Philomachus. Grieks voor houden van strijd.

Philomachus pugnax, L. (Machetes pugnax) heeft een Latijnse toevoeging die strijdlustig betekent. Ook de Griekse voorgaande uitdrukking betekent strijd. Het eerste deel, philo, betekent minnaar van en het tweede deel is strijder of oorlogsvoerder. Macha in Grieks is namelijk strijd of gevecht. De Franse naam chevalier combattant versterkt die indruk, een strijdende ridder. De kemphaan, kemp van kampen, heet in Duits Kampflaufer of Kampfhahn, en in Engelse ruff waarbij het vrouwtje reeve heet. De Friezen, die het echtpaar wel het vaakst te zien zullen krijgen, noemen ze haontsje en hintsje. In Groningen heet hij kappertje, op Terschelling kraagman en op Texel kragenmaker, ook kemper, hoanstje en hintsje, foddebosk, meisnip
De snavel is zo lang
als de kop, maar niet zo lang als de poten, het is een hoogpotige steltloper.
De snavel is recht en aan de spits iets verlaagd, over het gehele lengte zacht.
De voet is hoog en slank, van de drie voortenen is de middelste met de
buitenste door een spanvlies verbonden. De hoog aangehechte achterteen raakt de
grond niet.
De vleugels zijn
middelmatig lang en spits, de staart is kort en uit twaalf pennen samengesteld.
Het oog is bruin en
de snavel groenachtig of groenachtig geel. De voet is in de regel roodachtig
geel. Totale lengte van het mannetje is negen en twintig tot twee en dertig cm,
van het wijfje vier en twintig tot zes en twintig cm., de staartlengte is acht
cm
De kemphaan is fraai
vanwege zijn halsveren die hem als een kraag over de schouders vallen, zijn
kleur is niet te beschrijven. Want onder de duizenden vogels die er zijn zijn
er nauwelijks twee die in pluimaadje overeenkomen. Ze zijn evengoed allen zeer
mooi van veren. De grondkleur is grauw en gesprenkeld en afgezet met plekken,
de borst en buik is wit, de kragen van de mannetjes zijn verschillend, geel,
wit of zwart, bont en grijs. Maar de kleinere wijfjes hebben zoveel
verscheidenheid niet.
Kemphaan is zo
genoemd om zijn verwoed kempen of vechten. Het zijn echte ridders, ze strijden
om de gunst van de dames. Ze hebben prachtig gevoerde gewaden met bonte kragen
en lange lansen om op
elkaar in te stormen. Ze gaan net zo lang
door tot de ander opgeeft. Ze vechten altijd, zelfs om niets en vechten op elk
uur van de dag.
De mannetjes zoeken
vochtige weilanden en heide op en nemen elk een stukje van een halve vierkante
meter in bezit, de honk, de bezitters zijn de honkmannen. ( In Fries ‘rid’ of
‘haantjerid’) Ze komen pas op de toernooiplaats als de veren van de kraag zich
ontwikkeld hebben. Wanneer de mannetjes als de strijdbaarste kampioenen van
alle vogels ter wereld op het gevechtsterrein aankomen dan steken ze de
halsveren of hun kraag op en daarop begint de strijd. Het mannetje dat het
eerst op het terrein aankomt kijkt verlangend uit naar een tweede bezoeker en
als die toevallig geen zin in het vechten heeft wordt de komst van de derde of
vierde afgewacht en al gauw vangt de ruzie aan. Ze schieten op elkaar toe, vechten
een poosje en gaan dan uitgeput naar hun oorspronkelijke standplaats terug om
nieuwe krachten te verzamelen. Hun gekibbel loopt altijd uit op een
tweegevecht, nooit is er een algemeen gevecht. Soms lopen enkele duellerende
paren tegen elkaar op en dan levert het tegen elkaar op springen van de vogels
zulk een zonderlinge vertoning op dat een toeschouwer ze voor dol en bezeten
zal houden. Als twee mannetjes met elkaar in strijd raken dan zie je ze trillen
en met de kop knikken, daarna buigen ze de borst zo ver omlaag dat het
achterste deel hoger komt te liggen en richten de snavel op elkaar, zetten de
borst en rugveren op en breiden de nekkraag bovenwaarts uit en geven aan de
halskraag de vorm van een schild. Zo uitgerust springen ze op elkaar af en gebruiken
de snavel als degen.
Het hangt van de
meer of mindere vechtlust van beide strijders af hoeveel schermutselingen er
op gang komen, die wordt door een lange
pauze gevolgd. Slechts zelden zie je bloed vloeien of valt er een veer, het
grootste nadeel lijkt te zijn dat een van de partijen de ander bij de tong pakt
en die heen en weer sleurt.
De wijfjes blijven
onverschillig en zoeken naar wormen en insecten en kijken niet op of om. De
burchtvrouwen zijn in de schoonmaaktijd. Af en toe kijken ze eens om hoe de een
of andere Don Juan het doet. De zwakke mannetjes vallen af, vluchten en de
sterkere verzamelen een zeven tot acht vrouwtjes om zich heen die ondertussen
naderbij gekomen zijn.
Het nest is een
ondiep kuiltje waar een mannetje met een paar vrouwtjes baar toegaat, of een
vrouwtje met verscheidene mannetjes. Het nest is meestal in de buurt van water
en dikwijls een iets hogere plek in het moeras. Meestal zijn er vier eieren van
aanzienlijke grootte die op olijfbruinachtige ondergrond roodachtig bruine of
zwartachtige vlekken hebben. Het wijfje broedt alleen en een zeventien tot
negentien dagen achter elkaar.
In juni komen de
kleinen en dan bergt de ridder zijn kraag op tot het volgende jaar. Verder
kunnen ze het goed met elkaar hebben.
Kemphanen, voor
ruzie zoekende jongens of voor wie overal tegen in gaat.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/