Mustela; het woord betekent zoveel als een
lange muis.

Mustela nivalis, het laatste woord betekent sneeuwwit (Putorius vulgaris)
Wezel. In midden-Nederlands was het wesel, in oud-Hoogduits Wisula,
(nu Wiesel) in oud-Engels weosule,
(nu weasel) oud-Zweeds heeft visla.
Dit woord komt van een Germaans wisulo. Het dier
heeft zijn naam naar zijn stank gekregen, men verbindt het met Indo-Germaanse uiso: stank. Dezelfde herkomst heeft ook de wisent (Putorius)
In Friesland wordt het wezeling
genoemd, in Duits ook Hermannchen of Hermchen, dat naar de hermelijn.
De wezel lijkt op de hermelijn, is wat kleiner en heeft geen zwarte staartpunt. De lengte is een en twintig cm met een staart van vijf tot zeven cm. bij een gewicht van een ruime honderd gram. Het wijfje is een twee tot drie cm korter en wat lichter.
De tint is roodbruin met wat wit op de keel en onderkant. Noordelijk voorkomende dieren worden soms wel wit of witachtig.
Lang en slank, een lange nek en korte pootjes, er wordt verhaald dat hij wel door een trouwring heen kan sluipen.
Snel, lenig en bedrijvig, klimt en zwemt goed.
Het is een nachtdier die toch ook overdag gezien wordt.
Het is een meedogenloze jager, moedig en woest. Hij valt vaak grote dieren aan als muizen, ratten, konijnen, kippen en vogels en hun eieren.
Het diertje maakt een sissend geluid als het verontrust is, schreeuwt als het schrikt wat echter zelden het geval is.
Het wijfje bouwt haar leger in een holle boomstam en bekleedt die met bladeren, planten en dergelijke. Een zes weken na de paring komen de drie tot zes jongen. Ze kan meerdere keren per jaar werpen. De wezel kan wel een zes jaar oud worden. Het moet er dan vol van zitten zou je zeggen, maar ze hebben vele vijanden, roofvogels, katten, de vos en de mens. In Griekenland en Rome werden de wezels vroeger gehouden om muizen te bestrijden. Tot de kat kwam.

Galinthias was de dochter van Proetus,
een vriendin van Alcmene. Toen Ilithyia
op bevel van Hera de geboorte van Hercules zat af wachten kwam Galinthias met uitgelaten vreugde verhalen dat Alcmene al een zoon ter wereld gebracht had zodat Ilithyia misleid werd. Tot straf werd Galinthias
in een wezel veranderd. Grieks gale: wezel.
‘choled’ zou wezel
betekenen. Het woord wordt gevonden in Lev. 11:29 als een van het wemelend
gedierte dat over de aarde kruipt. In de lijst wordt ze gevolgd door de muis.
Is ze onrein vanwege de geur? In oud Egypte waren de wezels aan de maan gewijd
wat een reden voor de Joden geweest kan zijn om ze te vermijden. De naam kan
ook gelden voor de andere leden van deze familie.
De hermelijn en de
wezel komen in de heraldiek met elkaar overeen, vooral wanneer ze beiden in
zomertooi worden afgebeeld. We hebben hier te doen met het symbool van wijze
voorzichtigheid, moed en reinheid. Al in de oudheid waren deze diertjes het
teken van onschuld en reinheid, omdat, zo heet het in het volksgeloof, ze
liever door vuur dan door modder gaan en ze liever sterven dan zich vuil te
maken. Als ze zich ophouden op een boerderij brengen ze geluk reden waarom dan
ook de zogenaamde wapenmantels van hermelijn geluk aanbrengend zijn.
Aan de andere kant
heet het dat hun blik ziekte zou geven en hun adem dodelijk zou zijn waarom ze
dan ook grimmige toorn verkondigen.
(773) Mustela heet een wezel en betekent in Grieks zoveel
als een lange muis. Van het diertje zijn er twee soorten, de ene is groter en
de ander is kleiner en dat heet ictide, zoals
Isidorus zegt. De wezel is vlug en listig, klein maar dapper. Is op het lichaam
rosachtig vaal, wit van buik met donkere ogen, zwart aan het eind van de
staart. Die vacht wordt vaak tot moffen verwerkt.
Het is een beest die veel slaapt en dik wordt
als die slaapt.
Als wezels tussen dode mensen komen trekken
ze hun ogen uit.
Zijn beet is
venijnig en kwaadaardig. Het beestje is zo krachtig en vlug, zo brutaal en
bloeddorstig dat hij niet slechts muizen, maar ook grote rotten, waterrotten,
mollen, zelfs hazen en konijnen aanvalt. Hij vervolgt hen als een hond, springt
grotere dieren onverhoeds op de rug, bijt hun de slagaderen aan de hals open en
klemt zich aan het slachtoffer vast tot het levenloos neerzinkt. Hij likt met
wellust het warme bloed op maar laat de rest liggen om weer een nieuw
slachtoffer te zoeken. Ongelooflijk is het aantal veldmuizen dat hij doodt
wanneer deze veelvuldig voorkomen, zelfs als hij verzadigd is met bloed gaat
hij voort om er steeds meer te vermoorden. Hij vervolgt ze zelfs in hun gangen.
Maar ook is hij verzot op hoenderen en hun eieren.
“I can suck melancholy
out of a song, as a weasel sucks
eggs’. ‘Ik kan melancholie zuigen uit een lied, zoals
een wezel eieren uitzuigt”.
‘Cymbeline’ 3,4 160:
‘Wees spotziek,
onbeschaamd, vlug met de tong’.
En twistziek als
een wezel’.
‘King Henry
V’,2,170:
‘Want vliegt ooit
Englands arend uit op roof’.
Dan sluipt de
wezel Schotland in haar nest’.
En zuigt er al
haar vorst’lijke eieren uit’.
En speelt voor
muis, die, is de kat afwezig’.
Meer aanknaagt en vernielt dan ze eten kan’.
Maerlant, ‘Galis, zegt Aristoteles, is een zeer dapper dier, want het houdt
te menige tijd tegen de serpenten strijdt en als het die heeft gebeten dan gaat
ze die gelijk eten en daarna eet het ruit en alzo jaagt ze het venijn uit.
Daartoe is een grote reden, het waarom dat het de serpenten dood bijt omdat de
wezel van muizen leeft en omdat ze begrepen heeft dat die de muizen verteren,
daarom wil ze hen deren zodat ze verminderen hun bejag. Hierbij is het dat men
zeggen mag, onder stumpers was ooit nijd want iedereen wilde tijd winnen.’
(773) Galy is een dier zoals Aristoteles zegt, dat zeer
dapper is. Het vecht met slangen en als hij die overwonnen heeft eet hij direct
ruit waardoor het vergif overwonnen wordt.
Ze vecht zoals de Grieken en Romeinen al wisten
met slangen. Plinius beschrijft zo’n gevecht. Ze gebruikt niet altijd eerlijke
middelen.
De wezel weet al gauw dat er een basilisk is en gaat naar zijn hol, eet ruit en smeert zich met het sap ervan in en valt dan de basilisk aan en doodt die zonder zelf pijn op te lopen. Ruit is een krachtig middel. De serpenten worden door de geur van ruit verdreven als het verbrand wordt en zelf zo erg dat als een wezel met een serpent vecht ze zichzelf bewapent met ruit tegen de kracht van het serpent. Ravelingen; Andere oude schrijvers die willen aantonen hoe krachtig dat de ruit tegen het venijn of het vergif is schrijven dat de Mustelae of wezeltjes wanneer ze tegen de slangen zullen gaan vechten hun eerst wel wapenen en versterken omdat ze een groot deel van ruit eten en van Verbascum; Diegene die gade geslagen hebben, zegt Lobel, dat de wezeltjes gevochten hebben met de slangen en bijkans doodt en overwonnen zijn en gegeten hebben van dit wolkruid zijn zo weer kloek en lustig geworden en het gevecht opnieuw begonnen zijn die hebben dit kruid in het Latijn Taxus genoemd als goed zijnde tegen het vergif, hoewel het meest bekend is met de naam Tapsus barbatus’.’
De H. Hildegard
schrijft: “De wezel heeft in zijn behendigheid wat van de vogel Greif. Hij kent de geneeskruiden en als hij zijn jongen of
een andere wezel ziek ziet haalt hij die en begraaft die in de aarde en blaast
erover en pist er in om zijn kracht met die van de plant te verenigen. Als de
urine zich met de plant verenigd heeft dan sleept hij de plant weg en steekt
die de stervende in de mond waarop die gezond wordt. Die geneesplant is bij de
mensen en de andere dieren onbekend. Als je er de kennis van had zou je er nog
niets aan hebben want alleen met de adem en urine van de wezel is het werkbaar.
Hij voedt zichzelf met zulke krachtige en gezonde kruiden dat een ziekte hem
vrijwel niets doet.
Enige boeren zagen in Tirol hoe een ‘hermilo’ door een slang omwonden zich wist los te maken en
wegliep. Na enige tijd kwam het diertje terug en blies op de slang die in drie
stukken vloog. Men meende dat het daartoe een zekere plant gebruikt had. Dat is
juist. Anderen bevestigen dat het dier in een gevecht met een slang het ‘Springkraut’ gebruikt.
Zijn beet, zelfs de
adem of zijn blik zou ziekte en dood brengen. In andere plaatsen gelooft men
dat een wezel in huis geluk brengt. De wezel overweldigt en eet serpenten, haat
en eet muizen.
De beet van de wezel
is dan ook gevaarlijk. Blaast het in gewone toestand op iemand, dan krijgt die
een dik gezicht. Heeft het beestje eerst van de springwortel gegeten dan zal de
aangeblazene sterven. Om dit te voorkomen wordt het
dier niet bij zijn naam genoemd. Men mag de wezel niet met zijn naam aanspreken
anders vervolgt hij de mensen en blaast hij tegen ze, daarom moet je zeggen:
“Mooi dier of Schonsdingel, ga met God”. Als iemand
door hem aangeraakt wordt dan zwelt zijn gezicht op of wordt blind en moet
sterven, zelfs het zien van het dier maakt blind of ziek.
Sigmund kreeg zijn zoon Sinfiotl
en leerde hem alles wat die weten moest. Ze werden weldra onafscheidelijke
metgezellen. Op zekere dag kwamen ze bij een hut waar ze twee mannen in diepe
slaap vonden. Dicht bij hen lagen twee wolfshuiden
die aangaven dat de vreemdelingen weerwolven waren. Door nieuwsgierigheid
gedreven trokken ze de huiden aan en zwierven weldra rond, als wolven
vermomd door het woud, moordend en
verslindend alles wat hun in de weg kwam. Zo wolfs was hun aard dat ze weldra
elkaar aanvielen en na een wild gevecht viel Sinfiotl
dood neer. Dit ongeluk bracht Sigmund tot bezinning en hij bukte zich in
wanhoop over zijn vermoorde metgezel. Op dat ogenblik zag hij twee wezels uit
een bos komen en elkaar woedend aanvallen totdat de een dood neerlag. De
overwinnaar sprong toen in het kreupelhout om met een blad terug te komen dat
hij op de borst van zijn makker legde. Toen zag men een wonder gebeuren, want
op de aanraking van het blad kwam het dode dier weer tot leven. Een ogenblik
later liet een raaf, die over hen heen vloog, ook zo’n blad vallen. En hij
begreep dat de goden hem wilden helpen en legde het op Sinfiotl
die gelijk weer levend werd.

Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’Amour, rond 1250; ‘En net zoals op de manier van de
wezel. Want het eerste als de wezel zijn jongen heeft dan draagt hij ze op een
andere plaats. Want hij ontziet het dat hij ze verliezen zal.’
Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’Amour, rond 1250; ‘Alzo zoals de wezel die zijn jongen
ontvangt via een oor en via de ander zo ledigt ze het weer.’
De wezel ontvangt, maagdelijk genoeg, door het oor en baart via de mond. Door een wezel aangeblazen zijn heette vroeger dan ook “de heimelijk zwangere”. Veelal is onder het volk de mening verspreid dat de wezel zijn jongen uit de mond baart. (Dit is waarschijnlijk wel omdat de moeder de jongen van de ene naar de andere plaats draagt) (773) Dit beest heeft een bedrieglijke geest, ze voedt haar jongen en draagt ze van plaats tot plaats, verandert van plaats zodat geen een haar nest zal vinden.
Nederrijns moraalboek, Bestiaria d’Amour, rond 1250; ‘En er is enig veranderen aan en weet welk veranderen niet meer is dan van de zwaluwen. Want men heeft het geprobeerd, is het dat men haar jongen de ogen uit steekt, daarbij blijft het niet, ze worden weer ziende voor ze volwassen worden. Dusdanige manier gebeurt zo van de wezel. Is het dat men haar jongen doodt en men voor dood weer geeft, ze weet van haar natuur zoals velen dat ze er een geneesmiddel toe doet dat ze weer levend worden. Maar men weet het niet of kan men weten wat dat is.’
Maerlant
beschrijft de Mustela wat een marter zou zijn, maar omdat dit meer naar het volksgeloof over een wezel gaat
wordt het hier ook vermeld ‘Mustela is
de muishond, een dier dat bij ons wel bekend is. Het leeft van prooien van dieren.
Is van schalkse manieren want het draagt van plaats tot plaats zijn jongen,
omdat het niet graag ziet dat men ze vinden zal, in holen is hun gehele wonen.
Serpenten en muizen plag het te vangen en als het serpent het pijn wil doen dan
eet het van tevoren wilde ruit waarmee het venijn uitdrijft. Ook heeft het van
naturen aard kennis van alle medicijnen. Vindt het zijn jong dood, men zegt dat
het een kruid te vinden pleegt waar het zijn jongen mee opwekt. (773) Wezels
beschikken van nature over kennis van medicijnen. Als
de wezel zijn jongen dood vindt haalt hij een bepaald kruid dat ze weer tot
leven wekt. Hij vecht met de slangen
omdat slangen muizen eten zoals ook de galy (Grieks
gale: wezel) muizen eet. Daarom vangt hij slangen omdat die zijn voedsel weg
pakken. Zijn gal helpt tegen het gif van de aspis en adders.
A. Magnus; ‘Mustela de wezel is een beest die genoeg bekend is. Als het
hart van dit beest gegeten wordt terwijl het nog slaat maakt het dat een man
weet van dingen die komen en als een hond het hart er van met de ogen en tong
eet zal hij spoedig zijn stem verliezen.’
Maerlant, ‘De muishond pleegt en merkt op om serpenten en muizen te
vangen. In Pruisen, laat men verstaan, is een eiland waar er geen in leeft.
Solinus die het beschreven heeft dat het de basilisk verbijt en erna in korte
tijd sterft die met zien de man en elk dier met de adem nochtans doodt, maar
daarna sterven ze alle graag.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe IV;
Vanden Basilisco ende ’t Wezelken
‘Het wrede,
onmenselijke dier, dat ijselijk en straf
De mensen bliksemt
met een oogwenk in ’t graf
De felle Basilisk,
beloerde en bewaakte
Een Wezelke, ’t welk steeds zijn aas aldaar ontrent
En dagelijkse roof
te halen was gewend
’t Welk, als het nu
gewaar werd van Basiliks streken
Zo heeft beraamd om vijands macht te breken
En met een takje
groen van ruit zich bedekt
Van ruit, ’t welk
voor ’t gif een tegengift verstrekt
Ja, eindelijk vermag
de Basilikc te doden
andaar heeft het dagelijks zijn vijand het hoofd
geboden
En wijs belijden
zal, om hem die sterker is
Met uiterlijk
geweld zo zeer niet te bespringen
Als door
voorzichtigheid en kloekheid te bedwingen
Veeltijds de
sterke te zijn door slimmer gebracht
Want list, zo men
zegt, gaat dikwijls boven kracht’’.’
Maerlant; ‘Men
zegt van de muishond dat de gal goed is tegen aspis venijn, echt is er aan deze
medicijn’. Als iemand
vergeetachtig wordt, het sluipende kwaad dat door addervenijn komt is de
remedie hiertegen de as van een wezel die wat gematigd is met wat druppels
water.

Maerlant; ‘Kiramidarium boek zegt het, waar oude filosofie in ligt, dat men de muishond zal ontlijven en koken in olie van olijven zodat hij geheel verteert, die olie zal men duwen door een kleed, dit is een rijke zalf voor de zware jicht en is voor de zenuwen goed en geneest de zere voet’.
Als het poeder van een wezel dat aan een
haan, kuikens of duiven wordt gegeven dan zullen nooit door wezels lastig
gevallen worden. Zo ook de hersens van een wezel die met wei in kaas gemengd
wordt zorgt ervoor dat die nooit door muizen aangeraakt.
Verder denkt men dat alle dieren die men hem
in contact komen of er door gebeten zijn op de betreffende plaats boosaardige
gezwellen krijgen. Vooral koeien hebben daar het meeste last van. Vang het
beest tussen 15 augustus en 15 september, de dertig vrouwendagen, vil het, niet
met blote handen, en strijk met het opgezette vel het vee dat stijve benen heeft
of aan gezwollen uiers lijdt, een kwaal bij koeien en geiten die door de beet
van het wezeltje is ontstaan. Soms bijt de wezel het vee dat daardoor direct
gedood wordt of er moet onmiddellijk hulp geboden worden door een wezelhuid.
Als de wezel gevangen wordt op St. Georgsdag, 23 april, en gestorven is in de hand van een
mens dan heeft het de kracht om gezwellen te genezen.
De beet van een wezel wordt genezen door
knoflook dat van buiten opgelegd of in een drank genomen wordt.
Als een hart van een wezel gegeten wordt als
die nog klopt zorgt dit ervoor dat je voorspellingen kan doen. Als iemand zijn
hart eet met de ogen en tong van een hond zal hij direct zijn stem verliezen.
Het warm gedronken bloed geneest de vallende
ziekte.
Als er van een de staart afgeknipt wordt zal
de rest het huis verlaten.

De wezel levert ons
een geval van een ziel op die in de gedaante van een dier het mensenlichaam
verlaat. Gunthram, koning van de Longobarden,
was eens in slaap gevallen in de schoot van een knecht. Die zag uit de mond van
de koning een diertje op de wijze van een slang komen. Het liep ijlings naar
een beek, maar kon er niet over. Toen hij van zijn zwaard een brug had gemaakt
liep het daarover en verdween in een berg. Na een tijdje kwam het diertje weer
terug en kroop door de mond weer het lichaam in. Ontwaakt vertelt de koning dat
hij gedroomd had dat hij over een ijzeren brug was gegaan naar een berg vol
goud. Een vrijwel hetzelfde verhaal vinden we bij Vincentius
Bellovacensis waar het diertje een wezel is
Toen Guido in slaap gevallen was zag Tyrins dat er een witte wezel uit zijn mond kwam en naar de
berg liep. Na een korte tijd kwam hij weer terug en liep weer in de mond van
Guido. Die werd gelijk wakker en zei: ‘Lieve vriend, ik heb een wonderlijke
droom gehad, een witte wezel kwam uit mijn mond, liep naar die berg en keerde
daarna weer in mijn mond terug’. Tyrins antwoordde
dat hij dat met zijn eigen ogen gezien had. Toen gingen ze naar de berg en
vonden daar een dode draak wiens buik gevuld was met goud en een fijn geslepen
zwaard.
A. Magnus: "Neem het zaad van een roos
en het zaad van mosterd, de voet van een wezel en hang dit aan een boom, nu zal
het geen vruchten meer dragen. Doe het voorgaande in een net, de vissen zullen
zich daar verzamelen. Doe hiervan stof in een lamp en dan verlicht zullen alle
mannen zo zwart als de duivel lijken. Als dit poeder gemengd wordt met
olijvenolie en snelle zwavel en een huis hiermee besmeerd wordt terwijl de zon
schijnt lijkt het alsof die in vuur staat".
Bij hoofdpijn zal het gedroogde hart van een
wezel dat in weke was is gedaan en in de oren gestoken evenzo helpen tegen
doofheid. De gedroogde romp van de wezel zal in twee delen gedeeld worden, elk
deel zal in een leren gordel genaaid en om de navel en zijde gedragen worden,
dan behoudt men kracht en is het een schutmiddel tegen de jicht’.
De muizen hadden ‘t
slecht, ze werden achtervolgd door de wezel. De waardigste muizen hadden echter
een kroontje op de kop. Zo konden ze laten zien wie de baas was. Dat is wel
aardig, maar als ze hun hol in wilden hield dit kroontje hen tegen. Toen nu de
wezel hen achtervolgden kwamen ze bij hun hol en hadden geen tijd dit af te
doen. De achterblijvers werden dan ook gemakkelijk gevangen. De moraal van dit
verhaal; ‘in de strijd behoudt de troep het leven terwijl de leider lijdt’.
Naar een sage had
een man een wezel gevangen. ‘Kijk uit’, zei de wezel, ‘je maakt mijn pels
kapot’. ‘Als je iemand wil pijnigen pak dan die domme ezel maar niet zo’n bange
wezel die zo nuttig voor je is’. De man zei: ‘bang ben je, dat zie ik, maar
nuttig? Je weet niet wat je zegt’. ‘Zonder mij krioelde het hier van de
muizen’, zei de wezel. ‘Daar heb je gelijk in’, zei de man, maar dat doe je
voor jezelf. De moraal van dit verhaal is; ‘wie met de mond alleen zijn
medemens dient, doet dit slechts voor zijn eigen welzijn’.
Een wezel ging een werkplaats binnen en begon aan een rasp te likken. Hij haalde daardoor zijn tong open die behoorlijk begon te bloeden. De wezel was blij met het bloed en dacht dat het van de vijl kwam maar verloor zo wel haar tong. De moraal is dat iedereen die wat op een ander aan te merken heeft op den duur zijn trekken wel thuis krijgt.
Zo bang als een
wezel, waarschijnlijk omdat ze zo schuw is.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/