Striges, strix of stixes.

Software: Microsoft Office

Het is een nachtvogel, een nachtegaal, een soort uil of  de nachtzwaluw. (zie uil)

 

Er zijn er die beweren dat het een dier is en geen vogel. Het is een geit met paardenpoten en een bek zo groot als een half openstaande brake, waarmee de hennep gebraakt of gebroken wordt. Anderen verzekeren dat het een gems is met vleugels. Men schrijft het geluid toe aan een klein paardje, de ronnekemere, onder Winterswijk denkt men aan de Berndekesjacht. De moeder verhaalt haar kind van de boze bisschop, Berendje van Geulen.

Slechts aan weinigen is het gegund hem te zien. Ook in het noorden is hij bekend.

 

Demon.

In west Europa werd het beschouwd als een vogel van duisterheid wiens treurende gekraai een teken van kwaad was. Het is een alpdamon die in de vorm van een nachtvogel de nachtschade brengt en de dood aankondigt.

‘s Nachts komt de nachtkraai met zijn hatelijk geluid en verkondigt de dood van de mens. Hij heeft een menselijke stem. De nachtschaduw is een woord dat een gevaarlijke - demonische macht aanduidt.  Het oud-Hoogduitse nahtscata gold voor de nachtelijke duisternis, het werd op geheimzinnige nachtelijke dieren overgedragen. Die dieren verbergen een "schaduw" zijde in zich, een zwarte schade dat is een vijand in zich. 

In Shakespeare ‘Much Ado About Nothing’ II iii 84, verwijst Benedick snijdend naar Balthasars gezang: “I pray God his bad voice bode no mischief. I had as lief have heard the night-raven, come what plague could have come after is’. Als het een hond geweest was, die zo gehuild zou hebben, dan zouden zij hem opgehangen hebben’ en ik bid God, dat zijn schorre stem geen onheil aankondig! Ik had even lief de nachtraaf horen krassen, welk ongeluk daar ook op gevolgd ware”.

‘III King Henry VI’, v, 6, 45;

“A deadly groan, like life and death’s departing’. ‘Toen schreeuwde de uil, een onheilspellend teken’.

....Breng fort h that fatal screech-owl to our house’. ..De nachtraaf kraste, een boze tijd verkondigend’.

Storm loeide en velde bomen, honden huilden’.

De raaf streek neer op de schoorsteen’.

De eksters krijsten oordovend saam”.

Zelfde, 2,6,56 ‘Breng hier die boze nachtuil van ons huis ‘.

That nothing sung but death to us and ours’. Die niets dan dood voor ons en de onze kraste’.

Now death shall stop his dismail threatening sound’. Nu stuit de dood zijn aak’lig dreigend lied’.

And his ill-boding tongue no more shall speak’. En de onheilstaal van zijn tong verstomde’.

 

Maerlant; ‘Nocticorax mag in Latijn, maar in Dietsche een nachtraaf zijn. En is een manier van uil die men bij nacht hoort dwalen en denk ik te verstaan dat mag zijn een auerhaan.

Een bosvogel al in en uit en is geveerd naar de schavuit (Bubo) ‘s Nachts vliegt hij in velden en in huizen en leeft van prooien van muizen, daartoe bemint hij de mensendrek. Krom heeft hij klauwen en bek en op de dag ziet men het zelden of niet omdat hij de heldere zon vliedt’.

Vondel, Koning Davids Harpzangen, CI;

‘Geleek in een woestijn

De pelikaan heel stuur

Of de nachtrave in de muur’

Vondel, Adam in ballingschap

‘Spelonk en omweg, bos en galerij, en haag

Bedekken allerbest het nachtspook, dat bij dag

Ongaarne wordt gezien’.

Megenberg; ‘Nocticorax heet een uil en is in Latijn alzo veel gesproken als een nachtraaf, zoals Adelinus spreekt, en heet ook noctua in Latijn. De vogel heeft de duistere nacht lief en vliegt met opgerichte borst en schreeuwt erg duister. Het leeft van menselijke onzuiverheid en zingt weer slecht, echter dat zingen heet beter greinen en wenen. Het haat dat licht en begint te waken wanneer andere dieren slapen gaan en zoekt in de nacht zijn voeding. Want vloog het op de dag zo schieten alle andere vogels hem aan en laten hem geen rust hebben. Het heeft een groot hoofd en dat is niet geschikt zoals andere vogels hoofden. Het heeft ook een kromme snavel zoals een sperwer en heeft hakende tanden erg scherp aan de voeten. De uilen hebben erg slimme strijd met andere vogels want, zoals Plinius spreekt, wanneer ze de mens of een andere vogel beledigen wil dan valt ze op de rug en weert zich met de snavel en met de voeten. Echter de havik helpt haar vaak en scheidt de strijd van de eigenschappen zijn natuur. Wanneer de uil komt in een eiland, heet Kreta, dan sterft ze gelijk. Haar vlees is goed de zwakke leden die de paralis geslagen heeft. Bij de uilen verstaan we alle boze kwaad doende lieden zoals dieven, rovers, echtbrekers, die haten dat licht der waarheid zoals onze heer spreekt: wie kwaad werkt die haat dat licht.’

 

Striges: bijtebauwen, (kindermelkers) dit is een graag gevogelte dat niet van die slag is die Phineus eten van de dis roofden, (harpijen) maar een bastaard gebroed daar van. Zij hebben grote koppen en stijf staande blikken, scherpe gierenbekken, grijze veren en scherpe, kromme krauwels. Bij nacht vliegen ze en snorren naar kindertjes waar een min bij is en rukken de bloedjes uit de wieg en schenden de lichaampjes. Men zegt dat ze de ingewanden van de zuigelingen, als ze vol met melk zitten, uitzuigen en zelfs de hals vol bloed zwelgen

Naar het volksgeloof waren het uilachtige heksen die ‘s nachts rond zwierven, de zuigelingen het bloed uitzogen en giftige melk uit hun eigen borst bij hen inbrachten.

 

Een empusa is een nachtelijk spook en een duivel met ezelspoten waarmee men de kinderen bang maakte. Tot de empusa rekent men ook de lamien of lamia en mormolyken die het bloed van mooie jongelingen uitzuigen en hun vlees eten. Alle dergelijke schrikbeelden als Akko, Alphito, Gorgo etc. vatte men samen onder een naam van Mormolyten.

 

Strix uit Megenberg.

 

Nacht raaf.

Er is een ander soort van nacht-raaf of de nacht-kraai die in Engelse night-crow heet. Die vogel is zwart met de grootte van een duif en een platte kop waaruit drie grote veren groeien, net zoiets als bij een kievit. Zijn poten zijn grijs en hij gebruikt een schelle stem wiens onaangekondigd verschijnen dood betekent. Hij leeft van muizen, wezels en dergelijke venijnige dieren. In Noord Saksen weet men te verhalen van een bijzonder grote raaf, die nachtraaf heet, en wiens nachtelijk geroep ‘har, har of wark, wark’, oorlog voorspelt.

Software: Microsoft Office

Nycticorax.

Nycticorax nycticorax, L. (Grieks nyx: nacht, corax: raaf, nachtraaf) is bij ons bekend als kwak, nachtraaf of nachtreiger, het is de Duitse Nachtreiher, de Engelse black crowned night heron en Franse heron bihorau.

 

Een reigersoort van zestig cm hoog. een wit voorhoofd met zwarte kop met een paar lange witte sprieten, de rest is zwart met een wat witte onderkant. Het nest is in kolonies bij bomen in het moeras of in het riet. Meest vier groenblauwe eieren die drie weken bebroed worden.

Die is overdag rustig en wordt met de schemering actief. Dan laat hij zijn ‘kwakh’ horen, hees en rauw. Als nachtdier vliegt het onhoorbaar als een uil.

 

Of zijn familielid is de schuldige, de roerdomp, wiens geschreeuw op die van een raaf lijkt.

 

Gebruik.

Het is een antimiddel tegen bijen, wespen en horzels.

Zijn eieren in wijn drie dagen lang laten staan, zorgen ervoor dat dronkaards de wijn laten staan.

 

Nacht kraai.

De nachtkraai houdt van de nacht, vliegt en zoekt zijn voedsel ‘s nachts, roept en zoekt. Hun gekraai is hatelijk en afschuwelijk voor andere vogels. Ze eten duiven- en kauweieren en vechten met hen. Deze vogel heet Noctua, ‘s nachts wordt hij gezien, maar als de zon komt wordt zijn gezicht minder. Kreta heeft deze vogel niet en als ze uit andere landen binnenkomen sterven ze direct. Dit soort vogel heeft hondenpoten en is bedekt met haar, hun ogen zijn als glinsterend ijs. Tegen de dood gebruiken ze een vreemde schreeuw.

Er is een verwijzing van Plinius waardoor sommigen dit woord voor een uil vertalen.

 

Bijbel.

De nacht kraaien zouden een soort uil zijn. Aristoteles onderscheidt de nachtraaf van de gewone uil en zegt dat de geoorde uil door sommigen nachtraaf genoemd wordt. Vandaar dat in de Septuagint het woord gebruikt wordt om zekere Hebreeuwse namen voor de uil te vertalen. Het Hebreeuwse ‘lilit’, de nachtgeest of nachtelijke, het kan een vrouwelijk spook, een soort van vampier of empioeza aanduiden, wat herinnert aan het bijgeloof van de Semieten in het algemeen. Meestal wordt het in de Joodse literatuur aangeduid  als een vrouwelijke demon, waarvan men aannam, dat ze kinderen stal, meenam, verleidde etc. Jerome nam dit woord aan in de Vulgate. Van die tijd af aan tot de 16de eeuw is het woord synoniem met uil.

Jes. 34:14 ‘..veldgeesten ontmoeten elkander, ja, daar zal het nachtspook verwijlen en een rustplaats voor zich vinden’. Ook in Lev. 11:16.

Volgens de sage was het de eerste vrouw van Adam waar hij daemonen bij verwekte.

 

Uil.

De sluieruil, kerkuil wordt wel genoemd, behoort tot familie van Strigiformes.

Strix caprimulgus  (geitenmelker) wordt wel genoemd waar Aldrovandi het versje van Ovidius op betrekt. (dat wel zal slaan op de uil)

De Strix is groot van hoofd, onwrikbaar zijn sijn ooghen

Sijn vederen zijn grijs, sijn klauw en bek geboghen”.

Hij begint met te vertellen dat men in de oudheid meende ‘dat ze ‘s nachts in de wieg het bloed ontsoogen, of van de jonge kinderen de melk op de lippen uitmolken, ‘ja, dat sy met haar lichaam mette nagelen Software: Microsoft Officescheurende en de doot aanbrachten’. Hij meent dat ze voornamelijk in Kreta leven en daar in de geitenstallen de geiten de melk uitzuigen. De geiten die ze uitgezogen hebben worden met blindheid geslagen.

 

Geitenzuigers.

Er zijn zekere vogels die geitenzuigers genoemd worden vanwege hun zuigen aan geiten, dan is de melk verspild en verloren en als ze zo’n geit hebben gevonden en gezogen, wordt die direct blind.

De geitenmelker heet in Duits Ziegenmelker, het is de nachtzwaluw die zo genoemd is omdat ze het liggende melkvee lijkt te melken als ze de vliegen van de uier wegpikt.

 

Caprimulgus.

Caprimulgus europaeus, L. (Capra; geit, mulgere: melken, Europees) de nachtzwaluw, ratelaar, geitenmelker, vliegend pad of boomkikker, heet in Duits Nachtschwalbe en Ziegenmelker, in Engelse nightjar en in Franse engoulevent d’Europe. De vogel behoort tot de schreeuw- en  klimvogels waarvan men de spechten het beste kent.

Caprimulgus betekent letterlijk geitenmelker. Bij zijn nachtelijk bedrijf wordt hij namelijk beschuldigd van allerlei ongeregeldheden. Als je naar zijn bek kijkt weet je al dat hij schuldig is, het is een geweldig grote rode spleet die omlijst is door een harige snor. Met die bek zou hij in de nacht geiten melken zodat de boer ‘s morgens niets had.

Die bek is er echter alleen voor om ‘s nachts met een flinke hap insecten te pakken, de poten en dekschilden worden hierbij gelijk afgeklapt zodat die buiten de snavel vallen.

 

Erreur.

Stel je voor dat je op een donkere avond, vroeger was er geen licht, buiten op de heide bij een jeneverbosje staat, die heeft al wat geheimzinnigs, ze hebben de vorm van rovers. Dan hoor je een raadselachtig snorren alsof een dode spinster haar wiel laat draaien alsof de wilde heir langs de hemel vliegt waar de meute gefloten wordt en de lange jagerszweep klapt. Dat alles komt op rekening van deze vogel al roept hij nog zo nadrukkelijk: ‘erreur !’. Het ratelen is niet het enige geluid van deze zwaluw. Hij ontvlucht je soms met de groet ‘dag’ en dat midden in de nacht. Ook heeft hij klanken die iets op dat van een steenuiltje lijken en daarom al een angstige stemming teweeg brengt. Door zijn kleur zal je hem overdag al vrijwel niet zien en ‘s nachts helemaal niet. Dan vliegt hij geruisloos langs de bomen op zwaluwmanier, geleid door zijn sterk gehoor en gevoel wat hem de takken laat ontwijken, maar wel de insecten weet te pakken. Hij zit vaak onder een jeneverbesstruik en niet dwars maar in de lengterichting van de tak. Hij zit dan dicht bij de stam en is zo vrijwel niet te herkennen. Alleen als je er bij toeval te dicht bij komt laat hij zich vallen en is meteen weg.

 

Habergeisz.

De liefde beroert hen ook en men verneemt van ver hun roep die door enigen met het mekkeren van een geit vergeleken wordt.

In Zuid Duitsland wordt het voorjaar aangekondigd door de Habergeisz, een gele vogel met een stem,’ mackerende’. In Gelderland zou men zeggen mekende als een geit. Die geeft bij zijn baltsvlucht een luid geklaag die bij de Germanen aan het mekkeren van een geit herinnerde, vandaar de Angelsaksisch naam haeferblaete waar haefer een bok betekent.

 

Watersnip.

Er zijn er echter ook die geloven dat het geen wonderdier is maar een mannetjes watersnip, Gallinago gallinago, L.. Latijn gallina: hen.

Tijdens de paar- en broedtijd verheft de watersnip zich tot een aanzienlijke hoogte in de lucht en stort van tijd tot tijd met gekromde vleugels en de staart uitgespreid en opzij gebogen een vier a vijf meter naar beneden en laat daarbij een eigenaardig geluid dat door de Duitse jagers ‘meckeren’ genoemd wordt horen. Het geluid is zonderling, het schijnt niet uit de stembanden maar uit de snel trillende beweging van de staart- en slagpennen voortgebracht te worden.

Het is de Engelse snipe, de Duitse Habergeisz of Bekassine en de becassine van de Fransen. Het is de hemelgeit, de haverbok of de watersnip. Snip naar zijn snebbe, de spitse snavel.

 

Vorm.

De watersnip is van boven zwart met een groene glans en geelachtige lengtestrepen. De kop is bruinzwart met een lichte streep op de schedel en van onderen wit met zwarte dwarsbanden op de buitenste staartveren. De snavel is recht en lang, de ogen staan ver naar achteren waardoor het dier een karakteristieke uitdrukking krijgt.  Lengte is zeven en twintig cm.

De schuilkleur en het werken met zonsondergang, bijna op de wijze van de nachtvogels met een uiterlijk dat aan uilen doet denken, maakt dat men ze vrijwel niet te zien krijgt.

Hij vliegt snel in zigzag lijn.

In de winter trekken ze naar het zuiden.

De roep is ‘tsjoek tsjoek of ‘tsjek tsjek, agstroep ‘kretsj’.

Ze broedt in april een zestien dagen op vier geelachtige of grijsgroene eieren met bruine en donkergrauwe vlekken. Het nest is een kuiltje in gras, elzen- of wilgenstruiken.

 

Ze leven van wormen die ze door eigenaardig trippelen van de pootjes omhoog laat komen in de drassige grond.

 

Gallinago megala, (groot) is de bossnip. Engels Swinhoe’s snipe, forest snipe of Chinese snipe, 27-29cm lang met vleugelspan van 38-44cm en 120gram gewicht. Broedt meestal in centraal en zuid Siberië.

 

Software: Microsoft Office

Scolopax rusticola, L. (Grieks skolopax; een grote snip bij Aristoteles; een paal om te spietsen, naar de scherpe snavel, en landelijk)  is de houtsnip, wildsnip, weerlam of hemelgeitje, de woodcock van de Engelsen, de Duitse Waldschnepfe en Franse becasse des bois. De ‘juffers met het lange gezicht’ vanwege de lange snavel en de naar achter staande ogen, snipverkouden?

 

Vorm.

Die is van boven roestbruin en van onderen grijsbruin en overal met zwarte en geelachtige vlekken en bandjes getekend. Door de kleur vrijwel onzichtbaar.

De rechte snavel is meer dan twee maal zo lang als de kop.

De lengte is zeven en dertig cm, inclusief de zeven cm lange snavel.

De roep is ‘tsjek tsek’. Het weerlam of hemelgeitje geeft een blatend geluid Zijn baltsvlucht gaat schokkend omhoog alsof hij trappen beklimt en maakt daarbij een tjokkend geluid, hij roept ‘sik, sik, sik’. Daarop klinkt het antwoord als een langgerekt ‘beh’. Dat antwoordt komt van hemzelf, maar op een andere manier, via de buitenkant van zijn lichaam. Uren kan hij zo doorgaan. Terwijl hij zijn oefening houdt, hoort men zijn broedende vrouw verzuchtingen van verbazing slaken over de virtuositeit van haar man.

Overdag houdt hij zich rustig gaat er tegen de avond op uit.

Ze houden van moerassen en meestal vochtige, open terreinen. Ze leven van regenwormen, insecten en dergelijke dieren die ze met de lange snavel oppikken.

Snippen hebben een eigenaardige vlucht. Ze gaan rechtstandig omhoog, tussen de takken door om dan zijdelings weg te strijken.

 

Ze broeden op de grond, een graspol of in dichte vegetatie. Daar komen een vier wat olijfbruine eieren met donkere vlekken in. Na een twintig dagen broeden door het vrouwtje komen ze uit, de jongen rennen vrijwel meteen achter moeder aan. Als ze twee weken oud zijn kunnen ze al vliegen en groeien zeer snel, eerst zijn het bruine balletjes die vrijwel niet opvallen. Er wordt vermeld dat ze de jongen op de rug draagt.

 

Jagen.

De houtsnippen worden in november en december gejaagd. Dan hoort men de jager roepen ‘tiro, houtsnip’. Tiro komt van het van Fran tire haut: ‘leg hoog aan’.

Shakespeare, ‘Hamlet’; v, 2, Why, as a woodcock to mine own springe’. Als een snip in mijn eigen strik gevangen’.

‘Taming of the Shrew’ i, 2; “O’ this woodcock ! what an ass it is’.

‘Much Ado About Nothing’, V, 1,158 “zal ik ook niet een houtsnip vinden? Dat was Benedict, die zich door de prins en Claudio had laten verstrikken. Snippen hebben geen hersens was een gezegde. De houtsnip probeert zijn lange snavel te verbergen en denkt dat niemand hem dan ziet.

Het zou een beest zonder gal zijn.

‘Winters Tale’ 4,3, 35 Als de strik toe wil schieten, is de snip mijn’.

 

Maerlant; ‘Nepa denk ik de snip te wezen, die zo scherp hoort, zoals wij het lezen als het in schriften is gezet dat ze haar oor op de aarde legt en hoort aardig goed daarbij of er enige wormen in de aarde zijn, dan steekt het zijn bek, die is lang, in de aarde en haalt ze uit haar dank. Op de dag is het in de hagen bedekt, maar tegen de avond trekt het er op uit en in de morgenstond al vroeg, hierbij worden ze gevangen zo. Vlees van de snip is gezond want het wordt verteert in korte tijd’.

De nepa kennen wij als de snip, een vogel die zo'n scherp gehoor heeft dat ze met haar oor op de grond kan horen of er wormen in de aarde zitten. Dan steekt ze haar lange snavel in de grond en trekt ze de wormen eruit. Overdag verschuilt ze zich in de struiken, tegen de avond en vroeg in de ochtend komt ze te voorschijn. Dat is het moment waarop de snip gevangen kan worden. Het vlees van deze vogel is gezond doordat het zo licht verteerbaar is.

 

Vondel in zijn ‘Bijschriften op de twalef maanden’, schrijft bij januari:

Wien ‘t lust, dat die ten ijs met sleen om snippen vaar

‘t Is best dat grootvaar thuis den dis en haard bewaar’:

De onfortuinlijke houtsnip wordt als een heerlijke maaltijd gezien. De boeren in het Romeinse Campagna hebben een simpele methode om deze vogel te vangen. Ze binden ’s nachts een klokje om hun middel en gaan er met netten in de hand op uit. Het vee dat graast op de moerasachtige weilanden draagt ook zulke klokjes en de vogels zijn aan het klingelen gewend, zo heeft de boer alle tijd want de houtsnip maakt geen aanstalten om weg te vliegen en denkt dat die veilig is. Als de boer dicht genoeg is gooit hij het net over de vogel.

 

Verder is er de dubbele snip, Gallinago media, Latham. (Capella media, Lath). (middelste) de middelste geit, dubbele poelsnip, grasvogel, grassnip, Duitse Doppelschnepfe of grosse Bekassine of grosse Sumpfschnepfe, Engelse great snipe en Franse becassine double, die veel meer blauw is aangelopen en groter is, hoewel niet zo groot als de houtsnip.

De middelste geit is als de watersnip maar zonder dwarsbanden op de staart.

Lengte is iets meer dan de watersnip, zeven en twintig cm.

Roep ‘bee’.

Hun minnespel wordt aldus beschreven: ‘alle mannetjes uit de omtrek gaan lopend naar een bepaalde plaats en stellen zich in een lange rij op. Dan begint de eerste van de rij te zingen en als hij klaar is neemt zijn buurman het over en zo gaat het door tot ieder geweest is’.

 

Capella gallinago, L. is de trommelaar, snep, poelsnip, Duits Gemeine Bekassine of gemeine Sumpfschnepfe, Engelse common snipe, Franse becassine de marais.

Over de kop loopt een lichtere streep, op de zwart/bruine bovendelen lopen vier lichtere strepen en op de witte onderdelen donkere dwarsbanden. Vliegt met zigzagwendingen waardoor die moeilijker te jagen is dan de houtsnip. Bij het neerdalen laat het mannetje een soort blatend geluid horen, vandara de Duitse naam hemelgeit

Het nest is een kuiltje, soms open en bloot of verborgen. Broedduur drie weken, soms twee maal.

 

Lymnocryptes minimus, Brunnich. (Grieks limme; poel, kruptein: verbergen, de kleinste) de kleine watersnip, lapper, doverik, pink hearsnip, Duitse Zwergschnepfe of kleine Sumpfschnepfe, Engelse Jack snipe en Franse becassine sourde.

Ze heet doverik omdat het niet spoedig opvliegt. De jagers denken aan drie soorten. De watersnip heet volle snip. Ze spreken van een halve snip of doverik waarmee ze het geel aangelopen bokje bedoelen, de lapper of ronnekemeer in Groningen, dat hier ‘s winters uit het hoge noorden aankomt. Bokje, afkomst van die naam is niet bekend, het blaat in ieder geval niet.

Dit is de kleinste snip die een negentien cm lang wordt met een korte snavel van vier cm

 Langs de bruin/zwarte kop loopt een lichtere streep.

Een goede vlieger die graag vlak bij de grond vliegt en ook zigzagbewegingen maakt. Die vlucht doet denken aan de vleermuis, Fledermausschnepfe.

 

Heraldiek.

De wad- en moerasvogel is het symbool van behoedzaamheid omdat hij zijn voedsel behoedzaam en voorzichtig bij de beschermende schemering tot zich neemt.

 

Calidris alpina, L. (Mogelijk van Grieks chalix: kleine steen, naar zijn verblijfplaats, Alpen)is de grote bonte strandloper, strandbokje of bunte gril, Duitse Alpenstrandlaufer, Engelse dunlin en Franse becasseau variable.

Het winterkleed van de bonte strandloper is een bruingrijze mantel met lichte randen. Het zomerkleed heeft de rug roestbruin. De snavel en poten zijn blauwzwart. De lengte is twintig cm.

Roept; ‘trie-ee’ en de angstroep is ‘trrri’, de minnezang is’ tru tru tru’.

De kleine vorm, Tringa alpina, schinzi, van achttien cm lang, komt het meest voor.

Het nest is in het zand. Vier groenachtige eieren met donkere vlekken.

 

Calidris alpina schinzii, Br. Is de kleine bonte strandloper, zuidelijke bonte strandloper.

 

Calidris maritima (van de zee))Arquatella of Erolia)  is de paarse strandloper, Duitse Seestrandlaufer, Engelse purple sandpiper, Franse becasseau violet.

 

Calidris ferruginea (roestkleurig) (Calidris testacea) (met geelrode tekens) is de krombek strandloper, Duitse Bogenschnabliger Strandlaufer, Engelse curlew sandpiper, Franse becasseau cocorli.

 

Calidris canutus, L.  (naar canus: grijs, of de Engelse vorm knot) de kanoetstrandloper, knot, mients of zaagpen, Duitse Islandischer Strandlaufer, Engelse knot, Franse becasseau maubeche of Maubeche canut.

Dit is de grootste.

Zijn winterkleed is een parelgrijze rug met lichte randen. Het zomerkleed heeft een roodbruine kop en nek. De snavel en poten zijn blauwzwart. De lengte is drie en twintig cm.

Roep is ‘twiet twiet’.

Deze vogel loopt gewoonlijk langs de waterlijn en springt bij iedere roller een eindje terug, vandaar de naam.

 

Calidris minuta, Leisl, (zeer klein)kleine strandloper, Duitse Zwergstrandlaufer, Engelse little stint, Franse becasseau minute.

 

Calidris alba, (Crocethia alba, Pall. (Grieks kroke, een door de golfslag afgerond steentje, de verblijfplaats, en wit) Drieteen zandloper of moddersnip, Duitse Sanderling, Engelse sanderling, Franse sanderling des sables of becasseau sanderling.

Heft geen achterteen. De jonge vogels, die men hier meestal ziet, zijn van boven geelachtig grijs met donkere vlekken. In de zomer is kop, hals, borst en bovendelen hebben dan een roestrode, kaneelkleurige ondergrond met zwarte vlekjes op de veren. Linnaeus noemde die dan Charadrius calidris, dezelfde vogel in de winter noemde hij Tringra arenaria, hij wist dat niet.

 

Tringa glareola, L. (Bij Aristoteles komt een tryggas/trungas voor, Latijn glarea: kiezelzand) bosruiter of liewietje, graspikker en tuultje, Duitse Bruchwasserlaufer, Engelse wood sandpiper, Franse chevalier sylvain.

 

Tringa erythropus, Phall, (rode voeten) de zwarte ruiter, Duitse Dunkler Wasserlaufer, Engelse spotted redshank, Franse chevalier arlequin.

 

Tringa nebularia, Gunn, (nevelig) groenpootruiter, groenpoot of strandsnip, zeetuut, Duitse Grunschenkel of Heller Wasserlaufer, Engelse greenshank, Franse chavalier a pattes vertes of chavalier aboyeur, dit naar zijn groene poten.

 

Tringa ochropus, L. (geel/bleke voeten) het witgatje, witvod, poalske snip, Duitse Walswasserlaufer, Engelse green sandpiper, Franse chevalier cul-blanc.

 

 

Actitis hypoleucos, L, (Grieks hypo: onder, leukos: wit) de oeverloper of steenvink, Duitse Flussuferlaufer, Engelse common sandpiper, Franse chavelaier guignette.

 

Tot de snippenfamilie behoort ook;

 

Himantopus himantopus, L (Grieks himan; riem, topus; dun) . steltkluut, Duitse Strandreiter of Stelzenlaufer, Engelse black winged stilt, Franse echasse blanche.

Een vogel van 35cm lang met loopbeen van al 12.5cm. Zwarte vleugels en rug steken af tegen het overige wit, snavel is iets omgebogen.

Komt voor in brak water.

Iets grotere eieren dan de kluut en wat grover gevlekt.

Komt meer voor in zuidelijke gebieden.

 

Recuvirostra avosetta, L. (Latijn recurvus: terug gebogen, rostrum: snavel,  van Italiaans avocette) de kluut of sluifhaan, Duitse Sabelschnabel en Avosette, Engelse avocet, Franse avocette a manteau noir.

Zijn geroep is een fluitend kluu kluu. De Duitsers noemen hem soms Pluitje, naar zijn geroep, ook Verkerhtschnabel, Schustervogel en Wassersabler.

Dit is een zomervogel die hier van februari/maart tot september is.

De kluut heeft een lang omhoog gebogen snavel en een wit en zwart verenkleed. Loodkleurige poten.

Ze legt vier bruingele eieren met donkere vlekken.

De kluut komt voor op overstroomde velden langs de rivieren en de wadden.

Donkere vlekken. Broedtijd is 3.5 weken.

Ze trekken al in juli en in februari-april komen ze terug.

 

 

Phalaropus fulicarius, L (Grieks phalakros: kaalkop, fuligo: roetzwart) is de rosse franjepoot, Duite Plattschnabeliger Wassertreter, Engelse grey of red phalarope, Franse phalarope dentele.

De rosse franjepoot is zo groot als een spreeuw.

Heeft een roodbruine onderkant, tenminste in de zomer, in de winter is dat wit, de rug is blauw/grijs.

Aan de tenen heeft gelobde huidplooie en kleine zwemvliezen, een goede zwemmer.

 

Phalaropus lobatus (gelobd) is de grauwe franjepoot, Duitse Schamlschnabeliger Wassertreter, Engelse rednecked phalarope, Franse phalarope lobe, heeft een wat smallere snavel dan de vorige en is wat kleiner.

 

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/