
Bijbel.
“het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels” Gen 1:20.
Gen. 2:19: “En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht hij die tot de mens om te zien hoe die ze zou noemen, en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten.” Veelal wordt aangenomen dat in plaats van mens Adam bedoeld wordt. Die benoemde zo alle dieren. Eva gaf alle planten een naam.
Onreine dieren komen voor in Deut. 14: 11-18, de arend, lammergier en zeearend, wouw, gier en alle soorten kraaien, alle soorten raven, struisvogel, katuil, de meeuw en alle soorten sperwers, steenuil, oehoe, en witte uil, de pelikaan, aasgier en aalscholver, ooievaar en alle soorten reigers, de hop en vleermuis. In Job 40:24 lezen we van gevangen vogeltjes waar de dochters mee spelen.
Dat de vogels populair waren blijkt dat er namen zijn met de betekenis vogeltje als de vrouw van Mozes, Zippora.
In de heraldiek,
vooral de Engelse, komen vele vreemde monstervogels voor. Soms zijn ze afgeleid
van de mythologie, soms zijn het vreemde karikaturen die ontsproten zijn uit
onbekende scheppers.
De man- vrouwvogel, de harpij, bokadelaar, bokhaan, ramadelaar, dubbelhaan en ezelvogel. Het zijn heraldische monstruositeiten of fabeldieren waartoe ook de adelaarsmonsters behoren met name de keizerkop adelaar en de griffioen. Op wapenschilden zijn ze wellicht ter afschrikking van de vijand geplaatst. Dat zien we ook in de hoofdtooi van buffelhorens en de berenmuts, kolbak, die diende om de vijand te imponeren.
Maerlant, ‘Proloog’; ‘Elke
vogel die snel is in vliegen die gaat niet zo goed te voet, zoals men aan de
zwaluwen kan zien. Kleine vogels plegen meer te zingen dan de grote. Bijtende
vogels en hun echtgenoten zijn sterk van borst en die van allerhande vogels
klauwen plegen te hebben, zoals wij het weten. Soms hebben ze de voeten
gespleten en soms verzameld in een vel. En geen vogel is zo snel die sporen
draagt als een haan. Hennen en ganzen, zoals ik meen, brengen eieren als we
zien dat ze plegen te genieten, maar ze zijn van hun eigen smaak en dat is een
ware zaak. Krom gebekte vogels hebben de grootste kracht en leven ook al van de
jacht. Andere vogels leven van wormen, van vissen en slangen in menige vormen.
Watervogels, verstaat me wel, die het vel over de klauwen hebben, die vliegen
tezamen in groepen. En die van vlees leven te waren, vangen hun echtgenoot
niet, alzo als de vis ook pleegt, maar de sperwer die weet, hij vangt graag
zijn musje. Het zijn vele zwakke vogels die bang zijn voor de sterke winter en
die naar warme steden varen. Vele vogels zijn te vermelden die in de wintertijd
in holen sluipen en in de warme aarde kruipen waar elk de ander verwarmt in de nood
en liggen daar wel half dood (koekoek)
en langdurig zonder eten, met Gods krachten beter dan van de natuur
Bijtende vogels in het algemeen
plegen alleen te vliegen, dat doet hun vrekkige manier.
Vogels beminnen heldere
rivieren.
Als ze de vleugels laten hangen
zijn ze met euvel bevangen.
Vogels van prooi algemeen
zitten node op de steen en dat wijst hun natuur, elk zijn klauwen zijn duur.
Hem heeft de natuur voor waar het zien scherp gegeven zodat ze prooien ver
zullen zien die ze te vangen plegen
Bosvogels die zijn gezond, want
men verteert ze in korte stond
Bijtende vogels verzamelen
niet, alleen als ze genieten plegen
Duiven, ganzen, zwanen,
spreeuwen, roeken, kauwen, vinken, meeuwen en dergelijke vliegen bij scholen
van land tot land te dolen en voeden zich algemeen, want zulke vogel zijn node
alleen
Soms hebben ze leiders op hun
wegen zoals wilde ganzen en kranen plegen
Soms vliegen ze in troepen
algemeen zoals spreeuwen en andere vogels klein, soms zoals mussen blijven in
ze het land en soms vliegen ze door ‘s winters band [als zwaluwen en ooievaar}
soms willen ze in bossen varen en daar hun feesten bedrijven, soms willen ze in
huis blijven
Dat ze onder andere vogels
geluid leren, zulke zijn het die zich bekeren en de mensentaal namaken zoals
men aan de ekster wel ziet, aan papegaai en andere mede
Als velen is de vogels zede, al
zijn ze misselijk in gedaante, de natuur heeft in het ontvangen
en in winnen de kleine voordeel
gegeven en het is hem gebleven’.
Uit Megenberg.
Over
vogelziektes zegt Maerlant; ‘hoort voorts van de
edele vogelpijn, hun euvel en hun medicijn. Ptolomeus, dat is geen grap, heten
alle koningen wel die in Egypte de kroon droegen. Een Ptolomeus regeerde schoon
in die tijden, we lezen dus, dat Aquila en Cymacus
en
Theodocion meesters waren van grote waardigheid. Deze drie, vanwege zijn
verzoek,
die
schreven een boek, de ‘edele vogels medicijn’, alzo als het in het Latijn door
broeder Albrecht is beschreven en Jacob zal het nu verder geven. De namen van
de kruiden die er zijn zal ik u geven in het Latijn. Die kennis, alzo als het
is, zal elke apotheker uit het hoofd kennen, naar dat wij het kennen. Zullen we
om te beginnen dit leren.
Wordt
een vogel ziek in de ogen, men zal het te genezen pogen met fijne olie van
olijven die men hem zacht zal inwrijven en dit zal men veel doen. Groeit op dat
oog dat witte, men zal poeder van venkelzaden en vrouwenmelk, dat is dat ik
aanraad, warmen en daarvan komt het hem te bate
Heeft
hij de neusgaten verstopt, Delphinium staphisagria en peper daar toe, maak het
tot poeder en meng het toe en blaast hem, wil u het genezen, met een pijp in de
neus en wrijf zijn snavel met poeder van staphisagria daarmee.
Heeft
hij reuma in het hoofd mede, doe hem, dat is de handigheid, ruit omtrent de
neusgaten
en
zijn aas er mede natten, dat is zijn bate, in ruitensap dat hij zal eten.
Noch
een bate zal u weten, neem ook knoflook gestampt met wijn en doe dat in zijn
neusgaten en zet hem daar zonder licht en laat hem een dag vasten, echt
Heeft
hij lepe ogen, hoort hier na, neem poeder van staphisagria dat met honing goed
gemengd is en wrijf zijn tong, dat is de gang, geef hem dan boter te eten en
geneest hij daar niet van, witte kolen zal men drogen en dat poeder zal zijn
macht getuigen.
Roept
hij ook te veel in het huis, dan zo neem een vleermuis en stamp peper daar in
het aas, hij zwijgt te beginnen. Vindt men de vleermuis ook niet, dan is het
recht dat men beziet om elk andere vogel waar tenminste geen verlies aan is en
er met gemalen peper in te doen, het zal licht helpen daar toe.
Die
veel roepen, men wil dat kennen, dat ze eieren heeft binnen, geneest hij
moeilijk, je zal hem muizen te eten geven die leven of een hondenwelp die ziet.
Als hij zijn aas veel te verwerpen pleegt, zegt dit gedicht, neem een
vierendeel al in gewicht, scammonia en daartoe komijn, dat moet ook alzo veel
zijn, dat zal men verpoederen, mengen en daarmee zijn aas besprengen, zijn aas
moet zijn vet zwijnenvlees en maak van alle gewicht de eis, apothekeressen
zullen u wel dat rechte wijzen zonder fout. Mag hij dit ook niet eten, dan neem
van het ei dat witte en werp dat tot poeder daar ter plaatse en dan in zijn bek
daarmee. Noch is er een zaak goed die voor hetzelfde ding goed is, maak hem
eieren met melk van geiten en geef hem te eten, doe dat zoals ik het eet als op
het vuur gestold is, hij wordt dan gezond en vrij. De havik en zijn geslacht
helpt dit aardig goed met kracht.
Begint
hem ook moeheid te lusten, laat hem van alle pijnen rusten en geef hem aas
genoeg allerwegen naar zijn gevoeg, alzo veel als hij braakt, alzo veel zeker.
Valt
hij in de veren mede, dit is de naturen heimelijkheid, groene zoden onder de
voeten zijn hem nuttig tot zijn zwakheid en waar de zon heet schijnt is het
beste dat hij te staan staat.
Heeft
hij koorts, hoor hierna, in het sap van Artemisia, dat waan ik dat bijvoet is,
geef hem zijn aas en nog daarbij moet er hennenaas wezen, vier maal of vijf dit
doen. Of doe dit over een, bindt hem vast dat rechter been, in het midden van
het been zal u een ader zien en meteen zal u wijselijk (bloed) laten en daarvan
zal hem baten komen
Hierbij
mag u mede kennen of die vogel de koorts heeft, zo dan hangen bij de vogel zijn
hoofd en zijn vleugels en hij beseft en getuigt in pluimen of hij koude gedoogt
en hij aast bijna niet of zit daaraan gierig en dat hij het moeilijk er in kan
brengen. Bij zulke dusdanige dingen
kan
men zien dat die echt de koorts heeft, dan helpt hem alzo die raad die
hierboven beschreven staat. Of zeer dorstig is, doe dus dit, neem kolen van
Pistacia levisticus, dat is zijn toename in Latijn, anijsstalen zullen er bij
zijn en venkelstalen, kook dit in wijn. Ook is het nuttig er toe te doen, als
het goed gekookt is, een lepel honing en dat zal men in dit geval over de kolen
doen en geef hem dan dit te drinken, of hij als hij niet kan dan zal men het in
de bek gieten of laat hem een dag genieten door zijn aas met honing te
bestrijken en de volgende dag in die week bestrijk zijn aas, hoe zo het gaat,
met een soort olie die heet rosaet.
Is
hij ook ziek van de gal, zo besproei zijn aas geheel met bladen van wilgenboom
Als
de vleugels hem soms hangen, zo neem dan ganzenbloed en vet van ganzen is er
goed voor en zalf zijn vleugels samen en laat hem in de zon staan en geef hem
te eten van ganzenvet. Hoor noch een andere en betere, neem olie die laurier
heet en dweil eerst zijn vleugels en onder die vleugels zal u mede zijn oksels
daar ter plaatse zalven. Echt neem gal van de zwijnen en zalf er mee zijn
vleugels en geef hem in het algemeen aas mee in het sap van verbena of in sap
van saliekruiden
Heeft
hij aan die vleugels ruwheid, neem het kruid dat in Latijn geheten is Hedera
terrestris, in Dietsch daarvan, zoals ik het weet, is het dat men het gonderave
of hondsdraf heet, kook dat in water en die bladen om zijn neusgaten gieten
waar ze de zijden raken, zijn aas dat zou u nat maken in het water waar het
kruid in kookt, dit water is ook voor de voeten goed
Hebben
zijn vleugels de zeren, help hem dan in deze manieren, geef hem nat bokkenvlees
in azijn en bestrijk zijn veren met warme azijn, als ik gok, en met olie van
laurierboom en doe dat zo vaak
Breken
hem veren dat ze zo bederven dat u ze zacht uit wil doen, neem dat bloed van
een rat en bestrijk de veren op die plaats dat ze zonder pijn dan uitgaan. En
kook honing met radijs
en
als dat zeer dik wordt, neem dan een twijg van zulke maat naar de grootte van
het gat waar de veren in hebben gestaan en doe er de honing in mee samen, daar
zal snel weer groeien een nieuwe veer
Is
hem schenkel of vleugel zeer, zo neem warme aloë en bindt het er op zodat het
een nacht en een dag opblijven mag, echt hanendrek in azijn gekookt is daar op
goed in zijn noden
Is
een vogel ongerust op het rek of op de hand, kook daartoe mirre in water en
bestrijk daarmee zo zijn leden en uit dit water negen maal al zoveel als hij
nodig heeft.
Heeft
hij het euvel dat heet rampa, ik waan dat het in Dietsche de kramp is, in
Artemisia dat bijvoet heet zal u zijn aas natten, in warm lamsbloed wrijf zijn
voeten. Dit is ook een ander verbetering, of u zal nemen warme wijn waar
netelen in gekookt zijn en daarmee zijn voeten dweilen en uit dat water zijn
aas ontvangen.
Is
het dat hij toilet niet maken kan, geef hem een hanengal dan en witte slakken
gekookt te eten.
Doet
hij te veel, u zal het weten hoe dat hij te stoppen is, geef hem te drinken wat
sap van Hyoscyamus en nat al zijn aas in dat hij eten zal
Heeft
hij luizen, zo neem dan van alsemsap of nochtans water waar men dit in kookt en
als hij in de zon zit besproei en maak hem nat voor, het zal hem helpen dat
Dit
is de vogels medicijn tegen misselijke pijn, het Latijn lijkt er wel op, alzo
als wel Aquila,
Syimacus
en Theodocion schreven aan de koning Ptolomeus’.
Ze hebben vijf zinnen van welke het gezicht om wijze redenen het scherpst is, dat daarna het gehoor volgt, voorts het gevoel, smaak en reuk.
Dat hun oog platter is omdat ze in de lucht leven. Dat het oog terzijde staat om geen aanbotsende lucht tegen te staan.
De oren zijn geheel inwendig en niet met smeer maar met veren gedekt, zonder grote oorlappen en plat om in de vlucht niet gehinderd te worden en de aanpersende lucht die er in tracht te gaan buiten te houden.
Het gevoel is bij hen minder nodig en uit die hoofde niet zeer teer. De veren keren het af en de poten, die de harde grond betreden moeten, zijn ongevoelig.
De smaak is zeer aardig geplaatst in de zenuwen die in het binnenste van de bek liggen.
De reuk vertoont zich in beide neusgaten aan de zijden van de bek die in sommigen kaal, bij anderen met pluimpjes bedekt zijn om dat zintuig te beschermen en de lucht te verdelen. In de raaf moet dit vrij sterk zijn om het stinkend aas van verre te kunnen ruiken.
De bek is zo hard als hoorn om het eten te kunnen vermalen omdat ze geen tanden hebben. De bek is spits om de fraaiheid van de kop te vergroten. De roofvogels hebben het bovenste gedeelte haaksgewijze omgekromd met een scherpe punt, deels om de roof goed vast te kunnen houden, deels om die beter te kunnen verscheuren. Of om zich aan die kromte op te kunnen hangen en van de ene naar de andere plaats te komen als de vleugels tussen de takken daartoe niet kunnen dienen. Verscheidene hebben, als de eksters, een bek als een beitel om harde dingen stuk te kunnen slaan. In sommigen, als de hoenders, sluit de bovenkaak boven de onderkaak om als maler te dienen en iets naar zich toe te kunnen trekken. Enigen, als de lijsters, zijn voorzien van bekken als een nijptang om wormpjes uit hun holen te halen. Anderen, als de spechten, hebben lange dunne bekken om ergens in te boren en daaruit hun voedsel te trekken. Verscheidene hebben zeer lange, als de ooievaars, om in diepe wateren en moerassen naar hun prooi te snuffelen. Sommigen die de glibberige waterplanten moeten grijpen, als zwanen, hebben brede bekken die wederzijds voorzien zijn met inkepingen als een rasp waardoor het teveel aan water kan verdwijnen. Anderen hebben, als de kruisvink, een gekruiste snavel dat betekent dat het bovenste gedeelte niet op de onderste sluit, maar er kruislings over heen loopt waardoor de vogeltjes de dennenzaden eruit kunnen wringen.
Velen hebben een maag die rondom met harde hoornachtige vliezen bezet is en in de gedaante van twee molenstenen op elkaar sluiten en door spieren op elkaar malen, als de kalkoenen, waarom die dieren gruis en steentjes met het eten in slokken om met de eerste het eten te kunnen vermalen. Anderen als de duif hebben een krop vol met klieren die een wit slijmerig vocht geven om de graankorrels te verteren. Wat de duiven ook de gelegenheid geeft om hun tere jongen daar mee te voeren. De roofvogels hebben een vlees verterend vocht in de maag en als het hun niet lukt om veren en dergelijke te verteren hebben ze het vermogen om die dingen er uit te werpen.
“Aanziet de vogelen des hemels, dat ze niet zaaien, nog maaien, nog verzamelen in de schuren, en uw Hemelse Vader voedt nog thans dezelve”. Matth. VI:26 “ En worden niet vijf mussen verkocht’ onder de kinderen, die er me spelen, voor twee penningkens?’ zo weinig zijn ze waard. ‘En niet een van die is voor God vergeten”, Lucas XII: 6.
Je hoort stemmen, maar alleen van de mannetjes, want de wijfjes zingen niet. Welk een kracht komt er uit die tere longen. Hoe verschillend gevormd om al dat geschreeuw, geroep, gekir, gefluit, gepiep en gekweel uit te drukken. Elke stem heeft een hartstocht van liefde, vreugde, smart, pijn, angst, spijt, waarschuwing of verwelkoming. De ooievaar klept, de hen klokt, de haan kraait, de tortel kirt, de eend kwaakt en sommigen bootsen zelfs de menselijke stem na.
Geen twee soorten vliegen op dezelfde wijze. Enigen, als de vinken, vliegen golfsgewijze en wippen aardig op en neer. Anderen vliegen recht toe recht aan in de laagte. Sommigen, als de haviken en ooievaars stijgen op door in het rond te klimmen als een wenteltrap. Anderen vliegen in bochtige verhogingen. Sommigen maken de mooiste omwentelingen op allerlei manieren als de zwaluw. Sommigen schijnen weinig moeite te doen in de lucht en worden gedragen op hun vleugels. Enigen vliegen alleen en anderen in troepen. ‘Vliegt de sperwer door uw verstand en breid zij hare vleugelen uit naar het zuiden? Is ‘t naar uw bevel dat de arend zich omhoog verheft? Job39: 29/30.
Als je een veer in warme as steekt en daarna met de rug van een mes het vliesje er aftrekt dan heb je een goede schrijfpen. Wel moet die aangesneden worden.
Wie heeft hen onderricht dat ze nesten moeten maken? Wie zegt hen dat ze nesten nodig hebben? Wie heeft hun verteld de zwaarste stoffen van buiten en de zachtste van binnen te gebruiken? De bodem van het nest met veertjes en wol te beleggen? Als ze die niet krijgen plukt de moeder ze uit haar eigen borst. Wie zegt dat de ene vogel een nest maakt boven een boom, de ander op een tak, in een holte onder gras of tussen het riet of onder een dak?
|
|
Hier is een vogel die drie bladen van een boom pakt die bij een steel zitten aan elkaar naait. Onder aan het blad eindigt het naaisel en, opdat alles niet losgaat, is er een knoop in de draad gelegd door het vogeltje dat de grootte heeft van onze kwikstaart. De draad bestaat uit wol van verschillende kleuren zoals het vogeltje die gevonden heeft. Zo zijn de bladen aaneengesloten en heeft hij een nest gemaakt die van binnen met wol wordt opgevuld. Dit was te Kanton, China. Bij ons maken de zwaluwen zulke mooie nesten, uit klei met water boetseren ze onder een afdak een mooi rond nestje. Van binnen met veren gevuld, puntig van onderen voor de stevigheid
Snijdervogel?
Om vogels te pakken die de zaden eten die gezaaid zijn, kook knoflook zodat die niet meer zal groeien en vermeng dit onder het zaad en ze zullen het eten en kunnen met de hand gevangen worden.
Als je vogels dronken wil maken, zodat je ze met de hand kan vangen, neem zulk vlees of tarwe of bonen die ze lusten en leg die in wijn of iets dergelijk of in het sap van dolle kervel en strooi dit op de plaatsen waar die vogels komen. Als ze ervan eten worden ze zo duizelig dat je ze met de hand kan pakken.
Eieren zijn er in allerhande kleuren, witte, gele, grijze, gevlekte, blauwe en sommigen alsof ze met een pen beschreven zijn. Houd ze tegen het licht, dan zie je het putje bovenin wat je vertelt dat het een mannetje wordt, zit dit terzijde wordt het een vrouwtje. ‘het gevogelte vermenigvuldige zich op aarde”, Gen 1:22.
Uitroeien is niet raadzaam omdat de vogels zich voeden met insecten die dan de hele oogst zouden vernielen zie Deut. 22: 6,7: “Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op de weg voorkomt, in enige boom of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of eieren, zo en zult gij de moeder met de jongen niet nemen. Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten, maar de jongen zult gij voor u nemen.’
Die telen niet sterk voort, daarom zie je ze nooit in troepen en daardoor zie je ze weinig in getal. Ze kunnen lang vasten als ze geen voedsel vinden en vinden ze dat wel eten ze zo veel dat ze er een geruime tijd aan genoeg hebben. De wijfjes zijn veelal groter, stoutmoediger en listiger dan de mannetjes.
Dat bij de dieren geen man na de paring omziet naar vrouw of kinderen, hetgeen ook niet nodig is en nadelig is, de hengst moet intussen elders dienen, de merrie kan het veulen voeden en intussen eten. Maar dat bij de vogels de huwelijksliefde langer duurt. Dat daarom het mannetje, als het wijfje zit te broeden, haar vermaakt men zijn zang en dus tracht de vervelende tijd te verdrijven. Dat het mannetje gaat broeden als het vrouwtje eten gaat zoeken of, om haar te troosten, naast haar gaat zitten. Dat, zo lang de jongen kaal zijn en voor kou en vele andere gevaren bloot staan, de liefde van een van beide ouders die altijd thuis houdt. Dat de liefde voor de jongen lang doorgaat. Dat je ze vangt en in een kooi plaatst en ze daar zelfs door de ouders gevoerd worden. De liefde verdwijnt op dat moment dat ze zelf de kost kunnen zoeken, verlaten ze niet bereidwillig het nest dan worden ze door de ouders er met geweld uit gedrongen.
Als mensen
vragen waar de vogels naar toe gaan in de herfst, veronderstelt Aristoteles dat
sommigen niet vertrekken maar verborgen liggen en slapen tijdens de winter.
Andere vogels, als het roodborstje, veranderen hun pluimage en worden
roodstaartjes in de winter. Plinius was zeker dat zwaluwen in kikkers
veranderen. Of dat vertrekkende vogels rechtstreeks naar de maan vliegen en
daar blijven in de winter.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe;
‘De Kraaien, de blanke Zwaan, de rode Kalikoenen
De Gier en de Pauw, dat zijn heren en baronnen
Den Haan wil Koning zijn, om dat hij is gekroond
Om dat hij moedig zich in ’t bloedig oorlog toont
En zich met d’handschoen licht tot den kamp laat bekoren
Vertrouwende op zijn moed en op zijn scherpe sporen
Hij heeft de boelen veel, zijn geile min hij blust
Recht als een Koning mocht al doen wat hem gelust
De Papegaai is Tolk, die aan d’uitheemse volken
Moet brenghen ’s Koning hart en zijn zin vertolken
De Struis zijn rechter is, die ’t vierschaar steeds bedient
En oordeelt in zijn naam wie vijand is of vriend
De Valk als beul straft, die ’t vierschaar heeft verwezen
Verbidden hier niet geld, als ’t vonnis is gelezen
De Zwaluw, Mus, en Gans, de Duif, de Nachtegaal
En d’Ekster brenghen cijns den Keizer altemaal
De Vleermuis en den Uil, als bloedige Tyrannen
Zijn eeuwig uit het hof in ballingschap gebannen
Wiens hart niet ontluikt die zulke vlucht bij een
Gevlerkte burgers ziet, van maaksel onderscheen?
Eenparig d’een verschijnt, en d’ander bont van pluimen
Hoe kan men hier zijn tijd verspillen en verzuimen!
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XXXXIV;
Strijd der Voghelen en der Beesten;
’t Viervoetig wild gedierte streed met de vogelen heftig
Men kwam van wederzijde te velde prat en deftig
’t Zij dat veel te laag ’t gevogelte dalen kwam
En ’t eigendom als meer van ’t aardrijk tot zich nam
Of een andere oorzaak, voor of in de oudheid noch te zoeken
In ongekreukt papier van onbeschreven boeken
De strijd ging dapper aan, iedereen deed zijn best
Op dat hij zijn partij mocht winnen in ’t lest
De Vleermuis zuchtte om haar trouweloze onderwinden
Om best in die tijd te gaan voor ’t gedierte dat haar dreigde
Maar als de vogelen nu door ’t vliegende gerucht
De dieren dreven met de Vleermuis op de vlucht
De Vleermuis, half beducht, bijna tot de dieren neigde
Haar geenszins in ’t koor der vogelen te laten vinden
Maar sluipt door ‘t duister van ’t nacht vanwege ’t kwaad dat haar aankleeft
Zich schamende om de daad die ze bedreven heeft
Zich wel van ontrouw wacht, die dubbel werd vergouden
Wie eenmaal ontrouw pleegt, heeft altijd schande en smart
En wordt door ’t mensengeslacht verbeten en gehaat.
Beter een vogel in de hand dan tien in de lucht. =Wat men heeft, al is het klein, is meer dan mooie beloften.
Iedere vogel zingt zoals hij gebekt is. =Men spreekt naar eigen aard en wezen, ieder handelt naar zijn ontwikkeling.
Vogelvrij. =Ieder het recht geven hem te doden. Zoals Prins Willem vogelvrij verklaard werd door de koning van Spanje.
‘t Is een ongeluksvogel. =Alles loopt hem tegen. Oorspronkelijk was het een vogel die ongeluk voorspelt. Bij de oude Romeinen letten de auguren of auspices, de vogelwaarnemers, op de vlucht van de vogels om de toekomst te voorspellen. Ze stonden met het gezicht naar het zuiden en de vogels die uit het westen kwamen waren ongeluksvogels.
Vogeltjes die vroeg zingen zijn voor de poes. =Gezegde als men al vroeg in de morgen vrolijk is, een waarschuwing, het kan nog wel anders worden.
‘t Zijn vogels van verschillende veren. = Het zijn geheel verschillende mensen, vogels van verschillend pluimage.
‘t Is een slimme vogel. =’t Is iemand die zich overal uit weet te redden. Ook, het is een gladde vogel.
Men kent de vogel aan zijn veren. =Uit zijn eigenschappen kan men opmaken wat voor karakter hij heeft.
Al zullen de vogels het uitbrengen, zie raaf en kraai
De vogel is gevlogen. = Het is te laat, de kans is voorbij. Omgekeerd, de vogel in de knip hebben, is geknipt. =Die men zoekt heeft men gevangen
Hij is zo vlug als het vogeltje dat koe heet, zie koe.
Hij heeft de vogel over het touw laten gaan. =Hij heeft van de gunstige gelegenheid geen gebruik gemaakt. Naar de vogelaar met zijn net die het net niet op tijd heeft dicht getrokken zodat de vogel er overheen gevlogen is.
Die de vogel vindt, die mag hem roven. =Wie gelukkig is in zijn onderneming die valt alles ten deel.
Laat de vogelkens zorgen, die hebben vlugge pootjes. =Spreuk van de zorgeloze.
Aan een klein vogelken past geen grote bek. =Kinderen moeten bescheiden zijn in gezelschap.
‘De vogel kent men aan zijn vlerk
En de werkman aan zijn werk’.
‘t Is een slechte vogel die zijn eigen nest bevuilt. =Men moet geen kwaad spreken van zijn eigen huisgezin.
Kleine vogels, kleine nesten. =Een nederig mens heeft aan weinig genoeg.
‘Van vogels, honden, trouwen
Voor een vreugd zeven rouwen.’
Hij zit op zwart zaad. =Hij is arm, zijn geld is op. Gezegde van vogels in een kooi die alleen nog maar zwart zaad hebben, ze pikken er namelijk eerst de witte uit.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/