Phoenicurus. Grieks phoinix; purper en oura; staart.
Tot de
grondzangers behoort ook;
Phoenicurus ochruros, okerkleurig. (Erithacus
tytis, L.) is het roodstaartje of zwart roodstaartje,
Duitse Hausrotschwanz, Engels black redstart, die hier soms overwintert.
Het is verwant aan het roodborstje, de nachtegaal en lijsters.
Vorm.
Het roodstaartje is vrijwel geheel zwart en ook het vrouwtje is donker.
De kop, de rug en het onderste gedeelte van de borst zijn min of meer asgrauw.
De buik is witachtig en de vleugels zijn wit gevlekt. De stuurpennen en
staartwortelveren zijn op elke leeftijd en bij beide geslachten geelachtig
roestrood, met uitzondering van beide middelste stuurpennen die een
donkerbruine kleur hebben. Bij het wijfje en het eenjarige mannetje is de
hoofdkleur effen donkergrijs, bij de jongen komt op dit grijs zwartachtige
wolkjes voor.
De lengte bedraagt een zestien cm
Zijn bewegingen komen veel overeen met die van de tapuiten. Hij is
buitengewoon vlug en behendig, huppelt en vliegt met even groot gemak, bukt
zich of wipt met de staart bij iedere gelegenheid. Vliegend beweegt hij zich
bijna huppelend of met haastig snorren over grote afstanden. Hij volgt daarbij
een onregelmatige en uit grote en kleine bogen bestaande, slangvormige lijn.
Zijn vaardigheid in het vliegen is zo groot dat hij op de wijze van de
vliegenvangers zijn buit kan krijgen. Hij is niet zo verdraagzaam ten opzichte
van andere vogels.
Voorkomen.
Het roodstaartje zit meestal op de grond waar het als een kwikstaart
heen en weer rent. Leeft dan ook meer op open velden en rotsachtig terrein. Het
is een kind van de bergen en bewoner van rotsen, waarschijnlijk van midden
Zwitserland. Het komt hier toch steeds meer voor, ook bij huizen en volgt de
mens met zijn bouwwerken. Gessner zag hem al in Straatsburg vier eeuwen geleden
en in Oldenburg was hij in 1820. In Engeland is het eerste exemplaar in 1829
bij Londen gevangen. Bij ons in Brabant in 1886 en in Limburg, Gelderland en
Groningen in 1889.
Ze komen hier in april. Ze reizen afzonderlijk en ’s nachts, de
mannetjes eerst, de vrouwtjes enige dagen later. Onmiddellijk na zijn aankomst
zet de vogel zich neer op de nok van hetzelfde dak dat zijn lievelingsplaats
is. Dan begint het opgewekte en drukke zomerleven.
Zang.
Net als de rest van de familie is hij een bedrijvige, werkzame, wakkere
en onrustige klant. Van het aanbreken van de dag tot na de zonsondergang is hij
in de weer. Zijn lied is een van de gezangen die men op een lentemorgen hoort.
Hij is een van de eerste en zijn eenvoudig wijsje klinkt nog na in de
avondschemering. Zijn lokstem is aangenaam, zijn gezang echter niet fraai en
wordt door een eigenaardig gekras gekenmerkt. Zijn roepstem klinkt als ‘fied tek tek’
en wordt als hij angstig is of in gevaar verkeert talloze malen in snelle
opeenvolging herhaald. Zijn gezang is verdeeld in twee of drie strophen die voor een deel uit gefloten en voor een deel
uit gillende en krassende tonen bestaan en volstrekt niet welluidend zijn. Wel
bezit hij de gave om liederen van andere vogels na te bootsen waartussen je dan
zijn eigen krassende muziek hoort.
Hij broedt in mei/juni in gebouwen of spleten
en zelden is het een holle boom. Plantenstengels en halmen worden bij elkaar
gebracht en van binnen gevoerd met fijne haren en veren. Hierin komen vijf
witblauwe en glanzende eieren. Beide ouders broeden, het vrouwtje meer dan het
mannetje. Na een dertien tot vijftien dagen komen ze uit. Ze worden door beide
ouders groot gebracht. Maar de jongen verlaten het nest meestal te vroeg en
worden vaak buit van roofdieren. Na enkele dagen kunnen ze goed genoeg vliegen
en beginnen de ouders met een tweede en soms met een derde nest.
Phoenicurus phoenicurus, L. (roodbruin) is het roodkraagje, het gekraagd roodstaartje of muurnachtegaal die bij Haarlem wel blauw
paapje genoemd wordt en in Duits Gartenrotschwanz.
Het roodkraagje
heeft een grijze bovenkant met oranje gele borst en staart. Bij de wangen en
keel is het zwart met een wit voorhoofd. Het wijfje is onopvallend grijsbruin
en van boven en lichter dan van onder. Het roodkraagje is vier en twintig cm
lang.
Het zijn beweeglijke
vogeltjes die heen en weer schieten Alle twee soorten kunnen hun staart laten
trillen.
Deze vorm zit
meestal in bomen en leeft meer in bossen. Het komt overal in Europa voor.
Zijn gezang is beter
en welluidender en rijker dan zijn familielid. De tonen van twee, drie strofen
zijn zacht en fluitend, wel enigszins droefgeestig, maar over het algemeen
genomen toch zeer aangenaam. Ook hij bootst gaarne de geluiden van andere
vogels na.
Zijn voedsel is
hetzelfde, maar hij zoekt het meer op de bladeren van de bomen.
Nestelt graag in
holle bomen en soms in spleten. Ze broedt een veertien dagen op vijf tot zeven
blauwgroene eieren.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/