Acrididae.

Sprinkhaan, in midden-Hoogduits was het Spranke of Sprinke. In Angelsaksisch gaers-hoppa, grasshopper en Locusta (uit Latijn voor sprinkhaan) Het Duits heeft ook Heuschrecke, schrecken: springen en zo werd het ook Heuhupher en Heupferde.
Tettigonia viridis, (diep groen) van de sabelsprinkhanen is de groene sabelsprinkhaan de grootste en meest bekende.
Hij komt slechts in enkele exemplaren voor, vliegt weinig en kruipt langzaam, maar kan geweldige sprongen maken, hoewel minder dan de veldsprinkhaan.
Hij wordt soms door kinderen in een huisje gehouden en met gras en bladeren gevoed.
De mannetjes hebben een muziektoestel aan de wortels van de voorvleugels. De linker bovenvleugel bezit van onderen een getande en stevige nerf, die wordt over een kringvormige nerf van de rechtervleugel gewreven waartussen een dun vlies is gespannen.
De wijfjes leggen met behulp van de sabelvormige legboor een tien tot twaalf eitjes in een kleine holte in de grond. In de herfst sterven de volwassen exemplaren door de koude, alleen de eieren overwinteren. De in het voorjaar uitkomende jongen bezitten reeds in het klein de gedaante van de ouderen, bij de derde huidwisseling komen de vleugels voor de dag, in juni hebben ze hun volle grootte bereikt.
Mantis religiosa, (geheiligd) Mantis is Grieks voor profeet of waarzegger. De biddende vangsprinkhanen. Biddend slaat op hun biddende houding terwijl ze wachten tot insecten binnen hun bereik komen. Engels praying mantis, Duits Gottesanberin.
De vangsprinkhanen
zijn echte roofinsecten.
Ze bewonen slechts de warmere gewesten. In Z. Duitsland komt de biddende vangsprinkhaan al voor.
Door zijn dunne lichaam en groene kleur lijkt die op een tak, met daaraan zittende bladeren.
Hij zit meestal onbeweeglijk loerend met opgericht borststuk en opgeheven voorpoten die tot roofwerktuigen zijn ingericht.
Hun scheen is snijdend scherp en kan tussen een paar eveneens scherpe ribben van de dij teruggeslagen worden als het lemmet van een knipmes.
Met deze poten grijpt en doodt het andere dieren, zelfs zulke die hem in grote overtreffen. Zo vrat een gevangen exemplaar niet alleen vliegen en sprinkhanen, maar ook jonge kikkers en een kleine hagedis.
=biddende vangsprinkhaan.
Decticus verrucivorus (wrat) de Zweedse boeren gebruiken de wrattenbijter om wratten af te bijten. Ook in Duitsland worden de wratten verdreven door het gele bijtende vocht die ze boos geworden in hun bek afgeven, Warzenbeiszer, Engels wart biter cricket.
We zien dat sprinkhanen of liever cicaden zich voeden met dauw. Het aardige verhaal van Socrates wordt hierbij gebruikt. Die vertelde aan Phaedrus een verhaal onder een plataan bij de oevers van de rivier Iseus omstreeks de middag toen het warm werd en de sprinkhanen geluid maakten. Hij nam die gunstige gelegenheid waar om hem een sprookje te vertellen, hoe sprinkhanen eens studenten waren, muzikanten en poëten voor de Muzen geboren waren en dat ze leefden zonder voedsel of drank. Daarom werden ze door Zeus veranderd in sprinkhanen.
Dit komt niet geheel overeen met wat Plato vertelde, daar is het nadat de Muzen waren geboren en dat ze zo met vermaak bezig waren dat ze vergaten te eten en te drinken.
Aristoteles vertelt dat de tettix of cicada als enigste van alle schepsels geen mond hebben, maar een tongachtig iets waardoor ze van dauw leven en van dauw alleen. Dit geloof is zo oud als Hesiodus.
Tithonus was een schone Trojaanse jongeling die bemind werd door Aurora. Ze vroeg de goden om hem onsterfelijk te maken maar vergat om jeugd en kracht te vragen zodat hij spoedig oud en vervallen werd. Toen het leven hem ondraaglijk werd verzocht Aurora hem van de aarde weg te nemen, dit kon ze echter niet en veranderde hem in een sprinkhaan.
Shakespeare, ‘Romeo and Juliet’ i, 4, 60;
“Her waggon-spokes made of long spinner’s legs’. De raderspaken zijn van spinnenbenen’.
The cover, of the wings of grasshoppers’. Van fijne sprinkhaanvleugels zijn de teugels’.
The traces, of the smallest spider’s web’. Van maanschijnstralen is het tuig, de zweep’.
The collars, of the moonshine’s watery beams’. Is van krekelscheen en biezenpluis’.
Het whip, of crickets bone; the lash, of film’. Haar voerman is een mug, in ’t grijs gekleed’.
Her waggoner, a small grey-coated gnat’. Niet half zo groot als ’t ronde wormpje, dat’.
Not half so big as a round little worm’. In ’t vingertopje huist van luie meisjes’.
Prick’d from the lazy finger of a maid’. Haar rijtuig is een holle hazelnoot’.
Her chariot is an empty hazel-nut’. Gemaakt door meester Eekhoorn of baar Wurm’.
Made by the joiner squirrel or old grub’. Van oudsher reeds der elfen wagenmakers’.
Time out o’mind the fairies coach-makers’. En met dit span bezoekt ze nacht op nacht’’.
And in this state she gallops night by night’. Het brein van minnaars, die alsdan van liefde’.
Thorugh
lovers brains, and they dream of love’.
De knie van hoov’lingen, die dan buigen’.
De hand van procureurs, die van kosten’.
De mond van meisjes, die van kussen dromen”.
Maerlant, ‘Locusta, zegt Jacob van Vitri, dat is een viervoetig dier,
het heeft het hoofd vet en groot en is goed te eten in nood, alzo als
Augustinus wist, en zo at Johannis de Doper dit dier.
Andere zeggen dat hij dat niet deed en zeggen dat een kruid mede locusta heet dat hij at, maar liever volg ik op deze plaats de glossaria en Sint Augustinus’. (773) Locusta is een viervoetig dier wat Jacobus zegt. Het leeft in de landen tegen zonsopgang aan de Jordaan. Ze zijn klein en hebben een grote kop, ze zijn vlezig en eetbaar. Daarom leest men van St. Johannis in het evangelie dat die van de locust leefde. De dieren leven in groepen. Vandaar dat men zegt, de locusten hebben een koning. Dat is niet zo bij de sprinkhanen die in Latijn ook Locusta heten. De sprinkhanenboom of St. Johannesbroodboom wordt nergens in de Bijbel vermeld. In de wildernis van Johannis zouden nog steeds enige sprinkhanenbomen, Engelse locust, groeien waarvan de monniken de mensen verzekeren dat dit dezelfde zijn als die waarvan Johannis de Doper gegeten zou hebben. "De Roomsgezinde pelgrims, die niet wijzer durven wezen dan zulke blinde leidsmannen, zamelen de vruchten daar van in en dragen ze met veel devotie weg". Het zou de vrucht van Johannis geweest zijn en de wilde honig zou de pulp ervan zijn. Calvijn meende ook dat dit het voedsel was van de verloren zoon dat hij deelde met de varkens.
In het Hebreeuws betekent hagavim: sprinkhanen, en haroevim is de Johannesbroodboom. Waarschijnlijk is er verwarring opgetreden doordat in de uitspraak de woorden sterk op elkaar hebben geleken.
Maerlant; ‘Viervoetig zijn deze diertjes en alzo groot als het konijn lijkt het te zijn en wandelen tezamen bij scharen. Aristoteles die vertelt dat een wijf een locusta hield omdat het jong en klein was, daarna omdat ze lang alleen was werd het dragende zonder echtgenoot en dit was een wonder groot’. (773) Aristoteles zegt van de locusta dat een huisvrouw er in haar huis een grootbracht. En toen het dier groot was dan vond de vrouw die op een dag zwanger van zichzelf zonder het bijzijn van een mannetje.
En
bij de viervoetige dieren; ‘Locusta, als ik het hoor vertellen, is een
krekel van manieren. Zijn hoofd is gemaakt als een paard en lange schenkels
heeft het achterwaarts, groen en springend achter velden en vliegend met geweld.
Plinius zegt het en Adelijn, in de herfst legt hij zijn eieren die de winter
overgaan en in de zomer komen er creaturen van zulke als de zijne is geweest,
de moeder, die eieren legt, sterft kort daarna. Egypte was zwaar geplaagd met
deze wormen, zoals ik het vond, noch zo vindt men ze in menig land waar ze veel
schade veroorzaken die met hun menigte zijn verladen en dan laten ze daar in
geen doen geen loof en geen groen’.
Maerlant; ‘Brucus adlacta, zijn
dieren, van al zulke manieren zoals wij de krekels zien want ze plegen te
springen. En alle hebben ze gemeen, kort van voren en vanachter lange benen.
Brucus, dat is een krekel klein, daar wel bij Egypte algemeen God deed plagen
en kwellen en zoals ons noch Mozes boeken vertellen. In sommig land ziet men ze
bij jaargangen de grote en dappere komen en als ze komen, ze eten alles het
groene dat staat op berg en in dal en daar is geen middel tegen. Deze plaag
denk ik plegen kwaadsprekers, die in hun doen verteren en verbijten het groen,
dat is de goede lieden weldaad en vernemen ze dat het zo te groeien staat,
dan gaan ze knauwen en slijten
en verteren en verbijten wat alle goede lieden goed doen en keren het weer in
een vals sermoen’.
Brucus zijn voelersnuitkevers waarvan honderden soorten zijn. Er is een erwtenkever, bonenkever, wikken en linzenkever. Ze overwinteren in die vruchten en komen daar in het voorjaar weer uit. Ze lopen vrij snel en vliegen nu en dan. Maar naar de omschrijving hebben we hier wel met sprinkhanen van doen.
Ze verlaten nooit hun plaats of zeer zelden. Als ze dat doen zijn ze altijd zeer stil en zingen niet meer zo veel, ze houden zo veel van hun eigen plekje.
Als klei niet op de juiste tijd gespit wordt komen er sprinkhanen uit.
Vaak voorspelt hun komen en zingen het goed gaan van vele zaken Als er veel sprinkhanen zijn op het eind van het voorjaar is het een voorteken dat er een ziek jaar aan komt. In een jaar dat er weinig gezien worden, is het voedsel duur en schaars.
De
sprinkhaan neemt een belangrijke plaats in. Dat blijkt uit het feit dat ze
onder een tien namen in totaal een vier en vijftig maal vermeld worden. Er is
een Griekse naam, ‘acris’.
Van de sprinkhanen wordt gezegd: ‘zij hebben geenen koning, nochtans gaan ze allen uit, zich verdeelende in hoopen. De woorden ‘in hoopen’ staan in de Statenvertaling tussen haakjes, dus komt dit in de grondtekst niet voor. Een juistere vertaling is dan ook; ‘nochtans trekken ze er tezamen wel geordend op uit’, of ‘toch trekken zij gezamenlijk in goede orde op, vs 27. De sprinkhanen hebben geen koning, er is niemand die hen aanvoert zoals bij de mieren, maar elke groep heeft zijn eigen wel omschreven door de wetten van het instinctleven geregelde taak.
Mozes steekt zijn roede uit over Egypte, een dorre wind waait een dag en een nacht en brengt 's morgens ontelbare sprinkhanen.
Van onze jeugd af aan kennen we de achtste van de tien plagen der Egyptenaren en de verwoesting die door de sprinkhanen werd aangericht. Bij Plinius en Pausanius komen berichten voor van door sprinkhanen aangerichte verwoestingen. Om het ratelende geluid dat ze geven heten ze klappersprinkhanen.
Deze sprinkhanen horen in het Oosten thuis en moeten niet verwisseld worden met onze groene sprinkhaan die in ons land en de buurlanden voorkomt. Dit is een ander soort die toch ook verwoestingen kan veroorzaken.
De verwoestende sprinkhanen moeten gezocht worden in de familie der veldsprinkhanen, Acrididae, het Grieks acris is de sprinkhaan.
De veldsprinkhanen hebben korte sprieten en smalle, harde voorvleugels en grote achtervleugels die in rust waaiervormig geplooid zijn onder de voorvleugels. De achterpoten hebben lange, sterke dijen die voor het springen dienen. De mannetjes maken geluid door de achterdijen die aan de binnenkant van een rij tandjes voorzien zijn te wrijven over de uitstekende randader van de voorvleugels.
De schade wordt aangericht door een bepaalde groep uit deze familie, de treksprinkhanen. Vooral de Afrikaanse of Egyptische treksprinkhaan, Schistocerca gregaria of woestijnsprinkhaan. (Ook de Europese treksprinkhaan, Locusta migratoria wordt ook in vele vormen gevonden).
Er zijn twee fasen in de ontwikkeling, namelijk een solitaire- en een zwermfase. Die verschillen voornamelijk in kleur- en levenswijze. De solitairen leven alleen, de anderen verenigen zich in enorme zwermen die gezamenlijk voedsel zoeken en zich verplaatsen en dan als een eenheid optreden.
Als er hier en daar een eikapsel gelegd is zullen de jonge dieren in het solitaire stadium leven. Die larven zijn grijsgroen.
Wanneer ze in grote aantallen dicht bij elkaar gelegd zijn ontwikkelen ze zich tot zwermstadium. Die hebben een zwart/gele kleur. Het verplaatsen gebeurt onder invloed van de heersende winden die de sprinkhanen naar geschikte plaatsen brengen om weer eieren te leggen. Het ontstaan van zwermen is geheel afhankelijk van de juiste tijd van regenval. Is die te laat dan vindt de aankomende generatie geen geschikte, voldoende vochtige bodem en de cyclus wordt onderbroken.
Dat ze zeer groot waren, Ex. 10:14, komt omdat ze volwassen waren. Ze zijn vijf tot zeven cm lang, de mannetjes iets kleiner dan de wijfjes. De ondervleugels zijn vijf en een halve cm lang en op de breedste plaatsen twee en een halve cm breed. De vleugels worden waaiervormig uitgespreid, zijn doorzichtig als fijn glas en glinsteren als zilver. De bovenvleugels zijn zes cm lang en anderhalve cm breed en hebben een vastere bouw. Verschillende aderen geven aan de vleugel de nodige steun. Op deze vleugels komen eigenaardige zwarte tekens, punten en strepen voor waardoor een sprinkhanenzwerm een donker aanzien heeft. Als een geheimzinnig schrift ziet die tekening er uit. De inboorlingen hebben ook voor dit schrift een betekenis weten te vinden. Zij zeggen dat het schrift in Koptisch en twee Arabische woorden ‘Min Allah’, dat wil zeggen ‘van God’ betekent. Zo verklaart het volksgeweten deze plaag des hemels waartegenover elke menselijke macht machteloos is, als een straf die van God komt.
Alles wordt bedekt met hun grote lichamen zodat er letterlijk niets groens meer overblijft. Er zijn er vaak zoveel dat de zon verduisterd wordt. Ze trekken in een zwerm van enkele kilometers over steden en velden en laten overal sporen van spijsvertering achter.
Tot ze neerdalen en hun gevreesde eieren neerleggen. Dat is de tijd van de bruiloftsvlucht die de middagzon verduistert, Joel 2:2. In de nacht zetten ze hun eieren af en die komen na vijftien tot veertig dagen uit. De uit het ei komende larve is ongeveer wit en niet groter dan een vlieg zonder vleugels. Bijna dadelijk worden de larven in de lucht zwart. De eerste dagen eten ze nog niet veel en knagen wat aan zachte gewassen maar met de dag neemt de vraatzucht toe, hoewel nog steeds van zacht blad. Ze vormen dan colonnes die op en over elkaar kruipen.
Na een tweede vervelling krijgen ze een groen/gele kleur en hun verwoestingen worden erger. Als een groene wals gaan ze over de bodem. ‘Als de hof van Eden is het land voor hen, en achter een ledige woestenij’ Joël 2:2b.
Na een derde vervelling vertonen ze al duidelijk vleugelstompjes. In deze periode leggen ze lopend al aanzienlijke afstanden af. Zelfs in warme nachten hoort men ze knagen. Langzamerhand worden ze trager, dan hangen ze aan boomtakken en dergelijke.
Daar maken ze hun vierde vervelling door. Ze zijn nu
volwassen. In het algemeen is het lichaam roze of vleeskleurig met hier en daar
een donkere schaduw. Ook de vraatzucht is teruggekomen. In grote zwermen
verspreiden ze zich over het land dat nu droger is geworden zodat de bomen het
moeten ontgelden. In 1889 was een zwerm de Rode Zee over gestoken en bedekte
twee duizend vierkante mijl. Net als vele andere insecten hebben ze maar
betrekkelijk weinig controle over hun vleugels, de wind zal meestal bepalen
waar ze naar toe gaan, Ps. 109:23: ‘als een sprinkhaan word ik afgeschud’.
Ze worden wel gegeten, Matth. 3:4, Marcus 1:6. Ook de wet staat het toe, Lev, 11:22. Je kookt ze met zout en water en dat zou dan een goede vervanger zijn van garnalen. Of droog ze in de zon, haal kop, vleugels en poten eraf en stamp de rest. Dit meel wordt met gewoon meel vermengd en tot brood gebakken. Dat smaakt wat bitter zodat men er honing aan toevoegt, Matth. 3:4. Shakespeare’s ‘Othello’, I, 3,354;’wat hem nu zoet smaakt als sprinkhanen, wordt hem alras zo bitter als kolokwint’. De sprinkhanen konden wel een lekkernij zijn voor een Barbarijse Moor, het wordt wel vertaald als honing.
Spreuken 30:24,28, de sprinkhaan wordt toch bij de wijste van de dieren gerekend. Deze vier zijn de kleinste op aarde, doch zijn bovenmate wijs; de mieren zijn een volk zonder kracht, toch bereiden zij hun spijs in de zomer, de klipdassen zijn een machteloos volk, toch maken ze hun woning in een rots; de sprinkhanen hebben geen koning, toch trekken ze gezamenlijk in goede orde op, de hagedis kan men met de hand grijpen, toch is zij in des konings paleizen’.
Hun plaats in de bijbel kan het best verdeeld worden in drie afdelingen;
Een
vernietiger, literatuur en zinnebeeldig wordt vijf en twintig maal
vermeld. Joel 2:25: ‘Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan
(alles) opvrat, de verslinder en de kaalvreter en de knager, mijn groot
leger dat ik op u afzond.’ Ze worden door God gestuurd als een straf,
Deut. 28:42, van al uw geboomte en veldvruchten zullen de sprinkhanen
zich meester maken. Zie ook 2 Kron. 7:13, Amos 4:9.De overblijvende zestien verwijzingen komen in een verspreid gebruik voor, meestal zinnebeeldig.
Naar de voedsellijst van Lev. 11:22 zijn arbeh, solam, chargol en chagab verschillende soorten. Het zijn planteneters, dus geschikt voor de voedsellijst, zo sprinkhaan, kale sprinkhaan, kever en sprinkhaan.
Er is een andere lijst, zie Joel 1:4, de sprinkhanenplaag als aankondiging van de Dag des Heren waar het lijkt dat arbeh, gazam, yeleq en chasil verschillend zijn. Dit kan vertaald worden als palmworm, sprinkhaan, kankerworm en rups. De palmworm werd in de Geneva bijbel gebruikt, 1560, en betekent een processierups, het woord is ontleend van palmer: een pelgrim die uit het H. Land terug keerde met een palmtwijg. Kankerworm was eens, 16de eeuw, de naam voor vernietigende rupsen.
Sommige commentatoren vermoeden dat het de respectievelijke ontwikkelingen van de sprinkhaan is.
De namen arbeh, yeleq, gazam, en chasil betekenen dan de verschillende ontwikkelingsstadia van een en dezelfde soort en wel van de vernielende soort, de Egyptische treksprinkhaan.
In 1748 bracht een zwerm die uit Hongarije overkwam schrik aan in West Europa tot Frankrijk en Engeland toe.
Een honderd vijftig jaar geleden werd een gedeelte van West
Pruisen door een sprinkhanenplaag verwoest. Toen ze plotseling ophielden
schreef het landvolk dit toe aan een krachtige bezweringsformule van een
priester waardoor het ongedierte in een meer gejaagd werd en verdronk. De
herinnering zal er nog geweest zijn aan meerdere heiligen als Stephanus,
Benedictus en Gregorius die een dergelijke plaag hadden laten ophouden. In de 5de
eeuw riep Severin, bisschop van Passau, het volk in de kerk bijeen om van
sprinkhanen verlost te worden. Allen kwamen op behalve een boer die ze zelf wel
van de akker zou jagen. Zijn koren werd alleen door het gedierte verwoest. Zo
bleef dit geloof bestaan, zelf na verandering van het oude geloof. In vele streken
van Duitsland zochten gereformeerden geregeld hulp bij een katholieke priester
waaraan een soort goedaardige toverkracht werd toegeschreven. Wil men een schat
vinden of een duivel uitbannen dan haalt men zo’n priester omdat hun eigen
dominee die kracht niet bezit of verloren heeft. Zo geven de boeren vaak
gewijde kruiden aan hun vee omdat hun eigen priester het wijden niet verstaat.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/