Ovis. Latijn ovis; schaap.
Ovis aries. Een
water Aries heet zo in Siebenburgen te Roemenië wat afgeleid is van Latijn
aureus, gouden vloed, mogelijk naar het vinden van gou, vergelijk gulden of
gouden vlies.
Schaap. In midden-Nederlands was het scaep, in oud-Saksisch skap, in oud-Hoogduits Scaf (nu Schaf), in oud-Engels sceap (nu sheep). Dit woord stamt van West Germaans skepo-m.
Het mannetje heet bok, in Duits Bock.
Ram. In midden-Nederlands was het ram, in oud-Hoogduits Ram, (nu Ramm) oud-Engels en nu ram. Als grondbetekenis van ram stelt men zich het woord rammeln voor, het midden-Hoogduits rammeln betekent zich paren, vergelijk een rammelaar, een mannelijk konijn.
Rammen ruiken, daarom worden ze gelubd als ze een half jaar oud zijn, dan heten ze hamel In midden-Nederlands was het ook hamel, in midden en oud-Hoogduits ook Hamel. Het oud-Hoogduitse hamal betekent verminkt, ook gesneden of ontmand; vergelijk oud-Hoogduits kreupel, mank.
Naar het voorbeeld van Latijn aries kreeg ook het Germaanse woord ram de betekenis van stormram. In Duits heet de stormram Widder wat in de grondbetekenis een eenjarig dier betekent.
Het jong lam heet in Duits Lamm en in Engels lamb, het grondwoord is een jong gehoornd dier.
Een
ramlam is een bokje. Een zeer oud Hollands woord is hoeken,
hoken, huekijn, hueken, hokijn, hoekin, houkijn, huken, in midden-Nederlands
betekent hoken of huken, het bokje van schapen en geiten.
Een moederloos lam is een opzuiger, leplam, potlam of lepper.
Een ooilam, een jong vrouwelijk schaap, heet wel germ.
Een eenjarige ooi heet wel enter, bette of jaarling.
Een eenjarig ram enterram, overhouder of jaarling.
Een tweejarige ooi een twenter.
Een oudere ooi een mok of drieschoren schaap.
De draagtijd is honderd drie en vijftig tot honderd vijf en vijftig dagen waarna een of twee lammeren worden geboren. Tegenwoordig mikt men op twee lammeren per schaap De lammeren worden een zes weken gezoogd door de ooien. De lammeren kunnen al na een paar weken groen eten.
De ram heeft schroefvormig gedraaide horens, geen baard en meestal een gewelfde neus.
De ooi heeft in de regel geen horens of zeer kleine.
De kleur is in het algemeen wit, hoewel ook zwarte en gevlekte schapen niet tot de zeldzaamheden behoren.
Het schaap leeft niet lang, een negen of tien jaren.
De ram is sterk en stout en durft moedig een hond aan te vallen en blijft in die strijd dikwijls overwinnaar. Er zijn zelfs voorbeelden dat hij, geen gevaar ontziende, het met een stier durfde opnemen en omdat zijn voorhoofd harder is dan dat van enig ander dier verliest hij zelden, de stier toch door zijn kop naar beneden te buigen krijgt de forse slag van de ram tussen zijn ogen wat hem gewoonlijk neer velt. Als het gevaar zeer dreigend is neemt de ganse kudde maatregelen ter verdediging. De wijfjes en jongen staan in het midden en de mannetjes maken van alle zijden front tegen de vijand. Zodra de aanvaller genaderd is schieten de rammen woedend op hem los en doden hem of jagen hem op de vlucht.
Historie.
Bij Homerus gold het schaap als gehoorzaam, ‘zoals schapen meelopen achter de ram,’ Ilias XIII 492. Willoos, ‘zij zouden in Ilinion (Thebe) zijn opgesloten, zoals lammeren in een kooi’. Flinker daarentegen is de ram. Odysseus wordt daarmee vergeleken: ‘zelfbewust gaat hij door een kudde schapen, de wacht houdend’, Ilias III 194. Aristoteles meldt dat het schaap van nature dom is, het loopt naar eenzame plaatsen zonder een doel voor ogen te hebben. Bij een storm blijft het staan tot de herder het in beweging duwt. Ook bij Plinius is het schaap stompzinnig, maar de ram vechtlustig.
Hoewel het schaap verschilt van diegene die in
paalbouwwoningen gevonden is lijkt die wel veel
zoals die afgebeeld worden op Egyptische tekeningen. Hesiodus schreef
800 v Chr.: "waar rechtvaardige mensen wonen daar is hongersnood onbekend.
De Goden zullen hen honig, schapen en eiken, rijk beladen met eikels, schenken."
In de Griekse mythologie droeg een ram een gouden vacht, het gulden vlies. Hij bracht de koningskinderen Phrixus en Helle over zee naar Colchis. Als beloning kreeg hij een plaats tussen de sterren. Omdat zijn vacht in het land van de Colchiers bleef straalt het sterrenbeeld maar zwak aan de horizon.
Egypte.
In Egypte verschijnt de god Chnoem met een ramskop waaruit zich Jupiter Ammon ontwikkelde die ook van een ramskop was voorzien.
In Egypte waar ze op het mesten letten wordt de staart zo dik en zwaar dat de schapen die niet kunnen beroeren zodat men die op een wagentje moet leggen zodat ze voort kunnen gaan. ”En getuigt zelf een staart gezien te hebben die tachtig pond woog’. Dit naar Herodotus die meldt dat er twee soorten schapen zijn, de ene met die lange staarten die op wagens rond gereden werden en een ander die brede staarten heeft, wel zeventig cm breed.
Het schaap dat daar gehouden werd was een vetstaartschaap, Ovis aries laticaudatus, (brede staart). De staart is breed en bevat veel vet, bij goed gevoede beesten wel vier tot zes kg, bij een ram tot tien kg. De vetstaart wordt beschouwd als een natuurlijke mutatie. Nu begrijpen we ook waarom in de beschrijving van een dankoffer, Lev. 3, bij het offeren van een lam uitdrukkelijk wordt voorgeschreven dat de offeraar zal nemen; ‘de gehele staart, die hij dicht aan de ruggengraat zal afnemen’. Een dergelijke aanduiding ontbreekt bij het offeren van een rund, vers 3-4, en van een geit, vers 14-15. Op Assyrische beeldhouwwerken uit de negende eeuw v. Chr. vinden we duidelijke afbeeldingen van vetstaartschapen als deel van de roof die buitgemaakt is in Palestina.
De Egyptenaren aten geen schapenvlees en daarom staat in 48ste kapittel van het boek der schepping dat schaapherders bij de Egyptenaren in grote verachting waren.
Bijbel.
Hoewel Israël na zijn vestiging in Palestina ook een landbouwend volk is geworden blijft de veeteelt en vooral het houden van kleinvee een belangrijke rol spelen. Dat is ook zo bij de buurlanden. Zo worden in Jes. 60:7 de schapen van Kedar en de rammen van Nebajoth genoemd, twee Arabische stammen, nakomelingen van Ismael, Jes. 21:16, Jer. 2:10, 49:28, Psalm 120:5. De Kedaren waren met andere Arabische stammen de leveranciers aan Tyrus van lammeren, rammen en bokken, Ez. 27:21. De Midianieten, nakomelingen van Abraham en Keturah, bezaten ook grote kudden. Dat blijkt uit de buit door Israël bij de strijd tegen dit volk gemaakt onder meer zes honderd vijf en zeventig duizend schapen, Num. 31:32. De stammen in het Over Jordaanse hadden veel last van de Hagarenen en in de dagen van Saul hebben ze gemeenschappelijk een veldtocht tegen hen ondernomen die hen als buit onder andere twee honderd vijftig duizend stuks kleinvee bezorgde, 1 Kron. 5:10, 19-21. Ook het land van de Moabieten was uitstekend geschikt voor schapenteelt. We lezen dan ook in 2 Kon. 3:4,: ‘Mesa nu, de koning van Moab, was een groot schapenfokker. Hij bracht geregeld aan de koning van Israël op honderdduizend lammeren en de wol van honderdduizend rammen’. Ook in Jes 16:1 wordt gesproken over een dergelijke belastingopbrengst uit Moab. Dat bovenstaande getallen in het geheel niet overdreven zijn wordt door Assyrische inscripties bevestigt die ook dergelijke getallen als roof noemen. Daar lopen de getallen zelfs nog hoger op, Sanherib deelt op in Niniveh ontdekte cilinder mee dat hij in de oorlog met Merodach Baladan niet minder dan acht honderd duizend en zes honderd schapen en geiten weggevoerd had die aan de Babylonische en Syrische stammen toebehoorden. Dat was ook wel nodig. Voor Salomon’s hofhouding werden dagelijks al een honderd stuks kleinvee geslacht, 1 Kon. 4:23, terwijl bij de inwijding van de Tempel honderd twintig duizend schapen en geiten geofferd werden, 1 Kon. 8:63.
Men neemt meestal aan dat schapen het eerst geteeld werden vanwege hun vlees en vet wat laatste zeer gewaardeerd werd. Het was goed vlees en werd gebruikt in sacramentele handelingen. Het was ook hun gewone vlees. Het idee van vee als rijkdom was al gauw ontwikkeld en het schijnt dat de levensbron al gauw meer efficiënt beheerd werd. Dit door het doden van de overbodige mannetjes voor ze hun volle grootte bereikt hebben. Daardoor blijft er meer voedsel over voor de rest. De grote hoeveelheden van rammen die in geschenkenlijsten voorkwamen bewijzen dit, zeven en zeventig duizend rammen en zeven en zeventig honderd bokken, 2 Kron 17:11. Dit naar het feit dat een ram op twintig vrouwtjes staat voor de teelt. De rammen zijn mogelijk gebruikt voor de wol, maar dezelfde hoeveelheid kan gemakkelijk als te veel voor de kudde zijn geweest.
De goede herder.
Het leven van de herders is een armelijk bestaan. Dat blijkt al uit de kleding, een hemd met gordel en ‘s winters een met schapenwol gevoerde mantel. Het loon is gering en kan gedeeltelijk bestaan uit enkele lammeren van de kudde. Dat maakt de band tussen herder en kudde hechter. Mogelijk is dit waar we aan denken als de Here in Joh. 10:11-13 spreekt over de tegenstelling tussen de goede herder en de huurling. De huurling ‘wien de schapen niet ter harte gaan’ en wiens eigendom de schapen niet zijn’, die doet het slechts voor geld. De goede herder is eigenaar van de kudde, maar is dan ook niet arm of is al jaren met de zorg van de kudde belast en heeft de schapen vanaf de geboorte verzorgd en verschillende dieren zijn zijn eigendom geworden. Hij is een met zijn kudde. De schapen horen zijn stem en zijn eigen schapen noemt hij bij naam. De herders stem is het belangrijkste middel om de schapen bijeen te hoeden. Daarmee verzamelt hij de dieren, drijft ze aan en waarschuwt ze voor gevaar. Is er een ‘belhamel’, een dier dat de leiding heeft, dan roept hij die met zijn naam, die wordt door de andere dieren gevolgd. Indien de kudde zowel uit geiten als uit schapen bestaat stapt wanneer de kudde zich verplaatst meestal een geitenbok in het volle besef van zijn waardigheid voorop. Hierop zinspeelt Jes. 14:9, en Zach 10:3.
Gewoonlijk loopt de herder voorop, hij gaat voor hen aan en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Er is echter geen kans dat ze vreemden volgen omdat zij de stem der vreemden niet kennen’, vs 4-5. ‘a Avonds loopt de herder ook wel achter de kudde aan om de vermoeide achterblijvers aan te sporen en een uitgeput lam te dragen. Bij grote kudden loopt de herder vooraan en een helper achteraan. Dat is de ‘hoeder’ of bewaker’ uit 1 Sam 17:20.
De zomernachten worden doorgebracht in de zogenaamde schaapskooien, 1 Sam 24:3-4, die kooien beschermen tegen dief en rover, Joh. 10:1. Die kooien kunnen zeer groot zijn waar verscheidene kudden plaats kunnen vinden. Ook overnachten ze wel in een grot of spelonk.
Davids herderspsalm beschrijft het herdersleven, Psalm 23. ‘Wanneer een goede herder voor zijn schapen zorgt, ontbreekt hun niets’, vs 1. Voor twee dingen zorgt de herder, voedsel en water. Dat is niet altijd gemakkelijk. Het voedsel is niet altijd even gemakkelijk te verkrijgen en water moet vaak langs moeilijke wegen gezocht worden. Het beste is wanneer de kudden in ‘weiden van jong groen’ weiden, Psalm 23:2. Dat is de lente, de Paastijd. Daarna wordt het moeilijker, dan komen de droge tijden. De moeilijkheid ligt niet alleen in het vinden, maar ook de weg er naar toe. De goede herder voert zijn schapen ‘in rechte sporen’, Psalm 23:3. Het is de kunst om de schapen de smalle paden te laten volgen tussen de akkertjes. De herder is aansprakelijk voor de schade die zijn schapen aan de akkers toebrengen. Schapen zonder herder verlaten de rechte weg, Jes. 53:6. De wegen gaan over paden en rotsen, vaak door het dal van donkerheid’, Psalm 23:4. Ravijnen, dieven en rovers liggen hier. In de avond zijn die dalen donker, de schemeringstijd is zeer kort. Dan wordt het steeds moeilijker om de rechte weg te vinden, wee het schaap dat dan van de kudde afdwaalt, Lucas 15:4-6. De herder mist die pas als hij in de schaapskooi aangekomen is. Dan gaat hij de lange weg terug om het beest in het donker te zoeken. Meestal is die dan een buit van menselijke of dierlijke rovers. Dan is hij ook blij als hij het dier toch terug vindt, vs 5. Hij ziet zijn vermoeienis niet, maar let alleen op het angstige en uitgeputte dier dat hij op zijn schouders legt om het bij de kudde terug te brengen.
De herder regelt het tempo waarin de kudde zich beweegt naar de zogende dieren, Gen. 33:13, Jes 40:11. Geiten hebben niet zoveel last van die warmte of gebrek aan water en schaduw. Maar in de warmere tijden moeten schapen gedurende het heetst van de dag water en rust hebben. De herder moet de schapen leiden ‘aan wateren van rust’, Psalm 23:2.
Een
oud geloof was dat dingen die de moeder gezien of gegeten had voor de geboorte
van invloed was op de kleur, vorm en dergelijke van het jong, Gen. 30:32. Jacob
zonderde de krachtige af van de zwakke, hij begreep blijkbaar de normen die
Darwin in de negentiende eeuw uitvond. Dat is een tijd van moeilijkheden, ze
werpen vaak ’s nachts, het kan wel eens misgaan. De moeilijkheden van zo’n
kudde was bekend in bijbelse tijden, Job 21:10.
Wol was van grote waarde en een lange tijd was het de meest gebruikelijke vezel. Het weven is wel begonnen met plantaardige vezels en toen vervangen voor wol van wilde of gevangen dieren. Linnen van vlas was luxe, katoen was bekend maar altijd schaars, zijde kostte zijn gewicht in goud. Wol werd zo belangrijk, vooral in koudere klimaten. Verschillende passages laten zien dat schapenscheren als een feest werd gezien, zie Gen 31:19 als de eerste vermelding, zie ook 2 Sam. 13:23.
Een grote wolhandel was opgebouwd vanwege de eenjarige betaling van tribuut door Mesha, koning van Moab, beschreven als een schaapsbeheerder met de wol van honderd duizend rammen, 2 Kon. 3:4. Mogelijk gaven ze twee tot drie pond per jaar zodat dit ongeveer honderd ton ruwe wol per jaar opleverde.
Er zijn er die denken dat schapenmelk belangrijker was dan hun vlees. Er is echter maar een kleine verwijzing naar in Deut. 32:14: boter van runderen en melk van schapen’. Geiten gaven betere melk.

De eerste vermelding van horens is in Gen. 22:13: een ram gevangen door zijn horens’( zie hieronder) Dit woord wordt meestal in figuurlijke zin gebruikt of voor afbeeldingen maar verwijst ook naar horens die voor bijzondere zaken gebruikt werden.
Eerst als gebruik voor olie en dergelijke, 1 Sam 16:1. Ten tweede als een muziekinstrument, het Hebreeuwse ‘qeren’ wordt soms gebruikt, Joz. 6:5: wanneer men op de ramshoren den toon aanhoudt en gij het geluid van de horen verneemt’. De voorgaande tekst heeft in 6:7 ‘terwijl zeven priesters zeven trompetten (shophar) van ramshorens’, het schijnt dat de trompet, een zeventig maal gebruikt, een ramshoren is. Echter eerder in Num. 10:2, een verwijzing naar het begin van Exodus, werden trompetten gemaakt van metaal.
Abraham offerde een ram in plaats van zijn zoon Isaac. De ram had tien pezen, daarom had de harp van David ook tien snaren. Uit de vacht werd de gordel van Elia gemaakt. Op de linkerhoorn blies de Heer op de berg Sinai zoals vermeld staat: ‘het geluid van de sjofar werd gaandeweg zeer sterk’, de sjofar stamt van een ramshoorn. De rechter horen was echter groter en eens zal de Heer hierop blazen als hij de verstrooiden zal verzamelen.
Maerlant; ‘Calepus is een dier,
zeer dapper en onguur en zo vreselijk in alle zaken dat geen jager hem daar kan
genaken. Want ze dragen lange horens die als een zaag getand zijn zodat het
daar mee lange bomen velt met zijn geweld, want het kan wel zagen daarmee. Op
de Euphraat is zijn stede, nu groeien daar allerhande hagen die kleine, lange
twijgen dragen. En als het dan gedronken heeft en het denkt dat het van feesten
leeft gaat het spelen in de twijgen en het met zijn horen verwonden en speelt zoveel in het bosje dat zijn nauw
vertakte horens zich verwarren in die twijgen en dan alreeds moet het buigen en
geeft een vreselijk geluid. Dan komt de jager uit en slaat het zonder pijn
dood. Mu merk hier een groot voorbeeld op, hij de sterke, die niemand ontziet
die de zwakke niet uit de weg gaat en die niet oplet op deze of gene, niet
altijd kan hij zeker wezen.’ (773) Calopus is een dier dat met zijn horens aan
het altijdgroene gewas van de bosjes bij het water Euphraat hangt. En als het
zich daar ophangt, dan huilt ze luid. Als dan de jager dit hoort vangen ze die.
Zo vangen ook diegene zich in de eeuwige dood, die naar vleselijke lusten en
naar het aardse goed streven. Van hen heet het in de wijsheid van Jeremia: ‘ze zijn gebonden aan het water van de
Euphraat en zijn gevallen.’
Is dit het wilde schaap, Ovis ornata sive orientalis, dat een zeer imposant dier was dat veel op
de mouflon leek? Het had zeer lange haren aan de voorpoten en aan de onderkant
van de hals. Een dergelijk wild schaap zal Abraham gevonden hebben in het land
Moriah dat vast geraakt was in het struikgewas, Gen. 22:13. “Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag
hij een ram achter zich met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham
ging en nam den ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon’.
Kerstmis.
Of het Kind in de ‘Velden van Efratha’ geboren is is onduidelijk in de H. Schrift. Er is geen nauwkeurige plaatsbepaling, Lucas 2:8, noch van de geboorte, noch van het verblijf van de herders. De traditie hierover is zeer oud. Zo moet reeds de zogenoemde Geboortegrot, onder de tegenwoordige Kerk der Geboorte, in 137 na Chr. door keizer Hadrianus met opzet ontwijd zijn waaruit blijkt dat die toen al als plaats van de geboorte van Christus erkend werd. Sinds die tijd is de traditie blijven bestaan. De spelonk zou ooit eens als stal dienst gedaan hebben.
Met de velden van Efratha is dat ook zo. Hiëronymus deelt mee dat men in 400 na Chr. naar de toren Ader ging, ‘waar de herders vervaardigd werden het Gloria in excelsis te Deo te horen’. Deze toren van Ader werd vanouds identiek gesteld met Migdal Eder, de plaats waar Jacob zijn tenten opsloeg na het overlijden van Rachel, Gen 25:21. Het was het punt waar het algemene weideland begon en daarom geschikt voor een herdersvorst als Jacob. Van deze ‘schaapstoren’ wat de naam betekent kon het algemeen toezicht op de kudde gehouden worden. Dit is een gewoonte die ook later werd toegepast, bijvoorbeeld door koning Uzzia in de woestijn van Juda, 2 Kron. 26:10.
Vermeldenswaard is nog dat de Joodse traditie dit Migdal-Eder aangeeft als de plaats waarin op het einde der dagen de koning Messias zich zal openbaren. Deze traditie is gegrondvest op het Migdal-Eder van Micha 4:8.
In de omgeving van Migdal-Eder, dus ten Noord Oosten van Bethlehem, vindt men de ‘weiden der herders’.
Vlakbij de Kerk der Geboorte begint een smal pad dat naar dit dal leidt. In het dal is het klimaat zacht, sneeuwval en vorst zijn daar onbekend. De westenwinden worden door de heuvels tegengehouden en zo beginnen in januari de ‘bloemen des velds’ al te bloeien.
(187A) Het jaartal is ook onzeker, het berust ook op traditie. Het idee om de geboortedag te vieren vond de eerste eeuwen geen ingang. Sextus Julius Africanus stelde in 221 voor de eerste maal de 25ste december als geboortedatum vast. Ook Hippolytus deed dit in zijn Daniel commentaar. Ze kwamen tot hun berekening doordat de schepping van de wereld op 21 maart zou zijn, de schepping van maan en sterren valt zo op 25 maart. Dat is dan ook de datum van de ontvangenis van Onze Heer in het vlees. Het Kerstfeest zou voor het eerst op 354 met die datum gevierd zijn, in Constantinopel in 379 en te Antiochie in 388.
De Romeinen brachten de viering van de geboorte van Christus in verband met de toeneming van het licht na de kortste dag. De geboorte van Johannis de Doper die zes maanden eerder geboren werd, Lucas 1:36, was met het afnemen van het licht na de langste dag. Dit naar de uitspraak van Johannis: ‘Hij moet wassen, maar ik minder worden’. Joh. 3:30. Daarom wordt de geboorte van Johannis op 24 juni gevierd en het Kerstfeest op 25 december. Ook dat het feest in de winter zou vallen is niet zeker. Naar Lucas 2:8 weidden de herders de kudden dag en nacht op het vrije veld. Dat zou dan tussen april en november zijn. Ook de wijzen uit het oosten reisden bij nacht, ook dat wijst op de zomer.
Wapens.
Omdat de kudde door vele gevaren bedreigd wordt heeft de herder zich bewapend. De stok, sjebeth, is een ruime halve meter lange eikenhouten stok met een zeer dikke knop. Met behulp van een band kan de stok aan de gordel bevestigd worden. Dat is een geweldig wapen in de strijd tegen de vijanden.
De staf, masj’enah, is een tot twee meter hoge tak van een olijfboom die geschild wordt.. Het dikke eind wordt met behulp van vuur halfcirkelvormig gebogen. In die vorm wordt het vastgebonden tot het geheel gedroogd is. De staf dient de herder tot het beklimmen van rotsen, om bladeren en takjes af te slaan, om treuzelende of vechtende geiten uit elkaar te slaan en om er op te leunen wanneer hij de wacht houdt bij zijn kudde. Dat zien we waarschijnlijk in Sam. 17:43 waar Goliath zegt: ‘Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken?’
Een ander licht werpt Zacharia over staf en stok in 11: 7-14. Hij noemt twee staven, de ene noemt hij’ Goedgunstigheid’ en de ander ‘Samenbinding’, vs 7. De namen van deze twee staven komen overeen met de beide functies die de schaapherder heeft te vervullen, rovers, dieven en beesten om de kudde beschermen tegen gevaren van buiten, de ander om de rust te bewaren binnen de kudde. Het eerste geschiedt met behulp van de ‘stok’, de tweede met behulp van de ‘staf’. Het breken van de stok ‘Goedgunstigheid’ is het verbreken van het verbond met alle volkeren, vs 10. Nu is de kudde ten prooi aan buitenlandse invallen. Het breken van de staf ‘Samenbinding’ betekent het verbreken van de broederschap tussen Juda en Israël, vs 14. Voortdurende onderlinge strijd en broedertwist gaan de kudde verscheuren.
Later werd de stok dikwijls met ijzer beslagen of van ijzeren punten voorzien. In Openbaringen van Johannis, 2:27, 12:5, 19:15, lezen we over ‘het hoeden van de heidenen met een ijzeren staf’.
Ook heeft de herder vaak een slinger. Die is gewoonlijk gevlochten van wol en heeft in het midden een vijf - zes cm breder gevlochten gedeelte waarin de steen komt te liggen. Als slingerstenen worden gladde stenen gebruikt, 1 Sam 17:40. Hiermee worden ook de schapen bijeen gehouden. Hiermee is de herder bijzonder handig. Nooit raakt hij het schaap. Als aanvalswapen was dit wapen van betekenis. Onder de Benjaminieten was in de Richteren tijd zelfs een korps van zeven honderd man die links waren. Elk van hen slingerde een steen op een haar, zonder te missen, Richt 20:16. David werd ook door dergelijke mensen bijgestaan, ‘met rechter- en linkerhand slingerend’, 1 Kron. 12:2.
Hebreeuwse namen.
De namen zijn er
veel, te veel om op te noemen en te analyseren.
‘Attud’, wat tweemaal vertaald is als ram, in
andere vertalingen een mannelijke geit, een bok.
‘Ayil’, is de ram van de vele offerandes, een
paar zijn symbolisch, vier of vijf verwijzingen zijn naar de dikstaart schapen.
Dan is er nog ‘keseb,’ waarschijnlijk een
algemeen woord voor een ram van allerlei soort.
‘Immerin’, is een Aramees word dat alleen in
Ezra voorkomt als brandoffer bij de hernieuwde tempel.
‘Kebes’ is lam wat meer dan honderd maal verschijnt,
maar nooit literair, met een vijf uitzonderingen verwijst het naar de vele
offerandes. Hiervan komt ‘kabsah’: ooilam, voor een paar offerandes bij de
melaatse, de gelofte van de Nazaret en dergelijke zaken. Dit is de ooi van de
parabel die Nathan aan David vertelde.
‘Keseb’, is een verbastering van kebes,
meestal bij offerandes, met de lammeren van Jacob
‘Kar’, vertaald als lam en ram en is een
woord dat waarschijnlijk refereert aan een kudde die als apart gezien wordt.
Het komt voor in Deut. 32:14 en contrasteert met het gewone woord voor kudde:
‘tson’ en ‘ayil’: ram. Later werd het toegepast voor schapen die ingevoerd
werden van naburige, droge landen, als Moab in 2 Kon. 3:4, en Edom in Jes.
34:6, ook uit Babylon, Arabië en Bashan. De Aramese vorm is ‘dekar’ wat
driemaal in Ezra 6 en 7 voorkomt. Beide vormen beteken vechtende rammen, vgl.
Ez. 4:2.
‘Rachel’ is simpelweg een ooi, Gen. 31:38.
De verzamelwoorden ‘tson’ en ‘seh’ zijn
vermeld onder de geit want dit kan naar beide dieren verwijzen. Het Paaslam van
Ex. 12, en een lam voor de slachtbank, Jes. 53:7, zijn beide ‘seh’, een genomen
uit de kudde. ‘tson’ is meer gevonden dan elk ander woord en wordt vertaald als
schaap in meervoud, kudde, meestal meer verwijzend naar een schaap dan een
geit. Dit woord verschijnt in Gen. 4. Abel was een hoeder van schapen. Als een
offerande is het er uit een uit de kudde.
‘Eder’, is een verzamelwoord wat vertaald
wordt als kudde, kan dus een schaap of geit zijn.
‘taleh’, met meervoud ‘tela’im’, verwijst
naar lammeren, waarschijnlijk nog niet gespeend: Jes 40:11.
Hij zal als een herder zijn kudde wijden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen’.
In het N.T. worden vier Griekse woorden
gevonden die veel meer voorkomen dan voor welk dier dan ook, meer dan zeventig
in totaal.
‘Probaton’, is vertaald als schaap, meestal
in vergelijkende zin.
‘Amnos’, vier maal gevonden, verwijst alleen
naar Jezus Christus, het lam van God, Joh. 1:29
‘Arnion’, is eens gebruikt bij H. Johannes en
28 maal in Openbaringen.
‘Anros’, wordt alleen bij Lucas gevonden 10:3
als lammeren onder de wolven.
Die verschillen zie je ook bij ons, ram, ooi
en dergelijke..
‘Zemer’ lijkt het bergschaap, Ovis musimon, te zijn of het barbarijse schaap, Ammotragus lervia. Dit
woord wordt gevonden in Deut. 14:5. De laatste heet wel naar zijn inlandse
namen aoudad of arui. Het is het enigste Afrikaanse schaap, komt voor van de
Atlantische kust door de Sahara naar de Rode Zee. Het is toch niet zo nauw
verwant aan de echte schapen. Het is zwaar gebouwd en staat wel een honderd cm
hoog met massief gedraaide horens. Zijn lange haar is taai. Het was goed bekend
in Egypte en was onder de dieren die gemummificeerd werden.
De eerste is een vorm van de mouflon die in
verschillende rassen voor komt, sommige in Europa en andere in Zuid West Azië,
meestal in de heuvels van Klein Azië, mogelijk eerder in de heuvels van
Palestina. Die is veel kleiner dan voorgaande en donker roodbruin van kleur met
witte of gele vlekken in de flanken in de winter.
Christelijk.
Rachel: ooi, men zag er het zachtzinnige en gewillige in zodat de vrouw van Jacob, Rachel, ooi heten kon. De profeet Nathan spreekt tot David over het ooilam van de arme, ‘dat dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot’, 2 Sam. 12:3. Het Hooglied 6:6 spreekt over de tanden van een beminde als ‘een kudde ooien die opkomen uit het wed”. Een schaap is zacht en goed, zoals zijn vacht te kennen geeft. Vandaar dat valse profeten ‘in schapevacht tot U komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven’. Matth. 7:15.
Agnus Dei betekent Lam Gods. De oorsprong van de Agnus Dei is te zoeken bij een van de drie symbolen die overal in de oudchristelijke kunst worden aangetroffen, een vis, een pelikaan en een lam. De aanleiding vinden we in Joh. 1:36 waar Johannis de Doper zegt: “Zie het Lam Gods”, welke uitspraak is terug te brengen tot Jesaja 53, vers 7 waar sprake is van het “Lam, ter slachtbank geleid”. Het gebed voor de vredesgroet die vooraf gaat aan de hostie heet Agnus dei: ‘Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis”. “Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt, ontferm u over ons.”
Johannis de Doper wordt vaak afgebeeld met een Agnus Dei of met een lammetje aan zijn zijde en een papierrol in de hand met daarop: “Ecce Agnus Dei”, “Zie het Lam Gods”. Daaruit ontstond een verering van het lam dat in aanbidding ontaardde wat door de kerk in de 7de eeuw als ‘een heidense en verboden gebruik’ verklaard werd. Dit was op het concilie van Constantinopel, 692. Paus Hadrianus vond het goed dat het lam weer afgebeeld werd maar dan niet als vervanger van Christus, maar naast of achter hem. Nog ligt er iets heiligs in schapen. Heksen konden en mochten hun gedaante niet aannemen. Ieder mens moet toch het lam volgen.
St. Agnes: het Griekse hagnos betekent heilig, zonder schuld, rein of kuis. De heilige Agnes was martelares te Rome, waarschijnlijk tijdens de vervolgingen van Diocletianus ca 304. Ze zou geweigerd hebben met de zoon van de prefect van Rome te trouwen en zei dat Christus haar bruidegom was waarop ze gedood werd. Door associatie met het Latijnse woord agnus: lam - het lam Gods, Christus, wordt St. Agnes vaak afgebeeld met een lam.
Niet onvermeld mag blijven hoe het christelijk symbool verband houdt met de Vedische godsdienst waar Agni, als vuurgod, ziel en oorsprong is van het heelal, maar ook als bemiddelaar tussen mensen gezien wordt. In de eerste christelijke symboliek vinden we dan ook een lam de zonneschijf en het kruis dragen. Ook in het Openbaringsboek 21:23 is het lam de fakkel die het nieuwe Jeruzalem verlicht.
Op kerstmorgen buigen de schapen hun kop driemaal naar het oosten. Dat komt omdat Christus wel het godslam werd genoemd.
Maerlant; ‘Tragelafus is als
een dier in de oude wet gezet die verboden was te eten. Isidorius laat ons weten
dat het naar het hert is gedaan, maar als een bok ruw, zonder waan en met
horens vertakt lang, sterk en snel in zijn gang en stout in zijn verweer tegen
de vijanden daar
Men vind ze omtrent Falsidia.
En anders niet ver of dichtbij’.
(117)
Tragelaphus zouden we een geithert of
bokhert kunnen noemen, Grieks tragos: bok. Het heet op Latijn hircocervus. Het is een
fantastisch afgeschilderd mythisch fabeldier dat de Grieken alleen zagen op
tapijten en andere kunstuitingen van de Oriënt (Perzen en Babyloniers) en op
hun oude vazen namaakten.
Het is een dier die
aan de kin een baard heeft als een geit maar horens heeft met vertakkingen als
een hert. Dat dier is sterk en verdedigt zich tegen alles wat hem niet
vriendelijk gezind is.
Het is een latere benaming voor een antilopengeslacht en manenschaap, Ovis tragelaphus.
Maerlant; ‘Tragodrice dat zijn dieren van zeer vreemde manieren. Van de viervoetigen is het niet dat ze alzo eet als die plegen, want over rug en halseinde werpen ze hun lange hals en eten alzo dat gras waarbij het komt, merk dat op. Ze hebben zeer lang horens die hem nevens de lierwangen tot de aarde neer slaan, dus kunnen ze hun spijs niet ontvangen zoals de andere beesten eten. Natuur wil dit niet vergeten en gaf hem de lange hals erbij om zich te voeden alzo daarbij’. Tragos, bok. Ovis tragelaphus is het manenschaap, Mahnenschaf. Dat dier valt op door zijn lange afhangende manen.
Ovis strepsiceros of het schaap met spiraalvormige horens. Omdat de naam strepsiceros ook aan een soort antiloop wordt gegeven was het misschien beter geweest het dier het Candische schaap te noemen omdat het van het eiland Candia of nu Kreta afkomstig is. Doorgaans wordt het ook Wallachijnse schaap, Wallachian sheep, geheten omdat het in de provincie Wallachije genaturaliseerd is. In Hongarije en Oostenrijk wordt het zaekl genoemd.
Dit schaap heeft lange wol en een staart die bijna op de grond hangt. De bijzonderheid bestaat in de lange gedraaide horens die recht opwaarts op zijn hoofd groeien.

Heraldiek.
Ram, het mannelijk schaap, is herkenbaar aan de eigenaardige kromme horens. Dit dier is het teken van geduld, verzoening en gematigdheid. Het voeren van een ram in het wapen laat tevens het toegestane recht om schapen te houden kennen. Hij heeft echter ook een meer krijgszuchtige strekking omdat de ram om een meer krachtige stoot toe te brengen iets terug gaat, daardoor vermanend dat het steeds beter is belangrijke aangelegenheden met aanwending van alle krachten te volbrengen en je geheel te geven, je best te doen. Voor de Zwitserse wapens is het niet uitgesloten dat de wapenvoerders die een ram in hun wapen hebben oorspronkelijk behoord hebben tot de “Orden der Bocke’ te Zürich. De lijfspreuk van Paul Aresius, overleden 1578, heeft ook betrekking op de ram: ‘ut validius’.
Soorten.
Het origine en vroege historie van de schaap is complex en onzeker. Vele inzichten zijn er over het begin en start. Gewoonlijk denkt men de voorouder al heel lang gedomesticeerd werd. Er wordt gedacht aan meer voorouders, hoewel het er op lijkt dat twee voorouders de voornaamste ouders zijn. Ovis aries orientalis, (oosters) is de urial, de Aziatische moeflon, Engelse European mouflon, een dier dat in centraal en West Azië voorkomt met vele afwijkingen. Het komt nu voor in Tibet, maar vroeger waren er laagland rassen die nu uitgestorven zijn.
Dit is een groot schaap. De volwassene is vrijwel negentig cm hoog aan de schouder.
De rammen hebben meestal stevige geplooide horens die in de typische ammon vorm gedraaid zijn aan de kanten van het hoofd.
Zoals bij de andere leden van zijn familie heeft zijn seizoenkleur verschillende tinten, van roodachtig in de zomer met witte onderdelen, tot grijsbruin in de winter.
Ovis orientalis musimon, is de andere, het is het moffeldier, de moeflon, in Duits Muflon, Engels mouflon en Frans mouflon. Dit dier wordt nu in twee groepen gevonden, de ene in Sardinië en Corsica, de ander in Klein Azië.
Die wordt iets meer dan zestig cm aan de schouder en is het kleinste wilde schaap.
In de zomer is het donker roodbruin, in de winter hebben volwassen rammen witte of roomachtige zijkanten.
De mannetjes hebben een flinke, in een krul gebogen horen, de wijfjes hebben die niet of zeer klein.
Door anderen wordt de argali, Caprovis argali, (Ovis ammon) uit Azië genoemd.
Die laatste bereikt evenwel een grootte van een eenjarig rund, zijn gewonden horens zijn tot anderhalve meter lang en wegen vijftien tot vijf en twintig kg.
Sommigen onderscheiden twee groepen, in de ene zit de moeflon, de argali, Caprovis argali, het Laristanschaap en de arkal. De tweede groep behoort tot het berg- en sneeuwschaap, Ovis dalli. Het Dalls schaap of duinhoornschaap komt uit N. Amerika.
Weer anderen rekenen de schapen tot een soort, Ovis aries die dan in verschillende geografische rassen wordt gesplitst. Weer andere menen dat er maar twee soorten zijn, de Amerikaanse Ovis canadensis, dikhoornschaap, en de Aziatische/Europese Caprovis argali waartoe de rest behoort. Ze zijn gemakkelijk met elkaar te kruisen.
Alle wilde schapen zijn uitstekende klimmers en komen in kudden voor die door een ram wordt aangevoerd.
Het eerste spoor van gecultiveerde schapen is gevonden in noordelijk Iran, de Belt grot, daterend van 5000 v. Chr. Binnen een paar eeuwen werd het schaap gehoed, mogelijk met honden, en voortplanting onder controle begon. Turkestan wordt als een goed startpunt gezien. 2000 v. Chr. hebben kuddes Mesopotamië bereikt, verschillend in hoorntype, wol en staart en ook in vorm. Rond deze tijd kwam het wolschaap met gedraaide horens in Egypte en begon vroegere typen te vervangen. Zo moet Abraham verschillende vormen gekend hebben voordat hij naar Kanaän vertrok.
Er zijn vormen die voor de wol geteeld werden. Wol is veel beter dan haar wat wel snel gezien zal zijn en waar op geteeld werd. Vele veranderingen hebben in de staart plaats gehad die drie a viermaal groter en dikker werd dan het origineel. Dat werd door Westerse vermeerderaars als een nadeel gezien. Bij anderen werd het als een opslagplaats van vet gezien net zoals de bulten van een kameel. Dit vreemde verschijnsel was al lang voor Abraham’s toch naar Kanaän bekend en wordt gevonden bij Egyptische mummies van 2000 v. Chr. Het Hebreeuwse ‘alyah’, vertaling vette staart, of romp verwijst er naar.
De kleur is voor ons gewoon wit, een andere kleur vinden we apart. De eerste kleur was waarschijnlijk bruin zoals hun wilde voorouders. Voor 2000 v. Chr. waren er in Egypte witte, bruine en zwarte vormen, mogelijk wel eerder, waar we niets van afweten. In de bijbel worden ze meestal wit afgeschilderd, mogelijk is dit waar maar we kunnen dit niet uit de tekst halen. De wel bekende belofte van Jes. 1:18 ‘je zal zijn als wol’ was in Israëls historie gemaakt waar de frase ‘witte wol’ in Ez 27:18 in een context weelde suggereert, maar dit hoeft niet te beteken dat wol altijd wit was. Duidelijk zien we in Gen 30:32 dat schapen en geiten van verschillende kleur waren, gevlekt kan ook witte vlekken op donkere dieren betekenen. Meestal wordt aangenomen dat dieren voor de heiliging wit moesten zijn zonder vlekken, het Hebreeuwse tanim betekent zonder vlek, Num. 28:3 en elders waar het zonder schuld betekent.
Als dier van de bergweiden is ze nu ontwikkeld tot een serie vormen die op vrijwel alle gronden leven, van de vochtige weilanden van Friesland tot de droge steppen van Australië. Meestal zijn dit moderne ontwikkelingen.
Wij hebben in ons land vijf soorten hiervan. Met en zonder horens, met korte en lange staarten, met fijne en met grove wol. Die van Texel en Wieringen dragen de fijnste wol, worden het zwaarste en vetste. Die van Drenthe en de Veluwe hebben grovere vachten, maar zijn duidelijk malser van vlees en vallen sneller. Het Friese schaap, waarschijnlijk van het Engelse Leicesterras afkomstig, bezit geen horens, grove wol en is zeer geschikt voor vetmesting waarna het zestig tot vijf en zestig kg kan wegen.
Het Hollandse schaap, oorspronkelijk op Texel gekweekt, is groot met hoge poten en lange staart. Kop, oren en poten zijn met korte, gladde haren bezet, het overige lichaam met dichte wol die fijner is dan die van het Friese schaap. Het wordt niet zo vet als die.
Het spiraalvormige schaap in Turkije levert slechte wol, doch uitstekend vlees op. De beide geslachten bezitten grote horens, die gewoonlijk spiraalvormig gebogen, soms recht zijn.
Het vetstuitschaap in Midden Afrika en Perzië vertoont aan weerszijden van de korte staart een dikke vetklomp die door een naakte huid bedekt is, geeft weinig grove wol.
Het Spaanse merinoschaap is om zijn fijne wol wereldberoemd. Door kruising met merinosschapen heeft men ook elders, vooral in Saksen en Engeland, de schapen zeer veredeld.
Een oud Engelse ras is de Leicester, die is ontwikkeld door R. Blakewall in het begin van de 18de eeuw.
De Southdown uit Sussex is bekend vanwege de snelle groei van de lammeren. Die heeft geen horens en een donkere snuit.

Shakespeare, ‘As You Like It’, 3,2, 80:
‘Dat is alweer een onnozele zonde van u dat gij de ooien en rammen bij elkaar brengt en u niet schaamt uw levensonderhoud te zoeken in de samenparing van vee, dat gij voor koppelaar speelt bij een belhamel en een eenjarig ooilam aan een krom potige oude, groot hoornige ram overlevert, tegen alle gezonde huwelijksregels in’.
Zomermaent;
‘Bedaagde zomermaand, men laat geen schaap verlegen
Indien het gaat vermast, zo neem het op uw schoot
Maar scheert gij het om de wol. Scheer het niet te bloot
En was het wit, als sneeuw, dat u de hemel zegen.’
Maerlant, ‘Ovis, dat is een
schaap bij namen. Onder andere dieren tezamen is het de zachtste dat men vindt.
Er is aan hem niet een beetje dat onnuttig is of kwaad, zelfs de drek die van
hem gaat, ja, dat slijm dat er in ligt. Van de lammeren zegt men ook dat het
eerste ter wereld komt kent moeders geluid en zo kent het ze bij haar reuk.
Ambrosius zegt in zijn spreuk, de aarde verliest zijn konde aan het schaap te
menige stonde, maar de moeder verwisselt niet
haar lam, ruikt ze het of ziet’. Die lammeren herkennen altijd hun moeders onder een groot getal der schapen, tasten ze mis dan weigert het schaap hen te laten zuigen. Moet niet het lam onder de duizend schapen zijn moeder, moet niet de moeder het lam herkennen? Dit verschil ontdekt het lam, dat kent ook de moeder. Onder duizend lammeren laat een ooi haar geluid aan haar jong horen, aanstonds weet het zijn moeders stem uit die van de andere schapen te herkennen en loopt aanstonds naar haar toe. (117) Isidorius zegt dat een lam in Latijn een eenkenner betekent, het herkent zijn moeder beter als andere dieren doen. Of het heet agnus, van het Griekse woord agnon, dat zacht betekent, omdat het een zachtmoedig dier is.
Maerlant; ‘Isidorius zegt dat de ram een worm heeft die hem gram maakt en die ligt bij hem in het voorhoofd voor, als je het port groeit bij hem zijn toorn en dan hoor je zijn gemoed’. . (117) De ram heeft een worm in zijn hoofd, door de jeuk en het steken van die worm botst de ram vaak zeer sterk en rent volop tegen alles wat hij ontmoet. Hij is wreder dan zijn volgelingen, zijn wreedheid neemt af als zijn horens bij de oren wordt doorboord.
Maerlant; ‘Zijn vlees heeft grote hardheid en versmelt noch alzo zwaar alsof het van een schaap ware. Op de ene zijde ligt hij een half jaar en op de andere de andere helft daarna. Lamsvlees, heb ik verstaan, smelt in de maag samen, nochtans gaat het node door, dus komen daarvan kwade humeuren, het beste zijn ze van een jaar. Ziet het lam de wolf, het wordt in gevaar en vliedt zoals zijn natuur gebiedt, ziet het een stier of paard, die schuwt het niet’. Onder alle beesten van de aarde is de lam het zachtste, onschuldigste en mildste dier, niets hindert haar of bezeert ze met tanden of met horens of klauwen. Een lam hupt en speelt voor de kudde, is angstig als ze de wolf ziet en vliedt plotseling weg. Is verbaasd en stopt plotseling en durft niet verder te vluchten en bidt om gespaard te worden, niet door te blaten maar met een simpele kreet als ze door de vijand genomen wordt. Zo gaat het dan ook als ze naar de weide of de dood geleidt wordt en schuwt dit niet, stribbelt niet tegen maar is zachtmoedig en mak. Reeds de profeten zagen Hem als het lam, dat ter slachtbank geleid wordt. Jes. 53,7. Jer 11.19.
Maerlant; ‘Lammeren die in de
winter komen zijn het best geprijsd bij sommigen. De wrede ram zal men zijn
horen bij zijn doorboren oren, dan zal hij goedertieren worden. In Italië is de
manier en in
Mesopotamië, zegt men dat het zo is dat een schaap twee
maal in een jaar lammert. Het is van zwarte schapen de melk en meestal ook zo
geeft elk. Op droge weiden leven ze het langst, gaan ze in natte, dat is een angst, eten ze na mei in dauw, dan staat
hen het lijf nauw. Bijten ze bomen of twijgen is dit in geen wijze.’
(117)
Schapen sterven zeer snel als ze in mei of later van de hemeldauw eten, als dit
op het gras valt en ze zich in augustus aan de korenaren overeten. Net zo
geschiedt men mensen die de zoete vrede van deze wereld nalopen. Die sterven
door de eeuwige dood. (117)
Als je ze op droge weiden brengt, leven ze langer dan op natte weiden. Het
zieke schaap maakt de anderen ook gauw
ziek, daarom moet je die van hen afzonderen.
Als ze in weiden komen waar spinnenwebben zijn die kleine
druppels water dragen dan moeten ze daar niet weiden vanwege het gevaar van
vergiftiging.
Ze worden dikwijls ongans. Een worm komt, denkt men, door de
maag en ingewanden in de lever, die maakt bellen als het zijn werk doet waardoor
het schaap in een soort waterzucht vervalt. In dat ingewand vindt men dan
diertjes die men botten noemt omdat ze de gedaante hebben van een vis die zo
heet.
Plutarchos schreef dat de schapen van India omdat ze zeevis aten vlees van kwade reuk hadden waardoor een groot deel van het leger stierf. Virgilius verbood ze dan ook om op vochtige omgevingen te weiden. De schapen die geurende kruiden aten op droge velden waren de beste. Want als ze uit plassen drinken die vol onreine dieren zijn dan krijgen ze terstond enige blaasjes aan de lever vol van geel water waardoor het water door de hele buik loopt. (leverbot)
Schaap.
Dit is een dier dat niet vlug is, grote ogen heeft maar zonder vuur, een bultig hoofd, een dunne lange snoet en een dikke logge staart. Voorts niet fraai is, alleen een hoop wol rustende op vier pootjes. Een dier dat zo onnozel is, zo goed, zo lijdzaam, nauwelijks geluid geeft en eindelijk zo nuttig dat bijna geen dichter, zelfs niet de heiligen, hebben kunnen nalaten zinnebeelden daarvan te maken.
(117) Een schaap is een zacht beest en draagt wol, is ongewapend en geeft blijdschap. Om vast te stellen welke schapen de winter kunnen overleven besprengen de herders hen met ijskoud water op de staart. Dat schaap dat het water krachtig van zich af schudt, dat is sterk, dat schaap dat het niet doet, dat is zwak. En koud water uit het noorden is goed voor hen in de zomer en warm water uit het zuiden is goed voor hen in de winter. De herders weten wie van hen tegen de winter kan want op hen wordt ijs gevonden. En op sommigen wordt geen ijs gevonden, sommigen zijn duizelig en schudden het ijs er niet af. Diegene die lange staarten hebben zijn erger af in de winter dan diegene die brede staarten hebben. Omdat het hoofd van een schaap week is moet die gevoed worden met zijn hoofd van de zon af.
Liggen ze in het gras, wordt het mooi weer, als ze luid blatend rond lopen komt er storm
Het schaap is minder verstandig en begripsvol dan andere viervoetige beesten
Schapen zijn niet gewend om diegene te volgen die hun oren dicht gestopt hebben met hun wol.
Schapen die Eryngium hebben gegeten staan stil en hebben geen kracht om verder te gaan tot de herder komt en dit uit hun mond haalt.
Een schaap eet drie honderd zeven en tachtig kruiden en laat er honderd een en veertig staan
Ze zijn dom in het mijden van gevaar. Wie ze uit een brandend huis voeren wil moet ze vasthouden anders lopen ze zo weer het brandende huis binnen. Ze vallen daarom, grazende in gebroken land, vaak in het water.
De schapen worden door veel water drinken vet, vooral van troebel water in de namiddag. Daarom doen de herders veel zout in hun voedsel zodat ze meer drinken en zo veel melk geven. De melk van zwarte schapen is beter en krachtiger dan van witte schapen, maar bij de geiten is het net andersom.
Ze vluchten voor de honden, wat voor de herder een groot gemak is die zo met een hond de kudde van honderden schapen kan leiden. Ze zijn zwak en weerloos, er moet veel op gepast worden.
In de winter gaan ze liever in het open veld dan in de stallen.
De donder bewerkt dat eenzame schapen werpen, dat kan men verhinderen door de schapen onder een dak tezamen te brengen.
Het is gunstig om een schaapskudde te ontmoeten als je op reis gaat.
En wol die van schapen gemaakt zijn, die gegeten zijn door een wolf is geïnfecteerd, het kleed dat daarvan gemaakt wordt is luizig.
Het schapensmeer is een heilzame gave. ‘Vet van vuile en ongewassen wol heeft een verwarmende, verzachtende en ontdoende kracht. Het verzoet allerhande pijn vooral van geslagen of geplette leden, het zij alleen of met olie van rozen en wat azijn er op gelegd’. Dit werd ook gebruikt tegen allerhande huidziekten. Het wolvet wordt nog gebruikt, vroeger maakte men er ook bolletjes van waar de naalden van de dames ingestoken werden, die roesten dan niet.
Rond Erythraea is er zo’n overvloed van goed weiland en kruiden dat ze zo dik worden dat schapen om de dertig dagen bloed moeten laten omdat ze anders sterven van te veel vet. De melk van die schapen geeft geen wei. De schapen van Macedonië en Lydië groeien vet door het eten van vis.
Lam.
De
kinderen hebben altijd meer belangstelling in de onnozele lammeren dan voor
andere dieren. Deze dieren ooien niet dan wanneer er een overvloed van voedend
kruid op het aardrijk is om melk aan lammeren te kunnen geven. Heeft een schaap
twee lammeren en is het zelf zwak dan zal het er een van verstoten en liever
een dan er twee gebrekkig opvoeden. Zijn ze oud genoeg om zelf kruiden te eten
houdt de liefde van de moeder op, ze verstoot ze. Dan kan de mens zijn melk
gebruiken om de lekkere groene Texelse kazen van te maken of in Gelderland de
witte kaasjes.
Die in de lente gekomen zijn worden groter van lichaam dan die in de herfst en winter komen. Lammeren die ontvangen zijn met de noordenwind zijn beter dan die ontvangen zijn met de zuidenwind. Als het schaap bij noordenwind drachtig wordt dan werpt ze een manlijk jong, als ze bij zuidenwind dragend wordt een vrouwelijk jong. Lammeren hebben zo’n kleur in vlees en wol als de vader en moeder een kleur in hun aderen en tong hebben.
Het is kwalijk om lammeren alleen te laten want ze sterven snel, al als er een donderklap valt want het lam heeft een duizelig hoofd. Lammeren hebben een kwaal, dat is dat ze te vet worden in de nerven, want als talk de nerven bedekt sterven ze. Talk neemt toe op goed weiland en daarom moet je lammeren daar uit halen anders groeien ze te dik
Herbarius in
Dyetsche zegt rond 1500: ‘Edus of edulus of een hueke. Het wordt edus genoemd,
in het Latijn ab ededo, van eten, omdat het veel eet. Edulus is klein, vet en
zoet van smaak zegt Isidorus in het twaalfde boek, getemperd in zijn
samengesteldheid, daarom is het het beste en geschiktste om te verteren,
tenminste als het een mannetje is. Zijn vlees smaakt goed en maakt goed bloed,
daarom is huekensvlees het aller beste voor de menselijke natuur vooral diegene
die weldadig leven. Hukens huiden genezen venijnige beten als je het heet daar
op legt, door het haar te branden of aan te steken verjaagt dit de serpenten’.
Een herdershond ziet een lam te midden van de geiten en denkt dat die zijn moeder kwijt is. Het lam ontkent dit omdat zijn moeder hem nooit gezoogd heeft en zich van hem af keerde. Degene die hem zoogde was een geit. De hond vond dit maar vreemd, je moeder blijft toch je moeder. Maar het lam antwoordde dat als ze een jongetje geweest was dat haar moeder haar direct aan de slager had afgestaan. De moraal van dit verhaal; ‘kinderen die geen ouderliefde krijgen, zullen later hun ouders niet eren’.
Er is een fabel van de wolf en het lam die samen bij een rivier komen. De wolf drinkt boven aan de loop en het lam wat lager. Het lam was daar heen gegaan om de wolf niet te hinderen. De wolf zoekt echter ruzie en roept: ‘houd op, houd op, je zorgt er voor dat het water hier ontzettend golft’. Het zachte lam kijkt verwijtend en zegt: ‘ dat zie je verkeerd, heer wolf, het is het water dat je plaagt’. De wolf ziet dat nu in en weet niets terug te zeggen, maar geeft zich niet gewonnen. ‘Het is jouw schuld, een half jaar geleden pestte je me al’. ‘Dat zie je verkeerd’ zei het lam, ‘je weet best dat ik toen nog niet geboren was’. “Wat maakt dat uit’, zei de wolf, ‘dan was het je vader die me kwetste, hij heeft nog niet geboet’. Dat was het einde voor het lammetje. De les van deze fabel is, ‘een sterke die onredelijk is, wint toch.
Ram.
Een ram is een beest die wol draagt, aangenaam is en het hart verblijdt, hij is de hertog, prins en leider van schapen. Daarom heeft hij grote kracht en sterkte.
Als zijn rechter voortplantingssteen wordt gebonden bespringt hij vrouwtjes, de linker dan mannetjes, hij neemt de mannetjes met de noordenwind en vrouwtjes met de zuidenwind.
(117) Zulke rammen die zwarte aderen onder hun tong hebben krijgen zulke lammeren in kleur. Als dit wit is, een wit lam, gevlekt, etc. En ze slapen met de schapen voor middernacht en veranderen en draaien de ene kant naar de andere kant terwijl ze slapen want van het voorjaar tot de oogst slapen ze op de ene kant en vervolgens op de andere kant en houden hun hoofden omhoog als ze slapen, behalve als ze ziek zijn.
Ze verteren hun voedsel, ze kauwen in hun maag als ze slapen net als ze dat doen met wakker zijn.
Als het regent lopen ze niet weg, ze hebben wel angst van de donder, net als de schapen.
Gebruik.
Hun vlees is beter dan die van de lammeren.
Een kam die gemaakt is van de rechterhoorn van een ram neemt de hoofdpijn weg aan de rechterkant van het hoofd. Heb je pijn in het hoofd, kam er dan mee. Een kam die van de andere kant gemaakt is, is goed voor de andere kant van het hoofd.
Shakespeare, ‘Much Ado About Nothing’, 2,3,60;
‘Nu ‘goddelijke melodie!, nu is zijn ziel opgetogen. Is het niet zonderling dat schaapsdarmen een mens de ziel uit het lijf kunnen halen? Nu eigenlijk gaat niets mij boven een hoorn’.
Medisch.
Het stremsel van een lam is goed tegen allerlei duivelse medicijnen, tegen de bijten of blazen van zeedieren, geneest alle venijnige beten De huid van een pas geslacht schaap werd nog de 9de mei 1774 door Lodewijk XV als omslag gebruikt ter genezing van gangreen van het been waaraan men vermoedde dat hij leed. Zo ook heerste er aan het hof van Frankrijk het gebruik direct na de geboorte van een kind de buik van de kraamvrouw te bedekken met het vel van een pas gedood zwart schaap. Dit werd pas afgeschaft toen bij de geboorte van de Dauphine toen de in het naburig vertrek bezig zijnde slager haastig kwam aanlopen en de verse huid van het pas gevilde schaap dat er nog gedeeltelijk aan vast zat tot bij het bed van de kraamvrouw sleepte.
Sage.
In de eerste tijd na de invoering van het Christendom in Zweden werd waarschijnlijk tengevolge van een heidens offer bij het bouwen van een kerk onder het altaar een lam begraven om daardoor het voortbestaan van het gebouw te verzekeren. Kom je in zo’n kerk, als er geen dienst is, dan kan het gebeuren dat je wel eens een klein lam ziet die door het koor loopt en weer verdwijnt. Ziet de doodgraver die op het kerkhof dan is het een teken dat er gauw een kind dood zal gaan.
Christus en Petrus waren eens heel hongerig en kwamen bij een arme man die op een na al zijn schapen verloren had. Toen ze hem verzekerden dat ze zouden sterven als ze niet gauw wat vlees te eten kregen slachtte hij die en braadde het voor hen. Na de maaltijd zei Christus dat hij de botten in een vel moest doen. De volgende morgen stonden Christus en Petrus vroeg op, zegenden het huis en gingen in stilte weg. Toen de arme man ontwaakte zag die een grote kudde schapen. Vooraan stond het de vorige dag geslachte schaap.
Offerdier.
Die in Neder-Saksen in de vastentijd ‘s nachts in een bos onder een eg zit kan door de gaten heen alles zien wat er in het bos gebeurt. De dieren die er doorheen gaan, de koning in zijn wagen waarvoor vossen lopen, alles wat de nacht te bieden heeft. Een herder die het deed wilde toen de spokerij over was opstaan, maar zat vast. De duivel stond naast hem en zei: ‘heb je geen zwart schaap die koolzwart is? Geef die aan mij, dan kom je los”. De herder bleef liggen tot de dag aanbrak. Enige mensen die door het bos gingen probeerden hem los te maken. Te vergeefs. Toen liet hij een zwart schaap brengen, de duivel nam het, vloog er mee door de lucht en de herder was los.
Op Pinkstermaandag rijden in Silezie de dorpsrichter en anderen over de velden, biddend en zingend. Die het mooiste paard heeft wordt koning voor die dag. Hij laat ‘s middags een zwart schaap braden die gemeenschappelijk opgegeten wordt en waarvan iedereen de volgende morgen een bot in zijn koren steekt.
Nog sterker herinnert aan een offerfeest het gebeuren in Boven-Beieren. Iedere bezitter van een hof levert op zijn beurt een ram die met Pasen gebraden wordt. Hij wordt met linten versierd, een krans van taxustakken, de horens verguld en in de kerk gedragen, gewijd en daarna in de herberg onder de herders en dagloners verdeeld. Zo wordt ook met kermis een met linten versierd lam onder de dorpslinde gebracht. Getrouwde mannen en vrouwen vormen de ene partij, de jongeren de andere. Die verliest moet het gelag betalen, het beest wordt gezamenlijk opgegeten.
In Martell, Tirol, loopt ‘s nachts de grauwe ‘Huren-ram’, rond. Hij dreigt de mensen met zijn horens, smijt met stenen en brengt half menselijke, half dierlijke geluiden voort. Het zal wel een door vervloeking veranderde jongeman zijn die in een ram is veranderd.
Sage.
Braamdorens plukten de wol van de schapen als ze voorbij gingen, waar dorpsvrouwen blij mee waren om die te spinnen. Zie zo de aangename vertelling van de aalscholver, de vleermuis en de braam. De aalscholver was eens een handelaar in wol. Hij deelde met de vleermuis en de braam een boot om zijn wol overzee te brengen. De boot leed schipbreuk en zo duikt de aalscholver nog steeds naar zijn verloren lading, de vleermuis moet nog betalen en verbergt zich tot donker voor zijn geldeisers, de braam betaalt zijn schulden door wol van de schapen te stelen.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe CIX;
De Leeuwe, Koe, en ’t Schaep;
‘Een Leeuw, Koe en Schaap, die togen op jacht
En hebben door hun vangst een Hart daar van gebracht
’t Welke van de sterke Leeuw verscheurd zijn in vier delen
Heeft daar naar zijn lust dus weten om te spelen
Het eerste komt mij toe, omdat ik Koning ben
En ’t ander, nu ik me in ’t jagen meester ken
En ’t derde voor de moeite en arbeid van het scheiden
Wie ’t vierde deel begeert, die moet zo lang beiden
Dat hij ’t uit mijn vuist en kluiven ’t mij onttrek
En zich opzetten tegen mij, en snoere hierna de bek
In geen bond te treden, of wrede overheren
Zij scheiden naar hun zin. De arme wordt verdrukt
’t Gaat met hen zo ze ’t wil, de feller doen gelukt
O woekeraars, gij speelt ook deze parten
Gij rooft het armen goed en maakt haar droef van harten
Neemt pand en hoge rente, drie dubbel interest
En toont noch onnozele schijn, als was gij van de best
De onnozele wacht zijn deel en vind zich geheel bedrogen
Vast is de woekeraar in zijn kaak gevlogen
De Leeuw rooft met geweld, de Wolf door valse schijn
Zo toont het kwade gespuis, dat zij baatzoekers zijn’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe LXXXII;
’t Hart, ’t Schaep en Wolf;
‘Het rank gehoornde Hart die ’t onnozel Schaap beklaagde
En voor de wrede Wolf vergramd ter vierschaar daagde
Op dat de tarwe en ’t graan mocht zijn betaald
Dat hem vanouds toekwam en had tot noch gefaald
De Wolf als rechter heeft gehoord hun beider zeggen
En heeft het weerloos Schaap wel ernstig op gaan leggen
Dat het aan ’t klachtig Hart het koren zou voldoen
En op gezette dag zich tot voldoening spoen
’t Onnozel bevend Lam heeft alles aangenomen
Maar als ’t Hart ter zetter tijd is gekomen
Heeft ’t Schaapke ’t Hart belacht om ’t vast beloofde graan
En zei, ik deed uit vrees al het gene ik heb gedaan
’t gene hij niet schuldig is uit angst en vrees beloven
Op dat hij hem ontgaat, belooft hij al wat hij kan’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe Ixl;
Van de Wolven ende Schapen;
‘De schapen hadden met de felle Wolven t’zamen
Een heftig Krijgs-geschil, die hen te hulpe kwamen
De wakkere Honden, die toonden zich al bereid
Haar zaak te handhaven en haar grote onnozelheid
De Wolven, buiten hoop van d’overhand te houden
De Schaapjes boden aan, omdat ze haar vertrouwden
Te handelen van vrede, mits dat van begin af aan
Zij bij de honden in gijzeling zouden gaan
En daar voor wederom de Wolven tot haar zenden
De schaapjes stemden toe, o! droefheid! Wat ellende
Maakten haar zo snel, van de honden zijn ze ontblood
Het een na de ander door de Wolven gedood
Omdat de Honden door de Wolven tand zijn gebeten
Die ons streng verbiedt dat zich iedereen wacht
Zich te stellen in het geweld van Vijand’s wil en macht
Ook dat wij ons nooit in slaap laten wiegen
Van hen die gewoon zijn vanouds te bedriegen’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XVIII ;
De Wolf int Schaeps-kleet voor de Koy vant Schaep;
‘De Wolf kwam tot de kooi van de wapenloze schapen
Vermond met een lammerenvel om de hamel te betrapen
En bad hem dat hij zich vervoegen wilde in ’t woud
Dat als een schoon prieel loofrijk was opgebouwd
Maar de Hamel zei; ik zou je graag vergezellen
Als jij een Wolf was die je te weer kan stellen
Als enig ongedierte ons overvliet in ’t groen
De Wolf, gelijk verheugt om zulk een antwoord, toen
Van ’t schaapsvel zich ontsloeg, en sprak, tsa, gaan wij wakker
Ik ben de Wolf, uw vriend en allertrouwste makker.
Neen, sprak de Hamel toen, ga op je straatje heen
En hebt met uws gelijken uw lust en vreugd gemeen
Mijn schaapskooi behoedde ik tot in tijd van mijner bate
Een trouw gezel bekomen, waar ik mij op verlate
Genoeg heb ik geleerd, aan u deze vreemde pet
Dat onder ’t schapenwol school ’t wrede wolvenhert
’t Is al van ouds, dat om de onnozele te verlokken
De wrede het schaapsvel arglistig aantrokken
De schijn die veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht
Die Jonker Wolf vreest en zich voor ’t schaapsvel wacht’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XXVII;
De Wolf en ’t Onschuldigh Lammeken;
‘Als bij toeval de Wolf en ’t lammeken tezamen
Het zilver van een bron of beek te drinken kwamen
De wolf, die ter zijde zag, riep geheel ontsteld
Wie bent u dat gij mij zo dicht vergezelt?
Die ’t water dorst te roeren en ’t nat van dees rivieren
Gewis, al waart gij een van de grootste Stieren
Die stoutheid is te groot! Het lammeken verbaast
Zijn onschuld heeft dat gemaakt. Maar Wolfaert als beraasd
’t Onnozele dierke greep, en vatte ’t bij de keele
En riep, hoe zou u niet van de ouders verschelen
Maar volgen hun aard? Ik zweer voor die schuld
Gij eer de zonne daalt ’t leven laten zult
Wie brandt om andere te verbijten en te verslinden
Licht iemand schuldig weet en kan een oorzaak vinden
Men slacht licht ’t onnozele Lam om ’t vet en de rok
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe LIX;
De Hanghende Wolf in ’t Schaeps-vell;
‘De Wolf, om ’t allerbeste de Schapen te betrapen
Zich met een schaapsvel heeft vermond en heel verschapen
En weidde met het koor der Lammeren in ’t gras
Sliep in de Schaapskooi, en als er niemand was
Hij spoedig er een verslond, en leefde in duizend weelden
Maar als hij lang genoeg zijn oude truken speelde
De herder eindelijk ontwaakte, als uit een slaap
Als hij van dag tot dag ontbloot was van enig Schaap
De kooi al stil beloerde, en zag hoe ’s Wolven tanden
Zijn kudde in ’t stille verslond en bracht geheel ter schanden
Zo schoot hij onvoorziens, gelijk als uit een droom
Heer Wolfaart knopen liet met ‘t Schaaps-vel aan een boom
Al de herders zagen hoe hij eindelijk was bedegen
Recht heeft hij, zeiden zij, loon naar werk gekregen
Doch ’t schaapsvel mag een wijle een wolvenhart versteken
Maar wat hij waarlijk is, is altijd op ’t end gebleken’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XCIV;
De Wolf vervolgt het Schaep;
‘Een hongerige Wolf, ter zijden weggescholen
Zag een onnozel Schaap langs ’t open veld gaan dolen
Zo gretig tot het aas hij aangevlogen kwam
En volgde ’t spoor van het weerloos vluchtige Lam
Het beest zocht zijn leven op ’t spoedigste te bevrijden
En, ziende een oud gesticht, getimmerd wat ter zijden
De poort in vloog, de Wolfaart op de hiel
Zo dapper dat hij met de vlucht de deur in viel
Dat als hij binnen was, ze fluks is toegevallen
Zo spaarde hij het lam uit angst en riep ’t is niet met allen
Voor hij zichzelf in zwaar verdriet gebracht
Zijn honger is zo groot, dat hij ten langen leste
Vergeet al hetgeen hem dient ten goede en ten beste’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe CIV;
De Wolf met zijn Getuygen tegen ’t Schaepken;
‘’t Onnozel slechte Schaap was voor het recht gedaagd
van de doortrapte Wolf of ’t heftigste aangeklaagd
dat ze haar schulden zou vergoeden en betalen
zou anders zien of met macht recht was te halen
’t Eenvoudige Schaapke, dat met waarheid was vergezelt
zwoer hoog en laag dat ze haar nooit een stuiver was geteld
De Wolf kocht de Hond, de Gier en Wou om tot getuigen
En loerde hoe hij ’t recht en rechters kon buigen
Verdrukt ‘t onschuldig Schaap door ’t oog van valse blijk
Zo dat ’t vonnis tegen haar gesponnen wordt gelijk
Zo wordt een kwade zaak door Godvergeten guiten
Met duizend eden bevestigt. Meinedig dan besluiten
Daar ’t recht een spinnenweb is. De sterke maakt een gat
De tere blijft er met zijn vleugels in gevangen
De Raaf werd verschoont, het Duifje werd gehangen
De vrome werd verdrukt, de bozen houden ’t veld
Wee! Is op zulke land een Koninkrijk gesteld.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe LVI;
Bock, Lam en Wolf;
‘De Bok en ’t witte Lam hebben onderlinge verdragen
Om elkanders zoet en zuur gezamenlijk te dragen
Elkander bij te staan in de allerhande nood
En niet te vlieden om leven noch om dood
De Wolf eerlange ontmoet deze lieve metgezellen
En wist zich tegen ’t Lam heel vriendelijk aan te stellen
Onnozel Schaapke, zegt de Wolf, wat gaat u aan
Wilde gij met een Bok, die vuile stinkerd, gaan?
Komt, voegt u bij mij, ik kan u best bewaren
Voor allen die u leed aanbrengen of vervaren
De Bok die Wolf’s loosheid merkt, spreekt: Gij loze gier
Koe vreter, Schapen dief, fluks pakt u weg van hier
Blijft veilig beschermt in allerhande lijden
Geen goud zou dierbaar is, nog geen enkele munt
Als tot een reisgezel is een trouwe vrund.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe LXIII;
Stier en Ram;
‘De kromgehoornde Ram begeerde dat de benden
Der witgewolden hem als haar Koning erkenden
Vermits zijn voorhoofd met twee hoornen was versierd
Waarmede hij in tijd van nood hij dapper weer mocht bien
’t Ontwapent weerloos vee, de witgewolde Vliezen
Genoodzaakt uit ontzag de Ram tot hoofd te kiezen
Bevestigden zijn eis, de Bok uit hovaardij
Om te erven noch een rijk en groter heerschappij
De Stier met strijde uitdaagde en dacht hem te verkloeken
Het grote beest gereed niet verre en was te zoeken
Maar liep de Ram op ’t lijf, al wat hij rennen mocht
Die fluks verslagen stak de benen in de locht
Eens ander zijn kracht bespot, en gaat zichzelf vergeten
Veel lichter als meent vernedert zal worden
Want hoogmoed, zo men zegt, gaat altijd voor den val.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XV;
Van den leugenachtige Schaepherder;
‘Een, die met de herder’staf de wit gewolde kudden
Voor ’t ongedierte belast was te beschudden
Uit schalksheid menig maal zijn luide stem verhief
Help wapen, wapen help! En weert de Schapen-dief
De Wolf zijn kudde belaagt, en licht hierbij geslopen
De landlieden kwamen fluks tot bijstand gelopen
Zo lange tot, door hem bedrogen menigmaal
Sloegen zij in de wind zijn schalkse leugentaal
Tenslotte kwam degene, die hongert naar jonge lammeren
Dat de herder vreselijk krees, hiervan zou een mens jammeren
Help, buren help! Mijn kuddeke lijdt nood
De Wolf heeft mijn schaapskudde van ’t beste Schaap ontbloot
Zijn roepen was tevergeefs, vergeefs was ’s herders wenen
Zij dachten ’t is bedrog, hij liegt gelijk voor henen
Diens goddeloze tong te liegen is gewoon
Al spreekt hij soms schoon de waarheid zonder liegen
Men gelooft hem niet, die lust heeft in ’t bedriegen’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe XXIII;
Een Kraey en ’t Schaep;
‘Een hongerige Raaf, tot stelen altijd vlugge
Vloog ’t witgewolde Schaap op zijn bonte rugge
Uitplukkende van ’t vlies de wol gelijk verwoed
Doorpikt ’t blanke vel, en zuipt ’t onnozele bloed
Het Lammeken lijdt smart, doet niet dan droevig blaren
Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren
Dat hij ten slotte spreekt; bloedzuipende tyran
Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man
Op mij, onnozel dier en weerloos heel met allen
Maar, heb eens de moed het hert, de hond eens aan te vallen
De raaf wordt niet bewogen, noch luistert naar die zank
Zuipt ’t jonge lammeren bloed, gaal vlijtig haar gang
Hij lacht in haar verdriet, hij groeit in haar smart
‘De Arend krom gebekt belaagde na en ging sporen
De Schaapjes wit gewold die ’t groene kruid afschoren
En voerde onverwachts een Lammeken om hoog
De Rave zag ’t spel aan met een begerig oog
En sprak bij haar zelf; de Arend is zo onbeschamel
Wat geeft het me, als ik niet roof de vetste Hamel
Van al die de weide en ’t groene kruid beslaan?
Zij daalde op de rug van de Hamel, om hem te grijpen aan
Maar als haar klauwen in de wolle zijn geslagen
Zij veel te zwak is om zo’n vet schaap te ontdragen
De herder, op zijn luim, de Raaf ziet verward
Die of haar diefstal terstond van hem gevangen werd
Zich eindelijk geheel en al bedrogen vinden
Wie zich groter pak op laadde als hij dragen mocht
Stak menig maal in ’t zand, de benen in de locht.
Spreekwoorden.
Als een schaap over de dam is volgen er spoedig meer. Als de eerste de zet gedaan heeft, zullen anderen hem volgen. Als schapen uitbreken of verweid worden moet de eerste in de goede richting gedreven worden, dan volgen ze allen, je kan ze niet meer stoppen.
Er gaan veel makke schapen in een hok. =Als je niet te veel verlangt kan je gauw plaats vinden.
Het verloren schaap, Luk 15: 4-7.
Hij heeft zijn schaapjes op het droge. =Hij kan nu beginnen ze te scheren.
Het makke schaap wordt van alle lammeren gezogen.
Hoe schurftiger schaap, hoe harder geblaat.
Zijn hart klopt als een lammerenstaartje.
Als de herders twisten dan steelt de wolf het schaap.
Een jong ooi en een oude ram geeft binnen een jaar een lam.
Het zwarte schaap zijn. Mogelijk van Gen. 30:32 waar Jacob uit de kudden van zijn schoonvader de zwart gevlekte en geheel zwarte schapen tot loon vroeg..
Zo weerloos als een lam.
Zo de wol is, is de stof.
Zo mak als een schaap.
Een schurftig schaap in ‘t land, is ieder tot schand.
Schapen hebben gouden voetjes.
Een wolf in schaapskleren.
Het is als een kudde zonder herder.
Men moet een schaap scheren, niet villen.
Het is slecht scheren waar geen wol is.
Veel geschreeuw maar weinig wol.
De bokken van de schapen scheiden.
Een verloren schaap.
Men meet de schapen naarmate ze wol hebben.
Zoek geen schaap met vijf poten.
Onder de wol gaan.
De schaapjes op ‘t droge hebben.
Als het hek van de dam is lopen de schapen de wei uit.
Door de wol geverfd zijn.
Dik in de wol zitten.
Zo onnozel als een schaap.
De wolf tot schaapsherder maken.
Het schaap en het lam herkennen elkaar aan hun geblaat.
De
zondebok, Lev. 16, waar de hogepriester de zonde van het volk symbolisch op een
bok legt en die de woestijn injaagt .
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/