Spiraea

 

Uit J. C. Krauss.

 

Ongeveer 90 soorten komen voor in dit geslacht die in de gematigde streken van het noordelijk halfrond groeien, in Amerika komen ze zuidelijk tot Mexico, de meeste in Azië zuidelijk tot de Himalaya's.

Het zijn allen bladverliezende, middelhoge of lage struiken, een enkele is geschikt voor de rotstuin.

Meestal bloeien ze wit, soms roze of karmijnkleurig, tweeslachtig en zelden eenslachtig in schermen of pluimen, nooit in trossen, eindstandig of langs vorig jaar hout, 5 kelk en kroonbladen, de laatste meestal afgerond en langer dan de kelkbladen, 15-70 meeldraden, 5 niet vergroeide vruchtbladen, vrucht niet opgeblazen en springt aan de buiknavel open, meerzadig.

Bladeren zijn kort gesteeld en getand of gezaagd, soms gelobd en zelden gaaf, meestal afwisselend geplaatst, bladverliezend en kort gesteeld, zonder of met zeer kleine steunblaadjes.

Bloemen staan in schermachtige trossen of aren.

Vele kruisingen zijn er waaruit vele hybriden zijn ontstaan die voor tuinversiering gebruikt worden.

Ze stellen weinig eisen aan de grond, bloeien meestal rijk en groeien vlug en zijn meestal winterhard.

Rosaceae, Spiraea klasse.

 

Witte spiraea's verlichten de tuin. Er zijn spiraea's die al in april bloeien en de koude van de winter weerspiegelen, met andere soorten gaat de sneeuwval door tot begin juli, verder zijn er zomerbloeiende die reflecteren in het heldere zonlicht. Ook zijn er die hun pluimen opsteken in roze, rode tinten of vlak geschermd zijn.

Door de taxonomen is het geslacht onderverdeeld in 3 secties.

a)     sectie Chamaedryon: de spiraea's met witte bloemen in enkelvoudige tuilen die aan de kortloten van vorig jaar hout bloeien. Dit zijn dus de voorjaarsbloeiers.

b)    sectie Calospita: de spiraea's met witte bloemen in platte tuilen die in juni/juli bloeien. Meestal bloeien die met overhangende takken die het vorige jaar zijn gevormd.
Hiertoe behoren ook de spiraea's met roze tot rode bloemen in eindstandige tuilen aan de recht opgaande takken van dit groei jaar. Die bloeien dus later in het jaar, juli/oktober.

c)     sectie Spiraea: de spiraea's met recht opgaande takken met roze tot paarsrode bloemen in kegelvormige pluimen op twijgen die dit jaar gegroeid zijn. De bloei valt later in het jaar, juli/oktober.

Hier is ook het snoeien aan te passen, die op takken van dit jaar gegroeide takken bloeien kunnen in de winter gesnoeid worden. De anderen worden na de bloei gesnoeid.

 

Voor tuingebruik zijn ze in 3 groepen in te delen:

a)     De voorjaarsbloeiende, meestal in wit.

b)    De zomerbloeiende die van wit naar rood kleuren.

c)     Een serie grof groeiende struiken die met roze of witte pluimen uitgerust zijn.

 

A.

1.  =Spiraea hypericifolia, L. (met blad als Hypericum) Bladeren zijn zeer kort gesteeld 20,mm en 15-35mm lang en 4-8mm breed wat donker grijs/groen omgekeerd lancetvormig soms bij de top enkele zaagtanden en onvolkomen drienervig.

De bruine en ronde twijgen zijn eerst aan de top behaard en later kaal.

In het voorjaar overdekt met kleine witte bloemen in dicht bijeen staande en tamelijk grote schermen. Bloemen 5-6mm in diameter in 5 tot veelbloemige en zittende schermen op het eind van de korte zijtakjes, meeldraden zijn even lang als de kroonbladen, april/mei.

De hertshooibladige is een van de mooiste en rijk bloeiendste soorten. Een niet zo hoge en tamelijk brede struik met sierlijk overhangende twijgen.

Uit Z. Europa en Siberië wordt 1.5m hoog (N.Amerika?) Is beschreven in 1640.

Italian may.

 

Uit commons.wikimedia.org

Spiraea x cinerea Zabel.(asgrauw)  = kruising tussen hypericifolia x S. cana.

Een gedrongen groeiende tot 1.5m hoog wordende struik met rood.bruine overhangende twijgen

Bladeren zijn kort gesteeld en 1.5-3cm lang en 6-18 mm breed dof grijsgroen en van onderen blijvend behaard en eivormig, bijna gaaf en aan de top wat getand, meestal veernervig

Bloemen zijn 6-8mm in diameter wit en zitten aan de top van de twijgen in zittende schermen, aan de voet in eindstandige schermen aan korte bebladerde zijtakjes.

‘Grefsheim’ (asgrauw) is een flinke struik met overhangende twijgen.

Het wit verschijnt in kleine schermen in mei.

Dit is geen Duitse maar een Noorse selectie.

 

2. Uit J. Zuccarini, www.BioLib.de.

Spiraea thunbergii, Siebold. (Zweedse botanist en leerling van Linnaeus Carl Peter Thunberg die Nederlandse kolonies bezocht, 1743-1828) Het blad is 2-4cm en 2-6mm breed en aan beide zijden puntig toelopend en scherp gezaagd, aan bloeiende twijgen korter en bijna gaaf. Frisgroen lijnvormig blad dat later in de herfst verandert van oranje naar rood.

Een fijn vertakt struikje met overhangende en wat kantige sterk vertakte rood/bruine twijgen. Voordat het blad uitloopt gaan de duizenden bloemetjes open zodat de takken als met sneeuwvlokjes bedekt zijn. De bloei is in april/mei, bloemen staan met 3-5 bijeen en zijn 6-8mm, meeldraden zijn korter dan de kroonbladen.

Verlangt een beschutte omgeving en dan nog komen de bloemen niet tot volledige ontwikkeling. De volgende bastaard is dan ook als bloemstruik veel mooier.

Komt uit Japan/China en wordt 2m hoog, maar bij ons meestal lager. 'Mt Fuji' met witte bloemen, 'Ogon' helder gele bloemen, 'Mellow yellow' en 'Fugino pink'.

Thunberg’s meadowsweet,  baby's breath spirea, Thunberg spirea; Japanse naam is yuki-yanigi.

 

 

 

 

 

3

Software: Microsoft Office Spiraea x arguta Zabel. (scherp gezaagd) =kruising van thunbergii x multiflora, wordt 150-200cm hoog. Bladeren zijn 15-35 cm lang en 7-12mm breed, met de rand boven het midden gezaagd.

Het gewas heeft maar enkele grove en wat kantige overhangende takken maar vele fijne waardoor het wat stakerig aandoet. De spierstruik heeft een gelijke vorm als de vorige, maar dan hoger en krachtiger.

De spierstruik bloeit spierwit. Is de kleur genoemd naar de struik of andersom? De kleine witte bloemetjes staan in talrijke zittende en zeer dicht bijeen staande schermen van 6-8mm groot in het begin van mei, 5-8mm.

 

Naam.

Spierstruik, Duitse Spierstrauch.

 

 

 

4. uit revue de l’horticulture belgge.

Spiraea x multiflora Zab. (vele bloemen) = kruising van hypericifolia x crenata en wordt 100-150cm hoog.

Lijkt veel op arguta maar bloeit iets later.

Kort gesteelde bladeren zijn langwerpig/eivormig tot omgekeerd eivormig met wigvormige voet, stomp en in de bovenste helft gezaagd.

Sterk overhangende twijgen zijn licht bruin.

Kleine witte bloempjes staan in half bolvormige, deels zittende en deels gesteelde schermen in mei.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5 Uit J. Zuccarini, www.BioLib.de.

Spiraea prunifolia, Sieb. et Zucc. (met blad als Prunus)  

Bladeren staan aan tot 5mm lange bladstelen, 15-30mm lang en 8-16mm breed ovaal met meestal een puntig toelopende top, fijn gezaagd, donkergroen en van onder iets lichter, in de herfst mooi oranje.

De pruimbladige komt zelden voor en wordt bij ons 1.5m hoog met opgaand groeiende en later wat overhangende twijgen.

Bloemen zijn tot 8mm in april/mei en zuiver wit in 3-7bloemige en zittende schermen, ook aan bebladerde korte zijtwijgen.

Verlangt een beschutte standplaats, na strenge winters is er meestal weinig bloei

Komt uit Korea, China en Formosa en wordt 2-3m hoog.

Var plena heeft dubbele en zuiver witte, 1cm grote bloemen.

Bridalwreath.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Uit L. Reichenbach.

Spiraea cana, Waldst. et Kit. (askleurig grijs behaard) Bladsteel is 2-4mm lang.

Bladeren 1.5-3cm lang en 10-22m breed, aan beide zijden grijs viltig behaard, ovaal en aan de top wat ingesneden, aan bloeiende twijgen soms geheel gaafrandig.

Jonge twijgen zijn dun en later rood/bruin, blijven lang behaard.

Bloeit in mei met kleine, tot 6mm brede bloemen in viltig behaarde en schermvormige tuilen aan tamelijk lange beladerde twijgen, meeldraden zijn even lang als de kroonbladen, de vruchtbladen zijn behaard, stijlen afstaand.

Verlangt een zonnige en beschutte standplaats.

Is direct te herkennen aan de bijna gaafrandige en alleen aan de top getande en meestal zuiver ovale bladeren die met de twijgen en bloeiwijze in het voorjaar typisch grijs behaard zijn.

Komt uit Z. O. Europa en wordt 1-1.5m hoog.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

8. Uit L. Reichenbach.

Spiraea crenata L. (rond gekarteld) (Spiraea crenifolia C.A. Mey (gekarteld bladig) Langwerpig/eivormige bladeren zijn 1.5-3.5cm lang met wigvormige voet, spits en aan de top fijn gezaagd/gekarteld, grijs/groen.

Twijgen zijn rond.

Witte bloemen van 5mm groot staan in dichte, gesteelde en rondachtige tuilen, meeldraden zijn langer dan de bloemblaadjes in mei.

Uit Z. O. Europa, Kaukasus en Altai wordt 75-100cm hoog. Is beschreven in 1825.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10. uit Addisonia.

Spiraea nipponica, Maxim. (uit Nippon, Japan) Bladeren zijn 2-4cm lang en 1.5-3cm breed dof donkergroen en van onderen blauw/groen met lichtbruine nerven, aan niet bloeiende twijgen ovaal, aan bloeiende twijgen zijn de bladeren hoogstens 2cm lang en meestal eirond met gekartelde of iets uitgerande top.

Bedekt met duizenden tere bloemetjes van 6mm in doorsnede de struik  in schermen van 2.5cm breed aan zeer dicht bijeen staande zijtakjes, wit in april/mei met eivormige schutbladen en meeldraden die even lang zijn als of iets korter dan de kroonbladen, stijlen afstaand.

Na de bloei verkleuren de roestrode vruchtbeginsels tot artistieke effecten die in de bloembinderij gebruikt worden.

Een hoog opgroeiende struik met eerst opgaande en later meer overhangende rood/bruine twijgen. Komt tot 1.5m hoog.

De cv. ‘June Bride’ gaat ook in maagdelijk wit en is aantrekkelijk vanwege zijn bescheiden lengte, een meter.

 

 

 

 

 

 

Uit www.flickr.com

Spiraea trichocarpa, Nakai. (haarachtige vruchten)

Deze komt zelden voor.

Vormt een tamelijk hoge en regelmatig groeiende struik met eerst opgaande en later meer overhangende twijgen met donkergroene eivormige bladeren van 2.5cm lang en 1.5-3cm breed

Bloeit in juni met witte bloemen van 8mm in doorsnede in grote tuilen van 10cm groot.

Komt uit Korea en wordt 1.5-2m hoog.

 

 

 

 

 

 

 

12. Uit S. Pallas.

Spiraea trilobata, L.  (drie lobben) Bladeren zijn zeer kort gesteeld en 1.5-3.5cm lang en even breed, donkergroen en van onderen blauw/groen, meestal 3lobbig en handnervig, getande lobben die veel op de meidoorn lijkt.

Een dicht groeiende struik met grijs/bruine en overhangende twijgen.

Bloeit in mei/juni met zuiver witte bloemen van 6mm groot in gesteelde en schermvormige tuilen van 3cm breed, bloemen met afgeronde en iets gekartelde kroonbladen die langer zijn dan de meeldraden, stijl afstaand. Groeit langzamer dan de volgende.

Uit N. China, Siberië en Turkestan komt tot 1-1.5m hoogte. Is beschreven in 1801.

Lappen-Spirae.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

13

Beschrijving: stevens Spiraea x vanhouttei Zabel, (Belgische botanist bij de botanische tuin te Brussel, Van Houtte, 1810-1876) = kruising van Spiraea cantoniensis x Spiraea trilobata. Gewonnen door Billiard, kweker te Fontenay-aux-Roses bij Parijs.

Donkergroene kort gesteelde ovale bladeren van 25-4.5cm lang en 1.5-3cm breed, donkergroen en van onder blauw/groen met puntige of stomp toelopende top, zwak 3lobbig en verder gezaagd.

Dit is een sterke groeier met iets hangende twijgen waar boven op rozetjes van wit staan, alsof een inktvis zijn nappen aan de bovenkant opent. Bloeit in mei/juni zeer rijk met zuiver witte bloemen in tamelijk grote en dicht bijeen staande veelbloemige schermen. Wijkt van de vorige soort af door doordat de bladeren niet zo lang aan de struik blijven en de bloeiende takken meer boogvormig overhangen.

Een stevige Spiraea voor potdichte hagen van een paar meter hoog met roedevormige en iets overhangende twijgen.

 

Spiraea x schinabeckii Zabel. (Mrs. Anne Schinabeck, Cleveland botanische tuin)= kruising tussen trilobata x chamaedryfolia. Donkergroene bladeren die aan de onderkant blauw/groen zijn, eivormig, ingesneden bladrand die dubbel gezaagd is.

Een laagblijvende struik met overhangende rood/bruine en wat kantige takken.

Bloeit in mei met zuiver witte bloemen in dicht bijeen staande schermvormige tuilen aan korte bebladerde twijgen, kroonbladeren afstaand en langer dan de meeldraden, stijl opstaand.

 

 

14. Uit L. Watson.

Spiraea cantoniensis, Lour. (uit Kanton)  (Spiraea reevesiana) (Engelse botanist en uitgever Lovell Reeve, 1847-1966)

Donkergroene eivormige bladeren van 2.5-6cm lang en 8-25mm breed van onderen blauw/groen met toegespitste top, de rand meestal boven het midden groot ingesneden/gezaagd.

Een rijk bloeiende soort die een brede struik vormt met dunne, roedevormige en sterk overhangende wat kantige twijgen.

Vrij grote en zuiver witte bloemen in schermvormige en zeer dicht bijeen staande tuilen aan bebladerde zijtwijgen, 7-9mm in diameter met ronde kroonbladen en korte meeldraden in juni.

Wordt 1.5m hoog. Is beschreven in 1843.

’Lanceolata’ heeft smallere bladeren met dubbel witte bloemen van 1cm groot.

Beide houden lang hun blad in het najaar, ze moeten wel een beschutte plaats hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15. uit www.garten.cz

Spiraea x  blanda Zab. (bekoorlijk) =kruising van sinensis x cantoniensis. Of S. nervosa × Spiraea cantoniensis

Bladeren staan aan dunne tot 12mm lange bladstelen en zijn 2.5-5cm lang en 1.5-3cm breed, eerst aan beide zijden zacht behaard, later dofgroen en aan de onderkant grijs/groen met rood/bruine nerven en blijvend grijs viltig behaard, breed eivormig met spitse top, ingesneden/gezaagd soms tot op de helft van het blad.

Jonge twijgen zijn rood/bruin, takken donker grijs/bruin en afbladderend.

Bloeit in mei/juni met kleine witte bloemen in behaarde en schermvormige tuilen aan korte bebladerde stelen, meeldraden zijn bijna even langs als de kroonbladen, vruchtbladen behaard.

 

16. uit www.flickr.com

Spiraea chinensis, Maxim. (uit China) Gesteelde bladeren zijn eirond tot eivormig en 3-5cm lang, 1.5-3cm breed met afgeronde voet, ingesneden/gezaagd tot 3lobbig en zwak behaard, donker groen met geelachtig viltige achterkant.

Dichte struik met overhangende twijgen die gestreept en geelachtig viltig behaard zijn.

Witte bloemen van 1cm in doorsnede staan in kort gesteelde en behaarde tuilen, meeldraden zijn korter dan de bloembladeren in mei.

Beschutte plaats.

Uit China, Japan en Korea wordt 100-150cm hoog. Is beschreven in 1843.

 

 

 

18. Uit J. C. Krauss.

Spiraea media, Schmidt. (middelste) Bladeren zijn 2.5-5cm lang en 1.5-3cm breed, donkergroen, lang eivormig met spitse top en meestal aan de top ongelijk groot getand.

Lijkt veel op de volgende en vormt een brede hoge struik met wat overhangende grijs/bruine twijgen.

Bloeit in mei aan tot 8cm lange bebladerde twijgen met bloemen van 7-8mm in diameter, wit, kelkbladen zijn rond eivormig en even lang als de meeldraden, stijl afstaand.

Uit Z. Europa en N. O. Azië wordt 1.5-2m hoog. Is beschreven in 1816.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19. Uit J. C. Krauss.

Spiraea chamaedryfolia, L.  (met blad als Chamaedrys)

Bladeren staan aan tot 12mm lange bladstelen en zijn 3-6cm lang bij 15-28mm breed, donkergroen en van onderen wat blauw/groen en alleen langs de nerven spaarzaam behaard, eivormig en altijd met de grootste breedte boven het midden, top spits, ongelijk scherp en soms dubbel gezaagd.

Een breed uitgroeiende en dicht vertakte struik met zigzag groeiende grijs/bruine gladde en kantige twijgen.

Bloemen komen in mei, wit tot crème/wit en 6-8mm in diameter met voor de kroonblaadjes uitstekende meeldraden in samengestelde tuilen aan korte en bebladerde zijtakjes.

Uit O. Europa en Azië wordt 1.5m hoog. Is beschreven in 1789.

Var ulmifolia Maxim vormt een lossere struik met meer afstaande en overhangende twijgen met grotere bloemen ook in grotere tuilen.

Gamander-Spirae, Germander meadowsweet.

 

 

 

Groep Calospira.

Bloeiwijze aan kortloten langs vorig jaar gevormde twijgen, meestal wit en zelden licht roze.

2de groep.

 

 

21. uit www.rogerstreesandshrubs.com

Spiraea canescens, D. Don. (grijs behaard) Grijs/groene en eironde bladeren van 15-30mm lang en 6-8mm breed, van onderen duidelijk grijs behaard met goed zichtbare zijnerven en zeer kort gesteeld, boven het midden getand en aan korte bloeitwijgen soms gaafrandig.

Een sierlijke struik die hoog opgroeit met eerst opstaande en later boogvormig overhangende rood/bruine wat kantige roedevormige twijgen.

Witte of crème/witte bloemen aan korte zijtwijgen, 6mm breed en tweeslachtig die dicht bijeen staan aan het eind van de zijtwijgen in behaarde tuilen, meeldraden zijn even lang als de kroonbladen.

Komt uit de Himalaya en wordt 1.5-2m hoog. Is beschreven in 1879.

Myrtifolia’ met iets kleinere bladeren die minder behaard zijn en meer donkergroen. Bloemen blijven er langer aan en zijn intensiever wit gekleurd.

Vermeerderen door afleggen, zomerstek of scheuren.

 

 

 

 

 

 

22. uit www.botanikos-sodas.vu.lt

Spiraea sargentiana, Rehd. (Amerikaans dendroloog en botanicus,  de eerste directeur van het Arnold arboretum Charles Sprague Sargent, 1841-1927) Bladeren tot 15-30mm lang en 8-18mm breed, dof donkergroen  en onderzijde iets lichter of grijs/groen en blijvend behaard vooral langs de nerven, eivormig/ovaal en aan de top getand.

In bogen overhangende takken die vooral op het eind sterk vertakt zijn.

Bloeit in juni met kleine witte bloemen in vlakke en behaarde tuilen, 4-6mm in diameter met behaarde kelk, meeldraden zijn even lang als de kroonbladen, bloemtuilen 3-5cm breed.

Lijkt in groeiwijze en bladvorm op S. canescens, maar wijkt er van af door de ronde en eerder kaal wordende twijgen met iets grotere bladeren en vroeger bloeiend met geel/witte bloemen in grote tuilen.

Uit W. China wordt 1.5-2m hoog.

 

23. uit Curtis botanical magazine.

Spiraea veitchii, Hemsl, (kweker Jas. Veitch & Sons, kwekers te Chelsea, Engeland) Lichtgroene ovaal/elliptische 2-4cm lange en 1-2.5cm brede bladeren die van onderen blauw/groen zijn en behaard en bijna gaafrandig.

Vormt een dichte ronde struik met aan de top overhangende wat kantige rode twijgen.

 Kleine bloemen in tamelijk grote schermvormige, tegenoverstaande tuilen van 7-12cm breed, eind juni is de hele struik dan ook overdekt met zuiver witte bloemen, bloemen 4-5mm in diameter en behaard.

Uit Midden en W. China komt tot 2-3m hoog. Is beschreven in 1903.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

24 uit Curtis botanical magazine.

Spiraea wilsonii, Duthie. (Engelsman Ernest H. Wilson 1876-1930, Engels botanicus en plantenverzamelaar vooral in China) Bladeren zijn 2-4.5cm lang en 1-2.5cm breed en eerst viltige behaard aan beide zijden, later donkergroen een spaarzaam behaard en aan de onderkant grijs/groen met licht bruine nerven en kort viltig behaard, ovaal en aan de top gekarteld, aan de bloeiwijze vaak geheel gaafrandig.

Bloemen zijn zuiver wit en 6mm in diameter, meeldraden even lang als de kroonbladen.

Lijkt op de canescens met rode en iets kantige twijgen, ovale dofgroene bladeren en kleine witte bloemen in tot 5cm brede tuilen aan het eind van de korte zijtakjes.

Uit Midden en N. China wordt 1.5-2m hoog. Is beschreven in 1910.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

25. uit Curtis botanical magazine.

Spiraea henryi, Hemsl.. (Augustine Henry, Ierse arts en botanicus, 1857-1930) Bladeren 3-7cm lang en 18-40mm breed, diepgroen en zeer spaarzaam behaard, onderzijde langs de nerven behaard, eivormig en aan de top getand.

Groeit meer opgaand met ronde en aan de top behaarde twijgen die later sierlijk overhangen Bloeit iets vroeger dan de vorige waar met opeenvolgende bloei rekening gehouden kan worden Bloeit in juni zeer rijk met witte bloemen in niet zo grote maar dicht bijeen zittende 5cm grote tuilen, bloem is 4-6mm in diameter met korte meeldraden in een wat gewelfde en schermvormig tuil.

Komt uit Midden en W. China en wordt 2-2.5m hoog. Is beschreven in 1903.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

27. uit www.pepiniere-brochetlanvin.com

Spiraea longigemmis, Maxim. (lange knoppen)  Bladeren zijn 3-6cm lang en 8-18mm breed, heldergroen en van onderen blauw/groen en blijvend.

Deze door Vilmorin in de handel gebrachte soort vormt een brede en opgaande groeiwijze met geheel kale en kantige bruin/rode en later grijs wordende twijgen met karakteristieke lang gepunte knoppen.

behaard ei/lancetvormig met spitse top, enkel en soms dubbel gezaagd.

Komt uit N.W. China en wordt 1-1.5m hoog. Is beschreven in 1894.

 

 

 

 

 

28. uit C. Loddiges.

Spiraea bella, Sims. (mooi) Ei/lancetvormige bladeren van 2-4.5cm lang en 12-18mm breed, donkergroen en van onder grijs/groen met scherp gepunte top, boven de gaafrandige bladvoet scherp gezaagd.

Een breed uitgroeiende struik met dunne en wat kantige en gestreepte twijgen.

Kleine licht roze bloemen in behaarde tuilen en vaak op het eind van de twijgen met meerdere bijeen en schijnbaar een brede en losse tuil vormend. Bloeit juni/juli met tweehuizige bloemen in tot 2.5cm brede en behaarde tuilen.

Verlangt een beschutte standplaats en vooral jonge planten zijn niet geheel winterhard.

Uit de Himalaya wordt 1m hoog. Is beschreven in 1820.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

30. uit www.detuingids.be

Spiraea japonica L. f. var. bullata (Maxim.) Makino (bobbelig) (Spiraea bullata) Kleine, stevig en dof donkergroene eivormige en iets gekroesde of bobbelige bladeren  van 1-2cm lang en 8-16mm breed, onderzijde iets lichter met duidelijk zichtbaar adernet, eivormig, rand ingesneden of gezaagd/getand.

Een gedrongen groeiende struik met sterk vertakte grijs//groene twijgen en kleine kogelvormige behaarde knoppen.

Eind juni bloeit het met kleine roze/rode bloemen in eindstandige en half kogelvormige tuilen van 3mm groot.

Uit Japan wordt 40-60cm hoog. Is beschreven in 1882.

 

 

31. uit L. Van Houtte.

Spiraea japonica, L. (uit Japan) bij oude kwekers nog bekend als Spiraea callosa.

Een brede struik met dof donkergroene en ei/lancetvormige ovale bladeren met ingezonken nerven van 2-8cm lang en 1.3-3cm breed, aan grondscheuten soms tot 12cm lang en 4cm breed, bij het uitlopen wat roze gekleurd en later donkergroen, van onderen blauw/groen en zeer spaarzaam langs de nerven behaard met toegespitste top en ingesneden gezaagde bladrand.

Jonge twijgen zijn eerst wat kantig en groen, later rood/bruin en aan de top sterk vertakt .

Bloeit in juli/augustus met roze/rode bloemen in losse schermvormige tuilen, 4-6cm in diameter met lange meeldraden met rood gekleurde helmknoppen.

Komt uit Japan en midden China, wordt 1.5-2m hoog. Is beschreven in 1859.

Macrophylla’ de grootbladige wordt hoogstens 1.5m hoog met wat mindere bloei en lichter getinte wat hol en bredere bladeren.

Atrosanguinea’ en ‘Ruberrima’, de eerste met karmijnrode bloemen die dicht behaard zijn,  de laatste met roze/rode bloemen in dicht behaarde tuilen.

Een aardige cv. is ‘Little Princess’.

Het kleine Japanse prinsesje van deze familie vormt een fijnbesnaard en dicht struikje.

In juni wordt het hoofdje gekroond met talloze roze tuilen.

Afhankelijk van de manier van snoeien kan het tot een 70cm hoogte komen.

 

 

 

 

34

Software: Microsoft Office (Spiraea x bumalda) = kruising van japonica x albiflora.

Kort gesteelde bladeren zijn ei/lancetvormig en spits, gezaagd

Opgaande struik met kantige en gestreepte twijgen

Grote schermvormige tuilen met talrijke kleine, licht tot donker roze bloempjes in juli/augustus.

Bumalda (naar de botanist J. A. De Bumalda, uit Bologna) is een struik van een meter en wordt weinig meer geteeld. Wordt wel veel gekweekt in verschillende vormen.

 

Vormen.

 Shirobana’ is een tweekleurige vorm en heel apart. De plant produceert vlakke bloemtuilen, als die van ‘Anthony Waterer’, van geheel roserood, soms zit er wat wit in, andere takken zijn behoorlijk wit of geheel wit. Een bloeiende hoek met ‘Shirobana's’ doet denken aan een veld duizendschonen of een bassin met bonte Japanse vissen die ook shirobana’s genoemd worden. Ongeveer 90cm wordt dit struikje.

Ook ‘Anthony Waterer’ behoort tegenwoordig ook tot deze groep omdat men vastgesteld heeft dat dit geen hybride is.

De cv. ‘Anthony Waterer’ is een begrip. Dit is een goed bloeiende compacte struik met een rijke bloei in roze/rood. Kenmerkend zijn de vorming van soms rode, soms geelbonte of zacht roze vlekken in de bladeren. Gewonnen door A. Waterer, kweker te Woking, Engeland.

Atrorosea’ verschilt hiervan doordat de struik dichter en fijner vertakt is, donker roze bloemen

Elegans’ blijft laag, dicht vertakt met helder roze bloempjes. Deze 2 zijn gewonnen door V. Lemoine, kweker te Nancy, Frankrijk.

’Froebelii’ heeft grotere bladeren, lage en breed uitgroeiende struik die dicht vertakt is met het jonge schot van een bruin/rode kleur, met donkerder bloemen. Gewonnen door Otto Froebel & Cie, kwekers te Zurich, Zwitserland.

Walluf’’ lijkt veel op Anthony Waterer maar jonge bladeren zijn meestal rood gekleurd en bloemen zijn helderder. Gewonnen door Goos & Koenemann, kwekers te Niederwalluf an Rhijn, Duitsland.

Crispa’ is ontstaan uit Anthony Waterer en heeft gegolfde en diep ingesneden en gekroesde bladeren. Gewonnen door A. Hesse, kweker te Weenen an Ems, Duitsland.

‘Darts Red’ is donker karmijnrood. Dit is een gedrongen vorm van de vorige, maar zonder de bonte vlaggen.

Goldflame’, een gouden vlam, is een aparte bladplant die uitloopt in diep brons tot oranjerood, vervolgens goudgeel kleurt en in de zomer op lichtgroen terugvalt.

 

32. uit www.pepiniere-brochetlanvin.com

Spiraea x margaritae Zak. (parelachtig) =kruising tussen Spiraea japonica x superba.

Bladeren zijn 4-8cm lang en 3-4cm breed, soms tot 10cm lang aan sterk groeiende twijgen, donkergroen en van onderen licht groen, top kort toegespitst, elliptisch, enkel of dubbel gezaagd

Jonge twijgen zijn dun, rond en gestreept en fijn behaard, later donkerbruin.

Bloemen 7-8mm in diameter, meeldraden talrijk en twee keer zo lang als de kroonbladen, stijl meestal opstaand en bloemtuilen behaard.

Een tot 1.5m hoog wordende struik die in juli en minder rijk in augustus/september bloeit met helder roze bloemen in eindstandige en brede tuilen.

 

Uit C. Morren, Spiraea amoena.

Spiraea x revirescens Zab. (weer groen wordend) =kruising van Spiraea japonica x amoena.

Knoppen zijn tot 3mm lang.

Bladsteel is 7mm lang.

Bladeren zijn 5-9cm lang en 20-45mm breed, donkergroen en van onderen blauw/groen en langs de nerven viltig behaard, lang ovaal met puntig toelopende top, dubbel gezaagd.

Bloeit in juni/juli met licht tot donker roze bloemen in losse en viltig behaarde tuilen, bloemen zijn 5-7mm in doorsnede, meeldraden zijn even lang of iets langer dan de kroonbladen.

Kan ook in de halfschaduw, som smet nog nabloei in de herfst.

Een opgaand groeiende middelhoge struik met bruin en wat kantig gestreepte twijgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

35. uit www.eggert-baumchulen.de

Spiraea albiflora, Zabel. (wit bloeiend) Bladeren zijn zeer kort gesteeld en 3-7cm lang en 8-18mm breed, heldergroen en van onderen blauw/groen, lancetvormig, rand meestal enkel en soms dubbel gezaagd.

Twijgen zijn dun en kantig gestreept met kleine spitse en kegelvormige knoppen.

Bloeit in juli tot september met kleine witte bloemen in tot 7cm brede tuilen, meeldraden zijn iets langer dan de tamelijk ronde kroonbladen, stijlen zijn kort en afstaand, juli/augustus.

Laag blijvend maar opgaand groeiend.

Komt uit Azië en Japan en wordt 50cm hoog.

 

 

 

 

36

Spiraea x superba Zabel. (super) =kruising tussen albiflora x corymbosa.

Bladeren zijn zeer kort gesteeld en 3.5-7cm lang en 12-25mm breed, matglanzend donkergroen en van onder blauw/groen, elliptisch met puntig toelopende top, ongelijk enkel of dubbel gezaagd.

Wordt niet hoger dan 60cm een opgaand groeiend gewas met donkerbruine en iets gestreepte twijgen.

Bloeit van juni tot augustus met roze bloemen in tot 7cm brede en eindstandige pluimen die licht roze tot wit uitbloeien, bloemen 5-7mm in diameter met brede eivormige kroonbladen en twee maal zo lange meeldraden, stijlen boogvormig en iets afstaand.

 

37. uit hortuscamden.com

Spiraea corymbosa, Raf. (tuilvormig) Bladsteel is 8mm lang en spaarzaam behaard.

Bladeren zijn 3-8cm lang en 2-5.5 breed, helder groen en van onderen blauw/grijs/groen, ovaal en groot enkel of dubbel getand.

Sierlijke struik die opgaand groeit met dunne bruin/rood gekleurde en later meer hangende twijgen.

Bloeit in juni/juli soms nog later met crème/witte bloemen in tot 10cm brede en gewelfde tuilen de bloeiende takken meer overhangend.

Kalkrijke grond.

Komt uit N. Amerika, New Yersey tot Georgia en Kentucky en wordt 80cm hoog. Is beschreven in 1812.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

38. uit www.eggert-baumschulen.de

Spiraea densiflora Torr (dichtbloemig) is een houtachtige struik van 1 meter.

Licht groene getande bladeren die naar geel verkleuren als het koud wordt.

Geurende tuilen van helder roze bloemen in de zomer.

Uit koude vochtige gebieden van de kuststreken van N. Amerika.

Mountain spiraea, dense-flowered spiraea, rosy spiraea, subalpine spiraea.                                                        

 

 

 

 

 

 

 

41. Uit S. Pallas.

Spiraea betulifolia, Pall. (met berkachtig blad) Kleine kegelvormige knoppen.

Kort gesteelde eivormig/ovale bladeren van 2-5cm lang en 1.5-2.5cm breed, met bruine en opvallende nerven.

Een lage en veel vertakte struik met gladde en tamelijk dikke bruin/rode en wat kantige twijgen.

Bloeit in juni/augustus rijk met kleine witte bloemen die gedrongen bijeen staan in eindstandige en gewelfde tuilen.

Komt uit O. Azië en Japan tot 60-80cm hoog. Is beschreven in 1812.

‘Aemiliana’  is een laag en breed uitgroeiend heestertje met een mooie herfstkleur. Geeft ruige witte bloemtuilen omstreeks mei/juni.

De plant is oorspronkelijk afkomstig uit de buurt van de vulkaan Mori te Japan.

                                          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

42 Uit L. Reichenbach.

Spiraea decumbens, W. Koch. (neer liggend) Bladeren zijn zeer kort gesteeld en 10-30mm lang en 6-18mm breed, heldergroen en van onderen blauw/groen, eivormig/elliptisch, enkel of dubbel gezaagd.

Een dwergstruik met liggende takken en eerst opstaande en later meer afstaande wat kantige twijgen.

Bloeit eind mei/juni met witte bloemen in weinig bloeiende eindstandige bebladerde tuilen, bloemen zijn onvolkomen tweehuizig, meestal planten met mannelijke bloemen, meeldraden zijn even lang als de kroonbladen en verschrompelde vruchtbladen. Een plant voor zonnige alpentuinen.

Komt uit Z. Europa en wordt 25-50cm hoog. Is beschreven in 1879.

subsp. tomentosa (Poech) Dostál.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit flower.onego.ru

Spiraea hacquetii, Fenzl. & K. Koch. (B. Hacquet, Franse botanicus, 1739-1815) (Spiraea decumbens ssp.hacquetii, Spiraea x pumilionum)

Lijkt wat op decumbens.

Langwerpig/eivormige bladeren zijn 1-4cm lang en 6-10mm breed, spits en in de bovenste helft getand/gezaagd.

Liggende tot overhangende twijgen zijn gestreept en grijs behaard.

Kleine witte bloempjes staan in behaarde tuiltjes, meeldraden zijn even lang als de bloembladeren in mei/juni.

Uit O. Europa wordt 20-30cm hoog.

 

 

Groep Spiraria.

 

 

44. uit www.antemisaris.gr

Spiraea x semperflorens Zab. (altijd bloeiend) = een kruising tussen japonica x salicifolia.

Ei/lancetvormige bladeren van 5-10 cm lang en 16-32mm breed die van onderen wat blauw/groen zijn.

Een opgaand groeiende struik van 1.5m hoog met kale en ronde twijgen.

Licht roze bloemen in juli tot eind augustus in behaarde en dicht opeen gedrongen in bijna 10cm lange breed piramidale pluimen. Bloemen ongeveer 4-6mm in diameter met afstaande kelkslippen en langere meeldraden dan kroonbladen.

 

 

Uit www.botansad.com.ua

Spiraea x  syringaeflora Lemoine. (is de syring bloeiende) = kruising tussen albiflora x salicifolia.

Kleine en kort gesteelde bladeren van 4-8cm lang en 15-20mm breed, frisgroen en van onderen duidelijk netaderig en langs de nerven spaarzaam behaard met puntig toelopende top, scherp gezaagde bladrand.

Een laag blijvende en opgroeiende struik met kantige, gestreepte en behaarde rood/bruine twijgen Bloeit in juni/juli met roze/rode bloemen in rijk vertakte en tot 10cm brede pluimen, bloemen met bijna ronde of breed eivormige kroonbladen, afstaande en soms teruggeslagen kelkslippen en talrijke voor de kroonbladen uitstekende meeldraden.

 

 

45. uit www.pepiniere-brochetlanvin.com

Spiraea x notha Zab. (onecht)= een kruising tussen corymbosa x latifolia. Of  betulifolia × S. latifolia.

Kleine en behaarde knoppen.

Bladeren zijn kort gesteeld en 3-6cm lang en 2-4cm breed, donkergroen en van onderen licht groen en alleen langs de nerven behaard, eivormig, enkel of dubbel gezaagd.

Een tot 1.5m hoog wordende en opgaand groeiende struik met fijn gestreepte en kantige rood/bruine twijgen .

Bloeit in juli/augustus met licht roze of wit met roze kleurige bloemen in kale en breed kegelvormige pluimen. Bloemen met afstaande en bijna 3hoekige kelkslippen, bijna zonder kroonbladen en talrijke, bijna twee maal zo lange meeldraden.

 

46. uit www.rogerstreesandshrubs.com

Spiraea x  sanssouciana K. Koch. (Sans souci) =kruising tussen douglasii x japonica.

Stompe, eironde knoppen.

Elliptische donkergroene bladeren van 7-9cm lang en 1.5-2.5cm breed, soms langer aan sterk groeiende twijgen en onderkant grijs viltig behaard en naar beide zijden smal toelopend, ongelijk scherp gezaagd.

Een middelhoge struik met kantige en gestreepte kale twijgen.

Bloeit in juni/juli zeer rijk met donker/roze bloemen in eindstandige en viltige behaarde tot 16cm brede en iets hogere pluimen. Bloemen met bijna ronde kroonbladen en bijna 2 maal zo lange meeldraden, kelkslippen afstaand.

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit alternative-arboretum.blogspot.com

Spiraea x fontenaysii Leb. = (uit Fontenay, Frankrijk) een kruising tussen canescens x salicifolia.

Zelden voorkomend, wel de “Rosea’’ en ‘Alba’.

Bladeren zijn kort gesteeld en 2-5cm lang en 1.5-2.5cm breed, donkergroen en aan de onderkant iets blauw/groen en langs de nerven spaarzaam behaard, ovaal, boven het midden ingesneden gezaagd.

Opgaand groeiend met kantige en geel/bruine twijgen.

Bloeit in juni/juli met witte bloemen in tot 8cm lange en kegelvormige pluimen, kroonbladen zijn bijna rond en meeldraden zo lang of iets langer dan de kroonbladen.

 

 

 

 

48. uit www.toijalantaimitarha.fi

Spiraea x watsoniana Zab.(Watsons) =kruising tussen douglasii x splendens of  Spiraea douglasii × Spiraea densiflora.

Kleine behaarde en spits eivormige knoppen.

Bladeren zijn 5.5-7cm lang en 18-23cm breed, matgroen en van onderen lichtgroen en kort grijs viltig behaard, eivormig/elliptisch, boven het midden gezaagd/getand.

Een zeer rijk bloeiende middelhoge struik met opgaande en viltig behaarde bruine twijgen.

Bloeit in juni/juli met helder roze bloemen in een ruim 10cm brede en hoge eindstandige pluim. Kroonbladen zijn eivormig en meeldraden twee maal zo lang als de kroonbladen, kelkslippen terug geslagen.

 

 

49. Uit O. Thome.

 Spiraea salicifolia, L. (wilgenbladachtig)

Kleine, eivormige knoppen.

Kort gesteelde lancetvormige bladeren van 4-7cm lang en 12-22mm breed, frisgroen en van onderen lichter met puntig toelopende bladvoet, de rand is ongelijk enkel en soms dubbel gezaagd.

Gaat straf op met bruine en wat gestreepte, kantige twijgen.

Bloeit in juni tot juli met licht roze bloemen in tot 15cm lange eindstandige aarvormige trossen, bloemen met afstaande kelkslippen en behaarde kelk, de roze meeldraden steken voor de kroonbladen uit, stijlen afstaand.

Groeit overal, nat en droog, zon of schaduw, lastig zijn de worteluitlopers. Vermeerderen daardoor of door winterstek.

Een bekend struikje die ook wel verwildert voor komt.

Komt uit Z. Europa en N. O. Azië tot 1.5m hoog.

 

Naam.

(Dodonaeus) (a) ‘Speiraea Theophrasti, zegt Clusius, is een heester die in Silezië groeit en negentig cm hoog wordt, dun van takken en bruin van schors met langwerpige smalle bladeren als wilgenbladeren’

Spiraea is een oude Griekse naam van een plant die gebruikt werd voor guirlandes. Mogelijk komt het woord van het Griekse speira: een krans. Of het betekent draaiing naar de gedraaide vruchten of de buigzaamheid van de twijgen hoewel die breekbaar zijn zodat dit niet waarschijnlijk is. Waarschijnlijk is het woord het eerst gebruikt door Clusius. Plinius noemde een plant Spireon, guirlande bloem.

(b) Spierstruik, Duitse Spierstrauch of Spierstaude, Franse spiree en Engelse spiraea.

(c) Wilgbladige Spiraea of theeboompje, Engelse willow leaved Spiraea, Duits Weiden-Spirae, (d) Theeblume heeft geurende bladen die een vervanger opleveren voor thee.

 

50. uit www.missouribotanicalgarden.org

Spiraea alba, Du Roi. (wit)

De witbloeiende lijkt veel op de vorige.

Bladeren zijn kort gesteeld en 3-7cm lang.

Bloeit in juli met witte bloemen in eindstandige en min of meer viltig behaarde pluimen. Meeldraden zijn wit en even lang of iets langer dan de kroonbladen.

Komt  uit O. N. Amerika tot 1.5-2m hoog.

Broadleaf white spirea, meadowsweet.

 

 

 

 

 

51 uit www.naturallandscapesnursery.com

Spiraea alba Du Roi var. latifolia (Aiton) Dippel (breedbladig) (Spiraea latifolia, Borkh.) Bladeren zeer kort gesteeld en 3-7cm lang en ruim 3cm breed, onderzijde wat blauw/groen, elliptisch, grof en ongelijk enkel of dubbel gezaagd.

Jonge twijgen zijn geheel kaal en rood/bruin.

Bloeit eind juni tot midden augustus met licht roze of witte iets roze aangelopen bloemen in brede en kale kegelvormige pluimen, meeldraden zijn iets langer dan de kroonbladen en stijlen afstaand.

Komt uit hetzelfde gebied als de vorige en beiden worden vaak beschouwd als vormen van salicifolia.

 

 

 

52. uit science.halleyhosting.com

Spiraea douglasii Hook. var. menziesii (Hook.) C. Presl (Archibald Menzies, Schotse plantenverzamelaar, 1754-1842) (Spiraea menziesii, Douglas. (Menzies’s)

Eivormige behaarde knoppen.

Lancetvormige bladeren van 6-10cm lang en 1.5-3cm breed die naar beide zijden smal toelopen, frisgroen en van onderen licht groen en blijvend behaard.

Een opgaand groeiende struik die qua groeiwijze op douglasii lijkt met bruine en fijn gestreepte kantige twijgen.

Bloeit in juli/augustus met licht tot donker roze bloemen in smalle kegelvormige 20cm lange behaarde pluimen, bloemen 4-6mm in diameter met twee maal zo lange meeldraden als kroonbladen, stijlen afstaand.

Uit N. Amerika, Alaska en Oregon komt tot 1.5m hoog.

 

 

53. uit www.florum.fr

Spiraea x billiardii Herincq.( J. J. Houtou de la Billardiere, 1753-1834 Franse arts en botanicus) = kruising van douglasii x salicifolia.

Elliptische bladeren van 4.5-8cm lang en 1.5-2.5cm breed, dof donkergroen, onderkant licht grijs/groen naar beide zijden puntig toelopend, de rand is fijn gezaagd.

Helder roze bloemen in tot 15cm lange en viltig behaarde pluimen.

Tot 2m hoge struik met licht bruin en zeer lang behaard blijvende twijgen.

Tot deze groep worden meer hybriden gerekend waarvan de afkomst onzeker is.

Als ‘Macrothyrsa’ die veel op douglasi lijkt met een vrij brede karmijn/rode bloeiwijze.

 

 

54. uit L.van Houtte.

Spiraea douglasii, Hook. (David Douglas, 1798-1834,  Schotse plantenverzamelaar) Knoppen zijn klein en eivormig.

Breed lancetvormige bladeren van 5-8cm lang en 17-24cm breed, soms langer, dofgroen en onderkant grijs viltig behaard.

Een van de mooiste uit deze groep die eerst een opgaande struik vormt met later iets overhangende licht bruin en fijn gestreepte twijgen, vormt dichte bosjes.

Bloeit eind juni/juli zeer rijk met purper/roze bloemen die dicht bijeen staan in een eindstandige en iets bebladerde tuilen van 20cm lang, roodachtige in lange smalle borstels, als de lampenpoetsers waarmee de pijpglazen van de oude petroleumlampen van roet werden ontdaan kroonbladen zijn bijna rond, meeldraden talrijk en steken voor de kroonbladen uit, kelkslippen zijn bij het uitbloeien teruggeslagen.

Geeft in de winter charme door de roodachtige stengels en bruine vruchtpluizen.

Maakt ook veel worteluitlopers.

Uit N. Amerika en Brits Columbia, Oregon en Californië komt tot 2-2.5m hoog.

Hardhack.

 

 

 

 

 

 

 

 

55 Uit Mary Vaux Walcott.

Spiraea tomentosa, L. (viltig behaard)

Rond/eivormig en viltig behaarde knoppen.

Bladeren zijn lang eivormig en 3-7cm lang en 18-35mm breed, ongelijk dubbel gezaagd en van boven ruw aanvoelend, donkergroen, en aan de onderkant geel/bruin viltig behaard.

Een laag blijvend struikje met straf opgaande groeiwijze, dunne bruin viltig en behaarde twijgen

Bloeit van juli tot september met roze/rode bloemen in smalle en bruin viltig behaarde eindstandige pluimen van 20cm lang. Bloemen 4-6mm in diameter met teruggeslagen kelkslippen, lang eivormige kroonbladen en slippen twee maal zo lange meeldraden, stijlen iets afstaand.

Houdt van een vochtige plaats en liefst in half schaduw.

Uit N. Amerika van de oostkust tot Kansas en wordt 1-1.25cm hoog. Is beschreven in 1736. Lijkt veel op S. douglassii.

 

Vermeerderen.

Deze planten zijn via winterstek te vermeerderen. De zacht groeiende vormen worden ook wel door zomerstek vermeerderd. Dat in juni met 1% ibz.

Knip eind februari stengels van snoeischaarlengte, +20cm, onder en boven een knoop. Dan verwond je het onderste oog, niet erger dan dat je het met je duimnagel zou doen, en stek ze ter plaatse 3 bij elkaar en zo diep dat er nog maar een paar cm. van de top te zien is. De bovenste top hoeft alleen maar uit te lopen, de rest verdroogt dan niet en kan overal wortelen. Plaats er een merkteken bij zodat je in mei, dan beginnen ze te groeien, weet waar ze staan.

Ook kan je ze in een diepe pot steken en gewoon buiten neerzetten. Wat plastic eroverheen stimuleert een betere opkomst. Denk dan wel om het verbranden van het stek door de zon. Er moeten altijd waterdruppeltjes op het plastic zitten. Dan worden de zonnestralen tegen gehouden en weet je dat de luchtvochtigheid hoog genoeg is. Met warm weer luchten, halfweg mei kan je het plastic er af halen. Bij sommige planten is het gewenst dat ze een struikvorm hebben of meer vertakt moeten zijn. Top de eerste scheuten dan in mei op een 5-10cm boven de grond. Geef dan ook (kunst)mest.

Zaaien bij 20 graden.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/