Pavo.

Pavo cristatus:
gekamd.
Pauw. In midden-Nederlands was het pau, in oud-Hoogduits Pfawo, (nu Pfau) oud-Engels heeft pawa en pea, (Frans paon) wat uit Latijn pavo of pavonis stamt en dit uit Grieks en dat uit een vreemde taal waar het toghai heet. In Hebreeuws heet het dier tukkijim dat van Sanskriet cikhi stamt.
Een vermenging met haan en vogel vertoont noord-Duits Pawenhan en midden-Engels pecock zodat het nu peacock is.
Kleur.
Een grootse gestalte, een fiere tred, een innemende houding, een edele gedaante en fraaie afmetingen van het lichaam. Vandaar: ‘hij loopt als een pauw’. Alle mooie kleuren die men zou kunnen bedenken schijnen bij hem aanwezig te zijn. Goudgroen van boven met een weerschijn van zuiver koper, zwart gerande veren die van onderen zwartachtig doorheen gemengd zijn, de hals en borst zijn groen, ze veranderen in hemelsblauw en met goud gekleurd die het lichaam van deze vogel op pronken. In de bovenste lange dekveren van de staart, zijn voornaamste sieraad waar hij zo hoogmoedig mee pronkt, vertonen zich zwarte vlakken die verder weg groen zijn en veranderen in violet en hemelsblauw met gouden randen en een weerschijn van zuiver koper die men de ogen noemt. Hij heeft achttien stuurpennen die hij als een rad of waaier kan optillen. Daarmee trilt en ritselt hij. Op zijn hoofd draagt hij een kuifje van vier en twintig pluimpjes. ‘Zijn van u de verheuglijke vleugelen der pauwen? “ Job39:16.
Hij kan deze schoonheden wel een vijf en twintig jaar uitrekken. Zijn veren duren helaas maar een jaar en, alsof hij daarover bedroefd is en zich voor die vernedering schaamt, zoekt hij dan de duisterste plaatsen op om zich voor alle ogen te verbergen tot de volgende lente hem weer nieuwe schoonheid gegeven zal hebben.
De pauwin is kleiner en mist de kleuren, de lange staartveren en de sporen.
Het hoofd is naar verhouding tot het lichaam klein en lijkt wat op een slang met twee lange en witte plekken. De bek is witachtig en gaapt heel wijd. Ze bewegen tijdens het lopen, hun kop voor- en achterwaarts, ze knikken. Vanwege zijn sluipende diefgang voert de pauw ook wel de naam petit-pas in Franse streken.
De jongen zijn goed om gegeten te worden.
Deze vogels lijden pijn
als hun kuif begint te groeien en bij het verwisselen van de veren.
De meest in ‘t oog lopende karaktertrek van de pauw is zijn trotsheid, hoogmoed en ijdelheid. Hij toont deze eigenschappen niet alleen in zijn verkeer met het wijfje, maar ook tegen over de mens. Hij is echter ook vervuld van eigenwaan en heerszucht. In een hoenderperk is hij dikwijls onuitstaanbaar lastig omdat hij zonder enige aannemelijke reden zwakkere dieren aanvalt en met verraderlijke boosaardigheid mishandelt of doodt. Zo zijn ook de prekers die met lof bezongen worden. Hij richt zijn staart op, ontbloot zijn achterste en wordt een voorbeeld van ijdele spot. Het is een eigenzinnige vogel, net als de kat. Door hun verschijning en gedrag worden ze wel koninklijke vogels genoemd.
Ze leven van zaden en insecten.
Shakespeare’ i King Henry VI’, iii, 3,6;
“And like a peacock sweep along
his tail’.
En pronke, een pauw gelijk, vrij met zijn staart’.
We’ll pull his plumes and take away his train’. Wij plukken hem en knotten zijn pronk”.
Chaucer in ‘Parlement of Foules’;
“The peacock with his aungels fethres bright”.
Maerlant; ‘Pavo is in Dietsche de pauw, die is van veren rood en blauw en is de
schoonste die men kent. Gehoofd is hij als een serpent. Elke man kent wel zijn
gedaante, dus vertel ik daar weinig van. Maar een meester spreekt deze zaak, de
pauw heeft een hoofd als een draak en zijn geluid is of het de duivel ware,
zijn gang is stil in gebaren als de dief, zijn pluimen mede
recht naar de hemelse schoonheden. Zijn geluid verjaagt,
waar ze zijn, alle beesten die venijn dragen en geen van hen blijft lang waar
ze zijn zang horen’. De pauw heeft een stem als
een vijand, het hoofd van een serpent en gezicht van een dief. Met zijn stem
verschrikt hij serpenten en verdrijft alle giftige dieren zodat die niet zullen
blijven waar zijn geluid wordt gehoord. ‘Het is een engel in veren en een rover
in voeten en heeft een nare en helse stem waarvoor wij ijzen moeten’. Hij verrast met zijn stem de ongenode gasten
die in zijn tuin komen, is een goede schatbewaarder.
Maerlant; ‘Augustinus
zegt openbaar dat pauwenvlees binnen een jaar niet stinkt of verrot. De pauw is
een hovaardige zot, ziet men het om zijn schoonheid aan, ontdoet hij zijn
staart dan tegen de zon zodat men bij die zijn schoonheid mag zien, maar als
hij zijn voeten ziet, velt hij de staart neer en vliedt’. De pauw heeft vuile en gerimpelde voeten. Hij is
verwonderd over het opstijgen en de prachtheid van
zijn veren en steekt ze op als een cirkel boven zijn hoofd, dan kijkt hij naar
zijn voeten en ziet hun vuiligheid en, alsof hij beschaamd is, laat hij zijn
veren plotseling vallen en schenkt geen aandacht meer aan die pracht. In de
Physiologus staat dan ook: “hij ziet zijn voeten en schreeuwt vervaarlijk en
ziet dat ze niet in verhouding zijn met de rest van het lichaam. Daarom houdt
hij zijn lange staart gespreid als hij geprezen wordt en lager als men naar
zijn voeten kijkt.’ Zo ook de christen die zijn voordelen ziet, kijkt hij
echter naar zijn voeten, fouten, roept hij klagend God aan en haat de
ongerechtigheid.
Maerlant; ‘Vijf en
twintig jaar mag hij leven. In oude boeken vindt men beschreven dat bij
ouderdom in het hoofd een kostbare steen groeit, wat men gelooft. De pauw werpt
zijn staartveren met z’n allen als de bladeren vallen en laat zich nauwelijks
kennen totdat ze weer beginnen groeien. Als hij ontwaakt wordt bij nacht, dan
roept hij luid en niet zacht, want hij heeft angst en is vertoornd dat zijn
schoonheid is verloren. Eieren leggen ze eens in het jaar en de pauwin denkt bij
zichzelf dat ze die voor de pauw verbergt, want vindt hij ze dat hij ze breekt.
Zjn jongen wil hij verslaan totdat hij ze uit de dop
ziet gaan’. Ze zijn zeer geil. Het mannetje
begeert wel vijf wijfjes en als hij geen andere vindt zal hij op de broedende afvliegen
en de eieren breken. De pauw is een vogel die niet van zijn kinderen houdt en
het mannetje zoekt het vrouwtje op en pakt haar eieren om ze te breken zodat
het vrouwtje hem bedriegt en haar eieren verbergt. De pauwen leggen eieren als
ze drie jaar oud zijn. Als ze niet op hun eieren blijven zitten
dan leggen ze driemaal per jaar. Blijven ze zitten
dan broeden of voeden ze hun jongen zelf op en leggen ondertussen ook eieren,
twaalf eieren is bij haar het hoogste getal.
Maerlant; ‘Bonen, niet te zeer gebraden, doet de pauw graag pakken. As de pauw hoog klimt betekent dat regen al was het eerst droog’. Als de pauw op hoogtes wordt gezien betekent dat regen. Schreeuwen de pauwen, dan komt er binnen een uur weersverandering.
Maerlant; ‘Witte
pauwen vindt men mede en wilde pauwen in sommige plaatsen, maar niet van veren
zo fijn als de huispauwen zijn’. Witte pauwen
werden als een bijzonder privilege gehouden op het kasteel Staverden bij Ermelo
op de Veluwe, speciaal voor de helmsier van de
Gelderse hertogen. Nog is het kasteel
Staverden beroemd om zijn witte pauwen.
De goddelijke Juno hoorde eens een ontevreden pauw die zich beklaagde over zijn slechte stem. Hij was jaloers op de nachtegaal die zo mooi kon zingen. Maar Juno zei hem dat hij die stem niet nodig had om op te vallen, zijn fraaie kleed is hem tot sier. Geen nachtegaal kan zo met zijn veren pronken. Elk dier heeft zo zijn eigen kwaliteit waarmee hij kan pronken. De moraal van dit verhaal: ‘wees tevreden met wat je hebt en gebruik je talenten’. Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.
Historie.
In Indië wordt hij als een heilig en onschendbare vogel beschouwd, de inboorlingen achten het doden van een pauw een grote misdaad. Het is het symbool van Krishna. De jager, die zich hieraan niet stoort stelt zich aan levensgevaar bloot. De pauw waarschuwt als er tijgers of luipaarden in de buurt zijn en het is een verdelger van slangen. Waar hij niet als heilig gezien wordt, wordt de halfvolwassen vogel als goed vlees gejaagd.
In China gelden de pauwenveren als rangteken van de mandarijnen. In het hemelse Rijk was de ‘orde van de pauwenveer’ de grootste gunst die een mandarijn deelachtig kon worden
De pauw is al in de oudheid bekend. Koning Salomons schepen brachten uit Ophir, naast andere kostbaarheden, pauwen mee. Pas veel later kwamen ze in het heiligdom van Juno op Samos. Zijn het dezelfde beesten of kwamen er uit Ophir Afrikaanse of andere ‘pauwen‘ mee? In Kongo leeft namelijk ook een soort pauw.
In Egypte wordt de Phoenix meestal afgebeeld als een reiger, maar in de klassieke literatuur meestal als een pauw of een adelaar.
Bij Lucretius wordt de pauw hoog verheven, zo ook bij Varro, hier zegt Juno tegen de pauw:
‘Aan uw hals hangt als een duur kleinood
Een esmerald van
wonderlijke verwe
Waarbij de kleur van ieder moet besterven
Uw staart is heel geschilderd met een licht
Van stenen, dat elk flikkert in ‘t gezicht’.
Hovaardig als een pauw worden de sierlijke poppen en trotsmoedige pronkertjes genoemd die hoogmoedig de hals opsteken en wonderlijk uitgestreken voor den dag komen. Ovidius:
‘Prijst gij met hoge lof, een pauw naar hare
zin
Zij toont haar pluim, zo niet, zij houdt
haar schatten in’.
Verder: ‘De deugd is om haar zelf te zoeken, haar
gelaat
Is zuiver, en belooft geen uiterlijk sieraad’.
De Griekse naam staat met Semitisch in verband. Alexander de Grote kende geen wilde pauwen zoals blijkt uit zijn bewondering voor de wilde die hij in Indië zag en zo kwam de pauw verder in Azië. Hij gold voor de mooiste van alle vogels. Hij stamde uit de verre en wonderbaarlijke Indië en behoorde net als het blanke goud, de schitterende edelstenen, het witte ivoor en het zwarte ebbenhout tot de begeerde heerlijkheden. Alexander bedreigde iedereen die de vogel wilde slachten met de zwaarste straffen.
In het midden van de 5de eeuw kwam de pauw naar Athene waar een haan veertien honderd gulden kostte. Waarschijnlijk lieten ze zich moeilijk aanpassen of getemd worden, dit naar de langzame verspreiding. Ten tijde van Pericles moet de pauw nog zeldzaam zijn geweest in Griekenland omdat men van verre kwam om hem te zien. Aristoteles noemt het een door het hele land bekende vogel.
Naar Italië kwam ze waarschijnlijk door Phoenische/Carthagose handelslieden. In de tijd van de republiek kwam de pavus, pavo op. Later diende hij als weelde en in Cicero’s tijd kwam hij op tafel, hoewel het vlees als ongenietbaar gold. Vitellius en Heliogabalus onthaalden hun gasten op een gerecht dat uit tongen en hersens van pauwen en de duurste specerijen van Indië was samengesteld.
Zijn veren werden als waaier gebruikt en men begon ze veel te kweken in pauweneilanden en parken. Op het eind van de 2de eeuw waren ze in Rome zeer algemeen.
Naar de sage werd de alziende Argos na zijn dood in een pauw veranderd, zijn alziende ogen zijn de stippen op de staart.
Vanwege de ogen op zijn veren die als sterren schitteren, is het de vogel van Juno de hemelkoningin, zoals de adelaars dit was van haar man, Jupiter. Als een Romeinse heerseres dood was werd een pauw van de begrafenis brandstapel losgelaten als een teken dat ze een godin was en nu onsterfelijk geworden, bij de heerser was dat een adelaar.
Op het Griekse eiland van Juno in Samos liet men ze in het wild lopen en van daar zijn ze over geheel Europa verspreid. Karel de Grote gaf beval om ze op zijn landgoederen te telen. Ze waren niet voor de gewone burger, vanwege de hoge prijs, daarom zag je ze veel op kastelen.
Veren werden een geliefde sier bij ridders en vrouwen. Op pauwengebraad legde oud-Franse ridders hun half waanzinnige geloftes af, voeux du paon; pauweneed.
In Duitsland en Engeland was hij in de 14de eeuw nog zeer zeldzaam. Omdat hij als bewijs van rijkdom gold lieten Engelse baronnen bij grote feestelijkheden een gebraden pauw opdragen, die met zijn eigen veren versierd en met pruimen, die destijds nog zeer zeldzaam waren, omgeven was. Gessner was in 1557 al goed met de pauw bekend en gaf een uitvoerige beschrijving.
Har is de eerste persoon van de Scandinavische drie-eenheid, die bestond uit Har: de Machtige, de Bijna Machtige en de Derde Persoon. Deze drie-eenheid wordt wonderboom genoemd. Ze is gezeten op de drie tronen boven de regenboog. Har heeft al zijn negende reïncarnatie gepasseerd en gedurende zijn tiende zal hij eerst de gedaante innemen van een pauw en dan van een paard.
Uit Megenberg.
Bijbel.
De pauw wordt een drie maal vermeld waarvan er een meestal als fout gezien wordt. Dit is Job 39:13 wat vaak als struisvogel vertaald wordt. De twee andere staan eigenlijk in een tekst.
1 Kon. 10:28 de pauw die in Hebreeuws ‘tukkiyyim’ heet en alleen hier verschijnt en in de gelijke passage in 2 Kron. 9:21. Het is een deel van de lading die om de drie jaren door Salomons handelaars gebracht werden. Het is geen Hebreeuws woord, het zou afgeleid zijn van Egyptisch ky: aap. Dat lijkt moeilijk. Het woord lijkt ook veel op ‘tokei’, een Tamil woord voor de pauw wat staart betekent waar ze het dan vandaan gehaald zouden kunnen hebben (Ceylon). Toch brachten Phoenische handelaars al eerder pauwen vanuit Perzië naar Egypte, al lang voor de tijd van Alexander. Tiglath-Pileser van Assyrië, 745-727 v. Chr. had pauwen als een attribuut uit Arabië ontvangen.
Zijn vlees is zo hard dat het moeilijk rot en met koken hard blijft. Galenus vermeldt dat ze moeilijk te verteren zijn. Augustijn beweert dat pauwenvlees niet verrot, maar wel een jaar lang goed blijft. Vanwege het idee dat pauwenvlees niet vergaat kwam het gebruik van de pauw als symbool van onsterfelijkheid.
Christelijke artiesten voerden dit idee geverfd of ingekerfd uit. De pauw die elk jaar zijn staartveren verliest en ze in de lente terugkrijgt was al bij Augustinus het symbool van de opstanding. Je ziet ze afgebeeld in Christusmonograms, op sarcofagen en mozaïeken. Een vliegende pauw staat op de toren bij de kerk van Slochteren. Hoewel het een symbool van pracht was, wat de eerste christenen verafschuwden. Men wees dan vooral op zijn kale hals en zijn voeten als een vermaning van deemoed. In middeleeuwse tekeningen zie je de vleugels van engelen als die van pauwenveren. De ogen zijn nu het symbool van goddelijke alwetendheid zoals het was bij de alziende Argos.
De pauw gold als een slangendoder en met zijn schitterende kleuren was hij in staat om het slangengif in een zonachtige toestand te versmelten. Zoals het gezang van de pauwen de slangen heet te verjagen zo verdrijft de rechtvaardige de duivel door zijn gebed.
Gebruik/symbolen.
Bij de ouden dienden ze als wachters van de siertuinen omdat ze net als ganzen een groot geschreeuw maken als er een vreemdeling aankomt.
Om zijn pronkerige aard is de pauw bij uitstek het symbool van hovaardij, hoogmoed en ijdelheid.
Pauwenveren brengen echter ongeluk. Wie ze in huis zet of draagt, zal ongeluk krijgen. Mogelijk hebben de ‘ogen’ iets te maken met het boze oog.
Men zegt dat het vette sop van de pauw het zijdewee verdrijft en de pauwentong goed is tegen de vallende ziekte. De eieren die in azijn gebraden zijn en gewreven worden op kriebelplaatsen geneest dit. De rook van de gebrande veren zou de ontsteking van de ogen verhelpen. Pauwenbloed verdrijft demonen, mogelijk de slangen.
Heraldiek.
In Duitsland komt de pauw al sinds de twaalfde eeuw voor als wapendier. Het betekent macht, voornaamheid en aanzien. In de christelijke symboliek is hij het beeld der opstanding of van hemelse heerlijkheid. Zijn vlees was, naar het voorbeeld van de Romeinse redenaar Q. Hortensius, in de middeleeuwen het eten van de ‘helden en liefhebbers’.
De pauwenveer komt voor als vederbos en helmteken. Ze waren het voornaamste sieraad van de troubadours en werden hun bijvoorbeeld door de edelvrouwen van de Provence in de vorm als kroon als loon voor hun voordrachtskunst gegeven, ook ter ere van dapperheid en galanterie.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe VIII;
Pauw ende ’t Nachtegael;
‘De schoon geveerde pauw hoorde met begeren
Het Nachtegaaltje in de wilgen kwinkeleren
En werd bijna verliefd op ’t lieflijke gezang
En de goddelijke muziek, die uit de takken klank
Ten slotte sprak ze aldus: O Moeder aller dingen
Nature, die voor mij vele andere zonderlingen
En heerlijks heeft gesierd, hoe was ik ooit zo onwaard
Dat gij de kunst bedreef met mijn gouden staart
Een staatsiesleep zo mooi hebt willen huwelijken
Op dat ik zo met de roem der Vogelen mocht strijken
De natuur heeft de Pauw toen terstond om zijn ondankbaarheid
Berispt, omdat met het haar rijkelijk heeft bij geleid
Zij niet verheugd mee was. Gelijk in ooit komende tijden
Het Nachtegaaltje niet het voordeel van de Pauw zal benijden
Maar zich tevreden houdt met wat haar is gegund
Indien ook, zei zij, het elk is vergund
Te hebben het gene hij wenst, het zou zijn te vrezen
Dat met de vernieuwde ik ieder bezig zou wezen
Je nooit meer vergenoegt, maar opstaat tegen God
En de Natuur wet, leer met voldoening leven
Wens niet wat een ander is gegeven.’
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XXXIX ;
De Pauw en d’Exter;
‘Al wat op wieken zweeft vergaderde tezamen
Op dat ze een braaf Monarch en overheer bekwamen
D’Een stemde dat de Zwaan vanouds de kroon toekwam
En d’ander de Arend koos van Keizerlijke stam
Ten leste is de stem en uitspraak van hen allen
Op de opgepronkte Pauw eendrachtig gevallen
Vermits om zijn glans en schoonheid, zeer beroemd
Zij stemden dat de kroon hem rechtvaardig toekomt
Maar de Ekster snaterbekte dat de waarheid niet kon zwijgen
En sprak: van wie zullen wij dan hulpe krijgen?
Als ergens iemand ons onderdrukken pocht?
Terwijl je op Pauws kracht geheel niet steunen mocht
Of zou de vijand voor de luister van zijn pluimen
En schone schachten verschrikken en wel moeten ruimen?
Een vlek is dat in het bloed van Koninklijks geslacht
De schoonheid van een prins kan nergens de onderzaten
In tijd van strijden nood noch helpen, noch baten’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XXXXVIII ;
d’Exter met Pauwen veren;
‘Een Ekster, Om in ’t koor der pauwen als de vrije
Te komen met haar te onderhouden de maatschappij
Van Pauwenpluimen een hele bos heeft vergaard
Een heerlijk zich heeft versierd met een Pauwenstaart
Verschijnt in ’t dal, daar laag en diep gezonken
De Pauwen gewoon zijn zich sierlijk op te pronken
Die, speurende terstond dat de Ekster, schoon voor ’t oog
In een Pauwenschijn hen listelijk bedroog
Haar volgden op ’t lijf en haalde elk zijn pluimen
En deden haar met schande en smaad het lustdal ruimen
Des adels, komt, al is hij rijk van goed
Zo haalt hij de smaad, schande en ongenoegen
Wijs is hij die zich bij de zijnen weet te voegen’.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/