Pluvialis.
Pluvialis apricaria. (van apricor: zich in de zon koesteren) (Charadius
pluvialis)
Pluvier die in Duits Regenpfeifer heet laat zijn fluitje voor regen bijzonder
goed horen en geld als weerprofeet, vandaar de Engels naam plover, Frans
pluvier en ouder plovier wat uit volks Latijn plovarius, van
Latijn pluvia: regen stamt. Bij de regenwulp wordt dit nog eens bevestigd.
Grieks charadrius is de vogel van de chadara: of rotskloof. Het zijn de wadi’s die in de regentijd door bruisende bergstromen gevuld worden en in ieder jaargetijde water houden.
‘Bij wijlen komt een
schuwe pluvier
Gesprongen uit de
groene wei’.
Goudpluvier, gouden regen fluiter die bij Oirschot tuter
en in Friesland wilster of wylster genoemd wordt. Het is de Duitse
Goldregenpfeifer, Goldkiebis, Golddute, Brachhunchen, Dute, Dutvogel,
Saatgrille, Saatvogel en Gruner Brachvogel, de Franse pluvier dore, de Engelse
golden plover, het is de thick-knee of Norfolk plover die ook stone-curlew
genoemd wordt. In Cumberland whistle of the waste.

Vorm. De goudplevier heeft de kruin, de nek, de
achterhals, de mantel en de rug zwart en alle veren met goudgroene randen en
topvlekken. In de broedtijd is het mannetje zwart van onderen met gele
spikkels. In de winter wordt dit meer vlekkerig wit. Wit zijn het voorhoofd, de
wenkbrauwen en de zijden van de hals, borst en buik, die met elkaar een
onafgebroken streep vormen, dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveren
van de staart. Mannetje en vrouwtje zijn vrijwel gelijk.
Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de
voet grauwzwart. Totale lengte zes en twintig cm met een staartlengte van acht
cm.
Ze lopen op voortreffelijke wijze en staan
pas na een lange mars stil. Ze vliegen snel en behendig, recht op het doel af.
In de buurt van het nest vermijden ze allerlei fraaie wendingen en
vliegkunsten.
De goudpluvier komt zelden voor.
Een pluvierennest is meestal niet meer dan
een kuiltje in de grond. Meestal zijn er vier eieren in waar ze een vier weken
op zitten. Kleine soorten komen een dag of wat eerder uit. Na een drie tot vijf
weken kunnen ze vliegen.
Het zijn vogels van de toendra’s en
moerassen. Daar hoort men van alle zijden het droefgeestige en bijna klagende
geschreeuw van deze vogels. Hun welluidende en helder gefluit, dat als ‘tluie’
klinkt maakt een aangename indruk hoewel de intonatie ons wat zwaarmoedig
voorkomt. In de paartijd wordt het tot een triller
‘taluudl-taluudl-taluudl-taluudl’ verlengd.
Caladrius is genoemd door Aristoteles en het
verschijnt in twee passages van de Pentateuch. Plinius zegt: “In de Hercynian
wouden van Germanie hebben we gehoord dat er vreemde soorten vogels zijn wiens
veren als vuur schijnen in de nacht’.
Maerlant beschrijft Lucidus wat oplichtend betekent; ‘Lucidius, zegt Solijn, is een vogel, wiens naam is gemaakt van het licht, zijn veren schijnen echt in donkere nachten gelijk het vuur. Bij die is het de gehele manier dat die bij nacht wil denken om door donkere woestijnen te leiden en dat hij de vogelsveren meedraagt en de nacht daarmee verjaagt. Plinius spreekt in zijn boeken dat in Germanie, die woestijn dat Allemagne nu heet, zulke vogels getuigt gereed’.
De calander is een soort leeuwerik die in het
M. Zeegebied voorkomt, zie daar.
Charadius morinellus, L. (Grieks charadrius is de vogel van de chadara: of rotskloof. Het zijn de
wadi’s die in de regentijd door bruisende bergstromen gevuld worden en in ieder
jaargetijde water houden, morinellus is gevormd naar de Nederlandse naam,
mogelijk van Grieks morus; dwaas, dom, laat zich gemakkelijk vangen) de morinelpluvier of mornel, wylster, Duitse
Mornellregenpfeiffer, Engelse dotterell, (ook mogelijk afgeleid van to dote;
dotard; dwaas gedrag) Franse pluvier guignard.
Een bruin/grijze vogel met een vuil witte
streep boven het oog, verder witachtige kin en keel met boven lichte strepen.
In de zomer is de buik rood/bruin en naar de poten toe zwart wordend. In de
winter is de rug donkerder en de borst wit.
Trekvogel van N. Europa.
Broedtijd is drie weken.
Charadius hiaticula, L. (Aegialites hiaticula) (Latijn
hiatus: spleet, zie charadrius) is de bontbekpluvier of de bonte wilster, zeeleeuwerik, peiert,
gliend, knot of bunte wilster, Duitse Halsband- of Dandregenpfeifer, Engelse
ringed plover, Franse grand gravelot of grand pluvier.
Die is aardkleurig van boven en wit van
onderen. De vleugels zijn zwart en zo ook de kop waar ook wit in is. De hals
heeft een zwarte band. De poten zijn rood, zo ook de snavel die nog een zwarte
punt heeft.
Lengte is negentien cm.
De bontbekpluvier leeft van schelpdiertjes
die meestal op de Wadden voorkomen. Op de heidevelden komen ze in april om in
september weer te vertrekken. Het is een vogel van de Noordelijke gebieden,
hoewel deze ook verder in Europa voorkomt.
Ze legt twee-vier lichtgele eieren met blauwe
en zwarte plekken, broedt twee a drie weken die na 3-4 weken kunnen vliegen.
De roep is ‘pie-ie’.
Charadius alexandrinus, L (Aegialites alexandrinus) (uit
Alexandrië waar de vogel het eerste als levend beschreven werd)is de strandpluvier, zandloper, froekie, gultje, kreukeltje,
gril, grient, dukelmatsje, kreutelstje, Duitse Seeregenpfeifer, Engelse
Kentisch plover, Franse gravelot a collier interrompu of plevier de Kent.
Die is als de vorige maar zonder zwarte
halsband.
Legt vier bleekgele eieren in het zand of
tussen stenen.
Dit is hier een van de bekendste die je soms
met tientallen in snelle pasjes ziet lopen.
Het geluid is een zacht poewiet.
Charadius dubius, L. (twijfelachtig) de kleine pluvier, de Duitse Flussregenpfeifer, ook Sandhuhnchen en Strandpfeifer,
Engelsetlittle ringed plover, Franse petit gravelot of petit pluvier a collier.
Is als de bontbekpluvier, maar kleiner, de
snavel en de pootjes zijn geler, achter het oog maar een klein vlekje.
De lengte zestien cm.
De roep is ‘diee’ in de avond en morgen.
De kleine pluvier is een wintervogel.
Pluvialis squatarola (als met schubbetjes bedekt) (Squatarola
squatarola, L.) is de goudkievit, de zilver- of zeewilster of blanke wilster,
Duitse Kiebitzregenpfeifer, Engels grey plover en Franse vanneau pluvier.
De goudkievit is groter dan de goudpluvier, wit op zijn voorhoofd en heeft een witte oogstreep en een witte buik. Zwart is zijn borst, wangen, poten en snavel. Aan de voet is een korte achterteen.
De lengte is zeven en twintig cm.
Dit is ook een wintervogel die in het hoge Noorden broedt.
Arenaria
interpres, L. (van het zand levend , interpres is Latijn voor
tolk) is de steenloper, tolk, steinpikker, Duitse Halsband
Steinwalzer, Engelse turnstone, Franse tourne-pierre a collier.
Zwart zijn het
voorhoofd, schedel, borst, schouders, wangen, rug en staart, dat gescheiden
wordt door brede witte velden. Rug, stuit en onderzijde is wit. In de winter
wordt het meer bruin. De lengte is vijf en twintig cm.
Dit is ook een
wintervogel die op de kwelders voorkomt waar het schelpen en steentjes omkeert
op zoek naar wormen en dergelijke.
Broedt in het Noorden. Vier gladde eieren. Zijn geluid is ki ki.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/