http://www.oya-es.net/reportajes/vis165.jpg
Naucrates ductor.
Het loodsmannetje is
een vis van een ruime halve meter lengte met een sterk gevorkte staart.
Opvallend zijn de verscheidene donkere banden op een witte ondergrond, een soort
gevangenispakje. Verder hebben ze een langwerpig eivormige gedaante en een
stompe snuit. De plaats van de eerste rugvin wordt door een gering aantal vrije
stralen ingenomen. De staart is aan weerszijde van een kiel voorzien.
De bek is met korte
en fluweelachtige tanden bewapend.
De lengte is een
twintig a dertig cm.
Het loodsmannetje
komt altijd voor in gezelschap van grotere zeedieren als tonijn, haaien,
walvissen en ook bij schepen. Het zwemt altijd achter die dieren aan, in hun
kielzog varen ze mee. Het is de Engelse pilot fish.
De loodsvis die ook wel loodsmannetje genoemd wordt vergezelt
de grote haaiensoorten. Volgens de zeelieden om de haai tot loods te dienen en
die naar zijn buit te voeren of wel om hem voor een of ander komend gevaar te
waarschuwen. Ook wijst het de verdwaalde zwemmers en schepen de weg naar het
land en de veilige haven. Het dier begeleidt het schip en bij de nadering van
de haven keert het om, richting zee
Er zijn er die
evenwel menen dat dit loodsschap niet meer dan schijn
en een sprookje is en dat de loodsvis de haai om geen
andere reden gezelschap houdt dan om in de uitwerpselen van deze zeetijger zijn eigen onderhoud te vinden.
De oude schrijvers
maken melding van een vis die zij Pompilius noemden
en waarvan Gessner zegt, ‘dat hij uitsluitend de diepe zee bewoont en de aarde
schijnt te haten omdat hij nooit bij het land komt.’ Deze vissen tonen een
zonderlinge gehechtheid aan de schepen die op de zee drijven en zwemmen er
onophoudelijk omheen, tot ze de grond en de kust bespeuren. De zeelieden weten
dit wel en het achterblijven van deze vissen, die het schip niet verder willen
vergezellen, is voor hen een bewijs dat ze de kust naderen hoewel die nog niet
te zien is. Even groot als hun genegenheid voor schepen is hun afschuw voor
grond. De zeelieden beschouwen de begeleiding van deze vissen als een teken van
goed weer, van een kalme zee en gelukkige reis. De mening dat ze als loods
dienen voor haaien is van nieuwere oorsprong, de ouden spreken hier niet van.
Loodsmannetje.
De mossel is het mannetje van de walvis. De mossel en de walvis zijn voorbeelden van vriendschap want als de ogen van de walvis door de grote zwaarte gesloten zijn zwemt de mossel voor hem uit en wijst die dingen aan die hem zouden kunnen beschadigen, zo zijn de mossels de ogen van de walvis. Deze zeemossel die de walvis vooraf gaat heeft geen tanden maar borstels.
Een balaena was een walvis bij Plinius en wel een vrouwtje. De mannelijke heette musculus en was heel klein. Met musculus bedoelde Plinius waarschijnlijk het loodsmannetje en geen mossel.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/