Pisces, het
sterrenbeeld vissen. Men verhaalt dat het vissen waren die Isis gered hadden
toen ze in zee gevallen was. Vis de Duitse Fisch, Engelse fish en Franse
poisson.
‘t Stom gedierte dat sinds de vijfde dag in
de wateren tiert.
“Dat
zij vermenigvuldigen als vissen in menigte’, Gen. 48:16,1:22.
Bestiarium.
Maerlant; ‘Inleiding.
Alle vissen en al dat leeft en
dat zachte hersenbekkens heeft, die hebben altijd de slaap niet groot en kiest
nimmer een echtgenoot, de vis in de zee of in de rivieren dat hij geniet op
enige manier. Andere vis rijdt te enige ure heen van zijn natuur. Schaam je,
mens, in alle wijs, dat u erger dan beesten zij! Elke vis die van prooien
leeft, die prooit naar dat hij macht heeft alzo graag op zijn geslacht als op
anderen bij dag en bij nacht en geen vis eet zijn kinderen, niet meer of
minder. Vissen die bij de oever wandelen zijn gezonder dan de andere die de
diepe zee heeft, want vissen die van prooien leven willen zwemmen immer alleen
en de andere zwemmen graag algemeen in een school. Alle platvis, als bot en
pladijs, worden vetter in alle wijze met zuiden wind, zoals wij het horen, en
de ronde met de noordenwind. Men zegt dat men onder vissen kan zien die meer
zien dan die hier. Voor zonsopgang, is te verstaan, is de vis het best te
vangen want dan ontbreekt hem zijn zien. Sommige vissen plegen de een van de
ander te komen en van hen soms ziet men vissenlijm komen en ook weet men van
hen soms dat ze van pure aarde komen. Van droogte hebben vele vissen leed,
zodat ze niet vet worden. Menige vis is er in de zee die de mens nimmer ziet,
zulke vissen ruiken wel en begrijpen of het een vat of een net is waarin men
het vangt en die kan men moeilijk vangen, maar andere zijn samen bedrogen. Elke
vis moet een jaar oud zijn eer hij wint of draagt, dat is waar’.
Vorm.
Een vis likt aan de aarde en waterige kruiden
en krijgt zo zijn voeding en groeit. Ze worden ze reptilia genoemd: kruipers,
omdat als ze zwemmen het lijkt alsof ze kruipen, want in zwemmen kruipen ze,
ofschoon ze naar de bodem zinken.
Gewoonlijk zijn vissen veelvraten en eten
veel vet.
Er is een gangbare
theorie dat alle zeedieren harde ogen hebben alsof ze uit beenderen gemaakt
zijn en een harde huid daarover hebben. Dit is omdat het zoute water van de zee
hun weke ogen niet beschadigt. Daarom kunnen hun ogen niet verweken omdat de
natuur ze harder dan andere ogen gemaakt heeft. Daaronder verstaan we de
kinderen van deze wereld die hun gedachten in de nietige, veranderlijke zee van
deze armzalige wereld verzinken. Die kunnen hun harde verstand niet tot
goddelijke dingen verheffen nog verweken, ze kunnen ook niet tot het zout van
de eeuwige wijsheid doordringen.
Dat ze geen buiten
het hoofd staande ogen hebben omdat die onder het zwemmen, door het aanbotsen
van het water, aan schuring onderhevig zouden zijn.
Dat ze geen oogleden
hebben, dat is voor hen onnut, maar dat ze wel scherp van gezicht zijn.
Dat de platvissen
als bot en tong de beide ogen aan een zijde van de kop hebben omdat deze dieren
zich meestal op de grond ophouden en alleen dus op- en zijwaarts hoeven te
zien.
Dat bij sommigen de
ogen omrand zijn met een scharlaken kring, in anderen geschakeerd met
karmozijnen plekken die nog meer gloeit dan de regenboog.
Dat ze gehoor
hebben, karpers komen op je gefluit af. De oorgaten zijn opzettelijk zo klein
geschapen dat ze nauwelijks te vinden zijn. Waren ze wijd, hoe snel zouden ze
dan niet door de onreinheid van het water verstopt raken en zal de vis geen
kans zien ze schoon te maken.
Dat ze smaak hebben
wat je ziet doordat ze alleen op bepaalde soort insecten azen.
Dat ze reuk hebben,
je ziet aan de voorkant twee reukgaten. Ze zijn vijanden van stank. Bedient men
zich niet vaak van welriekend aas om ze te vangen?
Dat ze gevoel
hebben, dat zie je omdat ze de voortekenen van het weer aanvoelen.
Het is zeker dat de ziel van een vis zich in
de staart bevindt want als ze gevangen wordt leeft ze als ze als ze op het
hoofd geslagen wordt, maar als ze geslagen wordt op de staart of de staart
afgesneden, dan sterft ze onmiddellijk. In tegenstelling daarmee is het serpent
want als die zijn hoofd gebroken en afgesneden wordt sterft die onmiddellijk en
als de staart afgesneden wordt kan die nog lang leven.
Dat ze spraak
hebben. De walvis maakt geloei dat je wel een mijl ver horen kan. De knorhanen,
negenogen, voornen en karpers maken zeker gefluit.
Die op insecten azen
of planten eten hebben geen tanden. Want waartoe zouden die dienen? Diegene die
vissen eten hebben een of meer rijen tanden. Open de mond van een snoek en je
zal zijn verschrikkelijk en scherpe tanden zien. Monden en tanden zijn altijd
naar het voedsel dat ze eten. Ze ademen via hun kieuwen en halen zo de lucht
uit het water.
Ze hebben echter een
rugbeen dat aan het hoofd vastzit en dat bestaat uit vele korte wervelbeenderen
die zo keurig aan elkaar vast zitten dat de staart gemakkelijk naar het hoofd
kan worden gebogen.
Dat de huid door die
kromming niet zou lijden dienen de schubben die tot dat doel in rijen zijn
geplaatst. Mensen, dieren en vogels komen ongekleed, maar de vissen komen
gekleed ter wereld omdat ze vanaf het eerste ogenblik de schubben nodig hebben.
Er is echter verschil. Enige als de prikken zijn glad en effen en anderen
hebben, als de haaien, stekels en knobbels. De schubben verschillen in alle
vissen. Dikwijls zijn ze van de buik, van de rug of van de zijde van de vis van
een andere gedaante. In elke vis zijn ze op een verschillende manier ingelegd.
Het kunnen er wel meer dan tien duizend per vis zijn. Dit om de vis te
beschermen tegen stoten en om het water te beletten in de vis te dringen en dat
de vis die steeds in het water ligt te weken niet zacht en slap wordt en om de
koude te verhinderen zodat het bloed niet stolt. Alle jaren groeit er een
nieuwe schub over de oude heen. In een doorgesneden karper zie je twaalf
plaatjes waaruit men besluit dat die twaalf jaar oud is. Over de schubben zit
een vliesje wat ze vasthoudt en over dit vlies een soort vernis die de hele vis
bedekt en hem niet alleen tegen inwateren beschermt maar ook een snellere vaart
in het zwemmen geeft. Daarvan komt ook zijn gladheid bij het aanraken. De
vinnen dienen de vis tot riemen en om het lichaam recht en gelijk te houden. De
staart is dun en lichter dan de romp en zo geschikt om er sterke bewegingen
meet te maken zodat hij als een pijl uit de boog kan weg schieten.
Zeewonderen uit
Megenberg.
Trekvissen.Vele vissen zijn trekvissen net als de
vogels. Dat zijn kabeljauw, schol, schar, schelvis, haring en spiering van de
Noordzee en steuren en zalmen van de rivieren. Het is onbegrijpelijk hoe ze in
die grote waterbak zwemmende de mondingen van de rivieren kunnen vinden. De
zalmen zwemmen als ganzen in een driehoek, de grootste vooraan en daarachter
twee andere naast elkaar en dan telkens een er achter.
Dat ze belangrijk zijn. In Geertruidenberg
verkocht men er in 1740 voor zeven en twintig duizend gulden aan steur, zalm en
elst.
De mossel is van alle geschaalde dieren de
snelste. Hij is wit van kleur met een grote maag en in hebzucht onverzadigbaar.
Als hij vol is ligt hij stil op een plaats. Als hij bang is verstopt hij zijn
hoofd en denkt daarbij dat geen deel van zijn lichaam gezien kan worden. Ze
zijn zo verlangend naar elkaar dat als vissers een mannetje van die soort aan
een lijn hangen alle vrouwtjes daar onder tezamen komen en zo gevangen worden,
zo ook bij de mannetjes en vrouwtjes. Zo is er ook een vis die Estaurus genoemd
wordt en onder de vissen zijn ze de enigen die hun maal in de maag kauwen en
deze vis is echt slim. Want als hij bemerkt dat hij gevangen genomen wordt en
het gevaar loopt te verstrikken in de visnetten, dan rust hij even en steekt
zijn kop niet tussen het net maar trekt hij zich vast aan de andere kant met
zijn staart en maakt een begin om zich terug te trekken en de lijnen te breken
en zo gaat hij achteruit. Het gebeurt dat een andere vis van dezelfde soort dit
ziet hoe hij probeert uit te breken en dan helpt hij hem en neemt zijn staart
in zijn mond en helpt hem om er uit te komen.
Vissen ontvangen
van de dauw net als oesters en andere schelpdieren. Sommige vissen komen voort
zonder eieren. Ze ontstaan uit slijm of
slijk of gravel en uit rottigheid dat in het water is. Daar is een vis
die Lamprey (murene) genoemd wordt die van een adder ontvangen heeft die hij
liefheeft door te sissen. Daarom noemen vissers die vis sissers of fluiters en
vangen haar op die manier. Vissen komen in beweging om te ontvangen en te
broeden bij het komen en gaan van sterren. Vissen die aal genoemd worden komen
‘s nachts uit het water en ontvangen op het land of in de morgendauw en brengen
hun broed voort en met afnemende maan worden hun schalen leeg. De vis die
Australis heet komt bij het opkomen van de sterren die Plejaden heten en worden
niet meer gezien tot de Plejaden opnieuw opkomen. Vissen houden van hun kroost,
voeden en verzorgen ze een lange tijd. Alle vissen voeden hun kroost, behalve
kikkers
Shakespeare, ‘Coriolanus’ 2,2,82: ‘Ymasters
of the people’. Volkshoofden’.
Your multiplying
spawn’. Hoe kan die man uw weem’lend broedsel..’
Er wordt opgemerkt dat het voornoemde
samengaan van vis niet voldoende genoeg is om tot vermeerdering te komen,
tenzij als de eieren gelegd zijn of het kuit geschoten en beiden, het mannetje
en vrouwtje, het tussen hen in nemen en het draaien en daarbij een levende
geest over uitademen als het ware besprenkelen met een vitale dauw. Maar als ze
draaien en er ademen over zoveel als ze willen, toch komen al deze kleine
eitjes niet uit en worden vissen want als dat wel gebeurde zouden alle zeeën en
meren, alle rivieren en wateren pestachtig vol van vissen zijn zodat je niets
anders zou zien.
Gewoonlijk zwemmen vissen meer met dag dan in
de nacht en meer voor middernacht dan erna. Daarom worden ze veel gejaagd
voordat de zon opkomt en de vissers zetten dan hun netten want de vis ziet
niets in die tijd. Als het licht toeneemt zien ze meer, maar ‘s nachts zoeken
ze hun voedsel door te ruiken.
Er is ook een groot soort vis met zeer grote
lichamen, enorm alsof het bergen en heuvels zijn, zo een was een walvis die
Jona opslokte. Zijn maag was zo groot die de wel hel genoemd mag worden.
Als de barnacle (zie brandgansboom) voelt en
weet dat er een storm komt, neemt hij een grote steen en houdt zich daaraan
vast als een soort anker en tenslotte smijt hij die weg in de golven van de
zee. Zo redt hij niet alleen zichzelf door zijn grote kracht, maar helpt
zichzelf door de zwaarte van iets dat niet van hem zelf is. Zo maakt hij zich
vast en stabiel tijdens sterke winden of storm. Scheepslui zien dit en denken
eraan dat ze niet overboord geslagen worden tijdens storm.
Ga je de gevangen vissen tellen dan zal je
die dag niets meer vangen.
Als je rechtshandig bent moet je de hengel er
niet linkshandig ingooien, ook omgekeerd, anders vang je niets.
Wil de vis niet bijten dan smijt je de visser
in het water en haal hem op alsof het reuzenvis is. De vissen zullen dit
voorbeeld navolgen en zich laten vangen.
Vis bijt het beste met wind uit het westen.
Als de visser en zijn vrouw ruzie hebben vlak
voordat hij gaat vissen, zal hij veel vangen
Vloeit er bloed bij dan wordt het zelfs
ontzettend veel. Het moet niet met opzet gedaan worden, want dan vang je niets.
Is de eerste vis die je vangt een vrouwtje,
dan volgen er nog velen.
Je vangt niets als je vloekt of Gods woord
gebruikt.
Stop in je drijver een muntje voor koning
Neptunes. Die neemt hij dan aan als betaling voor de gevangen vis die hij dan
toestaat in het net te gaan of in het aas te bijten.
Vissen bij Megenberg.
Bijzondere soorten.In Snowdonie zijn er twee meren waarvan een
een beweegbaar eiland heeft die met de wind heen en weer gaat. De ander heeft
drie soorten vis maar hierin rust een wonder, allen hebben maar een oog aan de
rechterkant van hun hoofd. Lomond Lake heeft drijvende eilanden en vissen
zonder vinnen. In Cuba zijn er vissers met vreemde kledij die op vis jagen en
daarbij de hulp van andere vissen gebruiken die ze gebonden hebben aan een touw
bij de boot. Als ze een vis bemerken zonder touw dan wordt de jachtvis er
direct op gezet en met een huid als een beurs die achterop haar hoofd groeit,
grijpt ze die zo vast dat ze onmogelijk van haar weggenomen kan worden tot ze
haar boven het water tillen. (Zie schipvertrager)
De gier is levend
en dood, ja, zelfs haar olie is een dodelijk gevaar voor alle vissen die binnen
de geur ervan komen
Vishoofden die gebrand worden helen de beet
van een dolle hond en de steek van een schorpioen. Ook het sap van elke vis
helpt tegen venijn dat gedronken wordt, en venijnige steken.
Tiektoektee woonde met zijn vrouw in een
waterpot op het strand van de zee. Toen hij eens na lang vissen niets gevangen
had nam hij het besluit een einde aan zijn leven te maken. Op het moment van
springen steekt een visje de kop boven water en vraagt: ‘wat wil jij mannetje
Tiektoektee?’ Op het antwoord:
‘dat ik in een pispot woon, dat doet mijn
hart zo zeer.
Och had ik toch maar een beter huis’, zegt
het visje: ‘Ga naar huis het zal u gegeven worden’. Thuisgekomen vindt hij zijn
vrouw in een fraaie woning. Ze is daar echter niet tevreden mee en stuurt haar
man weer naar zee om een hof en boomgaard te vragen. Hij gaat er heen en roept:
‘visje, visje uit de zee!’
Het visje verschijnt en krijgt op de vraag:
“wat wilt gij manneke Tiektoektee?” ten antwoord:
‘Mijn vrouwtje, mijn katilletje.
die heeft zo geerns heur villetje’.
De vis vraagt wat ze zo graag wil hebben, en
hij zegt ; ‘een hof en boomgaard’. Hierop zegt de vis ga naar huis en je zal
het hebben’.
Zo krijgt het paard koeien, ossen, landen en
alle schatten der wereld. Ze leven in weelde. Toch gaat het vissertje,
aangestoken door zijn vrouw, weer naar zee en geeft de wens te kennen dat hij
graag God zou zijn en zijn vrouw de Moeder Gods. Nu steekt het visje voor de
laatste keer zijn kop boven water en roept:
“Gij drijft me mij de spot
Daar is maar een God
kruip weer in uw pispot”.
Dit vertelsel, gericht tegen de vrouwelijke
ijdelheid en mannelijke zwakheid is bekend langs de kusten van Holland en Duitsland.
‘Hier is nog een ander liedje, van een vis
die aan de kust verschenen is op woensdag de tachtigste april veertigduizend
vademen boven water en die dit liedje gezongen heeft tegen de hardvochtige
meisjes. Men denkt dat zij een vrouw geweest is die in een koude vis veranderde
omdat haar vlees en bloed geen gehoor wou geven aan de warme liefde van een
jonkman. Het is een droevige geschiedenis en niet minder waar.’
In een vijver in Bourgondië waren er evenveel
vissen gezet als er in het nabijgelegen klooster monniken waren. Werd een
monnik ziek dan kwam een vis naar boven zwemmen en sloeg met zijn staart, zou
hij overlijden dan dreef drie dagen daarvoor al een vis dood op het water.
De vissersvrouwen van Zoutkamp horen reeds
voordat de vis gevangen is en hun mannen met de snik of schuit thuiskomen, het
klappen van de schol, die met hun staart in de eenzaamheid een vreselijk leven
maken in het achtergedeelte van hun woning. Dat is het geluk en heilaanbrengend
geluid van de werkgeesten.
Vissen met gouden schubben komen geregeld
voor. In het Arbermeer, Beierse woud, zwommen er vissen wiens ogen edelstenen
waren.. Elk oog is wel een koninkrijk waard maar het is gevaarlijk om ze te
vangen. Te Pfreimdt, Boven-Pfaltz, verhaalt men dat er in de Naab een zeer
grote vis zwemt met gouden schubben, mogelijk wel een snoek. Komt hij in een
net dan trekt de visser die met moeite uit het water maar hij kan de vis niet
te pakken krijgen. Dat is jammer. De vis heeft de sleutel tot de grootste schat
van Europa die daar verborgen is.
In een onpeilbaar diep meer zijn zonderlinge
vissen die altijd weer uit het net springen als ze gevangen zijn. Ze zijn de
zielen van onschuldige die ter dood gebracht zijn.
Er was eens een visser die steeds een goede
vangst had totdat dit verminderde. Op een goede dag haalde hij zijn net leeg
naar boven. Treurig ging hij naar zijn hut terug en klaagde zijn nood aan een
mannetje die hem de raad gaf op reis te gaan. Na een dag gereisd te hebben zou
hij aan een rivier komen waarin het van de vissen wemelde. Hij deed zo en vond
de rivier. Hij wierp zijn net uit en ving een grote menigte goudvissen. Hij
ging er mee naar het paleis en verkocht ze duur aan de kok. Die deed ze met wat
vet in de pan om ze te bakken. Plotseling sprong een Moor uit de muur en sloeg
met zijn staf in de pan en riep: ‘vissen vergeet je plicht niet”. Ze staken de
koppen bij elkaar en antwoordden: ‘wij vergeten onze plicht niet, wij bouwen
huizen en verven ze’. En alles was verdwenen. De koning, die het verhaal
verteld was, ging met een tovenaar naar de rivier en bevrijdde de vissen. Het
waren betoverde metselaars en timmerlieden. Ze dankten hem voor hun verlossing
en vroegen ook om hun heer te verlossen. Die zat, zeiden ze, in een oud slot en
was van boven in een mens maar van onder in steen veranderd. Hij werd dagelijks
door zijn vrouw, een heks, met roeden gegeseld. De vorst voldeed aan het
verzoek.
Twee vissers hadden de hele nacht nog niets
gevangen. Toen verscheen de zwarte griet die hen zei: “werp uw netten nogmaals
uit en jullie zullen een goede vangst hebben. De beste vis moet je weer terug
gooien’. Dat deden ze en vingen zoveel dat de schuit bijna te klein was. Onder
de vissen was er een die in plaats van schubben gouden munten had. De ene
visser wilde hem overboord gooien, maar de ander verstopte hem. Toen ze naar
land voeren kregen alle vissen gouden schubben en de schuit zonk daardoor
vanwege het gewicht en de ene visser redde met moeite zijn leven.
De gouden vissen kunnen niet de Chinese
goudvis zijn, die is pas in 1728 ingevoerd
De rietvoorn, Cyprinus erythrophthalmus, met
rode ogen en vinnen die Rothaugle genoemd wordt rond Mecklenburg zal het ook
niet zijn.
Een fluitspeler zag vele vissen in de zee.
Hij begon te fluiten in de mening dat de vissen dan wel op land zouden komen.
Dat gebeurde niet. hij pakte een net en wierp dat over de vissen. Toen hij ze
zag spartelen zei hij; ‘’hou maar op met dansen want toen ik muziek maakte
wilden jullie ook niet dansend uit het water komen’’..
Vissen worden soms
op wonderbare manier gevangen. Vooral een bovennatuurlijke kracht kon wel eens
helpen. Over een wonderbaarlijke visvangst spreekt ook Marco Polo bij zijn reis
als hij Georgië aandoet:
“Ge vindt er ook een nonnenklooster, Sint
Leonard genoemd, waar zich iets wonderlijks bevindt dat ik u niet mag
onthouden. Bij de kerk ligt een groot meer met water uit de bergen en waarin
het hele jaar door geen enkele vis is te vangen, groot noch klein. En komt de
eerste dag van de Vasten, dan vindt men er de mooiste vissen ter wereld en in
grote hoeveelheid. Hij blijft, deze vis, de ganse vastentijd tot op Paasavond.
En dan is er opnieuw geen enkele meer te zien tot de volgende Vasten. En dit
gebeurt elk jaar weer wat een groot mirakel is. (in de vastentijd mag je geen
vlees eten, wel vis)
Zwangere vrouwen.
Zwangere vrouwen hebben wel eens
vreemde neigingen. Ze zijn belust op het een of ander, spijs of drank. In
sommige gebieden werd dat zelfs in bescherming genomen. In een
rechtsverordening van Galgenschied werd bepaald dat niemand vis of wild zou
vangen. Uitgezonderd werden zwangere vrouwen die een knecht of man mee mochten
nemen en dan zoveel vis mochten vangen dat de lust hen vergaan zou.
Van de andere kant zouden zwangere vrouwen
geen vis mogen eten want dan krijgen hun kinderen vissenkoppen
Uit de verschijning
van bepaalde vissen voorspelden de priesters van Lycië de toekomst. Aristoteles
schreef over en kende een honderd soorten. De Romeinen kweekten enkele vissen.
Vis was verboden
voor de Egyptische priesters, mogelijk omdat ze genoeg rood vlees hadden. Als
hiëroglyfe betekent de vis vermenigvuldiging en rijkdom. Hippocrates
waarschuwde voor het eten van aal. Alexander de Grote zou zijn soldaten het
eten van vis verboden hebben. Vele West Aziatische volkeren van de Oudheid als
de Syriër, Assyriërs en Phoeniciërs brachten aan de vissen een godsdienstige
hulde zodat die in ieder geval niet door de priesters gegeten werden. Ook de
volgelingen van Pythagoras onthielden zich van vis en vereerden deze dieren als
zinnebeelden van stilzwijgendheid. Shakespeare laat Falstaff dan ook zeggen
King Henry IV, II, 4, 3:
‘Van geen van al die eerbare knapen komt ooit
iets terecht, want hun bloed wordt zo overmatig bekoeld door dunne dranken en
hun vele vismaaltijden, dat ze een soort van mannelijke bleekzucht krijgen, en
als ze trouwen krijgen ze niets dan meisjes”.
King Lear, I,4,18. ‘dat
ik geen vis eet’ .In koningin Elizabeths tijd werden de Katholieken voor
vijandig jegens de regering gehouden. Vandaar het spreekwoordelijke gezegde: hij
is een eerlijk man en eet geen vis’ om aan te duiden dat hij een vriend is
van de regering en protestanten. (Katholieken eten op vrijdag, de vastendag,
vis) Van de andere kant was vis heel duur wat Lear in die omstandigheden niet
kon betalen.
Vis werd al vroeg een symbool van afgoderij
en was mogelijk verbonden met een vruchtbaarheidscultus. In Deuteronium 4:18
werden de Hebreeërs gewaarschuwd geen afgoden in de gedaante van een vis te
maken. De afgod met een vissenstaart die op munten in Ashkelon is gevonden
wordt geïdentificeerd met Atargitis, de visgodin wiens cultus in Syrië was en
zich waarschijnlijk via handel verspreidde. Ook Dagon, de hoofdgod van de
Filistijnen was een visgod, hoewel men er nu aan begint te twijfelen. Het
verband komt van Hebreeuws dag: vis en dagon. Meer waarschijnlijk is het woord
verwant met Hebreeuws dagan: koren of graan
‘Dag’ is mannelijk en dagah’ is vrouwelijk,
deze woorden worden altijd vertaald als vis. Ze verschijnen drie en vijftig
maal en maar in twee passages wordt er over vis eten gesproken, Num. 11:5 na
hun lange tocht toen ze naar de Egyptische vis verlangden. Daar was blijkbaar genoeg.
De eerste plaag, waar water in bloed verandert en alle vis doodde zal een
bedreiging geweest zijn voor de voedselvoorziening. De veronderstelling dat de
Nijl een goed viswater is kan je halen uit Jes. 19:8.
De tweede passage is in Neh. 13:16 waar de
handelaren uit Tyre zelfs op zondag vis verkochten, onwettig dus.
Ook wordt er nooit lovend over het vis eten
gesproken. In 1 Cor. 15:39 waar Paulus de verrijzenis bespreekt en geeft aan
dat ‘:Alle vlees is niet hetzelfde, maar dat van mensen is anders dan dat
van beesten en het vlees van vogels weer anders dan dat van vissen’. Het
spreekwoordelijke gezegde van de Heer, Matt. 7:10 ‘waar om vis gevraagd
wordt om te eten’..
Het Griekse woord voor vis is ‘ichthus’ en is
een gewoon woord voor vis wat we terugvinden in de naam ichthyology, de
natuurlijke historie van vissen en verder ‘ichthudion’ en ‘opsarion’, die naar
kleine vissen of minstens een soort verwijst. De laatste wordt bij Joh. 6:11,
en 21:10 gevonden voor een vis die vrijwel of geheel gekookt is.
De reine en onreine vissen worden beschreven
in Deut. 14:9, ‘al wat vinnen en schubben heeft zal je eten’, dus geen
haaien en aal. Ze werden wel schoon gemaakt ingezouten of gedroogd en kunnen
dan een tijd bewaard worden.
Er zijn een paar verwijzingen in het O.T. dat
men met hengel en haak viste, Jes. 19:8. Sommige vroege haken waren van
natuurlijk materiaal, Hebreeuws ‘sir dugah’ betekent visdorens wat dit weer
geeft. Het woord wordt gevonden in Amos 4:2. Bij de oude Egyptenaren zie je
afbeeldingen van vissers, inclusief het gebruik van lijn en hengel. In de
Griekse literatuur is de eerste verwijzing in de Odyssee. Op een Assyrische
afbeelding van 700 v. Chr. zie je dat er vis uit een meer wordt genomen met een
lijn die in de hand wordt gehouden.
Zie Job 41:1, Hab. 1:15.: ‘Hen allen trekt
hij op met den haak’. Assyrische monumenten laten dan ook zien dat
gevangenen geleid werden met vishaken in de neus. Amos 4:2 suggereert dat dit
inderdaad werd gedaan: ‘ zie, dagen zullen over u komen, dat men u met
angels zal optrekken en wie van u overblijven met vishaken’.
Het harpoeneren van vissen is al oud en wordt
afgebeeld in een tombe van Simut te Thebe, rond 1500 v. Chr. In Job 41:7 zijn
er twee verschillende woorden voor.
Op de eerste nieuwjaarsdag, ‘Roosch
Haschanah’ of als het dan sabbath is op de tweede begeeft men zich naar een
stroom of beek waarin vissen leven en zegt daarbij staande de laatste verzen
van het boek Micha op die op zonden betrekking hebben. Het is een symbolisch
uiting met de gedachte in de daar voorkomende woorden: ‘moogt gij al hun
zonden in de diepte der zee werpen’.. Velen hebben bij die gewoonte de
gelegenheid om stukjes brood of andere dingen in het water te werpen. Dit
gebruik heet in het Hebreeuws ‘Taschlich’: wat ‘gij zult werpen’ betekent,
Micha, VII:19, hoewel hier meerdere uitleggingen van zijn.
De
Joodse geleerde Maharil wijst op de gewoonte van de bedevaartgangers naar Mekka
die voordat ze een laatste maal om de Kaaba trekken zich in het dal Mina heet
hoofd moeten scheren en de nagels knippen (dat wordt in het dal begraven) nadat
ze met tussenpozen drie maal zeven stenen hebben geworpen naar de drie in het
dal aanwezige obelisken. Ze noemen dat de ‘steniging van de duivel’. Men brengt
die gewoonte terug tot de aartsvader Abraham, met wie de gehele omgeving van
Mekka in verband staat en waarvan men zelfs beweert dat hij de Kaaba gebouwd
zou hebben. Toen Abraham, zoals te lezen staat in ‘Sepher Hajasjar’, op weg
naar Moriah was om zijn zoon te offeren kwam de satan Iblis, in de gedaante van
een oude man, hem tegemoet en trachtte hem van die vrome daad af te houden. Op
raad van de engel Gabriel dreef de aartsvader de duivel met stenen op de
vlucht. In verband hiermee wordt het stenen werpen in het dal Mina nog altijd
beschouwd als een herinnering aan Abraham’s overwinning op het boze. Evenwel is
het stenen werpen al veel ouder dan de Islam. De zogenaamde ‘hermen’, van de
Grieken zijn steenhopen waarbij iedere voorbijganger een steen wierp of een
plengoffer bracht in de hoop dat Hermes (Mercurius) de reiziger veilig zal
begeleiden, vergelijk ook de Germaanse Irminzuil.
Het werpen met brood op nieuwjaarsdag heeft
niets met stenen werpen te maken, noch iets met de oude Grieken van doen.
Misschien wordt het gedaan met hoop op zegen in het nieuwe jaar terwijl men
gedachtig is aan het woord van de Prediker XI:1, waar die zegt : ‘werp uw
brood uit op het water en gij zult het terug vinden na vele dagen!’, dat
wil zeggen elke goede daad vindt haar loon. Graan en brood als gaven Gods, het
symbool van geluk en voorspoed. Waarom er dan vissen in het water moeten
zitten? De Kabbalistische verklaring is hiervoor dat de vissen geen wenkbrauwen
of oogleden hebben en zij hun ogen dus wijd geopend houden waardoor de vis het
symbool is van het wakende oog dat met andere woorden de ‘Bewaarder van Israël
die niet sluimert of slaapt’ over zijn volk houdt.
De vis is trouwens het symbool van
vruchtbaarheid die altijd op nieuwjaarsdag bij de Joden op tafel ligt. Bij
sommige Joodse huwelijksfeesten is het een gebruik dat het jonge paar zeven
maal over een schotel met vis loopt.
Zwaluwmest is dan
nog zeer gevaarlijk en waarschijnlijk is dit nog een overlevering van het
verhaal van Tobias. Die kreeg van een zwaluw wat op zijn oog en werd daardoor
verblind
‘De jonge Tobias
doodt een visch’…
Op reis wil
Tobias met baden zich verfrisschen.
Daar nadert hem
een visch, een van de grootste visschen.
Op last van
Rafale trekt hij dien op het strand.
En snijdt hem de
lever, gal en hart uit ’t ingewand’.
Hij gaat zijn vaders
ogen betten met de meegevoerde gal.
‘strijkt je de
gal in zijn ogen en als het bijt dan zal hij ze wrijven en witte schillen
uitwerpen, en hij zal zien’.
Dit waarschijnlijk door de alkalische en schuimende eigenschappen, of de
antiseptische eigenschappen van galzure zouten..
Een Tobias geneest
zijn vader van die ziekte. Het is niet onwaarschijnlijk dat de reis van Tobias
doelt op het verblijf van de Joden in Egypte, het land van oogziektes, waar de
Joden wel het ogenmiddel leerden. In de geneeskunde wordt echter meestal
ossengal gebruikt.
In de catacomben kwam het vismotief geregeld
voor. Je kan er een afbeelding zien van een herder die een lam op de schouder
draagt omdat Hij sprak: ‘ik ben de goede
herder’. Verder een duif, het symbool van de H. Geest, een anker, het
zinnebeeld van de hoop, een luit en dit in verband met Efeze 5:19: ‘Spreekt tot elkander met psalmen en
lofzangen en geestdriftige liederen, zingende en psalmende den Heer in uw hart’.
Een palm, het symbool van volharing, moed en uiteindelijke overwinning, naar de
latere tekst ‘palma sub pondere crescit’, waarbij de kanttekening van de oude
Statenvertaling bijgehaald wordt, Psalm 92:13: desen boom wast hooge ende recht op, met schoone groene tacken, of hij
schoon met gewichte ofte swaerte nedergebogen wordt, soo groeyt ende bloeyt hij
evenwel. Hij groeit dus tegen de verdrukking in. Verder de haan als
aankondiger van de dageraad en symbool van waakzaamheid, ook in verband met
Petrus verloochening. De Phoenix die zich in zijn nest verbrandt om vernieuwd,
verjongd uit zijn as te herrijzen, het symbool van onsterfelijkheid.
Eindelijk komt veelvuldig het teken van de
vis, meestal een dolfijn, voor. Waar die met een korf broden op de rug is
afgebeeld zal wel verwijzen naar het verhaal van de wonderbare spijziging. De
vis kan beschouwd worden als het geheim teken van de Christenen uit die tijd.
Het woord vis luidt in het Grieks ‘Ichthus’, het zijn die letters die tegelijk
de beginletters zijn van vijf Griekse woorden: Iesous Christos Theou Uios
Sooter” dat wil zeggen. “Jezus Christus Gods Zoon, Redder’ (of Heiland).
Bovendien is de vis het symbool van de geestelijke visvangst, zie Matth. IV en
Markus I en tegelijk het symbool van reinheid en wedergeboorte in de doop. Op
oude platen ziet men dan ook Jezus bij de doop in de Jordaan, omgeven door een
menigte vissen. Ook werd oudtijds de doopvont piscina genoemd, het Latijnse
woord piscis betekent vis. Dit omdat de Christenen opgevist werden tot redding
van hun ondergang. Zo gold de vis, behalve als het symbool van Jezus, ook als
zinnebeeld van de door bekering en doop opgeviste ziel. Doopkinderen worden, in
verband hiermee, soms visselkens genoemd.
Zie ook over het vangen van vis als mensen
vangende, Micha 7:2, Ez. 32:3, Ps. 66:11, Jer. 16:16, Matth. 13:47, 4:18.
Ichthus is mogelijk een gekerstend
zeemanssymbool omdat het Christendom in die streken ontstond waar de nautische
bedrijven in het algemeen druk beoefend werden. Ook de Apostelen waren vissers,
vaak in letterlijke maar ook in figuurlijke zin
De vis is rein en zondeloos. Immers de vis
onderscheidt zich van alle dieren die volgens het bekende verhaal van de
zondvloed allen gold, behalve de vissen in het water. Sinds de dertiende eeuw
heeft elke Paus zijn vissersring waarop de vissende Petrus staat afgebeeld die
in zijn schip een net optrekt terwijl de naam van de regerende paus er bij
wordt vermeld. Met die ring worden de pauselijke bullen of brieven gestempeld
door er een afdruk in was aan te hechten wat genoemd wordt, ‘sub annulo
piscatorius’: ‘onder de ring van de visser’. Als een Paus sterft, wordt zijn
ring gebroken.
De vis bleef nog lang gelden als het heilig
symbool van de christenen. Een voorbeeld hiervan vinden we bij Arthur en de
ridders van de ronde tafel. Nadat Gareth, zoon van de koningin van Orkney,
eindelijk van zijn moeder verlof heeft gekregen om zich naar de koning te
begeven gaat hij met twee dienaren naar de stad. Het duurt niet lang of ze
staan voor het koningsslot dat een meesterwerk van bouwkunst was en met
velerlei beeldhouwwerk versierd. In het midden van de gevel stond een prachtig
uit steen gehouwen vrouwenbeeld dat in de ene hand een zwaard en in de ander
een wierookvat hield, terwijl er op de borst een heilige vis was aangebracht.
De H. Brendaan of Brandaan die gestorven is
rond 587 las tijdens een zeereis een heilige mis en alle vissen in de buurt
kwamen aangezwommen.
Toen de mensen de predikende H. Antonius van
Padua niet wilden aanhoren, gestorven in 1231, en hem uitlachten kwamen de
vissen in grote menigte naar de oever om naar hem te luisteren.
Ze kwamen ook bij de H. Ida van Leuven,
ongeveer 1300, toen ze zich eens in het water waste en kusten haar handen.
Bij het klooster van St. Leonhard waren tegen
de vaste vele vissen in een overigens visloos water.
St. Peters gildenbroeders zijn de vissers. Op
de dag van die heilige wordt op de Belgische kusten de zee gezegend. In
Oostende trekken dan de gildenbroeders, verenigingen en gezelschappen met hun
vaandels, emblemen en heilige zaken, met brandende kaarsen in de hand door de
straten naar de dam in de zee. Daarop is een altaar geplaatst waar de mis wordt
gelezen en waarna onder muziekgeschal en het donderen van de kanonnen de zee
gezegend wordt. Een menigte vaartuigen begeleidt de boot waarin de pastoor zit
die de zee zegent met wijwater.
Als hiëroglyfe betekent de vis vermeerdering
en rijkdom.
In wapens werd de vis als symbool van
vaderlandsliefde en voorzichtigheid.
Guido Gazelle zegt:
‘Nut
den Visch, Hij zal u geven
‘t
eeuwig leven
Help
ons, Ichthus, eis aiei!.”(in
eeuwigheid)
De vis is het beeld
der matigheid, met de olifant, de duif, het lam en de kameel. Merkwaardig is
dat in de middeleeuwen het vissymbool aardsgezindheid en verleiding betekent,
dus in ongunstige zin gewijzigd wordt. De vis wordt tevens opgevat als symbool
van zwijgzaamheid en koudbloedigheid.
Het is naast de
sleutel een attribuut van St. Pieter en ook van ons land. Naast het christelijk
teken worden in latere tijd nog vele andere betekenissen aan de vissen
toegekend. Zoals gezondheid en geheimhouding, de vis is immers stom. Om
dezelfde reden zwijgzaamheid, bescheidenheid en waakzaamheid aangezien volgens
sommigen de vissen niet zouden slapen.
Het anker en de vis,
een oeroud levensteken waarbij de beide omgebogen uiteinden van de het anker
opgevat dienen te worden als takken. Deze figuur is ontleend aan het
Koptisch-Egyptische kruis dat leven betekent. Een opmerkelijk symbool dat
samengesteld is uit een viertal dezelfde gelijkvormige symbolen met vier maal
twee bladvormige en naar buiten omgebogen lobben of krullen die kruisvormig
zijn gerangschikt met een gemeenschappelijk middelpunt. Deze samengestelde
viervoudige figuur treedt ook enkelvoudig op en wel in familiewapens en bij muurankers.
De vier armen van het ankerkruis vertonen nu vier van dergelijke schematisch
weergegeven en gestileerde levensbomen of paradijsbomen in hun eenvoudigste
vorm. Immers, de beide bovenste, naar weerskanten omgeven krullen zijn de
bladeren en de as is de stam. Het ankerkruis vertoont een combinatie van vier
dergelijke bomen en vormen tezamen het algemeen christelijke symbool, het
kruis. Eindigen de gespleten uiteinden van de armen in slangenkoppen, de
paradijsslang, dan spreekt men in de heraldiek van slangenkopkruis. Als
Maria-monogram komt het anker voor in de vorm van het ankerkruis waarbij
Christus door het kruis wordt voorgesteld, geboren uit Maria die door de
maansikkel (=Maria-symbool) wordt aangeduid.
Maerlant; ‘Monstrum, zegt het Latijn, mag wel een wonder zijn omdat
men het getuigt en ziet als wonder en dit noemt men wonder. Wonder vindt men
voor een groot deel in de zee en veel meer dan de wereld kan laten zien. Wonder
vindt men in rivieren en in verse wateren mede, boven alle geloofwaardigheden.
Sommige wonderen zijn beschreven en dat is me in boeken gebleken dat ik in het
Dietsche woord wil voort brengen en om het woord te korten zeg ik van elk geen
bijspel, ik kwam niet goed tot een eind, het verhaal zou te lang zijn. Nu begin
ik mijn zang van de a en verder meer volgt na het a b c. Hier eindigt het
verhaal van het algemene, hoort voorts van elk alleen’.
Zeemonsters zijn het bijgeloof van de zeelui
die vanwege een sterk vertrouwen in de voorbestemming een angst hadden van
zekere voortekens. In de stormvogels, vooral de stormzwaluw of
Petrusvogel, vermoedde men de zielen van
verongelukte zeelui. De Grieken hadden zo’n gedachte in de halycondagen. Zijn
aanblik was in de oudheid zeer geducht. Dit in tegenstelling met het verschijnen
van het Helenavuur, het latere St. Elmsvuur, op het schip tijdens een storm of
onweer. Bij een dubbele mast was het Dioscenervuur dat men als reddingsteken
begroette. In de middeleeuwen kwamen daarvoor meerdere heiligen, namelijk St.
Herman, in Italiaans Ermo, Elmo waarnaar het Elmsvuur genoemd is, terwijl het
in de nieuwe tijd door Griekse scheepslui als bedreigend wordt ervaren en dat
men door ontbloten van het achterste wil laten verdwijnen. In de Griekse
wateren zoekt men de mooie vrouw, Kyra Kala of de mooie Gorgone, de dochter van
Alexander de Grote en de zeekoningin Thalassia die met grote voorzichtigheid
behandeld wordt. Gelijk is het geluid van geheimzinnige stemmen die uit de zee,
naar Plutarchus vertellingen, de dood van de grote Pan aankondigden en algemeen
weeklagen opwekte. Evenzo de vrees voor het zeegezicht en spookschip. Het snel
en geluidloos voorgaande spookschip die al in de Odyssee voorkomt is voor een
deel een naklank van het zielenschip (de boot van Charon, de Naglari van Noorse
mythen en komt voor aan de Franse kusten. Zie ook de Vliegende Hollander en de
Klabautermann)
Het geloof aan de scheepshouders, remora, die
de schepen vasthielden zodat ze niet meer weg konden. Net zo is het met de
zeebisschop, de kraken, de zeevrouwen en de magneetbergen die alle ijzeren
nagels uit het schip trekken. Dat geloof is verdwenen. Daar en tegen zijn de
zeeslangen nog steeds levendig en verschijnen de meeste jaren als Loch Ness.
Vele van deze spookvormen zijn het geloof aan de dichtklappende rotsen, de
Symplejaden, en de midden in de Oceaan groeiende palmen, de Maledivennoot, de
geweldige zeestromen, de Charybdis en Scylla en het eiland van de zaligen als
Avallon. De meeste hiervan komen in de Odyssee voor en zijn wijd verspreid en
vaak uit kosmische aanschouwingen van de natuurvolkeren ontstaan.
Poëten zijn geen onderzoekers en als ze een
dier gebruiken voor poëtische zaken varen ze op het algemeen geloof en
literaire vermeldingen. Ze zijn meestal niet bezorgd om hun wetenschappelijke
kennis zolang als het onderwerp maar helpt om de verbeelding en emotionele
effecten te versterken.
Als Spenser in zijn Faerie Queene zeemonsters
naar boven haalt zegt hij dat het de verschrikkingen van de diepzee zijn waarop
Sir Guyon zeilt. Hij koos daarvoor schepselen met vreemde en sonore namen en
voegt ruwe beschrijvingen toe om een verschrikkelijke atmosfeer te beschrijven:
“Spring
headed hydraes, and sea shouldring Whales’’.
Great
whirlpooles, which all fishes make to flee’.
Bright
scolopendreas arm’d with silver scales’.
Mighty
Monoceros with immeasured tayles’.
The
dreadful fish that hath deserved the name’.
Of
Death, and like him lookes in dreadfull hew’.
The
griesly Wasserman, that makes his game’.
The
flying ships with swiftness to pursew’.
The
horrible Sea satyre that doth shew’.
His
fearefull face in time of greatest storme’.
Huge
Ziffius, whom mariners eschew’.
No
less than rockes (as travellers informe)
And
greedy Rosmarines with visage deforme’.
De spring-heades hydreas laat zien dat de
poet denkt aan het Lernische monster dat gedood werd door Hercules. Dat is een
veelhoofdige waterslang en als er een hoofd afgehakt wordt er twee op die
plaats terugkomen.
Whirlpool was een woord dat in de 15de
en 16de eeuw gebruikt werd voor de spuitende walvis. In de
vertalingen van Plinius wordt gesproken over walvissen en whirlepools die
‘Balanae” genoemd worden en een ‘machtige vis die Physeter’ genoemd wordt, ook
een whirlepool. Physeter is een Grieks woord en betekent literair blazer, de
naam verwijst naar de blaasgaten in zijn hoofd. Zo ook de whirlpool dat
draaikolk betekent.
Scolopendra is het Griekse woord voor de
duizendpoot, de zeeduizendpoot is een soort worm die wat op de duizendpoot
lijkt. Sommigen hiervan zijn zo groot als twee voet in lengte. De vreemde
reputatie van de zeeduizendpoot komt door een mysterieuze tekst van Aristoteles
die onopgelost blijft. Hij zegt ‘de zo genoemde zeeduizendpoot draait zichzelf
van binnen uit om na het inzwelgen van de haak tot het die haak ophoest en dan
draait hij zich weer naar binnen’. Mogelijk was dit een soort worm, een grote
Nereis wiens maag zich binnenste buiten gekeerd had.
Spencer’s monoceros is de zee-eenhoon, de
narhwal.
De onmetelijke of geweldige staarten zijn een
uitvinding van de poet.
De verschrikkelijke vis, die de naam van dood
verdiend heeft, is duidelijk de morse of walrus die hij grappig verwisselt met
het Latijnse mors. (dood)
Wasserman is een Duits woord voor waterman,
een meerman. Het is een vaag zeemonster die samenschoolt met de walvis,
bruinvis (de Engelse grampus) en walrus. Het zou een equivalent zijn van de
zee-aap. Spenser heeft dit mogelijk van Aelianus die zegt dat er zekere
monsters zijn die op satyrs lijken. Elders beschrijft hij een zee-aap aan de
Rode Zee die op de landaap lijkt in kleur en vorm van de snuit. Zijn hele
beschrijving suggereert een rog.
Ziffius is een vorm van xiphias, het Griekse woord
voor zwaardwalvis, die goed bekend was bij de ouden. De naam wordt als Zephius
gespeld.
Rosmarine is een andere naam voor de walrus.
Het eerste gedeelte betekent paard wat lijkt op het laatste deel van walrus
zodat het woord zeepaard betekent.
Steeds kwamen er
nieuwe dieren uit de zee. Er zouden in de zee dan ook net zulke bewoners zijn
als op het land. Zo is er een zeegriffioen, een griffioen met vislijf.
De zeehond, een hond
met vissenlijf.
De zeeleeuw, een
leeuw met vissenlijf.
Zeepaard, een paard
met vissenlijf.
Zeebok, zee
eenhoorn, zeehert, zeehaas, zeeotter, zeevarken, zeewolf etc.
Het neusje van de
zalm. =Het fijnste, het beste, het is dat gedeelte dat vlak onder de bek lig en
puntig van vorm is dat gelijk met de nekmoot wordt afgesneden. Dit houdt men
algemeen voor het lekkerste stuk Men gelooft dat niets minder dan een
paardenhaar die in een ketel water gelegd wordt in korte tijd zal verstijven en
een levend creatuur zal worden.
Vis nog vlees zijn.
=Iemand die men niet tot een bepaalde soort kan brengen.
Bakvis: een vis groot genoeg om te bakken. In de
betekenis jong meisje, evenals Engels backfish en Duitse Backfisch, gebakken
jonge vissen zijn lekkerder dan volwassen vissen. Wegens de gelijkheid van
klank met baccalaureus heten onrijpe studenten bakvissen.
Vis moet zwemmen.
=Bij het eten van vis behoort een glas wijn gedronken te worden. Visgebruik
geeft dorst.
In troebel water is
het goed vissen. =Omdat de vis dan minder ziet.
In zulke waters vangt men zulke vissen. =Als iemand
de nadelige gevolgen krijgt van een slechte zaak, dus loon naar werk.
Boter bij de vis.
=Dadelijk betalen. Als men de vis wil stoven moet men boter bij de hand hebben.
Op het einde van de
fuik vangt men de vis. =Met geduld komt alles terecht.
Hij is in de fuik
gelopen. =In de val gelopen.
‘Gasten en vis
blijven maar drie
dagen fris’. =Gasten moeten niet te lang blijven.
Hij heeft het
grootste gelijk van de vismarkt. =’t Is net als op de vismarkt, wie het hardste
schreeuwt krijgt gelijk.
Ieder vist op zijn
getij. =Ieder maakt van de omstandigheden gebruik als die gunstig voor hem
zijn. Getij is midden-Nederlands voor gunstige tijd, later dacht men aan getij,
eb en vloed.
Hij is niet zuiver
op de graat. = Hij is niet geheel te vertrouwen. Ontleend van de vis die begint
te bederven wat men aan de graat kan zien. Daarnaar ook, hij is rood op de
graat. = Hij heeft socialistische neigingen.
Hij vindt er geen
graten in. = Dat is voor hem geen probleem. Naar het eten van vis waaruit men
de graten verwijderd heeft.
Dat is geen vis en
geen vlees. =Die behoort niet tot de ene en ook niet tot een andere partij,
Halfslachtig, men weet niet wat men eraan heeft.
Hij is zo gezond als
een vis.
Een klein visje, een
zoet visje. =Een buitenkansje wordt vaak meer op prijs gesteld dan het loon
voor harde arbeid.
Hij hengelt naar een
goudvis. =Hij vrijt met een rijk meisje.
Daar zijn wij, grote
vissen weer, zoals de garnaal tegen de schelvis zei. =Spottend wanneer iemand van
geen betekenis zich gelijk rekent met wie veel voornamer zijn.
Vis laat een mens
zoals hij is. =Vis is niet voedzaam.
De grote vissen eten
de kleine. =Grote heren maken zich meester van het schrale van een arme.
Grote vissen
scheuren het net. =De grootste gauwdieven weten altijd weer te ontkomen.
Vissen hebben een
goed leven, ze drinken als ze willen en worden om het gelag niet gemaand.
Drinkerswijsbegeerte.
Hij zit als een vis
op het droge. =Hij is volstrekt niet op zijn gemak, hij is aan het einde van
zijn geld.
Een Duits raadsel;
Wat is de langste
vis?
Antwoord.
De stokvis. De kop
is in Holland en het lijf hier.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/