gebruik verboden heeft vanwege zijn stimulerende effecten. Khat is zo populair in Yemen dat zijn cultivatie het meeste deel van het land en 40% of het water dat het land heeft vergt. Het geeft de boeren een zeer goed inkomen, 5 maal veel beter dan als ze fruit kweken. Er is vaak te zien dat het openbare leven tegen de middag tot stilstand komt omdat de meeste mensen in groepen bij elkaar zitten en bij khat kauwen discussi喪en. Dat komt wel door de warmte van de middaghitte als ook de nevenwerking van khat. In Islamitisch recht wordt kat meermalen als verboden gezien, zo Saudi-Arabi; in de landen waar het gewoon is wordt het door de heersende leer gerechtvaardigd. In enige khat gebieden, als in N. Kenia, was het kat kauwen een privilege van de adel. Met de teruggang van dit traditionele gezelschap steeg het khat gebruik onder jonge mensen met negatieve ontwikkeling op vorming en inkomensontwikkeling van hen.

Khat moet wel vers gebruikt worden, anders verliest het zijn werking. Men ontbladert hiertoe van de driejarige stekplanten het blad tot de eindknoppen. In het volgend jaar worden de bladeren en ontwikkelende takjes verzameld onder de naam khat moubarreh. In het tweede jaar wordt het betere khat methani verkregen dat zacht en nootachtig smaakt.

Een smaakmaker die wel wordt wel vergeleken met atropine en veroorzaakt een minimum aan slaap. Het kruid werkt stimulerend, prikkelend, opwindend en licht verdovend en verjaagt de slaap zonder negatieve bijwerking. Ze geloven dat het hun grote waakzaamheid geeft zodat ze, na ze gegeten te hebben, de hele nacht waken kunnen zonder vermoeienis. Zo effectvol verbeelden ze deze plant tegen de Plaag, dat ze verzekeren dat als iemand een klein stukje bij zich draagt, dat hij dan zonder vrees tussen de besmette door kan gaan en dat de plaag niet in de buurt komt waar deze plant staat. In Amerika gebruiken ze daar het coca blad voor.

In Arabi verdrong, vol­gens Abd-Alkader-Ebn-Mohammed, de uit Abessini ingevoerde koffiedrank een andere drank die kafta genoemd werd. Die laatst genoemde drank werd bereid uit de bladeren van de khat. Het werd wel verdrongen omdat khat vaak verboden werd.

Waarschijnlijk ligt hier ook de oorsprong van de naam koffie. Caffa heet de koffie in Z. Abessini en in Arabisch qahwah, dit werd in Turks quahve of kahweh en bleef in vormen als caffe en caf in Z. Europa bewaard.

 

Cedrus, ceder.

Cedrus deodar, Deodar ceder. De boom is zo genoemd naar Deodar, een Indiase staat, of van Hindoe de'odar en dat van Sanskriet deva dara: goddelijke boom. (deva: goddelijk en daru: boom)

De deodar is een heilige boom in Indi. Hij was de boomgod van de Shastras, de Devadera, die in vele oude Hindoestaanse gedichten als het symbool van kracht en majesteit wordt afgebeeld. Er is een verhaal in China van ヤde boom van trouwe geliefdenユユ. Er is een legende dat een koning een goede man gevangen nam zodat zijn vrouw beschikbaar werd voor de koning. De gevangen man stierf van ergernis en zijn vrouw doodde zichzelf, maar, ofschoon hun lichamen ver van elkaar werden begraven op konings uitdrukkelijk bevel, groeiden cederbomen op elk graf die op geweldige hoogte hun takken en wortels ineen strengelden.

Ceder van de Libanon. Een van de machtigste bomen van de Libanon is deze ceder. De boom kan wel 40m hoog worden met een karakteristieke afgeknotte top, vlak.

De ceder heeft net als de eik, machtige armen die horizontaal uitstaan en even dik en groot zijn als een volwassen boom. De ceder overheerst met zijn armen een uitgestrekt gebied. Een indrukwekkende verschijning, machtig en gespierd, een boom met charisma.

Het cederhout is niet knoestig en zeer geurend. Of het echter zo duurzaam is als we uit de bijbel zouden kunnen opmaken is echter twijfelachtig. Het cederhout dat gebruikt werd voor de doodskisten van de faraoユs en de koningen van Syri zou ook niet afkomstig zijn van de ceder, maar van Juniperus excelsa. In N. Afrika werden de kisten gemaakt van Callitris quadrivalvis en in Egypte van Juniperus phoenicea. Ook rijst de vraag of op sommige plaatsen de ceder wel gebruikt was. In de Sina, zo ver van de Libanon, was daar wel ceder voorhanden?

Ook had men in die tijden niet de beschikking over goed vervoer om de zo hoog groeiende ceder te halen en door nauwe passages te slepen. Het is mogelijk dat ook hout gebruikt werd van Juniperus soorten die op dezelfde plaatsen groeien en gelijkwaardige namen hadden. Het echte cederhout is dan mogelijk gebruikt vanwege zijn geur voor het binnenwerk.

Sinds de oudste tijden is er roofbouw gepleegd op de ceder. Vooral vanuit Egypte, een land dat zelf weinig bomen heeft en al vroeg ontwikkeld was. Bij de Egyptenaren heette de Libanon dan ook plateau van de Ceders. De Libanon is dan ook gevallen (Jesaja 10:33) "Ziet de Heer der heerscharen houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld, het dichte gewas van het woud hakt hij af met ijzer en de Libanon zal vallen voor de Heerlijke". De plaats waar God het eerst werd verheerlijkt is omgehakt om tot kerken en bedehuizen te worden waarin men Hem nu gedenkt.

In het begin van deze eeuw waren er nog maar enkele honderden stammen over, waarvan er 13 waren met een stamomvang van 11m. Die paar laatste restanten worden nu beschermd, voornamelijk door de patriarch van de Maronieten en door een Christelijke sekte die op de hellingen van de Libanon leven.

 

Centaurea cyanus (donker blauw), korenbloem.

Het grove schrale van de onbehaaglijke stengels en bladeren vallen in de tuin in het oog en in het veld verschuilen ze zich tussen de halmen en alleen de bloemen komen uit de golvende bos tevoorschijn. Plant de korenbloem dan ook zo tussen andere grotere planten. Bloei is in de zomer.

De korenbloem is een bekende blauwbloeiende plant die voorkomt in granen (roggebloem) op zandige gronden. C. Huygens spreekt hier al vroeg van: "De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans". Hij had gelijk, wij missen nu de kleur van de korenvelden, het hemelse blauw van de korenbloem, wat is een graanveld zonder die kleur? De lichtere kleuren van de oude graanvelden werden verder gemengd met de zonnige glans van de gele wilde mosterd en de rode vlammen van papaver. Hier kronen de blauwe korenbloemen hun schitterende kleuren in grote hoeveelheden boven het land en vertroebelen de koren­vel­den met vernietigende schoonheid.

Het intense blauw van de blauwe bloem is blauw als de voorjaarshemel. De diepere kleur van de meeldraden dient alleen om de blauwere kleur te versterken. De korenbloem spreidt de schoonste tint van enigszins gebroken blauw ten toon, het is het korenblauw en onze blauwbloem. Dit is de kleur die men cyaanblauw noemt. Het blauw is naar de korenbloem genoemd, een van de weinige kleuren die aan een plant zijn verbonden.

Ceres, de godin van de akkerbouw, wandelde eens door een korenveld. Daar riepen de blauwe korenbloemen en klaagden: "Lieve godin, geef ons ook een met koren gevulde aar, zoals de halmen hier naast ons dragen. Als de mensen de akkers bezoeken, kijken ze alleen maar naar de halmen, maar ons zien ze niet". Lieflijk antwoordde de godin: "Het graan is nuttig, maar jullie zijn van geen nut voor de mensen, maar jullie zullen het veld sieren. Daarom heb ik jullie een kleed gegeven van hemels blauw zodat ieder die zich tot de hemel aangetrokken voelt jullie zullen zien. Jullie zijn mijn priesteressen, gekleed in hemelsblauw om de mensen het goede van de hemels te prediken". Toen waren de klagende korenbloemen tevreden en predikten de mensen de hemelse genade en goedheid.

Centaurea cyanus, de blauwe korenbloem zou zijn tweede naam te danken hebben aan de volgende fabel: "Cyanus leefde te Constantinopel samen met zijn moeder van de aalmoezen die ze van de rijken verkregen. In haar behoeftige omstandigheid had ze haar zoon toch laten ontwikkelen naar geest en hart. Het gemoed van de zwakke jongeling vond echter pas rust en lust in de aanschouwing van de flora waar hij dan ook ganse dagen doorbracht. Niets trok hem meer dan de korenbloem. Eens zijn maaltijd vergeten te hebben viel hij neer en Flora veranderde hem in een korenbloem die sinds dien het toonbeeld geworden is van tederheid.

De lieflijke bloem is een embleem van delicate sympathie dat zichzelf voedt op hoop en in sommige streken gebruiken de jonge meisjes de bloem als liefdestest. De bloemen zouden liefde voorspellen, de hoofdjes werden geplukt en meisjes deden die in hun blouse en na een uur keken ze weer en hoopten dat de ongeopende bloemen begonnen te bloeien, een teken dat de lover van de goede kant komt. De hoofdjes konden de toekomst voorspellen, net als Plantago major, vergelijk ook de naam bachelors buttons.

 

Centaurium, duizendguldenkruid.

Centaurium is zo genoemd naar de centaur Chiron, die beroemd was om zijn medische kennis. Zoals de indianen de eerste blanken zagen, zo wordt de centaur in de mythologie afgebeeld, half mens half paard. Het is een klassieke naam van een plant naar de fabel van Ovidius dat die plant de wond genezen zou hebben van de voet Chiron of Chiron. Deze centaur was de eerste die de wond helende eigenschappen ontdekte. Hij genas de wond die hij had gekregen van een pijl die vergiftigd was met het bloed van het Peloponnense monster, de honderdkoppige Hydra.

Duizendguldenkruid verkreeg zijn naam door zijn vele goede eigenschappen en werd vroeger dan ook met honderden ponden tegelijk ingezameld, dit voornamelijk op Ameland. Het kruid werd wel in de beurs gedaan om de eigenaar van voldoende geld te verzekeren. Ja, het was duizend gulden waard en iedere ruiter moest, die het plantje voor bij ging, afstijgen om het te plukken en de eerste dame die hij tegenkwam moest de bloem een kus geven. Het was vroeger voor alles goed en dus duizend gulden waard. Werd ook wel gebruikt als een vervanger van pruimtabak (duizend guldentabak).

De bitterwaarde is 200-3500. Alle delen smaken bitter. Het werd gebruikt als bitter maagversterkend middel, eetlust stimulerend. Dit schijnt al zo bij de ouden bekent zijn geweest en werd in de 13de eeuw al zo vermeld. Plinius noemt het fel terrae wat zoveel als aardgal betekent naar de bittere smaak. De gal uit de aarde zou in de plant getrokken zijn.

Met wijn gekookt doodt het de stonden van de vrouwen en de vrucht die daar uit voort komt. Op geen enkele manier zal je het de vruchtbare geven, want het doodt de vrucht. Zoユn kooksel met venkelzaad en peterseliezaad laat plassen.

 

Ceratonia, Sint Jansbrood.

De naam ceratia verkreeg het naar de bittere en harde zaden die als gewicht werden gebruikt omdat ze altijd hetzelfde wogen, waar de naam karaat van is afgeleid.

In het Grieks is dit het keration waarmee men in Afrika goud en in O. Indi diamanten weegt. In late Romeinse en vroeg Byzantijnse tijden werden de puur gouden munten ermee gewogen die bekend waren als solidus 24 karaatzaden (ongeveer 4.5 gram). Als een resultaat werd de karaat een gewicht van zuiver goud. Zo betekent 24 karaat goud 100% puur, 12 karaat goud betekent dat het 50% goud bevat, etc.

 Doordat de zaden niet altijd helemaal gelijk zijn, en dit bij edelstenen zeer belangrijk is, worden die  nu gewogen. Als juwelengewicht vervalt karaat in 4 gram of 64 delen en weegt in Hollandse maten 205,894mg. In Engeland maken 151,5 karats een ounce en in Frankrijk 144 een once diamanten. Er zijn verschillen in diverse landen. Karaat is nu precies 200 milligram. Het karaat wordt in de edelsteenindustrie ingedeeld in 100 puntjes, elk puntje is dus 2mg.

Het karaat van goud is iets anders. Zuiver goud geeft dus een gehalte aan, bij een edelsteen een gewicht.

Het zogenaamde Johannesbrood wordt door mensen en dieren gegeten en was een belangrijk handelsartikel. Zo lang de vrucht nog niet geheel rijp is en geen bruine kleur heeft geld het voor schadelijk en zelfs giftig. Rijp zijn ze zoet, donker kleurig en aangenaam, en geven een honingachtige siroop.

St. Johannesbroodboom naar het Bijbelse verhaal.

Lucas 15: 16 ヤEn hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen die de varkens aten, doch niemand gaf ze hemユ. Het Griekse woord wordt vertaald als peulen bij de Moffat versie. Er is geen twijfel dat de schillen van Jezus parabel van deze boom afkomstig waren.

Matthe殱 3: 4 ヤHij nu, Johannes, droeg een kleed van kamelenhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen (Sint Jansbrood) en wilde honingユ.

De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannes zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannes de Doper gegeten zou hebben. "De Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie weg". Het zou de vrucht van Johannes geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.

Het verschil komt door de overschrijvers die het Hebreeuwse G voor R vertaalden tot cherev wat het woord carob veranderde tot locust of sprinkhaan. In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haruvim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.

 

Cercis siliquastrum (hauwachtig, hauwtje) Judasboom is een zonaanbidder uit het Middellandse Zeegebied, die beschermd moet worden tegen zeer koude wind. Toch is dit juffertje vrij winterhard in ons land. In zijn jeugd is het wat kouwelijk en heeft moeite met onze winters. Mogelijk is dit een reden dat ze weinig aangeplant wordt. Het gewas moet in jong stadium geplant worden, oudere exemplaren hebben moeite met aanslaan.  De struik geeft telkens aanleiding tot een opwindende gebeurtenis. De judasboom bereikt een verfijnd hoogtepunt in het voorjaar. Dan hult het zich in een voorjaarskleed van roze wolken. Eerder verschenen er op het hout bosjes bloemknoppen die bij elkaar zitten alsof het een soort paddenstoel of heksenbezem moest worden. Hieruit verschijnen de tere bloemen voor de komst van het blad.

De eerste keer dat de bloemen hun opwachting maken heeft het gewas een leeftijd van 5 jaar bereikt. De struik is, wegens de bloemenpracht, geschikt om in bloei te worden getrokken. De mooi gevormde, niervormige bladeren komen na de bloei. Onder de nier vorm heeft het ook nog een hart vorm bij de aanhechtingsplaats van de stengel. De ronde bladeren zijn eerst bruingroen en worden later donker groen.

Naar de tekst van Mattheus 27: 5 werd aangenomen dat Judas zich had verhangen aan een boom, wat dan deze boom zou zijn. Toch staat er in de Bijbel niets over in, is dit meer geworden uit overlevering en traditie. Waarschijnlijk stamt de naam af van de groeiplaats of Franse naam, Arbre de Jud仔, boom van Juda. De judasboom groeit in de Tabor eikenwouden van Judea en in Z. Europa.

Matthe殱 27: 5 ユEn de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich, daarop ging hij heen en verhing zichユ. Welke boom staat er niet bij, maar volgens oude legende is het deze boom.

Doordat Judas zich eraan verhangen heeft groeien sindsdien de takken krom. De tranen van Jezus zijn op het hout gevallen, zodat sindsdien de boom op alle plaatsen bloeit, zelfs op het dikste hout. De kleur werd dan ook rozerood van schaamte. Symbool van ongeloof, bedrog. Toch moet in dit verband nog gemeld dat worden dat in verband met Handelingen 1: 25  er duidelijk op gewezen wordt dat Judas niet stierf aan ophanging.

De ziek makende Judasboom heeft de reputatie dat die speciaal bezocht wordt door heksen die er een groot genoegen in scheppen zich te verzamelen rond de boom. Mogelijk is van hen de verspreiding van het idee afkomstig dat de dood diegene overvalt die zo ongelukkig is om in deze boom te vallen.

 

Chamaemelum, Roomse kamille.

De Roomse kamille is een nobele plant met zeer fijne, diepe en grijsgroene ingesneden bladeren, dubbel geveerd. Het vormt pluizige matten mits het geregeld getopt of gemaaid wordt. Kamille ziet kans om zijn jonggroene, varenachtige bladeren door de meeste winters heen te halen en geeft zo een dankbare groene sprankeling in de wintertuin. Het is nobel omdat het zulke grote bloemen heeft voor zoユn klein plantje.  De stengel kruipt, bladeren staan afwisselend en zijn fijn gesneden. De mooie alleenstaande geurende bloem is geel of wit met een geel hart, eindstandig in juni en juli.

Rooms heeft de betekenis van vreemd of buitenlands, dit in tegenstelling tot onze inlandse kamille, Italiaans.

Kamille komt algemeen voor op zonnige plaatsen langs verhardingen en dergelijke. Zie Shakespeare King Henry IV, deel 1 2de akte, 4de toneel: "for though the camomile, the more it is trodden on, the faster it grows". Men had ontdekt dat het dan sneller groeide als er over gelopen werd zodat er dagelijks over de kleine kweekbedden gewandeld werd. 

J. Cats kende dit verhaal ook. "Indien gij op het veld ziet met de voeten treden De groene Camomil... Gij zult merken, Dat leed en ongemak die Plant kan sterken". Symbool van kracht in tegenspoed.

(Dodonaeus) ヤMen behoeft dit kruid niet te telen want hoe men dat meer betreedt, snoeit en scheert, hoe het beter en gewilliger groeit en daarom wordt dat veel geplant op paden of verheven bedden daar men in de zomer op plag te zitten of te liggen en vooral in Engeland daar dit kruid overal gestrooid en daarom alleszins geplant wordtユ.

 

Chamerion, wilgenroosje.

Het wilgenroosje heeft lange en onvertakte stengels, vaak zijn die diep getint met rood en bekleed met wilg en getooid met roos.  Kan een hoogte bereiken van een paar meter. Dan wordt het kruid gekroond door een los gearrangeerde piramidale muts van roze bloemen met naar beneden gebogen meeldraden in augustus/september.

De plant zou ontstaan zijn toen een kabouter en een elfje gingen samenwonen. Ze vonden een woning met medewerking van een wilg, waarvan ze de bladeren leenden. Samen vormen ze de bloem van de plant. De vleugeltjes van het elfje zijn te zien in de bloemblaadjes, de kaboutermuts is het eind van de bloemtros en zijn baard zit in de neergebogen witte meeldraden. De muts is ook te zien in de vorm van de vierdelig hangende stamper.

Ook werd het wel brand- of vuurkruid genoemd en in Engelse fireweed, omdat het gewas overal waar brand geweest is snel voorkwam, op plaatsen die verwoest waren door oorlog en vuur en zelfs in het hart van een stad als Londen. Het is een veld veroverend kruid.

 

Chelidonium majus (groter, dan de kleine, Ficaria), stinkende gouwe.

De plant voert de naam naar het Griekse chelidon: een zwaluw. Een betekenis tussen plant en vogel probeert Plinius te doorgronden als hij fabelt dat de zwaluwen met hun bloemen het gezichtsvermogen herstellen. Het verhaal van de zwaluw is vreemd, maken we Plinius verhaal echter af dan vermeldt hij ook dat beide planten bloeien met de komst van de zwaluw en verdwijnen met hun vertrek. Hij geeft zelf een goed einde aan het verhaal door een alternatieve verklaring voor de naam te geven.

Stinkende gouwe, (van gouden) omdat de plant bij kneuzing onaangenaam ruikt met gouden bloemen.

Het scherpe, bittere en vies ruikende melksap komt in alle delen van de plant voor. De reuk verdwijnt met opdrogen. Vanwege zijn kleur werd het in de signatuurleer gebruikt tegen geelzucht. Het sap werkt in kleine hoeveelheden prikkelend en in grotere hoeveelheden narcotisch scherp. Sinds de oudheid is het sap in de artsenij gebruikt als een populair middel tegen wratten, huiduitslag en zomersproeten. Het scherpe, bittere en vies ruikende melksap komt in alle delen van de plant voor. De reuk verdwijnt met opdrogen. Vanwege zijn kleur werd het in de signatuurleer gebruikt tegen geelzucht. Het sap werkt in kleine hoeveelheden prikkelend en in grotere hoeveelheden narcotisch scherp. Sinds de oudheid is het sap in de artsenij gebruikt als een populair middel tegen wratten, huiduitslag en zomersproeten.

Toen God de duivelse slang, die Eva verleidde, vervloekte met de woorden: Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge eten", spuwde die vol woede, als antwoord zijn gif op de bodem. Uit dat gif ontstond het bilzekruid. De stinkende gouwe ontstond uit het bloed van de slangenkop toen die door het vrouwenzaad verpletterd werd, dat giftige bloed is het roodgele sap geworden en vandaar de Engelse naam devilユs milk.

 

Chelone, schildpadbloem.

Chelone is een nimf in de Griekse mythologie die voorkomt in een van Aesopus fabels, ze weigerde ze of was respectloos bij het huwelijk van Zeus met Hera en als resultaat werd ze in de rivier gegooid door Hermes en haar huis viel van de heuvel op haar rug en zo werd ze in een schildpad veranderd om zo voor eeuwig te zwijgen. "Khel冢" betekent schildpad in het Grieks en was een symbool van stilte in oude tijden.

 De rug van de bloemhelm heeft een grappige overeenkomst met een schildpad. Of de bovenlip van de bloemen lijkt op een schildpad.

 

Chenopodium bonus‑henricus, L. (brave Hendrik) de wat meelachtig bestoven en vlezige plant draagt driehoekige bladeren met een spiesvormige voet. Een dof donkere groene en wat succulent lijkende plant van een 30-50cm hoog met aren van dof groene bloemen in augustus en vrij grote en dikke bladen.

Bonus-Henricus is zo genoemd naar Hendrik IV, koning van Frankrijk. Deze vorst zou de eerste geweest zijn die de kruidkunde bevorderde en zou ook de eerste kruidentuin hebben laten aanleggen. Hij was, volgens Franse schrijvers, zo bezorgd voor zijn onderdanen dat deze plant de arme lui veel goed doet en overal in het wild groeit en de arme lui dus voor niets een gerecht hebben, waarom het volk de plant naar hem noemde. Of vanwege zijn heelkracht tegen vuile wonden.

Het werd wel niet gebruikt om te eten. H. Bock zegt; ヤDe trotse broeder Heinrich is een lieflijk kruidje en de jonkvrouwen knechten zouden zulk kruidje steeds vanwege de reuk bij hen hebben. Zulk kruid is ook een stinkend melde gewas, zijn bladeren vergelijken zich de kleine schijtmelde, doch kleiner, gans meelachtig en askleurig, dat gans kleine zwarte zaad is kleiner dan de schijtmelde, een sterke vuile reuk, groeit op de droge hof plaatsen, naast de muren en tuinen, daar de hond heen zeiken. Ik geloof dat dit kruidje wat van zichzelf uit de stank van het aardrijk groeit, doet zich jaarlijks in mei voort zoals andere melde kruiden, in augustus verdwijnt het weer, mag geen vorst dulden. Vanwege de onaardige reuk noemen ze dat kruidje de goede en trotse Heinrich, anders weet ik hem geen andere naam dan dat we het voor een onkruid der melde achten, namelijk honden melde.

Chenopodium vulvaria, L. (van vulva: schaam, de geur en omdat het goed tegen vrouwenziektes is)

Stinkende melde. Men vraagt diegene die het gewreven hebben tussen de vingers (zegt Lobel) of ze ergens enige vuile vrouw gehandeld hebben omdat het geheel stinkt als de vuile en onreine hoeren waarnaar dat gewoonlijk kutten-cruydt genoemd wordt. Als enige vrouwenkleren er mee bestreken zijn dan komen de honden er aan ruiken en pissen door ritsigheid.ユ Lobel: ヤen vooral in de kerken daar vuile damp wasemt vanwege het begraven van de doden en ook omdat die met geen wind gezuiverd worden. Maar het mag geenszins in spijs gebruikt worden.ユ

Chenopodium quinoa (Quino, Inca naam)

De oude Inca's kweekten deze plant hoog in de bergen en het was voor hen een van de belangrijkste landbouwgewassen. Bijna net zo belangrijk als aardappelen en zelfs belangrijker als ma不. Voor de verovering van Peru door de Spanjaarden was het hun hoofdvoedsel. Heel belangrijk was dat deze vrucht nog hoog in de bergen wilde groeien, daar waar andere gewassen het laten afweten. Uit archeologische vondsten in Peru blijkt dat de quinoa daar al 5000 jaar voor onze jaartelling werd gekweekt. Ook dat de korrels 1000 v. Chr. langs de hele westkust van Z. Amerika en tot diep in het binnenland bij het Titicacameer te koop waren. De grote precolumbiaanse culturen uit de Andes hebben wel een groot deel van hun welvaart aan de quinoa te danken. De Incaユs hielden de plant voor heilig en noemden het "chisaya mama" of "moeder van alle granen", en de Inca heerser zaaide traditioneel de eerste zaden in het seizoen in zijn gouden garderobe. Tijdens de verovering door de Spanjaarden werd het door hen gehoond als voedsel voor Indianen en onderdrukt omdat het niet overeen kwam met de Christelijke ceremonies. Zelfs met doodstraf bedreigd als ze het teelden.

De zaadkorrels vervulden een gewichtige rol bij de bloederige en godsdienstige rituelen van de Z. Amerikaanse Indianen. De Spaanse veroveraars maakten daar een eind aan. Ma不, dat vonden ze een geweldig super graan. Dat namen ze mee naar Europa. Dat dwaze gewelddadige bijgeloof rond de quinoa moest maar eens afgelopen zijn. Daarom verboden ze de Inca's die plant nog langer te verbouwen. Zo raakte de quinoa in het grootste deel van de wereld in vergetelheid. Alleen op een paar Z. Amerikaanse akkertjes groeit nog wat. De indianen beschouwen het nu al sinds generaties als kippenvoer en zijn bang dat het hun kinderen sloom maakt.

De kleine en platronde korrels hebben een nadeel. Op de buitenkant zit een bitter laagje dat moeilijk te verwijderen is. Dit laagje bevat saponine, een zeepachtige stof. Dat laagje is vermoedelijk een tweede reden waarom de Spanjaarden het gewas verboden en probeerden uit te roeien.

Met de komst van de gezondheidsrage werd naar alternatieve voedingsmiddelen gezocht. Men zocht naar nieuwe, natuurlijke en liefst veel dierlijk eiwit vervangende voedselplanten. Ineens werd de quinoa populair. Pogingen het gewas te kweken verliepen uiterst moeizaam. Het verhaal van de mislukkingen omvat een dik boek. Tenslotte ontdekten de onderzoekers een Chileens ras dat in het laagland wilde groeide en zich liet oogsten. Daarmee wordt vanaf de tachtiger jaren gekweekt, zelfs in Nederland. Het is nu te koop bij natuurvoedingswinkels. De korrels zijn geslepen en gewassen, de saponine is verwijderd. De plant is interessant voor de zetmeelindustrie en voor veevoer.

 

Chrysanthemum indicum (gouden bloem en uit Indi) chrysant.

Het is de bloem van het Oosten, de nationale bloem van China en komt in hun wapen voor. Het was de lievelingsbloem van de mandarijnen en wordt al 2000 jaar in China gekweekt.

De eerste chrysantenviering in China was op de negende dag van de negende maand, 2000 v Chr. In de 5de eeuw werd de geboorteplaats van een bijzondere goede chrysantenkweker, Chu-hsien, stad van de chrysanten genoemd.

De chrysant was sier van de tempel en de bloem wordt op porselein, in stoffenmotief en dergelijke afgebeeld. De oude keizerin van China, Hsu, had zelf die bloemen voor haar paleiskamer uitgezocht en een hofdame schrijft: " Elke morgen begeleiden alle hofdames en alle hof eunuchen de keizerin naar de westoever van het meer. Onder haar aanwijzingen snijden we kleine twijgen van jonge planten en steken die in de potten. Ik verwonderde me over die methode maar de keizerin verzekerde me dat die stekken prachtige planten gaven. We begoten de planten elke dag tot ze begonnen te groeien. Tijdens heftige regenval beval de keizerin de eunuchen de chrysanten met zachte stromatten te bedekken".

Het is de bloem van de herfst en tevens het symbool voor lange tijdperken. De chrysant is in China het symbool van een nobel karakter, in Japan het teken van moed en een lang leven. Men ziet de chrysant als een geschenk van China voor de gehele wereld. Oorspronkelijk was de struik geel, de naam chrysanthemum betekent dan ook goudgele bloemen. In China verschijnen de chrysanten meestal in gele kleuren, een keizerlijke kleur. Tijdens de Tang periode 618-907 waren wit en violet belangrijk en daarna is geel, gevolgd door wit, de hoofdkleur gebleven.

Tijdens de culturele revolutie was de chrysant een bloem met kapitalistische inslag en werd verbannen uit de tuinen en parken.

In China had de chrysant vele dichterlijke namen. Niu-Hoa betekent de bloem van de vrouwen, Jih-Tsing is de essence van de zon, Niu-King van de damesafdeling, Kin-joui, het gouden hart en Yin-Tching is de vrouwelijke volmaaktheid.

Er is een Japanse legende over deze mooie bloem. Lang, lang geleden was er een man die bij de rand van de Kan Koku (zoete vallei) leefde, een beroemde plaats. Er werd verteld dat het water van de bergstroom zout was en goed voor de gezondheid. Als iemand van dat water zou drinken zou hij lang leven. De man wist van die traditie en op een dag wandelde hij langs de bovenstroom en kwam op een plaats waar een zoete geur de lucht vulde. Er waren vele grote chrysanten en de bloembladen vielen in de stroom. De man deed wat water in een kan en nam het naar de keizer die dit Kiku Sui: chrysantenwater, dronk. Hij leefde 700 jaar.

In de Japanse tuinen en kunstindustrie speelt zowel de stamvorm van de herfstchrysant, Nogiku, dit is de wild groeiende plant die met een overvloed van geelkleurige bloemen is getooid, als wel zijn vari奏eit Kiku een grote rol. Op 9 september viert men het jaarfeest waar de Kiku, het zinnebeeld van het lange leven, aan gewijd is. Ook de witbloemige, de Hama-giku, en de Daruma sau, de plant van het hoofd van Boeddha die in de 9de en 10de maand eveneens met witte bloemen getooid is, verheugen zich bijzonder in de volksgunst. Zo ook de violette si-y e-giku die, omdat zij vooral in de provincie Kaga voorkomt, ook de Kaga-giku genoemd wordt.

In 1189 werden de zwaarden van de Mikado met Chrysantensymbolen versierd. De bloembladen zijn als de spaken van het levenswiel in Japan­se vlag. De zestien bloembladerige chrysant hironishi is het Japanse staatswapen. De keizerlijke familie heeft de bloem in zijn wapen en de hoogste orde is de chrysanthemumorde. De volgende orde is de zon- of Paulownia-orde. In Japan staat wit voor zuiverheid en daarom vereren ze het meest de witte chrysant die als een geest van God beschouwd wordt.

De chrysant werd de nationale bloem in de 14de eeuw na een ヤwar of the chrysanthemumsユ, net als in Engeland de war of roses, die 56 jaar duurde.

Er zijn tuinen in Japan waarin uitsluitend chrysanten bloeien, zoals er ook tuinen zijn waarin alleen Iris groeit. Net zoals Chinese schilders hun leven lang niets anders dan bloemen schilderen, orchidee創, bamboe, lotusbloemen of chrysanten, om zo de oude vertrouwde vorm van volmaaktheid te vinden.

Omdat ze met de rijpheid van het jaar komen symboliseren ze menselijke perfectie, die met ouder worden ook steeds meer geperfectioneerd wordt. Zijn langdurende kwaliteiten geven het een symbool van eeuwig leven. Dit wordt in Kai letterlijk genomen waar een zekere stroom vol staat met deze bloemen. Als de bloembladen in het water vallen drinken de mensen dit en geloven dat het hun dagen op aarde doet toenemen, voor hetzelfde doen ze soms bloembladen in hun wijnbekers.

 

Cicer arietinum  (ramskop, omdat de zaden op een ramskop lijken) keker.

Zaden zijn rondachtig en plat aan de zijkanten met een afbeelding aan een kant die gevormd is als een miniatuur ramskop en vandaar de soortnaam. Er zijn rode, zwarte en witte zaden.

Sommigen van de beroemdste Romeinse families werden naar peulvruchten genoemd zoals de Lentuli: de linzen, Fabii: de bonen, en Pisones: erwten. Cicero vond het geen schande naar de keker genoemd te zijn. Plutarchus zegt dat hij zijn naam kreeg van een voorvader die een pukkel op zijn neus had. Toen zijn vrienden hem vroegen zijn naam te veranderen antwoordde hij vol overtuiging: "ik zal de naam Cicero beroemd maken".

 

Cichorium intybus (ingesneden) cichorei.

De losse scheuten komen uit in een exquise schaduw van puur blauw, een lichtere kleur dan die van de koren­bloem, maar meer doorzichtig dan het vergeet me nietje. De blauwe bloemen zijn zo koud dat ze niet in staat zijn de hete adem van de zon te doorstaan en verwelken op het heetst van de dag, daarom houden ze beter in de schaduw. Ze worden de een na de ander witter. De blauwe bloemkleur lost gemakkelijk op in water. Tijdens regen verbleken dan ook de heldere kleuren.

De mooie blauwe bloemen openen zich alleen in de volle zon, dus staan ze naar het oosten gericht, gaan om 4‑5 uur open en verwelken tegen 10‑11 uur. De volgende dag bloeien er weer nieuwe ogen. Naar deze eigenschap heette het gewas al in het oud-Hoogduits Sunnewirbel.

Met het drupje lenteblauw als het blauw van de hemel staat de wegwachter met ontroostbaar verlangen te wachten op zijn bruidegom, de zon. De liefde van de bruidegom verwekt in de wegwachter de zonnekracht of vitaminen. Symbool van eeuwige trouw.

Cichorei die geregeld plat getreden wordt langs de randen van de wegen, als symbool van volharding.

's Ochtend is ze helder blauw, 's middags lichtblauw en 's avonds bijna wit, de drie stadia die er ook in het leven van de mens zijn.

Volgens een sage zou de plant ontstaan zijn doordat een jonge vrouw langs de wegrand wachtte op de terugkomst van haar geliefde die in het oosten verdwenen was. Ze kwijnde weg en veranderde in een hemelse plant met blauwogige bloemen die zich steeds naar de zon keren. Dit zien we terug in de Duitse naam Wegwarte, wat betekent: die aan de wege wartet. Het is zoveel als weghoeder die aan de weg groeit.

De kerk haalde de mensen weg van hun zondige zonneverheerlijking en dreef ze in de schemerige gebouwen bijeen. Tevens voerde ze de duivel ten tonele tot wiens rijk alles toeviel wat (nog) niet aan de kerk toebehoorde. Zo werd de zonnebruid tot ver­wenste juffer en nachtduivelin.

Vanouds was de wetenschappe­lijke naam Cichorium intybus. Door letterverwisseling werd het incubus ofwel nachtduivelin. Een incubus was een duivels wezen dat 's nachts met vrouwen tezamen kwam om bij hen duivelskin­deren te verwekken. Een incuba bezocht mannen in hun dromen en verenigde zich met hen. Men groef de wortel in heidense tijd uit met een gouden of zilveren voor­werp. Daarbij sprak men een dankspreuk tot de Germaanse Drie-eenheid Oerd, Werdandi en Skoeld die alle leven scheppen, onder­houden en doen vergaan, later werd dit gedaan in naam van de chris­telijke Drie-eenheid.

Uit de wortels van de planten wordt, nadat ze gedroogd zijn, een van de beste surrogaten voor koffie gemaakt. Dit kan ook van de witlofpennen, nadat de krop geoogst is, door ze te roosteren en te malen.

In 1763 merkte Forster en v. Heine op dat de wortels voor koffiegebruik zouden kunnen dienen. In 1790 begonnen Braunschweig en Maagdenburger kooplui cichoreikoffie voor de handel te bereiden. De uitvinder hiervan zou naar een oorlogskookboek uit het jaar 1722, de hoftuinman Timme in Arnstadt geweest zijn. Begin 1800 was er de eerste fabriek en begin 1900 waren er in Europa 450 fabrieken met een 200 000 000 kg wortels in productie. Als de mensen van Walcheren over cichorei spreken dan verhalen ze over ユt paardje, de fabriek van cichoreiwortels heeft als merknaam een paardje.

Door een toeval werd witlof ontdekt in de botanische tuin te Brussel, vandaar Brus­sels lof. De uitgestrekte souterrains van de botanische tuin te Brussel werden door particulie­ren voor de teelt van champignons ge­bruikt. In 1851 bestemde de hoofdtuinman, Bresiers, een gedeelte voor het bleken van cicho­rei. Op een dag ontdekte hij dat zijn cichorei kleine gedron­gen knobbels had gevormd. Het bleek dat zijn laag aarde dikker was dan anders. De nieuwe groente smaakte best en Bresiers begon Brussels lof te kweken. Pas na de eerste wereldoorlog werd de teelt er van in ons land van belang. Nog lang werden ze onder een laag grond gekweekt, soms met stro erop. De krop moet buiten het licht worden gehouden anders wordt die groen. In de jaren 70 begon men met de waterteelt. Dit gebeurt in een schuur waarin de wortelpennen in een bak geplaatst worden waar een constante stroom van water langs gaat. De kroppen groeien zo prima, hebben minder last van ziektes en kunnen gemakkelijker geoogst worden.

 

Cinchona, kinine.

De eerste genezing van Spaanse veroveraars zou geschied zijn in 1630. De werking werd ontdekt door een Spaans soldaat die, rillend van de koorts, stervende was en van dorst water dronk waar deze boom in lag. Hij werd wonderbaarlijk genezen, dit zou gevolgd zijn door zijn kameraden.

Mogelijk leidde de bittere smaak tot de ontdekking van dit kostbare geneesmiddel omdat elke bittere plant vroeger als een koortswerend middel werd beschouwd. De koorts werd toegeschreven aan de slechte lucht: mal- aria, de medische wetenschap wist later de ware toedracht van de ziekte te ontrafelen. In 1897 werd ontdekt dat onder meer de mens waard is van een aantal parasitaire Protozo創 die tot het geslacht Plasmodium behoren. In de rode bloedlichaampjes vermenigvuldigt de parasiet zich ongeslachtelijk. Door deling ontstaan er in ongeveer 3 dagen uit een enkel parasiet een twintigtal nieuwe individuen. Malaria, ook wel driedaagse koorts, is hier het gevolg van. De muskiet draagt de parasiet over op de mens. Door dit laatste te voorkomen kan de verspreiding van de ziekte voorkomen worden. Om de ziekte in toom te houden wordt kinine gebruikt.

De boom staat bekend in Peru als quinaquina, waarvan de naam kinine is afgeleid.

Cinchona is zo genoemd naar de Lady Anna de Osotio, gravin van Chinchon, de vrouw van de Spaanse onderkoning van Peru, 1628-1639, kreeg het middel in poedervorm toegediend van haar arts Juan de Vega bij een zware ziekte in 1638 en genas daarvan. Ze propageerde dit middel daarna ook sterk. Verder werden met dit middel nog meer vooraanstaande figuren geholpen. Het middel bereikte Spanje door de Vega in 1639, waar het hertoginnenpoeder werd genoemd. Linnaeus veranderde de naamgeving van deze plant, hij vond een H in het woord genoeg.

In 1643 haalde Kardinaal de Lugo van Rome de bast uit Peru, zodat Rome de eerste startplaats was van kinine. De Kardinaal beval het aan bij Mazarin die koortsig was en daar van genas. Het poeder heette toen poeder van Lugo. Vooral de Jezu鋲tenorde hielp om dit middel te verspreiden, waardoor het ook een tijdlang de naam kreeg van Jezu鋲tenpoeder.

De Italiaanse botanist Pietro Castelli schreef er een pamflet over en was de eerste Italiaanse publicatie over Cinchona. In 1655 kwam het in Engeland. Robert Talbot, een eenvoudige Engelse apotheker, genas met een mengsel van kinine, wijn en dergelijke Karel II in 1678. hij was beroemd vanwege zijn genezing van malaria. De bast was toen nog strijdig in religieuze conflicten zodat hij het aan de koning in het grootste geheim gaf. Vervolgens kwam hij naar het Franse hof omdat daar koortsen uitbraken en genas daar de zoon van de koning van Frankrijk, Prins de Conde, en meer dan 100 mensen, onder andere Colbert, de minister van financi創, de Dauphin en andere hooggeplaatste personen. Lodewijk XIV, die ziek was geworden bij de drooglegging van het moeras bij Versailles, werd door hem ook genezen. Talbot werd door hem tot ridder geslagen en kreeg 3000 goudkronen. Hij verkocht zijn geheim in 1679 voor 48 000 pond aan de koning, ofwel 2000 Louis d'or en kreeg een levenslang pensioen. Hij moest het wel geheimhouden. Na zijn dood vond de Franse koning de formule, 6 drachme rozenbladeren, 2 ons citroensap en een sterk aftreksel van kininebast dat met wijn opgediend werd. Dat omdat sommige alkalo錨en niet oplosbaar zijn in water.

In 1663 kwam het in de Duitse apotheken. In 1686 werd de bast als kina-kina in de Amsterdamse farmacopee opgenomen. De prijs was toen 64 gulden per kg. bast.

Het was ook het begin van de homeopathie. De stichter ervan, Dr. Samuel Hahnemann, toen hij Cullen's Materia medica vertaalde noteerde hij dat Dr. Cullen schreef dat kinine malaria kan genezen, maar ook malaria kan veroorzaken. Hij nam dagelijks een dosis kininebast en na twee weken voelde hij malariasymptomen. Zijn veronderstelling was daarom dat met het gelijkende het gelijke zou kunnen worden genezen: similia similibus curentur. Het idee van genezen door hetzelfde was de startpunt van zijn homeopathie.

 

Cinnamomum verum (de echte) kaneel.

Kaneel is afkomstig uit de binnenbast van de scheuten en takken. Die bast pelt gemakkelijk af waarna de kaneel bladeren rond een dunne stok worden gewonden en de buitenbast verwijderd wordt. Kaneel is van zo'n ongelofelijke zachtheid, zo aromatisch en zo zuiver. In donkere sausen geeft het een mysterieus tintje, zo ook in koek en toost. Met zijn warme bruine kleur vloeit het over vele etenswaren met vele plezierige kwaliteiten. Zulk eten wordt vaak een aangename maaltijd. Een bekend kaneelgerecht is kandeel, het traditionele drankje voor kraamvrouwen en hun bezoek. Kandeel is een mengsel van kaneel, wijn, suiker, melk en een eierdooier.

Kaneelbladeren werden, net als die van de laurier, tot kransen gemaakt om Romeinse tempels te versieren. Griekse schrijvers zeggen dat in ヤArabi戴 (waar de plant niet groeit) het alleen voor  de priesters toegestaan was om het te verzamelen en zij moesten de eerste bundel op het altaar plaatsen zodat de zonnegod het kon besprengen met een sprankje goddelijk vuur.

Eeuwenlang werd de groeiplaats van kaneel door de Arabieren geheim gehouden en kwamen er allerhande vreemde verhalen over zijn afkomst in omloop. Herodotus: "het vergaren van kaneel doen zij op een nogal merkwaardige wijze. Want waar het voorkomt en in welk land het groeit, dat kunnen ze niet zeggen, behalve dat sommigen beweren en dat is wel aannemelijk dat het groeit in de streken waar Dionysus opgroeide. Ze zeggen dat grote vogels de stokjes meebrengen, die wij in navolging van de Fenici喪s kinnamoomon noemen, en die vogels zouden ze naar de nesten brengen die van leem gebouwd zijn tegen steile bergwanden, waar een mens onmogelijk bij kan komen. Hiervoor zouden de Arabieren de volgende list toepassen: de ledematen van gestorven runderen en ezels en andere lastdieren snijden ze in zo groot mogelijke aantal stukken en brengen die naar die streken en leggen ze dicht bij de nesten en gaan vervolgens weg, een flink eind daarvandaan. De vogels vliegen op de stukken van de lastdieren af en brengen ze omhoog naar hun nesten, maar omdat deze die vracht niet kunnen dragen laten ze los en vallen op de grond, de mannen gaan erop af en verzamelen de kaneel en die komt vervolgens naar andere landen" .

Theophrastus was al beter ge貧formeerd en dacht dat deze plant in het Arabische schiereiland werd gevonden en dat een gedeelte over India kwam en een gedeelte uit Arabi. Over kaneel werd volgens hem gezegd dat het in diepe dalen groeide waarin slangen leefden met een dodelijke beet waartegen de mensen hun handen en voeten bedekten. Wanneer ze die kuil dan waren ingegaan en de kaneel hadden opgehaald werd het in drie delen verdeeld. Een deel lootten ze met de zon, dat deel bleef achter, dat dan zo gauw als ze de plek verlaten hadden door het vuur verbrand werd. Ovidius vermeldt dat de vogel Feniks of Phoenix van kaneel sap leeft.

 

Circaea lutetiana (Parijs, omdat die van Parijs de Circaea hielden als de Circaea van Dioscorides)

De vruchten van Circaea bezitten weerhaakjes en hechten zich aan voorbijgaande dieren en mensen vast. De plant is zo genoemd omdat de vrucht van deze plant de mensen vat en hen door dit middel tot zich trekt, zoals Circe dit gewoon was te doen met haar betoveringen. Circe was de tovenares die op het eiland woonde waar Odysseus schipbreuk leed. De betoverend mooie tovenares had zoveel aantrekkingskracht op de metgezellen van Odysseus dat die met haar meegingen waarna ze hen in zwijnen veranderde. En hier staat zwijn voor lustgrage mensen die aan niets anders denken dan aan hun genot. Symbool van betovering. Boerhaave meent dat het de naam gekregen heeft omdat zijn zaden met borstels bezet zijn en zo onverwacht de wandelaar pakt, zoals Circe met mannen deed. Men schreef dit kruid grote krachten toe en gebruikte het in toverij.

Aan de westkust van Itali, halverwege tussen Rome en Napels ligt Monte Cicero. Die berg is genoemd naar de nimf die daar geleefd zou hebben. Bij de Grieken is ze bekend als Kirke en bij de Romeinen als Circe.

Het kruid groeit in donkere en obscure plaatsen. Van de wortel van de dit gewas schijnt men, net als van de mandragora, een slaapdrank bereid te hebben. In Duitsland is het beladen met toverkracht.

Heksenkruid betovert zijn ontdekker. In de schaduw van het woud verheft het bloempje zich op dunne steeltjes, de losse trosjes met rode bloempjes schijnen in de lucht te zweven. Of de plant is zo genoemd omdat als je dit gewas in het bos aantrof je wist dat je verdwaald was. De heksen hadden je op een dwaalspoor gebracht en om dat te vieren lieten ze deze plant verschijnen.

Wat ook toverachtig is, de bloemsteeltjes keren of buigen zich naar de steel als de bloemen uitgebloeid zijn.

 

Citrus sinensis (uit China) sinaasappel.

De zoete oranjeappel of appelsien, appel-sina (China) is afkomstig uit het bergland ten zuiden van de Himalaya, Z. China.

De appelsien is eerst door de Portugezen naar Europa gebracht in 1548. De Europese oerboom stond nog lang in Lissa­bon, in het huis van de graaf van St. Laurent. Het gewas verspreidde zich snel langs de M. Zeelanden terwijl in het noorden de Russen het invoerden.

De teelt in Europa is in belangrijke mate gestimuleerd en gepopulariseerd door de Portugezen die over zee uit China een superieure zoete sinaasappel invoerden die bekend werd als Portugese sinaasappel. (een lange tijd identiek met zoete sinaasappel)

Door de Spanjaarden en Portugezen werd de plant naar de nieuwe wereld gebracht. Columbus nam op zijn tweede reis naar Ha付i in 1493 zaden van de oranjeappel en citroen en mee, die nadien in N. en Z. Amerika zijn verspreid. Na de landing van Ponce de Leon, 1513, kwam het in Florida, waar het gewas al spoedig daarna en mogelijk al in 1600 verwilderde. Op soortgelijke wijze als de invoering van de Portugese is het invoeren in 1870 van de superieure "Bahia navel orange" uit Brazili in de V. S. een stimulans geweest voor de teelt in Californi. Deze sinaasappel is naar de plaats waar de eerste boom geplant werd genoemd en thans bekend als Washington navel orange.

Door de Citrus producten heeft het Indian river gebied in Florida zoveel bekendheid gekregen als fruitproducent.

 

Claviceps purpurea (purper) moederkoren zijn roggekorrels die door een schimmel zijn aangetast.

Ze vormen een blauwe tot donkerpurper, van binnen roodachtig, en recht opgaande of wat gebogen, tot 4cm lange en 3-4mm worstvormige verdikking.  Het is een schimmel die zich onder gunstige omstandigheden behoorlijk kan verspreiden en ten koste van de aar van de roggeplant, zelden van tarwe, leeft. In het voorjaar worden ze door de zachte temperatuur en omringende vochtigheid tot nieuw leven gewekt en zijn in staat om opnieuw weer roggeplanten te infecteren.

Na het eten van brood, waar deze korrels onvoldoende waren uitgehaald, verkreeg men hallucinaties. Tegenwoordig wordt er LSD uit gewonnen.

Nu is bekend dat het giftig is, toen men de oorzaak nog niet kende noemde men dit verschijnsel Ignis sacer: Heilig vuur, Pestis igniaria: Vuurpest, Mal des Ardens; zieke lucht en St. Antoniusvuur.

Al 1% kan tot vergiftiging voeren en in slechte jaren kwam er soms wel 30% voor in brood. Deze aantastingen kwamen vroeger veel voor. Door onwetendheid werden de blauwe korrels vaak met het meel vermalen. Om die reden was het bijzonder schadelijk voor de volksgezondheid. Door het eten van dit brood verkreeg men waandenkbeelden. Heksen en daardoor vervolgingen worden wel eens toegeschreven aan het gebruik van moederkorenbrood. Het teveel eten is bijzonder schadelijk, er zijn daaraan verscheidene mensen gestorven. Er wordt wel eens verhaald dat er meer mensen gestorven zijn aan moederkoren dan aan menige oorlog. Vaak werd zoユn ziekte vroeger pest genoemd omdat er zoveel aan stierven wat vooral duidelijk is als er maar een bepaalde landstreek getroffen wordt, pest gaat gewoon door.

Al in oude kronieken vanaf 857 wordt melding gemaakt van een mysterieuze en bijzonder ernstige ziekte. Eerst werd het zenuwsysteem beschadigd en dan kwam het tot een verschrikkelijke jeuk, kriebelziekte, dan tot een lang aanhoudende pijnlijke spierkramp (ergotisme) en vaak veroorzaakte dit epilepsieachtige aanvallen. Het ergste van al was het heilige vuur: Ignis Sacer, met pijnen in de ledematen, die zich onder heftige branden donkerrood en dan zwart kleurden om dan zonder bloeding af te vallen. Een soort droge versterving. Door dorst, krampen en door verkramping van de spieren voerde dit uiteindelijk tot de dood.

In de 9de-13de eeuw heerste er onder geheel Europa en vooral in Frankrijk de pest, de Zwarte Dood. De aangetaste lichaamsdelen werden zwart en koud, het vlees viel van de botten en verpestte de lucht. Diegene die in de kerk van St. Didier de heilige aanriep werden genezen en de ziekte werd naar hem, het (koude) vuur van St. Antonie (Sint Antonius) genoemd. Ook ging zijn naam over in een broederschap die in 1095 gesticht was, wegens de genezing van zijn zoon, door Gaston, een rijk ridder in Dauphine.

Omstreeks 1040 leed de zoon van een deze Gaston aan die ziekte. Zijn vader ging op bedevaart naar het graf van de heilige Antonius. Terwijl hij daar knielde kreeg hij een visioen. Hij moest een klooster stichten dat zich geheel zou bezig houden met de verpleging van de lijders van het Ignis Sacer. De edelman stichtte de order van de Antoniters die op den duur 300 kloos­ters bewoonden. De behandeling bestond uit wassingen met een preparaat dat vervaardigd was uit wijwater waarmee relikwie創 waren gewassen en waaraan wat wijn en wat afschraapsels van de stenen van het heilig graf in Jeruzalem waren toegevoegd. In veel gevallen herstelden de pati創ten, al of niet verminkt, van hun kwaal.

Dit kwam omdat de geestelijkheid door zadenreiniging meestal van vergiftiging verschoond bleef. Na hun toevlucht in de kloosters, waar de lijders een gezond brood kregen, herstelden ze zich snel en na thuiskomst was het weer spoedig hetzelfde. Achteraf herstelden ze niet van het water maar van het zuivere brood. Daardoor duurde het zo lang voordat men achter de oorzaak van de kwaal kwam. Pas in 1670 stelde een Franse arts vast dat de ziekte wellicht iets te maken had met de donker violette roggekorrels, het moederkoren.

Ofschoon J. Taube in 1782 het moederkoren als de oorzaak aanwees kwam het toch in 1929 in Ierland en 1951 in Frankrijk tot zware vergiftigingen. Ook in het begin van deze eeuw kwamen er in Hongarije en Rusland nog massale vergiftigingen voor als in 1926/27. Het laatst bekende geval heeft zich in 1951 voorgedaan in Pont Saint-Esprit in Frankrijk met 300 slachtoffers. In 1692 leidden de vreemde beweringen van een aantal vrouwen tot de heksenprocessen van Salem (Verenigde Staten). Het geconstateerde 'heksengedrag' is wellicht toe te schrijven aan vergiftiging met moederkoren.

Het gekke was dat men moederkoren al eeuwen in de geneeskunst gebruikte, terwijl men geen idee had over de rampen die het aanrichtte. Moederkoren doet nu dienst als middel om de bloedingen te stoppen en wel na de geboorte om de nageboorte vlot uit de drijven als hier moeilijkheden zijn. De vroegere toepassingen als wee創 bevorderend middel was, vanwege de bloed stoppende eigenschappen, een zeer grote fout.

 

Clematis vitalba (Latijn Vitis: wijn, alba: wit, witbloeiende wijnstok) de bosrank rankt als een van onze mooiste lianen de bomen in tot 15m en meer. In het vroege voorjaar lijken de levenloze en gedraaide, getwiste en grijze touwachtige stengels van onze wilde bosrank doods. Ze zijn met lange strepen van afschilferende bast behangen en met taaie krullen van oude bladstengels. Sommigen, met de verweerde bruine bladeren van vorig jaar er nog aan, geven bosjes van pluimachtige vruchten waartussen snelle en sierlijk opgaande scheuten uitspruiten.

De scheut is zeskantig en donkerolijfgroen waaraan de jonge bladeren zich ontvouwen en de boom bedekken in een helder kleed. De onderkant van de bladstengel is gevoelig en wel zo sterk dat het zijn gastheer omknelt en zelfs dodelijk omarmt.

In mei/juni starten ze met nieuwe schoonheid aan bloemen, trossen van groen tot room/wit die een fijne amandelachtige geur afgeven.

Tegen de herfst verschijnen de shagachtige pluimen in lange krullen als grijze baarden. Dan is het gewas op zijn mooist. Mooi mengt het bonte loof zich tussen het matte groen en het glinsterende wit van de populier. In onbeschrijflijke volheid rankt het bladwerk van de bosrank als een guirlande van boom tot boom en spint met zijn pluimen langs de bosrand in zulke dichte massa's dat je in het groene loof maar weinig goud van de zon terug kan vinden. Het vruchtpluis blijft tot in het voorjaar aan de boom en na een ruige vorst glinsteren ze als juwelen aan een boom. Als ze dan wegzeilen op de wind lijken het wel een massa spinnenwebben.

Een andere naam voor de bosrank is lierelei en deze naam heeft iets zingend in zich. Juist door deze plant is het dan ook gekomen dat de nachtegaal 's nachts zingt. Die had vroeger eens geslapen in een boom waarin de bosrank groeide en door die snelle groei had de plant zich 's avonds om de poten van de vogel heen geslingerd zodat die tegen de morgen niet meer weg kon vliegen. Om dat in het vervolg te vermijden, zingt het 's nachts, "nie meer slape, nie meer, nie meer".

Bladeren van Clematissoorten kunnen enkelvoudig, drie- of vijftallig zijn, rond of gekarteld, getand of gezaagd, maar vrijwel allen klimmen ze met de kronkelende bladstelen. De bladeren zijn gevoelig voor aanraken en kunnen zich krommen en zo als ranken fungeren.

Door die innige omstrengeling is de Clematis het symbool van de liefdesband geworden. De bosrank die een van de giftigste is, werd door bedelaars gebruikt om zweren en builen op het lichaam te veroorzaken en zo medelijden op te wekken en is zo het symbool geworden van armoe. Is om die reden ook het symbool geworden van slimheid. Ook wordt het daardoor wel bedelaarskruid genoemd.

Omdat deze struik de maagd Maria beschut had op haar weg naar Egypte, symbool van veiligheid.

Tegen de herfst ver­schijnen de zilverachtige pluimen in lange krullen als grijze baar­den. Een teken van ouderdom en hoge geestelijke waarden. Symbool van geestelijke schoonheid. Dan is de plant op zijn mooist.

 

Clerodendrum thomsoniae (Mrs. Thomson, echtgenoot van de Engelse zendeling W.C. Thomson die de plant in 1861 naar Europa stuurde). De scharlakenrode bloemslippen staan scheef op de witte buis uitgespreid, zodat de bovenste twee op de kelk liggen. Aan het uiterlijk van de bloem dankt het de Maleise naam njonja tjina makan sirih: ofwel een Chinese dame die sirih pruimt, (en daardoor vuurrode lippen heeft gekregen).

Clerodendrum fragrans (geurend), is afgeleid van het Griekse kleros: een kans of lot, en dendron: een boom. Het Grieks kleros is een stuk steen of hout waarop een naam werd aangebracht dat als lot werd gebruikt. Deze boom werd noodlotsboom genoemd omdat er twee soorten van waren, de een is goed en de ander slecht voor de mensen. Kansenboom, omdat de een geneeskrachtig en de ander juist giftig was, zodat men met ziekte geluk moest hebben of er blad van de goede boom geplukt was. Pindakaasboom omdat de gekneusde bladeren sterk naar pindakaas ruiken.

 

Cocos nucifera (noot dragend) kokospalm, is een fraaie en hoge palm met een kroon van grote geveerde bladeren.

De grote vertakte bloeiwijze komt evenals bij andere palmen uit een bloeischede tevoorschijn en draagt talrijke manlijke maar slechts weinig vrouwelijke bloemen.

De vruchten bezitten een zeer dikke, vezelige en zeer poreuze massa en een harde binnenlaag. De kern bestaat uit een half weke, witte en 1-2cm dikke en zeer olierijke hazelnootachtig smakende massa waarbij in de holte meestal nog een vloeibare voedingsstof, de zogenaamde kokosnootmelk, te vinden is. De vrucht is voor water absoluut ondoordringbaar. Deze vezelige laag is de oorzaak dat de rijpe vrucht op water drijft en eveneens de oorzaak dat ze door zeestromingen verspreid kunnen worden.

Er is een duidelijk kiemgat en dat is de zachte die doorgeprikt wordt zodat de melk opgevangen kan worden en de noot geopend. Een jonge noot zit vol met het sap en bij openen schiet het eruit. Bij het kopen van een noot is het goed die te schudden om te horen of er wel voldoende melk in zit en dus geen overrijpe  lege kokosnoot gekocht wordt.

Cocos, Latijn, van het Portugees woord coquos, laat 15de eeuw, van coco: een grijnzend gezicht, zie Coco de clown. De Portugezen zagen een zekere gelijkenis in de basis van de kokosnoot, met de drie gaten, met de kop van een aap.

 

Codariocalyx motorius (als een motor) telegraafplant.

Dit is een zeer interessante plant, de bladeren geven onder invloed van het zonlicht en warmte een direct waarneembare werking te zien. Het blad gaat naar boven, als een secondewijzer van een klok, gaat door totdat het blad uiteindelijk stil komt te liggen tegen de stengel aan en blijft even zo liggen om vervolgens met 2‑3 hevige schokken weer zijn vorige houding aan te nemen, waarbij het tegenovergestelde blad ondertussen een tegenovergestelde beweging heeft gemaakt. In India zijn er weleens 60 bewegingen per minuut geteld, wat bij ons wel een stuk lager ligt, al bij 21 graden zijn ze onbeweeglijk. Die beweging gaat zijn hele leven door. Symbool van agitatie. Pak ze in je hand, dan stopt de beweging, laat je los begint het weer opnieuw.

 

Coffea arabica (Arabisch) koffie. Zie voor de naam khat, Catha.

Het Duitse woord caf kwam uit Frans caf in 1688. In het Nederlands werd het koffie en in het Engels coffee. Het verdrong het woord herberg omdat men er nu koffie schonk.

Uitgevoerd werd de koffie over Mocha en de Rode Zee, vandaar het Engels mocha sinds 1773 en het Duitse Mokka.

Hoe men op het idee is gekomen om die twee harde en in rauwe toestand bijna smakeloze vruchten te branden en er een aftreksel van te maken?

De vroegste tijd van koffie verliest zich in geheimzinnige verhalen.

Hiervan zijn een paar Arabische overleveringen.

In Arabi (of en Ethiopi en Eritrea) was er een zekere Derwisj die Chadely genoemd werd en wiens ganse bezitting bestond uit een paar geiten die elke dag op goed geluk de wijde wereld ingingen om voedsel te zoeken. Ze kwamen dan ook elke avond weer trouw thuis, zodat de derwisj ze gerust liet gaan. Maar sinds enige tijd kwamen ze tegen de avond zo vrolijk en wild thuis dat ze bijna niet meer te houden waren, hij wilde hier meer zekerheid over hebben en besloot ze te volgen. Weldra zag hij dat ze van een struik aten die hem onbekend was en zie, weinige uren daarna kregen ze weer van die dolle buien. Hij bezag de struik en vroeg zich af of dat bij hem ook zo zou werken. Hij probeerde het en het werkte, hij werd levendig, opgewekt, vrolijk en spraakzaam en haastte zich om het goede nieuws aan zijn collega's te vertellen. Van groot belang was ook dat het de slaap verdreef, waar deze mensen met hun godsdienstige nachtwaken wel eens last van hadden. Zo zou men van het een, naar het ander en uiteindelijk tot het branden van en aftrekken van de zaden gekomen zijn.

Een andere legende wil dat de geiten aan een herder zouden hebben toebehoord die, toen een zekere derwisj zo klaagde dat hij onder zijn gebeden in slaap viel, hem zijn ontdekking meedeelde. Het was een raad die met goed gevolg werd opgevolgd.

In 1285 werd de derwisj Hadji Omar verjaagd omdat hij de vreemde gewoonte van eerlijkheid bij zijn gouverneurs wilde bijbrengen. Vanwege zijn honger plukte hij wat koffiebessen die daar in het wild groeiden. Ze smaakten slecht en om ze wat zachter te maken ging hij ze roosteren. Dit werd al beter en ze kregen een aangename geur en smaak maar waren nog te hard. Hadji kookte ze dan vervolgens in water zodat ze bijna eetbaar werden, maar het water was het beste deel. Door het eten en drinken van de koffie bevredigde hij zijn honger niet maar hij was zo verbaasd over de smaak en het resultaat  dat hij naar de stad terug snelde en daar vergeven werd. Niet alleen vergiffenis maar hij werd gepromoot tot heilige.

In het jaar 1554 brak er een hevige opstand uit te Constantinopel. De hoge geestelijkheid viel de sultan aan en bedreigde hem met allerlei schrikbeelden. De oorsprong bestond in het gunstige verloop van de eerder dat jaar geopende koffiehuizen. Die waren de gehele dag eivol en de moskee創 leeg. De kolen waarop de bonen werden geroosterd, vertelden ze, waren de kolen van de hel. De sultan redde zich hieruit op een voor hem voordelige manier, hij legde de koffiehuizen een hoge belasting op en stelde daarmee de muftis tevreden en verkreeg zo geweldige inkomsten.

Het begin van belastingwinsten op koffie ligt dus bij de moslims.

De eerste koffiehuizen schijnen te Mekka bestaan te hebben. Men verenigde zich daar niet alleen om koffie te drinken, maar ook om te keuvelen, te dansen, zingen en te schaken. Omdat dit alles niet in overeenstemming was met de leer van Mohammed werd herhaalde malen aangedrongen op sluiting van deze inrichtingen. Geleidelijk aan breidde zich evenwel hun aantal uit en met name in Turkije en Egypte. Op het eind van de 17de eeuw werden de eerste koffiehuizen in Itali opgericht die, wegens de hoge prijzen, alleen door de welgestelde werden bezocht. In Veneti omstreeks 1640.

In Den Haag werd het eerste koffiehuis geopend op het Korte Voorhout in 1860.

 

Colchicum autumnale (herfstbloeiend)

Behoort tot de tijdelozen omdat ze schijnbaar eerst bloeit en pas veel later, in het voorjaar, vrucht draagt. Het lijkt of de bloem niet aan tijd is gebonden.

In de herfst licht de herfsttijloos in het gras als een gloeiend vlammetje. De trotse en op Crocus gelijkende bloemen zitten laag bij de grond en gaan 's nachts en met regen dicht. Nooit was een bloem zo naakt. Ze komen zonder bedekking, zonder bladeren en paarsblauw van de kou naar buiten, reden waarom er allerhande vreemde namen aan gegeven zijn, als naakte mannetjes, vrouwtjes of juffrouwen, Franse dame sans chemise: dame zonder hemd, dame nue: naakte dame, naar de opvallende roze kleding of omdat ze laat bloeit, Duitse Nackte Jungfer, -Jungfrau, Nackte Hure. Engelse naked lady, -boys, -nannies, -maidens, virgins etc.

(h) Gorkumse martelaren. In een schuur te Rugge, onder Oostvoorne, werden op 8 juli 1572 enige geestelijken, vermoedelijk 19, na ondergane mishandelingen opgehangen. Ze worden de Gorkumse martelaren genoemd omdat ze in Gorinchem gevangen genomen waren. Daardoor werd Rugge voor de roomsgezinde een bedevaartsoord. Een zeker plantje dat daar groeide werd door de devote martelaarskruid genoemd. Het volksgeloof weet te vertellen dat als men de bloempjes, die van naturen vier blaadjes hebben, bewaart, maar niet te lang natuurlijk, dat er dan nog 15 bij komen zodat het getal van de bloemblaadjes overeenkomt met het getal van de martelaars die daar stierven.

Colchicumユ s vormen bollen die bij sommigen soorten gebruikt kunnen worden als droogbloeier. Op een schoteltje gelegd komen ze zo in bloei. Losse bollen worden in september al bloeiend verkocht. Als droogbloeier gebruik je grote maten, die blijven gemakkelijk rechtop staan. Zet ze op een schoteltje voor het raam. De kleinere bollen kun je het beste in een bakje met droog grind zetten. Je hoeft ze dus niet te planten. Alle in de bol aanwezige bloemen ontwikkelen zich dan na elkaar, zonder dat je er iets aan hoeft te doen. Het aantal bloemen kan per knol wel 15 bedragen. Als de platte hartvormige knollen als droogbloeier gebruikt zijn kunnen ze direct na de bloei in buiten worden opgeplant. Het blad komt na de winter.

 

Colutea, blazenstruik.

Deze opgeblazen struik bloeit zeer lang met 6-8bloemige trossen van erwtachtige vlindertjes in de zomer. Dan hangt er een krachtige gele lijn tussen het groene bladdecor wat een aardig effect oplevert. Bloemen zijn 2cm lang, de bloemvlag heeft rode vlekken. Is dit mysterieus schaamrood of een lokmiddel voor de bestuivers?

De blazenstruik of de knalpeul, waarvan de zacht groene blaasjes mooi staan tussen het fragiele blad en al komen als de plant nog volop in bloei staat. Peulvrucht is 6-8cm lang en aan de top gesloten. Over de blaasjes hangt een zacht rode waas.

Colutea, komt van een oude Griekse naam, koloutea: afzetten of breken, omdat van deze plant verteld wordt dat het gewas sterft als de takken gesnoeid worden. Of het woord betekent, "ik maak gedruis" als een verwijzing naar het feit dat de peulen met kracht openschieten en dan lawaai maken. Als op de blazen gedrukt wordt geven ze een geluid, een krak, een zachte pop, het is de eerste popplant. Later worden ze rijper en meer luchtig.

 

Commelina is zo genoemd naar Jan (1629-1692) en Caspar (1667-1731) Commelin, Hollandse botanisten in het begin van de 18de eeuw.

Commelina heeft helder blauwe bloemen met twee duidelijk opgerichte kroonbladen en een staat naar beneden en is zo klein dat die vrijwel onzichtbaar is. Er waren drie broers Commelin, waarvan twee, Jan en Caspar bekend waren in de botanie. De derde broer stierf voordat hij iets voltooid had in de botanie. Zo noemde Linnaeus de plant naar de broers, de derde wordt vertegenwoordigt door het kleine bloemblaadje, de andere twee naar de grote kroonbladen.

 

Commiphora gileadensis (uit Gilead) balsemboom.

De pure en echte gom is tweemaal zijn gewicht in zilver waard. Struiken in cultivatie werden dan ook door wachters beschermd. Het was een embleem van Juda.

De gom wordt in de zomer verzameld als het bloedheet is. Met een scherp voorwerp worden er in de hogere delen van de stam insnijdingen gemaakt. De druppelende hars werd in doeken opgevangen of eraf gekrabd waarbij er zorgvuldig op gelet moet worden dat geen ijzer de bast van de heilige boom verwondde, dat zou de goden boos maken. Men snijdt de takken met een scherpe steen of scherp been. Die het met ijzer snijdt, versnijdt gelijk zijn krachten en zijn natuur. Ook moet de balsem altijd getild worden door een christen, anders zou het niet werken.

De balsem werd in wollen zakken verzameld en op kamelen gepakt die met andere geurstoffen over de wierookstraat naar de handelsplaatsen aan de oost- en zuidkust van M. Zeegebied gevoerd werden.

Met de hars werden gestorven heersers en waardigheidsdragers gebalsemd om hen de toegang tot het dodenrijk te verzekeren.

De boom is afkomstig uit Z. Arabi, Ethiopi en Jemen. De Joden geloven dat de struik geplant was door Salomon. Naar deze historie zouden de eerste planten gebracht zijn door de Koningin van Sheba. Jonge plantjes zouden geplant zijn op de vlakte van Jericho, waar het een van de schatten van het land werden. De balsem groeit alleen daar op 1 plaats.

Er is in ieder geval geen twijfel aan dat er lang geleden balsembomen te Jericho gegroeid zijn. Het gewas zou mogelijk al in Alexander de Groottes tijd al in Palestina en het Jordaan dal gecultiveerd zijn geweest.

De vraag is alleen of ze geplant waren in Salomons tijd. Theophrastus wist vaag dat ze groeiden in een vallei te Syri en vertelde dat er maar twee parken waren waar ze voorkwamen.

Bij de verovering van Juda werden ze bij de eerste de beste gelegenheid naar Rome gebracht door Pompe, waar ze in de straten van Rome voor het publiek tentoongesteld werden. Toen Titus Vespasianus Jeruzalem vernietigde, 70 na Chr., was deze struik ook onder zijn buit als een teken van de overwinning op de Joden. Een keizerlijke garde werd er bij gezet om ze voor vernieling te vrijwaren. Zij zijn daar gebleven tot de Moslimoverheersing in de 7de eeuw na Chr. Waar ze verwaarloosd werden en geen spoor was er meer te zien in de tijd dat de kruisvaarders kwamen, 1099-1244 na Chr.

Commiphora myrrha (mirre)

Als de bast beschadigd of doorboord wordt verschijnt er een dikke gom uit de opening die spoedig verhardt en van een roodbruine kleur is. De struik levert een gomachtige hars ter van een gedroogde erwt tot kippeneieren groot en van een geelbruine of transparant uitziende kleur. Dit medische middel heeft een eigen en aangename geur en bittere, kruidachtige smaak.

Volgens de mythologie was er een goedgebouwde en trotse koning, Theias, die in zijn hoogmoed dacht mooier te zijn dan Venus, de godin der liefde. Tot zijn straf zorgde de godin ervoor dat zijn dochter, Myrrha genaamd, van haar eigen vader hield zodat in het huis hoogmoed, jaloersheid, kwaad, zonde en laster woonde. Toen de vader in de gaten had dat zijn kind hem bedrogen had werd hij ontzettend kwaad en probeerde haar te doden. Die vloog, door de kwade vader achterna gezeten, over dal en heuvel, door bos en woud tot Arabi. Daar leek het alsof de vader haar inhaalde maar op hetzelfde moment dat hij haar grijpen wilde, verscheen de godin die de oorzaak van het kwaad was, en veranderde haar in een boom waartegen zijn woede niets uithaalde. In vertwijfeling greep de koning zijn zwaard en doorstak zichzelf om zijn schande niet te overleven. Myrrha was echter in verwachting van haar vader. Als boom schonk zij het leven aan een zoon, Adonis. Zij bleef echter huilen en haar tranen vormden sindsdien een kostbare hars.

Ook bij de Grieken was de mirreboom een symbool van bittere droefheid waaruit het ideaal van de manlijke schoonheid geboren werd, Adonis. De mooie Myrrha (Smyrna) huilt nog steeds tranen die geparfumeerd zijn van berouw.

 

Conium maculatum (gevlekt) gevlekte scheerling.

Conium kan ook uitgelegd worden van het woord kone, dat moord betekent. In het oude Griekenland werden vroeger misdadigers, filosofen (andersdenkenden) met het sap van deze plant uit de weg geruimd.

Deze scheerling is te Athene gebruikt geweest om de zeer wijze man en filosoof Socrates te doden, als Plato schrijft.

. (Dodonaeus) ヤScheerling is uitermate zeer verkoelend van aard en krachten, zoals Galenus betuigt. Daarom doen zeer onbedacht en onwijs al diegene die dat kruid op de klootjes van de jonge knechtjes of op de borsten van de jonge dochters leggen om de onmatige groei er van te beletten en te maken dat ze niet te zeer zwellen of groter worden dan het hun behoorlijk lijkt te wezen. Want behalve dat het oorzaak is dat die delen gemakkelijk tot een uittering of andere verdroging gebracht worden is het daarnaast dat het hart en lever zeer hinderlijk al wordt het maar alleen van buiten opgelegd, maar nochtans doet het  veel meer kwaad van binnen het lijf met spijs of drank ingegeven. Want, als Dioscorides verhaalt, scheerling moet gerekend worden onder het getal van de dodelijke dingen die de mens door zijn koude eigenschap het leven verkorten.

In het wild groeit de plant op ruige ruigtes, donkere kerkhoven. Op die plaats zou het door de duivel geplant zijn op de graven van de overwonnen zielen.

De melksap bevattende wortel bevat, met de stengel, het meeste gif. Zie Shakespeare' s Macbeth IV,1 de "root of hemlock digg'd i the dark". Het was een hoofdbestanddeel van het brouwsel van heksen. Uit de navel van een heksendochter ontspruit een gouden scheerling, door die scheerling herkent de moederheks haar dochter.

 

Convallaria majalis (in mei, de bloei) lelietje der dalen.

Heeft 2 mooie en zachtgroene wortelstandige bladeren die ei-, lancetvormig zijn, spits en gesteeld. Let er op hoe de jonge bladeren als een peperhuis zijn opgerold, zo wordt het regenwater naar de wortels afgevoerd.

Van het lelietje der dalen hangen de mooie witte en zoet ruikende, 5-13 klokvormige bloemen van ca. 8cm lang allen aan een kant van de stengel naar beneden in mei/juni. Je moet ze zoeken tussen de bladeren die hen als een mantel omgeven, het is nederig in mei.

Het lelietje der dalen is zo genoemd naar zijn oude Latijnse naam Lilium convallium. het Hooglied van Salomon zingt: "Ik ben een lelie der dalen". Het waren planten van een tuin met aangename vruchten. Ze werd als symbolen van Maria gezien. De witte geurende bloemen stonden voor onschuldig, kostbaar en zeldzaam.

De bloem van de H. Willibrordus is het blanke lelietje der dalen. Te Echternach zie je ze op zijn liggend grafbeeld, in zijn hand draagt hij een tuiltje van die bloemen en op de boordlijst van zijn graf zijn rozen gemaald.

De heerlijke klokjesgeur wordt gebruikt in de parfumindustrie.

De plant werd in verband gebracht met liefde en geluk en bovendien werd de plant gezien als symbool van maagdelijke reinheid. Het was al voldoende om deze bij zich te dragen.

Men ziet de bloempjes veel in bruidsboeketten naar het volksgeloof dat het plantje geluk brengt in de liefde. Geliefden dragen het bloempje als corsage of in het knoopsgat mee. Zoals men elkaar hier met Valentijnsdag een bloempje schenkt zo geeft men in Frankrijk vrienden en bekenden op 1 mei een tuiltje van de muguets. Op het fete des muguets of la journee du muguet is dit een bloemrijk middel om de vriendschapsbanden aan te halen. Door dit algemene gebruik trekken hele gezinnen naar buiten om de bloempjes te plukken, weg te geven of te verkopen. Velen geloven dat de meisjes die op deze dag een bloempje kopen het hele jaar geluk zullen hebben.  

Tegenwoordig is het karakter van de "gemeenschappelijke offergave" min of meer verloren gegaan. Men geeft een meiklokje of een tuiltje meiklokjes persoonlijk aan degene die men geluk wil wensen. Dit gebaar is een soort heruitgave van hetgeen men reeds terug vindt bij de Grieken en Romeinen en terzelfder tijd een actualisering van hetgeen men vroeger noemde "de taal der bloemen". Wat er ook van zij, het ritueel van het meiklokje is onverbreekbaar verbonden met de eerste dag van de maand mei.

Sommige studenten gebruiken dit water doorgaans om hun zinnen te scherpen, hun verstand te verkloeken, en hun memorie of gedachten sterker te maken, tot ヤt zelfde wassen zij hun hoofd met dit water, warm gemaakt. Sommigen doen ze op wijn om het geheugen te versterken, waar toe, dezelve niet alleen de hersenen, maar ook het hart bijzonder verkwikt, en versterkt. Sommige willen ook verzekeren dat deze meibloempjes het hart vermaken en verkwikken kunnen en de gebreken niet alleen van het hart, maar ook van de mond van de maag genezen op welke manier dat men ze gebruikt of inneemt.

Deze mooie bloem schijnen de ouden vergeten te hebben, het komt ook zeer zelden in Griekenland voor, hoewel veel in Itali. Toch werd het al wel gebruikt bij van diverse artsen als goed tegen gif, sterkt het geheugen, de geest en het hart, voor onmacht, verdrijft het sidderen van de handen en armen, blaaspijn etc. Toen was ze het symbool van de artsen. De grote Copernicus wordt met een meiklokje in zijn hand afgebeeld. Die afbeelding gaat echter terug op een uit het jaar 1541 stammende houtsnede, waarop Copernicus een meibloempje in de hand houdt. Ook andere afbeeldingen van artsen uit de 16deeuw laten meibloempjes zien, zo ook de Italiaanse arts Ulysses Aldrovandi en de Zwitserse arts Johannes Bauhin, het wapen van de Rostockse chirurg Mathias Brock in de 16de eeuw heeft een uit het hart ontspringend meibloempje. Duidelijk dat hij door dit wapen zijn beroep als arts wou aanbevelen.

Die gebruiken zullen wel niet uit de lucht gegrepen zijn, maar waar komen ze vandaan? E. Hirschfeld is er mee bezig gegaan en heeft ontdekt dat ze bij de artsen van de 16de en 17de eeuw groot aanzien had en gebruikt werd om hart en hersens te versterken, dat het in de 18deeeuw weinig meer gebruikt en dan geheel vergeten werd. Het is het symbool van de Franse farmacie en wordt op hun deuren en ramen afgebeeld. In 18de eeuw was het weinig meer in gebruik en op het einde van de 19de eeuw werd het herontdekt.

Toch kan men het lelietje der dalenwater niet ongestraft drinken. De rhyzomen werden wel in de apotheek verkocht en zijn giftig in grote dosis, in kleine hoeveelheid als hartstimulator gebruikt. Dit gebruik was al bekend in de middeleeuwen, later is het verdrongen door het vingerhoedskruid, Digitalis. De werkzame stof, Convallamarin, van het lelietje der dalen is echter binnen enkele uren afgebroken en heeft geen cumulatieve werking als dat van Digitalis.

 

Coprinus, inktzwam.

Deze groep vervloeit tot inkt en tenslotte is de hele boel verdwenen. Coprinopsis atramentaria geeft het meeste en donkerste vocht. De soortnaam zegt dat al die met atramentum: inkt, in verband staat. Het zou een zeer goede inkt geweest zijn die de O.I. inkt kan vervangen. Leg ze tot de staat van verwording in een schaal totdat ze geheel vervloeid zijn. Dan wordt het bovenste laagje eraf geschept en bij het bezinksel enkele druppels nagelolie en Arabische gom toevoegen.

Jong geplukt is die goed eetbaar, in combinatie met alcohol wordt hij giftig, hoofd en hals worden rood, er komen hartkloppingen, een rot smaak in de mond en braak­neigingen, maar verder valt het wel mee. Dezelfde verschijnselen doen zich voor bij Antabus, een ontwenningsmiddel voor alcoholisten. De stof coprine houdt de normale verbranding van alcohol in het bloed tegen zodat er een giftige opeenhoping van het afbraakproduct van alcohol in de lever ontstaat. Deze stof komt uit de paddenstoel en wordt bij drankverslaafden onder de huid binnengebracht. Op die manier kan het helpen om van drankzucht af te komen.

 

Cordyline fruticosa (struikachtig ). De lang gesteelde en lancetvormige bladen van 50-60cm lang en 5-10cm breed worden aan de basis en punt duidelijk smaller, ze zijn donker groen maar worden bij ouder worden steeds roder. Jonge bladeren zijn eerst ook wat roodachtig.

Geeft 40-60cm lange trossen van gele, wat geurende bloemen dat vervolgens rode bessen worden.

Komt uit tropisch zuidoost Azi, Nieuw Guinea, oost India, de Indische Archipel en Sandwicheilanden waar het gewas bekend is onder de naam Ti waar de wortels gegeten worden en de bladeren voor dakbedekking en kleding gebruikt. Het danskleed van Tonga is van ongeveer 20 bladeren gemaakt die over een tupenu gedragen worden en soms versierd met gele of rode bladeren. In oud Hawa dacht men haar grote geestelijke kracht toe, alleen hogepriesters en chiefs was het toegestaan om bladeren om hun nek te dragen tijdens zekere rituele activiteiten. Ti was aan de akker god Lono gewijd en werd bij religieuze ceremonies gebruikt. Dat geloof aan zijn sterke kracht zie je nog steeds, de plant wordt om de huizen geplant Ti bladeren werden gebruikt om er een krans van te maken en om de grenzen van eigendom te bepalen waarvan zijn andere naam stamt terminalis. Tot op deze dag planten sommige mensen van Ha付i de plant bij hun huizen om geluk te brengen. De bladeren worden ook gebruikt om van de lava af te glijden, een aantal worden aan elkaar gebonden waar de mensen van de heuvels af glijden, lava sledding.

 

Coriandrum sativum (gekweekt) koriander.

Terwijl de plant zeer onaangenaam ruikt is het zaad zeer aromatisch en is behulpzaam als toevoeging om specerijen te combineren. De aromatische bladeren en zaden worden na gedroogd te zijn, en de onaangename geur weggetrokken is, gebruikt in kruidenazijn, likeuren, kleren, sausen, vis en gebak, als koeken en speculaas. De vruchten werden door de suikerbakkers wel gebruikt om er suikererwten van te bereiden. Een vluchtige olie werd ervan verkregen die gebruikt werd voor parfums en jenever. Symbool van verborgen waarde. Om de scherpte wat te minderen werden ze vroeger wel eerst in wijn gedaan en daarna in azijn.

Het bekendst zijn ze wel als geboortemuisjes, waar de aromatische zaden bedekt zijn met een suikerlaagje die daardoor eirond worden. Bij de meisjes zijn ze meer kogelrond gevormd omdat die komen van de ronde zaden van de anijs, bij een jongens worden korianderzaden, die een staartje hebben, koriander, gebruikt.

 

Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: Beschrijving: baileyCornus, kornoelje.

De enkelvoudige bladeren staan meestal in kruisen of tegenovergesteld. Die bladeren bezitten een merkwaardige eigenschap waar je dit geslacht aan kan herkennen. Neem een blad en knik die doormidden. Trek vervolgens de twee helften voorzichtig van elkaar. Als de twee helften een halve cm uit elkaar zijn getrokken kun je het onderste blad loslaten. Dit gedeelte zal nu aan het bovenste gedeelte blijven vastzitten. Dit komt door de elastische vaatbundels, die nu zichtbaar zijn en mee rekken.

Cornus sanguinea (bloedrood) kornoelje.

Bladen zijn tegenoverstaand, eivormig en dofgroen met sterke sprekende 3-5 paar nerven, 4-7cm lang met toegespitste top. De onderkant van de bladeren veranderen in de herfst, als ze door de vorst geraakt worden, van olijfgroen tot spran­kelend rood.

Witte bloemen staan in platte trossen van 4-7cm breed in juni en juli. De staalblauwe bessen van 6mm in diameter verfraaien dit geheel. Het is een struik die in de schaduw kan groeien van druipende bomen en struiken.

De vrouwelijke vorm spreidt zijn armen horizon­taal of steekt ze omhoog in paren. De armen of twijgen zijn in herfst en voorjaar getint met rood, vooral aan de zonkant. De kleur valt het meest op bij de jonge twijgen. Om zoveel mogelijk van die rode twijgen te krijgen verdient het aanbeveling om de plant in maart zo diep mogelijk terug te snoeien.

Het is het vrouwtje uit de oudheid, de vrouwelijke kornoelje en Cornus mas is het mannetje.

Cornus mas (manlijk)

Bladeren zijn 5-8cm lang en eirond met toegespitste top, 3-5 paar zijnerven, glanzend donkergroen en van onderen iets lichter en aanliggend behaard. Verder wordt de struik gesierd door de fraaie herfstkleur en rode vruchten van 2cm. Op droge grond zal de herfstkleur het meest opvallend zijn.

In de winter zijn de tamelijk ronde en veel schubbige bloemknoppen duidelijk zichtbaar waaruit in februari/maart de zeer kleine gele bloemen in kort gesteelde schermen tevoorschijn komen. Ze zijn voor het grootste gedeelte mannelijk, terwijl de schermen omgeven zijn door kleine, gele schutbladen. De gele kornoelje siert het voorjaar op door zijn tooi van lichtend geel. Het fragiele bloempje is nietig en valt alleen op door de goudstralende kleur. Geeft bloemen op de wat ervaren, maar nog kale takken, teveel snoeien is niet zo gunstig voor de bloei.  De bloei en vruchtzetting is per plant wel verschillend, omdat ze van zaad gekweekt worden.

Laat zich gemakkelijk in allerhande vormen knippen en kan zo gebruikt worden om er levendige hagen van te maken, een haag waaraan je elke vorm kan geven.

Het mannetje is vast en hard van hout zoals deze onze kornoeljeboom en om deze en meer andere redenen zullen we deze kornoeljeboom voor het mannetje nemen want het wijfje schijnt de Virga sanguinea te wezen die ook wilde kornoelje  genoemd wordtユ. Cornus mas: de mascula van Linnaeus, betekent manlijk en dit vanwege het harde hout. Symbool van duurzaamheid.

 

Corylus avellana (uit de stad Avellana) hazelaar.

De bloei is al vroeg in het voorjaar, zo rond eind februari. Dan wordt de naaktheid van de takken gedekt door een dansend goudfranje, het eerste teken van het nieuwe natuurleven. De zachte gele kwasten staan als goudstrengen aan de takken. Als de staartjes in de wind zwaaien zweven de gouden wolken van vruchtbaarheid door de lucht. De mannelijk bloemen staan rechtop aan het bovenste deel van de takken en dragen een karmozijnrood kwastje. Die moet je wel zoeken. De zachtgele katjes zijn vaak de enigste kleur in de sombere wintertijd. Ze stuiven soms al als er nog sneeuw ligt die dan goudgeel wordt gekleurd. Het zijn de Engelse lambユs tail, de lammetjes staarten.

De zeer lange en buigzame takken, die zich in elkaar vlechten of worden gebogen, vormden de bercaux of loofgangen van vele oude tuinen.

De boom is een sprookje en volledig versierd met harten. De hazelaar behoudt zijn bladeren zelfs nadat andere bomen al ontmanteld zijn en geeft het bos dan een warme gloed, een warme kleur als de gloed van de morgenwarmte. 

De noten zijn vaak bedekt door de bladeren en slecht te zien. De vruchten liggen in een vruchtenomhulsel en zijn een lekkernij voor mens en dier. Door de harde schaal is die alleen te eten door grotere planteneters als Vlaamse gaai, eekhoorn, hazelmuis en wilde zwijnen. Soms zit er in de hazelnoot een klein gaatje; in zo'n geval is de kern opgegeten door de hazelnootboorder.

Over de hazelaar als symbool van vruchtbaarheid zijn vele verhalen in omloop. Als vrouwen bijvoorbeeld niet tevreden waren met hun mannen, legden ze een met vele noten behangen hazelaartak boven het echtelijke bed. In vele dorpen was het gebruik dat jonge vrouwen de zekerheid in verwachting te zijn, door een hazelaartak in de hand lieten zien.

Over "vrouw Hazel" wordt gesproken als een goede fee die met de meisjes als een vriendin sprak. Het is een breed bladerige als voor stille liefde geschapen struik. Een oud gezegde in Duitsland is, "in die haseln gehen", hetgeen liefkozen betekent. Wie van zijn geliefde niet het jawoord krijgen kon, moest alleen maar zorgen dat hij haar bij een hazelaar trof, dan was de bond gesloten.

St. Nicolaas strooit de noten, het symbool van vruchtbaarheid.

Verhalen over de hazelaar werden ook in andere landen verteld. Op kerstavond werden in het Engelse Northumberland door bruidsparen noten in het vuur geworpen. Als deze noten stillagen en tezamen verbrandden, dan werd het een gelukkig huwelijk; als ze uit elkaar vielen, dan betekende dat een ongelukkige, kraakte het daarbij, dan zou het in de toekomst kraken. In Frankrijk liet men nog lang op vele plaatsen noten voor het van het altaar komende paar vallen.

Vrijsters gooiden noten, met de namen van haar aanbidders, in het vuur met Allerheiligen om uit te maken wie van hen haar liefde waardig was. Degene die kraken of springen zijn niet te vertrouwen, zij die rustig liggen te branden zijn de ware.

In Shakespeare zegt Petruchio tot Catharian: "

("Kate, like the hazel-twig) Kate, is als een hazelaartak

(Is straight and slender, and as brown in hue) En recht en slank. Ze is bruin van kern

(As hazel nuts, and sweeter than the kernels) Als een hazelnoot en zoeter dan haar kern.

De belangrijkste betekenis van de hazelaar was zijn functie als wensroede, wichelroede. De wichelroede moest wel op een speciale manier gemaakt worden. Gewoonlijk snij je de wensroede van een eenjarige twijg af. Het snijden gebeurt op de voorgeschreven wijze, niet met een mes, maar met een scherpe vuursteen. Daarbij moet je snel handelen zodat de struik niet de tijd heeft om zijn geheimzinnige kracht uit de twijg terug te trekken en tegelijkertijd moet je de toverspreuk uit spreken.

Overigens moet nog aan een voorwaarde voldaan worden om succes te garanderen. Degene die de roede maakt, evenals degene die het gebruikt, moet namelijk ook nog in een zeker teken geboren zijn. Om de wichelroede te kunnen gebruiken moet men met de helm helm-geboren zijn. Bij gebruik moet de roede ook nog in een voorgeschreven houding worden vastgehouden, dat wil zeggen: van het lichaam af en voor zich uit. Als het gezochte dan daar is, buigt de roede zich naar beneden, hoe stevig je het ook vasthoudt. Die beweging wordt "slag" genoemd. Dit alles lijkt heel mystiek, maar er zijn toch mensen die de "straling" kunnen opvangen en de roede weten te gebruiken.

Corylus maxima (de grootste) Baardnoten of langbaardnoten naar de franje onder aan de noten. De bloedrode kern van de bloednoot zou eraan herinneren dat de hazelaarstruik de zweetdoek van de heilige Veronica, met de beeltenis van Christus, voor de mensen aan de kruisweg verborgen had. Toen Veronica het gezicht van Jezus afgedroogd had en met de kostbare doek wilde vluchten werd ze door de Joden achtervolgd. Die konden niet dulden dat het afbeeldsel van Christus in de toekomst bewaard zou blijven. De maagd liep in een hof en wierp de doek in een hazelaarstruik en vluchtte verder. De hazelaar liet al zijn bladeren vallen en bedekte zo de relikwie. Daarom zijn de hazelnoten, als ze rijp zijn, bloedrood.

 

Cotinus coggygria., pruikenboom.

Bladeren zijn 4-8cm lang en 3-5.5cm breed, donkergroen en van onder grijs/groen met een stompe afgeronde top, rand is gaaf en doorschijnend. Jonge twijgen groeien opgaand en zijn olijf/groen tot violet/bruin, glad en aan de top iets berijpt

Groen/violette bloemen staan in grote pluimen in mei, die voor het grootste deel onvruchtbaar zijn en afvallen, waarna de met lange haren bedekte bloemstelen zich sterk vergroten zodat de struik dan met een pruik of rook bedekt lijkt te zijn. In de nazomer wordt het gewas zo beneveld en omhuld door een wazige rookwolk. Symbool van prachtige geestelijke schoonheid.

Als die optrekt verschijnt het prachtige ovale blad dat dan een briljante herfstkleur van licht groen tot oranje en gloeiend scharlaken aanneemt.

 

Crataegus, meidoorn.

De inlandse meidoorn is het symbool van de Hollandse voorjaar, als de aarde een sprookje is en het leven een vreugde. Symbool van zoete hoop. Een bloeiende meidoorn is een pracht, mooier dan een Japanse kers en vol beladen in wit, soms in roze of in rood. Geen blad is meer te zien, de takken buigen door.

 De meidoorn is geen bosreus maar een kleine bladverliezende boom van hoogstens 7m. of grote struik. De kroon staat in het winterse silhouet als dooreen gevlochten terwijl die in de meest gevallen meer breed dan hoog is. De meidoorn geeft in de winter een mengeling van donkerbruine takken als een zwarte spot in het landschap. Zijn stam is vol kwasten, de schors is dik en doorgroefd en in de lengte doorploegd met rimpels zodat ze een eerwaardig en bejaard uiterlijk heeft. Zijn wortelgestel is niet uitgebreid waardoor de boom vaak scheef waait. De lichte kleur van zijn bast, een bruine schaduw tot rood alsof er bloed in zijn aderen stroomt, het verschil met de slee. Het is een boom van Mars.

De meidoorn is al op jonge leeftijd eerwaardig want veel ouder dan honderd vijftig jaar wordt deze boom niet. In mei wordt deze eerbiedwaardige patriarch overdekt met een weldadig witte hoofdbedekking wat past bij zijn status. De boom is een feest voor de ogen, met sneeuw in mei die op wintersneeuw lijkt ofschoon het sneeuwt als het alle dagen warmer wordt.

Het prachtige en delicate groen van de ontluikende bladeren geven het een groen symbool van voorjaar. De bloemen ontluiken als zilveren bollen in zettingen van emerald. De kleine en tere roosjes worden gewiegd in de jonge blaadjes zodat de boom gekroond wordt met het diadeem van de mei. De meiboom is dan bekleed met de bruidsluier, het bruiloftskleed die in de bruidsnacht een sneeuwval van bloemblaadjes geeft.

De geur is bijzonder, een geheimzinnige mengeling van odeurs en zweemt tussen honig en drek in en trekt vliegen aan, maar wordt ook besnuffeld door duizenden bijen. De bloem heeft een warme en zware reuk dat sommige mensen herinnert aan een doodskamer. Lange tijd geloofde men dat de meidoorn de geur van de Grote Plaag, die Londen teisterde, bewaarde. Botanisten verhalen dat het een substantie bevat, trimethylamine, die ook gevonden wordt in rottende vis.

Het was op een meidoorn dat Maria de luiers van haar kindje droogde. Daarom ruiken de bloemen zo goed. Ze verspreiden ook vaak een pisreuk, om dezelfde reden.

Na de huwelijksnacht zwelt de vruchtbodem op en wordt in de herfst karmozijnrood geverfd.

Voor iedereen symboliseert de meidoorn de verandering van het voorjaar in zomer. De meidoorn spreekt over seks en vruchtbaarheid die zoveel mogelijk beschermd moet worden in deze kritische tijd. De beschermende planten waren van oudsher de meidoorn en in hogere gebieden de lijsterbes. In Frankrijk werd de boom voor de ramen van de jonge meisjes gezet. De zoete geur van de bloemen maken een suggestie van seks.

Die boom was een bezield wezen, de ziel van het voorjaar en de vruchtbaarheid woonde in die boom. Bij de meifeesten haalde men die boom in een optocht uit het bos met zoveel mogelijk spannen en wagens met ossen ervoor als om aan de boom te laten zien hoe zwaar men de oogst in gedachten had. De boom werd met water besprenkeld wat zou helpen voor voldoende regenval. Na geplant te zijn werd die versierd met linten, eieren, het symbool van leven en groeikracht. Soms kwam boven op de boom een haan te staan, het symbool van vruchtbaarheid.

Een van de vormen van de meiboom was de oprichtingsboom die geplant werd bij de bouw van een huis.

De oprichtingsboom bij bouw van een huis was een boom die met eieren, bonte linten en dergelijke versierd was, waarin vaak geld opgehangen was, het drinkgeld, dit geld werd ook wel gekregen van de bouwbaas. De boom werd onder muziekgeschal feestelijk rondgeleid en aan het huis vastgebonden. In de kransrede wordt aan de vrouw van de eigenaar gevraagd om deze boom tot de aller zwaarste te maken.

Dit is een gebruik dat nog steeds in stand wordt gehouden als er een nieuw huis wordt gebouwd, zo gauw als men de nok bereikt wordt er een tak opgeplant. Dit symbool van het nieuwe leven werd dan ook ingewijd, waaruit de meiwijn en het zogenaamde pannenbier is ontstaan.

Onze voorouders vierden hun meifeest ter eren van de overwinning van de zomer op de winter met het planten van een meiboom als symbool van vruchtbaarheid. In voor Christelijke tijd dacht men de meiboom als zetel van de vegetatie geest. (zie Betula) Later gold de meiboom als teken van verering. De jeugd zorgde voor een versierde boom voor het huis van de schoolmeester, die wel begreep dat het hun om een vrije dag te doen was. Ook was er eigen belang bij als de schutters hun meiboom plantten voor de kolonel van de schutterij. Ze hoopten toch op een feestelijk maal of tenminste een geldelijke beloning. Vooral in Den Haag had de bevolking plezier in het planten van meibomen, door diegenen die ze eer wilden bewijzen. Tot 1795 werden elk jaar de meibomen geplant voor de Staten van Holland, de Staten Generaal en de prins van Oranje. Gebruikelijk was het een wimpel, met een Latijnse opschrift, aan de boom te bevestigen. Het meeste bekijks hadden bomen ヤs avonds als de kronen met kaarsen verlicht waren. Ook in andere plaatsen was het feest rond de meiboom. Zeer bekend was in de middeleeuwen de meiboom die elk jaar voor de abdij van Rijnsburg, een rijk vrouwenklooster bij Leiden, geplant werd. De abdis, met talrijke vooraanstaande genodigden, kwamen op de eerste meidag kijken naar het dansen en zingen van de dorpsjeugd rond de met klatergoud, koek en eieren versierde boom. Waren de dansers tenslotte moe gedanst, dan werden ze onthaald op een vaatje kloosterbier en andere versnaperingen. Het meest bekende liedje, dat sinds eeuwen bij het lentefeest gezonden wordt, is メHei, ヤ t was in de meiユ, waarvan het eerste couplet luidt:

Daar ging een patertje langs de kant

Hei! ヤt was in de mei!

Hij vatte een nonnetje bij de hand

Hei! ヤt was in de mei

Zo blij

Hei! ヤt was in de meiユ.

 

Crithmum maritimum (van de zee) zeevenkel.

Het kruid groeit bij zee rotsen en was daarom goed tegen nierstenen. Met een zekere hoeveelheid zout leverde het de "fearful trade" van Shakespeare, King Lear iv, 6,16, waar de klifmensen het kruid verzamelen, hangend en wel over de rotsen. ヤThere is a cliff, whose high and bending head.

Looks fearfully in the confined deepノ.

The crows and chougs that wing the midway air.

Show scarce so gross a as beetless; half way dawn.

Hangs one that gathers Samphire, dreadful trade!ユ

Door een touw aan de rotsen vast te maken waaraan een man afdaalde. Daar zijn er wel die hieraan afvielen. In 1823 was er een die dit wilde doen en dat al 40 jaar gedaan had. Hij vertelde de bezoekers over Shakespeare en King Lear, en zei vrolijk dat hij een koning was in zijn domein, want niemand begeleidde hem op die tocht. Het touw gleed opeens weg.

 

Crocus sativus (gekweekt, tam)saffraan.

De specerij saffraan heeft een bruinrode kleur, ruikt intensief verdovend en smaakt bitter kruidig en is zeer hygroscopisch en voelt vettig aan. Het wordt gebruikt in de in Europa bekende gerechten als Bouillabaisse, Risotto en Paella.

Saffraan is die gele kleur die op oosterse tapijten zo sterk tot uitdrukking komt. Vanwege zijn goudkleur werd het gebruikt als goudvernis en verwerkt in goudbroden, goudrijst, het kleuren van kaas etc. Vanouds werden hier de gordijnen er roomkleurig mee geverfd. Nog wordt saffraan gebruikt door kanariekwekers, ze kleuren geler als je ze met saffraan voert. Vanaf de elfde eeuw was het bovendien de kleur waarmee de Joden zich kenbaar moesten maken. De gele Davidster uit de laatste wereldoorlog ligt ons nog vers in het geheugen.

De rijke Arabieren verven nog hun ooglid, vingertoppen en tanden goudkleurig als teken van welstand. Het was een van de kastentekens van India, het teken van de rijken. Er wordt verteld dat als de radjaユs zagen dat ze de oorlog verloren hadden ze hun saffranen staatskleren aantrokken en hun ongelukkige vrouwen meenamen en zich lieten verbranden. De oude Egyptenaren omkransten hun wijnbekers met zijn bloemen en gebruikten het in hun religieuze rites.

Propertius zag het als een teken van degeneratie dat de Romeinen zo dol waren op saffraan, dat als ze naar een banket gingen, biddende dat hun haar drie maal gebaad zou zijn met saffraan. Hij verhaalt tevens dat de Italiaanse vrouwen hun haar kleurden en de priesters hen waarschuwden dat de vlamkleur een voorteken was van de komende zuiveringsvuren. Rijke Romeinen strooiden saffraan op hun huwelijksbed, mogelijk een verklaring voor de Latijnse spreuk dormivit in sacco croci (hij sliep in een bed van saffraan) waarmee een toestand van onbezorgde heerlijkheid beschreven werd.

Voorjaars krokus.

Het is van de eerste gewassen die een heldere kleur geeft, het voorjaar verlicht en de mensen weer vrolijk maakt. Een plezierig eigenschap is, dat als je de Crocus ziet bloeien dat dan de zon schijnt, ze bloeien namelijk alleen met zonneschijn.

De voorjaarskrokus, vooral de zogenaamde grootbloemige Hollandse soorten in al hun kleurvariaties, maar ook de Hollandse gele Crocus is een begrip. De krokussen zijn zeer rijk bloeiend en groeien compact. Ze zijn geschikt voor perken, in het gras en voor verwildering onder struiken. De verwildering is maar beperkt en een enkele Crocus zaait zich goed uit, meestal worden de bosjes steeds dikker door de aanwas van bijbolletjes.

De Crocus is maar een bescheiden gewasje, vergeleken met de pracht en grootte van zijn broers. Maar de Crocus werkt met verfijnde middelen en heeft een bloem als een fijn geslepen glaasje dat in het voorjaarslicht fonkelt als het wit van de Mont Blanc, in het geel als een kanarie, in blauw als een Delft blauw kannetje, in purper als een koningsmantel.

ユLuteusユ is de Hollandse Grote, Geurloze, Gloeiende Gele krokus.

Deze Crocus heeft eigenlijk geen rivalen. Het is de bekende populaire gele, met het geel van glanzend koper. De blijdste van alle voorjaarsbloemen die met zijn zonnige gezicht lacht naar de vrije hemel. Het is de bloem van Aurora die niet alleen de kleur weergeeft van het vroege morgenlicht zoals de zon in het oosten opgaat en je omstraalt met een gouden schijf, maar ook een van de zoetste lenteboden. Dit is de Hollandse gele Crocus met een kleur als een kanarie.

 

Cucumis sativus (gekweekt) komkommer, een algemeen bekende kromme vrucht.

De plant heeft hoekige stengels en harige windgevoelige 3‑5 lobbige bladeren.  De gele bloemen worden gevolgd door lange vruchten, de komkommer of met kleine, korte vruchten, de augurk. Ze worden vervolgens in azijn geconserveerd, met wat zout en kruiden als  peperkorrels. Dan zijn ze bekend als ヤzure bommenユ.

Culpeper spreekt, vanwege de koudheid, van de komkommers als een gewas van de Maan. Een Engels gezegde is: "zo koel als een komkommer". Diphilius, 300 v. Chr., spreekt aldus: "De Grieken hebben een spreekwoord, dat men de komkommers voor de Spinsters moet laten, omdat de Spinsters meestal, zo men Aristoteles geloven mag, geilig en onkuis zijn. Nu de komkommers hebben de kracht om die brand te verkoelen."

In Engeland werden de komkommers eeuwen lang niet gebruikt naar het bijgeloof dat hun natuurlijke koude een voorbode was van de dood en zou elke mens doden die gek genoeg was om hem te eten.

Sauregurkenzeit, de komkommertijd is een schertswoord voor Berlijner kooplui in de stille zomertijd. Vergelijk Zelters brief aan Goethe, 19 juli 1828: メHier zu Lande geht es eben etwas mager her; die Kaufleute nenneユs die Sauergurkenzeitモ. Augurken waren in die tijd het lievelingseten van de Berlijners. Sinds 1850 werd het de naam voor de moeilijke zomertijd. Vergelijkbaar is de grote kruisbessentijd van de Fransen, de Engelse season of the very smallest potatoes, cucumber time en onze komkommertijd.

 

Cucurbita pepo (rijp, van Grieks voor koken waarmee een doorgaans rijpe en gelijk gekookte en vandaar weke en gezwollen vrucht genoemd werd) kalebas, courgette.

Het is een soort pompoen die vol zaden zit, vandaar dat Cucurbita bij de Romeinen ook gebruikt werd als voorbeeld van een domkop. Het is ook mogelijk dat wij met de uitdrukking "Jan Kalebas" oorspronkelijk een leeghoofd of een windzak bedoelen, iemand van weinig betekenis. Op een spotprent uit de gouden eeuw vinden we, na de nederlaag van de Spanjaarden bij Duins in Brabant, "het droevigh afscheit van Don de Calabassa uit Vlaanderen na Spagnien." Symbool van domkop, leeghoofd.

 

Cupressus sempervirens (altijd levend, blijft altijd groen en kan 2000 jaar oud worden) cipres.

De cipres is een van de duisterste onder de donkergroene bomen. De boom is algemeen in gebruik bij begraafplaatsen, heeft ook een verbinding met de zonnereligie.

Vondel, De Leeuwendalers;

ヤ....Men zal uw zerk rondom beplanten met cypressen

En wensen dat ze in het graf uw minnevuur mag lessenユ .

De cipres is een levende vibrerende zuil van mysterieus groen. In warme luchten is het de formele piramide van een cipres die torent als de spits van een kathedraal die naar de hemel jaagt. De vruchtloze cipres betoverde het gemoed door zijn piramidale hoge groei die haar het zinnebeeld van de zonnestraal en vlam heeft gemaakt, terwijl haar edel en alles overlevend hout met dat van de ceder het meest gezochte tot versiering van de paleizen en het degelijkste voor de oudste scheepsbouw in de Middellandse zee werd. Ze is als een vermaning om het aardse leven vaarwel te zeggen.

Bij de Grieken was ze ook de boom van Hades en moest, evenals de meeste bloemen en bomen uit de onderwereld, niet op de gewone manier maar van mythische oorsprong zijn.

Ze was gewijd aan het Noodlot, aan de Furi創, aan Proserpina en vooral aan Pluto. De cipres was aan Pluto, de god van de onderwereld, geheiligd. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt doordat het hout van de cipres als immuun tegen rot werd beschouwd en gebruikt voor kisten in de huishouding en doodskisten. Een cipres voor het huis geplaatst was een teken dat er een dode was, evenzo plaatste men ze bij brandstapels en op graven. In de tijd van Augustus waren de brandstapels en lijkenaltaren algemeen omringd door cipressen. Het was de treurboom van de begraafplaatsen, ヤTristis Cupressusユ.

Maar ze was ook het zinnebeeld van de uit de aarde voortkomende eeuwige verjonging van de natuur, zodat men leven en dood in haar meende te zien. Bij de offers die 's nachts aan Pluto werden gebracht droeg de priester een krans van cipressenloof. Omdat nu ernst en droefheid in haar verenigd waren lag er een diepere zin in de mening dat Amor de pijlen uit cipressenhout sneed die hij naar de aarde slingerde om liefdessmarten voort te brengen. Alleen de gouden pijlen uit zijn koker brachten geluk aan.

De scepter van Zeus stelde men zich ook voor als van dit hout gesneden, omdat hij heer was over leven en dood. Symbool des doods. Cipres en Calendula samen zijn het symbool van wanhoop en melancholie.

De Grieken bedienden zich van cipressenhout bij het verbranden van lijken om door haar  geur de onaangename brandlucht te verdrijven.

 

Cuscuta, warkruid.

Opvallend is dat de kiemplant geen zaadlobben bezit zoals andere tweezaadlobbigen. De kieming is gewoon in de grond en vormt daar in het begin nog wat worteltjes en een stengeltje dat al wel zo stevig is dat het andere planten al in een greep kan houden die dan belemmert worden in de diktegroei. Is er geen geschikte plant in de buurt dan valt de kiemplant op een gegeven ogenblik weer terug naar de grond waar het weer een plant kan raken. In het slechtste geval komt het kiemplantje op de kale grond terecht, de groei houdt dan op. Zo kan het plantje wel een paar weken blijven liggen zonder te veranderen, na die tijd kan er wel een plant zo gegroeid zijn dat die het kiempje raakt of er vlak langs groeit waarna het zich er direct omheen wikkelt.

Nadat die wurggreep is uitgevoerd ontwikkelt het verscheidene worteltjes in de stengel van de gastplant waaruit het zijn vocht en voeding haalt, zijn eigen wortels worden dan ook overbodig en laat die los.

Duivelsnaaigaren of warkruid zijn planten die uit alleen maar stengels lijken te bestaan of een kluwen stengels zonder bladeren, want het plantje parasiteert op zijn gastheer. De duivel spon het warkruid om de klaver te vernietigen, de klaver was geschapen door God, het warkruid was de duivelse tegenhanger. Symbool van "zonder inkomsten, het is ook het symbool van gemeenheid.

Het is een moordenaar. Met fijne vleeskleurige draden omwoekert de plant het klaverveld als een poliep in de zee, de fabelachtige monsters waar de ouden zo bang voor waren. Het warkruid plaatst honderden zuignappen op de omslingerende plant en zuigt het uit. Een onnutte plant die leeft van roven en stelen, geeft geen bladeren maar wel bloemen en vruchten. Wortelloos als het is kan het niet uitgeroeid worden en brengt het vlas geheel in de war en maakt het onbruikbaar. De omslingerende plant legt daardoor na verloop van tijd wel het loodje. Zo'n plant die ten koste van anderen leeft moet wel iets met de duivel van doen hebben en men zag hier het naaigaren van de duivel in.

 

Cyclamen.

Uit de schijfvormige knol verheffen zich de mooie donkergroene, wit gevlekte en van onderen rode en niervormige, dikke, gaafrandige tot zwak gekartelde  bladeren. In de herfst verschijnen de vele lang gesteelde knikkende bloemen die een eigenaardige vorm bezitten met een fijne geur. De kleur is karmijn tot roze of purper, vaak met donkere nerven en wordt meestal donkerder naar de basis toe.

varkensbrood, een vertaling van middeleeuws Latijn panis porcinus: varkensbrood,  omdat die dieren het eten. Is giftig, 10 gram zou voor de mens dodelijk zijn, voor zwijnen niet, wel weer voor vissen.

De cyclaam was een model voor de Jugendstil, dit vanwege de zachte en vloeiende bloemvorm, de hupse, ronde bladeren met de fijne tekening en de zachte, licht gebogen stengel met tedere bloemkleuren. Symbool van bedeesdheid, bescheidenheid.

Het is de haan van de bergen, zoals de Arabieren de plant noemen. Een vreemde bloem met een teruggebogen hals, gedraaide bloembladen en een rood oog die naar beneden kijkt alsof ze verwacht dat er in de aarde schatten verborgen liggen.

De cyclaam is opgedragen aan de Maagd vanwege het zwaard van pijn die haar hart doorboort, dit wordt gesymboliseerd met de bloeddruppels in het hart van deze bloem. Om dezelfde reden was ze ook bekend als de bleeding nun.

Hun schoonheid, medisch gebruik en lichte toegankelijkheid hebben er toe geleid dat ze veel verzameld werden. Op 6-5-1900 was er al een verordening ingesteld tegen uitgraven en afplukken.

 

Cydonia, kweepeer of kweeappel.

Cydonia is genoemd naar de havenplaats Cydon, nu Chania, te Kreta.

Dit is meer een grote en uitstaande struik of kleine, kromme boom van 3‑7m. met spreidende en ver uitstaande takken.

De witte bloemen zijn groot en soms overwaasd met een blos roze, alleenstaand (de ander in trossen) bloeit in mei aan het eind van vorig jaar gevormd hout, 4-5cm in diameter. Hierop volgt een appel/peervormige en groen/geel/gouden vrucht, die met een wolletje of katoentje bedekt is. Het is een vrucht die zeer aangenaam ruikt.

De goudgele en heerlijk ruikende vrucht werd als genotmiddel hoog geschat. Aristoteles zou op sterven liggende, het leven nog verlengd hebben door de geur van de kweepeer. De adem werd met de reuk van een appel vergeleken, zie Hooglied 7: 8. "de geur van uw adem zij als appels".

Kwee heet in Engelse quince, (Shakespeare in Romeo and Juliet iv,4,2: "They call for dates and quinces")

In Amerika is quince echter een scheldnaam, zoveel als zuurpruim, en kweene of kwee is bij ons een verachtelijk woord voor wijf, bij de Engelsen een hooggeplaatste vrouw, The Queen.

De Cydonische appel zou de liefdesappel van de oude Grieken zijn geweest, een symbool van vruchtbaarheid, liefde en geluk en daarom aan Aphrodite gewijd. Beverwijck, "Kwee is van liefelijke reuk en daarom gebood de wetgever Solon, (639-559 v. Chr.) dat alle jonge dochters eer zij met haar bruidegoms te bed gingen om in deze vruchten te bijten om daarvan een goede adem te behouden". Solon bekrachtigde het oude gebruik, dat de bruid, voor ze het bruidsvertrek betrad, eerst een Cydonische appel at om zich daarmede symbolisch aan de dienst van Aphrodite te wijden. Aphrodite wordt dan ook afgebeeld met kwee創 in haar hand. De Griekse bruid hield een kweepeer in haar hand als symbool van vruchtbaarheid en bood het haar man aan als teken dat ze van haar plicht bewust was.

Volgens anderen moest dit gedaan worden om aan te tonen dat de vrouw menig keer ter wille van haar man in een zure appel moet bijten. Soms zegt men dat ze in de bittere appel moest bijten om zo op de bitterheid van het leven voorbereid te zijn. 

Het was niet alleen een symbool van de huwelijksliefde maar ook van de liefde die alle mensen moest verbinden. Een spel bij de feesten van de godin was een spel met deze vruchten dat gespeeld werd tussen mannen en vrouwen. De man neemt de vrucht, kust die werpt hem naar een vrouw, die op haar beurt, de vrucht kust en hem naar een ander werpt en zo verder. Vandaar het spreekwoord: "appels zijn lieflijk en wekken liefde". Plutarchus vermeldt dat de Griekse bruid aan een kwee knabbelt om haar kussen te parfumeren voordat ze in de bruidskamer komt., zodat de eerste begroeting niet onaangenaam of onplezierig zal zijn".

 

Cynoglossum, hondstong.

Het heeft vele zachte en wat lange bladen. Door de vele haren is het blad van een dode grijze kleur voorzien. Lagere bladen zijn elliptisch en gesteeld, de bovenste lancetvormig en versmallend onderaan, wat hartvormig en half de stengel omvattend.

Hieruit rijst een ruige en harige stengel van een halve meter op die zich aan de top in diverse delen vertakt.

Hierop komen donkerkleurige bloemen in juni tot augustus. Samen is het een doffe kleur die omringd wordt door een sterke muizengeur.

Cynoglossum is een samengesteld woord, het Griekse kyon (in Latijn canis) is de bekende hond, en glosse is een tong en zo wordt het hondstong.

Albertus Magnus; ヤAls je dit kruid met het hart van een jonge kikker en zijn baarmoeder doet waar je wilt zullen na een tijdje alle honden van de hele stad zich daar verzamelen. En als je het voor vermelde kruid doet onder de voorste tong zullen alle honden zwijgen en zullen geen kracht hebben te bassen. En als je het voor vermelde ding in de nek van een hond doet zodat hij het niet kan aanraken met zijn mond, hij zal altijd ronddraaien zoals een draaiend wiel totdat hij op de grond als dood valt en dit is geprobeerd in onze tijd.ユ

 

Cyperus papyrus (papier leverend)

De papierplant heeft sterk kruipende wortels en vormt daardoor een ondoordringbaar bos in waterige gronden.

De plant kan een 3m groot worden, met aan de onderkant wel armdikke en driekantige, donker groene, blad loze halmen.

Aan de top zitten enkele schutbladen en een dichte pru