Botaurus, betekent ossenstier of het woord komt van botauros:
‘de roepende stier’ vanwege zijn bulken.

Botaurus stellaris, L. (sterren kijker, omdat
hij naar de sterren kijkt) putoor, domphoren, reiddomp,
marbolle: meerstier,
De roerdomp heet bij
Nijmegen roerdommel, in Overijssel iperom, in N. Brabant butoor en domphoren, in Limburg
rommeldoes en in het Fries reitdomp. In Duits Grosse Rohrdommel, dus van het riet, het domp of dom is naar de paringsroep, de Engels bittern en Franse butor etoile en grand butor.
Zijn dof boem boem of roer-domp hoor je overdag
en ’s avonds.
De roerdomp zou zijn
lange snavel in het water steken en zo een brullend geluid voortbrengen
Het brullen klopt,
hij maakt een brommend geluid. Je zal hem nooit gezien hebben omdat hij de
eenzame velden bemint en de mensen mijdt. Maar je zal hem in waterrijke
gebieden mogelijk gehoord hebben, hij maakt een geluid dat zeer zwaar is en
verder dan een half uur gehoord kan worden, een twee tot drie km ver. Dat doet
hij in de paartijd en het is een geluid dat op een rund gelijkt, het klinkt als
‘uuproemb’. Tevens zal,als
je in de buurt bent nog een geluid horen, alsof er met een rietstengel in het
water wordt geslagen. Het geplas wordt veroorzaakt doordat het mannetje een
paar maal met de snavel op het water slaat, voordat hij die in het water steekt
en zijn lied begint. Voordat de vogel geheel op dreef is klinkt zijn lied
ongeveer als ‘uu uu proemb’ later als ‘uu proemb uu proemb
uu proemb’. Soms wordt daar
de klank ‘boeh’ nog aan toegevoegd.
Zijn nachtelijk
gebrul veroorzaakt een bijgelovige vrees bij onontwikkelde lieden. Verder zijn
nachtelijke levenswijze en geruisloze vlucht.
Hij is kleiner en
meer gedrongen dan een reiger, heeft een korte staart maar een lange hals met
dikke veren die geel en zwart en zeer fraai gevlekt zijn. Het is een grote,
reigerachtige vogel met veel gedekt bruin. De lengte is twee en zeventig cm.
hij vliegt zacht als een uil
Nadert er onraad
gaat hij stokstijf staan zodat je hem niet ziet, een soort paaltje. Hij steekt
dan zijn snavel omhoog en kijkt naar de sterren. Hij komt dan ook voor in hoog
riet, is dat te nog kort dan zie je hem eerst in het struikgewas.
Traagheid en
langzaamheid, angstvalligheid en argwaan, list en geveinsdheid, booraardigheid
en valsheid zijn de kenmerkende eigenschappen van de roerdomp. Hij leeft alleen
voor zichzelf en schijnt ieder ander schepsel te haten. De dieren die hij
verslinden kan doodt hij en die groter dan hem zijn hebben last van zijn
woedende aanvallen. Zo lang mogelijk ontwijkt hij grotere dieren en als hij in
het nauw gebracht is gebruikt hij zijn snavel als een dolk en richt die zo
kwaadaardig, behendig en snel op de ogen van de tegenpartij dat zelfs mensen op
moeten passen om niet gevaarlijk verwond te worden.
Het nest is in het
riet gebouwd. Ze broedt een maand op drie tot vijf blauw/groen/grijze eieren.

Maerlant, ‘Butorius, als ik kan lezen, mag butor in Dietsche wezen. Hals en been heeft het lang, scherpe bek en
sterk naar de aarde zijn z’n pluimen gedaan. In moerassen wil het gaan,
daar
staat het stil in de gebaren alsof hij dood of steen ware en heeft zijn hals
ingetrokken
als
een dief, fel en vals om vissen te gaan die het veel pleegt te vangen. Als hij
zich in de streek voelt staat hij stil en houdt zijn bek, die scherp is, te
steken dan en als het de man waarneemt steekt het waar het die kan raken. De
havik die moet ook soms zijn zware steken smaken waarhij
mee vangt onwezenlijk padden en giftige dieren eten ze wel naar hun manieren.
In de lente maken ze een geluid, in het broekland waar het staat in het kruid
met zijn bek in het heldere water alsof het de donder was. Zeer goed ruiken ze
vuur. Herenspijs is het, want het is zo duur. Medicinaal is zijn smeer en van
die is het dat menigeen houdt’.
Ixobrychus minutus, L. (Grieks ixos, mistel of lijm, brychaomai;
brullen, en klein) het woudaapje is
kleiner, veertig cm en wordt zo groot
als een flinke duif.
De kleine butoor, waffer, woudhopje,
woudpitoortje, houtbutoortje, lytse
reiddomp in het Fries, wordt vleethond bij Nieuwkoop
genoemd en ievezomp bij Zutphen, in Duitse kleine of Zwergrohrdommel, het is de Engels little
bittern en Franse butor blongios en blongios nain.
De roep zou wouw wouw zijn, vaandaar woudhopje,
volgens anderen oemp.
De mantel, bovenkop,
schouderveren, stuit, slag en staartpennen zijn zwart, de odnerdelen
bruin en geelachtig. Op de kop staan een paar lange kruinveren. Een zeer kleine
reigerachtige van maar een 5cm lang.
Die verstaat ook de kunst,
als de vorige, om het riet met zijn tenen te grijpen en als een aap door het rietwoud te
klauteren..
Het woudaapje is
meestal zeer zwijgzaam. Slechts in de broedtijd hoor je een zacht ‘hroeg’, poemb’ roepen. De
angstroep is ‘cheet’.
Deze vogel leeft bij
stilstaande wateren met riet- en biezenbegroeiing en vooral als er ook veel
brandnetels, wilgen en bitterzoet zijn.
Het komt hier in
maart/april en vertrekt weer eind augustus/oktober.
Het nest is op het
water tussen het riet en biezen en is gemaakt van ezelskop en lisdodden. Daar
in komen vijf tot zeven blauwgroene eieren die na 14 dagen uit komen, de jongen
kunnen al na 10 dagen in het riet klimmen.
Ze geven een zeer
onaangenaam geluid, even als grote heren die in de hoogte wonen, verre van
alle wetenschap. Gelijk de stem van deze domphoorns onaangenaam is, alzo
brengen zulke mensen niets voor den dag.
Roerdomp in de
Bijbel, ‘qippod’, mogelijk wordt met die naam ook de
pelikaan bedoeld die ook een schreeuwer is wat uit zijn bijnaam Onokrotalos blijkt: ‘die lawaai maakt als een ezel’. Dus
een geheimzinnig en luidruchtig dier Lev. 11:18, Deut. 14:17, Ps. 102:7; ‘pelikaan
en roerdomp nemen het in bezit’, Jes 34:11: ‘En
Ik zal het maken tot een bezit van roerdompen en tot waterpoelen’. In
Zefanja 2:14 is hij een vogel van de woestijn, maar daar zijn ook moerassige
streken.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/