Sorbus. Lijsterbes, meelbes. Soorten, cultivars.

 

Uit C. Millspaugh.

Een geslacht van niet gedoornde en bladverliezende bomen van middelbare hoogte of hoge struiken.

Meestal hebben ze geelwitte bloemen, soms roze, in eindstandige tuilen met 5 kelk en kroonbladen, 15-20 meeldraden en 2-5 stijlen die vrij of vergroeid zijn, die overgaan in rode, witte, roze of roodbruine vruchttrossen.

De vrucht is een besachtige appelvrucht met dun huidige vruchtschaal.

Twijgen met talrijke lenticellen en grote eindknoppen.

100-200 soorten komen voor die wijd verspreid zijn door het noordelijk halfrond en in N. Amerika komen ze zuidelijk tot N. Carolina en Nieuw Mexico, in Azië zuidelijk tot de Himalaya’ s.

Het zijn mooie bomen met sierlijke en verspreid staande bladeren, enkelvoudig of samengesteld dat soms zilverig is aan de onderkant.

In hoofdzaak onderscheidt men 2 groepen van soorten, namelijk die met enkelvoudige en gave bladeren en die met veervormige samengestelde bladeren.

Hiervan zijn hybriden die beide typen bladeren bezitten. Door de vele soorten en talloze kruisingen zijn er nu allerlei overgangen tussen de twee bladvormen.

De eindknoppen zijn meestal groot, bij het afvallen blijft het onderste gedeelte van de bladsteel zitten.

Rosaceae, Pomaceae, appelklasse.

Het geslacht wordt wel verdeeld in 2 hoofd en 3-4 vier subsecties;

Sorbus subgenus Sorbus (genus Sorbus), zijn gewoonlijk bekend als rowan, mountain ash, berges. Samengestelde bladeren die meestal haarloos zijn of met weinig haren, typesoort is S. aucuparia, koele noordelijke halfrond.

Sorbus subgenus Aria (genus Aria), de whitebeam met enkele bladeren die meestal sterk behaard zijn aan de onderkant, vandaar de naam, witte boom, Duits Weissbaum, typesoort S. aria uit gematigde streken van Europa, Azië.

Sorbus subgenus Micromeles (genus Aria), een kleine groep van een paar oost Aziatische soorten, Sorbus alnifolia, Koreaanse witte boom of Korean whitebeam met smalle bladeren.

Sorbus subgenus Cormus (genus Cormus), met samengestelde bladeren als bij subgenus Sorbus, maar met verschillen in de vrucht; 1 soort, Sorbus domestica uit N. Afrika, warme gematigde streken van Europa en W. Azië. Sorbus subgenus Torminaria (genus Torminaria), met als esdoorn gelobde bladeren met puntige lobben, 1 soort, Sorbus torminalis uit gematigde streken van Europa, bergen van N. Afrika en oostelijk tot Kaukasus. Sorbus subgenus Chamaemespilus (genus Chamaemespilus) met een enkele struikachtige soort, Sorbus chamaemespilus (false medlar) met enkelvoudige glanzende bladeren en roze bloemen uit de bergen van zuidelijk Europa. Hybriden komen veel voor en ook tussen de subgenera.

Groep Sorbus.

Bladeren zijn oneven geveerd. Vruchten hoogstens tot 15mm in diameter, uitgezonderd bastaarden, en zijn appelvormig.

1.         =Sorbus americana, Marsh.  (uit Amerika) De 30 cm lange bladeren zijn geveerd met 5-8 paar deelblaadjes en een zwak gegroefde roodbruine hoofdbladsteel, blaadjes zijn 4.5-8cm lang en lancetvormig met spitse top en de rand bijna tot de bladvoet gezaagd met naar voren gerichte tanden, dof donkergroen en van onderen eerst kort behaard en later kaal.

De zeer grote en schermvormige tuilen van 20cm in breedte heeft bloemen van 7mm in diameter.

Talrijke scharlakenrode vruchten van 7mm in diameter.

De Amerikaanse lijsterbes is een mooie vorm  die een hoge struik of kleine boom vormt van 10-12m hoog met stevig opgroeiende takken en is in de winter te herkennen aan de glanzend rood/bruine twijgen met lange, smalle lenticellen en zeer grote rood/bruine en kleverige eindknop.

Amerikaanse lijsterbes, American mountain ash, Amerikanische Eberesche is beschreven in 1782.

2.         uit www.henriettesherbal.com

Sorbus decora, Schneid.  (sierlijk of statig) (Sorbus sambucifolia) (met bladeren als vlier) Bladeren zijn tot 18cm lang met 3-6 paar blaadjes en zwak gegroefde hoofdbladstengel, 3.5-8cm lang en ei/lancetvormig met spitse top, scherp en soms bijna dubbel gezaagd met afstaande en aan de top meer naar voren gerichte tanden, iets glanzend heldergroen en van onderen heldergroen en alleen langs de hoofdnerf spaarzaam behaard.

Twijgen zijn dun en glanzend bruin/rood met talrijke smalle lenticellen en bijna zwarte, wat kleverige knoppen, alles wat behaard.

Bloeit eind mei met tamelijk grote groen/witte bloemen in kleine tuilen, bloemen tot 14mm in diameter met talrijke meeldraden.

Vruchten zijn wat groter dan de lijsterbes, 1cm, helder rood en zwak berijpt.

De vlierbladige lijsterbes komt zelden voor en blijft struikvormig.

Komt uit Japan en N. O. Azië en wordt 2.5m hoog. Is beschreven in 1818.

Showy rowan.

Uit Curtis botanical magazine.

Sorbus commixta (gemengd’) ‘Serotina’, Hedl. (Laat, iets later ontwikkeling van blad en bloem) Tot 15cm lange geveerde bladeren met 4-7 paar zittende blaadjes aan een zwak gegroefde hoofdbladstengel, 3.5-5cm lang en lancetvormig, toegespitst, gezaagd met naar voren gerichte tanden, glanzend donkergroen en van onderen iets grijs/groen met een wat rode herfstkleur.

Kale spitse rode wat kleverige knoppen bezet, eindknop is 2cm lang.

Bloeit in mei met witte bloemen in tot 10cm brede en wat hangende tuilen, 8mm in diameter met kale kelk, met iets terug geslagen kroonbladen, kelkbladen spaarzaam met kleine klieren bezet en 3-4 stijlen.

Kleine helderrode vruchten van 6-8mm.

Een kleine boom met kale en olijf/groene twijgen en later donkerbruin met dikke en grijze lenticellen.

Komt uit Azië en wordt 8m hoog. Is beschreven in 1906. China Eberesche.

3.         Uit O. Thome, www.BioLib.de.  

Sorbus aucuparia, L. (vogelvanger, avis; vogel, capre; vangen) De lijsterbes heeft blad van 20cm lang met negen tot vijftien geveerde elliptische en gezaagde blaadjes van 5-3-5cm lang die in het begin aan de onderkant wollig en behaard zijn maar later kaal worden. Het blad kan in hete zomers, bij weinig schaduw, verbranden. De samengestelde blaadjes geven, als ze door de wind heen en weer worden bewogen, een lieflijk spel van licht en schaduw.

Twijgen zijn eerst behaard en later kaal, glanzend grijs/bruin met grote en puntige wollig behaarde knoppen.

De groenwitte en onaangenaam ruikende bloemen staan in tamelijke grote behaarde tuilen met een diameter van tien tot achttien centimeter in mei. Bloemen met meestal 3 stijlen.

De lijsterbes zit al vroeg vol met helderrode bessen van 7-10mm in diameter die soms binnen een dag weg kunnen zijn als er een zwerm vogels op neerstrijkt. De zaden komen door de vogelmaag tot een betere kieming en worden zo over grote afstanden verspreid. 

De stam is recht en glad en als een kersenboom gemerkt met donkere plekken en horizontale lijnen.

De soort vormt geen wouden maar komt veel voor in bosrijke streken. Het is een typische begeleider en verplegende soort uit het droge Querceto/Betuletum. Komt door geheel Europa en gematigd Azië voor. In het Noorden tot IJsland en noordelijk Noorwegen. Een schaduw minnende en kleine boom die een hoogte van 10m meter kan halen. De kroon is nooit zo dicht gevuld en blijft licht en luchtig. De lijsterbes geeft zelf een vriendelijke bescherming aan kruiden die onder zijn lichte schaduw groeien. Op de bezoekerslijst van de lijsterbes komen een 40-50 insecten, meestal vlinders voor. Het is een statige boom maar wordt gauw overgroeid door zijn meer aspiraties bezittende buren en trekt zich zodoende bescheiden terug en berust in vrede en lijdt onder de drups van degene die ze vroeger beschermde.

Het is een boom voor landelijke beplanting omdat asfalt en tegelbestrating een beletsel zijn voor een goede wortelontwikkeling.

4 subspecies worden vermeld; Sorbus aucuparia subsp. aucuparia, gematigde streken van Europa en noordwest Azië, zuid tot Spanje en centraal Italië, noordoost Griekenland, boomvorm, bladeren en scheuten zijn harig. Sorbus aucuparia subsp. fenenkiana T.Georgiev & Stoj., uit Bulgarije, Sorbus aucuparia subsp. glabrata (Wimm. & Grab.) Cajander.(gladachtig) (Sorbus glabrata (Wimm. & Grab.) Hedl. Subarctische gebieden, IJsland, noordelijk Schotland, noordelijk Scandinavië, noordwest Rusland en lokaal in centraal Europa, struikachtig, bladeren en scheuten haarloos, Sorbus aucuparia subsp. praemorsa (Guss.) Nyman (afgebeten), op hoge plaatsen in M. Zeegebied van Frankrijk en Italië. Sorbus aucuparia subsp. sibirica (Hedl.) Krylov(uit Siberië) (Sorbus sibirica Hedl.), gematigde streken van noordoost Azië, van de Ob tot Irtysh rivier, boomvorm, bladeren en scheuten zijn haarloos.

Beschrijving: johnsVormen.

Rossica Major’ de Russische lijsterbes geeft grotere vruchten, 1,5mm, die, nadat de vorst er over heen is gegaan, een aangename smaak bezitten zodat ze gebruikt kunnen worden voor compote en in Rusland als kandij.

Een forse boom van 15m. met eivormige kroon. Het blad is donkergroen, de vruchten zijn dieprood in augustus/september.

Edulis’ werd omstreeks 1800 in Moravië gevonden. Dit is een forse boom van 15m met ijle kroon en dofgroene bladeren. De vruchten zijn donker oranjerood en groot, 1,2cm zuur, niet bitter en eetbaar en verschijnen in augustus/september.

Sheerwater Seedling’ is een zaailing die in 1950 bij het riviertje Sheerwater, Engeland, door Jackson werd gevonden.

Dit is een robuuste boom van 15m. met slanke kroon. Het blad is grijsgroen en de vruchten zijn oranjerood.

Xanthocarpa’ is een boom van 10m met een losse kroon. Het heeft opvallende oranje gele vruchten in juli/september. Deze boom is gewonnen in 1838 te Engeland.

Fastigiata’ heeft stevige en opgaand groeiende takken met zeer grote eindknoppen, zuilvormige groeiwijze met bladeren groter dan de soort en vaak 9paar zijblaadjes.

Pendula’ op stamhoogte geënt vormt die een brede kroon met in bogen overhangende takken

Beisneri’ is een zwakker groeiende vorm met roodachtige hoofdbladsteel en rood/bruine twijgen met geel/groen uitlopende diep ingesneden blaadjes.

Uit www.eggert-baumschulen.de

Hybriden.

Een kruising tussen aucuparia x discolor, die in Duitsland gewonnen werd omstreeks 1907, leverde Sorbus x arnoldiana, R. op.

De cv. ‘Schouten’ werd omstreeks 1950 in Nederland gewonnen. Dit is een vrij zeldzame en kleine boom van 8m. met een eivormige kroon en geveerde, heldergroene bladeren. De 1cm grote oranje gele vruchten worden in augustus/september waargenomen.

 

 

 

7. uit www.habitas.org.uk

Een kruising tussen aucuparia x aria leverde Sorbus x thuringiaca, Fritsch. (uit Thüringen) op omstreeks 1803 in Duitsland.

De meest bekende hiervan is de in 1907 in Engeland gewonnen cv. ‘Fastigiata’. Dit is een opgaande boom, als een lolly, met vrij smalle kroon en later schuin opgaande takken waarvan de bladeren gedeeltelijk gelobd zijn, 2-3 lobben aan de voet, aan de onderkant grijsachtig getint. De boom geeft vrij grote vruchten van een dieprode kleur. Een boom van 12m, geschikt als straat-, laanboom. Bastaard meelbes.

 

 

 

 

 

 

7. Uit J. Saint-Hilaire.

=Sorbus x hybrida L. komt uit N. Europa en is een kruising tussen aucuparia x intermedia. Is beschreven in 1800.

Een dichte kegelvormige kroon vormend.

Twijgen zijn glanzend olijf/groen met grote, verspreid staande lenticellen.

Bladeren zijn 6-12cm lang en eivormig, de basis gelobd of geveerd, verder is de rand zwak gelobd en van onderen grijs viltig met sterk vooruitspringende nerven.

Bloemtuilen zijn 8-10cm breed en bloemen 8-10mm in diameter.

Vruchten zijn 8-10mm in diameter en helder rood. ‘Gibbsii’.

Finse meelbes, groeit veel in Finland en is daar ontdekt, Duits: Bastard-Mehlbeere, Engels oakleaf mountain ash, Frans alisier de Laponie, sorbier hybride.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit www.flickr.com

Sorbus x meinichii Hedl. (Amerikaanse botanist James Christian Meinich, 1864-1943)=kruising tussen aucuparia x hybrida.

Een hoge struik of kleine boom met tamelijk dunne en opgaand groeiende takken en twijgen

Meestal geveerde bladeren van 20cm lang met 4-6 paren deelblaadjes van 2-5cm lang, ook enkelvoudig en dan aan de basis diep en soms tot de hoofdnerf ingesneden, gezaagd, matglanzend donkergroen en van onderen grijs/groen en blijvend behaard.

Witte bloemen in tot 8cm brede en kort viltig behaarde tuilen.

Vruchten lijken op die van hybrida.

 

Naam.

Engelse lollipoptree, Duitse Thuringische Sauleneberesche.

 

Lombart typen.

J. Lombarts heeft omstreeks 1950 veel kruisingen verricht van aucuparia x discolor x pratii. Die kruisingen worden gekenmerkt doordat de bessen in vrijwel allerlei kleuren verschijnen, de zogenaamde Lombartstypen. Zo heeft ‘Old Pink’ dof roze vruchten, ‘Golden Wonder’ verschijnt met tuilen goudgele vruchten. Bij ‘Red Tip’ zijn de vruchten wit met roze stip.

Het zijn bomen van ongeveer 6m met vruchten in grote tuilen in augustus/september.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Hier te lande wordt deze boom haver-esschen, in Frankrijk fresne sauvage, dat is wilde es, in Bohemen habr. In het Latijn heet het Ornus (zie Fraxinus ornus) en soms ook Fraxinus silvestris en voorwaar het is een soort van es. Want de Grieken (zoals uit Plinius en Theophrastus blijkt) hebben twee geslachten van essen aangetekend, het eerste wordt lang en schiet hoog op en het ander blijft lager en groeit op de bergen en is diegene daar we nu van handelen. In Frankrijk heet het soms orgnier, in Italië ornitelli’.

In het begin van deze eeuw heet de boom averesch in Vlaanderen en in het Duits Eberesche. Het in deze naam voorkomende esche is te verklaren uit de overeenkomst van de bladeren van de lijsterbes met de es. (esche) In Engeland heet de boom onder andere field of mountain ash, een vertaling van botanistenlatijn montana fraxinus: berges. Waarschijnlijk is dat deze naam te verklaren is als aber-esche wat onechte es betekent.  Voor 1600 werd de boom als een soort es gezien, haver-esschen.

Oude namen zijn daarnaar, Aberesche, Abach, Aebschbaum, Averascher, Eberasch, Ebschenbaum, Eschbeerbaum, Ebschenbaum, Evereschenbaum of Faulasche. 

Dodonaeus (b) ‘Van sommige qualster genoemd, qualster-bezien en (als de Bryonia bessen) ook quertelbezien’.

Duitse Qualsterbaum, Queckenbaum, Quickbaum, (zie kweek) Engels wicken, quick beam of quicken tree Een Nederduitse naam was Quieke; nog komt de naam Quitschbeere of Quietschbeere voor, onze kwetsenbeienboom of kwalster, in 1680 was het bij ons qualster of kwalsterboom, in het Engels zien we de naam quickbeam of quickentree (met vormen als wicken of wiggen) en in het Angelsaksisch cwic-beam. Hierin is het woord queck terug te vinden, hetgeen zoveel betekent als levendig of fris omdat ze zelfs op arme gronden groeit of omdat de bladeren altijd in beweging zijn. (vergelijk ook kwikzilver, verkwikken) Oud-Engels cwicen en in 14de eeuw quiken heeft verband met oud-Engels cwicu: possessing life, een levensbezitter. De boom werd ook gebruikt tot het verkwikken van kalveren, zie Juniperus, Engels witchwood of witchen, een andere vorm van cwic, quick, zie ook Ulmus.

Dodonaeus © ‘in Hoogduitsland heet de boom zelf Maalbeerbaum, Malbaum, Maalbeer en Masbeer’.

Masbeerbaum bij Clusius en Bauhin, ook Moosbeerbaum of Moosesch, van moes?

Dodonaeus (d) ‘Matthiolus heeft deze boom voor een soort van wilde sorben gehouden en Sorbus silvestris genoemd. In deze landen worden de vruchten van deze boom omdat ze de lijsters, sneppen en andere vogels aanlokken van sommige lijster-bezien genoemd, dan anders noemen het in Hoogduitsland Vogelbeer, in Hongarije vötüs berckenye, als Clusius betuigt, en in het Latijn Sorbus aucuparia of alleen Aucupalis’.

Het Latijnse deel van de naam “aucuparia” houdt verband met auceps: vogelvanger. De reden hiervoor is het oude geloof dat de niet aangenaam smakende bessen de vogels vergiftigden, waardoor ze gemakkelijker te vangen waren. Vooral lijsters werden ermee gevangen. Ook werden de bessen als voer voor vee en schapen gebruikt.

Lijsterbes, spreeuwbezieboom of vogelbessenboom, Fries koetsebeibeam, Engels fowler’s service: vogelvangersorbus, Duits Vogelbeerbaum, Frans sorbier des oiseaux: vogelsorbus, sorbier des oiseleurs: vogelvangersorbus.

Dodonaeus (e) ‘In het Frans heet het ook cormier sauvage, maar andere noemen hem kwalijk Sorbus torminalis, zoals ons Clusius wel vermaant, in het Frans tormigne. Zodat deze boom in Frankrijk drie verschillende namen heeft naar de verscheidenheid van de plaatsen daar hij groeit´.

(f)   Vergeleken met rozen, Arschrosel, Eschrosel en Masbeerbaum.

(g)   Door Beeren  en om vogels te vangen, Drosselbeere, Vogelasch, Vogelbeerbaum, Kramsvogelbeern. Krametsbeerbaum.

(h)   Andere namen naar zijn opkomst uit vogelmest die bessen op takken (Noors Quist) dragen, (vergelijk Prunus armeniaca) Quetschenbaum, Quitsche, Quitz.

(i)    Door vergelijking met Sorbus domestica,  wild Sorbenbaum, wilder Speierling, wild Sperberbaum.

(j)    Engelse care, rantry, rowantree of roan tree.

(k)   Zwitserland Chrottabeeri, Geissleiterli.

)l) Kraalboom, de bessen, saphout, siepenhout.

Gebruik.

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘Maar de mensen eten deze vruchten niet omdat ze wat te ongenietbaar zijn, dan men gebruikt ze veel om de vogels als lijsters, sneppen en andere diergelijke mee te vangen wanneer ze bijna geen andere vruchten krijgen kunnen en omdat ze zo’n groot behagen nemen in hun mooie rode kleur die hun meer aanlokt dan de smaak hun voldoen kan´.

 

Mythologische appel.

“De lijsterbes heeft wonderbare bessen en in elke bes zit een opvrolijkende kracht van wijn en de voedingswaarde van de oude mede, wie er maar drie neemt zal, als was hij 100, in een jongeman van 30 veranderd worden”. Ook destilleerde men er een geestrijke drank van. Er kan appelzuur van gemaakt worden, en zelfs brandewijn.

Symbool van voorzichtig, Symbool van beleid, wijsheid.

In de Griekse mythologie wijst de naam van Orpheus vader, Oiagros (: van de wilde lijsterbes) op dezelfde cultus als die van de els, aangezien de lijsterbes (in het Frans alisier, oud-Frans alis) en de els (in het Spaans aliso) beiden de naam dragen van de voor-Helleense riviergod Halys of Alys of Elis, de koningin van de Elysische eilanden, waar Phoroneus, Kronos en Orpheus na hun dood heengingen.

Elysion schijnt appeleiland te betekenen en alisier is een voor Gallische woord voor de lijsterbes, (nog de Franse naam voor S. aria) hetzelfde geldt voor het Arthuriaanse avalon en het Latijnse avernus of avolnus, beide gevormd uit de Indo-Europese wortel ahol, wat appel betekent. (zie Malus)

 

Folklore.

(88, (1926) De verre verspreiding van de lijsterbes in noordelijke gebieden en zijn bijna onverwoestbare levenskracht, de witte bloemen en de rode bessen en mogelijk ook de weinig bij de inheemse bomen voorkomende bladvorm hebben de lijsterbes in voorhistorische tijden tot een veel vereerde en heilige boom gemaakt. De lijsterbes stond vooral bij de Noord Germanen, maar ook bij de Slavische en Fins/Hongaarse volkeren in hoog aanzien.

Op 1 mei gaat de herder met het krieken van de dag op en gaat naar een plaats op de berg waar de zon het vroegste schijnen zal. Daar zoekt hij de een lijsterbes, Quiekenpuot, uit waar de eerste stralen op vallen en snijdt het af. Dat moet met een haal gebeuren, anders is het een slecht teken. Is hij met het boompje op de hof aangekomen dan verzamelen de huisgenoten zich en buren. De Starke (koe) die gequiekt zal worden werd uit zijn plaats gehaald. Dan slaat de herder met een tak van de boom op zijn kruid en spreekt, Quick, Quick, Quick, Bringt Milch wohl in die Stirk. Der Saft komt in die Birken, Ein’n Namen geb’ ich der Stirken etc., dan wordt hij met eieren omkranst en met de schalen en boterbloemen wordt het struikje versierd.

Dragen ze vele vruchten dan zal het een rijke graanoogst zijn of een strenge winter.

 

Germanen.

In de Germaanse godensagen nam de lijsterbes een belangrijke plaats in. De boom was bij de Noord Germanen aan de dondergod Thor gewijd. (zoals de eik aan zijn tegenhanger, Donar, bij de Zuid Germanen)

De boom zou ontsprongen zijn uit de bliksem. De rode bessen geven een mysterieuze charme. In de helderrode bessen zit witte magie verscholen. “Rowan tree and red thread drives the witches away”. Rood is gewijd aan Thor. Bruiden droegen altijd rood, Thors geliefde kleur, die als zinnebeeld van liefde gold en om dezelfde reden waren verlovingsringen in het noorden bijna altijd van een rode steen voorzien.

In IJsland is er de spreuk: ‘de rowan is de redder van Thor’. Zij leiden dit af van het verhaal dat de grote god Thor de reus Geirroth bezocht en op zijn reis de rivier Vimur moest oversteken die de wereld van mensen en reuzen scheidt. De rivier was enorm gezwollen door menstrueel bloed en urine van de reuzen. Thor hielp hemzelf veilig naar de overkant door een twijg van de rowan vast te pakken.

Die boom staat sindsdien bekend als Thor’ s redding en verborgen machten worden eraan toegeschreven. Thor’ s naam komt nog voor in de Engelse plaats Thunderhill in Surrey en in de geslachtsnaam Thornburn en Thorwaldsen, maar ook in Thors day of Thursday, donderdag.

In IJsland heet de boom nog steeds Thorsbjorg. Men vertelde dat Thor zijn bliksem in de lijsterbes gezonden had. Niet om die te vernietigen, maar om het vuur naar de aarde te zenden  wat zich nu in de lijsterbes verborg. Er is een vergelijking die verhaalt dat de Rowan Thors vrouw was, de bessen waren gewijd aan Ravdna, vrouw van de parallel dondergod van de Lappen.

De vraag is overigens waarom juist deze boom aan de bliksemgod was gewijd. Soms wordt wel eens gewezen op de brandend rode bessen (rode kleur van de bliksem) Soms worden daarvoor de geveerde bladeren genoemd die aan geveerde wolken herinneren (het vergelijken van de donderwolken met de bliksem)

Nu werd de eik donderboom omdat die, in tegenstelling tot andere bomen, vaak door de bliksem getroffen werd. Het tegendeel werd juist geloofd van de lijsterbes. Lang heeft het geloof bestaan dat het de bliksem afhield. Mogelijk werd het heilig genoemd omdat de boom zo ver naar het Noorden voorkomt en op IJsland is het één van de weinig voorkomende boomsoorten. Nog in het jaar 1908 wordt in teksten uit Duitsland geadviseerd om de lijsterbes tegen blikseminslag te gebruiken. Daartoe moesten de bessen, zodra ze rood waren, in kransen of bosjes voor het raam of onder het dak worden gelegd. Ook in Engeland bracht men de boom met de bliksem in verbinding. Als men de bliksem wilde afweren, riep men: “strike elm, strike rowan, not the oak alone”.

 

Rowan.

De dichtheid van het hout maakt het geschikt voor wandelstokken en magische staven. Dat is de reden waarom druïden traditioneel staven hadden van lijsterbeshout en zijn takken werden vaak gebruikt voor roeden en magische staven, Engels wands. Het hout werd gebruikt op schepen om stormen weg te houden, in huizen tegen bliksem en op graven om hen te beschermen. Ook om de mensen te beschermen tegen heksen.

Er zijn vele volksnamen voor de rowan,: Delight of the eye (Luisliu), mountain ash, quickbane, quickbeam, quicken (tree), quickenbeam, ran tree, roan tree, roden-quicken, roden-quicken-royan, round wood, round tree, royne tree, rune tree, sorb apple, Thor’s helper, whispering tree, whitty, wicken-tree, wiggin, wiggy, wiky, witch wood, witchbane, witchen, witchen tree waarbij vele namen verbonden zijn aan de mythologie en folklore rondom de boom. In Gaelic is het de rudha-an (de rode of rune wat net zo uitgesproken wordt als Engels rowan.

Bij de druïden was het een heilige en magische boom. Nu nog noemt men het in het Engels “rowan tree”, waarbij rowan, in 1548 rountree, te herleiden is tot oud-Noors rogn of raun: “runa”: wat “geheim” betekent. In Wales staan er bij de kerken nog veel lijsterbesbomen. Men beweert dat waar men ook overblijfsels uit de tijd van de druïden vindt men ook bijna zeker was de lijsterbes, of zijn vervallen stronken te ontmoeten.

Vaak werd het gewas ook geplant bij stallen. Stukken van de boom werden binnenin een hoeve geplaatst. De 2de mei was de aangewezen dag om de stallen met lijsterbestwijgen te bedekken. Ook dwongen de herders op die dag hun kudde door een hoepel van dit hout gemaakt te gaan. Degene die diep in de nacht moest reizen droeg een (v vormig) twijgje in hun zak of hielden die boven de kop van het paard om zich van een veilige reis te verzekeren. Als antimagisch middel gebruikten ze zweepstelen van hetzelfde hout.

“ When your whipsticks made of Row’n

You may ride your nag (paard) through any town”.

(349) Een twijg ervan in de zak gestoken was in Yorkshire een soort talisman. In Wales heet de lijsterbes cas gan gythraul: duivelshaat.

De kiel van een schip werd in Duitsland en Engeland gemaakt van lijsterbeshout. Zulk schip had de macht van golvengetover te breken en de stormen, door zeeheksen teweeggebracht, te stillen.

In het volksgeloof werd de boom trouwens meer gezien als een boom waarmee hekserij en kwade toverij kon worden gebroken. De rowan werd witchwood genoemd vanwege zijn kracht die tegen hekserij zou beschermen. Deze boom zou in Ierland opspruiten op de plaats waar onschuldige gedood waren. Als een landsmeisje niet snel genoeg boter kon maken dan roerde ze die door met een rowan twijg en sloeg de koe met een andere om de heksenkracht te breken. Op de eerste meidag, als de heksen en elfen weg zijn, worden er in Ierland stukjes rowan genageld boven deuren en in de melk gestoken, zodat ze niet gestolen zouden worden op deze dag der dagen. De rowan was een krachtig iets. Dat is helder in het verhaal van Diarmuid en Grania in de Ierse Finn Cycle.

“Op hun vlucht voor Finn, de man van Grania, verbleven ze in het Dubhros woud met toestemming van de elfachtige beschermer van de lijsterbes. Die had dikke botten, een grote neus, rafelige tanden en een rond oog in een zwart gezicht. Overdag zat hij aan de voet van de boom, ‘s nachts sliep hij in de takken. De boom was ontsprongen uit een bes die daar gedropt was door Tuatha de Danaan. Grania vroeg om enkele van die wonderlijke bessen en om die te krijgen moest Diarmuid de wachter vermoorden”.

Op kerkhoven werden ze geplant om demonen te weren. In Ierland helpt de rowan tegen de opstanding der doden. Hiertoe werd ze geplant om de begraafplaatsen.

Als je gek genoeg bent om in een elfencirkel te stappen kan alleen een rowantwijg je eruit redden die je dwars op de cirkel moet leggen. Heb je die niet, dan moet je daar dag in dag uit, jaar in jaar uit staan.

Tegen het beheksen van vee hing men in Schotland op twee mei takken van de lijsterbes op. Daar liet men ook op de eerste mei schapen door een kring gaan die uit dit hout was gemaakt; op die wijze zouden de dieren voor ziekten en ongevallen behoed worden. Het gezegde luidt: “Rowan tree and red thread will drive the witches aa wud” (in het woud).

Op tal van plaatsen in het Verenigd Koninkrijk en Ierland blijken hekserij en de lijsterbes in één adem genoemd te worden. Het is te danken aan de nawerking van lijsterbesverering uit heidense tijden dat de boom nog lang als heksenboom gold. Men geloofde dat heksen in de Johannesnacht hun samenkomsten onder deze boom hielden. Ook zouden die heksen de toppen van de “queken” er uitbreken om ze als kool te eten.

In een oude Northumberlandse ballade “Laidley worms (lelijke worm) zingt men:

“The spells are vain, the hag returned

To the queen in sorrowful mood

Crying that witches have no power

Where there is row’n-tree wood”.

“De betovering was vruchteloos

Naar de koningin droef te moede

Roepende dat de heksen geen macht hadden

Waar Rowan hout is”.

Een heks die met een tak aangeraakt was zou het eerste slachtoffer van de duivel worden wanneer hij elk zevende jaar zijn prooi kwam opeisen. Breek een stukje af van de lijsterbes en de krachten in je hand zijn goed voor een duizend zaken.

Het vuur wordt onttoverd doordat een rowan boven de haard hangt. In het Ierse plaatsje County Clare wordt de lijsterbes nog als amulet gebruikt. Door de Schotten werd het hout als het beste middel tegen  heksenplagen beschouwd. In Yorkshire beschutte een takje, in tassen gedragen, tegen heksen. Vanwege deze veronderstelde kracht tegen heksen noemde men de lijsterbes in een andere Engelse streek (zuidwest Cumberland) “witch-wood”.

De woorden in Macbeth: ‘Aroint thee, witch’, worden door sommige commentators gedacht dat dit een verbastering is van Shakespeare en dat er origineel stond: ‘A Roan tree witch’.

Het is de witchen tree.

In een graf uit het eind van de bronstijd, bij Frederiksund op het Deense Seeland, vond men in een bronzen vat botten van dieren tezamen met lijsterbeshout. Men neemt aan dat het hier om een amulet ging dat als afweermiddel werd gebruikt.

 

Scandinavië.

Dezelfde betekenis had de lijsterbes in de Scandinavische landen. Vogels verspreiden de bessen en als die in een holte van een eik, esdoorn of wilg vallen groeit het als een epifyt op die boom. Die werden “flying rowan” genoemd en zouden speciale kracht hebben tegen heksen en hun magie en betoveringen kunnen weerstaan en om runen staven van te maken om metaal te ontdekken en het vee te beschermen. Hier heette de boom “flyveron” of “flogronn” waarvan de toverkracht geroemd werd. Daaronder verstond men dan een lijsterbes die als epifyt op andere boom, bijvoorbeeld een wilg, vlier of es gegroeid was. Zo’n boom verhinderde het binnenkomen van heksen in huis en vooral als die op Hemelvaartsdag gesneden werd. Aan deze niet in de aardbodem, maar vooral op andere bomen groeiende lijsterbessen werden krachten toegeschreven die teruggaan naar oude mythologische ideeën. De plant die niet met de “profane” aarde in contact kwam, zou bijzondere krachten hebben; bij aanraking met de aarde verloor ze die krachten. Hier is een parallel met de mistel.

Tegen hekserij behoedde een roede van ronn, de naam van de boom in Zweden.

Bij de IJslanders moet de lijsterbes, die bij hen de naam “reynir” droeg, zeer vereerd zijn geweest. Men verhaalde daar dat in de kerstnacht op alle twijgen van deze boom brandende lichtjes gezet werden, zodat zelfs de sterkste wind niet alle lichten kon uitblazen. Deze met lichtjes versierde boom herinnert aan onze kerstboom.

In Litouwen werd geloofd dat men daar van de pest verschoond was gebleven, omdat de grenspalen van lijsterbeshout waren gemaakt.

In het Deense Jutland en op andere plaatsen zou de lijsterbes voor een heilige boom gehouden zijn. In Duitsland geloofde men dat degene, die een lijsterbes verplantte, moest sterven als de omvang van de stam van de boom even groot was als de nek van het slachtoffer.

 

Estland en Finland.

Ook in Estland en Finland speelde de boom een grote rol. In de mythologie van de (niet Indo-Germaanse) Esten en de Finnen zou de lijsterbes een bevoorrechte boom zijn geweest. In de Kalevala, het Finse nationale epos, is van een nimf sprake, Pihlajatar, die in een lijsterbes, pihlaja of roodbes, woont.

32ste zang van de Kalevala:

“Is de kudde niet oplettend

keert zij uit zichzelf niet huiswaarts

Pihlajatar, jeugdig meisje

Katajatar (jeneverbes) schone jonkvrouw

Snijdt u fluks in het bos een roede

Breek wat berkenrijs dan schielijk

Bind een gard van roodbes-twijgen

Neem die snel en jaag de dieren etc.”

Het vee werd door de magische krachten van de boom gedwongen te gehoorzamen.

In sommige plaatsen werd de bes in de vaten gedaan waarin de zaden zich bevonden, die voor het uitzaaien op de akkers bestemd waren. Ook maakte de Saman (de Finse parallel van de druïde) uit de twijgen van de lijsterbes een ring waardoor de zaden vòòr het uitzaaien geschud werden. De achterliggende reden hierbij was dat men vroeger geloofde dat slechte groei door beheksing veroorzaakt werd. Omdat het gewas de groei bevorderde, plantte de Saman de lijsterbes in de akkers. Soortgelijke gebruiken zien we bij de Esten.

 

Christelijk.

Het is begrijpelijk dat christelijke zendelingen deze boom, die aan heidense goden gewijd was, als kwade boom bestempelden. Dus werd gesteld dat men lijsterbeshout niet in huis mocht bewaren, omdat dat ongeluk zou brengen. Ook kwam een sage in omloop waaruit zou blijken dat de boom vervloekt was. Volgens die sage was de lijsterbes uit het gebeente van Judas gegroeid.

4.         uit Curtis botanical magazine.

Sorbus tianschanica Rupr. (uit Thianschan gebergte te Turkestan) Glanzend donkergroene geveerde bladeren van 18cm lang met 4-6 paar lancetvormige deelblaadjes van 3-6cm lang met spitse top, enkel gezaagd.

Glanzend bruin/rode twijgen met kleine lenticellen en spitse knoppen.

Valt op door de grote bloemen van 2cm die in hangende tuilen staan.

Tamelijk grote donkerrode vruchten, 1cm.

Gewoonlijk een hoge struik met veel worteluitlopers.

Komt  uit Turkestan, O. Azië en wordt 5m hoog. Is beschreven in 1890. Turkestan mountain ash.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.         uit Curtis botanical magazine.

Sorbus vilmorinii, Schnd.  (Vilmorin, Andrieux et Cie, kwekers te Parijs) Kleine sierlijke geveerde bladeren zijn tot 14cm lang met 6-12 paar deelblaadjes en zwak gevleugelde hoofdbladsteel, blaadjes 1.5-3cm lang en zittend, spitse top en zwak genaald, de rand boven het midden meestal scherp gezaagd met naar voren gerichte tanden, dof donkergroen en van onderen heldergroen.

Knoppen zijn roest/bruin en dicht behaard.

Bloemen zijn wit en staan in tot 9cm brede en spaarzaam behaarde tuilen met purperrood aangelopen bloemstelen.

Licht roze ovale vruchten van 10mm in diameter.

Een langzaam groeiende hoge struik met overhangende, slanke olijfbruine twijgen met kleine lenticellen.

Komt uit Z. W. China en wordt 6m hoog.

Vilmorins rowan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit www.growyourownfruit.org

Sorbus discolor, Maxim. (ongelijk kleurig) Bladeren zijn tot 18cm lang met 5-7 paar deelblaadjes van 4-7cm lang, ei/lancetvormig met spitse top, scherp gezaagd en donkergroen, van onderen blauw/groen.

Bloemen staan in tot 12cm brede tuilen, bloem 8mm in diameter met 15-20 meeldraden en 3, zelden 4, stijlen.

Vrucht is 6-7mm in diameter.

Vormt een kleine boom met op Sorbus aucuparia gelijkende bladeren maar valt op doordat de vruchten wat roze gekleurd en de vruchtstelen die wat rood gekleurd  zijn. Twijgen zijn kaal en glanzend rood/bruin met spitse knoppen die donkerbruin gekleurd en aan de top wat behaard zijn.

Komt uit N. China en wordt 8m hoog. Is beschreven in 1891.

 

Groep Cormus.

Bladeren zijn oneven geveerd. Bloemen met 5 stijlen die gedeeltelijk vergroeid zijn. Vrucht is meer dan 15mm in diameter, groen of bruin.

6.         Uit Fuchs.

Beschrijving: Cliquez pour voir l'image en taille réelleSorbus domestica, L. (domus: huis, inheems, gecultiveerd) Heeft geveerde bladeren, aan de vruchttwijgen meestal met 5-7 paar en aan looftwijgen soms tot 10 paar deelblaadjes van 3-8cm lang, langwerpig/ovaal met een elliptisch topblaadje, donkergroen en aan de onderzijde meestal witachtig behaard, gezaagd en soms dubbel gezaagd met toegespitste tanden.

De twijgen zijn eerst behaard en worden al gauw kaal.

Knoppen zijn glanzend geel/groen en wat kleverig en aan de top behaard .

Bloemen staan in 12cm brede en viltig behaarde trossen en zijn wit in mei, bloem is 12-18mm in diameter met 5 stijlen.

Vruchten zijn groot en peervormig, 2-3cm in diameter die in september rijp worden, geel/groen en aan de zonkant rood.

De peerlijsterbes is een vrij grote boom van 10-18m en meer die vrijstaand veel overeenkomst vertoont met Pyrus. Is afkomstig uit W. en Z. Europa, N. Afrika en W. Azië.

De boom vormt op een ruige en schubbige bast een gewelfde kroon met iets hangende zijtakken.

Het liefste groeit het op een kalkrijke grond. De vrucht is appelvormig, f. pomifera (Hayne) Rehder of peervormig, f. pyrifera (Hayne) Rehder. whitty pear.

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘De sorben zijn in Italië zeer algemeen en men vindt ze ook wel soms in Duitsland op koude bergachtige plaatsen en vooral daar steenachtige, gruisachtige grond is en dikwijls ook aan de Rijnkant en langs de randen of oevers van andere rivieren en waterstromen.

De eerste soort van deze bomen heet in het Latijn eigenlijk Sorbus, in het Grieks Oë en Ove, in onze taal sorbenboom en van sommige tamme sorbenboom. De bessen of vruchten van deze bomen en eigenlijk van de eersten en echte sorbenboom heten in het Grieks Oon of Ovon en in het Latijn Sorbum, in onze taal sorben, in het Frans sorbier en de vrucht sorbe, in Spanje serval en de vrucht servas, in het Italiaans sorbe en sorbole, in het Spaans servas en sorbas, in het Boheems Kzerbinii´.

Sorbus komt van Latijn sorbere: drinken, sorbeo: slurpen of adsorberen, samen trekken, gebruik bij diarree, dit naar de sorb-appel, S. domestica. Of vanwege de samentrekkende smaak van de vruchten, eventueel van Keltisch sor: rauw.

Theophrastus en Dioscorides beschrijven dit gewas al. Via de Romeinen is het naar ons gekomen. (88, (1932)

Latijn sorbum: vrucht van de sorbus, werd in oud-Frans sorbe, Duits Sorbapfel, Engels sorb, Sorbenbaum in Oostenrijk. De boom kwam, zoals de Angelsaksische namen syrfe en syrfetreow laten zien, (een afleiding van Latijn sorbus) omstreeks 410 naar Engeland daar de Angelsaksers de plant waarschijnlijk in het vasteland niet gekend hebben. In oud-Engels werd dit syrfe en syrfetreow, in de 15de eeuw tot serve en is nu bekend als service of service tree. Service kan ook komen van cerevisia, een soort bier, omdat men een verdovende drank uit de vrucht maakte ’to serve’.

Dodonaeus (b) ‘Het heet in het Hoogduits Sperwerbaum, Speirbaum; Sporbaum en ook Spierling, de vrucht Speierlingh en Sporapffel, hier te lande soms sprebeeren of spreeuwbezien’.

Schmeerbirnen, Spelling, Sperberbaum in midden-Hoogduits, Spirboum bij Hildegard, Spirling in Zwitserland, Sterben, Sperber, Sper-: Spar, vele Duitse namen zijn afleidingen van sper: spar, wat een slechte, dorre vrucht betekent die eerst door verrotten eetbaar wordt, Speierling en Spierling, zie aucuparia.

Dodonaeus © ‘In het Frans heet het corme en de vrucht cormier’.

Frans corme, cormier, van cornum: kers.

Dodonaeus (d) ‘De sorben heten ook mannetje en wijfje, te weten naar hun peer of appelvormige vrucht’.

Dodonaeus (e) ‘Enige houden ze voor de Ostria Theophrasti, andere geven ze de toenaam Sorbus domestica, dat is tamme sorben boom of Sorbus legitima, andere Gubera, in Hongarije heten ze berkinye en in Oostenrijk Aschritz’.

Arlesbeer in 1590, Arlez- Arlizbaum, Elsbeere: naar de houtkleur van de els, Asche- Aschelbaum, Eschilbaum, Escheritz, Eschrosel, Swalckbom in oud-Hoogduits.

(f)        Engels chequer tree, naar de oude uitspraak van choker, verstikken of verslikken omdat de onsmakelijke vrucht geschikt zou zijn een verslikking te lozen, of van chequered: gespikkeld,  de vrucht of gevlamde hout.

(g)        Onze peerlijsterbes, peervormige lijsterbes, zie torminalis.

 

Gebruik.

De peerlijsterbes geeft vrij grote vruchten, 2,5-3cm., die aan de zonzijde rood gebloosd zijn en door liggen week en goed van smaak worden. Ook kan het vlees murw worden gemaakt, net als bij de mispel, en het vlees er flurpend uit worden gezogen. Veel wordt de boom gekweekt omdat de vrucht looizuur bevat en zo gebruikt kan worden om appelwijn en cider een pittiger en krachtiger smaak en heldere kleur bij een betere houdbaarheid te geven, ook voor jam en most.

Aan de eetbare vruchten zou deze boom zijn tweede naam hebben te danken. Vroeger werd de boom ook wel Mespilus domestica, All. genoemd.

Het heeft het hardste hout van onze inheemse bomen. Het is bruinachtig rood met een fijne draad Het was geliefd bij meubelmakers, voor wielen, blokken en bij wapenmakers.

Zo was het gebruik vroeger. (Dodonaeus) ‘Sorben tezamen trekkend van aard, doch meer en sterker als ze noch hard en rouw, vers of onrijp zijn dan als ze murw en zacht geworden zijn want om haar murw en week te maken plag men ze in een lauwe of niet heel koude plaatsen ergens op te hangen of tussen stro of kaf te laten liggen en deze sorben zo murw geworden worden voor spijs toegelaten en gegund diegene die te week en te vloeiend van buik zijn of enige loop hebben, want ze stoppen die vloed en maken de buik hard. Dan indien ze enig voedsel bij brengen dat is heel weinig en daartoe ook heel dik, grof en koud. Daarom zal men ons van deze en van alle andere diergelijke vruchten wachten en die geenszins of zeer zelden en zeer weinig tegelijk voor spijs innemen en niet anders dan als een medicijn gebruiken tegen de voor vermelde gebreken want de sorben stoppen alle vloeden van de buik zoals rode loop en diergelijke buiklopen en ze bedwingen ook alle braken, overgeven en opwerpen van de maag. Ze stelpen ook het bloed dat uit de neus of ergens elders uit, hetzij door kwetsing, hetzij door enige andere oorzaak vloeit, te weten als ze afgeplukt zijn eer ze rijp zijn en in de zon of anderszins gedroogd en tot de noodzakelijkheid bewaart zijn geweest.

Ze zijn van krachten en werkingen de mispels vrij gelijk, maar niet zo heel sterk, zegt Galenus. Dan ze worden in vele landen met hele bossen opgehangen en gedroogd of overdwars gesneden in de zon te drogen gelegd of in zoete wijn gekonfijt of te vermurwen gelegd. De wilde soort is Sorbus torminalis genoemd omdat ze geschikt is om alle buikvloeden en de rode loop te genezen.

Van de sorben wordt een drank gemaakt zoals van de peren die een stoppende kracht heeft.

Het hout van de sorbenboom is zeer vast en hard en wordt daarom zeer begeerd om tafels en ander huisraad te maken en ook om roeden en stokken te maken voor ossenhouwers’.

 

Historie.

Dat de boom in de middeleeuwen grotere betekenis had dan tegenwoordig is te zien door de vermelding in Capitulare de villis. Onder de naam Sorbarios was het daar vermeld en was er een plaats voor in het klooster van St. Gallen. H. Hildegard beval het aardrijk onder de kroon van S. domestica als middel tegen verdelging van “rupen” en “zwyfeldern” aan.  Albertus Magnus kende de plant en vermeldt dat dit de echte Esculus was die vaak verwisseld werd met de mispel. (zie Crataegus azarolus) Het was een belangrijke cultuurboom in de middeleeuwen, maar is niet zo verspreid geweest als de mispel.

Groep Torminaria.

9.         Uit L. Watson.

Sorbus torminalis, Crantz. (geneest lijders van de rode loop) Bladstelen zijn tot 7cm lang en blijvend spaarzaam behaard.

Bladeren zijn 7-12cm lang en 6-11 cm breed, breed/eivormig en 3-lobbig, de onderste lobben vaak horizontaal afstaand, ongelijk gezaagd van onderen grijs/groen en langs de nerven blijvend behaard. De pas ontloken bladeren lijken wat op die van Acer saccharinum maar zijn minder diep gelobd en later steviger, glanzend donkergroen en in het najaar zeer mooi verkleurend van geel tot rood.

Twijgen en bladstelen zijn kort viltig behaard, de eerste later kaal en glanzend olijf/groen met grote rond/eivormige en lichtbruine, aan de top iets behaarde knoppen.

Bloeit eind mei, begin juni in 10-12cm brede en behaarde tuilen,  bloem 1-2cm in diameter  en wit.

Vrucht is tot 1.5cm lang, bruin met lichte stippen en eetbaar.

Een statige boom met rond eivormige kroon.

De stam is eerst glad en later ruw met kleine schubben.

Komt uit Europa en Klein Azië en wordt 25m hoog. Is in Midden en Z. Europa ook een goede bosboom en komt voor in de lagere bergstreken op vruchtbare kalkrijke grond tot een hoogte van 650m. Er zijn 2 var. Sorbus torminalis var. torminalis, Europa Noordwest Afrika. Sorbus. torminalis var. caucasica. Kaukasus en Alborz bergen, bladeren zijn minder diep gelobd dan in de vorige.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘De andere soort (zie Sorbus. domestica) mag wilde sorbenboom heten naar de Latijnse Sorbus sylvestris, hoewel dat ze van Plinius Sorbus terminalis genoemd wordt. De wilde soort is Sorbus torminalis genoemd omdat ze geschikt is om alle buikvloeden en de rode loop te genezen.’

Darmbaum, als middel tegen buikpijnen, zie de soortnaam. Falscher of zahmer Vogelbeerbaum bij Gledisch.

Dodonaeus (b) ‘Het heet in het Hoogduits Aressel, Eschzosel en Wilder Sperwerbaum.

De wilde soort het Sorbus torminalis en van sommige ook Sorbus esculenta omdat de vrucht in de maand oktober zeer goed is en van de kinderen en vrouwen zeer gezocht wordt net zo als de tamme, in Frankrijk alizier, in Duitsland Adlasver, in Hongarije barkoczca of barbozca. Anguillara en de meeste geleerde houden het voor de Crataegus Theophrasti´.

(c)   Duits Aarbeere, Arisbeere, Arlesbeere, Alset, Atlasbaum met Atroslein, Adeleschenbeerbaum, Alsebeerbaum, Else, Elsbeere vanwege de houtkleur, zie Alnus, Aschrosleinbaum in Zwitserland,  Eschrosel bij Bock. Schweizer Birnbaum, Wilder Sperberbaum.  Ruhrbirne omdat de vrucht een middel tegen rode loop was,

(d)   Gelijkenis met Cornus mas, Horeleckenbirn.

(e)   Om vogels te vangen, Zurgelbaum, Spielingbaum.

(h)       Engels chequer tree, maple service of wild service tree, zie domestica. Voor de introductie van hop werd het gebruikt om bier te laten geuren wat de oorsprong van de Engelse pubnaam The Chequers zou zijn. de naam chequers komt mogelijk van de gevlekte vruchten, of van de blokken op oude bomen.

(i)        Frans alisier, alise, oud Frans alis: zoet, de vrucht, waarschijnlijk echter verwant met de Duitse namen.

Elsbes.

 

Groep Aria.

Bladeren zijn enkelvoudig, gelobd of gezaagd. Vrucht met blijvende kelkslippen.

10.       uit halesia.nl

Sorbus latifolia, Pers. (breedbladig)  Bladstelen zijn 3-5cm lang en vlokkig behaarde bladeren 8-14cm lang en 5.5-10cm breed, elliptisch met 7-12 paar zijnerven en even veel zwak ontwikkelde lobben, soms bijna ongelobd, top loopt puntig toe, zwak gezaagd of soms getand, matglanzend donkergroen en van onderen kort grijs viltig en blijvend behaard.

Twijgen zijn viltig behaard met groene bladknoppen en spits/eivormig, spaarzaam behaard.

Bloeit in mei in tot 12cm brede viltig behaarde tuilen, bloem tot 16mm in diameter, crème wit.

Vruchten zijn iets geribd en bijna rond, rood/geel.

Is een tot 20m hoge boom met een dichte eivormige kroon die opvalt door de zeer grote en bijna leerachtige bladeren die veel op aria lijken.

 

Naam.

Breedbladige lijsterbes, Engels service tree of Fontainebleau, Frans alisier de Fontainebleau, is daar bekend sinds de 18de eeuw. Het is een hybride tussen S. torminalis en Sorbus aria, maar geeft soortecht zaad.

11.       Uit C. Lindman.

Sorbus intermedia, Pers. (het midden houdend) (synoniem Sorbus scandica (uit Scandinavië) Bladstelen zijn 1.5-2.5cm lang.

Het groene blad is aan de onderzijde grijs viltig, 7-11 cm lang en 4-8cm breed, elliptisch met 6-8 paar zijnerven en evenveel lobben, ongelijk gezaagd.

Twijgen zijn viltig behaard en later kaal, aan de zonzijde glanzend rood/bruin gekleurd met kleine gele lenticellen.

Knoppen zijn eirond en groen, aan de top iets behaard.

Bloeit in mei/juni met crème/witte bloemen in tot 19cm brede, losse en viltig behaarde tuilen, bloemen tot 12cm in diameter.

De vruchten zijn langer dan breed, 12mm in diameter en staan in trossen, oranje/rood in augustus/september.

De Zweedse meelbes is een kleine boom van 12m. of een grove heester met sterk afstaande takken en zo met een brede kroon. Is afkomstig uit Z. Scandinavië en de Oostzeekust. Is beschreven in 1789.

 

Vormen.

De cv. ‘Brouwers’ heeft een kroon met doorgaande spil, bereikt zo 12m.. ‘Brouwers’ wordt vegetatief vermeerderd en is zo uniformer dan de zaailingen. Deze vorm is gewonnen in Nederland in 1956. Kan goed tegen wind.

Naam.

Zweedse meelbes, Engelse Swedish white beam, Frans alisier blanc du Suede, Duits Swedische Mehlbeere.

12.       Uit L. Watson.

Sorbus aria, Crantz. (aanzien, uiterlijke verschijning of Khorassan dat vroeger zo genoemd werd, bij Iran, Afghanistan) (Aria nivea, Host.) (sneeuwwit)

Bladsteel is 1-2.5cm lang.

Bladen van 6-12cm lang en 3.5-7cm breed, ovaal/lancetvormig en onverdeeld, soms met de grootste breedte boven het midden en dubbel gezaagd, donzig aan de onderkant met 8-14 uitspringende nerven die bij de bladrand duidelijk vertakt zijn, helder groen aan de bovenkant met behaarde nerven.

Twijgen, bladstelen, bloeiwijze en onderkant van het blad is wit viltig behaard.

Knoppen zijn veel schubbig, glanzend groen en kleverig.

Tamelijk grote bloemen staan in viltig behaarde trossen van 10cm en zijn groot en wit in mei en juni, bloem tot 16mm in diameter met behaarde kelk en kelkslippen.

Vrucht is rood/oranje, rond en groter dan de lijsterbes met meelachtig vruchtvlees dat door de vogels graag gegeten wordt, 12mm in diameter en meestal 2zadig.

Groeit op kalkrijke gronden, een kleine boom.

De haagappelboom of meelbes komt in midden en zuid Europa en de Oriënt in krijt en kalkstreken voor, in de Alpen en Karpaten op 1600m hoogte.

Als laanboom vormt het een brede kegelvormige kroon die opvalt door de tamelijk grote ovale bladeren die aan de onderzijde blijvend witviltig behaard zijn.

 

Vormen.

De meelbes wordt in meerdere var. voor tuin- en laanbeplanting gekweekt.

Met min of meer gele bladeren is de cv. ‘Lutescens’ bekend. Dit is een opgaande boom waarvan de bladeren al vroeg zilverkleurig ontluiken, daarna de geelgroene kleur showen die vervolgens weer groen worden, laat wel vroeg zijn bladeren vallen. Een boom van 12m. die in 1892 in Duitsland gewonnen werd.

Met lichter groene en slappere bladeren is ‘Majestica’ die in 1858 in Frankrijk gewonnen werd.

’Aurea’ met goudgele bladeren en blijft zo de hele zomer, een zwak groeiende boom of hoge struik.

Magnifica’ als vorige maar met steviger en donkerder bladeren die het beter vast houdt. Een forse boom met smalle kroon. De bladeren zijn groot en glanzend groen met een witviltige onderzijde. De oranjerode vruchten verschijnen in september/oktober. Dit is een magnifieke boom van een 12m.

 

Lyrisch.

Als de sleedoornwinter over is zien we in mei soms toch onverwachts sneeuwbuien langs de wegen opdoemen. Het is de witte onderkant van de meelbes die door de wind naar ons gedraaid wordt, dit in combinatie met de witte bloemen. 

De zachte doeken in deze knoppen zijn in de winter samenge­bald zodat ze niet beschadigd worden. De blad­knoppen ontvouwen zich in een verticale positie als een rij van witte pilaren. Als de voorjaarszon aan de ontluikende knoppen trekt gaan die als zilveren knoppen open. De zachtheid van scheuten en bladen eindigen in een brede platte cluster van witte bloemen.

De bes is na een lichte aanraking van nachtvorst zacht en eetbaar. Een alcoholische drank kan ervan gemaakt worden en een jam.

 

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Dan hierbij hoort de berg Sorbus van Gesnerus, in het Latijn Sorbus Alpina en van andere voor de Aria Theophrasti gehouden, die lijkt van gedaante en kracht op de mispelboom en groeit op de Alpen en andere hoge bergen van Zwitserland en ook in Engeland. Voorts aangaande deze soort van sorben boom, die meest alle geleerde voor de Aria Theophrasti houden, die verliest haar bladeren ’s winters, dan de Aria daar Bellonius van spreekt wordt van hem bij de altijd groene gewassen gerekend en heet tegenwoordig heel Griekenland door met de oude naam Aria’.

Aria is een naam die bekend is sinds Theophrastus, de naam mag mogelijk verwijzen naar Khorassan, een land dat in de oudheid bekend was onder die naam.

Dodonaeus (b) ‘In Duitsland heet deze boom Melperbaum, de vrucht Melper of Melbeer´. (welke naam de haveres ook soms heeft)

Onze meelboom, in het Duits Mehlbeebaum, Mehlbaum, de vruchten werden wel tot meel vermalen. Common medlar.

Dodonaeus © ‘Valerius Cordus noemt het Lanata, in het Italiaans heet het metollo omdat zijn hout zo hard is dat er zeer goede kolen van gebrand worden’ .

(d)       Gebruik van het hout, de Franse naam alouchier is verbonden met alluchon: een pin, het taaie hout werd gebruikt voor het maken van pinnen en ander draaiwerk, alisier, zie torminalis, Engels whipbeam omdat men er een paarde­nzweep: whip, van maakte. Het hout is hard en dicht en wordt gebruikt voor jukken en wielen van windmolens.

(e)        In Engeland is de boom ook wel bekend onder de naam white rice, oud-Engels hris: kreupelhout, en de witte onderkant van de bladeren. Deze eigenschap heeft ook de naam gegeven aan een dorp dat Whyteleafe genoemd wordt in de kalk­heuvels van Surrey.

White beam, beam is de Saksisch naam voor de boom, in oud-Engels hwit beam, hwitingtreow: een boom die wit oplicht, haran withig: harig wittig, Duitse Weissbaum.

(f)        van Sorbus, sorbepeer, Italiaans sorbo, Portugees sorveiro, Spaans serbal, Duits Sporapfel Surben.

(g)        Oude Duitse namen die met voorgaande soorten overeen komen zijn; Speirling, Spoelling of Sperbaum, Sperberbaum, Surben, Sperberbaum en Sperwerbaum bij Bock, Sperboum en later Spirbaum bij Hildegard,  Swalckboum, Swalckbom in midden- Hoogduits.

Atlassbaum, (boomvorm?) Arolsbeere, Arolsbeere, Felsbir, rother Esslein, Oxenbaum, Qualsterbaum, unser Frauenbirle bij Gesner, Vogelbeerbaum, vanwege de verwisseling met verwante soorten, zie S. domestica. De eetbare vruchten werden wel tegen hoesten, catarrhee en diarree gegeten.

Engels chess apple, hen apple of lot tree .

Chaucer zegt:

‘And as I stood and cast aside mine’s eie

I was ware of the fairest medle-tree

That ever yet in al my life sie’.

13.       uit picasaweb.google.com

Sorbus umbellata, Fritsch. (schermvormend)  Bladstelen zijn tot 12mm lang.

Bladeren zijn 4.5-8cm lang omgekeerd eivormig en aan de top zwak gelobd of ingesneden van onderen wit viltig met 4-6 paar zijnerven.

Twijgen dun en met de bladstelen wit behaard, later kaal en bruin/rood.

Knoppen zijn kleine en bruin, aan de toppen iets behaard.

Bloeit in mei in viltig behaarde tuilen, bloem tot 16mm in diameter.

Vruchten zijn tot 12mm in diameter en scharlakenrood.

Een struik of kleine boom die opvalt door de bijzondere vorm van de bladeren die vanonder zuiver wit zijn.

Komt uit Z. Europa, W. Azië en wordt 7m hoog.

Uit flower.onego.ru

Sorbus mougeottii, Koch. (botanist J. B. Mougeot rond 1800) Bladeren zijn 7-12cm lang en 3.5-6.5cm breed, ovaal of eivormig met meestal 9-11 paar zijnerven, top kort afgerond of spitst, zwak gelobd, donkergroen en spaarzaam behaard en van onderen grijs of wit viltig.

Twijgen zijn eerst kaal en min of meer vlokkig/viltig behaard maar worden al gauw kaal en olijf/groen met talrijke lenticellen.

Eivormige knoppen.

Bloeit in mei met crème/witte bloemen in behaarde tuilen. 1.5cm in diameter.

Vrucht is 8-10mm in diameter en scharlakenrood.

Komt net als de vorige in het wild in Zwitserland voor en vormt dan een hoge struik.

Gekweekte exemplaren vormen bomen met een breed eivormige kroon.

Uit Midden Europa, Vogezen, wordt 20m hoog.

Vosges whitebaem, mougeot’s whitebeam.

Uit Curtis botanical magazine.

Sorbus vestita Lodd. (bekleed of sterk behaard) (Sorbus cuspidata, Hedl. (lang gespitst) Blad is tot 20cm lang, elliptisch met spitse top, ongelijk en soms dubbel gezaagd met min of meer stompe tanden, metaalachtig groen met 7-12 paar zijnerven.

Bladeren en pas ontloken twijgen zijn intensief wit

Bloeit in juni met 10cm brede viltig behaarde tuilen, crème/witte bloemen die niet opvallen.

Vruchten tot 18mm in diameter, rood en meestal 5zadig.

Is hier niet winterhard en groeit alleen op zeer gunstig plaatsen kan het tot een kleine boom opgroeien.

Uit de Himalaya wordt 7m hoog.

Himalayan whitebeam.

 

 

Subgenus Chamaemespilus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit J. C. Krauss.

=Sorbus chamaemespilus, Crantz. (kleine Mespilus) Bladeren zijn 3-7cm lang, elliptisch met spitse top, rand dubbel gezaagd, glanzend donkergroen en van onderen geel/groen met 5-9 paar zijnerven.

Twijgen zijn eerst dun viltig behaard en later kaal, rood/bruin met kale knoppen.

Bladstelen zijn tot 8mm lang en grijs behaard.

Wijkt in bloeiwijze af van de andere omdat de bloemen lichtrood gekleurd zijn met opstaande kroonbladen in kleine opstaande grijs behaarde tuilen. In het wild bloeien kleine struikjes al. Bloei is in juni in kleine opstaande en behaarde tuilen, 14mm in diameter, met kelk en kelkslippen die aan de buitenkant grijs behaard zijn, opstaande spitse rode kroonbladen.

De kleine vruchten van 1cm in diameter zijn rood en in september rijp.

De dwergmeelbes komt voor op de berstreken van Midden en Z. Europa en tot 2000m en vormt daar een lage, 1-2m, gedrongen groeiende struik. Gekweekte vormen groeien meestal wat meer opgaand. Is beschreven in 1683.

(Dodonaeus) ‘Lobel vermaant ook van een kleine lage mispelboom, in het Latijn Chamaemespilum en van andere Euonymon alpinum genoemd die op de bergen van Verona en ook in Languedoc groeien en rechtop gaat en negentig, honderd twintig of meer voeten hoog wordt en van bladeren op de kleine appelboom lijkt en van vrucht op de bes van Aria lijkt en in al zijn delen zeer droog is, nochtans wat warm, scherp en tezamen trekkend. Dan deze soort is van Clusius Chamaespilus Gesneri genoemd en van hem in Oostenrijk gevonden die soms heel laag en soms negentig cm hoog wordt’.

False medlar of dwarf whitebeam. Zwerg-Mehlbeere.

Uit leita.gardplontur.is

Sorbus x hostii Hedl. (Nicolaus Thomas Host 1761-1834, Fin van geboorte en lijfarts van keizer Frans I van Oostenrijk. Schrijver van een flora van Oostenrijk/Hongarije) kruising van chamaemespilus x mougeotii. Bladeren zijn 5-9cm lang en 2.5-4.5cm breed, elliptisch, scherp gezaagd, matglanzend donkergroen en van onderen grijs/groen en behaard.

Twijgen zijn eerst behaard en later kaal, groen/bruin.

Bloeit in mei/juni in viltig behaarde en veelbloemige schermen, 16mm in diameter met iets opstaande kroonbladen, kelk en kelkslippen zijn viltig behaard.

Vruchten tot 14mm in diameter en koraalrood.

Een warrig opgroeiende struik tot 3m hoog die van de vorige afwijkt door grotere bladen en bloemen die roze zijn.

Groep Micromelus.

Bladeren zijn enkelvoudig. Vruchten zijn klein met afvallende kelk.

15.       uit Curtis botanical magazine.

Sorbus alnifolia, K. Koch. (els-bladig) Bladstelen zijn tot 16mm lang.

Bladeren zijn 6-10cm lang en 5.5-7.5cm breed, ovaal met kort toegespitste top, 7-11 paar tot aan de rand toelopende nerven, scherp ongelijk en soms dubbel gezaagd en boven het midden soms zwak gelobd, donkergroen en van onderen grijs/groen en blijvend spaarzaam behaard.

Twijgen zijn behaard en worden al snel kaal, glanzend rood/bruin met kleine lenticellen.

Knoppen zijn spits en aan de top iets behaard.

Bloeit na de bladontwikkeling met crème/witte bloemen in losse opstaande tuilen in juni met 5-8 en zelden 10 bloemen in een tuil, bloemen 10-12mm in diameter, met gewimperde en spaarzaam behaarde kelkbladen en meestal 2 kale stijlen.

Vrucht is rond/ovaal met iets afgeplatte top en ongeveer 6mm in diameter met meestal 2 zaden, rood.

Komt zelden voor en dan op een beschutte plaats als opgaand groeiende struik die opvalt door de op els gelijkende gezaagde bladeren. Komt uit Japan-China en wordt 20m hoog. Er zijn 3 var., Sorbus alnifolia var. alnifolia met niet gelobde bladeren, komt in het hele gebied voor. Sorbus alnifolia var. angulata S.B. Linag, bladeren zijn zwak gelobd, ovale vrucht, noordoost China, Korea. Sorbus alnifolia var. lobulata Rehder, bladeren zijn zwak gelobd, ronde vrucht, groeit in Sandang provincie.

Elsbladige lijsterbes, Alder leafed whitebeam of Korean whitebeam, alisier du Japon, Chinees shui yu hua qiu. ‘Skyline’ met smalle opwaartse groei.

Overige.

Uit; http://alanbuckingham.photoshelter.com/image/I00006SLsszyNsAM

Sorbus commixta Held. (tezamen gemengd) Boom van 6-10m hoog met ronde kroon.  Zilvergrijze bruine schors en takken, twijgen olijfgroen.

Oneven geveerd blad, 20-30cm, eirond tot ovaal, 11-17 deelblaadjes elk van 4-7cm lang en 1-1.2cm breed die getand zijn, donker groen en aan de onderkant blauwachtig groen dat in de herfst mooi verkleurt, diep purper of rood.

Witte bloemen in tuilen van 9-15cm doorsnede in mei-juni.

Helder oranje tot bruinachtig rode vruchten, 7-8mm doorsnede.

Winterhard. Var sachalinenis uit Sachalin heeft langere deelblaadjes van 9cm lang.

Uit noordoost Azië, Japan.

Japanse lijsterbes, Japanische Eberesche, Japanese rowan, sorbier du Japon. Japanse naam is nana-kamado; zeven (tijden in de) kachel, zijn geschiktheid als brandhout.

 

 

Uit www.mitomori.co.jp

Sorbus japonica, Hedl. non Koehne. (uit Japan) wordt 20m hoog.

Lijkt op voorgaande soort maar wijkt ervan af door de viltig behaarde twijgen en bladstelen terwijl ook de bladeren aan de onderkant blijvend grijs viltig behaard blijven.

Bloemen zijn kleiner met smallere kroonbladen.

De vruchten zijn meer karmijnrood gekleurd en licht gestippeld.

Japanese servicetree, Japans urajiro no ki.

 

Planten.

Alle soorten kunnen van zaad vermeerderd worden en als dit niet aanwezig is kunnen ze, met de var en bastaarden, geoculeerd worden op Sorbus aucuparia. Zaaien in maart, zaad stratificeren vanaf september, zaad bedekken. De meeste worden geënt. Dat gebeurde wel eens op Crataegus, maar dan is de verankering slecht. Op Sorbus intermedia staan ze stevig, een ander voordeel is dat ze dan ook goed groeien op kleigronden.

Verder groeien ze niet zo op zware gronden en natte gronden en zijn wat gevoelig voor strooizout en luchtverontreiniging.

Zie verder: volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/ en: volkoomen.nl