Alosa; van oud Frans alose,
van laat Latijn alausa, elft.
De sprot en ansjovis zijn neven van de elft, Alosa alosa, en de fint, Alosa
fallax. (misleiden)
Elft, ook wel
meivis, in die tijd wordt het in de rivieren gevonden
Fint, van schijnbeweging
of list, uit Italiaans finta, van Latijn fingere, veinzen, doen alsof. Naar de stippen op de flanken
wordt het ook wel gestipte reuzenharing genoemd. Engels shad
De elft wordt een
zestig cm lang. De fint is een tien cm kleiner. Het is een king
of the herrings, haringkoning, vanwege de grootte.
Ze hebben een
diepblauwe rug en zijdelings samengedrukte zijden die bedekt is met zilveren
schubbetjes en aan de kieuwspleet een zwarte en onregelmatige vlek.
Hun tanden zijn
onzichtbaar, de onderkaak is langer dan die van de haring.
De elft bewoont de
zeeën van Noordelijk Europa en Amerika.
Het komt in het
voorjaar in talrijke scharen die de stroom opzwemmen, dit vooral in de Rijn en
de Elbe. In de eerstgenoemde rivier zwemt hij niet hogerop dan tot Wezel. Pas
in de rivieren wordt zijn vlees echt goed, als hij in de zee gevangen wordt is
hij droog en onsmakelijk.
Alle beide trekken
de rivier op om te paaien, dat is door de vervuiling steeds moeizamer gegaan.
In 1852 werden er op de Merwede nog drie en twintigduizend per uur gevangen. In
1938 nog een miljoen per jaar.

Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/