Connochaetes. Van Grieks konnos. Latijn cunnus, genoemd naar Kunthus, Griekse godin van vruchtbaarheid, en khaite; beesten.

Het beest is nu
bekend onder de naam Connochaetes gnu (of Catobeplas gnou)
Bij de Zuid
Afrikaanse boeren is het bekend als ‘swart
wildebeest’, vanwege zijn uitgelaten bokkensprongen en woest op hol slaan
waarbij opeens een ‘haak’ gezet kan worden. Gnu is
het in Engels en Duits, in Frans gnou. Van de
Hottentotten is de naam ‘gnoo’ Hollands gnoe,
gebruikt door de Duitse reiziger Georg Forster,
1754-1794. Het woord is ontleend aan het bulkende geluid dat dit dier laat
horen. Grieks catoblepas betekent hij die naar
beneden kijkt.
Het schijnt een
wonderbaarlijke combinatie van verschillende diervormen te zijn, de romp, de
manen en de staart zijn die van een paard van gemiddelde grootte, de poten zijn
die van een antilope, de kop met de naar voren als een haak gekromde horens
lijkt op die van een stier. Zoals ze er uit ziet doen ze, ook tegen elkaar.
De gnoe wordt een
honderd vijftig cm lang, de staartlengte is een tachtig cm. De schouderhoogte
is honderd dertig cm. Het gewicht is een twee honderd vijftig kg.
De gewone gnoe is
donker blauwgrijs met een zwarte kop, manen, keel en staart.
Zijn zonderlinge
gedaante heeft de aanleiding gegeven tot vele fabels. Al zijn bewegingen zijn
snel, uitgelaten en
vurig. Bij onrust klinkt een knorrend gebrom
en gebries, waarbij met de voorpoot gestampt kan worden. Zijn stem lijkt op het
loeien van runderen. De Zuid-Afrikaanse boeren bootsen het eigenaardige
geschreeuw van de jonge dieren na met de woorden ‘Nonja,
g’n avond’ en beweren door dit geluid dikwijls in de
waan gebracht te zijn dat zij door deze dieren in hun eigen taal aangesproken
werden.
Maerlant; ‘Cathaplebas is een dier, zeer vreselijk en onguur en is op de Nijl, de rivier, van de vreselijkste manieren. Traag is het en niet bar groot. De last heeft het zwaar in de nood van zijn hoofd dat hem zwaar weegt. Van deze beesten is het dat men zegt dat als het onvoorzien op je aan komt en tussen de ogen je ziet, dan ben je weg van het lijf. Dit dier slaat op een deel de wijven die het hoofd zo zeer gehoornd dragen dat het stinkt voor Onze Heer en schijnt of het hen verwurgde, dan komt er iemand die het ongevoegde op haar ziet en wordt zo gevangen en van zijn hart alzo ontdaan dat hij ziel en lijf verliest en de dood daarom kiest.’
(773) Catoblepas is een dier dat aan het water leeft dat Nijl heet,
in het land Egypte. Zo vertellen de meesters Plinius en Solinus. Zijn blik is
zo giftig dat ieder die hem in de ogen ziet direct sterft. Daaronder
verstaan we de onkuise blikken die vele mensen in de ziel doodt. De ogen zijn
de stiekeme dieven van de ziel.
Dit
Ethiopische wilde beest was van gewone afmetingen,
behalve het hoofd dat zo zwaar was dat het naar de grond hing. Die eigenschap
is gelukkig voor het menselijk ras want allen die het ontmoet sterven bij de
eerste aanblik. Of allen die het met zijn ogen ziet, sterven onmiddellijk. Dit
dier lijkt op de vrouwen die hun haar in grote horens opgestoken dragen, dat is
een doorn in het oog des Heren. Als een goed gelovige een blik op hen werpt
wordt hij gegrepen door liefde en verliest hij zijn verstand waardoor hij
lichaam en ziel verspeelt en uiteindelijk de dood vindt.
Een catoblepas is een dier
die net zo lang dood lag als de maan, waarmee het een natuurlijke sympathie
had, scheen. Plinius beschreef dit dier. Aelianus voegt er aan toe dat het een
soort stier is. Daardoor veronderstelde men dat het een soort dier van het
buffelsoort was of meer waarschijnlijk een gnu of
gnoe. Anderen dachten dat de catoblepas van Plinius
een soort basilisk was. Dit komt door het er onmiddellijk op volgende
statement; “Het serpent basilisk heeft
dezelfde krachten” (vermoorden door zijn blik)
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/