http://www.tanzaniareizen.nl/images/nijlpaard.jpg 
Hippopotamus, Grieks hippos: paard, rivierpaard. Nijlpaard, in Duits heet het Nilpferd of Flusspferd, in Engels hippotamus en in Frans hippopotame. Zijn stem houdt het midden tussen het gebrul van de buffels en het briesen van een paard, vandaar rivierpaard of zijn kop die alleen boven water uit steekt lijkt op een paard.
Hippopotamus amphibius (van ’t water en ’t land): Nijlpaard of rivierpaard lijkt helemaal niet op een paard, meer op een zeer reusachtig en vet varken, zijn nauwste verwant.
De Arabieren noemen ze waterbuffels, de Egyptenaar noemt de onbehouwen reus rivierzwijn waarmee men het dier het beste vergelijken kan.
Hij heeft een bijna vierkante kop met kleine ogen en oren.
Scheef
tegenovergestelde neusgaten.
De ogen liggen op
een verhoging op de reusachtige kop, de oren zijn klein.
Een wanstaltige
snuit kenmerkt het dier die een ontzaglijke nek bedekt en sluit.
De hals is kort en
krachtig.
De romp, hoewel langwerpig,
is toch bovenmatig dik en daarom buitengewoon plomp.
De buik is vol en
rond, in het midden zo diep afgezakt dat het de bodem bereikt bij het gaan op
slijmerige grond.
De staart is kort en
dun. Alleen op de spits van de staart en
de snuit staan korte, op draden gelijkende borstels.
Overigens zie je op
de twee cm dikke huid slechts hier en daar enige borstelvormige haren. Door
groeven, die elkaar kruisen, wordt de huid in velden verdeeld die op schubben
lijken en nu eens groter en dan weer kleiner zijn.
Hun kleur is
koperbruin en heeft een eigenaardige teint, aan de bovenzijde is het vuil
donkerrood dat aan de onderzijde in licht purper overgaat. De kleur wisselt
vooral als het beest net uit het water komt.
De totale lengte
bedraagt van een volwassen mannetje met inbegrip van de vijf en veertig cm
lange staart vier meter twintig tot vier meter vijftig bij een schouderhoogte
van een meter zeventig. Het gewicht van zo’n dier zal tussen de twee duizend en
vijf en twintig honderd kg liggen en zal bij vele oude mannetjes boven de drie
duizend kg uitkomen, soms wel 4 000. Alleen de kop van zo’n reus weegt al
twee honderd kg. Dit steunt allemaal op vier korte, pilaarachtige poten.
Het gebit komt nog
het meest overeen met dat van het zwijn. In iedere kaakhelft bevinden zich twee
snijtanden, een hoektand en zeven maaltanden. Het gebit bestaat dus uit veertig
tanden. De beide middelste onderkaak-snijtanden zijn door een tandeloze
tussenruimte van elkaar gescheiden. De hoektanden van de onderkaak zijn reusachtig
groot, gemiddeld vijftig cm lang en vier kg zwaar, maar ze groeien door en
kunnen zo wel een meter lang worden. Ze zijn harder dan olifantstanden en
geschikt voor vele gebruiken, pianotoetsen en kunsttanden zodat het dier daardoor gejaagd wordt.
Onder de huid ligt
een speklaag van acht tot zestien cm dikte. Hierdoor wordt het lichaam
betrekkelijk licht, het plompe dier is in staat snel te zwemmen. Het nijlpaard
is meer dan enig ander dikhuidig dier aan het water gebonden. Daar waar de
stroom zelf niet rijk aan planten is verschijnt hij ‘s nachts aan land om
voedsel te zoeken. Bij uitzondering verlaat hij overdag de stroom om zich op de
zandbanken door de zon te laten koesteren.
Met tussenpozen van
drie tot vier minuten zal een bij stil weer duidelijk zichtbare nevelstraal
zich ongeveer een halve meter boven de waterspiegel verheffen. Tegelijkertijd
wordt een bruisend gesnuif of gesnork gehoord, beide verschijnselen worden
veroorzaakt door het nijlpaard dat zo-even boven is gekomen. Ze zwemmen met wonderbaarlijk
gemak op elke diepte onder de waterspiegel, rijzen omhoog of
duiken onder en wenden met verassende
behendigheid in alle richtingen en wedijveren bij het doorklieven van de golven
met de beste roeiboot. Het water blijft glad en onbeweeglijk, juist het
tegendeel wat men ziet als het dier woedend op een vijand aanvalt of na gewond
te zijn als een razende in de stroom te keer gaat. Dan slaat het de achterpoten
buitengewoon hevig naar achteren en schiet met enkele sprongen vooruit. Het
brengt het water van een heel meer in beroering zodat er hoge golven ontstaan.
Het maakt zelfs zulke geweldige bewegingen dat het middelmatig grote vaartuigen
kan oplichten en verbrijzelen.
Het nijlpaard leeft
gezellig, alleen oude mannetjes ontmoet je afzonderlijk. Soms maken ze een hels
leven in het water door hun gesnuif en gegrom, gebrul en gegorgel. Hun gebrul
zou je met het geluid van buffels en stieren kunnen vergelijken. Het is een
zware en ver hoorbare basstem die de indruk wekt alsof het uit een grote, holle
ton afkomstig is. Het gebrul van verscheidene met elkaar wedijverende
mannelijke nijlpaarden dat plotseling in de eenzaamheid van de nacht
weerklinkt, verbonden met het plassen, blazen en plompen van de duikende
monsters, maakt een ontzaglijk grootse indruk. De jakhals en zelfs de leeuw
zwijgen en luisteren als de behemot’s donderende stem
dat met het gerommel van een aardbeving vergelijkbaar is en over de
waterspiegel rolt en door het verafgelegen oerwoud gedempt zich tot op grote
afstand voort plaatst. In alle gevallen overtreft de stem van het nijlpaard
door zijn geweldige kracht die van andere dieren, in haar volle omvang wordt
het echter maar zelden gehoord.
Als deze beesten aan
land komen en aan het wandelen gaan om eten te zoeken richten ze grote
verwoestingen aan. In een enkele nacht worden vele akkers verwoest. Hun
vraatzucht is groot, alle groenten eten ze, watermeloenen worden in een hap
naar binnen geslokt. De rest wordt tot gruis gestampt onder hun logge poten.
Dan bedreigt het
soms ook mens en dier. Het is de duivel in dierengedaante. Er zijn meldingen
dat een nijlpaard vier trekossen doorbeet die bij een scheprad stonden. Een
krokodil wordt gewoon middendoor gebeten. Aan de Kingani,
vertelt Bohm, werden twee vrouwen die ‘s avonds luid
met elkaar spraken en dicht bij enige wandelende nijlpaarden langs gingen door
hen plotseling overvallen en met enige beten zo erg verwond dat ze kort daarna
stierven. In andere gewesten is men bang voor ze te water. Een nijlpaard dat
met geopende muil naar een boot toe zwemt kan die met zijn vreselijk kaken
geheel vernielen. Dit komt echter niet zo vaak voor, mogelijk alleen bij
gestoorde beesten. Het gevaarlijkst is het nijlpaard als die een jong moet
beschermen.
Sinds de oudste
tijden gaat men deze reus met speren en lansen te lijf. Dat is nog te zien aan
de afbeeldingen van de Egyptenaren. Omstreeks middernacht sluipt de spieswerper langs de oever tot een plaats waar een
nijlpaard het water heeft verlaten verschuilt zich onder de struiken onder de
wind. Hij wacht dan tot een van die dieren tot ongeveer voor de helft te water
is gegaan. Op dat ogenblik werpt hij met al zijn kracht zijn harpoen in het
nijlpaard in de hoop dat het door de aanval verschrikte dier zich onmiddellijk
te water zal begeven. Als dit niet gebeurt valt het zijn aanvaller aan. Meestal
gaat nu de werper de volgende morgen met zijn helpers naar de boten en zoekt
het dier op of liever de uiteinde van de speerschacht of het als drijver
dienende blok hout. Zodra ze dit gevonden hebben roeien ze voorzichtig met
gereed gehouden werpspiesen en palmen de lijn in. Bij de geringste trekking aan
de lijn komt het nijlpaard in razende woede aan de oppervlakte en stormt op de
boot toe. Hier wordt met een hagelbui aan lansen en spiesen het dier opgewacht zodat het dier zich moet
terugtrekken. Anders!!
Zijn vlees wordt op
prijs gesteld en evenals het spek overal gegeten. De tong wordt vers of gerookt
als een lekkernij beschouwd. Van de dikke huid maakt men voortreffelijk
rijzwepen, stokken en schilden. De tanden zijn ideaal voor vele draaierartikelen en zou door de hardheid, fijnheid en
witheid het ivoor overtreffen.
Zeepaard bij
Megenberg.
Historie.Dit dier zou ook voorkomen
in de Orontes rivier te Syrië rond 1500 v. Chr. en
was in de beneden Nijl tot de 12de eeuw na Chr.
Dat het nijlpaard
bij de ouden goed bekend was blijkt duidelijk uit Egyptische gedenktekens en
sommige bijbelteksten. De Ta-urt
(Thoneris) was de Egyptische Hyppotamus
god, de vrouw van Seth. Door de Griekse en Romeinse schrijvers en wel het
eerste door Herodotus en Plinius wordt dikwijls melding gemaakt van dit dier.
Zij beschrijven het zo goed als ze kunnen en schilderen zijn zeden en
gewoonten. Alle latere auteurs ontlenen hun kennis voornamelijk van de
berichten van de ouden, eerst door Gessner worden hieraan nieuwe feiten
toegevoegd. De zware vorm van het nijlpaard doet ook aan het lichaam van een
zwangere vrouw denken. De nijlpaard werd zo ook vereerd en wel opstaande
afgebeeld met borsten. Zo zou het de zwangere vrouwen helpen in barensnood.
Hoe de Romeinen het
aanlegden om nijlpaarden te vangen en te vervoeren is niet bekend. Volgens de
oude schrijvers brachten ze niet alleen jonge, maar ook oude dieren naar hun
hoofdstad om die met hun kampspelen en triomftochten op te luisteren.
Het eerste gevangen
nijlpaard dat sinds de oude tijden naar Europa kwam werd in 1850 in de Londense dierentuin waar genomen. Later kwamen er twee naar
Parijs. In 1859 kreeg men voor het eerst twee jonge dieren in Duitsland te
zien, een mannetje en wijfje. Die werden in 1860 door de Amsterdamse dierentuin
aangekocht voor f 12 960,-.
Job 40:10 ‘zie
toch het nijlpaard, dat Ik heb gemaakt, evenals u
Het eet gras zoals
het rund
Zie toch de
kracht in zijn lendenen
De sterkte in
zijn buikspieren!
Hij spant zijn
staart als een ceder
Zijn beenderen
zijn buizen van koper
Zijn knoken
gelijk staven van ijzer
Hij is het eerste
van Gods werken
Het schepsel,
waaraan hij zijn zwaard gaf
Ja, de bergen
leveren hem hun opbrengst
Waar alle dieren
des velds spelen
Onder de lotus
legt hij zich neder
In de
schuilplaats van riet en moeras
Lotusplanten
beschutten hem met haar schaduw
De wilgen der
beek omgeven hem
Zie, al is de
stroom nog zo sterk, hij deinst niet terug
Hij voelt zich
gerust, al bruist een Jordaan tegen zijn muil
Durft men hem van
voren vast grijpen
Een strik door
zijn neus halen?
De meeste deskundigen denken dat het hier om een hippo gaat. Er wordt ‘behemoth’ vermeld, soms wordt dit woord onvertaald in de bijbel aangetroffen. In zijn enkelvoudige vorm behemah wordt het vaak vertaald als beest, het meervoud geeft dan ook beesten, behalve dan hier. Behemot is een woord dat waarschijnlijk vervormd is uit het Egyptische woord p-ehe-mau: wateros.
Hij wordt gejaagd met harpoenen, die komen voor in vers 26:
‘Kunt gij zijn huid met spiesen vol steken
Zijn kop met een visharpoen?
Toch is er overvloedig bewijs dat het dier in bijbelse tijden bekend was, vooral in Egypte. Daar reduceerden de Romeinen het later drastisch vanwege zijn schade die het deed aan gewassen. Ook de rivieren van het oostelijk Middellands Zeegebied hadden in de steentijd de hippo. Dit werd gevolgd door een tamelijk droger en koeler klimaat waar ze zich niet thuis voelde en verdween.
Er is echter geen datering van het verhaal van Job. De hele passage is ook duidelijk literair met wat commentaren. Verscheidene punten zijn duidelijk, het is een waterdier en krachtig, het verbergt zich in het riet en moeras. Als de rivier geweldig stroomt is hij niet bang, de Jordaan is hier een grote rivier. Hij eet planten en eet gras als een rund. Het zijn dan ook grote grazende grasmachines die grote banen door het gras maaien, hun hoofdvoedsel. De bergen leveren hem hun opbrengst, hij is niet bang om van het water weg te gaan en kan op stenen lopen.
Anderen denken dat het een olifant is, dan een Aziatische omdat de Afrikaanse veel verder zuid voor komt.
Een belangrijke rol vervult de behemoth in de Messiaanse verwachtingen van de Israëlieten. Van zijn vlees is het eerste gerecht bereid van het grote gastmaal die de Messias na zijn overwinning op zijn vijanden zijn gunstelingen zal aanbieden.
De Rabbijnen zeggen dat er nooit meer dan twee Behemoths tegelijkertijd in de wereld zijn. Want als er meer dan twee tegelijk zijn dan twijfelen ze of de aarde ze wel kan voeden, genoeg voedsel kan opbrengen. Net als de Phoenix, er is er maar een per tijdsdeel.
Maerlant; ‘Hippopotamus, hoor ik vertellen, is een soort wonder van
rivieren in Egypte en in Indië zegt men dat er veel zijn. Op het land werpen ze
hun dracht, maar even groot is zijn macht, beide, op het water en op het land.
Alzo groot zijn ze als de olifant en bij hem gaat de snavel opwaarts, krom
gewonden is bij hem de staart, spleethoevig en de
tanden steken mede uit naar de evers zede. Een rug heeft het
naar het paard en is mede alzo geaard. ‘s Nachts doet het
in het koren schade en alzo zulk is te rade dat het achterwaarts kan gaan zodat
men het te weren zal staan, welke dat zijn mag wezen. Als het te vet is het kan
zich genezen, het gaat daar waar riet is gesneden of dorens en daar ter plaatse
wentelt het zich zo veel achtereen dat het een ader in het been raakt waar hem
bloed vanaf zinkt en aldus wordt het weer mager. Meer bedrijvig is het in deze
hoe die wond mag genezen. Men kan het op de rug, zonder waan, niet doorsteken
of doorslaan, maar als het is nat dan moet men wachten dat men het dan
doorsteekt met schachten. Plinius zegt, wat ik hier schrijf, dat dit en vijf
krokodillen Scurrus wel naar Rome bracht omdat men
het daar beschouwen mocht’.
Van Beverwijck, ‘Net zoals de mensen, hoewel vernuftig ze zijn vele dingen geleerd hebben van de onverstandige dieren zo is ook in dit deel van de geneeskunst (zegt Plinius in het 8 boek van zijn Natuurlijke historie in het 26ste kapittel) ons een leermeester geweest het nijlpaard, een groot beest dat zich in de Nijl, een rivier in het land van Egypte waar vanouds de eerste geneesmeester geweest zijn, ophoudt. Wanneer die verneemt dat het door langdurige gulzigheid met al te veel bloed belast is gaat het op de oever van de rivier om enig vers afgebroken riet te zoeken en als het er een scherpe ziet kwetst het daarmee (zijn lichaam daarin drukkende) een ader in zijn dij en ontlast alzo zijn lichaam dat anders in ziekte zou vervallen van het overtollig bloed en wentelt zich dan in het slijk en sluit zo weer de opening’. Een nijlpaard kan een rode stof uitademen die het als een soort zonnebrandcrème gebruikt. De ouden hadden het dus goed gezien dat hij roodachtig kan worden.
Maerlant; ‘Equus
fluminus is een manier van waterpaarden uit de
rivier, zegt Aristoteles, dat in Indië een wonder is. Evenwel is het gezien,
beide, in het water en op het land, spleethoevig is
het, als een paard is het min of meer behaard. Het hinnikt luid en openbaar
gelijk of het een paard ware, gestaard is het als een zwijn en alzo groot als
ezels zijn’.
‘Als Adam! Want hij
gaf ze op een rij hun namen
De bergleeuw
kwispelde hem aan met zijn staart
En liep naar de
meester toe. De tijger legde zijn raad
Voor konings voeten af. De landstier boog zijn horen
En de olifant
zijn snuit. De beer vergat zijn toorn
Griffieoen en
adelaar kwamen luisteren naar die man
Ook draak, en Behemoth en zelfs de Leviatan’.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/