Quercus.

 

Eik.

 

Beschrijving: Cliquez pour voir l'image en taille réelleEiken zijn ornamentele bomen, zelden struiken. Ze worden gekweekt vanwege de mooie bladeren en interessante vormen.

Ze zijn bladverliezend of bladhoudend en verschillend gevormd.

De mannelijke bloemen staan in slanke en hangende geel/groene katjes met zeer velen bijeen. De vrouwelijke bloemen staan met weinig bijeen en zijn door een napje omgeven

Hoe lang er al eiken op de wereld zijn wordt wel bewezen door de vele fossiele soorten die er beschreven zijn, zoals onder andere de verwante soort van de steeneik uit het tertiair. (400 000-100 000 jaren geleden)

Fagaceae, Cupuliferae, napjesdragers.

Meer dan 450-600 soorten zijn bekend en wijd verspreid door de koudere en gematigde streken van het noordelijk halfrond en in de bergen van de tropen. Het geslacht is verdeeld in diverse secties, 450 soorten behoort tot de sectie Quercus en 150 sectie Cyclobalanopsis.

Het geslacht wordt meestal in 3 subklassen verdeeld, dit naar het aantal schalen dat de eikenschaal omgeeft.

De subklasse Cyclobalanopsis, met concentrische ringen, heeft zijn verspreidingsgebied in Azië.

Uit Fuchs.

Sectie Lobatae, rode eiken, red oak, Roteichen  (sectie Erythrobalanus). Noord, centraal en Z. Amerika, eikels groeien in 18 maanden, zeer bitter, binnenkant van de schaal is wolachtig.

Groep Rubrae.

Bladeren zijn meestal bochtig of veerlobbig gelobd die in de herfst scharlakenrood worden. Vruchten rijpen in het tweede jaar.

 

 

 

 

 

 

 

1.           uit the North American sylva.

Quercus rubra, L. (rood) Het grote blad, 20cm, is te herkennen aan de scherpe punten en het feit dat die het breedst is boven het midden. Donkergroen en onder lichtgroen met baarden in de nerfoksels, veerlobbig met 4-6 paar puntige en soms tot op de helft van het blad ingesneden lobben.

Vrucht is ongesteeld en bijna rond.

Het is een stijve boom met een majesteitelijk voorkomen met gewoonlijk een breed rond hoofd met een open kruin en wijd uitstaande, zware takken. De boom wordt een 25m. hoog.

Deze Amerikaan houdt niet van kalkrijke gronden en werd daarom in zure gronden aangeplant waar andere bomen en eiken het moeilijk hebben. Ze bleken ook slecht tegen de wind te kunnen, vooral zeewind, en groeien gemakkelijk krom. Ook kleigrond waarderen ze niet.

Hun vorm is ook niet zo mooi als onze eik, de kroon is zelfs vrij dun. Kan heel goed tegen schaduw, ondergroei in bossen en industriegassen.

Vermeerderen door zaad, de var door enten op palustris.

’Aurea’ heeft in het voorjaar goud/gele of brons tinten dat later in lichtgroen over gaat.

de northern red oak of Amerikaanse eik groeit van Nova Scotia tot oostelijk Minnesota, zuid tot Arkansas en noordelijk Georgië. Is in Engeland ingevoerd in 1724 en bij ons in 1825 omdat die sneller en op mindere gronden groeit dan onze eik.

 

Naam.

Amerikaanse eik of rode eik, Engels red oak, Northern red oak, champion oak, Franse chene rouge d’Amerique, Duitse Amerikanischer Roteiche.

Ashford oak is een zeer grote ook te Ashford, Connecticut, stam is 8m omvang met indrukwekkende worteluitlopers. Groeit in Giant Oak Lane off U.S. Highway 44 waar meerdere oude eiken in de omgeving staan. Chase Creek red oak, groeit in een bos bij Anne Arundel County, Maryland met een omvang op borsthoogte van 6.7m en 41.5m hoog en spreidde 29.9 m.

 

Gebruik.

De kleur van het blad is in het najaar wel mooi, rood bruin. Wegens die sierwaarde wordt het blad gebruikt door de bloemisten. Het taaie blad verteert maar slecht op straat en veroorzaakt gladheid. Ook in de bossen verteert het slecht waardoor de ondergrond zuur en slecht wordt en men de Amerikaanse bospest importeerde. Die groeit weer te goed zodat men nu bestrijdingsmiddelen gebruikt.

Het hout is grof, minder dicht van structuur en niet gemakkelijk te verwerken. Het hout is geschikt als dwarsligger. Als mijnhout zou het geschikt zijn omdat het tijdig waarschuwt, het kraakt als er werking zit in de onderste lagen.

Folklore.

Wyot, de zoon van Nacht en Aarde, beschermer van alle dingen vertelde zijn dood tien maanden voor zijn heengaan, “als de grote ster komt en het gras hoog is”. Hij bad zijn volk om manden voor zijn as te maken, want hij had het hun geleerd. Toen ze zijn lichaam verbrandden en de tijd van treuren begon, leed zijn geest niet van het vuur, het steeg op naar de hemel en werd de maan, of in een andere versie een heldere ster,  waarschijnlijk de Vega.

De kikker was toen een schepsel aardig om naar te kijken met wit vlees en rode grote ogen, maar wel met dunne en lelijke poten. Het gezicht van mensen met mooiere benen maakte hem jaloers en hij wilde hen beschadigen. Toen Wyot dan eens aan het drinken was vervuilde hij het water en spuwde er driemaal in. Wyot dronk het water en werd ziek en stierf zoals hij had gezegd in mei met de belofte dat uit zijn as een kostbare gift zou ontstijgen voor al zijn kinderen. Terwijl zijn ziel naar de hemel ging werd zijn stoffelijk deel een eik. Ze zagen dat die mooi en sterk was, de mensen die de boom beschermden zeiden tegen de kraai: ‘Ga naar de grote ster en vind Wyot zodat we weten wat we allemaal met de boom kunnen doen”. De kraai vloog hoog maar kwam terug, dan ging de adelaar maar die kwam ook zonder boodschap terug. Alle vogels waren onbekwaam en niemand was sterk genoeg om de ster te bereiken. Eindelijk kwam de bij en die vloog van de aarde met een snelheid en rechtheid van een pijl. Na enige dagen kwam die terug en bracht de woorden van Wyot mee: “ De boom die ik jullie heb gegeven is voor de voeding van jullie alle en dieren en vogels. Maak meel uit zijn vruchten wat kan dienen tot koeken”. Zo werd het eikenlfeest een jaarlijkse gewoonte.

2.           uit The North American sylva.

Quercus palustris, Münchh. (van het moeras) Het blad is smal gelobd, niet zo spectaculair als de rubra. De 8-15cm lange bladeren staan aan de hangende takeinden. Met 2-4 paar sterk afstaande en diep gespleten lobben  In het voorjaar zijn ze geel of bronskleurig getint en later glanzend donkergroen en aan de onderkant met vrijwel dezelfde kleur en duidelijk zichtbare haarbundels in de oksels van de nerven. Heeft, zoals vele Amerikaanse loofhoutbomen, prachtige herfstkleuren.

Knoppen zijn 2-4mm lang en spits.

Zittende vruchten zijn zeer klein en breed eivormig.

De moeraseik geeft een rechte stam en vormt met de vrij dichte kroon een volle en piramidale boom van 15-25m.

De bast blijft veel langer glad dan bij andere eiken.

Houdt hier toch niet van moerasachtige grond, ook niet van droge grond en zeewind. De moeraseik is gemakkelijk te verplanten, dit in tegenstelling tot andere eiken die vanwege de diepe tapwortels moeizaam te verplanten zijn.

De moeraseik groeit vanaf westelijk Connecticut tot Iowa (buiten New York) zuid tot Arkansas en Virginia. Deze stoere moerasbewoner kwam in 1805 vanuit Amerika naar ons land. In 1770 was het echter al bekend in Duitsland.

Naam.

De moeraseik groeit aan de boorden van stroompjes, rivieren en moerassen. Groeit hier niet in het moeras, wel op vochtige, niet kalkhoudende gronden.

Duitse Sumpf-Eiche, Spree-Eiche, Boulevard-Eiche, Nagel-Eiche, Spiesseiche, Engelse pin oak omdat er veel dode, penachtige takjes op voorkomen, of omdat het hout gebruikt werd om er pins van te maken, pinnen in schoenen.

Engels swamp Spanish oak, Franse chene des marais, Duitse Sumpfeiche.

3.           Uit the north American sylva.

=Quercus coccinea, Münchh. (besrood) is te onderscheiden van de vorige twee doordat de bladeren aan de onderzijde geheel kaal zijn. In vorm van het blad staat hij tussen de andere twee in, 10-17cm lang en dieper ingesneden dan rubra maar minder dan palustris. Glanzend donkergroen en onder matglanzend lichtgroen en in het najaar met een mooie herfstkleur.

Knoppen zijn tamelijk groot en eivormig.

Vruchten staan meestal met een paar bijeen en zijn kort gesteeld.

Wordt 25-30m hoog. Vrijstaand vormt die een breed piramidaal hoofd op oudere leeftijd wordt dit losser en staan de takken meer af.

Groeit in O. N. Amerika en is beschreven in 1683.

 

Naam.

Scharlakenrode eik, Engelse scarlet oak, kermes oak, Bartram’s oak, Duits Scharlach-Eiche .

 

 

 

 

 

 

 

7. uit Wikimedia commons

=Quercus velutina, Lam. (fluwelig) (Quercus tinctoria A. Gray (verf leverend)  Bladeren lijken op die van rubra maar zijn dunner en breed eivormig met afstaande lobben, de lobben weer gelobd en sterk genaald.

Een goed kenteken is de blijvende beharing aan de onderkant van de bladeren en de lichtgrijze baarden in de oksels van de nerven.

Twijgen, bladeren en bladstelen zijn dicht behaard.

Komt uit O. N. Amerika en wordt 25-30m hoog. Is beschreven in 1800.

 

Naam.

Verf eik levert het lignum citrinum, het falsches gelbes Brasilholz, Quercitronholz of –rinde, Färber-Eiche, Quercitron-Eiche, Schwarz-Eiche en Engelse dyers oak, quercitron, black oak, scarlet  en yellow-bark oak.

 

 

 

 

 

 

 

10.         uit The North American sylva.

Quercus ilicifolia, Wangh. (met blad als hulst) (Quercus tinctoria) (verf leverend) Bladeren zijn 6-10cm lang en van boven wat glanzend donkergroen en van onder grijs en dicht viltig behaard, omgekeerd eivormig met aan beide zijden meestal 1-2, zelden 3 brede en genaalde lobben, verder gaafrandig.

Jonge twijgen zijn dicht behaard.

De vrucht is zeer kort gesteeld.

Gewoonlijk groeit het als struik en wordt zelden hoger dan 3m.

Komt uit O. N. Amerika en is beschreven in 1800.

 

Naam.

Dwerg eik en Engelse bear of black scrub oak, dyer’s oak, spotted oak of yellowbark oak. Zwerg-Eiche, Nordamerikanische Straucheiche.

Sectie Lobatae (Groep Nigrae).

Bladeren zijn gaafrandig of gelobd en meestal met de grootste breedte boven het midden. Herfstkleur is geel. Vruchten worden in het tweede jaar rijp.

 

 

 

 

 

 

11.         uit M. Catesby.

Quercus nigra, L. (zwart) (Quercus aquatica (water minnend) Bladeren zijn zeer korts gesteeld en bijna zittend, 6-10cm lang en 3-5cm breed, ovaal of omgekeerd eivormig en gewoonlijk met 2-3 soms wel 5 paar scherp gepunte lobben, soms ook gaafrandig of aan de top zwak getand. Van boven glanzend donkergroen en van onderen licht groen en in de oksels van de nerven behaard.

Jonge twijgen zijn zeer dun, bruin/rood en met veel kleine lenticellen bezet.

Knoppen tot 5cm lang eirond met gewimperde schubben.

Vrucht is kort gesteeld en ongeveer 1cm lang en breed eivormig.

Komt uit O. N. Amerika en wordt 20-25m hoog. Is beschreven in 1739.

 

Naam.

Water oak, barren oak of black Jac, spotted oak, duck oak, punk oak, orange oak of possum oak, zwarte eik. Schwarz-Eiche.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

12.         uit M. Catesby.

Quercus marilandica, Münchhausen. (uit Maryland) Bladeren zijn zeer opvallend en in het voorjaar aan beide zijden grijs viltig behaard, later aan de bovenzijde kaal of spaarzaam behaard, glanzend donkergroen, onderzijde blijvend roestbruin behaard en leerachtig, omgekeerd eivormig of peervormig, soms gaafrandig maar gewoonlijk aan de top stompbladig (genaalde lobben) en naar de bladvoet smal toelopend en afgerond.

Knoppen zijn eivormig en roest/bruin behaard.

Jonge twijgen zijn dik en geel behaard.

Vruchten staan aan korte en dikke stelen, meestal 1 of 2-3 bijeen, breed eivormig en tot 2 cm lang.

Black jack of jack oak komt uit O. N. Amerika en wordt 10m hoog.

Quercus marilandica Münchhausen var. ashei Sudworth, groeit in het westelijke deel van het gebied, noord Texas, Oklahoma en zuid Kansas.

 

Sectie Lobatae. (Groep Phellos).

Vruchten worden gewoonlijk in het tweede jaar rijp. Schubben van de vruchtkuip niet afstaand. Bladeren zijn met uitzondering van de top gaafrandig en langwerpig of lancetvormig en verkleuren in het najaar.

13.         uit M. Catesby.

Quercus phellos, L. (kurk) Bladeren zijn zeer kort gesteeld en 6-10cm lang en 1-1.8cm breed, van boven kaal en aan de onderkant blauwgroen, lang lancetvormig en gaafrandig (bastaarden hebben vaak een getande rand) en wat golvend. De nerven lopen niet tot de rand door maar wijken daarvoor af.

De knoppen zijn klein en geel/bruin, eirond met veel schubben.

Jonge twijgen zijn glanzend olijf/groen tot bruin/groen.

Bij een mooie en alleenstaande boom zijn de takken glad en donkergrijs, een regelmatige kroon en matglanzende donkergroene en smal lancetvormige bladeren die in het najaar verkleuren van geel tot rood/bruin.

Zittende vruchten van 1-1.2cm lang en bijna even breed, hoogstens voor een derde door het napje omgeven.

Komt uit N.O Amerika en wordt 15-20m hoog. Is beschreven in 1723.

 

Naam.

Wilgbladige eik, Willow oak of wilgbladige eik.

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit the North American sylva.

Quercus x heterophylla, Michx. (verschillend bladig) = kruising tussen phellos x rubra.

Bladeren zijn 7-10cm lang en 1.5-3cm breed, van boven glanzend donkergroen en van onder blauw/groen met een donkerbruine middennerf, meestal lancetvormig en naar de bladvoet puntig toelopend, bladrand is ongelijk en bochtig getand met aan elke kant 5 tanden.

Jonge twijgen glanzen een weinig en zijn olijf/groen tot bruin/groen en in het voorjaar aan de top korstviltig behaard wat snel verdwijnt.

Bartram eik, genoemd naar een van de eerste Amerikaanse botanisten, John Bartram, Bartram oak.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit www.oaknames.org

Quercus x schochiana, Dieck. = kruising tussen phellos x palustris, natuurlijke hybride die gevonden is in het Winkworth Arboretum, Surrey.

Een bastaard die wel verkocht wordt onder de naam phellos. Wijkt er van af omdat de bladeren meestal getand of gelobd zijn met aan iedere zijde 3-5 veerspletige lobben of tanden die hoogstens tot op de helft van het blad zijn ingesneden en de lobben of tanden zijn sterk genaald. Bladeren zijn matglanzend donkergroen en van onder lichtgroen.

Knoppen zijn eirond en licht bruin.

 

 

 

 

15. uit the North American sylva.

Quercus imbricaria, Michx. (dakpansgewijze) Bladeren zijn 8-16cm lang en 2.5-5cm breed en van boven glanzend donkergroen en van onder licht groen en dicht behaard met een bruinrode middennerf, elliptisch tot lancetvormig met een min of meer gegolfde bladrand. De zijnerven lopen niet tot de rand toe door maar buigen er vlak voor om.

Knoppen zijn 2-5mm lang, eivormig en roestbruin.

Jonge twijgen zijn bruin en aan de top behaard die al gauw kaal wordt.

De stam blijft lang glad en wordt later ruw en verdeelt zich tenslotte in kleine schubben.

Vruchten zijn 1-1.5cm lang en eivormig .

Van deze mooie eik vind je soms in parken prachtige bomen die meestal alleen staan en opvallen door hun ronde kroon.

Komt uit O. N. Amerika en wordt 20-25m hoog. Is beschreven in 1786.

 

Naam.

Shingle oak of small laurel oak. Schindel-Eiche.

 

 

 

 

Uit digitalgallery.nypl.org

Een kruising hiervan met velutina gaf Quercus x leana, Nutt. (Amerikaanse botanist Thomas Lea, gestorven 1844) die een mooie en losse en bijna ronde kroon heeft.

Bladknoppen zijn spits eivormig en licht bruin met vele knopschubben bezet.

Bladeren zijn 10-16cm lang en 5-7cm breed, van boven glanzend donkergroen en onder lichter en langs de nerven behaard, langwerpig gaafrandig of onregelmatig gelobd.

 

 

 

Sectie Mesobalanus.

Schors afbladerend. Vruchten worden het eerste jaar rijp. Schubben van het napje zijn meestal klein en aangedrukt of staan alleen van boven wat af. Europa, Azië, N. Afrika, eikels worden in 16 maanden rijp, zijn bitter, binnenkant van de schalen is haarloos, nauw verwant aan sectie Quercus en soms in die sectie gezet.

 

 

 

 

 

 

 

 

16.         uit Addisonia.

Quercus serrata Murr. (fijn gezaagd) (Quercus glandulifera, Bl. (met klieren bezet)( Blad is leerachtig en 6-8cm lang en 3-4cm breed, donkergroen en lancetvormig, gewoonlijk met de grootste breedte boven het midden, bladrand is groot getand met de scherpe tanden naar voren gericht en naar de bladvoet puntig toe lopend, top is soms lang toegespitst.

Knoppen zijn zeer klein en kastanje/bruin, behaard.

Jonge twijgen zijn zijdeachtig behaard.

Een half groenblijvende kleine boom van 10-15m of hoge struik.

Komt uit Japan, Korea en W. China. Is beschreven in 1880 .

 

Naam.

Het is de Iodame, jolcham oak., Japanse kurkeik.

 

 

 

 

 

 

 

 

17.         uit www.oaknames.org

Quercus dentata, Thunb. (getand) Bladeren zijn 12-18cm lang en 5-8cm breed. Van boven matglanzend donkergroen en de onderkant licht groen en kort behaard met licht bruine nerven, omgekeerd eivormig en zeer kort gesteeld, bladrand bochtig en ondiep gelobd, lobben meestal afgerond.

Vruchten tot 2cm lang.

Een boom van 25-30m hoog.

Een van de beste Aziatische soorten die bij ons een kleine boom wordt met dikke en grijs behaarde twijgen en een zeer spoedige ruw spletige en donkergrijze schors.

Uit Japan, N. China en Korea.

 

Naam.

Het is de Japanse keizereik, de Kashiwam, Engelse Mongolia oak, daimyo oak. Kwam in 1830 naar Engeland. Mooie boom is er te Osterley Park van 14m en 1.5m omvang, de grootste is 18m en staat te Avondale Forest Park, County Wicklow, Ierland.

35 . uit J. Saint-Hilaire.

Quercus pyrenaica, Willd. (uit de Pyreneeën) (Quercus toza) Bladeren zijn 8-14cm lang en 4.5-7.5 cm breed. Bij het uitlopen zijn de bladeren aan beide kanten geelviltig behaard en later van boven spaarzaam behaard en donkergroen, vanonder kort geelviltig behaard en grijs/groen, met aan weerszijde 4-6 tamelijk diep ingesneden lobben, soms dicht bijeen maar ook wel verder van elkaar afstaand.

Knoppen zijn spits eivormig en geel/bruin, viltig behaard, vooral zeer sterk aan de top.

Bloeit gelijk met de komst van het blad.

Vruchten staan met 1-4 stuks bij elkaar, zittend of zeer kort gesteeld, het napje omsluit voor een derde de vrucht.

Grote struik of kleine boom met sterk afstaande takken en aan de top wat overhangende twijgen.

‘Pendula’ is een hangende vorm, de treurbergeik. Enten op robur en zo laag mogelijk bij de grond.

De bergeik komt uit Z. Europa en wordt 10-15m hoog. Is beschreven in 1824. Pyrenean oak, Pyreneeëneik of Spaanse eik .

 

 

 

 

 

Uit www.oaknames.org

Quercus pontica, K. Koch. (uit Pontus) Grote spitse en eivormige knoppen met stevige diep groene bladeren die wat breder zijn maar verder veel lijken op Castanea blad. Het blad is 8-16cm lang en 6-10cm breed met 14-18 paar zijnerven, eivormig met meestal het grootste deel boven het midden en scherp getand.

Groen/gele mannelijke katjes staan in slanke en hangende aren en vallen op .

Een echte gebergteboom die struikvormig groeit met tamelijk dikke, gegroefde of kantige bruin/rode twijgen.

Wordt een boom/struik van 5-8m. Komt hier zelden voor en moet op een zeer beschutte plaats groeien.

Komt uit Klein Azië. is beschreven in 1891.

Pontische eik, Armenian oak, Pontine oak. Armenische Eiche.

 

36. Uit www.oaknames.org

Quercus frainetto, Ten. (inlandse naam in de Balkan voor een eik) (Quercus conferta) (samen gedrongen of opeen gehoopt) Bladeren zijn zeer kort gesteeld en 10-18cm lang en 7-12cm breed, van boven matglanzend donkergroen en van onder grijs/groen en blijvend behaard, omgekeerd lang eivormig en aan beide zijden met 7-10 zeer diep ingesneden lobben en die weer getand of gelobd.

Jonge twijgen zijn geel/groen, behaard en later kaal.

Bloeit gelijk met de komst van het blad.

Vruchten zijn zeer kort gesteeld en lijken op die van de wintereik. De zoete eiken zijn vrij goed te eten.

De eik uit de poesta’s is een krachtige eik van 40m hoog, bij ons 20-30m.

Een ronde kroon op een kort aangezette en stevige stam met een diepe en regelmatig gegroefde schors en snel groeiend.

In 1860 kwam deze vorm bij ons in cultuur en wordt gekweekt van 1 kloon. Enten op robur.

Een selectie hiervan is de ‘Trump’ met een gesloten en eivormige kroon.

De Hongaarse eik is beschreven in 1739.

Dodonaeus beschrijft de eetbare eik uit Plinius en andere en Clusius vermeldt het als Hongaarse eik. (Dodonaeus) ‘Deze boom komt van grootte en hoogte het aller dichtste bij de Aegilops, dan zijn hout is noch ongeschikter om te bewerken en om er huizen van te bouwen dan de Aegilops want het bederft of vermolmt zeer gauw, maar is goed om er kolen van te branden. De eikels van deze boom zijn lieflijk en goed om te eten en komen van zoetigheid het aller dichtst bij de eikenvruchten. De wortel zinkt bijster diep in de aarde en indien men de poëet Virgilius geloven moet gaat ze zo diep in de aarde als haar stam boven de aarde hoog opschiet. Zijn bladeren zijn zeer groot en breed. Deze boom groeit in Italië op sommige plaatsen, doch niet over al, zegt Plinius’.

 

Naam, etymologie.

Dodonaeus .‘Men noemt deze boom naar de grootte en breedte van zijn bladeren in het Grieks Platyphyllos en in het Latijn Latifolia als of men breedbladige boom of eik met brede bladeren zei. Men meent dat dezelfde boom in het Latijn Aesculus of Esculus genoemd wordt daar Horatius van zegt dat het een zeer harde en sterke boom is.

In Hongarije groeit deze eik met brede bladeren veel, zegt Clusius, en is daar voor de Ilex gehouden en tely fa of toly fa genoemd en is dikwijls met marentakken geladen en bij Wenen in Oostenrijk vindt men het ook veel en is van hem Quercus latifolia exotica genoemd wiens eikels van lange steeltjes afhangen en meest bedekt zijn met een groene ruige oneffen aanwas en als die gedroogd is zo hard is als galnoten. Dan of dit altijd zo is of niet is hem onbekend. Dan de Quercus latifolia Pannonica van sommige is de Cerrus wiens rook de vallende ziekte veroorzaakt’.

Hongaarse eik, Engels Hungarian oak, Italian oak  Frans chene hongrois, Duits Ungarische Eiche.

 

Gebruik.

Dodonaeus ‘Voorts zo was deze boom (indien het de echte Esculus is) aan de God Jupiter van de Heidenen toegewijd’.

Quercus esculus, van esca; eten. Is de esculus van Plinius dezelfde als die van Virgilius? Volgens Plinius is het zeldzaam in Italië. Virgilius en Ovidius groeide het alleen te Dodona en in zuidelijke streken hoewel ze niet de nux prezen maar zijn majestueuze bouw waarom het aan Zeus gewijd werd en Plinius noemde het Juglans.

 

Sectie Quercus.

Witte eik, white oaks, (sectie Lepidobalanus.) Europa, Azië, N. Afrika en N. Amerika, eikels groeien in 6 maanden, zijn zoet of licht bitter, binnenkant van de schaal is haarloos. Schors is ruwspletig. Bladeren zijn gewoonlijk omgekeerd eivormig en veerlobbig, de lobben meestal afgerond. Vruchten worden het eerste jaar rijp, het napje is dakpansgewijze geschubd en de schubben aanliggend en niet afstaand.

18.         uit members.jcom.home.ne.jp

Quercus mongolica,  Fisch. (uit Mongolië) Bladeren zijn 8-12cm lang en 406cm breed, van boven kaal en donkergroen en onder licht groen en langs de nerven behaard, omgekeerd eivormig, de bladrand is groot getand of bochtig ondiep gelobd.

Mongoolse eik komt uit N. Japan en N. China, O. Siberië en wordt 25-30m hoog.

Enten op robur.

Mongolia oak, Mongoolse eik.

 

 

 

 

 

Uit www.ogm.gov.tr

Quercus macranthera, Fisch. et Mey. (grote helmknoppen) Bladeren zijn 15-18 cm lang en 5-9cm breed. Eerst aan beide kanten grijs viltig behaard maar later aan de bovenkant dof donkergroen en blijvend grijs behaard, de onderkant is kort viltig behaard met lichtbruine nerven en gelijkmatig gevormd met 8-11 paar stomppuntige toelopende en hoogstens 1.5cm diep ingesneden.

Twijgen zijn viltig behaard, knoppen met bruine schubben en viltig behaard.

Vruchten staan meestal met 4 bijeen en zijn  kort gesteeld of zittend en tot 2.5cm lang, voor bijna de helft door het napje omgeven.

Een mooie solitairboom die ook op hoge gronden groeit en herkenbaar is aan de brede en ronde kroon en de stevige kort aangezette stam met ruwe en donkergrijze schors.

De Perzische eik komt uit dat gebied en rond de Kaukasus, wordt een 25-30m hoog.

Caucasian oak. Persische Eiche.

 

 

20. uit www.oaknames.org

Quercus aliena Blume. (vreemd, buitenlands) Japanse eik is een ongeveer 10-15m hoge, bladverliezende boom met gele herfstkleur.

Eivormige, getande bladeren zijn aan de bovenkant glimmend, geelgroen en aan de onderkant blauwgroen, behaard.

De bast heeft een grijsbruine kleur.

Komt uit O. Azië en Japan waar het zaad wel in meel verwerkt wordt tot een brood.

Kwam in 1908 in Europa aan.

Naam.

Japanse eik, Duits Orientalische Weiss-Eiche, Engels Oriental white oak, Frans Japon chene.

 

 

24.       uit the North American sylva.

=Quercus montana Willdenow. (van de bergen) (Quercus prinos, L. (steeneik) Bladeren zijn 10-14cm lang en 5-8cm breed, van boven dof geel/groen en aan de onderkant grijs/groen en kort behaard met lichtbruine nerven, meestal omgekeerd eivormig, bladrand bochtig getand of gelobd en naar de bladvoet puntig toelopend ook wel afgerond

Jonge twijgen zijn kaal en olijf/groen.

Vrucht is 2.5-3cm lang.

Een langzaam groeiende boom met betrekkelijk brede kroon en een zeer donkere grijze en ruwe schors die in kleine schubben afbladdert.

Chestnut oak komt uit Midden en N. Amerika en wordt 25-30m hoog. Is beschreven in 1730.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

25.       uit www.oaknames.org

Quercus bicolor, Willd. De tweekleurige eik valt op door de mooie glanzend groene bladeren die aan de onderzijde wit behaard zijn, breed omgekeerd eivormig en gewoonlijk met afgeronde top en naar de bladsteel puntig toelopend. Bladrand is ondiep gelobd of met bochtige en handvormige lobben en die in het midden van het blad.

Jonge twijgen zijn rood/bruin met duidelijk zichtbare lenticellen.

Knoppen zijn eerst behaard en later kaal en 3-5mm lang, bruin en eirond met vele knopschubben.

Bloeit gelijk met de komst van het blad.

Vrucht is 3 cm lang en eivormig. Vermeerderen door zaad.

Komt uit Canada en wordt 20-25m hoog. Is beschreven in 1800.

 

Naam.

Tweekleurige eik en Engelse swamp white oak. Zweifarbige Eiche.

31. uit M. Catesby. Linkse is Quercus alba, rechts Quercus falcata.

Quercus alba, L. (wit) Bladeren zijn 10-18cm lang en 4-10cm breed en bij het uitlopen rood/bruin getint, later van boven glanzend groen en kaal, van onder lichtgroen en in de oksels van de nerven behaard. Gewoonlijk met de grootste breedte in het midden met 4-7 paar afgeronde maar soms ook puntig toelopende lobben. Het is in het najaar oranje/rood of violet/rood gekleurd.

Knoppen zijn eirond en aan de top wat behaard.

Jonge twijgen zijn behaard en later kaal en lichtbruin met veel lenticellen.

Vruchten zijn kort gesteeld.

Het is een statige boom met een brede en ronde kroon. De schors is grijs en bladdert bij oude bomen af.

Vermeerderen door zaad.

Komt uit N. Amerika en wordt 25-30m hoog. Is beschreven in 1724.

 

Naam.

Witte eik of Amerikanische Weiß-Eiche, white oak, Québec oak. De Wye oak was waarschijnlijk de oudste ervan dat hij viel met onweer. Een van de beroemdste is de Charter oak van Hartford, Connecticut.

34. uit www.forestryimages.org

Quercus pubescens, Willdenow. (zacht harig) (Quercus lanuginosa) (wollig of zacht behaard) Bladeren zijn 5-8cm lang en 3-5cm breed van boven donkergroen en langs de nerven behaard, onderzijde is zacht viltig behaard, omgekeerd eivormig met 4-7 paar lobben en die weer getand.

Knoppen zijn klein en lichtbruin.

Vruchten zijn ongesteeld of zeer kort gesteeld en lang eivormig meestal met 4 bijeen en voor de helft door het napje omsloten.

Een mooie boom die veel op een kleinb ladige zomereik lijkt met zacht viltig behaarde twijgen, knoppen en jonge bladeren.

’Crispata’ komt gewoonlijk voor als een hoge piramidaal vormige heester.

Geeft de voorkeur aan een zonnige en beschutte standplaats en een niet te droge kalkrijke grond.

Komt uit M. en Z. Europa en N. Afrika en wordt 15-20m hoog.

3 subspecies: Quercus pubescens subsp. pubescens – centraal en zuid Europa. Quercus pubescens subsp. anatolica O.Schwarz – (west Anatolië, Turkije) zuidwest Azië, zuidoost Europa. Quercus pubescens subsp. Palensis  (Palassou) O. Schwarz – noord Spanje, Pyreneeën.

 

Naam.

Truffle, pubescent of downy oak, zachte of behaarde eik, Duitse Flaum-Eiche, naar de fijn behaarde, jonge bladeren en scheuten.

 

 

37. uit www.baumkunde.de

Quercus turneri, Willd. (gekweekt te Mr. Turner’s kwekerij in Essex, Engeland, in 1783) en ‘ Quercus turneri Pseudoturneri’ is wel een kruising tussen robur en ilex.

Bladeren zijn 6-10cm lang en 2.5-4cm breed en leerachtig, glanzend donkergroen en aan de bovenkant langs de nerven soms behaard, de onderkant is kort behaard en blauwgroen getint, meestal langwerpig/ovaal, grof getand en soms bijna gelobd. Jonge twijgen zijn grijs viltig behaard later zeer spaarzaam behaard en bruin/grijs.

Knoppen zijn eirond en de eindknop is iets groter dan de zijknoppen en behaard.

Vruchten zijn een 1.5-2.5cm lang  en voor een derde deel door het napje omsloten.

Het vormt een kleine boom of kegelvormig opgroeiende struik die ook in de winter zijn blad houdt en bij ons goed winterhard is.

Hij wordt meestal geënt op robur en als enthout neem je korte en gedrongen eenjarige twijgen. Met kluit verplanten.

Is beschreven in 1812.

Turners oak.

 

32.         Uit W. Woodville.

Quercus robur, L. (robuust) is de meest voorkomende eik, het is de zomereik die veel op de wintereik lijkt.

De zomereik, houdt van veel licht en daarom dragen alleen de buitenste takken van de kroon de mooi gevormde, bochtig, ingesneden bladeren. Hierdoor komt het ook dat in een eikenbos een levendige flora op de grond is. Het blad is onregelmatig gelobd met 3-7 diepe bochtige insnijdingen en heeft een asymmetrische vorm. Het blad is kaal en heeft zijn grootste breedte boven het midden.

Komt alleenstaand voor in bossen, soms in gehele wouden. Komt in geheel Europa voor, in het Noorden komt het 63ste graad N.B, verder in Klein-Azië en N. Afrika. In de Alpen tot 1000m

De eik komt in geheel Nederland voor. Zo’n 450 jaar geleden was een derde deel van Europa bedekt door eiken. G. Gazelle vermeldt:

“Heerscher in de Nederlanden

koning van de bosschen groot

eikenboom, zoo sterk voorheden

wie dan heeft u neergestreden?”

De eik kan gebruikt worden in lanen, parken, bossen en als hakhout. Holland is het holtland van de oudheid geweest. Het hout voor het eigen gebruik was het husholt, dat is het hout dat ieder huis voor gebruik bij zich had, vandaar huishouden. De eik was vroeger onmisbaar en voor de eerste keer in geschiedenis kunnen we nu buiten de eik.

De eik heeft een diepgaand wortelgestel en verankert zich daardoor goed. Ze kunnen daardoor ook goed tegen droogte. De eik leeft samen met een bodemschimmel, mogelijk is het dat bomen met losse wortels zo slecht aanslaan. Plant ze met kluit.

33.         Uit O. Thome, www.BioLib.de.

Quercus petraea, Lieblein. (rotsen beminnend) de wintereik, heeft een langere bladsteel en regelmatiger gelobd blad en heeft ongesteelde eiken. De knoppen groter en duidelijker, de takken meer opgericht. De takstand is ook regelmatiger.

In de winter is het verschil tussen zomer- en wintereik goed te zien, de zomereik verliest zijn blad, wat bij de wintereik wel verdort maar aan de boom blijft zitten, om die reden is het ook wintereik genoemd. De 2 - 3cm lange eikels staan op lange steeltjes, Duitse Stieleiche, pedunculate oak.

Tussen beiden komen veel overgangen voor.

De wintereik komt wat later in blad en is bij ons niet zo algemeen, je ziet die meer in de bergen, wel in geheel Europa, net als de vorige, maar komt niet zo ver naar het noorden, tot ongeveer 60 graden N.B.

Wintereik, Traubeneiche, Wintereiche.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vormen.

Uit J. Saint-Hilaire.

De eik wordt meestal gekweekt uit zaailingen waardoor er verschillende vormen ontstaan. Hieruit heeft het N.A.K.B. selecties uit gehaald om gelijke planten te kweken. Die moeten wel geënt worden en zijn dus veel duurder. Ook wordt er gekeken naar de vindplaats die hier beter bestand zijn tegen de winter of andere zaken dan die uit vreemde plaatsen. De meeste soorten worden uit zaad verkregen. De var worden op robur geënt. Daarvoor neem je kort gelede een of hoogstens twee jarige twijgen

Een bekende cv. is de zuilvormige =‘Fastigiata’. Verder ‘Cupressoides’ en de hangende ‘Pendula’.

Verder zijn er zeldzame roodbladige uitlopende ‘Purpurascens’, de purperen ‘Atropurpurea’. Bonte vormen als ‘Aureobicolor,’ Albomarmorata, ‘Argenteovariegata’, ‘Maculata’, ‘Argentopicta’, ‘Argenteomarginata’ de gele ‘Concordia’. Verder vormen met afwijkende bladeren als ‘Salicifolia’, ‘Asplenifolia’, ‘Heterophylla’, ‘Filicifolia’, ‘Pectinata’,’ Strypermond’, ‘Cucullata’ met de ‘Cucullata Macrophylla’ en ‘Fastigiata Cucullata’.

Q. petraea ‘Columna’ is een zuilvormige met vrij smalle en onregelmatig gelobde bladeren. Deze zuileik is geschikt voor smalle straten. Verder komen daar voor de’ Mespilifolia’ en een’ Purpurea’.

 

 

 

var. nigra uit L. van Houtte.

Lyrisch.

De eik is een boom die charisma bezit.

De eik is de koning van het woud, het embleem van majesteit, kracht en duurzaamheid, een eerbiedwaardige patriarch.

De eik, die de machtigste van alle Europese bomen is, kan wel honderden jaren oud worden. Oude eiken kunnen enorme bomen zijn die wel tot 35 meter hoog kunnen worden. Het is een boom van slome groei maar gaat onverstoorbaar door, de eik heeft alle tijd. Tenslotte krijgt het een stevigheid waar je niet omheen kan, met geweldige armen elk zelf als een machtige boom. Die armen staan vrij horizontaal alsof ze de wereldatlas moeten dragen. Het zijn spierballen van deze Hercules die alleen door de geweldige ceder van de Libanon wordt geëvenaard. We spreken bij zulke bomen over het fort eik. Het is een boom die onder het beheer van Jupiter staat.

De bijzondere en zeer gewaardeerde kwaliteiten van de eik zijn de hardheid en taaiheid. Shakespeare gebruikt twee strofen om deze kwaliteiten uit te drukken die misschien meer overtuigender zijn dan andere woorden: 

“Thou rather with thy sharp and sulp’hrous bolt

Splitt’st the unweldgeable and gnarled Oak

Than the soft Myrtle” .

De eik heeft als zwaar gebouwde boom een knoestig en ruw voorkomen, een ruwe kracht, een oude Batavier die gehard is in het ruige klimaat en bestand is tegen de ergste aanvallen. Merkwaardig is het twisten van zijn takken, ze groeien her en der door elkaar heen terwijl andere bomen mooie lange rechte scheuten produceren. Zo gaan ook de zware takken niet horizontaal door maar maken rechthoeken, opmerkelijke ellenbogen, het ideale kniehout voor de oude scheepsbouw en oude boerenhuizen.

De wortels die de boom zo vast verankeren groeien diep omlaag. Eerst begint hij met een penwortel van 2.5m, dan vertakken de wortels zich en vormen het wijd verspreide wortelgestel, dat maakt dat de boom eerder breekt dan ontworteld wordt.

Uit de knoppen ontspringt meestal een twijg die snel groeit, en twee of drie anderen die langzaam groeien. Door dit alles krijgt de boom een ruig aanzien. Door de eeuwen heen verkrijgt het de grootste schoonheid die de eik zo pittoresk maakt hoewel de ruwe bolster van binnen uit vergaat.

In het voorjaar barsten de knoppen open en dan verschijnen de lichtgroene kleuren die delicaat overschaduwd worden met rood en geleidelijk aan een vuilgroene kleur aannemen, tegen de winter roestbruin van een rode tint dat oplicht in het landschap. Ook na de langste dag wordt de eik gekleed in een rood pakje, het St. Janslot, zodat een briljante kleurenspel door zijn bladeren speelt.

Uit J. Strutt.

Naam, etymologie.

De naam Quercus komt al voor bij de Romeinse auteur Quintus Ennius (239 v. Chr.-169 v. Chr.) Isidorus XVII 7.38: “Quercus sive quernus, quod ea soliti erant dii gentium quaerentibus responsa praecanere”. Verwant met quaerere: vragen, omdat de godsorakels zich onder eikenbomen bevonden.

In de Indo-Germaanse talen zijn drie oude betekenissen voor de eik voorhanden. Betekenissen die tot een tijd teruggaan die de oertijd zeer dicht nadert. Hieraan is de belangrijke rol te herkennen die onze boom bij de Indo-Germaanse volkeren gespeeld heeft.

(a)        (88, (1932) Dodonaeus beschrijft de tamme (nu onbekend) als ‘de eetbare eik’ van de ouders, (Dodonaeus) ‘Deze bomen heten in het Grieks Drys. De eik die zoetere vruchten (eetbare eik van de ouders) voortbrengt is de tamme soort van eik, in het Grieks Drys hemeros of alleen Hemeris genoemd, in het Latijn Placida, zo Gaza dat woord vertaald, dan men mag het Quercus sativa, Quercus urbana of ook Quercus culta noemen, dat is tamme eik, sommige Grieken noemen het Mydion en die van Macedonië Erymodrys, alsof men Veriquercus, dat is ware of echte eik, naar het uitleggen van dezelfde Theodorus Gaza, of Vere Quercus zei’.

Wijdverspreid in Indo-Germaans en zowel in Aziatische als in Europese talen is de boombetekenis deru of dru. Dit is dezelfde stam die we ook in de namen van de wachol-der, in het oud-Hoogduits wechal-ter, in het Angelsaksisch als treow en in het Engels als tree tegenkomen. Dit vinden we ook terug in het algemeen bekende woord Druïde. Dat woord kende ook de Grieken en Romeinen in de woorden druidai en dryadae. Drys: is de eik, dory: is de speer, en dorytomos is bij Homerus de houtveller. Bij de Grieken leefden de Dryaden en Hamadryaden in eiken en andere bomen. Hun naam komt van het Griekse drys: eik. In vele Indo-Europese talen betekende dru: sterk en wijs, varianten daarvan betekenen gewoonlijk kennis. In Keltisch druïde voor priester, ook de woorden deur, Duits Türe en Tor hebben, hun oorsprong in het Keltische duir.

Dodonaeus (b) ‘De andere (gewone) soort heet in Italië quercia of cerqua. De Griekse naam is Drys agria en de Latijnse is gewoonlijk Quercus, dan tot verschil van de tamme (eetbare) eik mag men ze Quercus silvestris, dat is wilde eikenboom, noemen’.

In het Latijn heet de eik Quercus, wat op een (hypothetische) oervorm Perquus wijst. (Men neemt nu aan dat het woord niet meer stamt van twee Keltische delen, kaer of quez:  boom, of van kracht, sterkte, of verwant met Sanskriet karkara: hard, het harde hout) Verwant met quaerere: vragen, omdat het godsorakels zich onder eikenbomen bevonden. Quercus zou een Latijnse vervorming zijn die de Indo-Germaanse sacrale naam Perkus bevat. In Litouwen heet de eikengod Perkunas. Dit perkus betekent vuurbrand: van eikenboom, daarvan afgeleid zijn bijvoorbeeld oud-Noors fura, Angelsaksisch furh, oud-Hoogduits vorha, nieuw Duits fohre en Nederlands vuur. Het Indo-Germaanse perkus is dus van vuurbrand veranderd in eik. Hoe? Bij de Bulgaren heerst de opvatting dat bepaalde eiken gemakkelijk vuur vangen. Bovendien maakten zij vuur door het zagen van eikenhout op eikenhout. Het is hetzelfde woord dat ook in de naam Fohre (voor een dennenboom) zit. Vergelijk hiervoor ook het oud-Hoogduits Fereeih: wat eik betekende. Opvallend is verder dat in Zwitserland Ferch een betekenis voor eikenhout was.

Uit Fere-eih stammen ook de oudere volksnamen als Viereiche: vuureik, Furkeiche, Verk- en Verkeleiche. Dat laatste woord heeft echter met Ferkel: zwijn, niets te doen. Wel met vuren, ouder vueren, oud Noors fyr, Angelsaksisch furh, Engels fir, noord Hoogduits föhre.

Dodonaeus (d)  ‘Het heet in onze taal eycke, eycken-boom, in Hoogduitsland Eichelbaum, in Engeland oke tree, in Bohemen dub. De vrucht van deze bomen is hier te lande eeckel genoemd, in Hoogduitsland Eychell, in het Italiaans chiande of ghiande, in het Spaans Bellotas, in het Boheems ztalud, in het Latijn Glans en in het Grieks Balanos. Sommige zeggen dat de vrucht aker heet, maar meest eeckel naar de Hebreeuwse akel of eeckel dat eten betekent omdat ze een van de eerste spijzen van de mensen plag te wezen (net zoals Fagus van het Grieks Fago komt dat ook eten betekent.) Andere noemen ze eyckel omdat ze op een klein ey of eycken van vorm lijkt zoals de kornoelje vanwege dezelfde gelijkenis Oon of ei in het Grieks genoemd wordt’.

De eigenlijke Germaanse naam voor deze boom is eiche. In het oud-Hoogduits is het Eih, in het Noors eik en in Zweeds ek. De oer Germaanse naam is aiks, Saksisch Ok, Okes of Oak, dit werd in Angelsaksisch ac, oud-Noors eik en in het Engels oak, (ac-corn of acorn: koren, van blijkbaar eetbare eik, oud-Engels aecern of aecer, een veld, een product van ‘t veld). Eik is een gewoon oud Germaans woord dat boom betekent en verwant is met oud-Indisch igja: verering, dat wil zeggen de boom die van oudsher als godenboom de hoogste verering genoot. (e) ‘Oer verwant met dit woord is het Latijnse aesculus die bij de Romeinen natuurlijk niet de huidige botanische Aesculus hippocastanum is, maar op Juglans regia sloeg, sloeg. Dit woord stamt van aigsculos, van Grieks aigilops, een soort eik met eetbare vruchten. Ook de Griekse boom naam aegilops, Quercus aegilops, (eerder aegsculus) behoort tot dezelfde stam als Eiche. De Agis of Aegis, het schild van Zeus en een teken van zijn macht, stelde men als eikenhout voor. Hetzelfde hout werd eerst gebruikt voor werpspiesen die in het Grieks aiganeai heten. De wortel hiervan is aik die we in het oud-Noorse eikinn: geweldig, nog bewaren. 

Aker, Middelhoogduits ackerau, eeker(n) Noord Hoogduits ecker „eikel, beukennoot”, Midden Noord Duits ecker(en), acker(en) „eikel” . Angelsaksisch æcreu, æcern (Engels acorn), oud Noors akarn „vrucht van wilde bomen”, Gotisch akran „vrucht”, uit Germaans akrana of akrena. Buiten ‘t Germaans zijn verwant: Kymrisch aeron „vruchten, boomvruchten”, Iers âirne „sleepruim”. Al deze woorden kunnen met agoda, jagoda „vrucht” (algemeen Slavisch „bes-vrucht”), vinjaga „wijnstok”, Russisch. jáglyuj„ vruchtbaar”, Litouwen „bes, kers” (in dit geval van Latijn uva „druif” te scheiden), Armeens aĉem „ik groei” verwant zijn.

De Nederlandse naam is in de loop der eeuwen licht gewijzigd, van aker, (op het gemeentewapen van Akersloot komen drie eikels voor) aecker, naar eic, ec, eek, een naam die we ook tegenkomen bij eekhoorn, eec, eyck, eik.....

Dodonaeus (f) ‘Het heet in Frankrijk chesne’.

Frans chene, van quene, van quernus (Isidorus): Quercus. Spaans robre en Italiaans quercia.

(g) ‘In Spanje heet het ook roble, ronre roble of quexigo of enzina de ballotas gruessas, in Italië ook rovcre en in Savoie rovre, in Frankrijk ook chermillat en drylie, in het Latijn Robur, maar meest Quercus hemeris’.

Dodonaeus (h) ‘Het hol huisje of schoteltje daar de eikels in hangen wordt in de apotheken Cupula glandus genoemd en in goed Latijn Calyx glandis, dat is schaal of schaaltje van de eikel of eikelschaal, in het Grieks Omphacis zo Paulus Aegineta dat noemt in het 42ste kapittel van zijn 3de boek. De schaaltjes daar de eikels in hangen noemen sommige liever Omphalis dan Omphacis omdat ze op naveltjes lijken’. Indo-Europees aig, Grieks aigilops, Latijn aesculus,   Germaans aik tot eik en eikel.

Dodonaeus (i) ‘De gemalen of gebroken schorsen van de eikenbomen heten runt of rhun, misschien naar het echt Rhus of Rhun dat rin, ren en smack heet waardoor ze van de leerlooiers hier te lande gebruikt worden, in het Frans du tan’.

Dodonaeus (j) ‘Clusius beschrijft noch verschillende andere soorten van Robur of wilde eik die in Spanje eigenlijk roble heet, in het Duits Hageych of Haegeecke.  De tweede groeit in Oostenrijk en is bijna zo groot als de eik, harder van hout, kleiner van bladeren die aan de ene zijde wat grijs zijn en een eikel voortbrengen die in het Hoogduits Stainaichel genoemd wordt en in het Hongaars kemeni cher fa of musral’.

Stieleiche omdat bij deze vorm het blad een steel heeft, Stingeleiche in Oostenrijk.

(k)       Wintereik, Wintereiche in Duitsland en Zwitserland, omdat zijn blad er in de winter aan blijft.

(l)        Die heet in Duitsland Ferkeleiche of Verkeleiche, Masteiche, (ook voor robur) Durreiche, Engelse durmast, is dus bekend vanwege zijn eikels voor zwijnen en varkens.

(m)      Het is de Duitse Fraueneiche en Engelse female oak, in tegenstelling tot de zomereik, de male oak.

(n)       Engelse red oak en Duitse Rotheiche.

(o)       Weisseiche, het lichte blad, verder Tanneiche bij Cordus, Waldeiche, Traubeneiche en Harzeiche. In Engels ook truffle oak, die eronder gevonden worden.

(p)       Robur is de zomereik, Duitse Sommereiche.

(q)       Schwarzeiche, Engelse black oak, ook common of of white oak.

(r)        Algemeen, vooral voor robur, Ackeren of Aekern, de vrucht, Ackerbaum, Aiks in Gotisch, Ach’n in Bayers Oostenrijk, Augusteiche, Bergeiche, Drudenbaum bij Bechst, Eckel of Ecker, Eeek, Eiche, Eichbaum bij Bock, Eckenboom, Eisholzeiche, Eik, Eisholz bij Bock, Eykelbom, Hacheich bij Kilian, Fueriche, Fuereke, Heister, naam voor een jonge plant, Hageiche bij Bock, Harteiche, Kohleneiche, Viereiche, Loheiche, voor looien gebruikt, Scirpig: zwaar splijtend, Steineiche, Weisseiche, Engels, bay of chestnut oak. (het hout werd eerder als kastanjehout gezien, zie Castanea)

(s)        De galappel heet in de middeleeuwen Fructus querci, Galla, Gallus, Pomum querci, de naam gal is oorspronkelijk de naam voor de eikengal, Aichappfel, Eekappel of Eichapfel.

De belangrijkheid van de eik in het leven van onze voorvaderen maakt het begrijpelijk dat het vaak in plaatsnamen verschijnt. Als voorbeelden zijn te noemen de plaatsen Eich, Eichen, Durrich, Schoneich (het geslacht van de Prinsen Schonaich-Carolath voert in het wapen een eikenkrans), Eichberg, Eichendorf en Eichstatt, Akersloot, Eck, Eckwerd, Eecke, Eekt, Eck en Wiel, Eckart, Ekeren, Ekeburen, Eikberg, Eikenlenbosch, Eikhoek, Eiklehof, Eikenheuvel, Eikenburg, Eikenrend, Eckford, Eckerman, Eckhard, Eckert, Eeckhout, Eekhoff, Eikenlenberg, Eyck, Eyckens, Eyk, Eycken, Ekenrooi, Exloo, Tereyken. Soms is de oorsprong moeilijker te achterhalen omdat er weleens sprake is van een samentrekking uit verschillende woorden. Dit is het geval bij het dorp Traich; in een oorkonde van het jaar 1482 werd dit dorp Zu der Aich genoemd. De familienaam Dreekmann is afgeleid van dre-ek-mann, drie-eiken man, omdat op hun boerenplaats drie eiken stonden.

In Engeland zijn er vele Oakleys, Actons, Acklands, Akenhams, Acringtons. Het Saksische ac of aec werd vele malen verbasterd, zo vinden we ac, aec, tot ak, aike, acks, terwijl ax, exe geregeld vervangen werden door hac, haec en hacks. Op dezelfde manier hebben we ook oak, oke, ok, oc, ock, oeck, ocke, oks, ockes die overgaat naar oax, ox, oxes, met verdere verbasteringen als auck, uck, huck, hoke en wok als laatste extreme verbastering. Zo wordt de stad Oakingham verschillend gespeld, Okingham of Wokingham, verder Oakesley of Oxessey, twee voorbeelden van dezelfde plaats die zo verschillend geschreven kunnen worden.

Bij de Noorse dichters wordt de man meestal door mannelijke boomnamen genaamd, Hlynr is de plataan, Askr is de es, Reynir is de lijsterbes en de vrouw door vrouwelijke bomen, Bjork is de berk of linde, Embla is de els of iep.

(t)        Dan de naam Robur, dat kan robuust betekenen, maar Robur, Robus of Rubeus heet ook koren. Robur heeft dus dezelfde achtergrond als graan en vandaar zal het komen dat de ouden het woord Robur als eerste voeding van de mensen zagen zoals met het graan en de eik. Quercus esculus, van esca; eten. Is de esculus van Plinius dezelfde als die van Virgilius? (aesculus) Volgens Plinius is het zeldzaam in Italië. Volgens Virgilius en Ovidius groeide het alleen te Dodona en in zuidelijke streken hoewel ze niet de nux prezen maar zijn majestueuze bouw waarom het aan Zeus gewijd werd en Plinius noemde het Juglans.

 

Gebruik.

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘Deze bladeren, schorsen, schaaltjes en schelletjes of velletjes van eiken en eikels worden zeer nuttig en geschikt gehouden om te genezen en te stelpen de onmatige maandelijkse vloeden van de vrouwen, het bloedspouwen, bloed plassen en alle bloedgang en insgelijks ook de rode loop en allerhande loop van de buik, in water of rode wijn gekookt en gedronken of tot poeder gestoten en zo gebruikt of in enige pessarium en klysma’s gemengd of bij zalven, oliën, pleisters en andere dingen gedaan die men tot de voor vermelde gebreken plagt te bereiden.

Eikels gegeten kunnen niet goed of gemakkelijk verteerd worden en brengen de mens geen voedsel bij of het is dik, ruw en koud. Dan de varkens en wilde zwijnen worden daarmede gemest en krijgen daardoor vast en stijf of hard en geenszins week of waterig vlees.

De schorsen dienen om het leer mee te looien of te bereiden zoals de gewone man bekend genoeg is.

De bladeren van eiken klein gestoten genezen en helen de verse worden en stelpen het bloeden, daarop gelegd, het water daar ze in gekookt zijn verkoelt en zuivert daarna de wonden. De verse bladeren op de blaren gelegd verkoelen die en op de tong gelegd matigen ze de hitte van de maag.

Men mag van de jonge eikenbladeren of knoppen een bijzonder en uitstekend goed water distilleren tegen de vloeden van de lever, om den steen te breken en de witte vloed van de vrouwen te stoppen. Hetzelfde breekt de steen en helpt diegene die bloedspouwen en rode loop hebben of bloed plassen of zeren in de darmen hebben, andere geven het te drinken tegen de pest en vergif.

De schorsen van de eiken gepoederd zijn goed tegen de wormen van de kinderen en tegen de loop van de buik en overvloedige stoelgang. Die gemalen zo ze van de leerlooiers gebruikt zijn worden ook van buiten gebruikt vanwege hun tezamen trekking.

De eikels zijn vrijwel de bladeren en schorsen van krachten gelijk, nochtans wat warmer en niet zo zeer stoppend of tezamen trekkend want ze weerstaan alle venijn en vergif en zijn bijzonder goed tot de beten en steken van de kwade dieren, in melk gekookt en gedronken en het poeder er van gedronken geneest het niergruis en laat plassen’.

‘De galnoot groeit als de zomer uit het teken Gemini of tweeling trekt en knopt of breekt altijd uit op een nacht zo groot en gans als ze blijven zal.

De galnoten heten in het Grieks Cecis en in het Latijn Galla en in onze taal galnoten, in de apotheken en in Italië ook Galla, in het Hoogduits Galopffel, in Frankrijk noix de galle, in Spanje agalla, galba en bugalba en in het Boheems dubowa kulka en gallco.

De eerste soort die de kleinste is heet kleine galnoot, in het Latijn Galla minor en in het Grieks Omphacitis, niet dat ze onrijp, maar altijd bijster zuur of wrang is net zoals het Omphacium of het sap van de onrijpe wijnbessen. Dan Omphacis verschilt van deze galnoot, want dat is het schaaltje of schoteltje dat de eikel bevat zoals in het voorgaande kapittel gezegd is.

De andere soort die groot is wordt daarom grote galnoot en in het Latijn Galla major genoemd. De landlieden in Griekenland noemen het Oenocecis, dat is wijngalnoot, Vini Galla of, als sommige op die plaats willen, Onocecis, dat is ezelsgalnoot, Asinina Galla.

Het balletje of appeltje dat op het eikenloof groeit wordt in Brabant eikenappel genoemd, in Hoogduitsland Eichopffel, in het Grieks Sphaerion tes dryos en in het Latijn Pilula quercus en van sommige Galla viridis of Mollis Galla, dat is groene of zachte galnoot.

De galnoten, te weten de kleine zijn zeer scherp en wrang om in te nemen en daarom kunnen ze de weke en zwakke of losse leden of delen van het lichaam ineen trekken en vaster maken en laten dat overvloedig vlees verdwijnen, daarop gestrooid of in water of azijn geweekt en daarmee gestreken. Die kleine galnoten zijn ook nuttig om alle zinkingen van overvloedige vochtigheden te verdrogen en terug te drijven en vooral alle zwellingen en puisten van het tandvlees, amandelen, keel en alle inwendige of uitwendige delen van de mond.

Vele veldscheerders plegen het poeder van gedroogde of gebrande galnoten altijd bij zich te dragen omdat het ’t bloeden van de wonden stopt, daarin gestrooid. Maar voor alles zijn ze nuttig om de buikloop in korte tijd te stoppen als men de voor vermelde galnoten gedroogd en gestoten met gestaald water of regenwater ingeeft en zo gebruikt stoppen ze ook de vrouwelijke maandvloed of als men ze in regenwater lang kookt met wat weegbree sap en wat wol vermengt pessariumvormig in de vrouwelijkheid laat. Galnoten in olie gekookt of in water of azijn geweekt maken het haar zwart als men dat daarmee wast. Men gebruikt ze ook om inkt te maken zoals iedereen bekend is en ze worden van de schilders, ververs, leerlooiers en andere kunstenaars en ambachten veel gebruikt. Grote galnoten (zegt men) geven ook een voorteken van oorlog, dure tijd of sterfte, want is het dat er een vlieg in is die weg vliegt als men de galnoot open doet is dat een teken van aankomende oorlog en vindt men er een wormpje in dat voort kruipt betekent dar duurte of benauwde tijd, is er een kleine spin in die hier en daar kruipt dan houdt men dat voor een teken van pest.

Op St. Michielsdag kan men aan de galnoten het wezen van het volgende jaar ontdekken. Vindt men er een spin in dan zal het een ongelukkig jaar zijn, een vlieg, een middelmatig, een made, dan wordt het vruchtbaar, vind je niets zo zal niemand sterven. Is de galnoot inwendig vochtig zo voorspelt het een nat jaar, is ze dor, een droog jaar, is ze dun, een hete zomer. Matthiola schrijft zulke dingen die hij gelezen had bij Dioscorides’.

Uit Ravelingen en Bock

Beschrijving: msotw9_temp0Beschrijving: Beschrijving: 1De schors die van de ruwe buitenkant ontdaan was, werd tot een poedervorm gemaakt die bij zweren, slijmvloeiingen en bloedingen werd gebruikt. Het afkooksel van de bast werd door teringlijders ingeademd en het looizuur als geneesmiddel tegen kinkhoest gebruikt. De bast werkt ook adstringerend en werd wel in voetbaden gebruikt, vooral de schors van jonge bomen was hiervoor heel geschikt en werden voor dit doel speciaal gekweekt. Hiervan werd het Extractum Quercus bereid, dat ook gebruikt werd als afkooksel en als afwasmiddel.

Hippocrates zegt dat de rook van eikenbladen de vrouwen helpen die problemen hebben met de baarmoeder. Galenus beval de gekneusde bladeren aan om wonden te genezen. De schors werd vooral gebruikt in leerlooierijen, samen met de eikengalappels die aan de onderkant van de bladeren zitten en veel looistof bevatten. De naam appels naar de appelvorm en de roze kleur.

De spanen werden gebruikt om azijnwijnen sneller te klaren.

In de geneeskunde werd een afkooksel van de bast, 50 gram op een halve liter water, gebruikt bij baarmoederbloedingen en sterke diarree, ook voor omslagen bij darm en aambeien zijn zwakkere en sterke afkooksels, 100 gram op een halve liter water, te gebruiken. Bevroren handen en voeten kunnen door meerdere keren hete baden van eikenbastkooksels geheeld worden.

Het afkooksel van de geroosterde en vermalen eikels werden gedronken bij maag en darmzwakte, diarree. Verder is het een goed dieetmiddel vanwege hoge zetmeel en looizuurgehalte. Kneipp beveelt omslagen van eikenbastafkooksels aan tegen krop en blaashals, ook laat hij het met halve theekopjes daar tegen drinken, naar hem zou dit gebruik het verzwakte lichaam versterken. Eikelkoffie beveelt hij aan met moutkoffie bij kinderen met zwakke beenderen.

Gebruik de eiken in de liefdestoverij. Neem twee eiken en laat ze in een kom water vallen, blijven ze naast elkaar drijven dan zal je gauw trouwen, drijven ze uiteen is het gauw over met je liefde.

Uit de bast wist men ook een inkt te bereiden, galappelinkt, die de donkerste van de vroegere kleuren was. Zie Shakespeare in Twelfth Night III, 2,52: “Let there be gall enough in thy ink”. Sinds 300 na Chr. was dit de meest gebruikte inktsoort. Door chloor kon men het schrift onzichtbaar maken en met bloedloogzout werd het weer leesbaar en had men een geheimschrift. Ook werd dit gebruikt om het hoofdhaar zwart te maken.

Roet en as werden gebruikt om netten te tanen en door leerlooiers gebruikt om zwart leer te maken. Houtas werd gebruikt om muizen te verdrijven waartoe het in water werd gekookt tot een sterke loog, waarin gedurende 24 uur rogge of tarwekorrels werden geweekt.

 

Teelt.

Zo was de teelt vroeger. (Dodonaeus) ‘Clusius zegt dat hij in Spanje een soort gezien heeft die altijd groen blijft en daarom Quercus semper virens genoemd wordt, andere zeggen dat ze altijd groen blijven als men ze op een koolstruik ent.

Men moet de eiken afhouwen of kappen om er huizen mee te bouwen in de maand december of januari en dat in het afgaan van de maan want als men ze in het wassen van die snijdt dan zal het hout gauw vermolmen en vooral hetgeen dat wit is’.

 

Historische eiken.

Als we naar de historie teruggaan, moeten we overigens bedenken dat door de meeste mensen meestal geen duidelijk onderscheid gemaakt werd tussen de zomer- en wintereik. (213) Over de benaming in het Grieks en Latijn heerst ook enige verwarring. De Griekse term was “Drus of Drys”, hetgeen een meer algemene naam was voor eik. “Phellodrus” was de kurkeik. De Romeinse schrijver Plinius vertaalde drus echter door “Robur” . Bij Plinius lezen we nog over vier andere soorten eiken: Ilex, Aesculus, Cerrus en Suber (kurkeik) De Aesculus was de eikenboomsoort die bij het orakel van het Griekse Dodona (88, (1932) groeide en uit wier ruisen de priesters de toekomst voorspelden. De Ilex is de steeneik die we verderop nog zullen tegenkomen.

Uit Bock.

Beschrijving: Beschrijving: 1Eikel.

Ook de machtigste eik was zelf ook eens een eikel.

De eik is bekend om zijn eikels die het ook in grote getale produceert.

De eik bloeit gelijk met het uitkomen van de bladeren. Het vruchtbeginsel is omgeven door een napje dat uit een groot aantal blaadjes is ontstaan waaruit zich het bekende bekertje van de eikel vormt. Met zijn dertigste begint de eik te bloeien. In een goed seizoen kan er aan een grote boom dan ook wel 30‑50 000 eiken zitten. Die eiken waren een belangrijk voer voor de varkens. De bossen werden wel belast naar gelang het aantal varkens dat erin kon leven. Zie Shakespeare’ s mast, ‘Timon of Athens’ iv, 3,422, voor zwijnen. Koning Ina, 7de eeuw, schreef de Panage law, die het recht van zwijnen in de bossen regelde. De eiken was een gift de koning waardig. Het recht van panage vormde een deel van de huwelijksschat van de dochters van de Saksische koningen, een misoogst was een ramp. De boosheid van de inwoners bij de Noorse veroveraars die het bos tot jachtgebied maakte laat zich verklaren door het verlies aan zwijnen die er normaal in voedden

De dichters verhalen dat de eerste mensen zich ermee voedden en om die reden geloofden de Grieken dat de eik de eerst geschapen boom was. Hesiodus schreef 800v Chr.: “waar rechtvaardige mensen wonen daar is hongersnood onbekend. De Goden zullen hen honig, schapen en eiken, rijk beladen met eiken, schenken.” Volgens Plinius, in zijn verwijzing naar de wet van de 12 tafelen, dat de eiken gegeten werd door de mens voor de komst van de graangewassen, en dat in zijn tijd nog vele volken van eiken leefden.

“De stad Chios, in ‘t Eiland van dezelfde naam, hield de belegering zo lang tegen met Eyckelen te eten, tot dat ze ontzet werden.” De Spartanen zouden eens aan het orakel te Delphi gevraagd hebben of ze de Arcadiërs konden veroveren. De zieneres vertelde hen: “In Arcadië wonen veel eikel etende mannen, die zullen u terugdrijven”. In Arcadië vond men eikeneters die Balanophagoi genoemd werden. In het hongerjaar 1607 maakte men een soort brood van eiken, zo ook in 1709.

Vertaling van Ovidius:

“D’ alouden leefden bij de kruiden, groente en blaren

Die ‘t aardrijk voortbracht uit de onbezaaide grond

Nu plukten zij het gras en klaver in de mond

Dan brasten zij met loof en malse bladertoppen

Daarna was ‘t vetpot met gevonden eikenknoppen

Een aan de harde eik groeide een gewisse schat”.

(Met een eetbare eikel kan ook op een kastanje of beuk gedoeld zijn bij de ‘ouden’)

Chaucer vertelt ook van sommige, die ‘wonte lightlie to slaken hir hunger te even, with akehornes of okes’.

 

Religie.

(86) Kom je in de verheven stilte van een eikenwoud lijkt het alsof een stem je toeroept: “De plaats waar je staat is een heilige plaats”. In het geheimzinnige gefluister van de bladeren, in het machtige optreden van de stam zal je de god van de wouden erkennen en zijn macht zien. De mens die in deze heilige dome geen spoor voelt van aandacht en vrome verhevenheid, die is volledig afgestorven voor het hogere zijn.

In vroegere tijden was de eik de personificatie van onverwoestbare levenskracht en het symbool van het eeuwige leven. Als leven gevende boom speelt de eik in religieuze geschriften een grote rol. Men had de gewoonte om in nood bijstand te zoeken bij de goden die met de eiken waren verbonden. Daardoor werden eikenbomen die alleen staan of in kleine groepen groeiden, vaak objecten van afgoderij. De eik was dan ook met de oudste natuurreligieuze mythen en erediensten van de Europeanen verbonden, in het bijzonder met die van de Grieken, Etrusken, Germanen, Kelten en Scandinaviërs. Verder zien we de eik ook bij de Joden terugkomen.

Grieken.

We zien die verering bij de Grieken, waar de eik aan de oppergod Zeus gewijd was. Zeus werd getooid met bladeren van dit symbool van kracht. 

‘Magna jovis antiquo robore quercus’, Virgilius Georg. 3.332 “Aesculus Jovi sacra”.

Er bestonden twee Dodona’ s.

1)    De Thessaloniers dat de verklaarders van het Homerische gedicht bij de stad Skotusa leggen en:

Het meer bekende Thesprotische orakel te Dodona te Epirus, ten oosten van het bronrijke Tomaros gebergte. Daar stond een geweldige oude eik. Uit het ruisen van de eikenbladeren en het gemurmel van de mysterieuze sprekende bron in zijn nabijheid kon men de wil van Zeus te weten komen. Bron en boom waren onafscheidbaar van elkaar. De eik bereikte, volgens het oude geloof, met zijn wortels de onderwereld, terwijl zijn kruin de hemel naderde. De bron” anaparomenos” was altijd in beweging. De stand van het water veranderde, ‘s middags was die het laagste en dan begon het water te stijgen om precies middernacht de hoogste stand bereikt te hebben. Eens waren twee zwarte duiven (zielenvogels) uit Egypte komen vliegen en hadden zich in de boom neergezet. Ze spraken met menselijke stemmen en bevalen dat daar een orakel aan Zeus gewijd moest worden. Ze zeiden: “Zeus was, Zeus is, Zeus zal zijn”. Sindsdien leefden er honderden duiven in het woud. Uit de vlucht van de vogels en uit hun gekir, uit het ruisen van de bladeren en uit het murmelen van het bronwater verklaarden de priesteressen de wil van Zeus. ‘s Nachts begaf men zich met brandende fakkels naar de boom en bad tot de goden. In loden plaatjes werden vragen gegrift die bij de eik werden gezet, waarna men door middel van priesteressen antwoordt op de vragen kreeg.

De Griekse tragedieschrijver Aeschylos (Wiens naam ook een verbinding heeft met de eik) zei hiervan: “ Hij is een niet te geloven wonder, een spijseik met zoete vruchten en altijdgroene bladeren.” Hij noemde de eik de eerste voedselschenkster der mensheid. Zeus was hier vooral een vruchtbaarheidsgod. (In noordelijke streken, waar geen eetbare eiken zijn, lag het zwaartepunt meer op het geestelijk leven). Deze eik zou de oudste van Griekenland zijn geweest. In het jaar 219 voor Christus werd dit orakel geplunderd door de Aetolische veldheer Dorimachus. Toch werd het nog drie tot vier eeuwen na Christus geraadpleegd, totdat een rover de boom omverhaalde. Er zouden nu nog resten van dit orakel te zien zijn.

Ovidius spreekt in zijn 7de boek der herscheppingen van een heilige eik, uit zaad van het woud van Dodona gesproten:

“Hier bloeide bij geval een Eiken, zonder schade

Van onweer, in de lucht gesteigerd met zijn kroon

Uit Dodoonsch boschzaad opgewassen trotsch en schoon

En Jupiter gewijd..”.

Zo verhaalt ook Virgilius van een gewijde eik:

“Mincius boort hier met smalle bladen

En riet den oever, en men hoort bijen brommen

Op Gods gewijde eik...”

In de Argonauten sage lezen we dat de kiel van het schip, die de ziel van de boot is en hun naar hun bestemming moest leiden, uit de heilige eik van Dodona gehaald was. Zoals de eik met de gave van profetie was uitgerust zo ging dit waarzeggen op het gehele schip over. Tevens namen ze een waarzegger mee die de kunst verstond om uit het steunen en kreunen van het schip en andere voortekens te profeteren wat in het donker verborgen lag. Blijkbaar werkte dit goed want het lukte hen behouden thuis te komen met het Gulden Vlies. Dit verhaal zien we ook bij de Britten, met de “Hearts of oak” worden de schepen en zeelieden van de Engelse marine bedoeld. Zijn oude naam, ‘father of ships’ is ook duidelijk.

Tenslotte kan vermeld worden dat de Griekse wijsgeer Socrates de gewoonte had eden te zweren onder een eik.

 

Gouden tijd.

In de gouden eeuw drupte er honing van de eik, men leefde in vrede zonder beschutting dan zijn takken. In de zilveren eeuw verlieten ze die bedekking en haalde de takken er af voor hun hutten en isoleerden zich zelf en stapten af van hun primitieve gewoontes. In de bronzen eeuw vormden ze wapens van de het hout. In de ijzeren eeuw kwam de tijd van kwaad en geweld, de eiken werden geveld om als schepen te dienen, daar waar ze ooit gezegend waren. Erisichthon, de wetteloze en redeloze beval zijn dienaren om een eik om te hakken in een bos van Ceres. Zij, bang voor de boosheid van de god voor zulke gruweldaad, debatteerden met hem wiens boosheid niet verminderde, integendeel, hij pakte een bijl en velde de boom zelf. Een toeschouwer die naar voren reikte om de bijl weg te nemen kreeg die in de nek waardoor zijn hoofd enkele meters verder rolde en de wortels in het bloed baadde.  Nu furieus hakte Erisichthon de eik met zo’n energie dat die te midden van het brullen van de omstanders viel. Uit de gevallen boom kwam een stem die zei: “Ik, die in deze boom leef, ben een nimf van Ceres en in mijn doodsuur waarschuw ik je voor straf”. Dit kwam al gauw. De goddeloze werd tot een oneindige honger veroordeeld. Hij gaf al zijn geld aan voedsel uit, at constant maar niets voedde hem en stierf tenslotte kauwend op zijn eigen vlees.

Beschrijving: dUit de eik geboren.

Bij de Grieken leefden de Dryaden en Hamadryaden in eiken en andere bomen. Het waren schutgeesten wier leven met dat van de boom een was, ze stierven met deze en ieder houw in de stam of twijg was een wonde voor deze boom nimf. De Hamadryaden vooral waren innig verbonden met deze bomen, ze werden ermee geboren en vergingen met hen. Men verhaalt dat ze soms uiterste dankbaarheid betoonden aan hen die hen van de dood bevrijdden, terwijl anderen, die de bomen niet sparen en naar hun gesmeek niet wilde luisteren, wreed gestraft werden. Deze nimfen leefden zeer lang, zoals Ausonius, naar Hesiodus, betuigt:

“Het is een grote ouderdom, als iemand die van 96 jaren bereikt. Deze ouderdom overtreft die van de praatachtige ekster negenmaal, en een ree overleeft viermaal de ekster. De raaf leeft driemaal langer dan een ree, de Phoenix verdubbelt negenmaal de levenstijd van die van de raaf. Maar de Hamadryaden gaan deze vogel tienmaal te boven in veelheid van jaren; want zij hebben ‘t langste leven”.

Bij Apollonius Rhodius, een Grieks dichter, vinden we een van die Hamadryaden, die op de volgende wijze een houthakker tracht te vertederen:

“Luid door de lucht weergalmt de woudmans slag

Als een stemme droef klinkt uit de eik

Och, spaar mijn leven, spaar een maagd, die beeft!

Och, hore de Hamadryade beve

En dat die wrede bijl niet langer galmt!

Bewaar de boom, waartoe mijn leven hoort

Zie hoe mijn bloed uit bast in stromen vloeit

Ik zwijm, ik zink, ‘k verga door uwen slag”.

Von Perger (Pflanzensagen) spreekt van Iwidien die in de Noorse mythologie dezelfde rol spelen.

Zo denken de Indianen dat de holen van de bomen deuren zijn waar de boomgeesten in- en uitgaan. In Germanië gelooft men, dat deze gaten banen voor de elfen vormen en dat, indien men deze holen aanraakt, vele ziekten genezen kunnen worden.

Mensen werden in bomen veranderd. Men leze de “Herscheppingen” van Ovidius. (187A) De twee lieve oude mensjes, Philemon en Baucis, werden door Zeus in bomen veranderd. Philemon in een linde en Baucis in een eik.

Men geloofde ook dat de mens uit een eik ontsproten is. De Engelsen noemen dit tree-descent. Virgilius verhaalt in zijn achtste boek van: “een slag van mensen, uit struiken en harde eiken geboren”. Bij Juvenalis leest men: “In de wieg der tijden, in die nieuwe wereld. Hoe leefden zij anders dan wij. Zij, de eerste mensen door niemand voort geteeld, ontsproten uit de flanken van een eik of uit een kleiklomp”. Ook in Griekenland werd de eik beschouwd als zijnde de teler van ‘t mensdom. In de Odyssee staat toch: “Gij stamt toch niet van de eik, noch van de rotsen?”

 

Zielsverhuizing.

Over de hele wereld zie je dit idee verschijnen. De zielen van de mensen verschijnen als witte gestalten en vaak als dwergachtige wezens, de Heinzelmannchen, waaronder men de dode huisgenoten ziet die hun gewone arbeid verrichten. Ook neemt men vaak aan dat de gestorvenen in dieren en planten veranderen of dat ze als kinderen opnieuw geboren worden, de zielsverplaatsing. Planten en vooral bomen komen voor als zielsverplaatsingen. Zo men aanneemt dat de geesten het dichte bos bewonen gelooft men dat ze voor de dag aanbreekt in dikke bomen verbergen die je dan niet vellen mag. Ook de bomen op graven gelden als een verkorpering van de doden. Ook de gedachte dat de pas geleden gestorvene zich in nieuw geboren kinderen verpersoonlijken is wijd verspreid. Dit komt tot uitdrukking bij het gebruik om de kinderen de naam te geven van de pas overledene grootouder. Bij de Joden bij de pas geleden gestorven verwanten.

Verder komen ze voor in diergestalte en komen als muis of bij uit de mond van de slapende tevoorschijn en keert voor het wakker worden terug. Diegene die door een beer gedood is wordt zelf in een beer veranderd. Een interessante theorie wat de vaak als lijken etende dieren, raaf, wolf, als totemdieren verklaart.

Als oak of weeping werden er de doden onder begraven, de zielen kwamen dan in de machtige eik. Zijn wortels kwamen dan ook tot de Hades.

 

Romeinen.

De Romeinen noemen de eik ook diverse keren. Zo wordt vermeld dat Romulus, de stichter van Rome, de wapens van de koning van een naburig vorstendom aan een eik hing. De geroofde wapens van de vijand en de buit werden openlijk voor de ogen van het hele volk aan een eik opgehangen wat betekende dat de verkregen zege in eeuwigdurende gedachtenis zal blijven. Het gevolg was dat deze eik door het volk als heilig werd beschouwd en men daar een later beroemde tempel ter eren van de oppergod Jupiter bouwde. De verering van de boom ging zo ver dat degene die deze eik durfde te schenden of van zijn bladeren beroofde, met de dood werd gestraft. Eikenbladen werden ook gedragen op het feest van Ceres, omdat eiken het eerste voedsel van de mensheid waren geweest.

Een ander gegeven is dat, als een Romeins burger het leven werd gered, de redder getooid werd met een krans van eikenbladen. Het was een godsloon voor de schoonste daad die men zich kon voorstellen. De redder had hetzelfde gedaan als de eik, hij had het leven opnieuw geschonken aan zijn medemens. Alciatus schrijft: “Servanti civem querna datur”, “men geeft een eikenkroon aan hem die een burger heeft behouden”. In het Romeinse rijk werd het ook gewoonte die krans te geven aan mensen die het rijk gered hadden. De eikenkroon vergrootte de ijver en moed van de Romeinse krijgslieden, er zijn er die beweren dat Rome met twee- driehonderd eikenkronen de wereld veroverd heeft. Scipio Africanus weigerde zo’n eikenkrans omdat hij zijn vaders leven had gered en dat hij die actie voor zijn eigen deed. Men vatte het op als het redden van vele mensenlevens en zo langzamerhand ging de oude symboliek verloren. Soms was het een zinnebeeld van vrijheid en burgerlijke deugden. Een ridderorde voor burgerlijke verdiensten was die van de eikenkroon, soms was het een symbool van kracht en werd speciaal verleend voor dappere oorlogsdaden, waar het meer gaat om vernietigen van mensenlevens dan te behouden.

Romeinse penningen werd een eikenkrans afgebeeld.

De Romeinse dichter Ovidius verhaalt in zijn “Metamorfosen” dat niet alleen een enkele boom, maar ook kleine eikenbossen uitgezochte plaatsen waren voor altaren en tempels. Hij meldt voorts dat de eik van Demeter met allerlei voorwerpen behangen was.

Bij Romeinse huwelijken droeg men eikentwijgen als een zinnebeeld van vruchtbaarheid.

Zelfs na de invoering van het Christendom legde men geloften af onder een eik. De Romeinen en Grieken hadden de eik aan Jupiter gewijd, Quercus Jovis. Men ging zelfs zo ver te beweren dat het Duitse woord Kirk, onze kerk, zou afstammen van Quercus. (349)

Op het landgoed van de Flavische familie stond een oude eik die aan Mars was gewijd. Toen Vespasia, de moeder van keizer Vespasianus, haar eerste kind, een meisje, ter wereld bracht, schoot de boom een nieuw lot, die klein bleef en weldra verdorde. De nieuwgeborene haalde geen jaar. Toen ze het licht schonk aan Sabinus, die praefectus urbis werd, schoot de boom een sterkere twijg die groot geluk voorspelde. Maar bij de geboorte van de toekomstige keizer schoot een derde tak op, een boom gelijk, het kind zou op de troon komen Andere volkeren

De eik zien we eveneens regelmatig terugkomen bij andere volkeren uit de oudheid. Bij de Ertussen was er een heilig eikenwoud bij de stam Capella aan de voet van de berg Schorste. (349)  De Semnoen hadden een woud dat zo heilig was dat zij het enkel gebonden betraden. Het woud van de Nahanarvalen was een aloud heiligdom. De heilige wouden der Arianen, Angelen en Varianen waren door Hertha bewoond. Volgens een oud‑Friese wet moesten schenners van de tempelwouden aan de goden geofferd worden. Bij de Esten was het een heiligschennerij om een blad van het heilig woud af te plukken. In het geheim begroeven zij er hun doden. Volgens een wet van de Ostrogothen mocht iedereen alle bomen in het gewone woud kappen, uitgezonderd hazelaars en eiken, want dat waren bomen van vrede en mochten niet geveld worden. De Pruisen hielden, ter eren van hun god Perkunos, een gestadig vuur van eikenhout.

Het eiland Bujan is een soort aards paradijs in de Russische volksoverleveringen. Daar stond een heilige eik, waarop de zon elke avond ging slapen. Iedere morgen stond hij uit de kruin van de boom op. Daar woonde de goddelijke maagd Zarja: dageraad. Hij werd bewaakt door de draak Garafena.

In Litouwen vind je nog enkele voorbeelden van oude bos afgoderij. Ze werden pas in de 15de eeuw bekeerd. Dit is een rustig volk, zelfs als er verwoest wordt, ze worden veel in bossen begraven die ze verafgoden als plaatsen van godheden en geheime afgoderij tot in deze dagen op eenzame plaatsen. Offergaven van mensen werden geplaatst aan de voet van de grootste eik en de hoofdpriester, de krive die ook een rechter is, is hoofd van een priesterschap van een orde van 17priesters van bosafgoderij.

Een andere gewijde eik stond te Wehlau, hij had aan de grond een stam met een dikte van 27 ellen. Er was een hol in, zo groot, dat een ruiter er zijn paard in keren kon. De Pruisen aanbaden daar verscheidene Goden, en hielden er, door middel van melk, slangen te hunner eren.

Kelten.

Beschrijving: floraHet druïdismus der Kelten steunt voornamelijk op bomenverering, de naam zelf bewijst het. Druïde komt van het Keltische derf of derv: dat eik betekent: “Men noemt de priesters druïden naar de eredienst die zij de eiken bewezen.” Op hun feesten tooiden ze zich met eikenlover.

De verhalen over de eik bij de Kelten hebben veel overeenkomst met die over het eiland van de zaligen, uit wiens kruin de zon iedere dag zijn weg begon. (zie Malus)

Plinius vermeldt (Nat. hist. xvi, 249-251) dat hij op de zesde dag van de nieuwe maan een ceremonie van de druïden had bijgewoond aan de voet van een eik. Dit gebeurde op Balder’ s geboortedag, als de grootste zonnezwakte over is, in juli of op nieuwjaar. Volgens Plinius was de belangrijkste feestdag daarbij het nieuwjaarsfeest. Voor de Gregoriaanse tijd was dit een paar weken eerder dan nu, vermoedelijk de dag met de langste nacht. De betreffende ceremonie speelde zich af bij een boom met zeldzame begroeiing van maretakken. Naar zo’n koning van het woud gingen de druïden in het midden van de winter om het de verschuldigde eer te bewijzen. Over zulke eikenwouden die tot tempels dienden, schrijft von Perger: “Ieder hoogstammig woud draagt het merk van het verhevene, doch geen zo zeer als een woud van honderdjarige eiken. Daartoe helpt dat ieder eikenwoud heldere plaatsen bezit en gelijker tijd kostelijke schaduw aanbiedt. In het lommer van zulke reuzenbomen en in het gedruis van hun lover voelde de mens de nabijheid van de goddelijke macht, hij omheinde het heilige woud met een dichte haag; hij liet de godheid zelf in de kruinen der eerbiedwaardige bomen wonen en de offerande op de altaren brengen welke hij onder hun twijgen had opgericht’. Het woud gold als tempel en, gelijk in de tempel alleen de ingewijden het allerheiligste betreden mocht, zo was het ook het geval met het heilige woud, waar, zo schrijft Tacticus, niet alleen geen boom geveld, maar geen enkele boom van zijn twijg of tak beroofd mocht worden. Ovidius verhaalt over het heilig Aventijnse woud via A. Hoogvliet:

“Een heilig woud, rondom beschaduwd en besloten

Met eiken, die de kruin schier aan de wolken stoten

Lag aan de opgang van de heuvel Aventijn

In ‘t midden sprong een beek van vloeiend kristallijn

Uit een “bemoste” rots, en ruiste door de dalen

Die ‘t woud maar aanzag, zei: hier moet een Godheid dwalen”.

Een Vondel, naar Virgilius:  ... Dees landouwe

Bosschaadje en steenrots zijn zoo vroeg bij ‘t volk geweest

Een God, men twijfelt wie, zegt hij; een hemelsch geest

Bewoont dit bosch, dees kruin des heuvels, dicht van boomen”.

Uit Redoute.

Germanen.

Bij de Germanen was de eik bij de meeste stammen een heilige boom. Vanwege de aantrekkingskracht voor de bliksem werd dit nog versterkt. Het waren immers de goden die de bliksem vanuit de hemel slingerden. Overal vinden we het geloof dat de eik als geliefde godenboom de bliksem aantrok en het vuur erin verdween. Zo’n boom werd dan “het graf der bliksemvlam”. Bij de Germanen was de eik aan hoofdgoden als Wodan en Donar gewijd, juist vanwege deze aantrekkingskracht voor de bliksem. Zo verkreeg de eik de kracht van het vuur. Niemand waagde het een heilige eik van zijn blad of loof te ontdoen. Dat recht de boom te vernietigen had alleen Donar die met zijn vuurstraal de trotse eik treft zodat zie getroffen ter aarde stort. Virgilius zegt dat de eiken, door bliksem getroffen, voorspellende bomen zijn. “De caelo tactas memini praedicere quercus”. Vrij vertaald:

“Een eik kon vooraf van ‘t ongeluk gewagen,

door zware donderkloot geplet of neergeslagen”.

Het heilige eikenbos mocht alleen maar door de offerende priester betreden worden. Ongewijde durfden zonder gevaar voor goed en bloed daar niet te komen, geen stap werd er in gezet. In de heilige duisternis zaten de priesters die naar het ruisen van de bladeren luisterden om het volk de zich daarin bevindende boodschap van hun god te verkondigen. Onder die donkere eikenkronen verzamelden zich alle jaren tegen voorjaar onze Germaanse voorouders om de god te vragen kou en vorst te bannen en de lachende lente terug te sturen. Op die heilige feestdag stroomde een grote mensenmassa uit en groepeerde zich onder de geweldige geitenkampioen die

met loof en bloemen bekranst was en geslacht werd op de offersteen. Rondom de stenen altaar was een kuil die voor de opname van het offerbloed was. In het bloed van het offerdier, dat in het gat viel, doopte de offerpriester zijn vinger en ging naar de met bloemen versierde eik en besprengde die met het verzoenende bloed. Hierop bevestigde hij het hoofd van de bok aan de heilige boom. Het vlees werd in een grote ketel gelegd en kookte op het heilige vuur waar iedereen in wilde vreugde omheen danste tot de offermaaltijd gehouden werd. Voor ze zelf aten zetten ze onder de heilige eik een beker met bier voor Donar gevuld, zodat die zijn dorst kon stillen en hun genadig zou zijn.

Brak er eenmaal pest of boosaardige ziektes uit zo snelden onze voorvaderen in grote angst om hun leven naar de heilige eikenboom en vroegen, via de opperpriester, om hulp en bijstand. Isidorus schrijft dan ook dat de naam Quercus komt van quaerere: zoeken, omdat de heidenen het als gewoonte hadden in hun nood bijstand te zoeken bij de afgoden in eikenbomen gesteld.

Zo verzamelden ze zich ook in de heilige eikenbossen als er een besluit moest vallen of de vrede gehandhaafd zou blijven of oorlog en krijgsgetrommel de oogsten verwoesten zou. Die oude reuzen waren getuigen toen sterke zonen de vrijheid liefhadden en bloed en goed eraan waagden om de vaderlandse bodem van vreemde heersers te bevrijden. In die donkere eikenhagen lagen ook de eretekens die de dappere helden met eergevoel tevoorschijn haalden zo gauw het krijgsrumoer begon. Komen ze als bevrijders van het vaderland terug dan ontvingen de overlevenden kransen van eikenloof die de overwinnaars op het hoofd gezet werden. Voor hen gold zo’n eikenkroon voor meer eer dan een gouden vorstenkroon. Het gebruik om overwinnende krijgslieden een eikenkrans op te zetten heeft zich lang volgehouden.

Het geloof in de heiligheid van de eikenboom wortelde diep in het gemoed van onze voorvaders zodat de eerste boden van het nieuwe geloof vaak vergeefs daar tegen vochten.

In Coriolanus zegt Shakespeare “To a cruel war I sent him, from where he returned his brows crowned with oak”.

Het geloof in de heiligheid van de eikenboom wortelde diep in het gemoed van onze voorvaders zodat de eerste boden van het nieuwe geloof vaak vergeefs daar tegen vochten.

 

Rechtszittingen.

Soms speelde de boom een rol als godsgericht boom en daarmee in de rechtspleging. Dit zien we ook bij de bomen waaronder door de plaatselijke leiders recht werd gesproken. Lang is er nog vergaderd onder zulke bomen en werd er rechtspraak gehouden, bijvoorbeeld bij de beroemde (201A) Upstalboom die zich een halve mijl buiten Auricht in Oost-Friesland bevond. Deze boom bestond uit drie dikke eiken die voor het grootste deel met elkaar vergroeid waren. Nog in het jaar 1323 blijkt deze boom een rol te spelen bij beslechting van geschillen. Wegens de aldaar heersende verdeeldheid tussen geestelijken en wereldlijke werd bij de boom een vergadering op Pinksteren gehouden. Naar verluidt zat men onder de boom op een zodenbank, terwijl rondom de tenten waren opgeslagen.  Zoals als Zeus een eik had zo was dit de machtige Odin’ s eik. Bij deze boom te Upsala stond de grote Noorse tempel van Odin die de beroemde boom van Dodonae evenaarde.

Rechtszittingen vonden bij de Germanen plaats onder een oude boom, meestal een eik, een zogenaamde dingboom. De eeuwenoude zomereik bij het kasteel Doornenburg in de Betuwe is hiervan een voorbeeld. Dinsdag is zo genoemd naar Ziu, de god van oorlog en recht, maar werd ook als dingsdag geschreven, omdat men de naam van deze dag in verband bracht met rechtspraak. Vergelijk hiervoor dingspil: rechtsgebied, dingtaal: pleidooi, dinghuis: gerechtshof, in het geding.

Op het hoofdfeest van Thor en Odin, de Yuldag, (Kerstmis) smeekte het volk hen om een gunstig jaar. Men was gewoon op die dag een groot eikenblok, de hem geheiligde boom, te branden als een zinnebeeld van de warmte en het licht van de zomer die de duisternis en de koude van de winter zou verdrijven. (zie kerstboom)

Odin stak de Balmung in de Branstock boom, een eikenboom die in het Volsung paleis stond.  Vervolgens zei Odin dat diegene die het zwaard eruit kon trekken ervoor bestemd was om te winnen in veldslagen. Negen Volsung prinsen probeerden om het zwaard eruit te halen, alleen de jongste lukte het. Zijn naam was Sigmund. Odin vernielde de Balmung in een slag maar die werd weer hersteld en Siegfried gebruikte het tegen Fafnir. (zie de verhalen van Arthur)

Uit J. Strutt, oaks te Burley, called the Twelve Apostles.

Joelfeesten.

In Baden werd een eikenpaal met het paasvuur aan te top wat aangebrand, die paal werd dan thuis zorgvuldig bewaard en bij dreigend onweer in het haardvuur gelegd zodat de bliksem niet insloeg. In Rheinpfalz vond met paaszaterdag de Osterbrenn plaats. Dor eikenhout werd in gewijd vuur aangebrand en dan snel naar huis gedragen. Met de rokende paal ging men door kamers en stallen zodat dan in de zomer de bliksem niet insloeg. Vele mensen staken bij naderend onweer de paal weer in het vuur tot ze rookte en gingen dan daarmee door de kamers. In al deze volksgebruiken verschijnt de eik als een boom van het vuurcultus. Vuurculten worden vaak verenigd met vruchtbaarheidsculten.

Zo spreken de Serbokraten en Zuidslaven, als ze met de badnjak in het vuur roeren zodat vele vonken opvliegen, zoveel vonken, zoveel schapen, geld, kippen granen, manlijke kinderen en het meeste leven en gezondheid. Daaraan werd herinnerd dat de dondergod Donar ook de rol van vruchtbaarheidsgod speelde, donder en vruchtbaarheid, de bevruchtende regen. De badnjak werd op sommige plaatsen met koren bestrooid en met wijn overgoten of met olie en gezouten water onder de woorden: Kristos se rodi: Christus is geboren. Het belangrijkste bij deze vuren was het branden van het Joelblok, het latere kerstblok. Een stobbe van eikenhout werd ten dele verbrand, dit was waarschijnlijk een magische rite die tot doel had het nieuwe leven te laten terugkeren. Oude vuren werden gedoofd en nieuwe vuren ontstoken door hout op hout te wrijven en zo ontstond het zuivere maagdelijke vuur. We komen dit “zuivere vuur” tegen in de naam van het zogeheten noodvuur (nodfyr, waarin nood- verwant is met het oud-Hoogduits nuan: stuk wrijven) Met dit vuur werden de andere vuren aangestoken. Dit gebeurde op de avond voor de feestdag want ook de Germanen rekenden de avond tot de volgende dag, zie bijvoorbeeld St. Nicolaas wat gevierd wordt op 5 dec. terwijl 6 dec. zijn naamdag is. (88, (1932)

In de as zat de heilige boomziel, die vruchtbaarheid en groeikracht bracht, verspreidde men over de akkers.

In die donkere voor christelijke dagen werd hier het Joelfeest gevierd als een angst dat het licht niet meer terug zou komen.

Het Joel- of Julfeest heet in het oud-Noors jol en in het Angelsaksisch geohhol. Hiervan werd de naam van de feestmaand afgeleid, de Gotische benaming voor de wintermaand, jiuleis: november en december. In het oud-Noors heet dit ylir, dit is het grote midwinterfeest van de Germanen. De naam jul is alleen bewaard gebleven in Scandinavië en in Engeland als yule.

Het Engelse christmasblok of yule clog is vrijwel gelijk aan het Zweedse julblok, julabrasa (brasa is aangebrand hout)

Om te voorkomen dat het blok niet geheel verbrandde werd ze overgoten met wijn. De as werd wel op Maria’s boodschap, 25 maart in het graan gestrooid of ondergeploegd.

 

Holland.

Ook in onze streken kwamen volop eiken voor. Voor de vorming van het IJsselmeer zou daar een woud vol met duizendjarige eiken gestaan hebben, vanaf Workum tot Kinheim (een zo in de negende eeuw genoemde landstreek te Texel) Het woud en de zich daarin bevindende heilige tempel zou vernield zijn toen de heilige Willibrord, de apostel der Friezen, zich te Rome bevond en er op een nacht een geweldige storm opstak. Die storm zou alle bomen in geheel Friesland omver geworpen hebben. Het is begrijpelijk dat de bevolking dit een groot wonder vond.

Tussen Groet en Petten ligt Hargen, een naam die zeer oud is en aan het Angelsaksische harg: kerk herinnert. Daar bij de onmetelijke, als goddelijk vereerde zee, lag waarschijnlijk een heiligdom in de voorchristelijke tijd. Deze veronderstelling wordt bevestigd door de stichting van een der 5 eerste christenkerken van Nederland te Petten. Bij voorkeur werden christelijke kerken op de voormalige heilige plaatsen opgericht.

(201A)  De naam loh, lo(o) is met licht en luchten verbonden, loch, Waterloo, Oslo: Asenlo. Maar vooral aan open plaatsen in het eikenwoud. Zeker is dat het Germaanse woord lohe ook vuur en verbranding betekende en in ons lichte “laaie” en in looien wordt dit woord teruggevonden. De werking van de looistof op de dierenhuiden is enigszins met een verbranding te vergelijken. Lochem is vanouds beroemd om zijn leerlooierijen. Daarom is het woord lohe vooral bestemd bij eikenbossen die de onmisbare looistof leveren. Hieruit kunnen we leren dat een open plaats in een eikenbos zoals bij Heilo, het oude Helichelo, de betekenis had van het heilige lo. (wat zou Woensel anders betekenen dan Wodanslo).De overlevering gewaagt ook van een heilige bron te Oesdom bij Heiloo, de Runksputte, waar later een kapel ter eren van Maria is gesticht tot aandenken aan het wonder van Willibrord. In de naam Runksputte ligt een herinnering aan het Angelsaksische run: geheim. Naar alle waarschijnlijkheid is door de geestelijke kroniekschrijvers het mirakel van Willibrord uitgevonden om de herinnering aan de voorvaderlijke runen uit te doven.

 

Afgoderij.

Servius verhaalt dat er oudtijds geen bos zonder godsdienst was: “Nunquam est Luctus sine religione”, zo ook Tacticus, Germaniaca Cap. IX, Herodotus Hist. Lib. IV die verzekeren dat nog de Scythen nog de oude Germanen beelden of tempels hadden omdat de godheid niet door een muur besloten of afgebeeld kon worden. Plinius van deze bossen sprekende zegt: “Haec fuere Numinum Templa”, “dit zijn de ware tempels der Goden.” Hij voegt er aan toe dat men geen betere godvruchtigheid bewees aan de rijkste beelden, “quam Lucos & in iis filentia ipsa” dan aan de gewijde bossen en de stilte die hierin heerst.

De verering van de eik ging door tot de vroeg christelijke tijden. De eik werd door de christenen duivelse invloeden toegedacht. In een Griekse legende gaat zijn wortel naar de hel maar in vroege Christelijke verhalen gaan zijn takken naar de hemel. De verering van die heilige bomen was de geloofsverkondigers dan ook een doorn in het oog. Zo berichtte bisschop Bonifatius aan Paus Zacharias dat de nieuwjaarsnachten voor bijgelovige doeleinden werden misbruikt. In het jaar 743 werd op het Concilie van Leptines de zogenaamde “Indiculus superstitionum et paganiarum” opgesteld, een omschrijving van bijgelovige en heidense gebruiken die verboden werden. De voorzitter van dit concilie was Bonifatius. Tijdens zijn leven heeft die dan ook verscheidene heilige bomen met de grond gelijk gemaakt. Dit was onder meer het geval met de Donar-eik in het Duitse Geismar. ((88, 1942, 88, 186) Om hier een krachtige daad te stellen en de gelovigen te overtuigen besloot hij de heilige eik om te hakken. Door zijn gezellen begeleid begon hij aan de taak. Het heidense volk stond vol woede om hem heen en hoopte dat hij, de vernietiger, een ongeluk zou overkomen. Toen ze de machtige eik voor hun ogen zagen vallen zonder dat Donar zijn gevreesde hamer liet neerkomen gaven velen zich over tot het nieuwe geloof en lieten zich dopen. Het hout hiervan werd gebruikt voor de bouw van een aan Petrus gewijde kapel en een kruis.

De Witte en Zwarte Ewoud, zo genoemd naar hun haarkleur, waren met Willibrord meegekomen uit Engeland om de Saksers te bekeren. De twee priesters brachten de nieuwe oosterse leer op een plaats waar later Coevorden zou ontstaan en vernietigden het tempeltje met altaar en de heilige eik, de centrale plaats van de eredienst van de bewoners. Omstreeks 695 na Chr. werden deze priesters voor hun daad dan ook vermoord. Het was ongeluk om zo’n heilige boom te kappen.

De Vicar’s Oak in Surrey werd zo omgehakt door twee man, een verloor zijn oog en de ander brak al gauw een been.

Van de Pruisen wordt verteld dat zij hun goden vereerden onder de grote eik van Romove. Dit was een altijdgroene eik die een stam had van zes ellen (een el is ca. 70 cm) dik. Deze eik was omhangen met een zijden voorhangsel van acht ellen hoog die door de priesters alleen op feestdagen opzij werd geschoven. Deze boom werd na de invoering van het christendom omgehakt. Verder was er onder meer bij Heiligenbeil een altijdgroene heilige eik. Deze was door de eerste koning van Pruisen, Waidewutt, geplant en gewijd aan de god van eten en drinken, Gorcho. Van deze boom wordt verteld dat bisschop Anselmus hier predikte en gebood de heidense boom te vellen. Toen dit niet gebeurde, liet hij dit een christen doen. Deze werd echter bij de eerste slag zo gekwetst dat hij stierf. De Pruisen jubelden. Toen deed de bisschop het zelf en hem gebeurde niets. Daarna liet hij vuur brengen en verbrandde de boom en zo ook het godenbeeld van Gorcho.

Uiteindelijk heeft Paus Gregorius het zelfs nodig geacht om via een zendbrief de verering van eikenbomen te verbieden. Die brief was gericht aan een kerkvergadering te Frankfurt am Main in het jaar 784. Toch duurde bij de Friezen en de Saksen de verering van eiken nog tot in de elfde eeuw. Toen liet de bisschop van Bremen alle heilige bomen in die streken uitroeien.

 

Irminsul.

(349) Ook bekeerde koningen en keizers weerden zich bij de vernietiging van de heilige bomen. Na een kerkvergadering te Worms ondernam Karel de Grote, naar een besluit in 772, de grote bekeringsoorlog die eindigde met de inlijving van de Saksers bij de Franken. De vernieling van hun nationale heiligdom, de Irminzuil, betekende het einde van de staatkundige zelfstandigheid van de Saksers.

De Irminzuil zou meer een wereldzuil zijn geweest, een zuil die van de aarde tot de poolster reikte en waar alles om heen draaide. (187A) Een Duitse schrijver, Rudolf van Fulda, verhaalde omstreeks het jaar 850 over de Saksen: “Aan loof dragende bomen en bronnen bewijzen zij een goddelijke eer. Ze hebben zelfs een houten stam van grote omvang opgericht die zij onder de blote hemel vereren. Zij noemen die zuil Irminsul, wat in het Latijn betekent: Universalis columna”: alzuil. In hun taal zou het woord betekenen: ‘ziel van het heelal, die als het ware alles ondersteunt’. Een soort Yggdrasil. In de domkerk van Hildesheim staat nog altijd een Irminzuil die dienst doet als kandelaber die nu een zilveren Mariabeeldje draagt met het Kind. Het zou afkomstig zijn van bisschop Bernward die in 1050 ook de bronzen vleugeldeuren onder het orgel liet gieten. Men heeft er een gedenkteken in willen zien, ter herinnering aan de zege van Herman of Arminius in het jaar 9 op de Romeinen. Later zou het, bij nadering van Karel de Grote, in de grond verborgen zijn waar het later werd opgegraven.

Irmin, de mythische oppergod van de Hermionen, Irmin of Er vanwaar de oude naam voor de vesting Eresburg, een andere naam voor Wodan.

Op de Kapornische heide bij Koningsberg stond, beweert men, vroeger een overoude eik met vier grote takken, hij was aan de goden gewijd en is nu vervangen door de vier broeders zuil, Vierbrudersaule.

In een van de oudste oorkonden van het jaar 855, van de Veluwe komt eenmaal de naam Urthunsula bij Putten voor. Die naam herinnert aan de irmen-sul van de Saksers. De naam irmin, eormen, hermen of herman was een van de vele namen die door verschillende volksstammen voor hetzelfde begrip werden gebruikt. In Westfalen ligt nog het dorp Ermensulen.

De naam Irmin is waarschijnlijk nog bewaard gebleven in het Gelderse plaatse Ermelo, eertijds Irminlo, een heilige plaats in het bos van de god Irmin.

De bewijzen van deze eredienst vertonen zich in de namen Irmenwagen  en Irmens-strasse die men aan de Beer en de Melkweg gegeven heeft.

 

Eikenorde.

Hoewel met de komst van het christendom de eik dus te vuur en te zwaard werd bestreden, kon het idee daaraan toch niet geheel en al uitgeroeid worden. Een voorbeeld is de in het jaar 722 door Ximenes ingestelde ridderorde van de eik. De aanleiding daarvoor was een gewonnen veldslag tegen de Moren toen hij tijdens een gevecht een kruis op een eik meende te zien. Op het witte kleed met de groene eik staan de woorden: “Non timebo millia me circumdantium” dat is ‘ik vrees geen duizenden die rondom mij legeren’.

De eikenkroon is nu een Luxemburgse orde die door Koning Willem II op 29 dec. 1841 is ingesteld. Deze onderscheiding bestaat uit een krans van eikenloof om een ster met vier stralen. De leus is “Je maintiendria” ‘ik zal handhaven’ in een eikenkrans. De orde band is oranjegeel met drie donkergroene strepen.

De helm van de zwarte prins, black prince, had een kroon van eikenbladen.

 

Bijbel.

Genesis 12: 6, 13: 18, 14: 13, 18: 1, en 8, 35: 4 en 8, 38: 28 en 30, Exodus 25: 5, 26: 1, 28: 33, 34: 13, 35: 23, 39: 24, Leviticus 14: 6, 6 en 51-52, Numeri 19: 6, 24: 6, Deuteronium 11: 30, 12: 2-3, 16: 21, Jozua 24: 26, Richteren 3: 7, 6: 11, 9: 6, 2 Samuël 18: 9-10, 1 Koningen 13: 14, 14: 23, 18: 9, 2 Koningen 17: 10 en 16, 18: 4, 21: 7, 23: 6, 23: 14, 1 Kronieken 10: 12, 2 Kronieken 2: 7 en 14, 3: 14, Psalm 1: 3, Jesaja 1: 18 en 29-30, 2: 13, 6: 13, 27: 944: 14, 61: 3, Jeremia 4: 30, 10: 3, 17: 8, Ezechiël 6: 13, 20: 28, 27: 6, 31: 14, Daniël 4: 10-12, Hosea 4: 13, Amos 2: 9, Micha 7: 14, Zacharias 11: 2, Susanna 58, Hebreeërs 9: 19, Openbaringen 18: 12.

Reeds in het Oude Testament wordt de eik diverse malen genoemd. Door zijn geweldige grootte, omvang en ouderdom was deze boom een ideale markeringsplaats die door iedereen gekend en gezien werd. Genoemd worden de eik van Mambre, de eik van Bethel, de eik van Jabesh, de eik van Tabor en de eiken van Basan. Daar vonden plechtigheden plaats, werden feesten gevierd en koningen gekroond.

In het boek Richteren komt de eik voor als orakelboom of wichelaars-eik (187A). Abraham bouwde een altaar onder een eik, net als onder die van More. Onder zo’n eik begroef Jacob dan ook de vreemde goden en op een dergelijke plaats richtte Jozua een grote steen op. Hier werd Abimelech tot koning gekroond. Ook de door God gezonden engelen zaten rustend onder een eikenboom.

Op een gegeven moment wordt gesproken over de eik der gerechtigheid: een godsgericht boom? Debora, de voedster van Rebecca, werd begraven onder de Allon-Bachuth, of de eik van geween. Onder de eik van Jabesh werden Saul en zijn zonen begraven. De profeet Hosea berispt de mensen voor het branden van wierook en offers onder een eik.

Niet alleen bomen zelf, maar ook wat ervan afgeleid was of ermee in verband stond, werd vereerd. Gewijde palen of zuilen zijn een voorbeeld van deze afgeleide verering. In het Oude Testament zijn er ook vele verwijzingen naar bosjes waar de afgoderij van Baal werd gehouden, Exodus 34: 13, Deuteronium 16: 21, Richteren 3: 7, 1 Koningen 14: 23 en 18: 19, 2 Koningen 17: 16, en dergelijke. Het voor deze bosjes gebruikte woord is “Asherah” of “Asherim”. Dit is de vruchtbaarheidsgodin Astarte die symbolisch wordt uitgebeeld in een boom zoals we kunnen zien in de herstelde sculpturen van de stad Niniveh in het oude Assyrië. 2 Koningen 21: 7 en 23: 6 waar een beeld van Asjera, dat hij gemaakt had, in het huis plaatste’. Nog worden in Palestina heilige eikenbosjes bezocht als godsdienstige centra van de bevolking, ook al is die bevolking mohammedaans of christelijk. Overigens gaat het in de tegenwoordige opvatting bij de verering niet zozeer om dat heilige bosje als wel om het zich daaronder bevindende graf van een profeet, patriarch of “heilige” (wali). Graf en eik worden gelijkelijk vereerd door Joden, Christenen en Mohammedanen: een treffende illustratie hoe trekjes uit de natuurgodsdienst door alle tijden heen onverwoestbaar aan de volksreligiositeit ten grondslag blijven liggen.

 

El.

De Hebreeuwse woorden die als eik vertaald kunnen worden zijn: elah, el, elon, ilan, allah, allo, allon of alahim. Deze woorden zijn gebaseerd op een woord dat “God” of “machtig man” betekent (El) en vormen een duidelijke verwijzing naar de houding die het volk had voor deze boom. (zie ook Phoenix) Eikenbomen -in kleine groepen of alleen staand- werden vaak objecten van afgoderij omdat het Hebreeuwse volk dacht dat er een God in leefde. De oppergod van alle goden uit het Bijbelse Kanaän werd eveneens El genoemd. Verwant met het El en Eloah van de Hebreeërs is de samenvoeging van de Arabische woorden Al en Ilah (godheid) tot de naam voor God, Allah.

Welke eik was voor de Joden de heilige eik? De profeet Jesaja gebruikt de bladverliezende eik als zinnebeeld van verval. Om die reden wordt de heilige eik vermoedelijk gezien in een altijd groene eik, die met de woorden “allah” en “allon” werd aangeduid.

Uit de.123rf.com

Heilige hulsteik?

Wellicht gaat het hier om de hulsteik of steeneik, de Ilex van Plinius, Quercus ilex L. eilige eik is herkenbaar aan het latere Grieks-Romeinse ilax of ilex wat van el is af te leiden dat ook als il gesproken werd.

(Dodonaeus) ‘In het Grieks heet deze boom Prinos en in het Latijn Ilex of Ilex major of ook Ilex major glandifera, dat is grote Ilex of grote eikel dragende Ilex,. Voorts zo noemt Theophrastus deze boom niet Prinos zoals de andere Grieken plegen te doen, maar Smilax, immers zo het schijnt, want hij vermaant van een Prinos of Ilex, te weten diegene daar de cochenille of scharlaken wormpjes aan groeien en hij zegt dat een andere diergelijke boom niet Prinos, maar Smilax in Arcadië genoemd plag te worden. Dan geen van deze soorten van Smilax hebben met onze tegenwoordige boom enige gemeenschap of gelijkenis van gedaante. Van die Smilax spreekt Plinius ook in het 6de kapittel van zijn 16de boek; ‘De geslachten van Ilex zijn twee, zegt hij, waarvan diegene die in Italië groeien bladeren hebben die veel op olijfbladeren lijken en deze bomen worden in Griekenland Smilaces genoemd en in andere provincies Aquifoliaea op welke plaatsen het woord Oleis misschien verbeterd behoorde te worden en in Suberis of in het Grieks woord veranderd worden, want deze Smilax of tweede soort van Ilex wordt van geen van alle oude schrijvers met olijfbladeren beschreven, dan ze lijkt op de kurkboom van bladeren veel beter die in het Grieks Phellos heet’. Al is het dat deze boom in meest alle Duitse landen onbekend is, nochtans wordt hij in onze taal van sommige steenpalmen genoemd, in het Hoogduits Steinpalmen, in Frankrijk wordt hij chesne verd genoemd of ook eouse, euse, yeuse en elce, in Savoye eulse, in Italië elice, elsi, elici en lecins, in Spanje enzina. De vrucht of eikel van deze boom heet in Spanje bellota of abotilla. Dan aangaande de naam Ilex aquifolia die deze soorten van Ilex gegeven worden, zo is het te weten dat de hulst ook Ilex aquifolia en Aquifolium heet.’

Engelse holly (zie Ilex) of holm oak en Duitse Steineiche of Stech-Eiche.

Deze altijdgroene boom met een brede en dichte kroon groeit het liefst alleenstaand en wordt een achttien tot twintig meter hoog en kan zeer oud worden. De hulsteik kan echter ook tegen schaduw. Deze boom is vrijwel winterhard en komt zelfs af en toe in onze streken voor. Het mooist is die als in het voorjaar de lichtgekleurde jonge loten afsteken tegen de donkere achtergrond. Het blad lijkt op dat van de hulst, 3-6cm lang en 2-4cm breed met aan de onderkant een viltige beharing en bovenop glanzend groen.

De vruchten zijn groot en zoeter dan andere eikels, mogelijk de eetbare eik van de ouden. (164) ‘Carolus Clusius verhaalt dat de eikels van deze boom te Salamanca en op vele andere plaatsen van Spanje op de markt gebracht, verkocht, veel gezocht en van vele net zo graag gegeten worden als wij kastanjes of noten plegen te eten. En het kan wezen dat Plinius deze eikels heeft verstaan in het 5de kapittel van zijn 16de boek wanneer hij zegt, ‘Tegenwoordig worden de eikels heel Spanje door op de tafels op het eind van de maaltijden gebracht. Dan aangaande deze eikels, Dioscorides schrijft dat ze de vruchten van de eikenbomen in krachten te boven gaan.

De grote stammen van dit gewas dienen in Spanje om er molens van te maken, dan de kleinere takken worden er gekapt in stukken van vijf en veertig cm lang en tezamen gehoopt met slijk bedekt en zo verbrand om er kolen van te verzamelen die zeer goed zijn en op vele plaatsen van Spanje verzonden worden’.

Het hout van de hulsteik is zeer hard en zwaar en zeer duurzaam. Het moet zorgvuldig gedroogd worden daar het de neiging heeft tot scheuren. Het wordt voornamelijk gebruikt voor houten hamers, kam- en raderwerk van windmolens en slagersblokken. Het hout wordt azijnhout genoemd. De naam is waarschijnlijk een verbastering van de Portugese naam voor de boom azinho, Spaans enzina. Met azijn heeft het niets van doen.

Het steenharde hout is bijna onverwoestbaar. (213) Volgens Plinius zou er een hulsteik gestaan hebben op de plaats waar nu het Vaticaan is. In zijn tijd zou die boom al 1500 jaar oud zou zijn geweest, ouder dan het toenmalige Rome zelf. Die boom had bronzen letters in oud Etruskische karaktertekens in zijn stam waardoor het leek of dit eens een heilige boom was.

Het Griekse Macedonië en Arcadië golden als het land van oorsprong van deze eik. In Italië diende het lover van de steeneik tot het vervaardigen van een publieke onderscheiding: de burgerkrans (corona civica) .

Bij ons komt het als struikvorm voor op een beschutte en zonnige plaats en in de winter wat bedekken. Enten op robur, door afleggen of uit geïmporteerd zaad.

Raven zitten in de hulsteik en kraken hun trieste voorspellingen en waarschuwingen, vandaar werd het een doodsboom. In Christelijke legenden wilden alle eiken hun hout niet geven voor het kruis, behalve de hulsteik. Maar Jezus vergaf het hem want Hij wilde met hem sterven en onder de schaduw van een hulsteik zat Hij na de opstanding en ontving de Heiligen.

 

Afbraak van heilige eiken.

Na de oorspronkelijke verering in de tijd van Abraham wordt in het Oude Testament vele malen gewaarschuwd tegen de verering van bomen. Geleidelijk zien we de weerstand daartegen toenemen. De afbraak van heilige eikenbomen of levensbomen zien we bij de profeet Hosea, die de mensen berispt voor het branden van wierook en offers onder een eik. In het boek van de profeet Ezechiël wordt definitief de banvloek uitgesproken: “Daarom, zo zegt de Here, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over aan de machtige onder de volken die hem ten volle deed naar zijn goddeloosheid; Ik verstiet hem. Vreemden, de gewelddadigste onder de volken, velden hem en deden hem neerstorten; op de bergen en in alle dalen vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle volken der aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen... Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om naar de onderwereld te gaan, te midden der mensenkinderen... “ (Ezechiël 31)

In het laatste boek van de Bijbel keert de levensboom terug als het goddelijk attribuut van de herstelde goddelijke levensorde en heerschappij, na de door de zondeval teweeggebrachte verstoring. In hoofdstuk 2 van de Openbaring van Johannes staat: “Die overwint, ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is”. In hoofdstuk 22 lezen wij over de rivier van het water des levens, die uit Gods troon voortkomt. Ook wordt genoemd de boom des levens met de twaalf vruchten, groeiend aan de oever van die rivier, zie verder de in Israël voorkomende eikensoorten.

Eikenhout.

Het eikenhout is beroemd en overal ter wereld in gebruik, hoewel ons inlands eikenhout te warrig is en moeilijk om te verwerken. In Drenthe werden er vroeger boerderijen gezet rondom een gekapte eik, de huizen waren dan zo lang als de eik lang was.

De (Robur) robuuste eiken leveren het duurzame en krachtige eikenhout. Vroeger werd het vooral gebruikt voor schepen en balken van kerken. Kerken die in de 13de eeuw gebouwd waren bleken na de sloop nog goed hout te hebben. Het dak van de Westminster Abbey is gemaakt van wintereik.

Konings Arthur ronde tafel was gemaakt van eikenhout en hiervan was ook de wieg gemaakt van Edward II die bewaard wordt te Caernarvon Castle. De ronde tafel wordt bewaard in de county hall te Winchester. Deze tafel moet gesneden zijn van een boom van onmetelijke omvang omdat die zowat 6m in diameter meet. Veel kogelgaten zouden erin zitten wat door Cromwell’ s soldaten veroorzaak werd.

Eikenhout kan eeuwenlang goed blijven en wordt onder water zo hard dat het niet meer te verwerken is, wordt dan ook gebruikt  voor waterwerken, scheepsbouw, zeeweringen en molens.

Van het hout werd er een goede houtskool verkregen die gebruikt werd bij de bereiding van staal.

Doodskist.

In Ootmarsum was het een gewoonte dat bij een huwelijk de bruid de bruidegom een linnen hemd gaf en als het vermogen het toestond ook een koe. Dat hemd draagt hij een week, waarna zij het, gewassen, in haar kabinet bewaart, ‘t zal later zijn doodshemd zijn. De koe, de bruidskoe, wordt door de buren naar ‘t huis van de bruidegom gebracht met een krans om de hals, oranjeappels op de horens en kleurige linten om ‘t lijf en staart. Dan wordt ze in de stal gezet onder een gedeelte van de hilde of zoldering. Die bestaat uit enige dikke geschaafde eikenplanken. De andere planken van de zoldering zijn ongeschaafd en van een mindere houtsoort. De eikenplanken zijn een geschenk van de bruidegom en worden, zo was ‘t gebruik, later verwerkt voor de doodskisten van hem en haar.

 

Beschrijving: franceGrote eiken.

De eik is de koning van het woud, drie eeuwen groeit de eik, drie eeuwen staat hij pal en de volgende drie volbrengen zijn val. De eik kan dus 900 jaar oud worden.

Toch zijn er voorbeelden dat de zomereik wel 2000 jaar haalt met een stamdoorsnede van 7m en een hoogte van 30‑40m.

Bekende eiken in Nederland:

Bij het slot Verwolde te Laren, Gelderland, stond er een die een meter boven de grond een stamomtrek van bijna 6m had, de breedte van de kruin was 26‑27m, zou 450 jaar oud zijn..

De Kroezeboom van Fleringen, bij Tubbergen in Twenthe zou 400-500 jaar oud zijn.

De Wodanseiken van Wolfheze van 300-450 jaar.

De Kroezeboom van Ruurlo van 350-400 jaar.

De Kozakkeneik van Delden van 350 jaar.

Eiken bij Paleis Het Loo, Apeldoorn van 300 jaar.

De reuzeneik van Vorden van 300 jaar.

De eik op Landgoed Hilverbeek, ’s Graveland van 300 jaar.

Bij het gehucht Eule te Hengelo stond er een die een omtrek had van 8m bij de grond, op een meter hoogte 6m maar op 3m hoogte, daar waar de takken begonnen, 10m.

Bij het landgoed Twickel, Overijssel stond er een die op een meter hoogte 4,50m was. Op het landgoed zelf stond er een die op een meter hoogte 4m in omtrek was, nog staan er geweldige bomen op dit landgoed.

Garderen, bij Barneveld, heeft een bos waarin Willem III, met zijn jachtstoet, graag onder een grote eik zat, die is bekend als de koningseik.

Bij het dorp Zuilichem in de Bommelerwaard werd er een geveld wiens stam een lengte had van 5m, maar een omtrek had van 8,5m en voor 430 gulden werd verkocht, plus nog 125 kromhouten die elk voor 2,55 werden verkocht.

Daar waar nu Thorn staat, verhief zich vroeger een geweldige eik. Herman von Balke, na een hevige strijd, overweldigde hem en versterkte hem tot zijn toren, Thorn.

De koning van het Sonienwoud was een reusachtige eik, onder Franse heerschappij geveld. Hij stond te Boschvoorde, achter het landhuis van de hertog van Ursel.

De Onzelievehereboom staat te Kortessem (België) op de voormalige grens met Wellen en Gors-Opleeuw. Hij is vermoedelijk de oudste boom van België en zou uit 800 stammen, ooit met een stamomtrek van 9.5m en diameter van 3.80m, is in 1859 door een storm getroffen waarbij het grootste deel omviel. Een Duizendjarige eik of Heilige eik van Lummen, België, staat ten noordwesten van Hasselt.

In het kasteelpark in Edingen, België, staat de  le chêne du Duc Prosper die 40m hoog is met een stamomvang op 1,5m hoogte van 7m en waarschijnlijk is die 300 jaar oud.

Een grote staat er in het dorpje Liernu, iets ten noorden van Namen in het dorpscentrum, vlak voor de kerk,  ‘Le gros chêne de Liernu’ met een stamomtrek van ruim 10m en zou 1000 jaar oud zijn, waarschijnlijk wel minder.

Een van de beroemdste eiken stond te Frankrijk, de eik van Allouville, bij Rouen, die bij de grond een omtrek had van meer dan 11m met een holle stam waarin in 1696 een kapel werd gemaakt die aan de Notre dame de la Paix was gewijd, Onze Lieve Vrouwe van de Vrede.. Boven de ingang hing een opschrift waarop het bidvertrek door de abt du Detroit werd opgericht. De kapel had een middellijn van verscheidene meters en erboven was een woonplaats ingericht voor degene die de kapel verzorgde, alter tot kapelletje gemaakt. In 1750 is van deze boom de top afgewaaid en werd toen vervangen door een klokketoren. De ouderdom werd toen op 8‑900 jaar geschat.

In het holle gedeelte van de stam bevond zich een kamer met deur en vensters. Dit vertrek had een breedte van meer dan 4m en volgens berekeningen zou deze boom meer dan 2000 jaar oud zijn geweest. Deze boom werd de Saintes: heilige, genoemd en had een middellijn van 12m, de totale omtrek van de boom was meer dan 40m. In het vertrek dat 4m hoog was stond een bank in de vorm van een halve cirkel die in het levende hout was uitgehouwen, doordat er door het venster licht viel waren de wanden met mos en varens begroeid.

In het bos Cerisy, arrondissement Bayeu, vond men een stam van een eik en een beuk die volledig met elkaar waren vergroeid. Op de aanrakingsplaats hadden de bomen een stamdoorsnede van 2,5m elk. Ze waren zo met elkaar vergroeid dat men alleen door het zien van de bladeren kon geloven dat het twee verschillende soorten waren, vooral omdat hun voet met mos begroeid was.

In Engeland hebben er vele van die eiken gestaan. Zo werd er melding gemaakt van een eik die 3000 ruiters en meer dan 4000 man voetvolk kon overschaduwen.

In het Sherwood Forest bij Nottingham staan honderden oude eiken in het bos, door jaarringonderzoek is aangetoond dat ze meer dan 500 jaar, sommigen wel 700 à 800 jaar oud zijn als de beroemde ‘Major-Oak’, de meest bezochte boom van Engeland waar Robin Hood zich in verborg.

In het Windsor Great Park, ten westen van Londen staan honderden eiken van 300-700 jaar, sommige wellicht ouder.

In het Fredville Park bij het dorp Nonington, Kent, staat tussen andere oude bomen de ‘Majesty’ met een stam meer dan 12m omtrek en zou 500-600 jaar oud zijn.

De Leaden Oak, Ampthill Park, was al in de tijd van Cromwell te oud om gebruikt te worden voor timmerhout en had, om die periode aan te duiden, een loden plaat gekregen om dit te gedenken.

De grote Oak van Wootton, Buckinghamshire, wiens takken 24 meter overschaduwde.

De Cheniese Oak stond er al in de tijd van de Noormannen.

De Combernere Oak bij Nantwich.

De Failop Oak spreidde zijn schaduw over meer dan 90m.

Sir Philips Sidney’s Oak te Penhurst.

Pope’s Oak in Windsor Forest.

De grote Cowthorpe Oak met zijn stam van 18m in omvang.

Te Surray, op het kerkhof van Crowhurst, stond er een met een leeftijd van 1450 jaar.

In Yorkshire, nabij Rippon in de Fountain Abbey, stond er een van 1200 jaar.

Te Fortingall, Pertshire, een van 25‑2600 jaar.

Op het Kerkhof van Brabourn te Kent een van 3000 jaar. Te Hedsor in Bruks was er een van 3200 jaar die 27 voet middellijn had.

Beroemde eiken waren er in het Engelse graafschap Nottingham, de Major oak. Deze heeft de grote brand die het Sherwood bos teisterde overleefd. De boom heeft een stamomvang van negen meter met daarin een holte die de schuilplaats geweest zou zijn van Robin Hood.

De Parliament oak.

John Lackland’s oak in Sherwood Forest. William Rufu’s in New Forest.

De Volkenrode oak van Gotha.

De Westman’s oak te Dartmoor.

De eik van Dorset die 68 voeten rondom was met een kamer van 16 voet breed dat eens een ale-house was.

De Wadsworth oak bij Genesee river.

De eik te Flushing, New York, die George Fox als quaker tot trefpunt diende.

De eik te Natick, Massachusetts, een vredesboom van de Indianen en een bescherming voor Eliot toen hij de bijbel in Algonquin vertaalde. De eik die Morris inspireerde tot: “Woodman, spare that tree”, groeit niet zoals je zou verwachten op zijn plaats, maar in St. Pauls kerktuin, een paar stappen van roerig Broadway.

De eik van Pleischurtz, bij Breslau, was 22m. hoog en had een omtrek van 11m. Op een bank,  in de stam opgetimmerd, konden gemakkelijk 9 personen zitten. Volgens sommigen telde hij een leeftijd van 15 eeuwen. Hij stierf in 1857.

Luthereiche in de Lutherstad Wittenberg.

Bräutigamseiche is een eik in het Dodauer Forst bij Eutin in Schleswig-Holstein van een 500 jaar. Er is een sage waarbij een aan de boom gebonden Keltische vorstenzoon door een Christelijke maagd bevrijd zou zijn. als dank plantte hij die eik. Waarschijnlijk is die sage verzonnen door de missionarissen. Ook is hier nog een interessant gebruik; als een meisje bij volle maan zwijgend en zonder te lachen driemaal om de boom gaat en aan haar geliefde denkt zal ze nog dit jaar trouwen..

Het is aan zijn naam gekomen door een huwelijk die onder zijn takken gesloten werd, 2. juni 1891 trouwde de dochter van de burgemeester, Frau Ohrt, met Herr Schütte-Felsche (chocoladefabrikant) onder deze eik. De vader van de bruid was tegen het huwelijk geweest zodat beide geliefden heimelijk liefdesbrieven over de takken van deze boom uitstalden. Nadat hij inzien moest dat tegen liefde niets bestand is gaf hij zijn zegen.

Femeiche (vroeger ook Ravenseiche) in Raesfeld in Kreis Borken is een van de oudste bomen van Duitsland. Het staat in de buurt van een kerk wiens altaar op 1000 jaar geschat wordt. De oude naam Ravenseiche en de naam van de omgeving, Aßenkamp, duiden op een verbinding met de Germaanse mythologie, een raaf is symbool van Odin, en vermoedt men dat deze eik in Germaanse tijd als cultusplaats gebruikt werd. Hier was vroeger ook een veemgericht onder de eik. Omdat de boom door een paddenstoel besmet was ging de dorpspater de boom in 1750 met scherp gereedschap te lijf en haalde het zachte midden eruit zodat de boom zou overleven. De geschiedenis verhaalt dat Friedrich Wilhelm IV,  latere koning van Pruisen tijdens een manoevre 19 infantaristen in de eik liet plaats nemen in 1774. Ook zou de bisschop Münster, Bernard Georg Kellermann, in 1851 met 11 geestelijken aan een ronde tafel in de eik gegeten hebben. In 1892 was het 4-5m omvang op borsthoogte, nu een omvang van12m en wordt steeds meer ondersteund.

Grabeiche (ook Begräbniseiche, Thümmel-Eiche of „Tausendjährige Eiche“) is een markante oude boom in Thüringen in wiens holte een begraafplaats is. Zou 2000 jaar oud zijn, mogelijk 500-650 en staat in Nöbdenitz, vlakbij Schmölln, in het Altenburger Land. Ze is nauwelijks 14m hoog, in 2002 was de omvang bij de bodem 12,7m. In een kerkboek van Nöbdenitz uit 1598 werd de boom aldus beschreven; „Ein hohler Eichenbaum, stammet noch aus heidnischer Zeit.“

De Berlijner ouderdomsonderzoeker Gustav Parthey, die bij hertogin Anna Dorothea von Kurland in Löbichau op bezoek was berichtte dit over de eik: „[…] Mit Ehrfurcht betrachteten wir eine mitten im Dorfe stehende Eiche von ungeheurem Umfange. Der Volksglaube machte sie zu einem Druidenbaume der heidnischen Germanen, und die Schätzung der Botaniker gab ihr ein Alter von 2000 Jahren. In der Höhlung des Stammes konnten 10 bis 20 Menschen neben einander stehen. Der Minister hatte angeordnet, dass man ihn unter der Eiche begraben sollte, damit seine irdischen Überreste unweit als sprossende Zweige und grüne Blätter an die freie Himmelsluft hinausgelangen möchten’ .

De Hüter des Feldes staat midden in de velden bij Lichtenfels in Oberfranken. Deze zeldzaam uitziende boom is een van de weinige veteranenbomen van Beieren. Hij is van binnen geheel hol en zou 1000 jaar oud zijn, de stam heeft een omvang van 6m.

De Ivenacker Eichen staat in de dierentuin van Landkreis Demmin in de gemeente Ivenack waar meer oude eiken in de omgeving staan. Een 1000 jaar geleden werd dit gebied door de Slawen als Waldweide (Hude) gebruikt. De boomstam had in 1806 zo’n grote omvang dat de mensen van Ivenacker hun dekhengst Herodot voor de Fransen verstopten. Zijn geluid verried hem en hij werd in beslag genomen. Ook werd het vee van de Cistersenseklooster daarin gedreven. Niet alle nonnen zouden daar gelukkig geweest zijn. Zeven van hen gingen daarom een pact met de duivel aan. Een nam zich voor om hun vlucht te organiseren.  Onder 1 voorwaarde; tot Stavenhagen zouden de nonnen zich niet omdraaien, hun nieuwsgierigheid overwon, ze keken om en veranderden ogenblikkelijk in eiken. De Ivenacker eik heeft een doorsnede van 3.50m en een hoogte van 36,0m.

De Sankt Wolfgangseiche zou naar de legende 1250 jaar oud zijn. Hij staat aan het eind van de weg bij Schloss Haus in Thalmassing (Neueglofsheim), zuidelijk van Regensburg. De stam heeft een omvang van 9,60m op 1m hoogte, in 1905 nog maar 8m zodat een ouderdom van 400-500, maximaal 600 jaar mogelijk is. De naam heeft het van de heilige Wolfgang, de eerste bisschop van Regensburg die een 1000 jaar daarvoor onder zijn kroon gepreekt zou hebben.

Hammundeseiche (Hoheneiche) staat tussen Friedewald en Wildeck-Hönebach in Seulingswald in het noordoosten van Hessen. Die werd in het begin van de 10de eeuw door de abt van Hersfeld geplant op de weg die beide handelssteden Frankfurt en Leipzig verbond.

Russeneiche heeft een stamomvang van 5m en is 200 jaar oud, staat bij Rehbach inOdenwald.

Grafeneiche in Harsum-Asel/Niedersachsen zou 1000 jaar oud zijn.

Betteleiche in Nationalpark Hainich staat een 600-800 jarige eik van 13m hoog en  5,6m omvang en een gedeelde stam.

Königseiche is een rond 610 jaar oude en 25m hoge eik met 9,5m stamomvang en staat aan de noordkant van Volkenroda (Thüringen).De oude boom is een symbool van de Unstrut-Hainich-Kreises, is ook als Dicke Eiche of Volkenrodaer Eiche bekend.

Dicke Eiche in Eisenach-Berteroda is een 16m hoge 1000jarige eik met 9,62m stamomvang op borsthoogte. Om die te eren hebben de mensen van de plaats op een tafeltje bij de stam dit staan;
Du Eiche hältst seit 1000 Jahren dem Dorf die Treu in Leid und Freud.
Berteroda wird Dir Achtung wahren in Liebe, Fleiß und Einigkeit’.

De Tausendjährige Eiche in Küps in Oberfranken bij het Schlosses Nagel. Bij de standplaats zou het om een oud Germaanse Dingplaats handelen. Oospronkelijk zouden hier 4 eiken op gelijke afstand gestaan hebben die naar de 4 windrichtingen wezen. In de eik zijn er nog loden kogels te vinden uit de 30jarige oorlog. De Zweedse generaal Thorstenson belegerde verschillende maanden het slot waarbij ook de eik getroffen werd. In 1990 was de stam op 1,3m hooge 9,1m in omvang, 33m hoog met ern kroondoorsnede van 25m.

Bij Paderborn stond ook zo’n machtige eik waar men later de abdij van Affligem heeft opgericht. De H. Ursmarus velde hem, wat bewijst dat het voor onze voorouders een gewijde boom was. Daarom gaf men ook de plaats de naam van Breedeik.

Een van de oudste bomen te Zweden stond in het kroonbos Norra Qvill, in Tjusto Revir. 150m ten zuiden van het luitenantshuis stond er een die in 1772 werd beschreven en toen 15m in omvang was op borsthoogte. 18 mensen konden in de holle stam staan. De boeren gebruikten die ruimte voor het bewaren van gereedschappen, ploegen, eggen en wagenladders. Deze eik zou er al gestaan hebben voor de grote pest van 1350. De holle ruimte groeide langzaam weer dicht zodat begin 1900 er niet meer dan 8 personen in konden staan.

De ‘Urwald Sababurg’ ten noorden van Kassel.

Ook de ‘Urwald Hasbruch’ bij Delmenhorst, bij Bremen.

Die van Ivenack in Mecklenburg-Vorpommeren, noordoost Duitsland zouden 500-800 jaar oud zijn, de oudste is wel meer dan 750 jaar oud.

In Lithouwen staat mogelijk de oudste boom van Europa in Stelmužė, die 1500 jaar oud zou zijn.

De eiken van Rogalin, ten zuiden van Poznan, hier zouden er zijn van meer dan 600 jaar Vooral het oerbos van Białowieża is beroemd waar de bomen nog ongestoord kunnen groeien en de wisent nog aanwezig is. Er zouden zeer oude eiken staan.

In Zweden is er de “Kvill-eken” bij Rumskulla, met een stamomtrek van 14m die 800-1000 jaar oud zou zijn, een van de oudste van Europa. In Denemarken is er de ‘Kongeegen’of koningseik bij Jaegerspris die een 1400 jaar oud zou zijn.

 

Symbolen.

De eik is het zinnebeeld van gastvrijheid en verschaft onderdak, voeding en huisvesting aan een 500 soorten insecten. Hier komen ook veel dieren op af als egels, eekhoorns, muizen en Vlaamse gaai. Die laatste verstopt de eiken op een gunstige plaats om ze later in de wintermaanden weer op te graven, vergeet echter veel van die plaatsen zodat daar weer nieuwe eikenbomen kunnen groeien.

De eik is het symbool van rijkdom.

De eik is het symbool van macht en aanzienlijkheid.

De eik is het symbool van de staat van verval, naar het afvallende en verwelkende blad. Zegt Jesaja niet: “Want gij zult dezelve worden als een eikenboom, wiens bladeren afvallen, en als een hof, die zonder water is”.

Het symbool van afgoderij, omdat men vroeger afgoden hield onder een eikenboom.

Het symbool van gastvrijheid, omdat er zoveel dieren rondom hem leeft.

Symbool van gerechtigheid, zie de bijbel.

Symbool van vruchtbaarheid, zo in Roomse huwelijken.

Symbool van het verhevene, bezoek een eikenbos.

Symbool van vrijheid en burgerlijke deugd, een eikenkrans bij de Romeinen. Het was een ereteken en gaf vrijheid van belasting, was tegelijkertijd een zinnebeeld van vaderlandsliefde, trouw en aanhankelijkheid. Daarom wordt een eikenkrans ook als versieringsmotief bij verschillende eretekens aangebracht.

De wapenspreuk van de familie Aikenhead is: ‘Annoso robore quercus’, ‘’een eik, (van de familie, stam) met de kracht bezield van vele jaren’’. De familie Schonaich voert als devies: ‘avito viret honore’, ‘’het is zijn aangeboren eer om groen te blijven’. De eiken is een wapen dat voorkomt bij vele eigen geërfde boerengeslachten en dit zou op bosbezit duiden, zo onder andere te Friesland.

Wie eikenbladeren draagt toont daardoor zijn moed en meldt dat niemand zijn wil kan breken. Men hoede zich voor iemand, die op bevel van zijn geliefde eikenloof draagt en men veroorlooft zich niet met hem te schertsen.

In de iconografie wordt de H. Amator met een omgehouwen eikenstam en de H. Brigitta met een eikentak afgebeeld. De allegorische sterkte is een vrouw met een eikentwijg in de hand.

Spreekwoorden:

Zo sterk, zo groot als een eik.

Zo hard als eikenhout.

Eiken worden bomen, ofwel kinderen worden mannen, ofwel uit een eik groeit een eikenboom.

Een eik valt niet bij de eerste slag.

Kleine houwen vellen grote eiken.

De bijl velt ook een eikenboom.

De geweldige eiken van Bazan dragen vruchten voor de zwijnen, dit betekent dat uiterlijk aanzien en grote macht geen wezenlijke waarde geven aan hen die ze bezit.

De trotse eikenboom ziet men scheuren, een nederig rietje ontgaat het met buigen.

Het zal aan het riet niet staan de eiken te beschutten.

Men kan wel zien door een eikenplank, waar een gat in is.

Hij zaagt door een eikenplank.

Men kan wel een viool tegen een eik in stukken slaan.

Men kapt van vurenhout geen eikenspaanders.

De vuilste varkens krijgen de beste eiken.

Mighty oaks from little acorns grow.

Every majestic oak tree was once a nut who stood his ground.

 

Beschrijving: witte1De eik in de kunst.

Von Perger gewaagt van dichter eiken. Hij zegt dat in het dorp Harvstude, bij Hamburg, Hagedorn’s eik staat en bij Wobbelin de eik waaronder Korner begraven ligt. Korner die de Duitse eiken zo mooi bezongen heeft. Zo hebben ook andere dichters onze eik gehuldigd. Homerus, Ovidius, Virgilius, Vondel en andere.

Rederijkamers droegen meestal altijd de naam van een plant. Te Eecloo was er een: “Eiken worden bomen”, wat zelfs een spreekwoord geworden is. Te Vlaardingen bestond de Akerboom.

In de Gotische bouwstijl wordt menigmaal eikenblad als sieraad gebruikt. Schilders en beeldhouwers hebben de Sterke afgebeeld.

Father Bernardo, een heilige heremiet, die ver van de steden leefde, hielp zijn mensen in hun geestelijke en materiële zaken. De meeste tijd bracht hij in gebed door en had aardigheid in zijn “twee dochters”, een dochter van een wijnboer die hem vaak wat eten bracht en met hem praatte. De tweede Maria was de eik die hem verdedigde tegen sneeuw en kou. De eik was zijn dagelijkse begeleider. Hij bevochtigde zijn wortels, praatte er mee en verzorgde die en luisterde naar het gemurmel van de bladeren. Tijdens zijn leven werd er niets van de eik gehaald. Op het eind van zijn leven verzocht hij de hemel om zijn twee dochters op de een of andere manier zijn dankbaarheid te tonen. Op het eerste gezicht leek dit niet te lukken. Maria werd de vrouw van een boer  en de grote eik werd na zijn dood geveld die Maria’s vader veranderde in wijnvaten. Toen de jonge vrouw haar kind aan het voeden was voor een van die vaten, toen kwam zijn oudere broertje aanrennen met een kruisje in de hand die hij gemaakt had van een paar stokjes. Op dat moment kwam er een knappe jongeman aan. Gegrepen door het ogenblik vroeg de jongeman toestemming om een afbeelding van het groepje te maken. Nauwelijks wachtend op toestemming nam hij de deksel van het vat en op zijn donkere kant tekende hij de figuur die in de wereld bekend is als “Madonna delle Sedia”. De jonge man was Raphael. Zo werd het gebed van Father Bernardo beantwoord en zijn “twee dochters” werden onderdelen in een van de mooiste kunstuitdrukkingen.

Vondel, Wiltzangk, op de zelve Hofstede;

‘Hier ruist de koelte in ’t eikenhout

En vers gesproten lof

Hoe straal de boterbloem als goud.

Vondel, De Leeuwendalers;

‘Hij sloeg met alle macht zijn armen om mijn lijf

Noch vaster dan de veil een eik kan omvatten.

Vondel, De Vaderen;

‘Ik, oud en vruchteloos slecht d’holle Eik, die naakt

Mismaakt en bladerloos geen schaduw langer maakt

En tot de wortel toe verdort, niet om te verslimmen (slechter)

Alleen voor de veyl verstrekt een ladder om te klimmen’.

Vondel, Maeghden;

‘Bestoken, reis op reis, van ’t noorden en van ’t zuiden

Een hoog gewassen eik, die over bossen ziet

En diep in Taurus ruig zijn taaie wortels schiet

Hij kraakt vast, en bestrooid de grond met blad en lover

En helt aan de linker, dan weer de rechter ten over

Zo wordt mijn vlotte geest gedreven heen en weer..’

Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe  III;

Vanden Eyck ende Olmboom

‘De beschaduwde Olm bad de eik, de bomenkoning

Dat zonder lang dralen of enige verschoning

Hij ’t bladerrijke geboomte, dat om hem stond gegroeid

Ten aarde velle zou, opdat hij schoon bloeide

Zich heerlijk tonen mocht, en zonder enige kommer

Zijn groen uitbreiden kon en veel begeerde lommer

Maar als de verstandige eik zijn schalksheid werd gewaar

Sprak hij; waar blijf ik dan op ’t strengste van ’t jaar

Wanneer de zure herfst en winter met zijn buien

Als uitgelaten heel, zo fel begint te luiden?

Dat mijn volwassenheid nog dikte komt te staan

Hoe diep ik in d’afgrond mijn kromme wortel sla

Tenzij een dikke schaar van Beuken, Elzen en Linden

Afschutten ten mijner baat ’t gebulder van de winden

Dies ik uw schalksheid spoor en wel tastelijk en grof

En u ’t ter uwer straf verban voor eeuwigheid uit mijn hof

Gij vorsten, luistert toe, en wil deze lering vatten

Dat het heil van de prinsen bestaat uit het heil van de onderzaten

Dat hij gelukkig is die de vleiers tong ontgaat

En van ’t gezelschap der lofuiters zich ontslaat

Wiens enige doel het is de plasdank van haar Heeren

En tot de bodem toe de rijken om te keren.’

 

Genezende eiken.

(88, (1932) Aan eiken was veel bijgeloof verbonden. Eiken konden alle boze dingen afweren. Kransen van eikenloof, waarin bloemen gevlochten waren, moesten daartoe in huis opgehangen worden. Uit het venster gehangen hielden dergelijke kransen heksen tegen. Koeien die voor de eerste maal naar de weide gebracht werden, kregen daarom eerst drie eikenbladeren te eten. Op paaszaterdag werd het vee eikenblad gegeven om het voor ziekte te behoeden. Dit moest gebeuren vòòr zonsopgang, omdat door de opgaande zon de toverkracht niet meer werkte.

Als lappenboom werd de eik ook gebruikt: in België staat bij Herchies nog zo’n vermaarde lappenboom en in ons land in de buurt van het Gelderse plaatsje Overasselt bij de ruïne van de kapel van St. Walrick. Het is een koortsboom, dat wil zeggen dat de boom de koorts van de zieke, van wie een stukje kleding aan een van zijn takken is geknoopt, overneemt.

Men hing een lapje van de koortslijder aan de heilige eik op die aan de molenberg te Bergharen, tussen Maas en Waal groeide. Aan deze boom hing een offerbus waarin een kleinigheid werd geofferd.

Een andere heilige boom bevindt zich over de grenzen, te Elsene, Brabant. Ook die geneest de koorts. Na een regenbui worden de kinderen onder het loof van l’Elterken’ of l’Arbre benit’ geplaatst om door het afdruppelende  water genezen te worden.

Volgens de overleveringen werd Heribertha, de dochter van een gevreesd roverhoofdman, omstreeks 727 ziek. Niemand kon haar genezen. Twee monniken raadden haar aan naar Clemens Willibrord te gaan op het kasteel van Hernen. Ze vertelde haar dat ze zou bidden en een stuk van haar kleed in de oude eik zou hangen dat ze dan zou ze genezen. Ze genas. Uit dankbaarheid hing ze ook haar twee vlechten aan de boom. Ook haar vader bekeerde zich en werd monnik. Later werd er een kapel gesticht.

Gaten in de eik waren deuren waardoor geesten van de boom passeerden en paden van elven waardoor de kinderen werden genezen. Een oeroud gebruik was om gebrekkige kinderen door een gespleten stam van een eik te voeren zodat ze van hun gebrek bevrijd zouden worden. De eik werd hiertoe eerst gespleten en na de behandeling weer vastgebonden. Indien het gespleten stuk opnieuw vastgroeide, was de breuk hersteld. Overigens wordt ook wel gezegd dat dit gebruik een symbolisering is van wedergeboorte: uit de gespleten boom zou een nieuwe mens ontstaan. De Franken en de vroegere bewoners van Beieren zochten voor zo’n gespleten boomstam voornamelijk tweebenige eiken uit. Deze werden “deich” of eigenlijk “deyboom” genoemd, en van daaruit “gedeihboom”. Zo’n kuur kon ook plaatsvinden via aan beide zijden van de boom vastgegroeide bramenranken. In Engeland sprak men van de bramenkuur (bramble cure) De naar beneden buigende struiken wortelen weer op het eind en vormen zo natuurlijke bogen. Door hierdoor heen te kruipen zou dit een wonderbare en vernieuwende werking geven. Soms ook volstond het om door een opening van bijvoorbeeld een kerkaltaar of door twee vuren te gaan om zo gezuiverd te worden. In het verlengde hiervan diende men er wel voor op te passen dat een kind niet tussen de benen van grotere doorkroop, dit zou het volwassen worden belemmeren. Waarschijnlijk is dit gebruik terug te leiden naar de toestand van de kinderen die in donkere en bedompte plaatsen opgroeiden. Ze leden waarschijnlijk aan wat nu de Engelse ziekte genoemd wordt, een gebrek aan vitaminen. Dit werd al gedeeltelijk genezen door de gang naar de loofbossen waarna de genezende werking aan de eik werd toegeschreven.

In de middeleeuwen stond in Gemert een eikenboom waarin spijkers geslagen werden. In de volksopvatting zou roest op de spijkers staan voor de zweren waartegen ze geacht werd te helpen.

Men gaat voor dag en dauw naar zo’n boom, een ander mag het niet zien, om de ziekte af te wentelen. Je hangt een kledingstuk aan de boom, liefst een die je om je lichaam hebt gedragen en spreekt een toverspreuk uit. Bijvoorbeeld ‘Goe morgen Olde, ik geef oe de kolde’. Of snij je onder je nagel en in de bast van de boom. Je bloed moet zich met die van de boom mengen. Dan gaat de ziekte over op de boom. Soms werd er wel een gaatje geboord waarin haar of nagels van de zieke werd gedaan. Of een briefje met de naam van de zieke erop.

1 april, H. Walaricus van Picardië of St. Valery, ook van Leuconay: (Walrick, Waldrik, Walerik, Walrik, Valeri, Valéry) Germaans wal, wal: ‘slachtveld’, vgl. de Walkuren, de goddelijke jonkvrouwen die de doden kiezen op het slachtveld en de helden op bevel van Odin naar het Walhalla brengen, of Waals: ‘buitenlands’, of wald: ‘heersen’, rik: ‘rijk of machtig’.

Hij is geboren rond 565 in de Auvergne. In zijn jeugd hoedde Walaricus schapen van zijn ouders, heeft zichzelf leren lezen met een boek dat hij van een kluizenaar erfde. Toen hij schrijven kon stelde hij een psalter samen zodat hij in eenzaamheid bij zijn schapen de liederen van zijn schaapherder voorbeeld, koning David, kon zingen. Hij verliet het ouderlijk huis in 585 om een studie te Auxerre te volgen. Later trad hij in bij de monniken van S. Aunacharius te Auxerre. Na zijn priesterwijding trok hij al predikend door de streken rondom Luxeuil waar hij bij de heilige Columbanus kwam. (gestorven in 615, feest 23 november) Hij inspireerde mensen met zijn preken en wonderen en duivelsuitdrijvingen. Eens knoopte hij een man die onschuldig was opgehangen aan de galg los en wekte hem weer tot leven, vandaar werd hij voorspreker in geschillen. Na zijn reizen trok hij zich terug als kluizenaar in Leuconay. Hij woonde in een grot aan de rivier de Somme, die bij Leuconay in zee stroomt waar later de abdij Saint Valery ontstond. Overleden in 619. Na zijn dood ontwikkelde zich een cultus bij zijn tombe. Op grond van zijn liefde voor zieken wordt hij vereerd als patroon tegen de koorts, verder blinden en lammen. De St. Walrickkapel werd in de 15e eeuw in Overasselt gesticht. Mogelijk heeft zij vanaf die tijd gediend als locatie voor bedevaarten ter eren van de heilige Walrick. Deze heilige werd beschouwd als patroon van zieken en koortslijders in het bijzonder. Sinds de 17de  eeuw is de kapel tot ruïne vervallen. In de tweede helft van de 19e eeuw was St. Walrick in vergetelheid geraakt en associeerden bedevaartgangers de kapel met de vaderlandse heilige Willibrord. Behalve om er te bidden en te offeren in het offerblok in de kapelruïne, togen pelgrims naar deze heilige plaats om er de koorts van zieken ‘af te binden’. Anno 1996 worden er nog steeds lapjes aan de =koortsboom gehangen. De ‘koortsboom’ waarin sinds het begin van de 20e eeuw lapjes en repen stof gehangen worden is een zogeheten zomereik (Quercus robur). Hij mat in 1990 in hoogte meer dan 17 meter en had toen een omtrek van 240 cm. Hij is geplant tussen 1910 en 1920.

 

Duivels blad.

De typische vorm van de bladeren hebben de eiken aan de duivel te danken. Bij het ontstaan van de aarde, toen God alles had geschapen wilde de duivel ook zijn deel hebben. God gaf hem de winter en zo gauw als de eikenbomen zonder blad stonden zou hij die tijd mogen beheersen. Het voorjaar kwam en alles begon te groeien en te bloeien, de zomer kwam en het bos stond in volle glorie, de herfst kwam en het blad begon te verkleuren. De duivel wachtte nu op zijn kans, maar de eiken bleven nog groen, november kwam en de eiken bleven groen, december kwam en de duivel stond te popelen, maar het blad werd wel bruin maar bleef aan de boom. Toen werd hij zo kwaad, dat hij van woede uit de eikenbladen met zijn klauwen een hap nam. Dat is nog steeds te zien aan de vorm van de bladeren die door de klauwen van de duivel zijn misvormd.

Volgens anderen had een boer zijn ziel aan de duivel verkocht, hij mocht die halen zo gauw de eik zonder blad zou staan. Dit gebeurde nooit zodat de boer zijn ziel bewaarde.

 

Duivelseiken.

De boze huilt soms in het eikenloof en herinnert zo aan de afgodendienst die vroeger onder deze bomen uitgeoefend werd. In het woud Udensthal (Odinsdal?) stond nog in 1640 een gewijde eik die men voor een duivelse lustwoning hield. Bij Essingen, Baden, staat een eik waarop een heldere middag een zwart manneke op- en afgaat en die vurige vonken, zo groot als sterren, afgeeft.

Men kan de duivel het gemakkelijkst in een eik opsluiten. Een ridder, die zijn middagmaal in het woud verteerde zag op een eik een monsterachtig wezen dat hem toeriep: “Ik ben uw ongeluk!”. De ridder bleef echter koelbloedig en vroeg de geest ten eten. Nauwelijks was het monster van de boom opgestaan of de man greep het vast en sloot het in de eik op. Nu had de ridder geluk in alles wat hij aanpakte, hij vertelde openlijk hoe hij daaraan gekomen was. Een van zijn benijders wou hem in het verderf brengen en ging naar de eik en maakte het gedrocht vrij, maar die bleef aan hem gehecht en onze ridder ging het goed als daarvoor.

Ook heeft men ‘s nachts onder oude eiken een zwarte geitenbok, dat is de duivel, gezien.

In Duitsland heeft men de zogenaamde duivelseiken. Te Gotha staat een eik waarvoor men nog groot ontzag voelt. Zo ook in ons land en België.

“Alzoo heeft God de Jezus-eik verheven boven al de andere bomen in het woud Sonien, ter beschaming van de heidense bijgelovigheid en van de duivel, de uitvinder er van die verbeeld wordt door een anderen Eik, hier omtrent gelegen, die tot de dag van heden duivelseik genoemd wordt, omdat hij door de bliksem geslagen was geweest en als in tweeën gespleten”.

Een man kwam ‘s avonds laat en wou van de Koekelberg naar Molenbeek gaan. Onderweg moest hij voorbij een zeer oude eik, wiens stam geheel hol was en vele honderden jaren moest tellen. Toen hij bij de boom kwam zag er rondom een vlam spelen en wilde dichter gaan om te zien wat er gebeurde. Maar een holle, gevaarlijke stem riep uit de stam: “Ga weg, ga weg! Voor u is de dag en voor mij de nacht!”. Bij deze woorden sprong er een grote vlam uit de eik. De man was zo verschrikt dat hij, zo snel als hij kon, wegliep en half in onmacht thuiskwam.

Het is niet goed om onder een eik te slapen met de nacht van St. Jan, de kortste nacht van het jaar. Het licht dat in die nacht zijn grootste kracht bezit verjaagt zo de duivel uit hun bomen. Omdat zij het licht schuwen proberen ze zich te verstoppen, vinden ze onder een boom een slapend mens dan kruipen ze erin en nemen bezit van hem. Je kan hieraan ontkomen door een tak van de boom af snijden zodat daardoor bloed onttrokken wordt aan de duivelse boom.

Volgens velen is de wandelende Jood een Jood die Christus kruis niet wilde helpen dragen. Men vertelt dat Ahasverus enkel rusten kan daar waar twee eiken, tot kruis vergroeid, gevonden worden.

Een rijke vrouw was jaren gelden eigenaresse van het gehele broekland bij ‘t dorp Reher onder Hameln. Dat was een prima korenland en niemand had er ooit mooiere of betere gewassen op geteeld. Dat was geen wonder want ze had een verbond gesloten met de Boze. Hij moest het land bewerken en het beste zaaikoren gebruiken. Hij deed dat ook eerlijk en trouw. Totdat zijn tijd gekomen was en hij de ziel van de boerin opeiste. Hij had zijn woord gehouden en nu moest zij dat ook doen. Dat wou ze wel, maar ze had nog graag een jaartje uitstel. Nog eenmaal een oogst meemaken. Als dan de oogst weer op het land staat dan haal je me maar. ‘Goed’ zei de duivel, die ook de kwaadste niet is. “Maar ik wil deze keer zelf zaaien’. ‘Ook goed, doe maar’, zei de duivel. En zij bezaaide de akkers niet met graan maar met eiken. De duivel moet nog op de oogst wachten. Sindsdien groeien er eikenbomen in het Reherbroek.

 

Hekseneiken.

In vele landen spreekt men van hekseneiken, waaronder heksen of tovenaressen spelen en vergaderen. Mogelijk was dit naar zijn knoestige verschijningsvorm. Ook omdat de eik het hout geleverd zou hebben voor het kruis van Christus. Zo’n hekseneik stond er in Segelsem te Vlaanderen in het Roschbos. ‘s Nachts verspreidde die een licht en vooral rond middernacht leek het op een reusachtige fonkelende kandelaar. Op een keer, toen de eik weer oplichtte, schoot een jager in de kruin van de boom. Een vreselijk gehuil steeg op. De jager schrok en vluchtte. De volgende dag vond men gescheurde vrouwenkleren onder de eik en duidelijk tekenden zich voetsporen af in het gras. De kogel van de jager had een heks getroffen. In het dorp lag plots een oud vrouwtje met een hoofdwond te bed. Meer bewijzen waren niet nodig.

Sinds die tijd licht de eik ‘s nachts niet meer op. Toch gebeurden er wonderbaarlijke dingen in zijn kruin, gedurende het tempeest hoorde men zijn takken huilen en als andere bomen van ‘t Roschbos zich niet verroerden, fluisterden zijn bladeren geheimzinnig. Men besloot de hekseneik uit te roeien. Een jager bood zich aan. Hij trok naar het Roschbos. Met kracht zwaaide hij de bijl en begon te kappen. De boom scheen zo hard als steen, de bijl botste terug en na twee, drie houwen was die geheel stomp. De oude smid van het dorp was een meester in het verwerken van ijzer tot snijdend tuig. Hij maakte voor de jager een nieuwe stalen bijl. Deze verwondde de eik en er sprong bloed uit de stam en een vreselijk gezucht steeg op. De jager kapte voort. Ineens boog de eik zich naar de man toe, hij scheen die te willen verpletteren. De jager wipte zich om en begon de andere zijde te bewerken. Nu sprong een brede straal bloed uit de wonde wat de jager rood verfde. Het geklaag werd luider. De jager werd bevreesd en ging naar huis. Een hevige koorts overviel hem en een maand daarna stierf hij. En de eik bleef staan. Tot voor kort stond hij er nog. De houwen van de jager waren tot brede littekens geworden. Men noemde deze eik de Toveressseneik.

Op de eik te Buckenhofen (Oberfranken) vergaderden de heksen op Sint-Walpurgisdag. In 1804 werd hij geveld en was zo groot dat hij 60 klafters hout gaf. Op de Sinzenmatt komen alle drie maanden meer dan dertig “Fraufastenweiber” onder een eik en slaan daar hun hutten op. Ook de wandelende “Barackenfrau” woont bij Frick, onder een eik. In de eiken van het Toferenwald, kanton Bern, zijn heksen gebannen. De “Buckli-Eiche” staat op de plaats waar de Aar in de Rijn vloeit en bij deze boom spookt een witte jonkvrouw met een witte krans op het hoofd en een sleutel in haar hand.

Feeën.

Feeën wonen graag in eiken en met voorliefde dansen zij tussen deze bomen. De Scandinaviërs beweren dat de feeën rond de eikenwortels wonen. Eikenholen zijn banen voor elfen.

In veel sprookjes verzamelen de elfen zich rond een eik en elfendansen werden rond zijn wortels gehouden. Een eik in een droom gezien was een teken van lang leven, terwijl van een eiken dromen weinig goeds voorspelde en ziekte veroorzaakte.

Oak apple.

Op oak apple day behoor je een takje eik met eikenappels te dragen. Toen Karel II op zijn verjaardag van zijn verbanning terug kwam, hadden de koningsgezinde eikentakken uitgestald om de slag van Worcester te gedenken. Toen lag de jonge Karel in luiers gewikkeld in een eikenboom te Boscobel. Vanuit zijn veilige schuilplaats kon Karel en Kolonel William Carlo, die hem verborg, de soldaten zien die naar hem op zoek waren. De slag was op 3 september 1651. Oak apple day wordt gehouden op Karels verjaardag 29 mei.

Royal oak day, oak apple day, oak-ball day of shick-shack-day is een verering die nauwelijks met Karel kon zijn begonnen. Een stuk eik, of een eiken werd voor de middag gedragen, dit was de shick-shack. In de namiddag werd die vervangen door “monkey powder” of esbladen. Waren ze gedragen tegen de avond dan werd de drager geslagen met brandnetels. Het zijn gebruiken net als bij ons met luilak. Waarschijnlijk was dit het eind van de meicyclus, met de green man van de may day aan het begin. De man in de eik, man in the oak, is een van de bovennatuurlijke geesten.

Een ander verhaal over een koning en dit maal Karel I. Tijdens de slag van Braddock Down zette Karel I zijn standaard in een eikenboom te Boconnoc Park. Na zijn dood veranderden de bladeren plotseling van kleur, ze werden wit en bleven zo voor een 30 jaar. Braddock betekent waarschijnlijk broad oak: brede eik en zo zal er waarschijnlijk wel een eerdere verering geweest zijn.

Vergelijk Cressage in Shropshire, die eerst Cristesache heette: de Christus eik. De Holy oakes in Leicestershire en een aantal gospel oakes in plattelandsgemeenten waar het evangelie werd gelezen tijdens de kruisdagen.

 

Manneke Pis.

De eikenstraat in Brussel is zo genoemd naar een jonge eik aan wiens takken de wieg van Godefroot III, gedurende de slag van Ransbeek, heeft gehangen. Na de zegepraal van de Brabanders werd de eik verplant en aan de ingang van die straat gezet. Bij de boom zette men een klein stenen beeldje dat er bleef tot in 1648 Duquesnoy het door een bronzen beeldje verving, het manneken pis. Het manneke pis is waarschijnlijk een bronnenbeeld die, in andere vormen, ook op andere plaatsen verschijnt. Het doet denken aan Freyr of Fro, de god van liefde en vruchtbaarheid tot het verkrijgen van kinderzegen.

Heiligen.

De eik van St. Guido te Anderlecht. Guido, (=Gewijde: in de volksmond Sinter Wijen) is de patroon van de voorstad van Brussel, Anderlecht. Hij was knecht bij een landbouwer. Op een dag was hij bezig het land te ploegen en stapte achter de werkdieren met zijn akkerstok. Hij stak die in de grond ten einde te kunnen knielen en bidden. De stok kreeg wortels, groeide en tooide zich met bladeren en werd een eik. De eik van Sinter -Wijen bestond, naar de sage, meer dan 600 jaar.

De H. Bernardus noemde zich een leerling van de eiken omdat hij in zijn jeugd in een eikenwoud leefde.

Waar men later de abdij van Affligheim opgericht heeft, stond vroeger een grote eik die door de H. Ursmarus geveld werd. Daarom gaf men aan die plaats de naam Breed-Eik.

De eik van Bernardus te Robermont in Belgisch Brabant. Roberm­ont is de naam van een rotshoogte die, noordwaarts, de kerk van de vermaarde ruinen van de abdij van Villiers-la-Ville beheerst. Op deze heuvel Robermont plantte St. Bernardus- toen hij deze abdij in 1147 verliet- zijn staf in de grond. De staf kreeg wortels en werd een prachtige eik. Daar werd een kapel opgericht. Naar een volksoverlevering werd deze eik door de bliksem van 28 febr. 1697 vernield. Op hetzelfde moment stierf aan een geraaktheid de abt Moniot.

Toen Germanus, later H. Germanus van Auxerre, zijn jachttrofeeën aan een eikenboom ophing, velde de H. Amator de boom neer. Daarom beeldt men deze bisschop van Auxerre af met een bijl in de hand en een omgehouwen eikenstam voor zich.

Nog soldaat zijnde, leidde Obertus een woest en ongetemd leven. Om boete te doen leefde hij in een oude en holle eik, daar waar nu nog zijn lichaam rust en de bron vloeit die heden nog zijn naam draagt. Zijn heilig leven maakte de proost, de monniken en de klerken bij Meerssen boos en afgunstig. Zij dienden een klacht in bij Obertum, Bisschop van Ludick en beschuldigden Gerlacus ‘groot geld onder een hoop stenen binnen die eycke verborgen’ te hebben. Obertus kwam haastig aan en liet de eik omhouwen, maar heeft daar niets gevonden dan ‘teeckenen van groote strengigheyt des levens’. Obertus, bedroefd over hetgeen hij had laten gebeuren liet 2 celletjes voor hem timmeren, de een om te bidden en de ander om uit te rusten.

=De H. Gerlacus, St. Gerlach, 1160, heer van Valkenburg in Limburg, had een holle eikenstam tot woning.

St. Brigitta van Kildare, 453-523, patrones van Ierland, The Mary of the Gael. Ze was zeer schoon en bad om lelijk te zijn. De Heer verhoorde haar en een van haar ogen zwollen op en liep uit gelijk water. Toen ging ze naar een vrouwenklooster waar ze gewijd werd door de bisschop Machilas. Die zag op het hoofd van haar een vurige pilaar en toen ze haar hoofd boog raakte ze met haar hand de voet van het altaar aan, die was van droog eikenhout gemaakt, maar zodra de Maagd die aanraakte werd hij groen en lieflijk. Haar oog werd weer gezond en haar gezicht even mooi als vroeger. De H. Brigitta eerde en heiligde een hoge eik die nog tot de 10de eeuw bestond. Hij was bij het volk in zo’n groot aanzien dat niemand hem durfde wonden of snijden met enig wapen. Onder deze eik bouwde zij haar cel, geheten naar hem, Kildare, dat is Cill-dara of Cel van de Eik. 

De H. Brigitta houdt in haar hand een eikentwijg en verbleef in Kildare en stichtte de eerste religieuze gemeenschap van vrouwen in dat eiland te Kenmare.

H. Berlindis, de luister van Meerbeke-bij-Ninove, stierf de 3de februari 698. Te dien tijde, zegt de legende van deze heilige, werden de lichamen met hun klederen, kleinoden en sieraden, ingemetseld of in uitgekapte stenen tomben begraven. Omdat stenen ontbraken om het graf van Berlindis te maken, nam men een uitgeholde eik die achter de kerk van Meerbeke groeide. Men legde er zorgvuldig het lijk der H. Maagd in. Toen men na zeven jaar daarna het graf opende om de overblijfselen op een heerlijker plaats te brengen, vond men tot ieders verbazing dat de eikenboom in steen was veranderd.

H. Herlindis en Relindis  Deze twee zusters worden beschouwd als de stichtsters van het klooster te Eik bij de Maas, thans Alden-Eik. Hun ouders Alardis (Adelhard) en Grinuara waren rijke mensen en toch brachten deze twee maagden met hun eigen handen stenen en zavel van de Maas tot aan het op te richten klooster, over een weg die nog Groene Weg heet. Doch zij deden het buiten het weten van hun ouders. Eens dat ze opnieuw hun schoot men stenen hadden geladen, kwamen ze hun vader tegen op de brug die nog Leugenbrug wordt genoemd. Daar ze vreesden dat hij het hun kwalijk zou nemen en boos zou zijn, werden op miraculeuze wijze de stenen in bloemen en rozen veranderd. Het gebouwde klooster noemden ze Eiken, omdat er veel eiken groeiden.

De H. Zerard leefde in een holle eik. Die scheen hem nog te groot en te ruim. Daarom sloeg hij rond en nagelde in de hol spitse nagelen die hem beletten tegen de eik te leunen en te rusten.

H. Therapon. Zijn legende verhaalt dat uit de grond, die zijn martelaarsbloed dronk, een grote eik ontsprong. Deze eik was altijd groen en men ziet hem nog te Sardes, waar deze heilige geboren werd. De boom geneest alle ziekten. Nu, de stad Sofia heet ook Sardica en bij de kerk van de Heilige Petka (Parasceve) ziet men een oude boomstronk die vele kerven en groeven vertoont en half in de muur verborgen zit. Het volk noemt hem ‘ de boom van de heilige Therapon’ en op deze dag gaat iedereen naar deze wonderboom en snijdt er een stukje van de tronk. Men draagt het mee naar huis want het bezit grote beschermende kracht. Het volk denk dat Therapon hier de marteldood onderging, doch ten onrechte want hij stierf te Sardes en niet te Sardica. Gelijkenis van de plaatsnaam verklaart het bestaan van de heilige eiken.

St. Bonifatius, De bekende Angelsaksische apostel van Duitsland en Friesland heette oorspronkelijk Winfried. In 754 is hij bij Dokkum vermoord. Winfrid’s eik, een heilige boom, staat te Gosmar.

H. Wolmarus (Wulmarus) Eeke heeft deze naam gekregen omdat de H. Wolmar ter plaatse, vroeger stond hier een groot woud, drie dagen zonder eten en drinken in een holle eik verbleef, ‘om

de lof des volks te vlieden’.

Te Signa, tussen Malmantile en Ginestra, toont men heden nog een Mariaeik men vertelt dat daar eens een herderin, met name Johanna, door onweer overvallen werd bij haar schapen en toen de herdersstaf in de grond stak. Op hetzelfde moment schoot een eik in de hoogte die haar en de schapen beschutte. Johanna werd om dat mirakel heilig verklaard. Bij de eik richtte men een kapelletje op ter ere van Maria. De vermetele die het durft er een tak van af te snijden of er in te klimmen zal er van verzekerd zijn dat de boom hem naar beneden zal smijten. Het is toch toegelaten dat men er kleine scheutjes afsnijdt om ze thuis te bewaren. Door zo’n talisman is men beschermd tegen alle onweer, onder voorwaarde dat men voor zulke scheutjes op de volgende wijze de naam van Jezus en Maria aanroept:

“Col nome du Gesu di Maria

Questa tempesta la vada via”.

Bij Labiau (O. Pruisen) stond aan het water de eik van de H. Judocus, in wiens holle stam iedere voorbijvarende visser een penning wierp om op zijn vaart alle ongeluk te voorkomen.

Een eik opende en sloot zich vrijwillig om het lijk van de H. Kristina op te nemen.

In het Zonienbos, dicht bij Groenendaal, stond de Corneliseik, dus genaamd naar het beeld van deze heilige dier er vereerd werd.

Zo stond bij het dorp Geisfeld in Zuid-Duitsland de Wendelinus-eik. Dit was één van de oudste eiken in Beieren en gewijd aan de heilige Wendelin, patroon van de landbouw die daar gepreekt zou hebben. (88, (1932)

St. Columba had haar favoriet eik en een leerlooier die er onbedachtzaam wat bast van gehaald had kreeg direct melaatsheid. Een andere heilige, Colman, was de beschermheer van een eik, Augustinus koos een eik op te preken.

De stoel van St. Pieter, in het Vaticaan is een eikenplank in een frame van acacia.

Er wordt gezegd dat Jeanne d’ Arc eerder tot de dood veroordeeld werd omdat ze aangeklaagd werd dat ze de elveneik van Bourlemont geregeld bezocht. Die was versierd met guirlandes waar men omheen danste en sprong. Hier vereerde men de geest van de boom die haar op zijn beurt het betoverende zwaard en banier had gegeven waarmee ze haar mensen naar de overwinning leidde.

In de Achterhoek staan ook af en toe grote, vrij staande eiken. Doordat de boeren geloofden dat er goede beschermgeesten in woonden die de bliksem naar zich toe trokken lieten ze deze bomen op het land staan.

Markeringsboom.

Als markerings- of grensboom was het de kroeze- of kruisboom die we nog in het oosten van ons land aantreffen. Zo’n boom stond in het centrum van de es, dat is het akkercomplex van de dorpsgemeenschap. Vanuit dit punt werd de gehele es ingedeeld. De kroezeboom, er staat er een op de Fleeringer-es bij Tubbergen, was een duidelijk merkteken. En niet alleen als middelpunt van de es maar ook als symbool van de dorpsgemeenschap. Daarom was het gebruikelijk dat bij een begrafenis de kist langs de boom werd gedragen. Op deze wijze nam de overledene afscheid van de hele gemeenschap. Als grensboom mocht niemand hem verplanten of verminken. Het was een vrijboom; onder zijn schaduw was de misdadiger in veiligheid; insgelijks dienden de tempelwouden als vrijplaats.

 

Beschrijving: dChristelijke eiken.

Vernietiging van de eik was één manier om de heidense boom uit te bannen. Een andere tactiek was om de eik een christelijke heilige mee te geven. Daardoor heeft de eik ook in de christelijke religie een rol gespeeld. Zo zijn er vele Lieve-vrouwen-eiken in ons land maar ook elders. Vaak is zo’n boom, een eik of linde, aan Maria gewijd. Maria, het symbool als godin van het leven. Rond zo’n boom ontstaat dan vaak een bedevaartplaats. Zwarte Maria’s laten zien dat het beeld vaak een verbinding heeft met de vruchtbare aarde heeft.

Vooral aan Maria werden echter vele eiken gewijd. Meestal wordt van zulke eiken verteld dat een boer of een herder een Mariabeeld in de stam gevonden heeft. Het gevolg was dan dat men bij die eik een kapel bouwde die later bedevaartsoord werd.

De Maria-eik bij Planegg, ten zuidwesten van München, is een oud voorbeeld van zo’n bedevaartsoord. Ook hier is in de holte van de stam een Mariabeeld tentoongesteld.

In de kapel van Onze Lieve Vrouwe ten Heiligen Eik in Meerveldhoven staat een -dode- eik. Die is behangen met afbeeldingen, vaak van het menselijk lichaam, als dank voor genezing. In de eik staat het Mariabeeldje dat enkele keren naar de vindplek terug keerde. Het zou in de 13de eeuw in de boom gevonden zijn en werd meegenomen naar de dorpskerk. Het keerde telkens terug zodat men hier maar een kapel bouwde. De eik zou kreupelen genezen.

In Uden bevindt zich de kapel van Onze Lieve Vrouwe ter Linde met daarin een Mariabeeldje dat in een lindeboom gevonden zou zijn. In Roermond wordt Onze Lieve vrouwe in ‘t Zand vereerd. Dit beeldje werd gevonden in begin 15de eeuw door een schaapherder die water schepte uit een put. Naast de put stond een eik. Het beeldje werd naar de kerk gebracht maar keerde op eigen gelegenheid telkens terug. Hier werd een kapelletje omheen gebouwd. Het is een Zwarte Maria. Ook in Sittard is en Zwarte Maria die wel wandelend wonderbeeld genoemd wordt omdat ze zich telkens verhuist

Er stond in Bologna een beroemde kurkeik waarin een vrome schaapherder een beeld van de H. Maria plaatste. Dat was wel mooi, behalve dat hij het beeld uit de kerk had gehaald zonder toestemming te vragen. Hij meende dat ze het beeld verwaarloosden. Bij deze boom was hij elke dag en speelde daar op zijn fluit voor de Maagd. Toch werd hij gevangen genomen en werd ter dood veroordeeld, het beeld werd weer op zijn oorspronkelijke plaats gebracht.. Die nacht wandelde het beeld naar buiten, weg van de verwaarlozing der paters, opende de gevangenisdeur, bevrijdde de dief en zo werden ze beiden de volgende dag in de boom gevonden. Ze werden naar beneden gehaald maar het mirakel werd herhaald zodat de mensen nu overtuigd waren dat dit de wil van de Maagd was en zo werd de boom een kapel. Mogelijk naar dat geval kwam de gewoonte om kleine afbeeldingen van de Maagd in een boom op te hangen

Uit de 14de eeuw wordt vanuit België bericht dat in Brabant zo’n eik aanwezig was die “als een cruse gewassen stont” waar velen genezing zochten. Soms kwamen zieken onder de boom slapen en dachten: “in haren droem, datsi van den boem genasen”. Eens kwam daar een zieke man die door een sterke wind weggevoerd zou zijn, hierna durfde niemand meer onder de eik te slapen. Later werd de duivelseik van weleer een Maria-eik. Er ontstond een levendige pelgrimage naar deze, met een Mariabeeld getooide, boom. In 1603 werd de boom geveld nadat het door bedevaartgangers, die op een relikwie uit waren, al flink beschadigd was.

Te Scherpenheuvel had men een wijd vermaarde eik. “Aldaar was een bergsken, op den berg een Eik en aan deze hing een beeldeken van de H. Maagd”, aldus Justus-Lipsius. In het begin van 1600 heeft men de oude eik, die uit godsdienstijver door vele bedevaartgangers beschadigd werd, omgehouwen en in drie delen verdeeld. Het grootste deel werd aan Aalbrecht en Isabella geschonken en uit het overige hout heeft men nog verschillende Mariabeeldjes gesneden, waarvan er nog vele in België bewaard worden. De Karmelitersen en de Kanonikerssen van Berlaimont, te Brussel, bewaren in hun kloosters een beeldje van Maria die gemaakt is van die eikenboom. In het jaar 1644 werd met vele plechtigheid in de kerk van de Grooten-Bijgaarden een klein beeld van Maria geplaatst, de titel van O.L.V. van toevlucht voerende. De edele Vrouwe Johanna_Franciska van Boisschot had die laten maken uit een stuk van de eik van Scherpenheuvel, welke haar moeder, na de dood van de Infante Isabella tot een gedenkenis gekregen had van Hilarius Vivero, juweelbewaarder van het hof.

In 1454 gebeurde te Echna, vlak bij Leipzig, het volgende wonder. Een voerman reed er met zijn wagen voorbij. Onderweg had hij van een vreemdeling een zwaar pak meegenomen. Toen hij bij een eik kwam, waaraan een Mariabeeld hing, konden de paarden niet verder. Hij smeekte Maria om hulp, het gaf niets. Toen schoot hem een gedachte binnen, het pak van de vreemdeling kon weleens gestolen kerkgoed zijn. Hij greep het en opende het: er lag een gestolen zilveren monstrans in. Sinds dien komt het volk hier ter bedevaart en met talrijke offeranden bouwde men er een mooie kerk, Maria ter ere.

Van Maerlant spreekt van de gewijde eik die tussen Sichem en Diest stond en de vorm van een kruis had;

“In deze tijden gingen er vele

Tussen Zichen en Diest de stad

Recht bijna in het midden

Daar deed men menige bedevaart

Tot een eik die ze kenden

Die als een kruis gegroeid was

Met twee reien die er uit staken

Daar menigeen er uit kwam

En daarnaan hing lans en staf

En zei datze er van genezen werden”.

Te Cortenbosch hing vroeger een Mariabeeld aan een eikenboom. Het O.L.V. beeldje, gemaakt van potaarde die te Cortenbosch vereerd wordt, komt van Pater Franciscus de Montjoey, van het couvent der Minderbroeders in Sint Truyen. Hij schonk die aan Elisabeth van Cauteren, weduwe van Christaen Reynders. Op haar verzoek heeft hij in 1636, vergezeld van zijn broeder Gislarius van Thienen en van Libertus Verjansen, schrijnwerker van Sint Truyen, dit beeld gehecht aan een oude eikenboom van het bos die aan de gezegde weduwe toebehoorde en paalde die aan een ander, genaamd Cortenbosch, waarvan die plaats haar naam behouden heeft.

In 1609 velde Gillis van Wanlin, bij een hofstede Foye dat nu een dorp is, een zeer oude eik. Hij vond in het hart van het hout een Mariabeeld van witachtige aarde, het was niet veel hoger dan een palm en werd eerst in de kerk van Celles geplaatst waar het, volgens de legende, veel mirakels deed. Later werd op de plaats, waar de eik gestaan had, een kerk gebouwd en het miraculeuze beeld werd in 1618 overgebracht.

Omtrent het jaar 1450 kocht een schaapherder een klein beeld van Onze-Lieve-Vrouw en hing het aan een eik die geplant was tegen de grote baan, op het Scheutveld. De middernacht voor Pinksteren 1450, verscheen over de eik een hemels licht. Meer dan 10 000 mensen kwamen die dag van Brussel naar Scheut om het wonder te zien. In dezelfde nacht vertoonde zich de H. Maagd aan een voorbeeldige vrouw en zei tegen haar: “Verkondig aan het volk dat ik in het Scheutveld geëerd en Moeder van Gratie genoemd wil worden”. Die verschijning gebeurde tot driemaal toe. Zo ontstond de Scheutkapel.

Niet ver van het oude kasteel van Mailly, te La Seille, ziet men een Lieve Vrouwe-eik van 8 meters omtrek. Eertijds hing er een Mariabeeld aan. De legende vertelt dat het op wonderbare wijze uit de stam te voorschijn kwam en het bracht balsem mee die de wonden genas.

Bij Ronse droeg een eikentwijg witte bladeren en dat sloeg het volk met verwondering. Men houwt de boom om en vond de oorzaak van het wonder: een Lieve Vrouwebeeld was er in verborgen. Men bouwde er een kapel die de naam kreeg van Onze-Lieve-Vrouw te witte tak. Boven het goed bewaarde beeld ziet men nog een trosje witte bloemen.

Jesukens-eik of Jezus eik (Dejeezekes-eik) in het Sonienbos, bij Overyssche, is ook vermaard. Het Mariabeeld hing aan een eik, Jesukens-eik geheten, en nog is het hoogaltaar der kapel gesteld tegen het onderste gedeelte van de boom dat zich in de grond bevindt en waarop het beeld rust. Om de onbedachtzaamheid van sommige pelgrims, die te grote stukken van het bewaarde deel van de eik afsneden, heeft men dit in een kas afgesloten en hierin is een opening gelaten voor de bedevaartgangers die een stukje van de eik verlangen die aan Maria zoveel weldaden uitgedrukt heeft. “Het gemeen gevoelen der ouderlingen, die dit bosch doorwandelen, zoo jagers als vorsters, is dat, over honderd en meer jaren, boven aller menschen gedenkenis, in dezen eik een klein Jezus-beeld is gesteld geweest, waardoor hij Jesukens-eik genoemd is geworden.

Beschrijving: witteIn het Sonienbos, nabij Groenendaal, stond de Korneliseik, zo genoemd naar het beeld van de heilige die er vereerd werd..

Maria ten Eyke in Merfelt. Daar had men in aloude tijden aan een eikenboom een wonderdadig Mariabeeld gevonden. Er werd al gauw een kapel gebouwd. Er kwamen veel mensen uit de omstreken naar de eik om daar de Moeder Gods te eren. Heden nog staat de eikenboom in het midden van het altaar en daaraan het Mariabeeld. Aan de takken van de boom hangen schilden waarop de mirakelen, die het beeld verricht heeft, kunstig gemaald zijn.

Te Beerse, bij Turnhout, is een vermaard Mariabeeld Onze Lieve Vrouwe ten Heiligen Eik geheten. Enige landlieden vonden het langs de oever van het riviertje de Aa en hechtten het aan de naast staande eik. De andere dag kwamen de bewoners van Beerse en droegen het midden in het dorp. Tijdens de nacht verdween het en hing weer aan de eik. Maria werd daar in ‘t vervolg geëerd. Een kapel werd er gebouwd en later een kerk.

In de eerste helft van de 17de eeuw werd er in een eikenboomtronk te Eesen bij Diksmuide, een klein en in steen gesneden beeldje van O.L. Vrouw gevonden. Dit stelde men ter toon tot opwekking van de godsvrucht der gelovigen. Ter plaatse werd een kapel gebouwd, de kapel van O.L. Vrouwe ter hulpe.

Te Deerlijk heeft men O. L. Vrouw ter Mote. In 1526 stond Deerlijk onder het gebied van Heer Andries, die daar zijn kasteel had. Hij was een godvruchtig man. Op zekere dag deed hij een belofte en verkreeg wat hij vroeg, zou hij een kapel bouwen met de grootste eik uit zijn bossen.

Lange tijd nadien schonk God aan Andries wat hij zo vurig had verlangd, maar hij dacht niet meer aan zijn vroegere belofte. Vele jaren vlogen voorbij. Op zekere dag liet Andries een grote reuzeneik vellen. Hem uit de grond krijgen was niets, maar wegvoeren was wat anders, dat scheen onmogelijk. Acht sterke paarden werden aan de wagen geleid en onder de kletterende zweepslagen trokken ze tot het kraakte en knarste. Die niet verroerde was de wagen. ‘Dat is toch een aardig ding’, peinsde Andries en het stond hem niet aan. ‘Laat ons de boom zagen’, zei hij tot het volk, ‘ik wil weten wat er aan scheelt. ‘t Werd op staande voet gedaan. Maar pas was de zaag een vuist diep in het hout gebeten of een klein O.L.V. beeldeke viel voor zijn voeten op de grond. Hij verstond ‘t nu. Hij was zijn belofte vergeten, maar O. L. Vrouw had ze opgetekend op haar grote rekenboek en had intussen haar beeltenis in de boom gezet als in een kapel die haar van rechtswege toekwam. Terstond en ter plaatse liet hij de kapel bouwen van O. L. Vrouw ter Mote.

Sedert onheuglijke tijden eerde men op het gehucht de Stoepe, een Mariabeeld dat aan een eik hing. Later richtte men hier een kapel van O. L. Vrouwe ter Stoepe op.

Te Oud-Heverlee hing ook aan een eik een wonder doenend Mariabeeld. Ook te Zout-Leeuw aan de Ossenweg en op de weg naar Geel. Er is een Onze-Lieve-Vrouw ten heiligen Eiken in Aarschot en ook in Hulst..

Bij Horn, Oostenrijk, staat de “Marienkirche zu den drei Eichen”. Bij Gonsdorf, aan de Oberrhein, heeft men Onze lieve vrouwe ten eiken”. Bij Auroldsmunster vindt men de kerk van Maria’s eik.

Niet alleen in Duitsland maar ook in Frankrijk zijn tal van zulke voorbeelden te geven. Plaatsnamen als Le chêne de notre dame, Le chêne de la Vierge, Notre dame du chêne, La bonne dame du chêne, La chapelle au chêne en dergelijke zijn legio. Bij ons komt Mariahout en Jezus-eik voor. Niet ver van de vermaarde eik die Jezus-eik wordt genoemd in het Zonienbos, staat een boom die de naam heeft van St. Pietersstoel.

Verder zijn er vele Jezuseiken geweest.

Uit J. Strutt, Gog and Magog.

Sagen.

Een legende verhaalt dat de Joden, op zoek naar hout om er het kruis van te maken, geen enkele boom vonden die zijn hout hiervoor wilde lenen. Allen versplinterden hun stam, uitgezonderd de eik die zijn hulp bood. Daarom vluchten de Griekse houthakkers van deze boom en beschouwen hem als vervloekt.

Tussen Eslaf en Sallerup in Zweden stond in 1624 in een bos een eikenboom die de Gylde-eik genoemd werd. Hij was door een reuzin geplant en in oude dagen had men veel spokerij om de boom gezien. Hij werd door de voorbijgangers eerbiedig gegroet.

Generaal Ziethen was een groot heksenmeester. Tijdens een oorlog ging het hem slecht. De Oostenrijkers en de Russen hadden hem met overmacht overvallen en hij moest ‘s avonds met zijn soldaten uitwijken. Ze kwamen in een dal, zijn krijgslieden waren zeer vermoeid en hij wist dat de vijanden hem op de hielen zaten. Ineens ziet hij: “Halt, dat niemand zich verroert”. Al zijn soldaten stonden als een muur. Nu sloeg de oude Ziethen een kruis, murmelde enige geheimzinnige woorden en in een ogenblik was zijn hele leger in een groot bos veranderd. Hijzelf klauterde op een eik en lachte om wat er gebeuren zou. Het duurde niet lang of de vijand kwam van de berg af. Pandoeren en Kozakken, Kroaten en Hongaren, witrokken en zwartrokken kwamen en stonden verbaasd dat ze in plaats van een leger een bos voor zich zagen. Kwaad liepen ze door, terwijl ze hier en daar een twijg afsloegen. Als de vijand ver genoeg was steeg de oude Ziethen van zijn eik en murmelde een andere geheime zin en zijn soldaten stonden daar weer voor hem, met zak en pak als een muur. Enigen hadden een houw gekregen of de kop verloren. Dat deed echter niets ter zake en de oude zei: “Vooruit nu pakken wij de vijand van achter”. Zo werd de vijand verslagen.

In het jaar 1652 groeiden er te Jena en te Halle zeldzaam gevormde eiken, er waren er waaraan men gezichten van Turken en draken gewaar werd.

Eens, toen Mainz grote oorlogsschade leed, groeide op een steen een voet hoge eiken die de vrede aankondigde. Gedurende een andere belegering van deze stad zei de veldheer trots dat hij net zo min de stad zou overgeven als een gouden eiken op een steen groeien kon. Echter zo’n eiken groeide inderdaad op een steen en de stad moest overgegeven worden.

Er waren eens twee vrienden die geloot hadden. De ene had een slecht en de ander een goed nummer getrokken. Als de eerste naar het leger moest riep hij zijn vriend onder een grote eikenboom en zei: “Vriend, ik moet weg en aan u vertrouw ik deze gouden ring, het enige stuk van waarde dat ik bezit. Als ik weerkom geef je hem weer”. En hij vertrok. Als zijn tijd om was kwam hij terug en vroeg de ring aan zijn vriend, maar die beweerde niets gekregen te hebben. Zo gingen ze naar de rechter en die vroeg aan de lener: “Heb je geen getuigen die bewijzen kunnen dat jij oprecht een ring geleend hebt?” “Niemand dan een oude eik, waaronder wij zaten”. “Ik weet zomin van de eik als van een ring” zei de ander. “Ga om een takje van die eik en dit zal getuigenis geven”, beval de rechter de eerste. De man vertrok en de vriend en de rechter bleven. De eerste was reeds geruime tijd weg, toen de rechter ineens zei: “Doe het venster open en zie of hij al terugkomt”. De ander antwoordde: “Ik hoef nog niet te zien, rechter, hij kan nog niet terug zijn, de eik staat veel te ver van hier”. “Welaan, valsaard”, riep de rechter: “zo-even zei je nog dat je eik nog niet kende en nu weet je hoe ver de boom staat. Jij bent schuldig”. En de leugenaar werd veroordeeld en gedwongen de hem toevertrouwde ring terug te geven.

Bij Altenstein stond een eik die met het lot van het huis Schonburg verbonden was. In het jaar 1840 viel de boom en kort daarop stierven twee leden van de familie.

Twee eiken staan bij Callenberg en zijn geplant ter nagedachtenis van de prinsenroof van Kunz von Kauffungen.

De “Mal-Eiche” staat bij Lindenberg op het graf van een ridder die, nadat hij zijn geliefde ontvoerd had, vervolgd en verslagen werd.

De Earl van Winchelsea die in zijn slot bij Eastwell, Kent, een merkwaardig eikenwoud had, gaf de eerste houw ter uitroeiing. Kort daarna stierf zijn vrouw plotseling en zijn oudste zoon, Lord Maidstone, werd op een reis door een kogel gedood.

Te Norwood groeide een eik die een maretak droeg. Men velde hem in 1657. Enige personen sneden de woekerplant af en lieten slechts 1 tak staan zodat die kon voort groeien en twijgen schieten. Het afgesneden werd telkens voor 10 schellingen verkocht aan een Londense apotheker. Een van deze personen werd kort daarop lam, een ander verloor een oog en hij die de eik geveld had, brak een been.

Op de Kapornische heide, bij Koningsberg, vindt men de zogenaamde vierbroederszuil (Vierbrudersaule) Die is van hout, vier en twintig voet hoog en toont boven in vier gehelmde mannenhoofden en vier uitgestrekte armen. Dikwijls is ze vervallen geweest en telkens liet het magistraat van Kaporn ze weer herstellen bij welke gelegenheid de timmerman zich voor haar buigt en de wens moet uitspreken dat ze lang mocht blijven bestaan. Een sage verhaalt dat hier vroeger een gewijde eik met vier grote takken bestond waaruit men vier hoofden en vier armen sneed.

Bij Kreuzburg in O. Pruisen stond een eikenwoud dat nooit eiken gaf omdat daar in 1294 een verraad vanwege de Duitse orderidders gepleegd werd. Deze mannen moesten voor de Pruisers, in het dorp Pokarnonis, vluchten waar men hun vrije aftocht aanbood als ze maarschalk Bozel en enige anderen als gijzelaars achterlieten. Dit voorstel werd aangenomen; maar de Pruisen hielden geen woord, ze overvielen de heentrekkende en doodden vier en twintig ridders met hun gevolg en nagelden zelfs een vrome broeder aan een eikenboom vast. Van toen af droeg het eikenwoud geen eiken meer.

Ook in Hanau bevindt zich een eikenwoud die geen vruchten meer voortbrengt omdat eikenrapers zich daar onderling verwensten.

In het woud van Stolzenberg, bij Stattin, staan vier kreupele, kleine eiken. Ze groeien niet meer omdat daar een jager en een wildstroper naar elkaar schoten en eerst, in het sterven, elkaar als broers herkenden.

Bij Reichenbach, Thüringen, vond men een gestolen kelk bij een slapende soldaat, die daarvoor werd opgehangen. Hij was echter onschuldig en zei dat als bewijs van zijn onschuld in het woud geen eiken meer zouden groeien, hetgeen gebeurde.

Niet ver van Hildburghausen verschijnt ‘s nachts op de grote Mehl-Eiche een doodsbleek vrouwmens met een zware meelzak op de rug. Het is een molenaarster die onbarmhartig de mensen bedroog en daarom zo zwaar geladen wandelen moest tot iemand haar de zware last afneemt. Een overlevering uit Westfalen zegt dat de wandelende Jood enkel rusten mag, wanneer hij, bij geluk, twee eiken vindt die samen in de vorm van een kruis groeien.

 

Eik en het weer.

De stam is bekleed met een ruwe grove schors, vol spleten en barsten. De wortels komen tot in watervoerende lagen waardoor veel vocht in de bast terechtkomt. Omdat daardoor de bliksem wordt aangetrokken werd de eik als bliksemafleider rond boerderijen geplant. (88, 1942) Een oud spreekwoord zegt daarom ook: “Eiken moet ge wijken en beuken moet ge zeuken”.

Er zijn twee soorten donderplanten, de een trekt de bliksem tot zich, ze zijn belichaming van het hemelse vuur. De ander verdrijft het weerlicht en beschermt mensen en huizen en zijn om zo te zeggen bliksemafleiders (Sempervivum).

De maretak, vooral die op de eik groeit, is een donderplant van de eerste soort en werd dikwijls met de donder vereenzelvigd. Volgens een oude overlevering is de eik insgelijks van bliksemafkomst. Hij was aan Thor, god van de donder, gewijd, het was een heilig schennende daad hem te verminken.

Wanneer de eik zeer veel eiken draagt zal de sneeuw vroeg vallen en de winter lang zijn. Als de eik voor de es zijn loof tooit zal de zomer nat en modderig zijn, in het tegenovergestelde geval droog en heet.

In Engeland beweert men dat men gerst zaaien moet, dag of nacht, als de grijze katjes op de eik komen.

Als januari stof maakt dan groeit het koren als een eikenboom. Dodonaeus meldt dat de maan invloed heeft op het hout. Kap het in december of januari en bouw daar dan een huis van, zo niet zal het hout vermolmen. Plant eiken met een volle maan en verplant ze met een afgaande maan, zo ook kappen met afgaande maan.

 

Eik en bijgeloof.

De kleurverandering van eikenbladen was dikwijls een voorteken van naderend onheil gedurende burgeroorlogen. Als een gebroken eikenappel vol wormen zit is het een voorteken van een pestjaar. Indien misdaden in een eikenwoud geschieden bereiken de eiken geen hoge ouderdom en houden op met vrucht dragen.

Het zou ongeluk brengen als je eikenhout afsnijdt.

Serpenten zouden sterven als ze eikenbladen aanraakten of er mee bedekt worden.

Indien men, in de maand maart, de eik doorboort zal uit de wond klaar water vloeien dat op 12 - 14 dagen een grote eik voort teelt. Een olijf, naast een eik geplant, vergaat. “Andere segghen dat se (de eiken) altijdt groen blijven als mense op een Coolstruyck entet”.

Sommigen beweren dat een eikenboom waarin men gehouwen of gehakt heeft wormig zal worden als er een noordenwind waait. Dat uit deze boom zonderling gedierte met veel voeten groeit en dat gemorzelde eikenschors, met water vermengd en in de stam van een andere boom gelegd, een grote menigte van zulke dieren voortbrengt.

Tussen Rudolstadt en Saalfeld vond men een eik waaraan een sterke ketting bevestigd was, de veroordeelden werden aan deze ketting opgehangen.

Aan een eik te Kienhard hing een knots zo groot, dat een mens haar moeilijk dragen kon. Als een man door zijn vrouw geslagen werd, zo ijlden allen, jong en oud naar de “Schlagel” en hingen hem aan de huisdeur van de arme man die zich met zijn vrouw verzoenen en een maat wijn betalen moest vooraleer de knots weer op zijn oude plaats teruggehangen werd.

De vrouwen van Weilhem, bij Tubingen, hadden het recht elke lente een eik te vellen, die te verkopen en het verkregen geld te verdrinken. Dit recht werd hen waarschijnlijk door een geestelijke geschonken ten einde ze tegen de boomcultus te laten werken. Het werd halfweg vorige eeuw afgeschaft.

In Württemberg liet men een koe over een eikentak lopen voor men haar naar de stier voerde. In een bos in Westfalen stond een grote eik waar de bruidsparen naar toe trokken er driemaal omheen dansten en er een kruis insneden.

 

Enkele van de vele in Israël voorkomende eikensoorten:

Sectie Cerris, Europa, Azië, noord Afrika, eikels rijpen in 18 maanden, binnenkant van de schalen is haarloos of licht harig.

Uit J. Sibthrop.

Quercus coccifera, L. (besrood of coccus dragend) is een altijdgroene en op hulsteik gelijkende boom of grote struik, 3‑8m.

Is meer stekelig en heeft een helderder kleur dan de hulsteik, bronskleurig en licht behaard. Oudere bladeren zijn donkergroen en stekelig, 2-4cm lang.

Eikels zijn verborgen tussen de bladeren, het napje heeft stekelige schubben. Ze worden de tweede zomer rijp.

Groeit  in het M. Zeegebied, van Marokko, Portugal en oost Griekenland. Kermes eik is nauw verwant aan de Palestijnse eik (Quercus calliprinos) uit oostelijk M. Zeegebied. Sommigen beschouwen de kermes-eik als een subspecie ervan.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) ‘(a) ‘Plinius schijnt het Aquifolia Ilex te noemen,  hoewel dat andere die naam aan onze gewone hulstboom toeschrijven. Deze heester of klein boompje heet in het Grieks Prinos en in het Latijn Ilex’.

Dodonaeus (b) ‘Bij de nieuwe kruidbeschrijvers heet het Ilex coccigera of Ilex coccifera (bes dragend) of ook Ilex minor coccigera (dat is kleine Ilex met de bessen of scharlaken boom) de Spanjaarden noemen het coscoia. Dioscorides heeft het Coccos baphice genoemd, maar oneigenlijk want die naam wordt aan de bessen of korrels zelf en met veel beter reden gegeven. De verf heet Coccinum en Hysginum want Pausanias schrijft dat Coccus in Galatië Hys genoemd wordt. Nu heet ze Coccus baphica, Coccus tinctorum; Granum of Grana tinctorum en Cochenilia in het Latijn. Hier te lande heet het coccenilie. Naar de voor ververmelde rode beestjes en bessen noemen sommige dit klein geboomte zeer goed coccinilie boom, dan andere geven het verschillende namen, doch zonder reden’.

Dodonaeus © ‘De korrels of bessen van deze boompjes heten hier te lande scharlaken greinen of scharlaken bessen, in Hoogduitsland Scharlachbeer, in Frankrijk vermillon, graine, graine escarlate, graine d’elcarlate of alleen escarlate en ook scarlatum, in Italië grana de tintor, in Spanje grana en grano, grana para tentair grana of para tantir en grana de tintoreros. In het Grieks heten deze korrels eigenlijk Coccos baphice en in het Latijn Coccum infectorium omdat ze zo geschikt zijn om de kleren een scharlaken kleur te geven’.

Duits Scharlachbeere, -eiche.

Dodonaeus (d) ‘De Arabische meesters en de apothekers noemen deze korrels Chesmes en Kermes en diegene die menen dat Chesmes van deze korrels of van Coccus infectorius verschilt en omtrent de wortel van een kruid zoals pimpinelle zeggen gevonden en verzameld te worden zijn zeer bedrogen en verdoold.

Hier te lande heet het karmezijn en de boom karmezijnboom naar de Arabische chermes of alchermes en de Franse cramoizy, hoewel dat er noch een ander oneigen Chermozinum is dat uit de wortel van meekrap gemaakt wordt’.

Op het zachte dons van de jonge scheuten leeft de kermes(z)schildluis, Coccus ilicis, Fabr. Deze schildluis levert een waardevolle verfstof waaruit scharlaken en onder andere het beroemde Venetiaanse scharlaken, het ecarlate de Venise, wordt verkregen. Een verfstof met een opvallende volle kleur en blijvende werking, zie Jesaja 1:18. “Als ware uw zonden als scharlaken”.

Kermes is afkomstig van het Franse alkermes en dit van Arabisch. De Arabische naam voor dit insect is nog steeds kermez, Perzisch qirmiz (de bron van het woord crimson: rood) dit van Sanskriet krmi-dza: gemaakt door een worm. Kermesbes, omdat men hier vroeger dacht dat het van de bessen afkomstig was. De vrouwelijke bevolking hield zich bezig met het afkrabben van deze beestjes van de takken en lieten daartoe hun nagels lang groeien.

Kermes (z) eik, Duitse Kermeseiche of, Engelse kermes oak.

Dodonaeus (e) ‘Plinius noemt ze ook Cusculium of (zoals sommige dat verbeteren willen) Quisquilium en hij zegt ook dat ze Scolecion genoemd worden omdat ze zo gauw in wormpjes veranderd word die in Azië en Afrika veel groeien’.

Dodonaeus (f) ‘Als het zo groot is dat het eikels draagt dan heet het in het Spaans carasca, (bast) maar klein heet het cascoia zoals Cuscultum, zo Clusius betuigt die ook zegt dat sommige het Fagus, doch oneigenlijk noemen’.

Dodonaeus (g) ‘De vrucht of eikel van dit gewas wordt van sommige in het Grieks ook Acylon (dat is eikel) genoemd als Theophrastus schrijft’. Stech eiche heeft wat stekelig blad.

Uit transactions of the Linnean society. London.

Bijbel.

Het scharlaken wordt in het Hebreeuws tola, karmil, tola’at, tola’ath, tola’ath shani of tola’at shani genoemd, verwijst naar het insect Coccus ilicis die op de kermes eik leeft en die kleur levert. Scharlaken draad werd vermeld in de tijd van Sarah’s geboorte rond 1727 v. Chr. , blauw en purper worden in de tijd van Exodus genoemd rond 1491 v. Chr.. Men denkt dat de Hebreeërs niet met deze kunst bekend waren. Ze waren waarschijnlijk afhankelijk van de Phoeniciërs voor hun verf en voor de Egyptenaren om het toe te passen. Het purper, argaman, van de ouden, een soort licht rode kleur kwam van de schelp van een zeeslak van het geslacht Purpurea, vooral van Murex trunculus, L., de verf kwam voornamelijk van de haven Tyrus en werd zo bekend als Tyrisch purper. Er wordt verteld dat zij alleen de kunst verstonden om het te maken en het verloren ging bij de vernietiging van Tyrus. Sommige van de blauwe verf, teceleth of t’chaylet, een soort violet kwam van een ander schelpdier, Helix ianthina die langs de Phoenische kust gevonden wordt. Een andere blauwe kleur kwam van de lichen Roccella tinctoria. Vermillioen, shahar, was een kleurstof die van het mineraal cinnaber verkregen werd. Gele verf kwam van Lawsonia inermis. Sommige denken dat het blauw ook kwam van Indigofera tinctoria en Isatis tinctoria, rood van Rubia tinctoria.

Van deze boom kan, net als bij vele andere eikensoorten, van de bast en galappels een zwarte verf of inkt verkregen worden. Dat wordt bereid door de bast in kokend water te zetten. Die zwarte verf wordt wel gebruikt om het haar zwart te verven.

Het is een bestanddeel van de garigue, de altijdgroene struikformatie die struikachtig blijft. De Provençaalse betekenis ‘garoulio’ voor de kermeseik gaf dit plantengezelschap haar naam.

‘Men prijst deze scharlaken korrels tegenwoordig veel om de overvloedige maandstonden te stoppen en te bedwingen, met spijs of drank ingegeven.

 

Uit www.peterharrington.co.uk met de onderste pseudo-suber.

Quercus pseudococcifera, Desf. de valse kermeseik lijkt op voorgaande, maar is groter. Het zou de eik zijn van Jozua 24: 26 en 1 Koningen 13: 14.

 

Abrahams eik.

Hiervan groeit er een op de plaats waarvan men veronderstelde dat daar Abraham onder zat en waar de 3 engelen aan hem zouden zijn verschenen. Men gelooft dat als iemand de boom beschadigt, dat hij dan zijn eerstgeboren zoon zou verliezen.

Deze boom heeft een omvang van 7m en zijn takken spreiden zich 18m. In de winter van 1856-57 verloor het een grote tak die afgevallen was door een hevige sneeuwbui. Anderson meldt dat waarnemers in de voorgaande eeuw deze boom vermeldden als de eik van Abraham te Mamre.

De boom zou er nog gezond uitzien met takken die 90 voet spreidden en een stamomvang had van 6,60m.

Eusebius en Hiëronymus vermelden in Reisbeschrijvingen: “De eik te Manbre, bij Kedron, die werd daar nog ten tijde mijner kindsheid en het rijk van Constantius aangewezen, zijnde een zeer oude Terpentijnboom aan wiens jaren door zijne grofheid niet gewraakt werd, daar zou Abraham zijn verblijf gehad hebben. Met bewonderenswaardige bijgelovigheid wordt hij van de Heidenen gehouden, als onder zekere grote naam geheiligd.”

Maerlant, ‘Quercus is de eiken naam, een schone boom en geschikt die beide groot groeit en lang,  zijn natuur die is sterk en dat hij zeer lang mag duren want wij vinden in schrifturen dat een eik van Abrahams tijden al zolang daar staat dat Constantijn mogelijk regeerde in het Roomse rijk en dit was meer dan drie duizend jaar, die stond te Mambre, dat was waar’.

Uit saints.sqpn.com

Abraham leefde enige duizenden jaren voor Christus, het was toen al een markeringsboom of opvallende boom en moet dus toen al enige honderden jaren oud zijn geweest, plus dan nog de tijd na Chr. Die boom moet dan al meer dan 4000 jaar oud zijn.

Jan van Mandeville; ‘Bij Hebron is de berg van Mambre van wie het dal heeft zijn naam. Daar is een teken boom die de Sarasijnen Drijp noemen die daar nog staat van Abrahams tijden en hem noemde zeg boom en men zegt dat deze boom daar heeft gestaan van het begin van de wereld en was altijd groen en bebladerd tot de tijd dat onze Heer stierf aan het kruis en toen begon hij te verdrogen en alle bomen die toen in de wereld waren, ze verdroogden geheel of het hart verrotte van binnen zodat hij droog gebleven is of geheel hol van binnen, alzo men er heden te dag genoeg vindt in de wereld. En enige profeten zeggen dat een prins van occident, dat is van het westen, nog zal winnen het land van beloften met de hulp van de christenen en zal onder deze boom mis doen en dan zal deze boom opnieuw groeien en uitwerpen twijgen en bladeren en dragen vrucht, vanwege welke mirakel menige Jood en Sarasijnen zich zullen bekeren tot het christelijke geloof en daarom behoedt men deze boom met grote eer en met grote kosten. En al is het dat hij droog is en ook zijn twijgen droog zijn, nochtans heeft hij in zich grote kracht. Want die het een luttel over hem draagt, hij geneest van de vallende ziekte en zijn paard mag niet vermoeien en vele andere krachten heeft hij; daarom houdt men het in waardigheid’

Meer geloof kunnen we hechten aan Moldenke, die vermeldt dat de boom, als terebint beschreven bij Josephus, volgens de legenden daar gestaan had sinds de schepping der wereld, in 330 na Chr. is doodgegaan. De boom werd dan vervangen door een eik. Mogelijk was dit de voor vermelde eik die dan voor de gelovigen indrukwekkend genoeg was.

34.         Uit Ravelingen.

Beschrijving: msotw9_temp0Quercus ithaburensis Decne. subsp. macrolepis (Kotschy) Hedge & Yalt. (Richteren 10: 3; ‘je zal komen tot de eik van Tabor’, grote schubben) (Quercus aegilops (zweer van de ogen) Boiss. (Quercus vallona, Kotschy), (vallei; laagte) uit de Levant is beschreven in 1731.

Deze lijkt qua vorm, blad en hoogte op de bij ons bekende zomereik.

Deze imposante eiken groeien, samen met andere soorten, in de wouden van Basan (wat rijk en vruchtbaar betekent) en is gewoon in de hogere bergzones.

 

Gebruik/Naam.

Dodonaeus beschrijft deze boom uit Plinius en andere (Dodonaeus) ‘De Grieken noemen deze boom Aegilops en de Latijnen Cerrus, (anders Cerris) nochtans vermaant Plinius ergens apart van de Aegilops en elders van de Cerris. Dan omdat de ene boom soms veel grotere vruchten draagt dan de andere daarom zal de ene Cerris majore glande, dat is Egilopsboom of Cerris met groter eikels mogen heten‘.

Deze boom geeft zeer grote eikels. De Griekse naam valonia betekent dan ook eik. Het is mogelijk de eikenoogst als voer voor de zwijnen, Lucas 15: 16. Tijdens armoe werd het ook door de mensen gegeten.

Duitse Aecker- of Eckerdoppen, Knopper-Eiche, de vrucht werd gebruikt voor verven en looien, Valonia eik, Engelse Vallonea of Velani oak.

 

 

 

 

 

 

 

Uit www.oaknames.org

Quercus calliprinos Webb (mooie steeneik) (Quercus coccifera L (be-srood of coccos dragend, kermes), is een altijdgroene en gewone boom in Israël. Hiervan bestaan nog zeer oude exemplaren naar het Oosterse gebruik om bomen te behouden die bij begraafplaatsen of graftomben staan. Zo staan de bomen van 40 of Sejereth el Arba boven op de berg Karmel. Boven de Nesher cementfabriek is een woud van die naam met grote majestueuze eiken met dikke stammen en brede toppen. (J. Eadie)

Vlak naast zulke grote bomen kunnen vormloze en prikkelige struiken groeien die vreemd genoeg dezelfde soort blijken te zijn. Het verschil is echter zo groot dat men vrijwel niet geloven kan met een en dezelfde boom van doen te hebben. Deze lager groeiende struiken zijn het resultaat van het grazen en snoeien van de geiten, vijand nummer 1 van de vegetatie. De bladeren worden harder en de struik wordt stekeliger, een bescherming tegen die vraat. Het zou de eik zijn van Jesaja 2: 13 en 44: 14.

Palestine oak, Israeli oak.

 

Sectie Quercus (groep Ilex).

Bladeren wintergroen en leerachtig, zelden gelobd en meestal getand of gezaagd. Vruchten het eerste of het tweede jaar rijp wordend, schubben van het napje meestal afstaand.

39. uit J. Saint-Hilaire.

Quercus ilex L. (God, Allah) heeft een dichte, brede, koepelvormige kroon met meestal opgaande takken.

De boomschors is bruinachtig zwart tot zwart, de schors is tot vierkante platen gebarsten.

Slanke,  dof grijsachtig bruine twijgen met wollige haartjes, de eindknop heeft stijve borsteltjes.

Gevarieerde bladeren zijn dik, leerachtig en lijken wat op bladen van de hulst. De bladen aan de jonge scheuten zijn meer getand dan die van oudere takken, ruw en glanzend groen, onderzijde is grijsachtig groen.

Lichtgroene eikel die 1,5-2cm lang is..

Hard hout voor wagenmakerij en in molens voor de kammen van de wielen.

Komt uit M. Zeegebied.

Steeneik, Steineiche of Grüneiche.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit www.oaknames.org

Quercus ilex L. subsp. rotundifolia (Lam.) Tab. Morais (rondbladig) (Quercus ballota, Desf. )(Ballota (bij oorziekten?) is inlands in Z. Europa, Spanje en de Afrikaanse kust van M. Zee.

Gebruik.

(Dodonaeus) ‘Aangaande de naam Esculus, Bellonius betuigt dat hij tegenwoordig in Griekenland Balanida (of Valanida) heet en dat die in het Joodse land zo grote eikels draagt als duiveneieren die in gebreke van brood ook van de mensen zouden mogen gegeten worden want ze zijn bijna zo zoet als kastanjes.

De schalen van deze eikels dienen in Azië om er het leder mee te bereiden net zoals men in Frankrijk en elders met de eikenschorsen plag te doen.’

Barbary oak, belote oak of sweet acorn oak. De eikels die groen en groot zijn, blijven zacht bij rijpheid en worden verkocht in de bazaars. Ze worden gebruikt als voedsel en worden gekookt en rauw gegeten.

Deze boom komt overvloedig voor in Palestina en kan daar 10m hoog worden met zeer stevige zijtakken. Dit zou de eik van Bashan zijn. Steeneik.

 

Sectie Cerris.

Bladeren zijn puntig en veerlobbig of grof getand. Vruchten worden in het tweede jaar rijp. De schubben van het napje zijn afstaand of teruggebogen en soms draadvormig.

37. uit J. Saint-Hilaire.

Quercus cerris, L. (Cerretani, een Iberisch volk in Spanje) Het blad is dik en leerachtig en van boven matglanzend donkergroen, van onder grijs/groen met bruin behaarde nerven, soms geheel viltig behaard. Zeer verschillend van vorm, 6-12 cm lang en gewoonlijk puntig veerlobbig en soms zeer diep, maar ook minder gelobd.

Jonge twijgen zijn aan de top kantig en viltig behaard.

Knoppen sterk afstaand en zitten op een verhoogd bladkussen en door smalle steunblaadjes omgeven.

Vrucht is 2-3.5cm lang.

Het is een snel groeiende boom waarvan de stam zich verlengt tot in de top en geschikt is voor droge gronden. Hout dient alleen als brandhout.

De boom groeit met tamelijk korte en spreidende takken die een brede piramide vormen, vaak met een onregelmatig open hoofd. De moseik kan als een massieve boom 30m bereiken, hoewel het hier meestal maar een 20m. haalt.

Is te herkennen aan de zeer lang spletige en donkergrijze schors en de brede. Losse kroon met sterk afstaande takken terwijl de lange draadvormige steunblaadjes tot in de winter aan de boom blijven hangen.

Is beschreven in 1735. Deze boom is afkomstig uit Z. Europa, W. Azië en wordt daarom ook wel Turkse eik genoemd.

’Laciniata’ die soms zeer diep ingesneden bladeren heeft.

’Pendula’ is de treurmoseik met diep gelobde bladeren en met wat overhangende twijgen.

 

Naam, etymologie.

Dodonaeus beschrijft deze boom uit Plinius en andere. (Dodonaeus) (a) ‘De Grieken noemen deze boom Aegilops en de Latijnen Cerrus, (anders Cerris) nochtans vermaant Plinius ergens apart van de Aegilops en elders van de Cerris. De andere heet Cerris minore glande, dat is Egilopsboom of Cerris met kleiner eikel’. Ravelingen vermaant deze boom ook. ‘In Italië tussen Pesaro en Rome groeit deze boom veel, zegt Lobel, die hem Cerris van Plinius noemt. Het mag tot verschil van de soort van wild koren die Aegilops herba heet de Latijnse naam Aegilops arbor voeren, dat is Egilopsboom of ook Cerrus arbor in het Latijn en Cerrus mas (tot verschil van de Haliphloeos die Cerrus femina heet) in het Frans meest Cerre’.

Zerris, cerriseik, Duitse Zerreiche, is zo genoemd naar de Cerretani, een Iberisch volk in Spanje.

Dodonaeus .‘De verzameling van mos die aan de takken van deze boom plag te hangen wordt van Plinius Panus genoemd in het 8ste kapittel van het 16de boek wanneer hij er aldus van schrijft: ‘Onder alle eikel dragende bomen groeien aan de Egilops alleen die haarachtige dorre mosachtige grijze lokken of vlokken (in het Latijn Pani) die niet alleen uit de schorsen voortkomen, maar ook uit de takken zelf nederwaarts wel vijf en veertig cm groot afhangen die goed van reuk zijn’. Dit zijn de woorden van Plinius. Theodorus Gaza noemt deze vlokken anders, te weten Penis, naar de Griekse naam Phascos. In het Hoogduits Cerraichel, in het Hongaars chersa is van hem beschreven: ‘Cerrus is een boom zo hoog als de gewone eik of hoger die in Oostenrijk veel groeit, dikker en ruwer van schors en met bladeren die meer gesneden zijn, maar niet zo diep die aan langere teerder steeltjes hangen, de takjes zijn korter en vaker geknoopt, de knoppen of spruiten zijn kleiner en met vele dunne bladertjes als draadjes of haartjes bezet, de bloemen komen druifvormig voort, de eikel is wat korter dan die van de eik en gaat van voren niet zo scherp af, maar botter, de dopjes daar ze in schuilen hangen aan de jonge takjes en zijn zacht ruig. Het hout is weker dan gewoon eikenhout en niet zo goed om te bewerken. Tussen de bladeren hangen soms dikke bollen die van vele schilfers verzameld zijn. Dit geboomte dat op de Eysenberg groeit is van dezelfde Clusius soms in steen veranderd gevonden.

Camerarius zegt dat de Cerrus van sommige ook Quercus latifolia Pannonica heet en dat de rook daarvan zeer slecht is en de vallende ziekte veroorzaakt.’

Moseik naar de draadvormige steunblaadjes rond de eivormige knoppen of naar de draadvormige schubben van het napje. Engelse mossy oak, Frans chene chevelu.

© Turkse eik, naar zijn afkomst, Duitse Burgundeiche, Turkische Eiche, Engels Turkey, iron of wainscot oak, Frans chene de Bourgogne.

Uit www.oaknames.org

Quercus x hispanica, Lam. (Spaans), x = kruising van cerris x suber.

’Locumbeana’ wordt in zuidelijke gebieden een boom met een brede kroon, maar bij ons blijft het klein op een zeer beschutte standplaats.

Bladeren zijn donkergroen en matglanzend, de onderkant min of meer grijs viltig behaard met een bruin/rode middennerf, enkelvoudig en zeer ongelijk van grootte, bochtig getand, topbladeren soms zeer scherp getand en genaald. Aan sterk groeiende planten en vooral bij het St. Janslot lijkt het blad op die van cerris. Soms komt er ook kurkvorming op voor.

Jonge twijgen zijn grijs viltig en in de lengte wat gegroefd.

Vermeerderen door afleggen. Spaanse eik.

 

 

Uit www.oaknames.org

Quercus acutissima, Carruthers. (zeer scherp) Bladeren zijn kort gesteeld en van boven matglanzend donkergroen en kaal, van onder licht groen en vooral langs de geel/bruine nerven behaard, ovaal tot lancetvormig gewoonlijk met de grootste breedte boven het midden. Kenmerkend is de bladrand met aan beide zijden de 10-15 genaalde tanden.

Jonge twijgen zijn min of meer kantig en spaarzaam behaard, later kaal en grijs/bruin met veel lenticellen.

Knoppen zijn klein en glanzend rood/bruin en aan de top behaard, knopschubben verlengen zich tijdens de groei en vallen gauw af.

Gezaagdbladige eik komt uit China, Korea en Japen en wordt 10-15m hoog.

Sawtooth oak. Japanische Kastanien-Eiche, Gesägte Eiche, Seidenraupen-Eiche.

\

Uit www.oaknames.org

Quercus castaneifolia, C. A. Mey. (met kastanje blad) Bladeren zijn7-12cm lang en 2.5-4cm breed, eerst aan beide kanten behaard en later van boven kaal, matglanzend en donkergroen, vanonder blijvend behaard en grijs/groen, langwerpig tot lancetvormig met gewoonlijk de grootste breedte boven het midden.

Jonge twijgen zijn grijs viltig behaard en later kaal.

Knoppen zijn groot en eirond, behaard, knopschubben vallen gauw af .

Komt zelden voor en vraagt een beschutte en zonnige plaats op wat hoge en kalkrijke gronden.

Komt uit Klein Azië en wordt 20-25m hoog. Is beschreven in 1862 door William Carruthers en ingevoerd.

Kastanjebladige eik. Chestnut-leaved oak. Kastanienblättrige Eiche.

 

38, Uit Matthiola.

Quercus suber, L. (kurk) levert kurk van de bast. Groenblijvende bladeren die eivormig langwerpig zijn met aan weerszijde 4 korte tanden, van onderen grijs viltig behaard.

Het is een boom van 10-15m met een vaasvormige en brede kroon.

Een altijdgroene eik die op steenachtige gronden groeit met liefst veel licht en lucht.

De kurkeik groeit in Portugal, Spanje en Z. Frankrijk Algiers en Marokko en is in 1681 beschreven. Daar staan 2.5 miljoen ha aan deze bomen die 340 000 ton kurk per jaar produceren..

In Algiers zijn er plantages van wel 400 000 ha. Als de boom 4 jaar oud is krijgt hij een kurkachtige bast die verwijderd wordt. Door dat verwijderen wordt de kurklaag dikker en na 8-10 jaar is die 5-20cm dik. Nu schilt men de kurklaag eraf en herhaalt dat met tussenpozen van 8-9 jaar voor de stam en 10-20 jaar voor de takken al naar dat ze dik zijn. Vroeger legde men plakken kurk over hete kolen, eerst aan de ene kant en dan aan de andere. Daardoor sloten de poriën zich en kwam de kurkader in zicht. Nu laat men de kurk wel in heet water zwellen en perst ze dan in machines.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Deze boom heet in het Grieks Phellos en in het Latijn Suber, in het Frans liege, in het Italiaans sugaro of sovero en die naam heeft de schors in die taal ook, dan de Spanjaarden noemen de boom alcornoque en de schors corcha de alcornoque en daarnaar is de boom in onze taal korck-boom en de schors korck genoemd, hoewel dat sommige het ook vlothout noemen.

Kurkeik, Duits Korkeiche, Engels cork oak. Het woord kurk komt van Latijn quercus, via Spaans-Arabisch alqurq kwam het Spaanse alcorque: een woord dat zool betekent die van kurk gemaakt was’.

Dodonaeus (b) ‘Voorts zo zijn alle kurkbomen in Hoogduitsland Pantoffelholtz genoemd omdat de schors die we kurk noemen meest dient om de schoenen en muilen te verhogen die naar de Griekse naam Pantofellos, al of men alles kurk of gans kurk zei en de Duitse taal pantoffels of pantoffelen plegen te heten’.

Dodonaeus (e) ‘De eikel van deze boom heet in Spanje ook bellota’. 

Uit L. Figuier.

Gebruik.

Zo was het gebruik vroeger. (164) ‘De schors van deze boom die men kurk of vlothout noemt is merkelijk verdrogend van aard met enige tezamen trekking. Daarom stelpt dat het bloed dat uit de neus of elders uit en van waar dat het ook is vloeit, gestoten of gepoederd en met water te drinken gegeven.

Paulus Egineta zegt er aldus van: ‘Kurk van de wijntonnen gebrand geeft een as van zich dat zeer geweldig is in het drogen wat bij de dranken die men tegen de rode loop plag te bereiden zeer nuttig gedaan wordt’. Behalve de voor vermelde kracht is dit vlothout of kurk tot vele dingen en voor het mensen leven nuttig. Want, als Plinius zegt, kurk wordt meest gebruikt om de ankertouwen in de zee te mogen vinden en om de werpnetten of treknetten van de vissers te herkennen of ook op te houden en ook om de wijntonnen of kuipen mee te stoppen en daarboven om winterschoenen voor de vrouwen te maken’. Tot alle dingen wordt deze kurk tegenwoordig in meest alle landen noch gebruikt want de vissers houden de zijden of kanten van hun netten met dit kurk boven het water zodat ze niet zinken en de schoenmakers steken dat tussen de zolen van de schoenen of muilen om die eensdeels te verhogen en eensdeels tegen de koude van de winter te beschutten. De grote nuttigheid die het kurk of vlothout tot verschillende dingen heeft is in meest alle landen bekend en vooral in Spanje daar men hele huizen met kurk van binnen bezet of beschiet en van buiten tichelvormig met hetzelfde kurk bedekt. Dan in de medicijn heeft het onder andere krachten noch deze, te weten dat het water daar kurk in gekookt is zeer goed gedronken is van diegene die hun zaad ontgaat en de vrouwen die de witte vloed hebben. Dat kurk gebrand en die as met wijn gedronken heeft dezelfde kracht, maar dient meest diegene die bloed spuwen’.

Uit www.oaknames.org

Quercus alnifolia Poech. (els-bladig)  is een altijdgroene veel vertakte struik of kleine boom van 10m.

Enkelvoudige bladeren zijn ovaal en 1,5-6(-10) cm lang, 1-5 (-8) cm breed, glanzend en glimmend groen, goudkleurig behaard aan de onderkant, gezaagde randen en opstaande nerven.

Smalle tot ovale eikels van 2-2,5 cm lang en 0,8-1,2 cm breed.

Groeit in Cyprus in het Troodos Massif op 400-800m  hoog.

Gouden eik, golden oak naar de goudgekleurde onderkant van de bladeren, vanwege de korte stam ook wel dwarf oak.

Erlenblättrige Eiche.

 

 

 

Uit Matthiola.

Van Phellodrys (Quercus suber var. fagifolia ‘Albert’) of Quercus alnifolia.

Quercus phellodrys Link.

(Dodonaeus) ‘Geslacht.

In het getal van de eikel dragende bomen wordt noch een andere boom gerekend die Phellodrys heet en deze zullen we uit Theophrastus beschrijven.

Gedaante.

Phellodrys is een middelsoort tussen de Ilex en de wilde eik, zo het schijnt, want zijn hout is zachter en vozer dan dat van de Ilex, nochtans rosser dan dat van de eik. De vruchten of eikels zijn kleiner dan die van de Ilex en zijn als de kleinste eikeltjes die zoeter van smaak zijn dan die van de Ilex, maar bitterder dan die van de eik.

Plaats.

Deze boom groeit in Arcadië, zegt Theophrastus, men vindt hem ook in Italië indien men Matthiola geloven wil in het landschap omtrent Siena en in het graafschap van Santa Flora.

Naam, etymologie.

Die van Arcadië, zegt Theophrastus, noemen deze boom Phellodrys en houden hem voor de Thelys Prinos, dat is voor de Ilex wijfje, in het Latijn Ilex femina en daarom wordt het hout van deze boom gebruikt in die landen daar de andere Ilex niet groeit om er wagens en andere werken van te maken. Dan die van Lacedamonië, die van Elis en Dores noemen hem Agria of Agria Prinos, dat is Ilex silvestris of wilde Ilex, hoewel dat sommige dat woord Agria in Aria veranderd willen hebben welke Aria ook een wilde altijd groene boom is. Voorts zo is deze Phellodrys in het Italiaans cerro fugaro genoemd, als Matthiolus betuigt, als of men in het Latijn Cerris suber zei omdat hij een middelsoort tussen de Cerrus en de Suber of kurkboom schijnt te wezen, maar hij heet Phellodrys als of men zei Suberi quercus, dat is kurkeik of half eik, half kurkboom. Zelfs het schijnt dat Plinius deze boom en de kurkboom voor een boom gehouden heeft, want in het 8ste kapittel van zijn 16de boek heeft hij alle woorden die Theophrastus van deze Phellodrys geschreven heeft zo vertaald al of hij die van de kurkboom had willen zeggen, zijn woorden luiden aldus: ‘Sommige noemen hem (de kurkboom) ook Ilex femina, dat is Ilex wijfje en daar de Ilex niet groeit wordt in zijn plaats de kurkboom gebruikt meest tot wagens, karren en diergelijke werken net zoals men omtrent Elis en Lacedamonië veel ziet gebeuren’.

De vrucht of eikel van deze Phellodrys heet in het Grieks ook Acylos of Acylon, dat is eikel, zoals Theophrastus te kennen geeft.

Bijvoeging.

Phellodrys, als Lobel schrijft, betekent zoveel als kurkeik, de bladeren zijn nochtans gekerfd zoals die van de kastanjeboom en niet van de eik.

Aangaande de naam Cerrus, Bellonius schrijft dat den cerrus in het Frans drulle genoemd wordt, dan op enige plaatsen van Frankrijk wordt de gewone eik drylie genoemd. Aangaande de naam Acylos zo is er in Kreta, schrijft dezelfde Bellonius, een eikel dragende boom die daar met de oude naam Acylaca bekend is. Dan de tegenwoordige kurkei, in het Latijn Suberocerrus, wordt van de Italianen sovero-cerro genoemd of ook cerro sugaro of cerro-sonnaro, te weten in het land van Toscana daar hij eikels draagt.

Dodonaeus vermaant nog van een andere eik.

Uit www.oaknames.org

(Dodonaeus) Van Haliphlaeos of Salsicortex, uit Plinius en Theophrastus. (Quercus cerris L. var. haliphlaeos Lam)

Gedaante.

Haliphloeos is ook een eikel dragende boom die niet zeer hoog wordt en zijn schors is zeer dik zo Plinius betuigt in het 5de kapittel van zijn 16de boek als ook zijn stam die gewoonlijk holachtig en voos is en soms bederft of verrot terwijl dat de boom noch leeft wat aan geen van deze bomen meer dan aan deze alleen plag te gebeuren en het hout is nergens toe zeer nuttig. Hij draagt ook eikels, maar dat gebeurt zo zelden dat sommige hem om die oorzaak voor heel onvruchtbaar gehouden hebben dan als hij er enige heeft zijn die bitter van smaak en zo kwaad dat geen dier, uitgezonderd alleen de varkens of zeugen, die eten willen en dat alleen wanneer er totaal geen ander voedsel is.

Deze boom heeft ook enige mosachtige vlokken of lokken aan zijn takken net zoals men aan de Aegilops ziet groeien, dan die zijn niet grijs of witachtig, maar zwartachtig van kleur en zeer klein.

Naam.

Deze boom wordt in het Grieks Haliphloeos genoemd en in het Latijn Salsicortex, in Macedonië, zo Theophrastus zegt, heet het Aspris.

Aard, kracht en werking.

Deze boom heeft ook geen nuttigheid in zich want zijn hout dient nergens toe dan om er assen van wagens mee te maken, maar anders en zelfs om er kolen van te branden is het ongeschikt want die kolen springen te zeer van het vuur en geven teveel vonken uit, zoals Theophrastus betuigt.

De eikels van deze boom zijn ook zeer onlieflijk en van geen beesten gezocht, als Theophrastus er van schrijft, zelfs de varkens zullen die niet eten, tenzij dat ze gans niets anders vinden. Wat van de eikels van de Aegilops ook gezegd wordt.’

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl