Smyrnium, zwartmoeskervel, soorten.

Uit www.guardian.co.uk

 

Apiaceae, schermbloemenfamilie.

 

2 soorten die hier inlands zijn Smyrnium perfoliatum, L., (doorboord) een tweejarige met groengele bladeren en geel wat groene bloemenschermen.

Vaste plant van 100-120cm hoog.

Uit zuid Europa.

Doorwaskervel, perfoliate Alexander.

 

 

 

 

Uit Krauss, www.BioLib.de,

=Smyrnium olusatrum, L. (olus: groente, atrum: zwart)

Is ook inlands. Onderste bladen zijn drievoudig en de bovenste drietallig, deelblaadjes elliptisch tot rond, gekarteld en gezaagd. Opvallend door de heldere glanzende, groene kleur en al in februari geven de jonge scheuten de heggen een aardige aanblik.

Stengels zijn rond en krachtig, gegroefd.

Kleine groengele bloemen komen in schermen in mei en in juli zijn er al zwarte vruchten, in september is de plant afgestorven.

De geur vinden velen aangenaam en lijkt op selderij

Zwartmoeskervel is een tweejarige van meer dan een meter hoog uit Europa, W. Azie en N. Afrika.

 

Naam.

(Dodonaeus) ‘Deze eppe wordt naar haar grootte, omdat ze alle andere soorten van eppe in hoogte te boven gaat, in het Grieks Hipposelinon en in het Latijn Equapium van Gaza genoemd wat in onze taal luidt alsof men ros eppe of paarden eppe zei’.

Engelse horse parsley.

Dodonaeus (b) ‘Ze heet ook wel in het Latijn Olus atrum’.

Olus-atrum (zwarte moesgroente) Engels black pot herb voor S. olusatrum, zwartmoeskervel.

(c) ‘En in het Grieks heet het soms Grielon en Agrioselinon, Silvestre Apium, dat is wilde eppe, van Galenus en sommige andere is ze ook Smyrnion genoemd naar het overvloedig sap dat er uit vloeit wat op Myrrhe (in het Grieks Smyrna genoemd) van reuk schijnt te lijken’.

Smyrnium is een synoniem voor myrrhus of mirre, Duits Myrrhenbraut, Smyrnenbraut. Het heette bij de Syriers Synonum en olustratum. Dat eerste woord komt mogelijk uit Hebreeuws selah wat in Grieks met verandering van 2 syllaben Smyrnium gaf waar petra aan toegevoegd werd.

Dodonaeus (d) ‘Daar is nochtans een ander Smyrnium van de berg Amanus. In de apotheken is het tegenwoordig gewas niet zonder dwaling Petroselinum Macedonicum genoemd of Petroselinum Alexandrium en hier te lande van de gewone man peterselie van Macedonië of peterselie van Alexandrië, Alexander wortel, in Spanje ook perexil Macedonico, in Frankrijk en Engeland alexandre’.

In middeleeuws Latijn heette het petroselinum Alexandrinum: de peterselie van Alexandrië, vandaar Duitse Alexander of alexandrinischer Peterlein, Engelse Alexanders, ook alisander, Frans alisandre.

Dodonaeus (e)  ‘Dan in Italië heet het macerrone’.

Macerone, maceron bij de Fransen en macerone bij de Italianen.

Dodonaeus (f) ‘In Hoogduitsland heet het Gross Epffich, dat is grote eppe, welke naam dat beter toekomt dan de naam van peterselie van Macedonië, want met de echte peterselie van Macedonië heeft het geen gelijkenis’.

Persischer of spanischer Eppich en Engelse wild parsley. Een kruid van Mercurius en daarom vriendelijk van nature. 

Dodonaeus (g) ‘In Engeland en in Italië, maar meest te Rome en ook in meer andere landen wordt de grote eppe dikwijls gegeten en vooral als ze net uitschiet, in het Italiaans heet ze selino, seleri, siseri of macerone of lessandria en ook smyrnio omdat Matthiolus het kwalijk voor Smyrnium Galeni hield en de Griekse schrijvers van de laatste tijden met hem, als Lobel zegt. In Frankrijk heet ze ache carche.’

Gelbdolde.

 

(578) Smyrnium olustratum, Smyrnium perfoliatum en Smyrnium rotundifolium, Mill. Deze 3 Z. Europese soorten werden vroeger als groente gegeten maar met elkaar en meer hoge schermbloemige verwisseld, vergelijk Seseli macedonicum.

 

Gebruik.

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘Dioscorides zegt dat de bladeren en stelen van dit gewas gekookt en hetzij alleen, hetzij met vis gegeten worden en hij voegt er ook noch bij dat die rauw weg gelegd en in pekel bewaard worden. De wortel, zegt hij, wordt ook rauw en gekookt gegeten en zo genoten is ze de maag of de mond aangenaam.

Tegenwoordig wordt de rauwe wortel van deze grote eppe ook op tafel gebracht en in plaats van ander salade op het brood gegeten.

Het zaad van deze grote eppe alleen of met honigwater ingenomen verwekt de maandstonden van de vrouwen en jaagt de nageboorte en dode vruchten af, scheidt alle winden, verdrijft en verzoet de pijn en krimping van de buik, laat de plas rijzen en is zeer goed tegen de druppelplas.

Men eet de jonge stelen van dit gewas met peper en zout zoals de artisjokken en kardoens, want ze zijn aangenaam en lieflijk van smaak. Zo gegeten is de grote eppe een zeer goed moeskruid, voedt goed en doet dezelfde werken die peterselie doet, maar krachtiger.’

 

Het is een oud potkruid en werd gebruikt voor voorjaarsstamppot. De gebleekte bladstengels werden ooit als een salade gebruikt, maar in de 17de eeuw.kwam de selderij en heeft dit kruid geheel verdrongen.

Ze werden gebleekt door de stengels met aarde te bedekken. Vooral de voorjaarsscheuten waren geliefd, en hebben een geur, zoals Plinius zegt, van mirre. Gekookt zouden ze op asperges lijken in geur. Ze werden gegeten door zeelieden die terugkerende van hun reis en hoopten te landen aan de zuidwestkust van Engeland, het Isle of Anglesy, waar het veel voorkwam.

In Engeland en Ierland vind je het vaak bij ruïnes van kastelen en abdijen, vooral in de buurt van de zee of rivier.

 

Uit Matthiola.

Smyrnium creticum (L.) Mill. (uit Kreta) A. Munting; ‘Smyrnium van Kreta heet in het latijn Smyrnium creticum, Petroselinum ciliciae of Hipposelinum agreste en in Frans Smyrnium de candie.

Ze bemint van naturen een zandige gewone doch goed gemeste grond en net zo lief een open, vrije als een schaduwachtige plaats met veel water. Blijft enige jaren in het leven en geeft gewoonlijk alle zomers volkomen zaad en is winterhard. Verliest in de herfst het loof en wordt in maart weer groen. Wordt vermeerderd door zaad wat met een wassende maan van september of februari , als de grond open is, een halve cm diep gezaaid worden op een schaduwachtige plaat. Ook door de aangegroeide jonge bolletjes die men in augustus opneemt en van de ouden scheidt en terstond weer plant en zaait zichzelf ook soms veel voort. ‘

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit johandierckx.aminus3.com

Smyrnium rotundifolium L. (rondbladig) (Smyrnium perfoliatum, subspecie rotundifolium.) Rundblattrige Gelbdolde.

(Dodonaeus) ‘De onderste en uit de wortels zelf eerst voortkomende bladeren van dit gewas zijn breed en wijdt uitgespreid, maar in verschillende kleine snippers menigvuldig gesneden en gedeeld waarvan de aparte deeltjes of bladertjes rondom de kanten wat geschaard of fijntjes gekarteld zijn en gewoonlijk met drie aan een steeltje tezamen bijeen hangen, de andere bladeren die aan de stelen en zijsteeltjes groeien zijn rond als de bladeren van oosterlucie en omvatten of omhelzen die stelen zo dicht dat ze bijna door het midden van deze bladeren gegroeid schijnen te zijn zoals in deurwas gebeurt en deze stelen zijn getakt die aan haar zijtakjes en uit de oorsprong er van ronde kroontjes of kransjes van gele bloempjes voortbrengen en daarna rond, bolachtig zaad als koolzaad dat van binnen witachtig en van buiten bruin of zwartachtig is. De wortel is van buiten ook bruin en niet onlieflijk van reuk, vooral in de hete landen.

Dit Smyrnium, als Dioscorides zegt, groeit in Cilicië op de berg Amanus in steenachtige, ruwe, dorre, ongebouwde, verheven en heuvelachtige plaatsen´.

 

Naam.

Dodonaeus ´Dit kruid wordt ook in het Grieks Smyrnion genoemd en daarnaar van ons Smyrnium Amani montis, dat is Smyrnium van Cilicië of Smyrnium van de berg Amanus, het verschilt nochtans veel van de grote eppe of Hipposelinon dat de naam Smyrnion ook voert. Dan in Cilicië zelf werd het hier vroeger niet Smyrnion, maar Petroselinon genoemd zoals Dioscorides en Galenus betuigen.

In het Latijn is dit gewas van vele Smyrnium Creticum, van andere Smyrnium Ciliciae genoemd, van Lobel als een Smyrnium, in het Frans Smyrnium de candie of Crete, in het Italiaans smyrnio di Candia. Sommige noemen het Petroselinum Ciliciae en Hipposelinum agreste. In Sicilië groeit het veel in het wild’.

 

Aard, kracht en werking.

Dodonaeus ‘Dit Smyrnium lijkt van krachten veel op het echt Petroselinon, als Galenus betuigt, doch nochtans niet zo scherp van smaak als de hofeppe en het echt Petroselinon zijn.

Men mag dit kruid, te weten de bladeren er van, op de zeren en zweren leggen want ze verdrogen de blaren en zeren zonder enige moeilijkheid, laten die scheiden en de hardheden vergaan of murw worden. Anders is het in al zijn werking de hofeppe en ook de echte peterselie heel gelijk en daarom wordt het zaad daarvan ook gebruikt om de maandstonden te verwekken, de plas te laten rijzen en daarnaast ook om de benauwdheid en kortheid van adem te genezen, zoals Galenus betuigt.

Dioscorides heeft bijna al hetzelfde van dit kruid geschreven en zegt dat de wortel en bladeren en het zaad van dit Smyrnium verwarmende krachten hebben, maar dat de wortel vooral zeer nuttig is tegen de steken en beten van de slangen en met enig nat ingenomen het de oude hoest verzoet, de adem lang maakt en de kortheid op de borst geneest, de plas laat rijzen en de druppelplas geneest, maar dat de rook ervan van onder ontvangen de vrouwen van kind laat misvallen’.

 

Planten.

Zaaien in de late zomer of herfst.

 

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl