Esox. Bij
Plinius komt al een isox voor, mogelijk een zalm en
mogelijk verwant met edo; eten, zijn roofzucht..
Esox lucius, L.(Latijnse
lucius kan uit Oud Grieks stammen, lykos betekent
zowel wolf als snoek, zie waterwolf, in Spaans heet het lucio
en in Italië luccio)
Snoek. In midden-Nederlands was het snoeck in midden-Noordduits Snok, het Engelse snook betekent bergpunt en Zweeds snok betekent slang, zo is de snoek genoemd naar zijn spitse bek.
Het is de pike, dat van het Franse pique, van piquer
stamt dat prikken betekent, naar de vorm van de neus. Frans brochet;
spies.
Door Antonides vijverwolf genoemd en door Lacepede
de haai van het zoetwater. In Duits Hecht, is verwant met haken en hekel of hechel.
De wolf van onze
wateren is geweldig in het roven en verslinden van andere vissen. Daarvoor
heeft hij een spitse bek en een wijde mond die wel voorzien met scherpe tanden
ontvangen
Hij bezit zowel
kracht als listigheid.
Dikwijls schiet hij
door de sterkste netten heen.
Om zijn prooi machtig
te worden veinst hij zich dood of
machteloos. Hij blijft dikwijls op een plaats, wat men het ‘staan der snoeken’
noemt, zonder zich te bewegen en schuilt onder het blad van een waterplant om
andere vissen hun angst weg te nemen. Vaak zie je hem op dezelfde plaats terug
komen en zo lang wachten tot er iets langs komt om dat in een hap in te
slokken.
Het legt in maart
tot mei het broed, de talrijke eieren waarvan er honderdduizend zijn die snel
uitkomen. De jonge vissen bereiken in het eerste jaar een, het volgende jaar
twee en drie en zelfs vijf kg. Hij kan tot twee meter lang en vijf en dertig kg
of meer groeien, exemplaren van een meter dertig lengte en vijf en twintig kg
gewicht behoren al wel tot de uitzonderingen, van twintig kg zijn bij ons al
schaars.
Naar men zegt kunnen
ze zeer oud worden, zeer oude en zware exemplaren worden mossnoeken genoemd. Er
zijn er die meer dan honderd jaar oud worden. Gessner verhaalt over de befaamde
snoek van de keizer die in 1497 in Wurttemburg
gevangen werd. Hij droeg een koperen ring met inscriptie waarop stond dat hij
door keizer Frederik II in 1230 was uitgezet. Visserslatijn dus, een snoek kan
nooit geen ring dragen, het dier groeit door en zal daar al gauw last van
hebben
Hij is van boven
zwartachtig en aan de zijden grauw met gele plekken en van onderen wit met
zwarte plekken. Voor ’t overige wisselt zijn kleur af naar de ouderdom en het
water. In het eerste jaar is hij groen, de Duitse Grashechte, in het tweede
grijs met bleke vlekken die in het derde jaar eerst geel worden, de Duitse Hechtkonige, de drie achterste vinnen zijn zwart gevlekt.
Men heeft bij hem
zeventien duizend schubben geteld.
Shakespeare, ‘II
King Henry IV’ iii, 2, 356;‘If the young dace be a bait
for the old pike’. ‘Als de
jonge voren een hapje is voor een oude snoek’, dace
is een soort witvis, een vis die ontstaat bij een overvloed van regen.
‘Merry
Wives of Windsor’, I, 1,16:
‘hun dozijn zilveren pietermannen ( the dozen white
luces). De luce is de
snoek. Aller duidelijkst wordt hier gezinspeeld op het wapenschild van de
familie Lucy die drie zilveren opgerichte snoeken op een veld van geel voerde.
Een ogenblik later is Zielig (Shallow) er ontevreden
over dat zijn wapen verse en geen zoute vissen voerde. Een oud geslacht moet
gezouten vissen in
zijn wapens hebben. Met het oog hierop kan
men in Shakespeare’s woorden een bittere toon
ontdekken, ‘zij hebben de luces in hun coat
(riddermantel) doch ze hebben zich in Charlecote
genesteld als louses in an old coat, hun vissen hebben zich tot dozijn vermeerderd om
vertoning te maken, maar het zijn en blijven vissen, hun adel is nieuwbakken,
zij voeren niet the old coat, niet het echte, oude
wapen van Charlotte. Shakespeare had zich aan stropen in de bossen van de Lucy’s schuldig gemaakt en werd door hen streng bestraft,
hij wreekte zich door een hekeldicht te schrijven. De vrederechter noemde hij Clotpole (dwaashoofd) en gaf hen, met een zinspeling op
zijn naam, drie luizen tot wapenhoofd.
Maerlant; ‘Lucius
is de heekt waar Liber Rerum
van spreekt en hij zegt dat dus dat ze beide zo heten omdat het de waterwolf
is. Deze is het die lang leeft waar hij prooien genoeg heeft en zoet water
genoeg ter nood want daar wordt hij uitermate groot. Padden en visjes is zijn
spijs en wat leeft in enige wijs dat hij vangt in zijn bedwang. Hij zwelgt het
visje naar zijn lengte snel naar in zijn maag. Zijn geslacht gaat ook in die
lagen, dat doet zijn gierigheid of dat hij zich ontziet dus mede daar ze mogen
groeien en die en hem de prooi ontnemen. Zijn eigen zaad, zijn eigen broed
zwelgt hij in, tot die dan ook
volschapen is en lang heeft geleefd. Een steen heeft hij in zijn hersenen,
helder als kristal, zonder geweld, dit is als ze zeer oud zijn. De noordenwind
doet dat hij draagt, zoals ons Aristoteles gewaagt, als ze zo zwaar is van zaad
en werpt zo haar broed niet na omdat ze niet minder prooien, want bij honger
verzwelgen ze hun kinderen, dit is gierigheid alleen die niet wil hebben
algemeen. De baars die mag hebben vrede voor de snoeks
gierigheid en dat hij ze zo vangt waar hij ze bij het hoofd vat, want geef de
staart de vrijheid, die scheurt zijn aderen door. Gezonde vis is het, vind ik
van hem’.
Vondel, Gezang, op
het Latijnsche woordt: Tarhit sua quemque
voluptas;
‘d’ Een trekt met de
angelhoek
Nu een baars op, dan
een snoek
Dan een spiering,
dan een voorn
‘d Ander acht dit
tijd verloren
En beloert de vogels
schalk’.
Vondel, Brief aan
den Drost van Muyden;
‘’t Ene diertje ’t
ander lekt
Duif en doffer
trekkebekt
Knort en krolt en onbeteuterd
Mus en kneu stjilp en kneutert
En de snoek, op ’t
zoete geluid
Steekt de kop de
vijver uit’..
Eter.
Ze eten niet alleen
andere vissen maar ook vlees. Een drollig exempel bevestigt dit. Een snoek die
een ezel terwijl die aan de rivier dronk bij de mond vatte en daar zo vast aan
bleef hangen dat de ezel van pijn naar huis liep waar de snoek bleef hangen die
hij zo bij zijn meester bracht. In Engeland heeft men hem de bek van een
slobberende zwaan zien vastgrijpen, hij liet dit lichaamsdeel niet los ondanks
het tegenspartelen van de grote, krachtige vogel die er het leven bij inschoot.
De snoek is een vriend van de zeelt, Tinca tinca (de muithond of zeelt) van zijn tegenstrevers, van de
bloedzuigers maar ook van de snijder. Want als de viskoopman zijn zijde heeft
geopend en zijn vet opzij legt voor de koper als een goede uitstalling van zijn
koopwaar en er op dat moment niet van af kan komen, legt hij dit weer op dezelfde plaats en herstelt de wond. Hij
brengt ze naar het meer waar de zeelten zijn die nooit aarzelen om zijn
bezeerde plaats te likken en te zuigen totdat hij hersteld is.
De zeelt wordt door
velen als de geneesmeester van de vissen gehouden.
Want ze schrijven dat indien men de snoek de buik meer als twee vingers lang
opensnijdt en de wonde weer toe naait en zo in de vijver smijt, waar zeelt in
is, zal die genezen nadat hij zijn buik aan die van de snoek gewreven zal
hebben. Mogelijk is dit naar de slijmerigheid van de zeelt.
Folklore.
In zijn kop is alles te vinden wat tot de
gerechtstelling op Golgotha betrekking heeft, de drie
kruisen, de spijkers, de hamer en de spies. Daarom kan de duivel de gedaante
van deze vis niet aannemen omdat zijn kop alle hekserij afweert.
Wel zijn er spookachtige snoeken. Eens gingen
vissers naar een meer waar niet gevist mocht worden. Ze vingen veel. Het net
was vol en ze konden die vrijwel niet naar boven brengen. Er was een geweldig
grote snoek bij die met moeite in de schuit gebracht kon worden. Het water werd
zeer woelig en onstuimig. De vissers hoorden een meisjesstem: ‘Rutsch, Rutsch’ roepen alsof er
varkens gelokt werden. Een mannenstem vroeg: ‘heb je ze allemaal?” waarop
geantwoord werd: Ja, negen en negentig’ maar de beer met een oog ontbreekt
nog”. Het geroep “Rutsch, Rutsch‘
werd herhaald en toen sprong de snoek met een geweldige ruk uit de schuit en
riep ‘hier ben ik, hier ben ik’. Ogenblikkelijk was het meer weer kalm en stil.
In oude tijden was
het Slochterdiep maar heel smal. Een Slochtersnik kon er net door, maar had dan ook niets meer
over. Als die naar de Stad vaarde dan kwam hij dicht
bij de kant aan weerszijde. Twee maal in de week ging hij er langs en twee maal
in de week kwam hij terug. Nu zat er een vreselijk dikke snoek in het Slochterdiep. En als de snik er aan kwam dan konden ze elkaar
onmogelijk voorbij. Nou, ‘as snik din dichtbie snouk kwam’, dan sprong
die snoek zo lang op de wal. En als de snik voorbij was dan sprong de snoek
weer in het diep. Zo hebben ze ‘vree holden mit nkander’.
Vangen.
Een snoek is goede tafelvulling,
zijn vlees is wit en vast en van aangename smaak. Hoewel de oude Romeinen hem
niet aten, mogelijk hebben die de oudere snoek gegeten die taai wordt.
De oude Romeinen
stelden geen hoge prijs op het vlees van de snoek. Later begon men er anders
over te denken. De snoek werd wel gekookt in water met een pint wijn,
sinaasappelen, dadels, specerijen, zoete boter en geserveerd met zijn hoofd
afgesneden dat omhoog voor zijn lichaam geplaatst werd met een sinaasappel in
zijn mond. Eeuwenlang werd in Engeland het vlees van de snoek beter beschouwd
als dat van de zalm. In Duitsland was het een belangrijk handelsartikel. Hij
wordt gevangen, behalve in netten, fuiken en hengel, ook in een strik van
koperdraad die hen gedurende het ‘staan’ voorzichtig om het lichaam wordt
geschoven en vervolgens dicht getrokken. Ook worden ze wel ‘s nachts bij
fakkellicht geharpoeneerd.
Ze worden wel in karpervijvers gehouden om die tot beweging te brengen.
Hiervoor zijn wel kleine snoeken nodig, bij het leegvissen moeten ze zorgvuldig
verwijderd worden omdat ze anders meer kwaad dan goed doen.
Spreekwoorden.
Hij heeft een snoek
gevangen. =Hij is in het water gevallen.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/