Gasterophilus intestinalis (van
binnen, in het darmkanaal) (Gasterus equi, (paard)
Paardenvlieg,
paardenwesp of horzelwesp, in Overijssel heet het horp,
in Gelderland horentje of hoornaar, in Engels hornets.
Het is een geslacht
van wespen, Crabo, of horzel. Men vindt ze
overvloedig in het Toscaanse land. Anderen menen dat ze genoemd worden van crabo of caballus: paard of
hengst waaruit zij voortkomen zoals Isidorus begrepen heeft. Of van craceo, waarvan craber en crabo: vlees en spijze, omdat ze
vlees eten. Of van gracilis omdat ze rank, mager en
spits zijn. In het Grieks worden ze naar een woord voor ontsteking
genoemd omdat ze een vurig puistgezwel verwekken.
De vrouwelijke paardenhorzel hecht haar
eieren aan de haren van het paard, meestal aan voorpoten en borst. De larven
die weldra uitkomen veroorzaken een gekriebel dat het paard aanleiding geeft
die plaats te belikken. Zo komen de larven in de mond en vandaar met het eten
in de maag. Hier boren ze zich vast in de maag- darmwand, soms bij honderden en
voeden zich met sappen die zij daaruit zuigen of met de etter die zich in de
wond vormt. Ze blijven daar een tien maanden om dan met de uitwerpselen het
darmkanaal te verlaten en zich in de grond te verpoppen.
Die wordt algemeen als gevaarlijk gezien, maar is minder agressief dan de gewone wesp.
De horzels zijn
vooral merkwaardig om de levenswijze van de larven.
De op hommels
gelijkende wijfjes van de runderhorzel, Hypoderma bovis, ( onder de huid en rund) leggen hun
eieren op of in de huid van de runderen. De maden vreten zich daar in en
veroorzaken een etterend gezwel ter grootte van een duivenei. Daarin blijven
zij negen maanden en banen zich dan een uitweg en verpoppen zich in de grond.
De runderen zijn
zeer bang voor deze vlieg en lopen als een razende rond wanneer zij zich op hun
rug neerzet. Het spreekt vanzelf dat zij er zeer onder lijden vooral als een
groot aantal, soms honderd, op hen voorkomt.
De maden van de
schapenhorzel, Oestrus
ovis, (schaap) kruipen in de neusholte van het schaap en dringen in de
benige holte die deze begrenzen. Ze veroorzaken de valse draaiziekte van de
schapen die wanneer er zich vele maden in de grond ophouden zelfs de dood van
deze dieren tot gevolg kan hebben. Zijn de maden volwassen, dan verlaten ze hun
verblijf weer door de neus om zich in de grond te verpoppen.
Verwante soorten
leven in de neusholten van herten en reeën. Al deze dieren zijn razend van
angst als de vliegen op hen afkomen om hun maden aan de neusgaten af te zetten.
Horzel bij
Megenberg.
Historie.
Het moet een
stekelig en boos gedierte zijn omdat men er een spreuk van ontleend heeft, ‘ de
horzelen vergrammen’, ‘irritare
crabrones’, bij Plautus, om te verbeelden en te leren
dat het met de vrouwenaard zodanig is gelegen dat men ze niet tergen moet als
ze gramstorig zijn, dat men er zelden zonder schade of schande te behalen van
af komt.
Met de naam horzel
vindt men wel stekelige schimpdichters aangeduid die zo zijn dat ze iemand zo
steken en dol kunnen maken dat het hem zwaar vergaat. Archilochus
en Hipponax zouden zelfs op hun grafstenen horzels of
wespen uitgehouwen hebben. Dat omdat ze door hun steken sommigen zo moe maakten
dat die de strop pakten.
Van de horzels leest
men in Ex. 33:28. ‘Ik zal ook de horzelen voor uw aangezicht henen zenden, die zullen van u
voor uw aangezicht uitstoten de Heviten, de Kanaaniten, en de Hethiten. Ik en
zal ze in een jaar van voor uw aangezicht niet uitstooten,
opdat het land niet woesten worde, en het wild gedierte boven u niet
vermenigvuldigt worden’. Het Hebreeuwse ‘tsirah’
komt van een afleiding die drukken of doorboren betekent.
Hier wordt wel de hoornaar besproken als
lastige wesp waarvoor men wel op de vlucht kan slaan. Dat zie je bevestigd in Deut.
7:20 en Joz. 24:12. De horzel werd hier als wapen gebruikt.
De horzel, Oestrus, is een soort vlieg die
vooral voor het vee lastig is. Die is wel lastig maar de mens gaat er niet voor
op de vlucht.
Shakespeare,
‘Anthony and Cleopatra’ iii, 10, 10-5;
‘The breese upon
her, like a cow in June’. Gelijk een koe in juni. Dol van bremzen’.
Hoists sails and flies’.
Hijst ze de zeilen op en vlucht’.
‘Troilus
and Cressida’ i, 3, 47 ‘In her ray and brightness’. ‘Bij held’re
zon’.
The herd hath more annoyance by the breese’. Is voor het vee de brems een groter plaag’.
Than by the tiger’. Dan zelfs de tijger’.
Maerlant, ‘Crabo, zoals Plinius zegt, is een worm die te zijn pleegt in de
aarde en vliegt als de bij. Ook daartoe, zo zegt hij, dat het groeit van dode
paarden waar men ze onder de aarde begraaft en horzels groeien er van mede die
men ziet in menige plaats, appels eten ze te waren en peren. Crabo maakt te waren onder de aarde allerhande raten die
niemand te bate komen en waar ze hun vrucht uit winnen. Crabo,
zoals ik mag bekennen, denk ik dat het de abeel bij is, zonder koning zijn ze
en zo zijn de horzels mede, dat schaadt hen in sommige plaatsen en als ze
uitvliegen roepen ze zeer. Hun honing deugt min of meer en die zich het hunne willen nemen, hij avonturiert
zich al te zwaar, want hun angel is zo fel, men kan het niet goed genezen’.
De vlieg die aestrum genoemd wordt is van een geelachtige kleur en als
het in het oor van een rund komt maakt het die gek. Hij draagt een zeer harde,
stijve en compacte angel waarmee hij door de zijkant van de os gaat. Ze volgen
ossen en paarden en jong vee door de geur van hun zweet omdat ze niet kunnen
zien door middel van het gezicht, ze zien slecht.
Ze komen voort uit
wormen van vermolmd hout of volgens anderen uit paardenlijken.
De horzels hebben hun plaats in de doorboorde en uitgeholde aarde. Ze hebben
een koning en als deze is afgedwaald dan zoeken ze hem in het geboomte. In de
zomers verzamelen ze voor de winter niets, daarom sterven ze vaak en verzwakken
zeer. Ze eten grote vliegen, druiven, vlees en dergelijke. Ze worden nooit tam
en zijn van zeer grote boosaardigheid. Men vertelt dat ze in de hondsdagen het
vurigst, vergiftigst en vinnigst zijn en dan met driemaal negen steken een
paard en mens dodelijk kunnen verwonden.
Hij wordt gehouden
tweemaal groter te zijn dan een wesp. Ze hebben vier vleugels waarvan de twee
buitenste kleiner zijn dan de binnenste. Ze hebben zes donkerbruine poten. Het
hoofd is van saffraangele kleur, wat langwerpig. De ogen zijn wat uitpuilend en
waartussen twee sprieten zitten als een kromme zeis. De buik wordt met een
dunne draad aan de schouders gehecht waarvan het voorste middendeel met een
donkere kleur en gele kring getekend is, met een kleine driehoek en enige
kerven aan weerszijden waarmee hij naar welgevallen het lichaam kan uitrekken
of inkrimpen. Omtrent de buik heeft hij aan weerszijde vier zwarte vlekken.
Voorst is hij in de staart met een lange, sterke en vergiftigde angel gewapend.
Lopen ze tegen de avond
in en uit hun nesten dan komt er regen en wind. Vliegen ze tegen de avond in
groepen dan verwacht men de andere dag mooi weer.
Alleen de ‘hommelby of horsel, een wespvlieg van gedaante als een honingbij, maar groter, die ook Fucus heet wat blanketsel of bedrog betekent omdat ze de honingbij nabootst is goed om het haar te laten groeien. Men laat ze drogen en strooit ze tot poeder gemaakt op het hoofd’.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/