
Shakespeare: Tempest
3,3,40:
‘Hadden wij’.
Als knapen ooit
geloofd aan bergbewoners’.
Met kossems als
een stier, die aan hun hals’.
Een vleeszak
hadden hangen?
Of aan mensen’’ .
Wie ’t hoofd in
de borst zat?’
Het bestiarium is
gemaakt naar legende, folklore en overleveringen uit de oudheid. Als richtsnoer
wordt Shakespeare en van Maerlant aangehouden. De dieren die bij hem voorkomen
en waar men in zijn tijd aan geloofde worden besproken. De vorm wordt besproken
en de rest, de moderne ontwikkeling, wordt meestal buiten beschouwing gelaten.
Daar zijn boeken genoeg van.
(773) Al vanouds worden dieren op wanden afgebeeld.
Tekeningen uit het stenen tijdperk laten op schitterende wijze zien hoe en op
welke dieren gejaagd werd. Ook hoe en waartegen de mens zich beschermd heeft.
Meestal werden dieren afgebeeld, planten zijn zeldzaam. Ook bij latere
afbeeldingen van Egyptenaren, Grieken en Assyriërs worden de dieren vaak
afgebeeld terwijl de planten nog steeds ver in de minderheid zijn. Het is
daarom wel merkwaardig dat in latere tijd de kruidboeken zo bekend werden
terwijl er maar weinig dierenboeken te vinden zijn. Dat komt vooral omdat de
kruiden een grote betekenis hebben gekregen voor de geneeskunde.
De oermens was voor
zijn voedselvoorziening afhankelijk van vogels, beesten en vissen. Hij heeft de
meer gemakkelijke dieren moeten temmen en laten wennen aan zijn huis om zo van
een zekere voedselstroom verzekerd te zijn. Zo moeten de eerste nederzettingen
een zekere kennis gehad hebben van het dierenleven in hun omgeving. De meest
reislustige geesten brachten nieuws van ver en van minder bekende schepsels.
Toen de kennis groter en de wereld wijder werd kwam er een soort van folklore
die een gedeelte bevatte van goed bekende en een gedeelte van onbekende en
vage, zeldzame flora en fauna.
Toen de geschriften kwamen werden veel van
die verhalen verzameld vanwege hun interesse, gebruik en mogelijkheden. Daarna
kwam de zucht naar informatie uit persoonlijke observatie en verhalen van
reizigers en tenslotte van geschreven vermeldingen. Zo verscheen eerst de
persoonlijke mening, voor zo ver als we weten, bij de Griek Herodotus. Hij was
geen botanist of natuurbeschouwer. Zijn informatie kwam gedeeltelijk van de
priestertradities van oud Egypte en van de traditie van de bevolking van
zuidwest Azië. Hij vermeldde soms vreemde zaken, maar hij scheef alleen neer
wat hem verteld werd. Bij zijn vermelding van de Phoenix voegt hij er bij dat
de mensen in Heliopolis dit aan hem verteld hadden, wat hem ongeloofwaardig
leek.
Getrainde experts
waren zeldzaam, persoonlijke observaties zijn moeilijk, waar kijk je naar, wat
is je kennis, achtergrond en wat is het doel van je observatie? Nog lang hadden
autoriteiten een verschillende mening over soms al bekende dieren. Zo was er
iemand die in de 16de eeuw nog het nieuws bracht dat hij de
paradijsvogel vliegend gezien had (vogels waarvan de inlanders de poten
verwijderd hadden) en geen poten hadden. Ze konden dus niet zitten of lopen om
te eten en werden dus gevoed door de hemelse dauw.
Verhalen van
reizigers waren profetisch, ze letten ook niet goed op, voor hen waren bepaalde
delen oninteressant. Verhalen of stukken ervan werden aangedikt of vervormd en
konden zo zelfs mythologisch worden. Ook astronomische beelden vervormden zich
bij de Egyptenaren, in India of bij de noordelijke volkeren.
Dierlijke symbolen
verschenen in alle godsdiensten. De origine van de Phoenix was waarschijnlijk
een Egyptische mythe die verbonden werd met de altaargodsdienst van Heliopolis.
Draken verschenen in oude culturen van China tot Scandinavië.
Uit Megenberg,
bronnen, de tweede uit vreemde mensen. Derde menselijk lichaam, vierde invloed
van planeten, 5de gewoon van dieren.
In het bestuderen
van de geschreven vermeldingen van de natuurhistorie van de eerste tijd tot in
de 16de eeuw moet vermeld worden dat vrijwel geen van de schrijvers
een uitstekende kennis had van dat onderwerp.
Aristoteles die
gestorven is in 322 v. Chr., en de leermeester van Alexander de Grote was is
wel de eerste grote dierkundige geweest. Hij had geen bepaald systeem, wel kan
men afleiden dat hij een volgorde in acht nam die in hoofdtrekken overeen komt
met het thans gevolgde systeem. Hij begreep dat de bouw van het dier en de ligging
van de organen van het grootste belang waren. Ook dat de gewoontes van de
dieren van belang waren. Die gewoontes moet hij verkregen hebben door eigen
waarnemingen. Hij zegt dat de dieren die twee of vier voeten hebben veel bloed
bezitten, maar die meer dan vier voeten bezitten geen bloed hebben. Daarmee is
het bloed bedoeld dat in de aderen loopt. De insecten als bijvoorbeeld de luis
hebben zulk bloed niet en hebben geen aderen, zegt Plinius.
Theophrastus, zijn
opvolger, lijkt ook wel wat van dezelfde geestelijke bezieling gehad te hebben.
Van die tijd af tot de 16de eeuw namen schrijvers over
natuurhistorie stukken over van eerder gepubliceerde werken of van populair
geloof. Nicander, 160 v. Chr. schreef een boek over remedies tegen dierlijke
giften. Strabo, 20 v. Chr. schreef een boek over jacht.
Ook de werken van
Plinius zijn vol verhalen over dieren. Plinius verdeelt de dieren in
- Dieren die in de
lucht leven, dus vliegend. (volatilia)
- Dieren die op het
land leven, dus lopend of kruipend. (terrestria)
- Dieren in het
water levend. (aquatilia)
Binnen elke groep
zette hij de grootste voorop, dus de olifant, struis en walvis.
Plinius was meer een
verzamelaar van eerder geschreven werken die zonder veel kritiek ook de zonderlingste
zaken over nam. Zijn 37 boeken kregen pas waarde toen de werken waar hij uit
geput had verloren waren gegaan. Iedereen consulteerde zijn werk tot in de 16de
eeuw, zelfs Milton nog in de 17de eeuw. Anderen vatten de
aanzwellende stroom van dierenverhalen samen.
Dieren werden pas
later als voedsel gebruikt, Gen 9:3: ‘Al wat hem roert ende leeft, dat zij
uwe spijse’. Voor de zondvloed aten
ze alleen kruiden want God’s woorden wijzen er op dat de mens geen dieren tot
zich moest nemen, Gen 1:29: ‘Siet daer, ick hebbe U lieden gegeven allerly
kruyt. Dat hem besadet op de gantschen aerden, ende allerley vruchtbare boomen
ende boomen die hen besaden tot uwer, ende aller gedierten spijse’.
Ook Porphyrius was
volgens van Beverwijck sterk gekant tegen het vlees eten. De invoering hiervan
komt in het volgende verhaal.
In Phoenicië en
Cypres werden nooit levende wezens aan de Goden geofferd. Langzamerhand werd er
echter wat vee geofferd maar dit moest dan geheel door het vuur verteerd
worden. In de tijd van Pygmalion viel een stuk van een offerande op de grond.
Een priester die het stuk weer op het altaar wilde leggen brandde zijn vingers
en stak deze in de mond om de pijn te verzachten en ervoer hoe lekker gebraden
vlees smaakte. Hij liet het zijn vrouw klaar maken, waarna beiden met smaak
aten. Hoewel Pygmalion hierover danig vertoornd was dat hij beide van een rots
te pletter liet gooien en het zo ook deed met de volgende carnivoren in mensen
gedaante kon hij toch niet verhinderen dat het eten van vlees en het gebruik
van dieren, ook vissen, als geneesmiddel in zwang kwam.
De eerste dieren
moesten ‘onbevlekt’ zijn, dus geheel zwart, wit of van een andere egale kleur.
Zoals ook voor mensenoffers een maagd en een niet gecastreerde man werd
gekozen. De kleurreinheid vind je later steeds terug in de volksgeneeskunst.
Zwart was de kleur van het dodenrijk, de woonplaats van de ziekte demonen die
in de donkerste nacht het gevaarlijkst waren. Deze zwarte geesten moesten door
een zwart offer verzoend worden. De zwarte kat, raaf of iets dergelijks was dus
niet de veroorzaker, maar de veroorzaker was de boze geest. De geest of ziel
van de ziektedemon deed men over aan plant of dier om zeker te zijn dat die
niet terug kan komen. De plant of dier was nu de gastheer van die kwade geest.
Van de andere kant
kunnen slechte of goede zaken van het dier ook in de mens overgaan. Paracelsus
veronderstelt in de symphatieleer dat de Schepper alle voorwerpen in de natuur
met een ziel begiftigd heeft. De zielen of geesten van de mens kunnen in deze
natuurvoorwerpen overgaan en omgekeerd. Vandaar de zielenleer, zie de ooievaar,
muis en dergelijke.
Een geheim verband
tussen ziekte en dier wordt aangewezen door de vorm, kleur en naam van het dier
en plant. Dat is de signatuurleer waarbij signa een teken is. Het kwam er dus
op aan om gezonde dieren uit te kiezen, zelfs om te weten waar het zich mee
gevoed had en welke delen van het dier het beste voor de mens zouden zijn.
Zelfs mest en menselijke uitwerpselen werden ter genezing gebruikt. Men zag
tenslotte de heilzame uitwerking als mest bij een schrale plant kwam die werd
weer groen en groeide en bloeide. Zo kreeg men in het volksgebruik allerhande
vreemde gebruiken en genezingspraktijken. De aarde levert ons tenslotte alles
wat we nodig hebben. Adam hoefde dan ook geen schip te timmeren om planten en
dieren elders te zoeken. God heeft tenslotte ons alles gegeven, wij moeten er
alleen naar zoeken en hoeven het niet uit de vreemde te halen.
De Semitische zon-
en maangoden daarentegen vereisten vlekkeloze witte dieren die later ook bij de
Grieken als symbool van reinheid golden.
De Hebreeuwse bijbel
bevat vele verwijzingen naar dieren. Toen dit geleidelijk aan vertaald werd in
het Grieks voor de Joden die in Alexandrië en andere delen van de Griekse
wereld leefden bracht de Septuagintversie die literatuur ook onder de aandacht
van andere lezers. Er waren dwalingen in vertalingen wat gekomen is door de
onbekendheid van de taal, het land, of door onbekende woorden. Zo vinden we
Griekse equivalenten die aan dieren gegeven werden door vertalers die onbekend
waren met het oorspronkelijke, vreemde dier. Zo is het Hebreeuws woord ‘reem’
(in Engelse Revised version vertaald als ‘wild ox’) vertaald als unicorn in
verscheidene passages, maar in Deut. 33:17 leert de context dat het dier twee
horens heeft. Zo is ook het Hebreeuwse woord ‘layish’ in Job 4: 11, een vreemd
woord voor de leeuw, (Leon) Voor de
vertalers moest dit wel tot een bijzonder woord vertaald worden. Er werd gezegd
dat aan de Arabische kust een leeuwachtig dier zou leven die myrmex genoemd
werd (zie Strabo en anderen) Het bijzondere dier werd zo vervormd tot een
myrmekoleon, een mierenleeuw. Je zou denken dat ze het woord uitgevonden
hadden, maar dit is niet correct. Het woord was al gebruikt door Agatharchides,
117 v. Chr. terwijl het boek van Job pas de volgende eeuwen in Grieks vertaald
zou zijn.
Zo kwam in die
originele literatuur fouten of vermeldingen voor die een vreemd idee over dieren
gaven. In de tweede helft van de tweede eeuw na Chr. begonnen sommige
Christelijke sprekers en schrijvers allegorische methoden te gebruiken om de H.
Schrift uit te beelden en de kerk te ondersteunen. Hiervoor waren de legenden
van bijzondere dieren zeer geschikt. Die vertalers waren niet bezorgd over de
getrouwheid of valsheid van de legende, alleen voor hun geschiktheid om
geestelijke en religieuze ideeën uit te dragen. Ze behoren zo eigenlijk meer
tot de folklore dan tot de wetenschap. Zo kwamen er geleidelijk aan een
vijftigtal Christelijke allegorieën. Deze verzameling werd bekend als de
Physiologus. Die verscheen vermoedelijk te Alexandrië in 237 n. Chr. . Dit
omdat vrijwel alle dieren die genoemd werden in Egypte of met de Egyptische
geest bekend waren. Dit boek werd in alle mogelijk talen vertaald.
Verschillende werken waren mooi geïllustreerd. Versies ervan bleven bewaard in
vele landen, het idee van de Physiologus paste in de intellectuele en populaire
tradities van alle naties. Ze paste niet alleen in de literatuur maar ook in
middeleeuwse bouwkunst en heraldiek. Het werd de grondslag voor de later zo
geliefde dierenboeken, met toevoegingen of weglatingen, die nu bekend is als de
Bestiarium. De latere schrijvers trokken hun informaties niet alleen van de
bijbel en populaire legenden maar ook uit klassieke bronnen. Een Engelse
bestiarium dat in de eerste helft van de 13de eeuw verscheen
beschreef onder andere de leeuw, adelaar, hert, wolf, spin, walvis, sirene,
olifant, duif, panter en zwaluw. Bij elk dier werd er een Christelijke of
esthetisch moraal neergezet.
In de derde en
vierde eeuw waren de belangrijkste schrijvers de Christelijke vaders. De
volgende eeuwen kregen we de encyclopedieën schrijvende schrijvers die alles
wilden bewaren tijdens de afbraak van het Romeinse rijk. Isidorus kende wel
Grieks maar de meeste oude middeleeuwse meesters niet, wel beheersten ze
Latijn. De Griekse werken werden vervolgens vaak in het Syrisch vertaald en
vandaar kwam het in het Arabisch en dan in het Hebreeuws en hieruit werd het
weer vertaald in het Arabisch of Latijn. Zo kregen we in de middeleeuwen via de
Arabieren de oude werken te lezen. Zo hebben de Arabieren invloed gehad op de
middeleeuwse gedachtewereld.
Aristoteles zegt dat
elk dier zijn oor kan bewegen, alleen de mens kan dit niet. Dan zal de mens
het Goddelijke gebod, wat het oor hoort, onveranderlijk in zijn ziel en in zijn
hart hebben.
Elk dier kan zijn
onderkaak bewegen, met uitzondering van de krokodil, dat is een rivierdier en
de Cencili, die bewegen hun bovenkaak.
De tong die niet
breed en niet smal is die is lieflijk, die kan de mens strevend dragen.
Daaronder is te verstaan dat de mens spaarzaam zal zijn met woorden want veel
praten is vaak niet zonder schade. Hij zal ook niet geheel zwijgen als een
stomme of een hond die niet blaffen kan.
De ogen der
mensen staan in verhouding tot de grootte der mensen dichter bij elkaar dan de
ogen van andere dieren. Evenzo zullen in ons het verstand het verlangen naar
God en onszelf dicht bij elkaar staan.
Aristoteles zegt dat
elk dier met een ruige staart een kleine kop en grote mond heeft. Zo zijn
ook de staarten van de vorsten lang want vele dienaren volgen hen en is het
hoofd (dat is het verstand) klein, maar hun mond (dat is de vreetlust) groot.
Zo’n dier dat twee
horens heeft die heeft geen boventanden en die heeft twee magen. Een van voren
waarin het voedsel het eerst binnenkomt totdat het dit weer kauwt. De ander
ligt meer naar achter waarin het voedsel dan komt. Maar een dier dat geen
horens heeft die heeft maar een maag, zoals de mens en de leeuw.
Uit de overvloed van
vochtigheid en dampen in het lijf van een dier groeit het haar. Van de overvloed
aan vochtigheid in het eten komt de overvloed aan vochtigheid in het lijf.
En zulk dier dat
veel vet heeft die heeft weinig voort telingskracht. Gelijk zo zijn de
mensen die vet zijn, die doen weinig goeds. Dat komt omdat ze hun zinnen op zo
grote rijkdom gezet hebben dat ze God noch zichzelf erkennen.
Aristoteles zegt dat
een dier die veel haren heeft en ook vogels die veel veren hebben die hebben
een sterke geslachtsdrift en veel zaden zodat die zaaien kunnen. Hoe meer het
vet in een dier toeneemt des te sterker neemt het bloed in een dier af. De mens
die veel bloed heeft veroudert snel net
zoals het graan doet dat teveel vochtigheid heeft. Elk dier dat sterk behaard
is heeft dikvloeiende zaden. Net zo kan iemand die steeds in wellust van het
vlees leeft geen bijzondere werken doen. De man die vele haren op baard en
borst heeft die teelt gemakkelijk kinderen, vooral als het haar zwart is. Geen
dier zaait zijn zaden in de slaap of in wakkere toestand in de schoot van zijn
vrouwtje, met uitzondering van de mens. Daaronder verstaat men de
verdorvenheid van de mensen. Alle groei van dieren komt van die waartoe hun
natuurlijke begeerte drijft. Net zo neemt onze menselijke zaligheid het
meest door God toe waarnaar ons gevoel het allermeest verlangt.
Een dier die een
groot lichaam heeft baart niet veel, hun voedsel lost zich zeer sterk in hen op
en gaat in het lid en daarom hebben ze weinig over en weinig zaden. Zo zijn
ook de mensen op de aarde die grote woorden hebben die in prediken en in andere
goede werken weinig vruchten voortbrengen. Dat komt omdat het gevoel van de
mensen of zulke grote dingen gericht is, des te kleiner hij in verhouding tot
deze dingen is.
Plinius zegt dat
dieren die een lang leven hebben ook een lange tijd in de baarmoeder zijn.
Een dier dat geen
gal heeft leeft langer zoals olifant, het hert, kameel en dolfijn. Zo
verwerven de zachtmoedige mensen het land en de aarde der levenden in het
eeuwige leven.
Men vindt leb in de maag
van jongere dieren die nog zuigen en dit dan weerkauwen. Hoe ouder het leb
wordt des te beter wordt het en is goed tegen reuma, vooral het leb van hazen
en herten.
De vrouwelijke
dieren zijn zwakker dan de manlijke met uitzondering van de berin en de luipaardin.
Onder de viervoetige dieren is het vrouwtje veel leerzamer dan het mannetje.
Het vlees van alle viervoetige dieren die hun voedsel op vochtige plaatsen
zoeken is ongezond.
Een dergelijk dier
dat een brede en korte staart heeft lijdt sterker onder de winter dan die met
een lange staart.
Het rund heeft een
luidere stem dan de os en alle andere vrouwelijke dieren hebben zwakkere
stemmen dan de mannelijke. De wolf, vos en hond brengen hun jongen volledig
blind ter wereld. Aristoteles zegt dat de zieners of waarzeggers zeggen dat als
de dieren zich van elkaar scheiden dat dit oorlog betekent onder de mensen als
de dieren tezamen troepen en de een de ander volgt, dat dit vrede betekent..
Hij zegt ook dat dieren die lang op een plaats blijven graag met elkaar vechten
als ze weinig voedsel hebben zodat het mannetje met het vrouwtje en de vader
tegen de zoon vecht. Als er weer veel voedsel is komen de wilde dieren weer
terug en worden tam.
Elk zoogdier die
wenkbrauwen heeft maakt zijn ogen bij het slapen gaan dicht. Dit met
uitzondering van hazen en de leeuw. Elk dier dat tanden heeft als een zaag die
eet vlees. Daaronder verstaan we die vorsten die boze dienaars hebben, die
eten van arme mensen hun eten weg. Die dieren die veel tanden hebben die
leven meestal langer.
Chaucer.Bij Chaucer
veranderen de dingen. Chaucer had een hevige interesse in de natuur, maar geen
speciale kennis van het dierenleven. Toen hij ‘Parlement of Foules’
schreef, waarin dus een groot aantal
vogels beschreven werd, haalde hij zijn informatie van een Latijnse schrijver
uit de twaalfde eeuw, Alanus de Insulis. De gegevens zijn niet ontleend van de
Physiologus of Aristoteles, maar van Virgilius en Ovidius, van de Romeinse
klassieke poëten en vooral van Plinius de oudere.
Bij hem vinden we
een aparte beschrijving van dierfolklore. Het poëem viert de hofmakerij van
Anne van Bohemen (de vrouwelijke adelaar) door Richard II (de koninklijke
adelaar) wiens rivalen twee koninklijke prinsen (mannelijke adelaars van een
lager soort) waren. De vogels zijn omgeven door natuur in de tuin van Liefde en
debatteren over de rechten van elk van hen. Elke groep vogels kiest een
voorzegger, elk verhaal wordt geleverd door de drie mannelijke adelaars en
daarna door de gans, tortelduif en koekoek met commentaar van anderen. De
vrouwelijke adelaar vraagt om twaalf maanden uitstel, de natuur gaat akkoord.
Chaucer’s Nun’s Priest’s Tale is een fabel die afkomstig is van Marie de France
in de dertiende eeuw. Het bleef lang onopgemerkt totdat de Fransman La Fontaine
dit vernieuwde.
De eerste
dierkundige in onze gebieden was een vrouw, de abdis Hildegard van Bingen,
1098-1179. Ze zou visioenen gehad hebben die ze meestal aan een schrijver
dicteerde. Haar indeling komt in hoofdtrekken overeen met Plinius, ook wat ze
meedeelt. Toch heeft ze ook eigen opmerkingen en dat in een tijd dat men alleen
maar de ouden citeerde.
Ook keizer
Frederik II van Hohenstaufen schreef een boek over de kunst om met vogels
(valken) te jagen, “arte venandi cum avibus”.
In de 12de
eeuw schreef een Engelsman Alexander Neckam zijn “Naturis Rerum” of “de natuur
van de wereld”. Dit was bekend bij Chaucer.
Thomas van Cantimpre
(Thomas Cantimpratensis is zo genoemd naar de in de buurt van Chambray gelegen
abdij Cantimpre) was een Dominicaan. Hij
moet tussen 1186 en 1210 in Brabant geboren zijn. Zijn hoofdwerk ‘De Nature
rerum” over de ‘natuur der dingen’ was een goed opgezette encyclopedie van
alles wat in zijn tijd wetenswaardig geacht werd. Het werd de grondslag voor
van Maerlant’s “der Nature Bloeme’ en van Megenberg’s “Buch der Natur”. De
eerstgenoemde was een boek in onze taal, de ander in Duits. Van Maerlant
schreef in gedichten waarin hij de hele natuurlijke historie behandelde, met
toegevoegde zedenlessen die voor hem wel het voornaamste doel waren.
Albertus Magnus,
1186-1280, was een van de geleerdste mannen van zijn tijd, doctor universalis,
maar hij kende geen Grieks of Arabisch. Hij probeerde de leer van Aristoteles
in overeenstemming te brengen met de leer van de kerk. Zijn commentaren geven
blijk van grote kennis en waardering van natuurkundige feiten. In zijn
“Animalibus’ bespreekt hij 113 viervoeters, 114 vogels, 138 waterdieren, 61
slangen en 49 ‘wormen”.
Albertus Magnus
begint met de mens en gaat via de terrestria ‘dieren die aan de grond gebonden
zijn’ en de volatilia, ‘vliegende’, naar de aquatilia, ‘die in het water
leven’. De slangen komen daar achter en dan komen de planten. Na de organische
komt de anorganische natuur. Iedere afdeling is alfabetisch en met vooraf een
algemene inleiding. Hij bespreekt mensen in warme streken. Er zouden er zijn
zonder hoofd waarbij de ogen in de schouders zitten en in de borst zitten twee
gaten voor de neus en mond. Hij besluit: “Eyselijc sijn si als een hont”. Mogelijk
had hij dat van Plinius, die beschreef al vreemde mensenrassen in Afrika.
Plinius verhaalt dat er een reuzenras was die Syrbotas genoemd werd en een
klein ras de Pygmae, verder dat de Machlyes van beide sekse zijn en dat de
Maritimi vier ogen hadden, op vier voeten wandelden de Limantopodes, ook was er
een ras die geen mond had maar zich voedde via strootjes. Het ras Blemnyae had
geen hoofden maar gezichten op hun borst. Daar lijken ze geen hinder van te
hebben, het enigste probleem was dat ze hun hele lichaam moesten omdraaien als
ze iets achter zich wilden zien. Zie de afdruk bovenaan. Dit beschrijft
Shakespeare in het verhaal van de Moor Othello, 1, 2:
‘Van kannibalen die elkaar verslinden’.
De anthropophagen, en van mensen, wier’.
Hoofd in hun borst zit.’
Roger Bacon,
1214-1292, doctor mirabilis, schreef dat de natuurwetenschap een
proefondervindelijke wetenschap is, iets dat je niet in de middeleeuwen
verwacht. Dit bleef evenwel zonder enig effect. In de 13de eeuw kwam
een andere Engelsman, Bartholomew Glanvil (Bartholomaeus Anglicus) die de
“Proprietatibus Rerum”(“proporties van dingen”) schreef. Hij verzamelde kennis
van die tijd voor prekende broeders en anderen die Latijn konden lezen.
Voor Franciscus van
Assisi, 1182-1226, was de natuur geen bezoeking van de duivel. Hij noemt alle
schepsels broers en zussen. Het feit dat hij de vloek, die voor anderen op de
natuur rustte, weg bande zal gevolgen hebben gehad. Liefde voor de natuur baant
dikwijls de weg voor studie ervan.
(773) Konrad von Megenberg, 1309-1374, maakte ook
een ‘Buch der Natur’, een boek in acht delen. Dit berustte ook gedeeltelijk op
voorgaande schrijvers. Ook voegde hij eigen waarnemingen toe. Hij bespreekt
bijvoorbeeld Plinius en voegt er aan toe: ‘Dat geloof ik niet, of heb ik niet
gezien’. Hij noemt ook volksgebruiken en bespreekt de symbolische dieren in
moraaltheologische zin. Hij zegt dan ook dat men door het bekijken van dieren,
hun vorm en eigenschappen tot God kan komen. Zo bespreekt hij de vleesetende
dieren als de wereldlijke vorsten die slechte dienaren hebben en de arme mensen
hun geld weg nemen. Veel meer en scherper gaat het met de kerkvorsten en de
daarbij horende geestelijkheid, ze dienen tot hoogmoed, vervalsing van hun
ambtsplicht, gewelddadigheid, dieverij en nog ergere zaken. De roofzuchtige
valken betekenen in dit geval de prelaten, bisschoppen, dekens en alle
geestelijke en wereldlijke rechters die van een schuldige geld aannemen en dan
lopen laten. De kapoen symboliseert de teugelloze en in zonden levende geestelijkheid,
terwijl de ezel die van voren zwak maar van achteren sterk is vooral de zeer
onkuis levende rest van de geestelijke stand betekent. Bij deze zaken en
vermanende uitvoering over die zondige verhoudingen en vooral van kerkvorsten
bracht hij de in die tijd wijd verspreide en algemeen beklaagde misstanden van
het wereldlijk en geestelijk verval tot uitdrukking.
Marco Polo ging 24
jaar op reis naar het Oosten waarvan zeventien jaar in dienst van de Grote
Khan. Hij kwam met vele verhalen terug. Ook anderen gingen.
De schrijver die
vermeld wordt onder de naam Sir John Mandeville kwam met “Travels”. Hij zou die
verhalen gestolen hebben van anderen en van Marco Polo. Zijn verhalen werden in
de 15de eeuw in Engeland populair.
Leonardo da Vinci, 1452-1519, begon de dieren weer te ontleden. Maar zijn
aantekeningen bleven eeuwenlang in de archieven sluimeren. Zo liep ook deze
poging dood.
Na de uitvinding van
de boekdrukkunst, 1420, kwamen ook
dierenboeken. Ze dragen vaak de naam “Hortus Sanitatis” en in Duits is dat
“Gart der Gesuntheit”. Die boeken werden door houtsneden aantrekkelijk gemaakt.
Omdat de tekenaars de dieren niet kenden hielden ze zich aan de tekst die vaak
aan Plinius ontleend was. Plinius vertelt bijvoorbeeld dat de struisvogel een
verbazend sterke maag heeft. De kunstenaars illustreren dat door het dier
hoefijzers te laten eten. Nu kwam in de tekst ook een Camelo struthio voor. De
tekenaar begreep dat dit dier iets te maken had met een kameel die als lastdier
werd gebruikt en met de struisvogel, die hij natuurlijk met vleugels dacht. Hij
maakte daarom een soort kruising van die dieren en liet de last tussen de
vleugels dragen.
‘Voorbeeld bestiarium’.
Voorbeeld van een
bestiarium, naar Bartholomew, A. Magnus e.a.
Alles dat is samengesteld
uit vlees en een levensgeest bezit en zo lichaam en ziel heeft wordt een dier
genoemd of het nu luchtig is als een vogel die vliegt of waterig als een vis
die zwemt. Of aardse beesten die op de grond en velden gaan als mensen en
beesten, wild en tam, of anderen die kruipen en op de grond glijden. Sommige
beesten hebben bloed en sommigen hebben niets zoals bijen en alle andere
beesten met gerimpelde lichamen. Maar zulke beesten hebben andere humeuren in
plaats van bloed.
Er wordt gezegd dat
er in Indië een beest wonderlijk geschapen is, het is als een beer in lichaam
en haar en met een gezicht als een mens. En het heeft een opgericht rood hoofd
en een zeer grote mond, een verschrikkelijke en in elke kaak zijn drie rijen
tanden. De buitenste lenden zijn alsof het de lenden zijn van een leeuw en zijn
staart is als een wilde schorpioen met een stekel en hij smijt met harde
borstelprikkels als een wild zwijn. En hij heeft een verschrikkelijk geluid als
het geluid van een trompet. En hij rent zeer snel en eet mensen. En onder alle
beesten van de aarde wordt er geen gevonden die meer wreed en bijzonderder
geschapen is.
De dolfijn en andere
soorten van vissen vallen plotseling naar de bodem alsof ze epilepsie hebben
als ze plotseling donder of grote bewegingen en lawaai horen. Dan kunnen ze
opgepakt worden alsof ze dronken zijn. En vis vliedt weg en vermijdt de plaats
van wassen en de slachtpartij van andere vissen en het bloed van andere vis.
Een vis vliegt weg en vermijdt ook harige en smerige netten en komen gaarne in
nieuwe.
Vis groeit in een
maand vet en spoedig daarna worden ze weer mager. En sommigen groeien vet met
noordenwind zoals vissen met lange lichamen en sommigen met zuidenwind zoals
vissen met brede lichamen en sommige in regentijd. Regenwater is goed voor alle
schelpvissen, behalve de vis die Roitera heet (of Koytea, een onbekend soort
vis) dat dezelfde dag sterft als die regenwater proeft. En teveel regenwater
beschadigt sommige vis want het verblindt ze.
De vrouwelijke beer
brengt een klomp vlees voor die niet verdeeld is in vorm en leden. Ze houdt die
klomp warm onder haar armoksels zoals de kip op zijn eieren zit. En de
vrouwelijke beer likt die klomp vlees en vormt het en vormt het totdat het een
perfect figuur krijgt en in vorm op een beer lijkt. Ook de panter en de leeuwin
brengen welpen voort die niet compleet of perfect gevormd zijn. Bij alle
beesten, die jongen voortbrengen die niet compleet of perfect zijn, is de
oorzaak vraatzucht want als een kind bij haar is en compleet en perfect is dan
zullen ze hun moeder slaan met zuigen en bijten door buitensporige en grote
honger.
Sommige beesten zijn
bestemd voor de mensen blijdschap zoals apen, marmotten en papagaaien. Sommige
zijn gemaakt voor inspanning van de mens want de mens moet zijn eigen zwakheden
kennen en de macht van God. Daarom zijn vliegen en luizen gemaakt, leeuwen en
tijgers en beren zodat de mens het eerst zijn eigen zwakheid kent en bevreesd
is van de tweede. En sommige zijn gemaakt om te verlichten en te helpen bij
sommige bedreigingen van het mensdom zoals het vlees van de adder om een
triakel (tegengif) te maken.
Wolven vliegen van
hem weg die gezalfd is met leeuwensmeer. Als de staart van een oude wolf aan de
koeienstal gehangen is dan komen daar ’s nachts geen wolven. Berenogen, uit hun
hoofd genomen, en onder de rechterarm van een man gebonden verwijdert de vierde
daagse (malaria) koorts. Zo ook de lange tand van een wolf, die geneest
maanzieke mensen.
Als je het huis
berookt met de longen van een ezel zuiver je het huis van serpenten en andere
kruipende wormen.
Vreemde tijden met
boze machten. In Ef. 6:12 staat: ‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees
en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers
dezer wereld, de duisternis dezer eeuw, tegen geestelijke boosheid in de
lucht.’ Zo geloofde Luther ook nog aan bovenaardse krachten en wezens. Hij
vertaalde het aldus: ‘daarboven in de lucht zweven zij, ze vliegen en
fladderen overal om ons heen als hommels in enorme zwermen. Men vindt ze ook in
het bos en aan het water, men ziet ze huppelen en springen als bokken, ze
zweven in de gestalte van dwaallichtjes over moerassen en poelen en maken dat
de mensen verdrinken of hun nek breken. Ze verblijven ook graag op eenzame
plaatsen en in de donkere hoeken, bijvoorbeeld in verlaten huizen. Zo bevolken
zij de lucht en alles wat rondom en boven ons is zover de ruimte zich
uitstrekt. Zij doen niets dan er op loeren hoe zij ons schade berokkenen
kunnen’.
Maerlant, ‘Dieren,
Proloog; Gewoonlijk
zal ik van tevoren de gewone natuur laten horen die de beesten in het algemeen
hebben en daarna van elk afzonderlijk. Aristoteles die zegt het dat wat voeten
te hebben pleegt of twee of vier of geen een, die dieren hebben in het algemeen
aderen en daarin bloed. Dieren die er meer dan vier hebben, zegt zijn geest,
die hebben geen bloed. En merk op dat men verstaan moet dat hij ‘bloed in
aderen zegt’, want de worm pleegt bloed te hebben maar dat die geen aderen
heeft. De vissen hebben allen been in de ogen en een sterk vel omdat ze het
water wel zullen weren en gedogen en dit mag men wel met redenen staven. Bij
het water bent u bekend, deze waarlijke kwelling, bij de vissen zal je het
bekennen, maar lieden die de wereld beminnen, merk nu van wereldlijke lieden
als ze iets van God horen bedienen dan hebben zo’n hard verstand, nee, geen
geestelijke lessen, ze kunnen het wel begrijpen, maar zo hard hebben ze de ogen
en het vel.
Dieren die in het algemeen
oren hebben roeren ze, dat kan de mens
alleen en dat betekent dat hij onthoudt en leert van al wat hij hoort van Onze
Heer. En sommige creaturen horen met gaten
al zonder oren zoals in het algemeen alle vogels. Alle dieren groot en klein
bewegen de onderste kaken, maar twee dieren gaan in tegen deze zaken, dat is de
krokodil en daarna een dier dat Gentilia heet die de bovenste kaken bewegen en
dat is een vreemde manier beroeren. Ambrosius spreekt dat God van sommige
dieren die leven de hals lang heeft gemaakt, dat is bij die waar hun eten op de
aarde is zoals de kameel en het paard, maar de wolf en luipaard heeft hij de
hals kort gegeven omdat ze van prooi leven. De lange hals bedoelt de lange
hoop, elk mens merkt op wie ik bedoel, diegene die van prooien leven hoe kan
hun hoop zijn verheven, enigszins zijn ze te Gode waart die de armen niet
sparen en zich bezig houdt met zijn grillen, hoe denkt hij tenslotte wel bij
Onze Heer genade te vinden die immer de armen zal beroven?
Andere en meestal allerhande
dieren die doen het op geiten manieren en dat is, ze vermalen hun spijs en hebben
een hals van lange wijze. Dat bedoelt het Heilig woord, die men leest of hoort,
verandert veel zonder ontlopen die langer behoort te hopen.
Men vindt onder alle dieren tanden van drie soorten, soms effen, soms als zagen en soms tanden die uitsteken. Effen tanden heeft de man en dat wat horens draagt. Het is een gehoornd serpent en is zo met prooien bekend en die is getand gelijk een zaag. Zulke, meen ik, als honden, de ever en de olifant die dragen een uitstekende tand.
Al dat bloed heeft in het hoofd
dat heeft hersenen wat men gelooft, uitgezonderd wormen, zeg ik u. En de dieren
die een ruwe staart hebben, hebben in het algemeen grote kinnebakken en het
hersenbekken is klein. O wi! och arme! hoe waar is het op heden in de heren van
de mogendheden, hun staarten en hun afgunst die verteren wat de arme lieden in
hun nood zouden moeten hebben. Zij hebben de kinnebakken groot en ze verteren
hun goed in overdaad tot hun schade en dus wordt hun het hoofd te klein want ze
worden zo verdoofd dat ze alles laten varen wat hiervan komen zal.
Haar en wol van alle dieren wordt veranderd naar lands manieren. In hete landen krullig en zwart en in het voelen een deel hard. In koude landen slecht en wit, aldus mag men dit opmerken. Viervoetige gehoornde dieren, dat is hun manier, hebben soms geen tanden boven zoals Aristoteles ze kende. Alle creaturen van ruw haar nuttigen veel, zeg ik u. In de maag van zuigende dieren vindt men leb van goede soorten en hoe ouder, hoe beter, het is de sleutel van het menisoen. Het hertenleb en van de haas mede is van de grootste kracht, maar de dieren die hun spijs niet vermalen en die ze inhalen hebben geen leb, groot of klein, alleen de haas uitgezonderd. Alles dat oogleden heeft dat sluit er zijn ogen mede als het slaapt, uitgezonderd de luipaard en de haas, de angstige cuwaard. Alles wat voeten heeft, zonder zwemvlies, kan wel zwemmen een tijdje, de mens het minst van hen allen. Men zegt dat het hem bevalt dat hij boven hen allen en naar zijn grootte de allerminste gal heeft. Want de gal is heet en droog en heft het opwaarts in de hoogte, maar de zwembalg die de wind vast houdt laat vissen zwemmen met geweld.
Men vraagt dus in menige landen waarom de ever zijn tanden heeft, de luipaard en de beer klauwen en de stier horens om te verweren, de ree en de haas hun snelheid en de mens van de grootste waardigheden dat de natuur die niet zo goed bewapend heeft of maakt hun vlucht hen zo snel? Dus mag men hiernaar antwoorden, de mens, die reden heeft van geest heeft twee soorten werken aan zich, dat is raad en daad nochtans. Zo heeft hij met zijn geest te alle tijden in oorlogen gevonden dat hij zich daartoe wapenen kan en met vrede laat hij ze dan. Was hij dan daarmee geboren, dan zou hij altijd zonder vrede schijnen. Was hij ook zo snel als de ree, hij wachtte nimmermeer en zou daarmee zijn edele rust verliezen. Nu als het de tijd en de plaats is raadt hem die handigheid, hetzij het op een wagen of op een paard, snel te gaan in zijn vaart en in schepen met korte stonden glijden over de watergronden. Dus mag men dan hem beantwoorden die hem vraagt waarom de man mede traag en ongewapend is geboren in menselijkheden.
Getande dieren, zaagsgewijze,
hebben vlees gekozen tot spijs en ze slurpen met de tong in
het water, dat leert hun geest. Maar dieren met effen tanden zuigen gelijk in het water. Die vele tanden en vet heeft, men zegt dat het lang leeft, is het dier of man, dit verstaat.
Dat veel over de meren gaat en
welk dier geen longen heeft is zonder geluid zolang als het leeft. Niets dat
niet leeft werpt zijn zaad buiten het femelen daar het wakende of slapende
toegaat, alleen de mens die reden verstaat en weet en dit is nochtans een grote
onzaligheid dat hij zo zich bezwaarlijk besmet. Allerhande creaturen nemen hun
voedsel van naturen in spijzen die hem het beste genoegen en in drank die hem
voegt.
Van naturen mogen alle lang die dieren leven die allen zonder gal zijn zoals hert en olifant, kameel en dolfijn en die, het is echt, want het is beschreven ‘die goedertieren zijn zullen erven waar niemand nimmer mag sterven’.
Dieren die groot van lichamen
zijn winnen weinig al tezamen en zo dieren kleiner zijn winnen ze meer
kinderen. O, wi! hoe waar is dit nog op heden! grote heren van mogendheden, hoe
luttel baat doen ze de lieden! ze gapen alzo om zeer te vermijden dat ze voor
hun lange vlucht niet winnen mogen een vrucht.
Vijf soorten creaturen die
overwinnen door natuur onze mensen in onze vijf zintuigen.
De lynx ziet helder, zoals ik
het ken, de gier ruikt een zaak verder, de aap heeft een scherpe smaak, de spin
gaat in het voelen voor en de ever is subtiel in het horen. Die creaturen, hoor
ik gewagen, die de moeder lang draagt, Plinius die heeft het beschreven dat ze
het langste leven. Nu hoort voorts van elk dier’.
In de zestiende eeuw
kwam de zeeweg naar de west open. Vele volkeren gingen die weg en handelden er,
Hollanders, Portugezen, Spanjaarden en Engelsen. Vele fabels verloren
geleidelijk aan hun geloof omdat de reizigers ze niet aantroffen. Moderne
zoölogie kwam op gang. Een nieuwe tijdsgeest brak aan door directe
waarnemingen. Specimens werden naar huis meegenomen en in museums of
particuliere verzamelingen geplaatst. Onderzoekers begonnen zelf te reizen om
materiaal te verzamelen.
Vesalius, geholpen
door de schilder Jan Stephaan van Calcar, begon eigenlijk pas goed met de
anatomie in 1543. Toen begon een vergelijkende ontleedkunde op gang te komen.
Eerst keek men de dieren van buiten goed aan. Zo zien we het eerste boek op dit
gebied verschijnen van Pierre Belon in 1551. Het was het eerste dierkundeboek,
in moderne zin, na Aristoteles.
Zijn werk werd
spoedig gevolgd door Rondelet 1509-1566. Hierna komt een periode waarin men
streeft om beschrijvingen en tekeningen van alle bekende dieren in een boek
(van vele delen) te maken. Ze namen figuren en beschrijvingen vaak van elkaar
over zodat de meeste boeken op elkaar lijken.
Gessner werd geboren
op 26 maart 1516 te Zürich. Gessner was iemand van geniale aanleg. Hij was
stadsgeneesheer van Zürich en gaf tal van werken uit en commentaren bij
klassieke auteurs en schreef populaire geneeskundige werken. Hij was een van de
eersten die voor zijn genoegen bergen besteeg en oog had voor het prachtige
Alpenlandschap. Ondertussen maakte hij ook zijn dierenboek van 3500 bladzijden
klaar. Zijn doel was om een compleet overzicht te geven. Tekenend voor zijn
aard is wel de uitlating: “geen boek is zo slecht of men kan er iets goeds uit
halen”. De geleerdheid die in dit boek steekt is monsterachtig, ‘monstrum
eruditionis’ zei Boerhaave. Tournefort noemde hem de vader van de hele
natuurlijke historie, ‘parens totius historiae naturalis’. Hij doorzocht vele
werken en schreef met talloze geleerden die hem gegevens verschaften.
n
In het
eerste hoofdstuk komen levendbarende viervoetige dieren voor.
n
Het tweede bevat de eierenleggende
viervoeters.
n
Deel
drie gaat over de vogels.
n
Deel vier bespreekt de natuur van de vissen en
andere waterdieren.
n
In deel
vijf komen de serpenten, waaronder de schorpioen. Hij geeft ook de namen die
hij bijeen heeft kunnen garen, Grieks, Hebreeuws, Perzisch, Arabisch,
Italiaans, Spaans, Frans, Duits, Illyrisch, Engels en andere.
n
De
plaats van het voorkomen en mogelijke herkomst.
n
De
beschrijving van uitwendige en soms inwendige delen.
n
Hun
verstand, het milieu van voorkomen, bewegingswijze en ziekten.
n
De zeden
en gewoonten.
n
Het nut
dat men er van kan trekken.
n
De
voeding die men er van kan verkrijgen.
n
De
geneesmiddelen die eruit te bereiden zijn.
n
Verder
de minder gebruikelijke namen, de woordafleidingen, de symbolen, fabels etc.
Uitvoerige registers maakten het naslaan nog eenvoudiger. Dit alles, gevoegd
bij de mooiste houtsneden, maakt zijn werk nu nog aantrekkelijk.
Olaf Magnus, een
Zweed die in 1490 geboren was, werd benoemd tot aartsbisschop van Upsala. Hij
stierf in Rome in 1558 voor hij zijn ambt aanvaard had. Hij liet in 1555 in
Rome een boek verschijnen “Historia de gentibus septentrionalibus”, waarin hij
tal van merkwaardigheden vertelt.
Geen rijk der natuur heeft in sprookjes bij
het volk zoveel vertegenwoordigers gehad als de dieren.
Vanuit het Germaanse volksgeloof werd de
godsdienstige traditie tot in het Christelijk geloof vol gehouden. Ze konden
geen afstand doen van hun oude goden, de gemeenschappelijke feesten ter hunner
ere aangericht, de drank- en zoenoffers. Hun hulp werd als vanouds aangeroepen.
Dit blijkt in het bijzonder met betrekking tot de dieren. Toen de Noordelijke
goden zich op aarde vertoonden waren ze net als hun Griekse collega’s door
dieren vergezeld. Vele dieren waren aan hen gewijd. Na de invoering van het
Christendom behielden ze een waas van geheimzinnigheid.
Er zijn vooral in de
Engelse heraldiek vele vreemde monsters. Het zijn heraldische monstruositeiten of
fabeldieren. Op wapenschilden zijn ze wellicht ter afschrikking van de vijand
geplaatst. Dezelfde werking zien we ook in de hoofdtooi van buffelhorens en de
berenmuts en de kolbak, die diende om de vijand te imponeren.
Alfijn, is een
Engelse tijger met hondenkop (niet gevlekt) Hij behoort tot de heraldische
monsterdieren.
Bangwijn is een os
met hertengewei. Het behoort tot de wapenmonsters. Een speciaal soort Engels
wapenfiguur.
Bokhaan, een
vogelmonster.
Calopus, behoort tot
de wapenmonsters. Die bestaat uit een monster met een kattenkop, bokshoorn en
wolfslijf.
Caretyne, is een
gevlekte tijger met ossenhorens die vlammen spuwt. Behoort tot de Engelse
wapenmonsters.
Geitehaan behoort
tot de heraldische monsters. Het is een haan met geitenkop.
Homocane, is een
monster, voor de helft een man en de andere helft een hond. Komt in de Engelse
heraldiek voor.
Katvis is een
wapenmonster. Het is een kat met het achterlijf van een vis.
Minocane, is een
monster die half kind, half hond is. Die komt in de Engelse heraldiek voor.
Montygre, is een
wapenmonster. Het is een tijger met een manshoofd met baard en apenhanden en
–voeten.
Nependis, is
wapenmonster. Het is voor de helft een aap en voor een helft een zwijn.
Opinicus, is een Engels wapenmonster. Het is
een griffioen met vier leeuwenklauwen en een kamelenstaart.
In de tijd van Tacticus lette men, om de
toekomst te ontdekken, op het hinniken van de paarden, het geluid en het
vliegen van de vogels. Op de vraag of de bezweringen en besprekingen, “verba et
incantationes’ als geneesmiddel eigen waarde hebben zegt Plinius dat de wijste
mannen er geloof aan hechten. Zo ook bij de Christenen. Hoeveel formules,
manipulaties, toverstokjes en dergelijke werden er wel niet gebruikt om het vee
tegen kwade invloeden te beveiligen, het bloeden te stoppen en ziekten tegen te
gaan of te genezen. Een heidense god heeft dat ook gedaan, dat werd op dan
Jezus overgedragen.

Een algemene naam voor een teken is signa. Hadden er nu buitengewone gebeurtenissen
plaats, die de gemoederen verontrustten dan bepaalde de senaat dat de
interpretes sibyllini (heilige orakelboeken) geraadpleegd moesten worden. Uit
Etrurië kwamen de buitengewone zieners om de ingewanden van de offerdieren en
dergelijke te onderzoeken.
Onder de auguria
verstaat men tekenen die niet zo bijzonder zijn.
Er zijn:
1) Signa
ex avibus. De tekens van de
vogels. Wanneer een magistraat weten wilde wat voor hem verborgen was,
(spectio) begaf hij zich omstreeks middernacht met een van de augurs
(vogelwaarnemer) naar het auguraculum of waarnemingspunt op de burg. Daar
gekomen trok de augur met zijn kromstaf (lituus) op de grond een streep van het
noorden naar het zuiden, (cardo genoemd) en een van het westen naar het oosten.
(decumanus geheten) Om dit kruispunt heen beschreef hij een kwadraat en maakte
door een formulier de ruimte daarbinnen tot een gewijde ruimte. (een templum)
Hier sloeg hij een linnen tent op (tabernaculum capere) met een opening naar
het zuiden. Dan ging hij in de opening staan en tekende met zijn staf vier
denkbeeldige lijnen in de hemel, als bij het templum, waarbinnen hij zijn
waarnemingen zou doen. Intussen zat de magistraat in de tent met een doek om de
oren gebonden. (capitate velato) Ook de augur omwond zich het hoofd want het
minste geraas stoorde de waarnemingen. Zo was de stoel waarop de magistraat zat
uit een stuk hout gemaakt zodat die niet zou kraken. De augur lette nu op de
vogels die zich binnen de denkbeeldige lijnen vertoonden. Hij lette op de soort
vogels, de hoogte waarop ze vlogen, de richting en de wijze waarop ze vlogen.
Vogels die door hun geschreeuw of gezang de wil van de goden uitdrukten werden
oscines genoemd, die het door hun vlucht deden alites. In de regel was wat uit
het oosten kwam, dus van de lichtzijde, gunstig, wat van de westzijde kwam
ongunstig. Niet voor alle vogels golden dezelfde regels, de kraai bijvoorbeeld
moest van de linkerzijde, de raaf van de rechterkant krassen. Sommige vogels
waren echte ongeluksvogels, anderen alleen voor bepaalde gevallen. De leer van
de vogelwichelarij was vrij ingewikkeld. Wanneer nu de tekenen gunstig waren
zei de augur: “aves addicunt”, was dit niet gunstig zei hij: “alio die”. De
toekomst te kunnen voorspellen uit het geluid en de vlucht van de vogels is een
overal verspreid geloof. Dit werd al door Mozes aan de Israëlieten verboden,
Lev. XIX: 26 “Gij zult op geen
vogelgeluid acht geven”.
2) Zo was er ook signa ex caelo. De hemelse tekens, bliksem (fulmina) weerlicht (fulgura)
en donder (tonitrua) de weerverschijnselen. (de manubiae) Die verschijnselen
werkten storend op de volksvergaderingen. In sommige Oostenrijkse streken was
er het geloof dat als op Maria Lichtmis de zon schijnt het nog veertig dagen
zou vriezen.
3) Verder was er de signa es tripudiis. Bij de Romeinse legers voerde men in de regel
een mand of hok met heilige hoenders mee. Werden die losgelaten en aten ze het
toegeworpen voer gretig op dan was dit een gunstig voorteken, vielen ze er zo
gulzig op aan dat de brokken uit de snavel vielen dan was dit een zeer gunstig
teken (tripudium sollistimum) Wilden ze niet eten dan was dit een slecht
voorteken. Zie haan.
4) Signa
ex quadrupedibus behoorden
tot de oblativa, de ongezochte voortekens. Die tekens werden soms door de
auguria door vaste tekens verklaard. Wanneer men bijvoorbeeld van een plan
uitging kon men de tekens van een hond, vos of ander viervoetig dier die over
de weg liep verklaren. Dit is wat wij kennen onder de naam Ontmoetingen of het
Aangaan. Het is het ontmoeten van het een of ander, het aangaan, wanneer men ‘s
morgens zijn woning verlaat om iets te ondernemen of ten uitvoer te brengen. De
aard van het voorwerp, meestal een levend wezen, en de wijze waarop het aangaan
geschiedt geldt als een heilbrengend of onheilsvoorspellend teken. De ziel kan
namelijk in diervorm het lichaam verlaten, terugkeren of erin voortleven.
Zielen die in diervorm rondspoken kiezen daartoe bij voorkeur de gedaante van
katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm-, of onweersdieren. Vandaar dat
katten, hazen en dergelijke dieren die over de weg lopen ongeluk betekenen. Het
is niet het dier dat je ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in de vroege morgen is
zulke ontmoeting van belang: ‘het eerste gemoet’ zegt men te Brugge. Zo komt
het ook dat dieren de toekomst kunnen voorspellen, immers de ziel van een
overledene kan in de toekomst zien. Hierdoor kan je de betekenis verklaren van
het blaffen van honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en
uilen en het janken van katten. “Krast er een uil of breekt er een glas, dan
sterft de meesteres alras’ zegt men in Gelderland. Ook het huilen van honden in
de nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Die lijken te voelen dat er bij
hun meester iets mis is. De H. Eligius, 588-659, verbiedt in een preek
“Paganorum sacrilegas consuetudines’ dit heidense volksgebruik. Het was
tevergeefs. Vijf eeuwen later noemt Johannis van Salisbury de voorwerpen op die
hiervoor in aanmerking komen. ‘Als in Cornwall een mijnwerker ‘s morgens te
werk gaat en een konijn tegen komt zal hij er de schrik in hebben’. Als een
Arabier ‘s morgens een roofvogel tegen komt is het een slecht teken, vliegt hij
van hem af is het een goed teken. Er is een geval bekend dat een groep
Bedoeïenen die op roof uitgingen en terugkeerden omdat een slang over hun weg
kroop. Vindt een Kohl op zijn weg een dode muis dan onderzoekt hij die
nauwkeurig of er mieren of vliegen opzitten. Is dat het geval kan hij gerust
verder gaan, zo niet dan keert hij om. Gaat hij uit om een vrouw te zoeken dan
let hij op apen, herten, vliegende eekhoorns, gieren en kraaien, het zijn de
urigvogels, zo genoemd naar hun geroep, en op slangen. Een kudde schapen brengt
ongeluk, zwijnen daarentegen geluk of omgekeerd. Het Duitse spreekwoord zegt:
‘Eine Spinne am Abend. Ist erquickend and labend. Eine Spinne am Morgen. Bringt
Kummer und Sorgen’’, vgl. het Franse ‘Araignee du matin chagrin. Ariagnee du
soir - espoir’. Een oude vrouw geldt vrijwel overal voor ongeluk aanbrengend.
Als de bruidslui in Bohemen bij het uitgaan uit de kerk een oude vrouw, een
kat, haas of een slak zien betekent dat ongeluk in de huwelijksjaren. Zien ze
een zwaluw, roodborstje of een duif, dan zullen ze gelukkig worden..
5) Signa
ex diris, tekens die uit het
breken van een schoenriem bestaan, het stoten van de voet en andere
toevalligheden. Alleen als er een verklaring voor gevraagd werd hadden de
augurs er mee te maken.
6) Hoewel elk toevallig teken een omen genoemd
kan worden verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voortekens. Daarom
vermeed men om zoveel mogelijk onheilspellende woorden te gebruiken, vooral bij
plechtige gelegenheden, feesten en dergelijke. De eerst uitgebrachte stem bij
een verkiezing, het gevoel van de eerste spreker in de senaat gold voor een
omen. Men offerde met omwonden hoofd om niet toevallig een ongunstig woord door
een omstander gesproken te horen. Hoewel ongezochte voortekens slechts waarde
hadden voor zover men ze zelf waarnam kon men ze ook afwenden door de woorden:
“omen non accipio, non pertinet ad me” te spreken. Hierdoor kregen sommige
namen die slecht bekend staan bij dieren en planten ook andere namen om dit
woord maar niet te hoeven uitspreken.
Een ooievaar
betekent eensgezindheid, een ezel arbeid, de vreesachtige haas is een slecht
voorteken. Huilt een hond met de kop omhoog dan zal een zieke herstellen, met
de kop omlaag dan sterft hij. Een krassende kraai voorspelt ongeluk, een uil
eveneens. Waar de eksters om het huis vliegen komt twist en tweedracht, als ze
erg schreeuwen bij een woning is er een of andere ramp te duchten. Een ekster
van tevoren zien is goed, van achter kwaad. Het rondtrekken van vele raven
betekent oorlog. Als trekvogels vlak uit het zuiden naar het noorden over een
huis trekken gebeurt er spoedig iets (namelijk. iets slechts) passeren ze het
rechts van zuid naar noord dan is het een goed voorteken. Klinkt het geroep van
de koekoek rechts of vliegt deze waarzeggende vogel rechts dan is het goed,
links, dan is het niet goed. Hoort men luisterend onder de hanenbalken de haan
kraaien betekent dit geluk, kraait een hen dan betekent het ongeluk. Die in het
voorjaar het eerste een ooievaar ziet zal een reis ondernemen. Een bijenzwerm
aan huis betekent brand of ander onheil. Is de eerste vlinder die je ziet wit,
dan zal je gelukkig zijn in geldzaken, geel, dan word je gauw peet, grauw,
betekent een groot ongeluk. Veel vlinders, dure tijden en vreemd krijgsvolk in
aantocht.
Als je de spraak van vogels wil verstaan neem
dan twee vrienden met je mee op de vijfde dag van november, ga in een bos met
je honden, alsof je wil jagen en neem het eerste beest dat je vindt mee naar
huis. Prepareer het met een vossenhart en je zal direct de spraak van vogels en
dieren verstaan. Als je wilt dat ook iemand anders dit verstaat, kus die en die
hoort het ook onmiddellijk.
Door het eten van slangenvlees kan je de
vogels ook verstaan. Die mening is al heel oud. Democritus noemt de vogels op
uit wiens gemengd bloed een slang ontstond die door iemand gegeten hem die
kennis gaf. Dat zie je al in het Paradijs waar de slang tot de eerste mensen
sprak.
Ook andere dieren kunnen spreken. “Cave tibi
Roma” riep de os van C. Dominicus toen Rome in de Punische oorlog op de rand
van verderf stond. Nog spreken de runderen in de kerstnacht. In de beroemde
gouden, oude tijd konden de dieren spreken. Later vond men het ook helemaal
niet vreemd dat dieren spreken konden. Zie het sprookje van de koningsdochter
die helemaal niet verbaasd was dat een kikker haar aanbood om de gouden bal uit
het water te halen. Ook haar vader en disgenoten waren niet verbaasd toen het
dier later zijn loon kwam halen.
Door toverkollen, kwade feeën of door
ongelukkige oorzaken werden mensen in dieren veranderd die ze hielden tot dat
ze verlost werden. Die gedaanteverwisseling zie je al vanouds. Daar komen ze
zelfs vrijwillig voor. Om op last van Odin het kostbare kleinood van Freya te
kunnen stelen verandert Loki zich in een vlieg, een vlo of rob. Ook Odin kon
zich van vorm veranderen. Dan lag zijn lichaam als slapend of dood terwijl zijn
ziel de vorm van een vogel of dier had, vis of slang en kwam zijn ziel in een
ogenblik in de verste landen. Later veranderden, vaak in verbond met de duivel,
een menigte mannen en vrouwen zich in katten en wolven.
Zo neemt onze ziel ook wel eens de vorm van
een dier aan om tijdelijk ons lichaam te verlaten. Zo dwaalde de ziel van
Hermotimus, in Klein-Azië, wel eens rond en verhaalde hij van dingen die hij
alleen kon weten omdat hij daar geweest was. Men zou de ziel van Aristeas
gezien hebben die als een raaf uit zijn mond vloog. Dat vertelt Plinius ten
minste.
Een oude,
wijdverbreide opvatting ook bij de Germanen stelde de dood aldus voor; Het
lichamelijke leven is een wezen dat bij de dood vrij wordt. Daarnaast hebben we
nog een ander Ik dat in het hoofd woont en bij het sterven als een adem, nevel
of licht, ook wel als diertje uit de mond gaat. Eerst houdt deze geest zich op
of nabij het huis, in het graf of de buurt ervan. Naarmate het lijk verteert of
de herinnering aan de dode verflauwt verdwijnt hij ook. Zeer oud is stellig de
gedachte dat de ziel zich in de gedaante van een vlieg het lichaam verlaat. Dit
werd nog in het begin van de vorige eeuw te Zutphen geloofd. Een vrouw die
rogge opstak viel bewusteloos terwijl er een vlieg uit haar mond ontweek. Ze
bleef levenloos achter de wagen liggen tot de vlieg weer in haar mond
terugkeerde.
In Duitsland zegt
men dat de mens voor zijn geboorte met de vlinders vliegt. Ook bijen, kevers en
vooral de huiskrekels of heimpjes golden voor zielen. Daarvoor hield men al
zulke dieren die in huis leven en zacht uit de aarde komen en er even stil weer
in verdwijnen als de ringslang, de huisslang. Allengs werden de zielen van de
voorouders tot genius van het huis of schutgeest van het huis. De ziel van
voorname heren kwam ook voor als een groter dier, adelaar, wolf of beer, een
zwaan, terwijl die van de booswichten als een kalf, hond of varken rondspookte.
Eeuwenlang was het
gebruikelijk dat een stervende niet op bed, maar op een stroleger in ‘t
woonvertrek of onder het rookgat of bij een geopend raam de laatste adem moest
uitblazen. In Z. Duitsland wordt op vele plaatsen wanneer iemand gestorven is
een venster opengezet om de ziel te laten wegvliegen. Om het die wat
gemakkelijker te maken wordt er met doeken gezwaaid onder het zeggen van “Geh
hin und pflundere”. Bij het sterven moest de mond open zijn zodat de ziel kon
wegvliegen, daarna werd hij gesloten zodat die niet meer terugkeerde. Ook de
ogen sloot men en alle openingen in het huis. Alle slapende in het sterfhuis
werden gewekt, ook het vee opdat het niet voor altijd zou doorslapen. Geen
spinnewiel of wagenrad mocht draaien. Elke pot werd omgekeerd zodat de ziel er
niet onder wegschool. Ook werd er wel moet doeken gewaaid of een waterbak
neergezet zodat ‘de vuiligheid op water trekt’ omdat anders alle water en melk
in huis onrein wordt. Bij het legen mocht vooral niet op mensen of dieren
gemorst worden. Ook werd er in het sterfhuis koren verbrand of geroosterd, een
soort zielenoffer.
Over water kwamen de
zielen van de pasgeboren kinderen en over water gaan ze weer weg. Daarom hebben
en de doodkist en de wieg de vorm van een schip. Daarom verschijnen de doden
vaak als watervogels. In de gedaante van een gans of zwaan komt de gestorven
moeder de achtergebleven kindertjes bezoeken.
Mensen kunnen zich veranderen in leeuwen,
hyena’s en luipaarden wat in geheel
Afrika gevonden wordt. In Armenië verschijnt ‘s nachts een geest bij
zondaressen en dwingt ze een wolfsvel aan te trekken waarna ze weerwolven
worden. Ze verslinden hun eigen kinderen en die van anderen. ‘s Morgens
verstoppen ze hun vel en worden weer mensen. Bij de Kohls, de oorspronkelijke,
niet Arische bevolking in Voor-Indie, kunnen mensen zich met behulp van de
duivel in een tijger veranderen. In Thailand kan dat met behulp van enige
toverformules. Een vrouw in Cambodja vond een flesje met geurende olie, smeerde
er zich mee in, werd een wolf en liep weg. Verandering van beren zijn er bij N.
Aziatische en N. Amerikaanse volksstammen. De tovenaars van de Irokezen
bezitten de macht om zich in een wolf, vos, kalkoen of uil aan te nemen.
Het toekennen van een persoonlijkheid aan dieren
is bijzonder merkwaardig. Dit zien we niet alleen in Egypte, maar ook in de
jongere Edda. Daar leggen alle elementen, planten, viervoetige dieren, vogels
en wormen de eed af dat ze Balder geen leed zullen doen. Deze personificatie
was zo vast geworteld dat het in zijn rechten opgenomen werd. “Ut iumenta pacem
habeant similiter per bannum regis” uit de Capitulare Aquisgranense van 813.
Hier worden de lastdieren onder de koningsban gesteld. Zo vindt men in de Lex
Salica, het recht van de Salische Franken, de gelijkstelling van slaven en
paarden. In de Saksenspiegel worden aan kippen, ganzen, runderen, paarden,
varkens, schapen honden en katten mangeld toegekend. Zo hebben ze gelijke
rechten en plichten als de mens. Oog om oog, tand om tand. Een varken wordt
opgehangen, een haan verbrand als ze de dood van een mens veroorzaakt hebben.
Daarom kan het ook voorkomen dat als iemand gedood, verkracht of hulp nodig
had, iedereen behoorde te helpen, ook de dieren. Gebeurde dat niet werd alles
in die omgeving gedood, inbegrepen de dieren. De dieren behoorden tot het
huisgezin. Zo trad dan ook de geestelijke met kerkelijke middelen tegen
(schadelijke) dieren op. Het merkwaardigst komt dit voor als er dieren terecht
gesteld worden voor de misdaden die ze hebben bedreven.
Ook in de bijbel komt dit voor, Ex 21:28: “Wanneer een os een man of vrouw stoot dat
hij sterft, zo zal de os zeker gestenigd worden’. Vgl. de procesvoering in
Reinaert.
In de tijd van Socrates bestonden er al mensen
die iemands karakter uit zijn uiterlijk konden afleiden. Zacht haar is
kenmerkend voor de lafaard, borstelig voor de dappere man. Want de
vreesachtigste onder hen, het hert, de haas en het schaap hebben de zachtste
haren, terwijl de moedigste, de leeuw en de ever, de meest stugge haren hebben.
Dat geld meestal ook voor vogels, diegene die stugge veren hebben zijn moedig,
die met zachte veren zijn vreesachtig wat men bij de kwartels en hanen kan
opmerken.
De mens met zacht haar heeft een zachte
inborst, die met stug haar, een stugge inborst. Diegene die een dik neuseind
hebben worden traag en stompzinnig genoemd. Ze lijken immers op het rund dat
ook een stompe neus heeft. Mensen met een lange en slanke hals zijn
praatzuchtig en dom, ze lijken immers op vogels in het algemeen die lange
halzen hebben en ijdel, beweeglijk en babbelziek zijn.
Vondel,
Vermaeckelijcke Inleydinghe;
‘T Sa! Gaan wij nu
bespieden waar ’t wilt en ongediert
Verschuilt in ’t
donker woud, en ons voor d’ ogen zwiert
Dien heuvel, wel
beplant, verstrekt een prinsen woning
Voor d’onoverwonnen
Leeuw, der dieren Hooft en Koning
Die hier zijn hof
ophoud, en met fier gemoed
Naar zijns
raad-kamer treedt, gevolgd van eenen stoet
En uitgelezen hoop
van wel-geboren dieren
Die hoog geadeld
zijn, en die zijn hoogheid vieren
’t Lang-halzige
Kameel, Heer Bockaert lang-gebaard
Het felle
Panter-dier, en ’t welbeslagen Paard
Heer Wolffaert en
den Beyr zijn ’s Konings opper-raden
Die letten wat het
rijk kan vorderen en beschaden
De Tijgher veld-heer
is in ’t ruim van dees vallei
Daar hij het opzicht
heeft van ’s Konings veld-armey
Dien vreselijke Dog,
die d’ ogen wijt op sperde
De trotse Kapitein
is van des Konings gaerde
’t Loos Reyntje is
spion, die altijd op de straat
Doorsnuffelt wat er in
de wereld ommegaat
De Brack is
Courtisaen, en d’Hazen zijn lakeien
Die pronken aan’t
paleis met ’s Konings levereyen
Den afgejukten
Stier, den Ezel en het Zwijn
Aan hofdienst met de
Kat vanouds verbonden zijn
De Baviaen, de Sim,
en d’Aep hier op tonelen
Komedianten zijn,
die ’s prinsen farcen spelen
Wie zag ooit
schoonder jacht van allerhande Wilt?
Ziet hoe d’een in
gedaante, en verw van d’ander schilt
Hoe ruig de eenen
is, en d’ander tam van zeden
Zoo iemand maar
wat tijds of uren wil besteden
’t Gevogelte en
’t gedierte, eerlange hij worden zal
Een trefllijk
Filosoof, vermits des wijsheid leesten
Gevormd zijn naar
’t bedrijf van vogelen en beesten
Wie dan
leergierig is, die voeg zich hier bij mij
En laat geen lege
tijd onachtzaam gaan voorbij’.
Dit zijn natuurlijk meestal uitzonderingen.
Meestal is de betrekking tussen mens en dier vastgelegd in de sprookjes en
sagen van het volk. De kern van de sage is meestal een of andere grote persoonlijkheid
waaromheen zich fabelachtige gebeurtenissen, bijzondere ontmoetingen of
ongelofelijke heldendaden gegroepeerd zijn. Ze kan ook verbonden zijn aan een
bepaalde plaats waar iets bijzonders, ongehoord gebeurde. De sage is meer
geschiedenis dan het poëtische sprookje. In het sprookje is de grondslag ook
meestal een gebeurtenis, een voorval of avontuur, maar van zodanige vorm dat
het overal gebeurd kan zijn. Het is niet aan tijd of plaats gebonden en dringt
dieper in het volksgeloof door dan de sage. Meestal mengen de sprookjes en
sagen zich door elkaar heen, het onderscheid wordt vaak niet gemaakt. Vooral de
broers Jacob en Wilhelm Grimm zijn hier bekend om geworden. Daarvoor had men
dit in Frankrijk en Italië al gedaan. Velen zetten hun werk voort.
Vele sprookjes komen in verschillende landen
voor. Vaak zijn het mengsels van oud-Noors, Romeins, Joods/Christelijke,
mogelijk zelfs van Indogermaanse afkomst. Oosterse verhalen komen voor door de
handelsroutes. Pelgrims naar het Heilige land namen verhalen mee.
De oude godsspraken waren in nevelen gehuld.
De koningin van Sheba ging naar Salomon om hem in het oplossen van raadsels te
onderzoeken. Adhelm, abt van Malmesbury en gestorven in 709, verzamelde
Angelsaksische raadsels. Alcuinus schreef voor de prinsen van het Karolingische
hof. De kennis van de eigenaardige spreekwoorden en gezegden groeide aan.
Weervoorspellingen, een onuitputtelijke bron van dagelijkse gesprekken, werden
in alle oorden opgezocht. De volksweerkunde met haar magische kuren werden het
voorwerp van een nauwgezet onderzoek.
Als de duiven ‘s morgens bij het opgaan van
de zon in het veld tezamen troepen om voedsel te zoeken dan volgt er later die
dag slecht weer. Of bij felle vorst en als de dooi in vier en twintig uur
opkomt kan je zien doordat de vogels op de grond iets schijnen te zoeken en
veel heen en weer dralen. Of als bij het naderen van onweer, sneeuw, wind en
regen, kraaien en raven tezamen scholen en onophoudelijk schreeuwen. Terwijl de
specht een lachend geluid maakt omdat die van de regen houdt en zich graag
wast. Of als de hop bij hitte en droogte veel beweging in het zand maakt maar
bij slecht weer treurig zit. Of bij aankomend droog weer de reigers hoog in de
lucht vliegen.
Diegene die de eerste dierentuin aanlegde was
Vulpines Lupines. Die tuin lag in Etrurië. Er werden wilde varkens, herten,
wilde geiten en drie soorten hazen in gehouden.
Die dierentuin van de beroemde en zeer
weelderig levende Quintus Hortensis, een tijdgenoot van Cicero, lag in
Laurentium. Die besloot een bos van 50 iugera. Als er op een verhoging het
middagmaal werd genoten dan liet de gastheer een Orpheus komen die met de citer
speelde. Aan een ander gaf hij bevel om op zijn hoorn te blazen. Dan verscheen
een menigte wilde varkens, herten en andere viervoeters.
Titus Pompejus had een dierentuin in Gallië
Trans-alpina.
In latere tijden vinden we op Germaanse
gronden dierentuinen om te jagen en om te genieten. Er waren vreemde dieren,
ook vogels werden gehouden. In St. Gallen was dit met fazanten en reigers.
Mathilde, de vrouw van Hendrik de Vogelaar,
gaf niet alleen spijzen aan de armen, maar ook aan de vogels. Ze beval om ‘s
zomers broodkruimels te strooien onder de bomen waaronder ze floten. De vrome
keizerin zond, volgens de sage, na de
dood van de keizer voor de rust van zijn ziel een bediende naar het woud op de
Rothenberg om op dezelfde plaats waar hij zijn netten spande de vogels te eten
te geven. Walther, de grote Duitse middeleeuwse dichter, zou zichzelf de
bijnaam ‘van de Vogelweide’ hebben gegeven, ‘pascua avium’ met het oog op de
bepaling in zijn testament. Onder een lindeboom stond zijn grafsteen waarin
vier nissen waren die dagelijks met vers graan bestrooid moesten worden zodat
de vogels bij hem nog een voerplaats zouden vinden.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/