Cygnus; Latijn voor zwaan, Grieks kyknos.

Vorm.
De zwaan, het sieraad der wateren. Een onschadelijke vogel, van een moedig aanzien en een grootse houding, van bijzondere zindelijkheid, grote dapperheid en een grote liefde voor de jongen.
Ze hebben een langwerpige romp met een zeer lange hals en middelmatig grote kop.
De snavel die de kop ongeveer in lengte evenaart is recht en overal even breed, van voren afgerond en aan de wortel naakt of bultig gezwollen. Ze hebben een opening in de bovenste blad van de bek zodat daardoor water ontsnappen kan zonder dat ze de prooi verliezen.
Het verenkleed is zeer rijk en aan de romp buitengewoon dicht, zacht en zonder glans, aan de kop en hals fluweelachtig, aan de onderzijde dik en vachtvormig en op de bovendelen uit grote veren samengesteld.
Overal is de huid tussen de omtrekveren met een overvloed van dons begroeid.
Shakespeare, ‘Antony and Cleopatra’, 3,2, 50:
‘Haar tong wil ’t hart niet volgen; evenmin’.
Kan ’t hart de tong doen spreken, is de vloed’.
Op ’t hoogst, dan staat een zwanendonspluimpje stil’.
Op ’t water, drijft noch op noch nederwaarts’.
Hij glijdt voort in kalme majesteit. De ronding en wendingen van de lange en slanke hals zijn vol gratie. Wat een vlucht, wat een kracht. Op het water is hij in zijn element, op land waggelt hij.
Ze leven van waterdieren en waterplanten, daarom zie je ze in ondiep water omdat ze niet kunnen duiken.
Shakespeare, ‘Titus Andronicus’, 4,2,90:
‘Want al het water der zee kan nimmer.
De zwarte voet des zwaans in wit verand’ren.
Al wast hij die uur op uur in de stroom’.

Vormen.
Er komen hier een paar soorten voor.
1, De gewone stomme zwaan, Cygnus olor, Gmelin. (zwaan) tamme zwaan, roodbekzwaan of knobbelzwaan, Duitse Hockerschwan, Engelse mute swan en Franse cygne tubercule of cygne muet.
Die is te herkennen aan de rode
snavel en het zwarte knobbeltje aan de wortel ervan en daardoor het beste
bekend is als knobbelzwaan.
Hij komt voor in Europa en Klein Azië en oostelijker.
Is anderhalve meter lang en weegt een ruime vijftien kg.
De lange dunne hals heeft 23-24 halswervels.
31-33 slagpennen. Met de vleugels
gaan de mannetjes ook elkaar te lijf of draaien de halzen om elkaar om de kop
van de rivaal onder water te krijgen totdat die verdronken is
Deze zwaan zingt niet, ze grommen tegen elkaar, sissen. Maar hij kan, als hij
vliegt, een trompetachtig geluid laten horen.
Ze eten groen en insecten en
kleine visjes.
De zogenaamde witgeboren zwaan is een vorm hiervan, Cygnus olor immutabilis. (onveranderlijk). Polish swan heeft roze en geen donker grijze poten.
2, En tweede soort is de
zangzwaan, hoelzwaan of deen, Duitse Singschwan,
Engelse trumpeter swan en
whooper swan en Franse cygne sauvage, Cygnus buccinator (trompetspelend (synoniem Cygnus musicus. (zingend)
Zijn snavel is half geel en half zwart, de punt is zwart. De hals is even
lang als het lichaam, alle veren zijn wit, poten zwart, zwemt meestal met een
stijve hals, de knobbelzwaan meestal met een s bocht, de vleugels liggen vlak
en de knobbelzwaan neemt vaak de pronkhouding aan.
Deze zwaan komt voor op IJsland en het noordelijke deel van Scandinavië. Het is
meer de Amerikaanse zwaan.
3, Een derde is de kleine zwaan die
duidelijk kleiner is, Cygnus
columbianus bewickii, Yarrell. (Bewick’s). De Duitse
Zwergschwan, Engelse Bewick’s swan, Tundra swan, en Franse cygne de Bewick.
Soms wordt dit geslacht in tweeën
gesplitst als Cygnus
columbianus (uit
Colombia) en Cygnus
bewickii (Bewicks swan, naar de tekenaar Thomas Bewick
die veel vogels en dieren tekende.)
De bek is hetzelfde als de vorige, maar is wel kleiner, zou hier vroeger in de
Zuiderzee zijn voorgekomen.
De kleine zwaan heeft een arsenaal aan geluiden en snatert.

Zwarte zwanen.
Bij vele zwanen wordt vermeld dat ze wit zijn. De eerste zwarte zwanen, Cygnus atratus, (zwartachtig) (of Plutonius) kwamen pas in 1726 uit Australië naar Batavia en verder in Europa. Tot de ontdekking van Australië werd de term zwarte zwaan gebruikt als een contradictie. Je ziet net zo zelden een zwarte zwaan als een witte kraai.
Juvenalis zegt dat een volmaakte vrouw even zeldzaam is als een zwarte zwaan ‘Rara avis in terris nigroque simillima cygno”. In een Iers verhaal komt voor dat dit ook zo is met een welgestelde boer.
Vliegen.
Ze hebben een felle kracht in de wieken wiens slag een mensenarm kan breken. Dat het vliegen en vooral het opvliegen uit het water een grote krachtsinspanning vereist, is duidelijk merkbaar. Hij is bijna niet in staat zich van de vaste grond in de lucht te verheffen en nauwelijks durft hij er op neer te strijken. Om van het water op te stijgen slaat hij met de vleugels en trapt tevens met de brede zolen op de waterspiegel, hij beweegt zich op deze wijze onder luidkeels geplas, half lopend en half vliegend een vijftien tot twintig meter en heeft dan pas de nodige vaart voor het vliegen verkregen. Nadat de zwaan een zekere hoogte heeft bereikt komt hij echter snel vooruit. Hij kan niet zwenken in de lucht en als er onverwachts een elektriciteitsdraad opdoemt zal hij er tegen aan vliegen. Als het vliegen zal ophouden laat hij zich zonder vleugelslag langzamerhand in schuine richting uit de lucht naar beneden glijden en schiet nadat hij op de waterspiegel is neergekomen hierover nog een eind voort en tracht met naar voren gestrekte voeten de schok tegen het water te verminderen.
Broeden.
Het mannetje en het vrouwtje zijn met trouwe liefde aan elkaar gehecht, hun verbintenis wordt voor het leven gesloten. Even teder tonen de ouders zich tegen over hun kroost, maar hoewel het mannetje meestal niet mee broedt waakt hij toch tegen ieder gevaar. De mannetjes bakenen een territorium af. Soms begeeft hij zich bij haar op het nest om haar de tijd te verdrijven door zijn tegenwoordigheid. In de paartijd vlechten zwanen gracieus hun halzen in elkaar. Na het paren reinigen ze zich grondig met water.
Het nest is zeer groot en zonder kunst gebouwd. Het broeden begint na het leggen van zes a acht eieren wiens dikke schalen een vuilwitte of bleekgroene kleur hebben. Na vijf tot zes weken komen de jongen. Ze worden nog een dag in het nest verwarmd en gedroogd en vervolgens naar het water gevoerd en tot het zoeken van voedsel aangespoord. De moeder neemt hen dikwijls op de rug en laat hen ‘s nachts onder haar vleugels slapen, verdedigt hen met moed tot hun veren zich ontwikkeld hebben. Shakespeare: ‘So doth the swan her downy cygnets save’.
Keeping them prisoners underneath her wings’’.
Ze hebben in ons land de leeftijd van honderd twee jaren gehaald.
Bestiarium.
Aan de edele
bevalligheid, lichtheid en ongedwongenheid waarmee zij zich op het water
bewegen moet men hen niet alleen als de eerste van de gevleugelde zwemmers
beschouwen, maar ook als het eerste model erkennen dat de natuur ons voor de
kunst van de scheepvaart heeft aangeboden. Hun hoge hals, de rechtopstaande en
afgeronde borst schijnen inderdaad het voorste gedeelte van een de golven
klievend schip voor te stellen. Hun brede maag stelt de kiel voor, het tot
zeilen voorover gebogen lichaam heft zich tot achterdek op. Hun staart is een
waar stuurroer en hun voeten zijn brede roeiriemen en hun grote en voor de wind
half geopende vleugels zijn zeilen die het levende vaartuig voorwaarts drijven
wat gelijk de stuurman is.
Gebruik.
De jongen zijn een lekkernij.
De slagpennen werden gebruikt om te schrijven, dons voor bedden, bont voor moffen en jongen die verkocht worden aan steden en huizen die van oudtijds het recht bezaten om ze te mogen houden.
De huid geeft een goede en welriekende pelswerk die naturel of geverfd werd. Ook de veren worden gebruikt.
Liefde.
Shakespeare, ‘Troilus and Cressida’ iii, II 178;
“True swains in love shall in the world to come”.
De zwaan is bij de meeste schrijvers, ook bij Vondel, het dier van de liefde die Venus en Amor vergezelt. Bij Poirters is het die een symbool van zuivere handel en wandel omdat hun veren de vochtigheid van het water, waarin ze rond zwemmen, niet opneemt.
Maerlant; ‘Cignus, dat is in Dietsche de zwaan. Geheel wit, want naar mijn waan was er nooit onder het dak iemand die zwarte zwanen zag. Zijn vlees is zwart, zijn pluimen wit. Natuurlijk pleegt hij dit, dat hij vlak voor zijn dood bemerkt met zoet gezang. Ze hebben lieflijke gebaren en als de tijd komt van de jaren dat ze genieten zullen naar de echt dat elk om de ander de hals vlecht en na het genieten, als men mag mikken, purgeren ze veel in het water. In zijn vleugels is zijn kracht en graag broedt het op de gracht’.
Vondel:
“Dat vroolijke
waterdier
Nooit zat van kussen
Geen wat’ren blussen
Haer minnevier”.
Vondel, De Leeuwendalers;
‘.. gij ziet vol hartewee de duiven trekkebekken
En elke wederga genegen tot heur ga
De beekzwaan bruist vol vuur het witte wijfke na
En strengelt hals om hals, zij weet van wederkussen
Daar ’t kille water zelfs haar gloed niet weet te blussen’.
Zingende zwaan.
De zwaan heet in Grieks cycnos en in Latijn cygnus. Cycnos wordt wel in verband gebracht met de stam waar de haan en hoen van afkomt, maar ook ciconia, de ooievaar. De stam die ook in care: (Canon) zingen voorkomt zou op de gave van de zang wijzen. Er is ook een sterrenbeeld naar genoemd, de zwaan.
Zwaan. In midden-Nederlands was het swane, in midden-Hoogduits swan (nu Schwan) in Angelsaksisch swon (nu swan) oud-Noors heeft svanr. Dit woord stamt van Germaans swana: de zingende vogel, Indogermaanse suen of suon betekent ruisen of klinken, vergelijk het Latijnse sonus: geluid en sonare: geluid maken, Franse sonnet en Engelse sound, oud-Indisch svanati: hij maakt geluid. Zwaan betekent dus de zingende vogel. Dit voor de wilde zwaan die in Groningen hoelzwaan heet naar zijn geluid, ‘hoele, hoele’ en in Fries kloekswan. Het is de zangzwaan of de zingzwaan, C. musicus, Rchw.
De Duitse Singschwane die hoog in de lucht aangename tonen horen laat of naar de sage die van het doodslied.
De wilde zwaan staat duidelijk achter bij de roodbekzwaan wat bevalligheid en sierlijkheid betreft. Gunstig onderscheidt hij zich echter van die door zijn schelle en betrekkelijk welluidende stem die men trouwens op een afstand moet horen om haar met bazuinen en viooltonen te vergelijken zoals de IJslanders doen.
Het gewone geschreeuw is ‘kielklii’, het zachtere ‘ang’ hoewel dit dichterbij hees en krijsend is. Schilling bericht: “De wilde zwaan bekoort de toeschouwer niet alleen door zijn mooie gestalte, maar steekt door waakzaamheid en schranderheid die uit iedere beweging van de kop en uit de hele houding blijken gunstig af bij de roodbekzwaan. Zijn luide, gevarieerde en zuivere stem die bij iedere aanleiding tot loktoon en waarschuwend sein weerklinkt maakt een aangename indruk. De tot troepen verzamelde wilde zwanen laten zich voortdurend horen, het is alsof zij een zangwedstrijd houden om zich de tijd te verdrijven. Als hun waterplaats tussen het ijs kleiner wordt en ze vast komen te zitten bejammeren ze als het ware met droefgeestig geschreeuw hun ongelukkig lot. Meermalen hoorde ik op een lange winteravond het veelstemmige klaaggezang dat op uren afstands voortgebracht werd door vogels die in zulke omstandigheden verkeren. Soms klinkt dit zangerige geschreeuw als klokgelui in de verte en soms als tonen van een blaasinstrument, het komt niet geheel overeen met de tonen van dit dode metaal, maar overtreft deze in vele opzichten. Omdat het van levende wezens afkomstig is maakt het meer een sympathieke indruk en harmonieert beter met ons zintuig. Het maakt de als een verdichtsel uitgekreten overlevering van een zwanezang tot een werkelijkheid’.
In de nabijheid klinkt het geschreeuw ruw en gillend en op grotere afstand zou het met bazuingeschal, klokgelui en vioolklanken vergeleken kunnen worden. Komen ze hier in de winter door de ijslaag, door vermoeidheid en honger in nood dan hoor je tot op het eind hun melodieuze klanken. Het is de hoelzwaan wiens letzes “Aufrocheln klankvoll ist wie jeder Ton, welchen er von sich giebt’. Om haar zwanezang is ze ook het symbool van de goede dood.
Shakespeare, ‘The phoenix and the turtle’ 15;
‘be the
death-divining swan’.
‘King John’:, 5,7,
20’.
‘Vreemd is het, dat
de dood nog zingt’.
Ik ben het
zwanenjong van deez bleke zwaan’.
Die bij zijn eigen
dood een klaaglied aanheft’.
En zo, uit zijn
zwakker orgelpijp’.
Zijn lijf en ziel
ter eeuwige ruste zingt.’
In ‘Merchant of Venic’e III, ii, 44 wordt Portia’s geestesgesteldheid getoond als Bassanio zijn keus gaat maken:
“Let music sound
while he doth make his choice’.
‘Maar dat muziek bij ‘t doen der keuze klink’.
Then, if he lose,
he makes a swan-like end’. Want
mist hij doel, dan groette, als bij een zwaan’.
Fading in music’. Muziek in zijn stervensstonde”.
Nederrijns moraalboek, Bestiaria
d’Amour, rond 1250;
‘‘k Wens zwanen, tot zang geboren
Aan ’t water daar met lust te horen’.
Vondel, Dedicatie aende Jonck-vrouwen vant Nederlandt;
‘Het treft ons met zijn scherpe stralen
Dat wij als Zwanen droef’ voor ons belang
Met een treurig geluid, u bieden ons gezang’.
Vondel, Vermaeckelijcke Inleydinghe CXXII’.
De Zwaen en den Oyevaer;
‘De Zomers Voorbode die eens de blanke Zwaan ontmoette
En vraagt waarom zij haar leven met zo zoeten
En aangenaam lied hier eindigen op ’t lest?
O, zegt zei, ’t is van vreugde, dat ik dit aardse nest
Vol kommer en verdriet ten leste wordt ontslagen
En in de zachte schoot van ruste wordt gedragen
Valt ’t leven wonderlijk zuur, en ‘t sterven honing zoet
De dood wil hij vreugderijk in de armen lopen
Als die hem sluit de poort van ’s levens kerker open
Van ’t leven, dat veel eer een gedurig sterven is
Een gasthuis vol verdriet en vol bekommernis
Een zee, die altijd woelt, waar droefheids baren bruizen
Gelukkig is de Ziel, die vrolijk mag verhuizen’.
Vondel in ‘Noe”:
‘Stervende zingt ze
een vroolijk liedt’.
Velen zeggen echter dat hij stom is en anderen dat de tongriem die hem tot zwijgen dient eerst in zijn stervensuur loslaat en dat dan de tederste afscheidszangen uit zijn keel vloeien.
Historie.
(187) De zwaan is de blanke vogel, in alles het tegendeel van de raaf.
Een oude Griekse mythe verhaalt dat Orpheus, de zanger en dichter die mens en dier, ja, zelfs de onbezielde natuur in beweging bracht door de klanken die hij aan zijn lier ontlokt na zijn dood in een zwaan veranderd zou zijn.
In de mythische Hesperiden zouden de zwanen hun dood door mooi klagend gezang aangekondigd hebben, vandaar de uitdrukking van zwanenzang voor het laatste lied der dichters. Het is de Engelse swansong en Duitse Schwanegesang. Al Aeschylus vergelijkt in zijn Agammemon de laatste woorden van Kassandra met een zwanenzang. Homerus bespreekt de zang van de zwaan, hoewel die meestal in het noorden voorkomt. Cicero spreekt van Crassus die kort nadat hij een rede gehouden had stierf: “illa tamquam cycnea fuit divini hominis vox”.
Toch waren er ook die dit ontkenden of twijfelden als Plinius.
Plato in zijn Phaedo maakt dat Socrates in zijn laatste redevoering met een zwanenzang vergeleken wordt: ‘En, zoals het lijkt, ben ik voor jou minderwaardig dan zwanen met respect voor de voorzegging, die, toen ze bemerkten dat ze dood moesten, ofschoon ze daarvoor al geoefend hadden in het zingen, zingen ze nu meer dan ooit, verheugd dat ze nu vertrekken naar die godheid wiens knechten ze zijn”.
Toen Leto haar kind Apollo gebaard had op een klein rotseiland Delos zwommen heilige zwanen rondom de plek waar de jonggeborene vertoefde die aanstond tot een schone en krachtige jongeling opgroeide en uitriep: ‘de citer zal mij dierbaar zijn’. Dat de zwaan gewijd werd aan de god der muziek en dichtkunst vindt zijn verklaring in het oude volksgeloof dat ze zingt. Dit brengt de Brusselaar J. de Grieck aldus onder woorden:
‘Men seyt als dat de
swaene singht
Wanneer dat haer de doodt bespringht”.
Vondel, Den Gulden Winckel der konstlievende Nederlanders LXIV;
Het verhaal van Orion;
‘Dat hij van angst en vrees schier kroop in zijn schulp
Als hij zich verlaten voelde van alle menselijke hulp
Vond in zijn lijf gevaar, wat raad in deze verbazing
Hij gaat terstond (als door Goddelijke inblazing)
Zijn lichaam sieren, en toemaken hups en schoon
Gelijk hij was gewoon, als hij de zoete toon
Zijn gouden citer in een schouwplaats was te wekken
Op dat zijn siersel toch zijn lijk tot eer mocht strekken
En dat hij als de Zwanen in zijn laatste dood
Met enig droevig lied beklagen mocht zijn dood.
Dus zijnde toebereid, dus zijnde toegerust..etc.’
Volgens het Griekse geloof kondigde de aan Apollo gewijde zwaan zingend zijn naderende dood aan. Vandaar dat ze alleen bij het naderend einde de gave kregen, hun avondzang van het leven te zingen die bijzonder schoon en indrukwekkend was. De zwaan was aan Apollo gewijd waarvan hij zelf de gave van voorspellen zou hebben ontvangen. Nog bestaat in Duitsland de uitdrukking : ‘Es schwant mir’. Dit naar de geheimzinnige kennis van Apollo.
Aan de oevers van de Eridanus, (de huidige Po) een rivier die tussen laurieren doorstroomt zouden zwanen hun naderende dood aangekondigd hebben met een welluidende klaagzang. Daaruit verklaren zich uitdrukkingen als zwanen van Mantua voor Virgilius, de Maseoonse (Meander) zwaan voor Homerus, Thebaanse zwaan voor Pindarus, de zwanen van Avon voor Shakespeare, de Agrippijnse zwaan voor Vondel. (Vondels bijnaam komt van zijn geboorteplaats Colonia Agrippina, wat nu Keulen is).
Bredero: ‘Ghelijck de
wilde witte Zwaan
Doet verstaan
Hare doot met droevigh
zinghen
Zoo queel ick nu oock
uyt noot
Van mijn doot
Door zijn dreutsche
(narrig) weygheringhen’.
Dichters.
De zwaan is als de gans, eend en ijsvogel, een augurium van het einde van de regerende winterse jaartijd. Sterft de zwaan dan keert de zon, het voorjaar, de jonge held, terug. Komt de held in de vorm van een zwaan tot het mooie meisje dan mag niemand hem vragen waar hij vandaan komt, de zwaan zal hem direct in het dodenrijk terug voeren.
Die sage is al zeer oud, er is bijvoorbeeld een Angelsaksische vertelling van Scyld en die heeft een mythische oorsprong en werd in de middeleeuwen vaak poëtisch verhandeld. Zo bijvoorbeeld in het Frans van de 12de eeuw in de “Roman du chevalier au cygne” waarin de sage verband legt met Godfried van Bouillon, terwijl Wolfram von Eschenbach op het slot van zijn “Parsifal” die op Lohengrin, de zoon van de graalkoning Parsifal, over droeg. Die werd gevolgd, nog voor 1290, door de onbekende maker van een breed uitgesponnen gedicht, “Lohengrin” waar Konrad von Würzburg in zijn dichting “Der Schwanenritter” de sage naar Nijmegen en in die tijd naar Karel de Grote verplaatste. Richard Wagner heeft het motief op zijn wijze uitgewerkt in zijn Lohengrin en heeft er de graal mee verbonden.
Zoals de Engelse poëten de wangen van een meisje met rozen vergelijken, zo vergelijkt de Wells bij middeleeuwse poëten en prozaschrijvers hen met die van het vingerhoedskruid en de zwaan. Olmen in Mabinogion: "Her twe breasts were more white than the breast of a white swan, het cheeks more red than the foxglove".
Christelijke sage.
De zwaan is het symbool van de in doodsnood roepende Christus aan het kruis. De zwaan met zijn sierlijke vorm, zijn blankheid, zijn sieraad en roem aan elk ‘livrei der onschuld’. Daarom zijn zwanen soms het symbool van Maria.
Een van de mooiste boerenplaatsen in Oskers, Groningen, heet Kruusstee. Jaren geleden, toen er nog helemaal geen dijken waren, was er een arbeider met zomerdag op het land aan het werk. De zon scheen in de blauwe lucht en het water van de zee was net zo helder als de lucht. ‘Wat is daarginder op ‘t wad?’ dacht de arbeider. Hij zag heel in de verte een ding dat helder wit was dat op de zee dreef. Toen het dichter bij kwam zag hij dat het twee grote zwanen waren die samen op het land kwamen aanzwemmen met wat tussen hen in dat donker was. Dat was een zwart houten kruis. Een tijdje later waren ze aan wal en verdwenen ze. Het kruis lag aan de kant van de zee. Dat kon er onmogelijk blijven, als de vloed op kwam zou het weer weg spoelen. Ze wilden het te graag houden. Er moest een kerk voor gebouwd worden op die plaats. Maar dat kon niet, het was er veel te laag en te nat. Toen hebben ze twee witte ossen voor een boerenwagen gespannen, die moesten ‘t ‘kruus brengen op ‘t stee, doar ‘t heurde”. De mensen wisten het niet, dan moesten die stomme dieren maar uitkomst brengen. Heel rustig aan trokken de ossen de wagen, net zo voorzichtig als de zwanen die het kruis over zee gebracht hadden. Alle volk er achter aan, nieuwsgierig waar het wezen moest. De ossen wisten het pad, ze hielden stil voor het oude klooster van Wietwerd en deden geen stap meer. Zo is het kruis in het klooster gekomen en is daar altijd gebleven zo lang als het klooster daar gestaan heeft. De plek waar het kruis aan land kwam, dat werd de kruisstee. Later is er een plaats gezet en die kon daar veilig staan achter de dijk.
Een arme Waal was te Brussel in hoogste nood. In zijn armoe slenterde hij midden in de nacht langs de vijvers van Etterbeek. Daar zag hij een prachtig witte zwaan drijven vergezeld van een talrijk gevolg van al maar kleinere zwaantjes. De grote zwaan droeg een groot gouden kruis op de rug die bezet was met kostbare gesteente. Dit kruis werd neergelegd aan de voeten van de Waal. Die was nu rijk en hij liet op de Grote Zavel een prachtig huis bouwen dat de Kruiszwaan heet.
In de sage treedt de zwaan op als geluksvogel.
Graaf Huno regeerde in de elfde eeuw in Oldenburg. Hij wilde een klooster stichten, maar wist niet waar. Daarom liet hij een zwaan vliegen. Die vloog naar het Ammerland en zweefde een tijdje boven Wiefelstede, dat daarom ook wel Twiefelstede genoemd werd. De zwaan vloog verder en ging pas zitten waas nu het slot Rastede staat. Dit woord zou daarom rustende betekenen.
Toen Germana met Karel Ynach door Gallië vluchtte kwam ze bij Kamerrijk (Cambrai) in een mooi dal waar een lieflijk beekje door stroomde waarop een menigte zwanen waren. Toen de knechten dit zagen, nam een van hen zijn boog en schoot een pijl op een zwaan af. De vogel ontweek het schot en schoot verschrikt op en vluchtte toen in de schoot van de schone Germana die dit als een gelukkig voorteken zag en zich zeer verblijdde want de zwaan was aan de godin Venus gewijd. Ze vroeg aan Karel Ynach hoe de vogel in de landstaal van Tongeren heette. Hij antwoordde dat die zwaan genoemd werd. Toen sprak Germana; ‘dan wil ik voortaan niet meer Germana maar Zwana genoemd worden’. Van de menigte zwanen werd de plaats zwanendal genoemd (val des cygnes) en de stad, die daar nu nog staat, Valenciennes genoemd.
Volgens anderen kreeg ze haar naam van Julius Caesar toen die op zijn tochten door een lieflijk dal kwam met een beekje waarin een aantal zwanen zwommen.
Salvius Brabo, koning van Tongeren, stamde af van de gelijknamige vaandeldrager van Julius Caesar. Hij ging, door een zwaan voorafgegaan, de Rijn af tot hij aan het slot Megen kwam waar hij vrouwe Zwana, Caesar’s zuster, ontmoette wiens dochter zijn vrouw werd. Deze Brabo, waar Brabant zou naam van zou hebben, speelt de hoofdrol in een oude Antwerpense sage die de naam van de stad verklaren moet. Hij streed tegen de reus Druon Antigoon die daar woonde en sloeg hem de rechterhand af die hij in de Schelde wierp waarvandaan de naam Hantwerpen stamt.
Verder prijkt de zwaan in menig ander wapen. Zo bij Zwammerdam, dat een samentrekking is van Zwaneburgerdam en een zwaan in zijn schild voert.
Luther.
(201A) De zwaan is een christelijk symbool voor reinheid. Op de Lutherse kerken prijkt een zwaan, geen haan. Toen in 1415 Huss, wiens Tsjechische naam husa: gans betekent, verbrand werd als ketter moet hij uitgeroepen hebben dat men hem de gans braadde, maar dat later een sneeuwwitte zwaan in zijn plaats zou komen, een die machtiger was dan hij. Geen wonder dat men dit op Luther toepaste. Ook bestaan er penningen die Luther’s beeld vertonen, omgeven van het randschrift:
‘Was eine Gans gedacht
Had dieser Schwan volbracht’.
Na Luther’s door moet er een blaadje zijn uitgekomen met een afbeelding van zijn sterfbed en daarbij dit gedicht;
‘Er ist der rechte David zwar
hat uns gesungen, lieblich klar
gotters Wordt an allen Endt
im Geist von Johann Huss erkent
dass r soll sein der weisze Schwan
der lieblich soll dingen fortan
welchen der Pabst und sein Rott
nicht brengen sollen in den Todt’.
Zo zie je de zwaan op de hervormde kerken en schilderijen en altaarstukken. Ook als windwijzer, vergelijk het versje:
‘De gereformeerden
hebben een haantje, de Luthersen hebben een zwaantje, de Roomsen een kruisje en
de Mennisten een houten huisje.’Het
is het wapen van de stad Goes waardoor de inwoners dan ook de spotnaam
ganzebekken kregen.
Het is een Fries stamdier. Men gaat daar naar oud gebruik in de winter buitendijks ter zwanenjacht. Zo is bijvoorbeeld de Friese naam voor de waterlelie swanneblom en zijn bladeren komen in het oude Friese wapen voor. Verder droeg de oude vlag van de zeevaarders en vissers van Molkwerum (ten zuiden van Hindelopen) een zwaan. De Hervormde kerk van Molkwereum in Friesland heeft een zwaan boven op het koor. Dit wordt in verband gebracht met het wapen van Molkwerum, waarin de zwaan prijkt.
Op de vroeger Friese palmpaasjes kwam, in plaats van een haan, een zwaantje voor en werd in zijn geheel zwaantje genoemd. Het gebruik als vrouwennaam duidt wel op een vaker voorkomen van de vogel vroeger en de aandacht die er op viel. In Friesland werd een geboortelepel gegeven door de peter en meter aan de jong geborene. De steel vertoont meestal de stam van een gestileerde levensboom en is van boven geflankeerd door twee S vormig gebogen zwanenhalzen en van onder vergezeld van een onheil afwerend (engelen) kopje.
Het oelebord in Friesland, het geveltopteken met vlieggat voor de uilen: oelen, is bedoeld voor de duiven. Het komt veelvuldig voor met het zwaanmotief aan elke kant met gebogen hals.
De Zwaan staat voor Zielenvogel en Eeuwigheid.
Ring.
Trouw tot in de eeuwigheid als een cirkel een lijn is die in
zichzelf weerkeert en doorgaat tot in eeuwigheid. De pharao van Egypte trekt
hem al van zijn hand en stak hem ten teken van de verdeling van de macht aan
Jozef’s hand. Aangezien oudtijds door het verlenen van een ring de gave van de
kracht toegedeeld werd werd de ring het teken van trouw, bestendigheid,
huldiging en aanzien. De gevleugelde ring is het teken van de zwanenjonkvrouwen
en verzinnebeeldt de gave van het voorzeggen.
De zwaan komt in de heraldiek voor met een ring of kroon om de hals. Hij vertolkt waardigheid en deftigheid evenals vrede en een ruime blik. In Zeeland geldt hij als een goed voorteken bij de schippers en als hij statig drijft op het water, vrede en goed weer en geen storm. Het is het wapen van Boulogne-sur-mer. In 1440 werd er een orde van de zwanen gesticht die in 1843 door Friedrich Wilhelm II tot een charitatieve wereldorde werd veranderd.
Zwanenrechten.
Het bezit van zwanen behoorde van ouds tot de ‘heerlijke rechten’ dat wil zeggen het was alleen toegestaan aan edellieden die ieder voor zich een ‘zwanemerk’ hadden waarvan door ‘den Hoven’ in het ‘Zwanenboek’ aantekening werd gehouden. Pas in later tijden verkregen ook de steden het recht om zwanen te houden. Het toezicht daarop had een van de burgemeesters die de titel ‘pluimgraaf’ voerde. De Amsterdamse Zwaneburgwal ontleent zijn naam aan een voormalig stedelijk zwanenhok daar ter plaatse. Zo ook het Zwanewater waar veel van die vogels voorkwamen. Een zware straf stond volgens de oude keuren op het stelen en het doden van zwanen omdat in het laatste geval de mogelijkheid aanwezig was om een Valkyre te treffen. Immers, deze schone maagden van het Walhalla, de dienaressen van Odin, vertoonden zich soms op aarde in zwanenvorm.
In ‘The Squire’s Tale’ meldt Chaucer dat ze gegeten werden:
‘Ne of her swannes, ne of her heronsewes’.
Waar hij hun wonderlijke spijzen prees,
van jonge reigerbouten en zwanenvlees’.
Hotels.
Deze nathals verdiept zich graag met kop en vleugels in het nat, vandaar zijn voorkomen als uithangteken aan herbergen. Het is een trekvogel en is die kwaliteit de patroon van de reizigers. Aan een herberg waar de reizende man vertoefde, paste inderdaad als uithangteken een zwaan.
‘De swaen voert ieder
kroeg
So wel in dorp als
stad,
Omdat hij altijd graag
Is met den bek in ‘t nat’.
Baby’s.
Kinderen werden vroeger door vogels gebracht, uit de kool geboren en dergelijke. Bij de bewoners van de Oostzee bevinden kinderen zich langs de kust in de granietblokken die zwanenstenen genoemd worden. Hier werden ze geplukt net als bij de Amsterdammers ze uit de Volewijk haalden. Op het eiland Rugen spreekt men dan ook van ‘zwanenkinderen’.
Offers.
Bij offermaaltijden werden plechtige geloftes afgelegd bij het aanraken van het gewijde dier. Matthaeus Westmonasteriensis verhaalt dat bij de luisterrijke optocht ‘pompatica gloria’ voor koning Eduard I van Engeland, 1306, twee zwanen gebracht werden, opgetuigd met gouden netten ‘phalerati retibus aureis vel fistulis’ waarna hij aan God in de hemel en aan de zwanen beloofde ‘vovit deo coeli et cygnis’ dat hij naar Schotland zou trekken en de dood van Johan Comijn zou wreken.
De eed op de zwaan is zonder twijfel een overblijfsel van zwaanverering. Toen in 1304 Edward I tot ridderd werd geslagen zwoor hij een eend bij twee zwanen die gedecoreerd waren met gouden netten. Vandaar waarschijnlijk de uitdrukking ‘I swan” die nog overgebleven is en ‘ik verwacht’’ betekent. In Duits ‘Es schwant mir’.
Maar dat men in Engeland wel eens een eed heeft gedaan op een zwaan komt voort uit volksetymologie waar sworn bijna net zo klinkt als swan. Bij ons zie je dit in de verzworen Maandag of Koppermaandag wat tot verminking geworden is tot verloren maandag, de dag waarop staatsbeambten beëdigd werden.
China.
Een mooi gebruik die bij de Chinezen in zwang is, is om de zwaan op hun nieuwjaarskaarten af te beelden. Daarop zie je een kind, een mandarijn en een grijsaard met een zwaan, als symbolen van het bezit van het nageslacht, het bekleden van een staatsambt en het bereiken van een hoge en blijde ouderdom.
Apollo was de zoon van Zeus en die wilde dat hij naar Delphi zou gaan om door het orakel dat daar was, de mensen de wil van de goden kenbaar te maken. Hij stuurde hem daartoe op een wagen die door zwanen getrokken werd naar een stad, maar de zwanen kregen heimwee naar hun vaderland in het hoge noorden. Ze brachten de god daarom naar het land van de Hyperboraeers waar hij voortaan zou wonen en vereerd werd. Dit was geen gewoon land, maar een land waar eeuwige vrede en schoonheid heerste en wiens bewoners ter ere van Apollo, die ook een grote zanger en bespeler van de lyra was, altijd zongen en de lyra bespeelden. Zijn tempel werd door zingende zwanen schoon gehouden. Delphi werd ondertussen belegerd door een ‘bontgerugde, wijnogige draak’ die de bewoners veel narigheid en angst bracht. Zij smeekten Apollo om bij hen te komen en de god gaf hieraan gehoor. Hij begaf zich naar Delphi en doodde de draak ‘Python’. Om zich te reinigen van de schuld die hij op zich had geladen door de draak het leven te ontnemen baadde hij zich op bevel van Zeus en legde zich een krans van laurierbladen om de slapen en een tak in zijn hand en begaf zich naar het orakel. De lauriertak bracht, evenals de god, genezing van vele kwalen maar vooral reinigde hij van zonden.
Mythologie.
Cycnus, de zoon van Poseidin en Calyce, was door zijn moeder te vondeling gelegd en door vissers gevonden en opgevoed. Toen hij volwassen was maakte Poseidon hem koning van Colonae. Zijn beide kinderen, Tenes en Hemithae liet hij op valse aanklachten van hun stiefmoeder in een kist in zee werpen en zij landden op Tenedus waar Tenes koning werd. Later zag hij in dat hij fout geweest was en kwam zijn zoons terughalen. Beiden kwamen de Trojanen te hulp en dadelijk raakten ze in strijd met Achilles die Cycnus, omdat die onkwetsbaar was, een hevige slag op het hoofd gaf waardoor die in onmacht viel waarop hij hem met de riem van zijn eigen helm wurgde. Poseidon veranderde hem in een zwaan.
Zeus beminde Leda vanwege haar buitengewone schoonheid. In de gedaante van een zwaan, het symbool van nobele zuiverheid, wist hij toegang tot haar te verschaffen en ze bracht twee eieren ter wereld, uit de ene kwam Helena van Troje en uit de andere de Dioscuren.
Bij schepen golden zwanen als een goed voorteken, Cycnus, de zwaan die aan Aphrodite/Venus gewijd is, wordt door scheepslui als een gelukkig voorteken gezien. Hij wordt vaak door de adelaar vervolgd en leeft daardoor in natuurlijke vijandschap met de adelaar, vergelijk Homerus Ilias waar twaalf zwanen veranderd werden terwijl Aeneas twaalf schepen miste.

Faëton was de zoon van de zon en Clymene. Hij wist van zijn vader gedaan te krijgen dat hij eens in de zonnewagen mocht rijden. Hij verloor de macht over de paarden die het hemelse vuur trokken zodat de aarde verschroeid werd. Zeus maakte er een einde aan door een bliksemstraal te zenden die Faëton op aarde deed tuimelen. Zijn zusters bleven onophoudelijk schreien. Ze trokken zich de haren uit het hoofd en krabden de borsten open en riepen zijn naam tevergeefs. Vier maanden waren zo verlopen zonder dat hun droefheid verminderde. Toen Faethusa, de oudste, op zekere tijd wilde gaan zitten voelde ze haar knieën verstijven. Ze begon om hulp te roepen. Hierop wilde Lampetia toeschieten, maar haar voeten hadden reeds wortel geschoten. Febe die door dit rampzalig voorval tot wanhoop werd gevoerd wilde heur haar uit trekken maar ze trok niets dan bladeren, haar beenderen werden boomstammen en haar armen takken. De bast had al haar ganse lichaam bedekt en liet niets vrij dan de mond. Ze riepen hun moeder Clymene te hulp die ze een voor een omhelst en uit de aarde tracht los te rukken. Ze rukt er enige tedere takken af en ziet er bloeddruppels uit komen. ‘Ach lieve moeder’, riepen ze, ‘laat maar, vaarwel, vaarwel’, de bast die hun lichamen nu geheel overgroeid was verhinderde hen om meer te spreken. Maar hun tranen bleven vloeien. Men zag ze uit deze nieuwe bomen druipen die door de zon hard gemaakt werden en noemde ze amber (barnsteen). Deze kostelijke druppels vallen in de Eridaen waar ze opgevist en tot sier van de vrouwen gemaakt worden. Cycnus, door bloedverwantschap en vriendschap aan Faëton verbonden, verliet zijn rijk om hem op zijn graf te gaan beschreien. Hij liet de oever van de rivier en de naast bij gelegen bossen van zijn bedroefde klachten galmen. Tot zijn stem verzwakte en zijn witte haren in blanke veren veranderde, zijn hals langer wordt en roodachtig vel zijn vingers aan elkaar voegt, uit zijn schouders vleugels te voorschijn komen en zijn mond in een ronde snavel verandert. In het kort, hij werd een zwaan. In deze staat en nog denkende aan Zeus bliksem die zijn vriend gedood had, durfde hij het niet wagen om naar de hemel te vliegen en om zijn haat tegen het vuur te tonen zocht hij een element die er het tegendeel van is, en zo woont hij in moerassen en ruime meren.
Sage.
Volgens een IJslandse sage kunnen zwanen in de zangkunst geoefend worden. Er was eens een koning en koningin wiens zoon Linus een mooie en knappe jongeman was. Hij verdween toen hij twintig jaar oud was. Alle pogingen om hem terug te vinden liepen op niets uit. Zijn zoogzuster ging op pad. Ze was de dochter van een paar arme mensen. Haar moeder geeft haar een kluwen garen mee, ze moet die volgen waarheen het rolt. Na een lange weg afgerold te hebben houdt het stil voor een rotswand. Het meisje besluit dat zich hierachter de verloren geganen koningszoon moet bevinden. Door een spleet komt ze in een rots en vindt daar een prachtig gemeubileerde kamer en in een ander een ledikant waarin Linus slaapt. Alle pogingen om hem wakker te maken mislukken. Toen ze het zonderlinge geluid van een rijdende wagen hoort verschuilt ze zich achter wat oude meubels. De wand van de grot gaat open en in een ivoren, met goud ingelegd bedje, verschijnt een toverkol. Ze stapt uit en gaat naar de slapende en roept twee zwanen die het meisje niet gezien had en zegt tot hen: ‘zing mijn zwanen, zing, opdat Linus de koningszoon wakker wordt’. De vogels zingen onmiddellijk en zeer liefelijk en de slapende wordt wakker. De toverkol vraagt hem of hij zich nu eindelijk eens bedacht heeft en met hem wil trouwen? Hij wijst het voorstel met afschuw van de hand en wordt na wat mager eten gehad te hebben weer door de zwanen in slaap gezongen op bevel van hun meesteres die weer vertrekt zo gauw hij slaapt. Het meisje beveelt nu de zwanen om Linus wakker te zingen. Dit gebeurt en ze weten te ontsnappen. Bij zijn terugkeer huwt hij met haar.
Sluiers.
Reeds bij Musaeus wordt het sprookje gezien van de geroofde sluier. Daar is de zwaan een bode uit de hogere wereld die daarheen terug moet keren. Hij brengt het licht van het oosten naar het westen.
Er wordt verhaald van zwanenjuffers die zich badend het zwanenkleed afleggen en als beeldschone wezens een jongeling bekoren die haar zwanensluier dan weg rooft. Daaraan is een kroon verbonden die nodig is om haar weer de zwanengedaante terug te geven. Ze moeten lijden onder aardse liefde totdat haar beminde in een onbewaakt ogenblik haar de kroon laat zien die haar weer zwaan laat zijn en zij terugkeren naar hun verblijf en hem te prooi latend aan folterende smart.
Bij de zwanenridder van Kleef is de verborgen sluier vervangen door een verborgen naam.
In de Germaanse mythologie stond de zwaan in een nauwe betrekking tot de lucht en water gaande lichtgodheden die ook wijszeggend waren. Bij de Yggdrasil zien we twee prachtige zwanen die wit zijn als pasgevallen sneeuw en de mensen vermanen om stil en ernstig hun levenstaak te vervullen.
Dat de vliegende meisjes zwanenmeisjes waren kan aangenomen worden omdat ze uit hogere sferen stammen. Het is een herinnering aan de Walkyren. De Walku(y)ren waren de bos- en watervrouwen en die hielden ervan een zwanenvorm aan te nemen, het zijn de zwanenmaagden. Ze legden hun zwanenkleed af en baden in de koele stroom. Wie hun kleed weg neemt heeft hen in zijn macht. Zie Hagen in de Nibelungensage die de riviervrouw uitnodigt om te voorspellen.
.
Witte vogel.
Zwaan die in Duits ook Elbs heeft dat van een Germaans albiti stamt, vergelijk het Latijne albus: wit, de oud-Hoogduitse mannennaam Albizo en Elbe en Franse Aube, onze alft of elft: witte vis. Alphos is de oude Germaanse naam voor de zwaan, in oud-Hoogduits is het Albiz of Elbiz en in oud-Engels is elfet de witte vogel.
De elven of alven maken een gewichtig bestanddeel van de geestenleer van onze voorvaderen uit. Men onderscheidde twee soorten. De eerste zijn de licht-alven die blanker dan de zon zijn en bijna doorschijnend met witte, van zilver schitterende kleren. De zwarte alven van de duisternis zijn wezens van een donkere kleur en dikwijls misvormd, ze drijven hun spel in de nacht en schuwen de zon.
De Lios-alfan van de Edda zijn de licht- of witte elven, dit zijn lieflijke weldoende schepsels die zo zuiver en onschuldig zijn dat hun naam afgeleid is volgens sommigen uit een Latijnse woord voor wit, albus, en zo ook de Alpen, Albion en Elbe.
In het oud-Noors heten de elfen alfar, in Angelsaksisch aelf of ylfe, het zijn de Engels elves, (elf), de Zweedse alfer of afer en de Deense elver, in het oud- en midden-Hoogduits Elbi of Elbe. Het woord elf was in midden-Nederlands elf of alf en is verwant met oud-Indisch rbhu: geest of ziel van een afgestorvene.
De Noorse god Niord wordt voorgesteld als een lieflijke god die gehuld is in een soort groene tunica met een kroon van schelpen en zeegras op zijn hoofd. Als verpersoonlijking van de zomer wordt hij aangeroepen om de woedende stormen te stillen die de kusten gedurende de wintermaanden woest maken. Ook roept men hem aan om de warmte van de lente te bespoedigen en zo de wintervuren uit te doven. Toen Njord, die in Noatun aan de zee zijn zalen had, zou trouwen met Skadi, de dochter van de reus Thiassi, die te Thrymheim in de bergen woonde, werd bepaald dat ze beurtelings negen nachten in die twee plaatsen verblijf zouden houden.
Toen Njord van de bergen kwam zong hij:
“Leid sind mir die Berge; nicht langer war
ich dort
Nur neun Nachte
Der Wolfe Heulen deuchte mich widrig
Gegen der Schwane singen’.
En Skadi toen ze in de bergen terug kwam:
“Nicht schlafen konnt ich am Ufer der See
Vor der Vogel Larm
Da weckte mich vom Waszer kommend
Jeden Morgen die Mowe’.
In een Angelsaksisch gedicht verneemt de schipper boven het bruisen der golven de ‘ylfete song’, het zwanengezang.
Sage van Kleef.
Njerd of Njord die de handel en zeevaart van de volkeren regelt, de zee en de wind naar welbehagen beheerst en de macht heeft over het vuur die hij bezweren kan. Omdat hij bovendien rijk en machtig is en zeer mild in het geven van goud en goederen aan zijn aanhangers, wordt hij door schippers en vissers ijverig en dringend aanbeden om gunst en zegen over hun bezigheden te verkrijgen. De Edda schenkt hem de titel van "rechtschapen koning der mensen". Ook noemt men hem de "geest, die op de wateren zweeft". De blanke zwaan heeft de eer de vogel van deze godheid te zijn. Ook in de verhalen van de gebeurtenissen die bij Cleef en Nijmegen voorvielen, komt deze vogel meermalen voor.
(209) De burcht van Kleef heet Zwanenburg, de naam en de wapenvogel zijn heel oud. Ze herinneren aan de nood en aan het geluk van een Brabantse hertog. Elsa groeide hier op en verloor toen ze nauwelijks volwassen was kort na elkaar haar ouders. Enige tijd later stierf ook haar enigste broer aan een ernstige ziekte. Haar hebgierige en sterke buurman Telramund gunde haar die rijkdom niet en wilde dit voor zichzelf. Hij kon haar niet trouwen want hij was al gehuwd met Ortud, een oosterse schone. Met valse beschuldigingen klaagde hij Elsa aan voor de troon van de Duitse koning wegens broedermoord. Smekend vroeg ze andere ridders om hulp. Dat was tevergeefs, niemand durfde een duel met Telramund aan. Daarom moest de koning een beslissing nemen. Hij eiste van Elsa dat ze binnen drie dagen haar onschuld bewees of dat ze een ridder noemde die bereid zou zijn haar eer tegenover Telramund te verdedigen. Lukte haar dat niet zou dat een bewijs van haar schuld zijn.
De heraut had reeds driemaal omgeroepen en de zon zou weldra ondergaan, vol vertwijfeling stond ze aan de oevers van de Rein. De gestelde tijd was bijna voorbij en de held waarvan ze gedroomd had was nog steeds niet verschenen. Graaf Teramund triomfeerde al, de hertogsmantel was al zo goed als in zijn bezit. Elsa huilde en bad.
De wind heeft een van haar tranen naar een plaats gebracht van waaruit redding kon komen. Dit is een heilige plaats waar twaalf helden om de graal staan om die te beschermen. Ze komen ook onschuldige te hulp als die erom vragen. Hun meester is koning Parsifal. Allen die hem dienen krijgen door de graal een wonderbare kracht. Alleen mag niemand weten en vragen hoe ze heten en wie hun opdrachtgever is. Als iemand hen herkent moeten ze hen verlaten. Afwisselend gaat een van de ridders op pad om daarheen te gaan waar een onschuldige om hulp vraagt. Een druppel hartenleed wijst hem de weg. En zo kwam het dat bij de eerste slag van het avonduur men in vliegende vaart een sneeuwwitte zwaan zag aankomen die een gouden boot voorttrok. Midden op de boot stond een jonge ridder met een zilveren harnas. Op zijn hoofd droeg hij een helm met het zwanenteken. Bij de zesde slag betrad hij de oever en maakte een kleine buiging als groet aan Elsa. Ze durfde hem nauwelijks aan te kijken en reikt hem een bevende hand. Toen werd Telramund bleek. Hij trok snel zijn zwaard om zijn tegenstander aan te vallen. Maar zijn tegenstander pareerde zijn aanvallen met speels gemak Hij ontdekte dat hij nu een tegenstander had gevonden die hem wel aankon. De zwanenridder liet zich in de verdediging drijven. Telramund bleef aanvallen en de zwanenridder week achteruit en wachtte op zijn kans. Die kwam toen hij te dicht bij hem in de buurt kwam. Toen sloeg de zwanenridder hem het zwaard uit de handen en stootte zijn schild om. Hij zette het punt van zijn zwaard op zijn keel en riep: “Beken dat je gelogen hebt”. En Telramund moest toegeven dat hij gelogen had. Elsa werd van alle schuld vrijgesproken. Telramund werd verbannen en het land uitgewezen. Elsa wilde haar ridder haar dankbaarheid betuigen maar toen ze hem in de ogen keek trilden haar handen en lichaam. Ze keken elkaar aan en wisten dat ze voor elkaar bestemd waren. De zwanenridder kuste haar en ze beloofden elkaar onverbrekelijke trouw. En ze kende nog niet eens zijn naam. Voor ze hem ernaar kon vragen bezwoer hij haar, om alles wat haar dierbaar was, daar nooit naar te vragen. Ze beloofde het hem bij alles wat haar heilig was. Toen ze enige tijd later op het altaar stonden werd de naam van de bruidegom niet genoemd. Elsa had na enige gelukkige jaren drie zonen gekregen. Bij Elsa kwam geregeld de gedacht op wat ze wel zou zeggen als haar zonen haar de naam van haar vader zouden vragen, maar ze durfde niet te vragen. Dat bleef zo de volgende jaren.
Maar toen kwam Ortrud, de vrouw van de verbannen Telramund en die wilde wraak nemen. Verkleed als non vroeg ze de oudste zesjarige zoon hoe hij heette. Dat wist hij wel. Daarom vroeg ze verder naar de naam van zijn moeder en vader. Zijn moeder Elsa noemde hij meteen. Maar de naam van zijn vader wist hij niet. Toen begon de non luid te klagen: ‘zo’n intelligent kind en dat weet niet eens de naam van zijn vader. Het heeft geen vader’. Hij rende direct naar zijn moeder en wilde de naam van zijn vader weten. Maar zij moest zwijgen. Dit spel herhaalde Ortrud meerdere malen in andere vermommingen. Elsa werd steeds onrustiger, “die arme kinderen weten niet eens de naam van hun vader”. Tot Ortrud verkleed als marktwijf de oudste kinderen weer de vraag stelden en zij dat niet wisten. Toen barstte ze in hoongelach uit: ‘jullie hebben waarschijnlijk een schooier als vader. En jullie moeder wil hem niet verraden!!’. Huilend kwamen de kinderen bij hun moeder. Dit brak haar hart. Na een slapeloze nacht overviel ze haar man ‘s morgens met de noodlottige vraag: ‘In naam van onze kinderen, hoe heet je en waar kom je vandaan?’ Hij staarde haar aan en greep naar zijn hart. ‘Het geluk, ons geluk, ligt nu in scherven. Je mocht de vraag niet stellen. Ik zal je het antwoord geven en daarna zal ik je verlaten’. “Nee, nee, zeg niets’, smeekte Elsa. Hij sprak: “op een heel ver land die voor iedereen onbereikbaar is staat een burcht die Montsalwatsch heet. Op het middenhof van de burcht staat en helder verlichte kerk, mooier dan alles wat er ooit op aarde gebouwd is. En in deze kerk bevindt zich de grootste kostbaarheid; de heilige graal. Twaalf sterke helden zijn uitverkoren om die te beschermen. Ze komen ook onschuldige te hulp. Mijn vader is de koning Parsifal. Ik, zijn ridder, wordt Lohengrin genoemd’.
Terwijl hij sprak leek hij al te vervagen en zwom de zwaan naderbij. Die was weer voor de gouden boot gespannen. De boot had nog nauwelijks de oever bereikt toen Lohengrin er in sprong. Meteen vertrok de zwaan en Lohengrin keek niet eenmaal om. Elsa liep hem op de oevers vertwijfeld een stuk na. Het mocht niet baten, ze kon hem niet meer bereiken. Ze heeft hem nooit meer teruggezien. Haar drie zonen bleven haar enige vreugde. Ze groeiden op tot goede ridders en gaven hun kracht en wijsheid door aan een later geslacht. Ze hebben allen een zwaan in hun wapen gevoerd en noemden zich vol trots” de zwanenridders van Kleef”. Nog altijd staat de toren van de burcht van Kleef overeind met een zwaan als windwijzer.
Bilderdijk.
Onze Bilderdijk, die zich voor een afstammeling van een zwanenridder hield en het in zijn vers ‘Elius’ weergeeft. Dit luidt ongeveer zo:
‘Op een vorstelijke burcht bij het oude Nijmegen woonde in de zevende eeuw Diederik van Teisterbant. Na zijn dood sloegen de edellieden uit de buurt begerige blikken op zijn dochter. In haar angst roept zij haar vader aan en die verschijnt en geeft haar een ring waarvan haar geluk in de toekomst afhankelijk zal zijn. Als ze het kleinood in de rivier laat vallen wordt het door een zwaan opgevangen die de ring neerlegt aan de voeten van de ridder Elius die er de woorden ‘aan de edelste onder de maagden zij ik ten echt geven’ in leest. Op de stam van een eik zakt hij de Rijn af, voorafgegaan door een zwaan als gids. Te Nijmegen gekomen verslaat hij de belagers van de schone Heile om haar straks als loon voor zijn strijd als geliefde in de armen te sluiten..
Betoverde meisjes.
Zwanen zijn vaak betoverde meisjes. Toen een jager in Hessen op een zwaan wilde schieten veranderde de vogel in een meisje. Ze zei tegen hem dat hij haar verlossen kon indien hij alle dagen een paternoster voor haar bad en nooit over haar schoonheid sprak. Hij houdt zijn voornemen niet vol. Ze verschijnt hem weer en zegt hem dat hij haar nu zal moeten zoeken op de steile glasberg die de vervloekten verplicht zijn te beklimmen. Ook nu doet hij niet wat hij had moeten doen. Hij drinkt uit een verboden bron en slaapt in voordat het tijd is. Nu moet hij haar in de wijde wereld zoeken wat hem na veel strijd en moeite lukt.
Toen een spokend meisje te Yperen in 1459 verlost werd vloog haar geest in de gedaante van een zwaan weg.
Een tamboer vond eens aan de kant van de weg drie hoopjes fijn linnen en stak er een ervan in zijn tas. Toen hij wou gaan slapen hoorde hij een zachte stem die zei: ‘tamboer sta op’. Op zijn vraag, ‘wat wil je’ antwoordde de stem ’geef mij m’n hempje terug’. ‘Dat zal ik doen’, zei de tamboer ’als je me zegt wie je bent.’ ‘Ach’; zei ze, ‘ik ben de dochter van een grote koning maar ik ben in de macht van een heks en iedere dag moet ik met mijn twee zusters in het meer baden maar zonder hemd kan ik niet wegvliegen, geef het dus terug’. Hij doet het en als zij haastig wil weggaan biedt hij aan haar te helpen. Dit kan, zo verzekert ze, alleen gebeuren als hij de glasberg beklimt en haar verlost wat na vele avonturen gebeurt.
In Ierland zorgde eens een koopman er voor dat een doodslager begraven werd. Die was door een kwade herbergier wiens rekening hij niet betaald had in een schoorsteen opgehangen. De koopman was eens op zee in groot gevaar en werd door een witte zwaan naar een eiland gebracht. Na daar lang vertoefd te hebben kwam een oud mannetje die hem verloste en hem vertelde dat hij de geest was van de door hem begraven persoon en de witte zwaan die hem op zee gered had.
Koning Lir van het Witte Veld huwde met Ove en kreeg van haar een tweeling, een jongen en meisje en daarna nog twee zoons. Ove stierf bij de geboorte en Lir treurde diep om haar. Als hij niet zoveel van zijn kinderen had gehouden was hij van verdriet gestorven. Later trouwde hij met de zuster van Ove, Oifa. Aanvankelijk voelde ze veel genegenheid voor de kinderen, maar werd jaloers toen de koning zoveel aandacht aan hen schonk. Op een dag vertrok ze met de vier kinderen en reed naar een meer en tikte hen aan met een toverstok zodat ze vier prachtige witte zwaarden werden. Ze vertelde hen dat ze pas vrij zouden zijn als Largen van Connaught zou trouwen met Deoch van Munster. Negenhonderd jaar zullen jullie over de meren en stromen van Ierland dwalen. Ik verleen jullie alleen deze gunst dat jullie je spraakvermogen behouden en dat er geen muziek op aarde zal zijn die even mooi is als de klaagzangen die jullie zingen. Jaren verstreken en ze bleven de mensen vermaken met hun prachtige gezang. In heel Ierland had nooit mooiere muziek weerklonken die de vergelijking met hun zang kon doorstaan. In het hele land werd afgekondigd dat men niet meer op zwanen mocht jagen of doden. Toen ze eens boven het Witte Veld vlogen zagen ze dat dit verwoest en verlaten was. Ze waren bedroefd en verbitterd. Toen vlogen de kinderen naar het Roemrijke Eiland van Sint Brandaan. Ze vestigden zich daar in het Meer van de Vogels tot St. Patrick naar het eiland kwam en de heilige Mac Howg naar het Smaragden eiland trok. Toen hij op het eiland kwam luidde hij de klok voor het ochtendgebed waarvan ze vreselijk schrokken. Ze wisten niet waar dit verschrikkelijke geluid vandaan kwam. Mac Howg daalde af naar de kustlijn en vroeg: ‘zijn jullie de kinderen van Lir?’ en dat bevestigden ze. ‘Goddank,’ zei de heilige. ‘Want vanwege jullie ben ik naar dit eiland gekomen dat ver weg ligt van alle andere Ierse eilanden. Ga met mij mee’. Het bleek dat Lairgnen, prins van Connaught zou gaan trouwen met Deoch, de dochter van de koning van Munster. Zo gauw Lairgnen de vogels had aangeraakt vielen hun veren af. De zoon van Lir veranderden in magere, oude grijsaards en zijn dochter in een tanige, oude vrouw, vel over been. Hierna werden ze gedoopt en stierven. Er werd een grafmonument opgericht waarop in runen hun naam stond geschreven. Dat was het lot van de kinderen van Lir.
Shakespeare, ‘Cymbeline’ 3,4,140;
‘Bezit Brittannie alleen de zon? Bestaat’.
Geen dag en nacht dan Brittannie? Ziet men’;.
Den aardkring afgebeeld, dan schijnt Brittannie’.
Een deel ervan en toch er buiten, als’.
Een zwanennestplaats in een grote plas’.
Daar in die wereld buiten Brittenland’.
Zijn er ook nog mensen’.
Vogelhemd.
In de Edda lezen we dat Swana, de dochter van koning Eilimi, een walkyre, door lucht en zee reed. Hetzelfde wordt gezegd van Sigrun, de dochter van koning Hogni.
Het vermogen om te kunnen vliegen werd over het algemeen verkregen door het aantrekken van een vogelhemd. Zo veranderde om Iduna te ontvoeren Loki in een valk.
Drie gebroeders, Slagfidr, Egil en Wolundur, zonen van een Finse koning, gingen op jacht en kwamen in het dal Ulfdalir. Op het strand van het meer in dat dal vonden ze op een vroege morgen drie meisjes die uit het zuiden over donkere bossen daarheen gevlogen waren. Ze heetten Hlagud Swanhwith, Herwor Ahlwit en Aelrun. Ze sponnen vlas. Zwanenhemden lagen naast hen. De broeders namen ieder een tot vrouw. Negen jaar leefden ze samen totdat de walkurenaard bij hen weer boven kwam en zij terwijl de mannen op jacht waren wegvlogen om veldslagen op te zoeken en er hun taak te vervullen. Ze kwamen niet weer. Twee broers trokken erop uit. Alleen Wolunder bleef thuis. Hij was een kunstenaar die later als de smid Wieland optreedt in een sage waarin hij ook zijn vrouw gaat zoeken. Ter bestemder plaats aangekomen ziet hij drie duiven naar een bron vliegen die dadelijk zo gauw ze voet op aarde zetten, meisjes worden. Toen ze zich baadden nam Wieland, onzichtbaar door een wortel, de afgelegde kleren en kreeg hen daardoor in zijn macht.
Koning Friedlef van Denemarken, eind vierde eeuw, hoorde daags voor een zeeslag boven zich het geluid van drie zwanen ‘sonum trium olorum clangentium’ wat betekende dat een zoon van Koning Telemak ontvoerd was. De runen op een gordel die hem toegeworpen werd verklaarde de betekenis ervan. Ook hier zijn zeker zwanenmeisjes in het spel.
Een jongeman die op jacht was zag eens hoe drie zwanen aan het strand hun vogelhemden uittrokken en die in het gras neerlegden en in mooie meisjes veranderden. Ze baadden en trokken de hemden weer aan en vlogen als zwanen weg.
De volgende dag lag hij op de loer en toen de meisjes aan het zwemmen waren nam hij het hemd van de jongste weg. Ze viel voor hem op de knieën en smeekte om haar kleed terug te krijgen. Hij deed het niet en ze werd zijn vrouw. Na zeven jaar toonde hij eens haar hemd. Nauwelijks had ze het in de handen of ze vloog als een zwaan door het venster weg. Dit in Zweden.
In Zwitserland verneemt een man uit een brief dat zijn vrouw naar de glasberg is gegaan. Hij trekt er ook op uit om haar te vinden. Vogelgezang begeleidt hem. Een onbekende leent hem de laarzen waarmee hij zeven mijlen kan stappen. Zo komt hij bij de berg. Alles, zelfs de bomen en het gras, zijn van glas. Hij vindt er drie meisjes en ondergaat met goed gevolg de drie beproevingen en neemt zijn vrouw weer mee.
In het Spreewald kwam ook eens iemand in het onderaardse verblijf van de zwanenmeisjes.
Een herdersjongen had het thuis zeer slecht. Hij kreeg ‘s morgens slechts wat droog brood mee die hij vochtig maakte in een meer. Telkens zag hij op het meer drie zwanen zwemmen die hij door het brood probeerde te lokken. Twee naderden hem en de derde bleef steeds op afstand. Hij ging in het water om haar wat brood te geven en gleed uit, zonk, en kwam in een prachtig slot terecht en lag daar in bed. Toen kwamen drie zeer lelijke vrouwen met lange neuzen bij hem. Een was de aller lelijkste. Hij schrok en kroop diep in bed en sliep in. Wakker geworden bevond hij zich in een mooie weide waarin drie mooie meisjes waren. Twee kwamen dadelijk bij hem om met hem te spelen, de derde deed dat niet en bleef op enige afstand. Hij keek altijd naar haar en huilde want haar had hij lief. De anderen troostten hem en verzekerden hem dat hij eens gelukkig zou worden. Op een goede dag kwam de lelijkste van die drie vrouwen bij hem en vroeg of hij met haar wilde trouwen. Zijn antwoord was duidelijk, ‘ik trouw niet met jou als ik mijn mooie geliefde niet kan krijgen’. ‘Dat spijt me ‘ zei ze hem, ‘nu moet ik hier nog honderd jaar blijven’. Hij schrok en viel meteen in slaap. Toen hij wakker werd stond hij aan de oever van het meer tot de schouders toe in het water. De zwaan was er ook en zei hem ‘ als je me getrouwd had dan had je ook de jongste gekregen’. Hij ging naar huis waar de rouw over hem reeds afgelegd was, hij was een jaar zoek geweest. Zijn moeder was van verdriet gestorven en zijn avonturen werden door niemand geloofd. Dagelijks ging hij naar het meer en huilde. Daar is hij in slaap gevallen om niet meer wakker te worden.
Een jongen bij de Nekkar voer eens op een plank naar drie zwanen toe die op het meer waren. Hij zonk in de diepte en kwam in een slot waarin drie meisjes waren. Hij bleef daar lange tijd totdat een onweerstaanbaar verlangen naar de bovenwereld bij hem opkwam. De meisjes stonden het hem toe maar hij stierf al gauw zoals ze hem voorspeld hadden.
Een verloofd meisje wandelde met haar aanstaande te Donsum aan het strand en zag daar haar zwemmende zusters als zwanen en vloog tot grote ontsteltenis van haar vrijer weg.
Van twee Somojeden die in een woeste streek vossen, sabels en beren vangen gaat er een op reis. Hij ontmoet een vrouw die bezig is om een berk om te kappen en helpt haar. Ze zegt hem zich te verschuilen toen er zeven meisjes naar hem toe kwamen. Die vragen haar hoe ze de boom heeft omgehakt, want alleen had ze dat nooit kunnen doen. Ze zegt dat ze het wel gedaan heeft. Nadat ze vertrokken zijn zegt ze tegen de Samojeden dat hij naar het meer moet gaan in het donkerste gedeelte van het bos. Hij zal daar de meisjes zien zwemmen en een kleed moet hij verstoppen. Dat gebeurt. Het meisje dat haar kleed mist belooft hem te zullen trouwen als hij haar kleed terug brengt. Hij komt daardoor voor de dag en vertrouwt het toch niet helemaal en zegt ‘ als ik je kleed terug geef vlieg je weer naar de hemel en hoe zal ik je dan trouwen?’ Na veel zonderlinge gebeurtenissen wordt het huwelijk, als gewoonlijk, toch gesloten.
Een
schone en miraculeuze historie van de ridder met de zwaan, die te Nijmegen in
Gelderland te scheep kwam, bij de geleide van een Zwaan, uit het land van
Lillefoordt, wat men zegt te wezen Rijssel, Duway en Orchy gelegen in
Vlaanderen.
[PROLOOG.]
Een
algemeen zeggen is het onder leken en klerken,
God is
almachtig wonderlijk in zijn werken,
En laat
veel dingen dagelijks geschieden,
Gelijk
in voorleden tijden is gezien
Van de
Ridder met den Zwaan die wonder deed
Die twee
lampen vocht wil dit doorzien,
Als
ridder vlug, dat is waarheid:
De
eersten die vocht hij verstaat de zede,
Om zijn
moeder te houden in haar eer
Die van
kwade stukken was beschadigd,
Welke
kamp hij won: en voort meer,
De
andere kamp vocht de edele heer
In
Gelderland de bloem van het land,
Daar hij
mede won dezelfde keer
Het
hertogdom van Biloen zelf met de handen,
Wat hij
behield vrij van schande
Alzo men
u hier noch zal verklaren,
In de
volgende historie opent uw verstand
Het
wordt een baat die droeve harten bezwaren
Waar
geschiedt, dus zonder sparen,
Doorzie
de historie rein en bekwaam,
Angst
zal u in het horen van dezen varen,
Alzo ge
zal zeggen vrienden
Lange
prologen zijn van kleine waarden,
Maar
lange maaltijden worden meer geprezen,
Dus is
de historie te lezen zodat het beter bekomt
Dan in
de proloog te studeren, dus laat dat wezen
En overzie
de historie die volgt na dezen.
HOE
KONING ORIANT TER JACHT REED EN EEN HERT VOLGDE EN MET DE SCHONE BEATRIS SPRAK
BIJ EEN FONTEIN.
In de oude verhalen en kronieken vinden wij hoe dat het land Lillefoort vroeger was een koninkrijk en zo sommigen zeggen zo was het een land in Vlaanderen waarvan de steden zijn Rijssel, Duway en Orchy daar in die tijden een koning was Pyrion geheten en had tot wijf een kwade vrouw die geheten was Matabrune die later veel kwaad brouwde zodat ze tot een kwaad einde kwam want ze aan een staak verbrand werd. Deze koning Pyrion had bij zijn wijf een zoon Oriant genaamd die na de dood van zijn vader gekroond werd tot koning van Lillefoort en bezat dat zeer vredig. Zo gebeurde op een tijd dat koning Oriant ter jacht reed met zijn heren om zich te vertreden en toen ze buiten kwamen in het bos zagen ze lopen een hert dat de koning naarstig achtervolgde, tenslotte kwam hij bij een schone rivier daar het hert in sprong en was vrij van de koning. Toen Oriant dit zag keerde hij wederom en kwam tot een fontein daar hij van zijn paard trad en zat onder een boom om te rusten. Toen hij daar alleen zat kwam daar een schone edele maagd met vier dienstmaagden van haar huisgezin en met een edele ridder en twee knechten en zei tot Oriant, omdat hij honden bij hem had: Heer waarom bent ge hier komen jagen in mijn heerlijkheid en wie heeft u verlof gegeven? ik heb wel gezien het hert dat ge gejaagd hebt dat u in het water ontgaan is: Niettemin al had ge het gevangen het zou u niet gebleven zijn en mijn wil is dat ge dat verbeteren zal eer ge van hier zal scheiden. Toen Oriant de schone Beatris had horen spreken en haar aanzag behaagde ze hem zo goed dat hij terstond met haar liefde bevangen werd en zei:
O Gij
ster der minnen, doorstralende ogen
Die mij
zo vurig invlogen
O
schoonste schoonheid nooit zo schoon
Gij hebt
me het hart uit het lichaam getogen,
Dus ik
offer met knieën gebogen,
Al dat
mijn is, lijf, goed en eer tot uw loon
Uw
opzien lijkt me schijnen onder de troon,
Sierlijker
dan de zon of ook de maan,
Dus ik
me direct stel in klare toon,
Ter
doodt toe in uw dienst te staan.
Al de
vrouwen ter wereld ooit geboren,
Voortijds,
present of naarder te speuren,
Of
geboren te doemsdag) toe,
Hebben
geen gelijke bij eed gezworen,
Uw
schoonheid jonkvrouw Beatris,
In wiens
bedwang ik ben en ik weet niet hoe:
Eet ik,
drink ik want wat) ik doe,
Gij bent
in de gedachten het vurigste in vermanen,
Dus
begeer ik niet anders om er toe,
Dan ter
doodt toe in uw dienst te staan.
Mocht me
geluk of voorspoed gebeuren,
Dat ge
me uw gunstig wil laten keuren,
Daar
kies ik niet voor het goed ter wereld rond,
En zou
er wel willen om avonturen,
Lijf,
goed, bloed en leed bezuren:
O schone
Beatris lieflijke rode mond
Die in
vurige liefde doorblaakt de grond
Van mijn
hart, schone welgedane,
Ik
begeer niets anders dan te aller stond
Ter dood
toe in uw dienst te staan.
Prins.
Boven
alle prinsessen de wereld wijdt,
In
liefde draag je de opperste vaan,
God
heeft u in schoonheid gebenedijd,
Dus
begeer ik anders niet dan te aller tijd,
Ter dood
toe in uw dienst te staan. 6
Aldus zijnde bevangen door haar minne dacht hij haar tot wijf te nemen en zei zoetelijk: Schone bloem, ik zou niet graag doen tegen uw wil, maar mag ik in dit land niet goed komen om genoegdoening te nemen als heer bij die dat van me te leen houdt want ik ben de koning van Lillefoort, Oriandt en hier is heer noch vrouw, ze moeten me manschap doen als trouwe onderzaten: Hierom belieft het me en ik zal het u zelf doen verbeteren dat ge me te onrecht hebt versproken. Toen de ridder Savari dat hoorde sprong hij van zijn paard en viel op zijn knieën en groette de koning en zei: heer koning belieft het u, ge zal mijn vrouwen vergeven dat ze tegen u misdaan heeft want ze u niet kende toen ze u aansprak: En ze bekend wel dat ze heeft, het is tot uw wille. Toen zei de koning, het is geheel vergeven, nochtans moet zij het verbeteren, maar het zal haar believen want haar schoonheid en wezen heeft mijn hart bevangen. En de koning zei tot haar: O wel schone jonkvrouw belieft het u te zijn mijn bruid zodat ik u dan mag laten kronen koningin van Lillefoort? Toen antwoordde de jonge maagd en zei, geheel beschaamd zijnde.
Ik ben beschaamd en kan nauwelijks spreken
Bijna
bezweken door inwendig teken,
De grote
waarden die ge me biedt:
Schaamte
heeft me het hart en lichaam doorstoken,
De baat
niet gekeken, al zou het hart breken,
De
schaamte mijn ziel en lijf doorschiet,
Oriant
koning vol excellentie doorwoedt,
Zulke
woorden vermijdt, want het is u veel te klein,
En mij veel te groot, de zaak doorziet, Ik ben u onwaardig, wie was het die het aanraadde,
Dus bid
ik u edele koning laat me alleen,
Voor u
edele koning vind je er veel waardiger een,
Dan mij
die ge zegt te minnen door Venus leer,
Ik ken
me onwaardig de grote eer.
Ik ben
het niet waard uw hoge minnen,
Nu te
gewinnen, gemerkt en wil bekennen,
Ik ben
slecht en van afkomst komen machtig,
En als
ik aan u stelde dan mijn zinnen,
In het
eerst beginnen en liet me overwinnen,
Ik mocht
me zelf brengen in leed onzacht,
Want men
zegt algemeen wees dus gedachtig,
En het
is waarachtig, wie dat zijn zinnen stelt
Te hoog
in het minnen, eist lijden onzacht,
Dus zou
ik graag schuwen zal ik lijden krachtig,
En
verbelgt u dus niet heer koning van groot geweld,
Ik ben
maar een dienstmaagd en ge zal
Wel
grotere machtige vrouwen tot u doen keren,
Ik ken
me onwaardig de grote eer.
Dank heb
heer koning uw presentatie,
Gods
milde gratie loont u te elke plaats
En laat
u in voorspoed en in eer rijzen,
Ik
slechte Beatris van simpele generatie,
Zonder
falen, stel mijn fundatie,
In de
konings wil naar edelheids bewijzen,
Elk edel
hart is wel waard om te prijzen.
Want
helder ze voeden zich in eer in deugden,
En in
die reine harten hen alzo verblijden.Voeren de ere kroon tot eender deviezen,
En mits dien verwerven ze koenheid van vreugden,
Oriant
edele koning wiens zinnen verzochten,
In mijn
minnen naar uw woord vermeerderen,
Ik ken
me onwaardig de grote eer.
Prinselijke
koning Oriant als uw object,
Stel ik
onbevlekt me zelf altijd,
Als uw
arme dienstmaagd in eren gestrekt,
Kennende
dat gij me veel te machtig bent:
Ik zeg
nochtans voor vrouwen en heren,
Ik ken
me onwaardig de grote eer.
Toen nam
koning Oriant haar bij de hand en zei: Ik beloof u bij mijn ridderschap zo lang
als ge leeft zal ik geen andere trouwen dan u.
HOE DE
KONING MET HEM BRACHT DE SCHONE BEATRIS ALS HIJ VAN DE JACHT WEDEROM KWAM.
Toen deze
beloften dus geschied en bezworen waren aan beide zijden zo bracht hij de
schone Beatris in Lillefoort om daar te houden het feest der bruiloft daar
grote geneugten bedreven werden van vieren en allerlei geneugten. Toen
Matabrune dit hoorde zo ging ze hem tegemoet met gramme moed. Toen Oriant haar
zag komen begon hij te lachen en zei haar, want hij zacht haar mompelen: wees
blij want ik heb gevonden de schoonste vrouw ter wereld, wijs en eerzaam en
mijn hart is tot haar. Toen zei de moeder uit een kwaad hart: Lieve zoon, ge
doet m luttel genoegen want ik nu zie uw onbekendheid omdat ge je aldus
vernedert dat ge neemt een simpele jonkvrouw, die ge die onterecht is, 9 want ge had mogen krijgen de
machtigste vrouw ter wereld en na u zullen die kinderen van haar bezitten uw
rijk. Toen zei Oriant: moeder ik weet niemand die me beter behaagt dan deze,
dus bid ik u dat ge ook hiermee tevreden bent, want wil God ze zal mijn
koningin zijn. De moeder zei: lieve zone als het u belieft moet het wel mijn
wil zijn en dit zei ze met de mond tegen haar hart want ze altijd hierom
verstoord was en peinsde altijd hoe zij ze nog hierna zou laten scheiden. De andere
dag ‘s morgens kwam Oriant ter kerk met grote eer en staat en Beatris ook daar
ze gekroond waren en toen keerden ze te hof daar ze goede sier maakten, maar de
moeder had altijd nijd in haar hart al toonde ze van buiten blijdschap. Kort
hierna werd ze omgord met de band der natuur van haar man. En toen hij wist dat
ze zwanger was zo was hij zeer verblijd en al zijn onderzaten. En op een tijd
lag ze in haar paleis en zag twee kinderen te doop dragen van een dracht zo
riep ze heimelijk de koning en zei hem: ik verwonder me zeer van een ding dat
ik daar zie dat is van twee kinderen die een vrouwe ontvangen heeft in een
dracht, me dunkt dat een vrouw niet mag ontvangen twee kinderen zonder te
hebben twee mannen. Toen zei de koning dat mag wel geschieden want bij de
natuur en bij Gods gratie zo mag een vrouw van een man ontvangen in een dracht
zeven kinderen. Toen de koning een korte tijd met blijdschap geweest was kreeg
hij vijanden die op zijn land en volk toe tasten en wonnen hem zijn land af wat
hem geboodschapt was, maar door de liefde van zijn koningin vertoefden hij noch
zes maanden lang zodat hem zijn vijanden zeer nabij waren zodat hij zijn heren
en ridders ontbood dat ze zich bereiden zouden om tegen zijn vijanden te
strijden, wat ze deden, want Beatris de koningin zeer groot ging zo riep hij
zijn moeder Matabrune en zei: Mijn moeder ik moet reizen tegen mijn vijanden en
mijn vrouw gaat bezwaart met kind, daarom bid ik u om mijn wil dat ge haar
behoedt en bijstaat in haar nood en wil u haar houden als uw dochter want ik
van haar moet scheiden en ze zal u eren als haar moeder en zal u onderdanig
zijn als uw dochter, daarom beveel ik u haar want ik haar zeer bemin en miskwam
haar iets bij uw schuld, ik zou u nimmermeer beminnen. Matabrune zei, zoon ge weet
wel dat u belieft dat belieft mij, daarom zal ik uw wijf goed bewaren en wees
wel tevreden want ik haar zeer lief heb. Toen zei Oriant: ik dank u zeer en
beveel u al mijn dingen en neem ootmoedig verlof aan u en zo scheidde hij van
zijn moeder. Maar de moeder deed niet alles dat ze gezegd had, zo ze later wel
toonde. Daarna nam de koning verlof aan zijn vrouw en sprak lange tijd tegen
haar met wenende ogen en omhelsde haar en kuste haar zodat ze in onmacht ter
aarde viel en hij hief haar vriendelijk op en maakte grote droefheid en
beklaagden elkaar zodat de edelen met hem weenden.
HOE DE
KONING VERLOF NAM AAN ZIJN KONINGIN EN VAN HET KWAAD DAT MATABRUNE OPGESTELD
HAD TEGEN BEATRIS.
Aldus
heeft Oriant de koning verlof genomen aan zijn koningin en reed weg menige mijl
om tegen zijn vijanden te strijden, daar hij dappere feiten deed, daar ik hier
van wil zwijgen om te komen tot de historie: Want toen de koning vertrokken was
met zijn leger begon Matabrune kwaad te denken tegen Beatris en liet bij haar
komen de vroedvrouw en zei: Mijn vriendin ik heb u hier laten komen om een zaak
die ik nu zeggen zal, maar ge zal me zweren en beloven dat gij het niemand
zeggen zal, ik zal u dan veel goeds geven zodat gij nimmermeer gebrek hebben
zal. Toen de vroedvrouw deze beloften hoorde zei ze: zeker vrouwe, alle dingen
mag ge me zeggen, ik beloof u bij mijn trouw dat nimmermeer mensen het weten
zal en zal als een biecht zijn. Matabrune zei: gij weet wel dat Oriant mijn
zoon, Beatris getrouwd heeft zonder mijn wil en heeft haar zo lief dat hij eten
nog drinken mag, hij en is bij haar en hij heeft door haar het land grote
schande laten geschieden, hierom wilde ik wel dat wij ze hem verleiden mogen en
dan gescheiden worden en dit zullen we gemakkelijk volbrengen want zij kind
draagt. En de vrouwe zei, dunkt u goed ik zal het kind doden in het baren en ik
zal de koning zeggen dat zij het willens gedood heeft. Toen zei Matabrune: Ik
weet een andere dat onmenselijker en schandelijker is de koning om te horen,
want gij ziet dat ze zeer groot gaat, daarom denk ik dat ze twee of drie
kinderen zal hebben. En gij zal bij haar gaan en presenteren uw dienst. En als
de kinderen geboren zullen zijn zo zal ik bestellen zoveel jonge honden net
geworpen als zij kinderen ter wereld brengen zal en we zullen zeggen dat ze van
haar gekomen zijn. Waarom we dan mogen de koning en zijn heren te verstaan
geven dat zij gemeenschap gehad heeft met enige honden waarbij we komen mogen
tot onze begeerten want ik heb er een die ik de kinderen zal geven en hij zal
ze weg dragen en verdoen zodat men daarvan niet meer zal horen. Toen zei de
vroedvrouw: Ik zal doen dat u belieft en die raad zal zeer goed zijn en luttel
zal men merken enig kwaad opstel of verraad.
HOE DE
KONINGIN BAARDE ZES ZONEN EN EEN DOCHTER DIE ELK EEN ZILVEREN KETTING AAN HUN
HALS BRACHTEN.
Toen de
tijd vol gegaan was dat Beatris zou baren, zo deed de valse vroedvrouw met de
jonge kindertjes alzo Matabrune en zij onder hun beiden opgesteld hadden die
nochtans door mirakels bewaard worden door Gods tussenkomst. Toen de vroedvrouw
gekomen was zo liet zij Matabrune halen die nu al de jonge honden gereed had om
haar verraad te volbrengen en toen baarde Beatris in een keer zes schone zonen
en een dochter die aan hun hals brachten elk een zilveren ketting waarvan
getoond werd de edelheid van de moeder, maar de valse vrouwen bleven in hun
opzet om de goede koningin ter dood te brengen en toen Matabrune zag de zeven
kinderen zo liet zij ze weg dragen met een kamenier die ze daartoe gebracht had
en nam zeven kleine honden die ze daartoe bereid had geheel bebloed en legde ze
onder de koningin alsof zij ze gebaard had. En de vroedvrouw riep met luide
stem: Och koningin welk ongeval is u geschiedt? Want ik heb ontvangen zeven
stinkende honden die gij gebaard hebt en Matabrune desgelijks om haar te
beschamen zei ook: doe weg dit schandelijk stuc en laat de honden op het veld
begraven en elk houdt dit ongeval heimelijk op zodat de koning in zijn eer
blijft. Beatris was zo ziek van de zware arbeid dat ze op het verraad die haar
gedaan was niet dacht. En toen ze tot zichzelf gekomen was zo zei Matabrune: o
ongevallig wijf, zie hier de vroedvrouw die van uw lichaam ontvangen heeft
zeven honden die ik weg heb laten dragen om te bedekken de grote beestachtige zonde,
daarom zeg het nu en belijdt hier de waarheid en zeg ons of ge enige
conversatie of gemeenschap hebt gehad met enige hond daaraf die gekomen zijn en
we zullen uw zaak verbergen. Toen de koningin dit hoorde was zij zeer bedrukt
zodat ze in onmacht meende te komen van rouw: En toen ze een luttel bekomen was
bad ze dat ze haar toch tonen wilden wat ze zeiden dat uit haar lichaam gekomen
was. Terstond werden haar getoond zeven kleine honden waarom de koningin zeer
weende en sloeg voor haar hart en bad genade van de misdaad die zij niet gedaan
had. Maar Matabrune sprak nochtans haar altijd spijtig toe en zei: Gij
ongevallig wijf, men zou u met recht verbranden omdat ge ontvangen hebt van een
hond. Beatris zei, Moeder nooit peinsde ik dit, nog is dat ook niet geschied,
daarom doet me niet meer ongenoegen aan dan ik heb, maar God heeft lof die het
alles regeert want hij heeft wel macht mij en andere mensen in beesten te
veranderen en dat hem belieft moet ons believen. Toen ging Matabrune van daar,
daar de vroedvrouw wilde haar vertroosten met geveinsd hart en geveinsde
woorden en zei; bedroef u niet te zeer dat u daar geen erger van komt want de
koning zal daar niets van weten en men zal het zo heimelijk houden dat er geen
schande van komen zal. Beatris zei: Nimmermeer zal de koning genoegen in mij
hebben en zal me nimmermeer vergeven, maar zal me laten doden. En wilde het hem
believen dat hij me liet leven in enig klooster om God te dienen in penitentie,
ik zou penitentie doen en ik zou God bidden om te verzachten zijn gramschap die
ik zie dat op mij is. Hierom bid ik ootmoedig dat gij voor mij wil bidden om
gratie te krijgen van de koning. Aldus kreeg Beatris druk en droefheid aan alle
zijden.
HOE
MARCUS DE ZEVEN KINDEREN IN EEN BOS DROEG EN LIET ZE DAAR LIGGEN OP ZIJN MANTEL
EN HOE DE HEREMIET HELIAS ZE VOND.
Nadat de
valse vrouwe hun verraad hadden volbracht alzo het voorzegt is zo riep ze haar
dienaar Marcus en zei: Mijn vriend ge moet me een dienst doen en ook moet gij het
heimelijk houden op uw lijf, want de koningin heeft gebaard zes zonen en een
dochter en die hebben aan hun hals elk een zilveren ketting ter wereld gebracht
wat me dunkt groot wonder later te worden en in een teken dat ze in toekomende
tijden mochten worden dieven of moordenaars, daarom zal ik ze laten sterven in
hun jonkheid opdat er geen meerder schande van komt in het einde. Hierom heb ik
haar laten verstaan dat ze heeft gebaard zeven honden en die heb ik laten
doden: Dus neem deze zeven kinderen op mijn last en ga ze doden zodat men daar
niets meer van verneemt. Toen zei Marcus: Vrouwe, ik zal uw begeerte doen en
van deze kinderen zal geen last meer komen. En Marcus is op een paard gezeten
en heeft de kinderen in zijn mantel en brengt ze buiten de stad in een bos en
in het midden van het bos gaat hij van het paard en daar legt hij de kinderen
alle zeven op zijn mantel en toen hij zag dat de kinderen zo schoon waren zo
kreeg hij medelijden in zijn hart en dacht dat ze elk een ketting ter wereld
gebracht hadden uit hun moeders lichaam en de kinderen begonnen alle op hem te
lachen, toen dacht hij dat ze van God uitgekozen waren tot enige toekomende
dingen en hij werd barmhartig op hen dat hij hun geen kwaad wilde doen, maar
hij beval ze de barmhartigheid Gods en zei.
O God
almachtig, hoe ben ik bezwaard,
In mij
is vloeiend de compassie aard,
Om deze
schone kindertjes jong van dagen,
Ik bid
Christus die hemel en aarde verklaart ,
Dat hij
u bij zijn milde gratie bewaart,
Van
toekomende leed en mishagen,
En wil
bij wonder brengen in plagen
Al uw
vijanden die u meenden te doen sterven,
En wilt
ze bij justitie te vuur jagen.
Aylaas
arme kindertjes die vreugde moeten derven,
Totdat u
God voorziet, het is me hartelijk leed,
Dat ik u
moet laten, God almachtig weet.
Al laat
ik u schoon kindertjes in deze tijd hier,
God
almachtig zal u behoeden mede,
Als hij
de kinderen deed in het blakende vuur
De
gloeiende ovens in lijf en in leden,
En zal
door zijn grondeloze goedheid
U niet
laten verderven, al laat ik u hier
Gods
barmhartigheid neemt u in zijn bestier,
En zij
na dezen uw behoeder voort,
Van mijn
krijgen jullie nimmermeer gevaar,
Want
doodde ik u zo doe ik valse moord,
Compassie
doorvloeit me al zo het behoort,
Al was
ik om u te doden in dezen bereis,
Dat ik u
hier moet laten dat is me leed, God weet.
Adieu
schoon kindertjes, ik zie u nimmermeer.
God
verleent u voorspoed, gezond en eer
En doe
in u zijn goedertierenheid blijken
Huiswaarts
te rijden is het beste dat ik keer,
Gelaten
me of ik u had gebracht in zeer
Maar
neen ik, compassie moet boven strijken.
Och
kinderen God hoed u voor kwade prakktijken,
De
verraders en ook sommige beesten,
Die u
mochten kwetsen in enige wijken, Of hinder doen bij enige tempeesten:
O jonge
bloempjes, minnelijke geesten
Die u
misdeden was wel van harten wreed,
Dat ik u
hier moet laten dat is me leed, God weet.
Prinselijke
God, koning der serafijnen,
Zendt
troost deze kindertjes bij uw minnen,
Die
troosteloos zijn hier van de hunnen gescheiden,
Doe hen
bij uw gratie hulp gewinnen,
Dat ze
tot uw lof noch wonder beginnen,
Wonderlijk
is hier gebeurd geweest in het belijden,
Wonder
getuigen mijn zinnen zal er uitspreiden,
Dus
klaag ik u uit compassie in liefde heet
Dat ik u
hier moet laten dat is me leed, God weet.
Aldus nam
Marcus de zeven kinderen dien hij allen omhelsde en kuste aan hun wangetjes
zeer wenend en is weer gekeerd naar Lillefoort daar hem Matabrune tegen kwam en
vroeg hem en zei: O mijn vriend Marcus, heb je mijn wil volbracht alzo ik u
bevolen heb? zo zal ik u bestellen als mijn zoon Oriant gekomen is dat hij zijn
wijf ook zal laten doden, dan zal ik blijde zijn en mijn leed zal gewroken
zijn. Toen scheidde Matabrune van Marcus daar ik van zwijgen zal om weer te
spreken van de 7 kleine kindertjes die in jet bos liggen jammerlijk wenend van
honger. Maar bij de gratie Gods kwam daar een heremiet Helias geheten die in
dat bos woonde. En toen hij nu deze zeven kleine kinderen vond alleen wenend
van honger nam hij ze en wond ze in de mantel en bracht ze in zijn kluis daar
hij ze warmde en voedde naar zijn macht.
HOE DE
ZEVEN KLEINE KINDERTJES WORDEN GEVOED BIJ MIRAKEL VAN EEN WITTE GEIT GEZONDEN
VAN GOD.
Toen de heremiet deze zeven kindertjes gespijsd en verwarmd had naar zijn macht, niet wetende aan wie ze toebehoren, zo bad hij God ootmoedig zeggend:
O God
almachtig gebenedijd,
Die een
bekende van allen bent,
En te
alle tijd een beschermer mede,
Van
allen geschapen dingen ter wereld wijdt,
In het
eerste krijt, door Mozes bede,
Het
manna in de woestijnen bij waarheden,
Om de kinderen
van Israël voedsel te geven,
Door uw
ontfermen zendt voedsel en vrede
Opdat
deze jonge kindertjes behouden het leven,
En dat
ze hier later (o Heer verheven)
U mogen
hartelijk zijn te dienen gewent
Dat bid
ik u Heer die alle harten kent.
Zo ge o
God almachtig bewees,
Toen ge
vijf duizend mannen alleen spijsde,
Dat elk
blij was, bijzonder kinderen en vrouwen,
Met vijf
gerstebroden en twee vissen, daar rees
Genoeg
te boven, zodat elk prees,
Dat
geprezen mirakel vol trouwen:
Wilt u
glorieusheid hier laten aanschouwen,
En bij
gratie voeden deze wichtjes klein:
Beschermt
ze almachtige God van ruwe
Die
niemand ooit liet in enige wenen,
Die in u
vertrouwen: me deert alleen
De
onschuld der bloempjes, behoed ze ongeschonden,
Dat bid
ik u Heer, die alle harten kent.
Die de
kinderen van Israël voor Farao behoedde,
En
Daniël in de kuil der leeuwen voedde,
Die het
klaar bevroedt, wil het niet laten bederven
De zeven
kleine kindertjes die ik vermoedde,
Die ik
naakt heb gevonden in grote tegenspoed,
Die als de
verwoede bijna van honger sterven,
In dit
wilde bos ontvreemd van hun erven,
Nochtans
schijnen ze van edele generaties,
Het
wordt (hoop ik) tot uw eer en vijands doorkerven,
Dusdanig
ding geschiedt zelden, tenzij bij gratie
Uw
goddelijke goedheid tot elke spatie,
Aldus
almachtige God uw gratie neer zendt,
Dat bid
ik u Heer, die alle herten kent.
O Vader,
Zoon, Heilige Geest, prins der glorie,
Drie
personen, een God in glorie,
Behoedt
deze 7 kindertjes hemelse regent,
Opdat ze
u o zuivere ciborie,
Zo dienen
dat ze raken ter consistorie
De hemel
bij uw verdiensten excellent,
Dat bid
ik u Heer die alle harten kent.
Dat
gebed werd van God verhoort want bij mirakel kwam in de kluis een witte geit
die zich keerde tot de kindertjes met haar mammen en zoog ze zo natuurlijk als
een voedster. Toen bekende de heremiet dat ze van God gezonden was om de
kindertjes op te brengen waarvan hij God dankte en dagelijks zogen de
kindertjes de witte geit en dan ging ze naar het bos om voedsel. Dit duurde zo
lang dat ze groot werden en de geit volgden in het bos. En toen ze gekomen
waren tot kinderlijke kennis zo maakte hun de heremiet kleine rokjes van
bladeren en van andere dingen dat hij krijgen mocht. En zo gingen ze spelen in
het bos en verzamelden vruchten om te eten met hun brood en zo werden ze gevoed
door Gods gratie en naarstigheid van de heremieten die hun deelde van de
aalmoezen die men hen gaf.
Gedurende
deze tijd kwam koning Oriandt weer victorieus van de oorlogen. Toen Matabrune
vernam dat haar zoon kwam ging ze hem tegemoet en zei hem welkom en ze begon te
wenen om haar kwaad te volbrengen. Och mijn zoon wees wellom en ik verblijdt me
zeer dat ik u zie gezond komen met uw volk: Maar anders is mijn hart vol druk
van dat uw wijf misvallen is. De koning zei wat is er geschiedt, is mijn vrouwe
dood of hoe is het? Ze zei neen, maar het is schandelijker, zodat ik het niet
durf vertellen vanwege de lelijkheid en het is me liever dat een andere het u
zegt: Want al uw dienaars weten het wel. Toen zei de koning, ik heb liever dat
gij het me zegt dan een ander. Toen zei de moeder, ik meende dat uw wijf van u
een kind ontvangen had, maar ze had ontvangen van een hond dat schandelijk is,
hier is de vroedvrouw die van haar ontvangen heeft zeven kleine honden die ik
heb laten weg werpen opdat men er niet meer van weten zou, hierom zou gij haar
met recht laten doden en verbranden. En daar was de vroedvrouw bij Matabrune om
haar leugen te versterken. Toen de koning dit hoorde kreeg hij grote druk en
vroeg waar zijn wijf was? Matabrune zei dat ze opgesloten was in haar kamer en
ze durfde van schaamte er niet uit te komen. Toen ging de koning met een ridder
in de kamer daar hij het deerlijk had en zei: Aylaas welke grote druk is me
toegekomen, heeft mijn vrouwe zeven honden, het is veel de beesten. Die ik
meende te zijn de eer en schoonheid van de vrouwen heeft me verraden en bij
haar ben ik onteerd, ter kwader uren ben ik geboren, waarom liet me God niet
verslaan van mijn vijanden, God wil me helpen. Aylacen wie dat me aanraadt, ik begeer
bij haar niet meer te komen die ik zo zeer beminde. De ridder die bij hem was
had hem graag getroost, maar hij ging liggen op een bed daar hij insliep van
druk en weemoedigheid. En de edele vrouwe Beatris was in een andere kamer die
niet minder rouw had. En tot haar kwam een schildknecht die haar lang gediend
had en zei dat de koning gekomen was. Toen werd ze zeer ontzet en vroeg of er
iets van haar gezegd was en hij zei ja en vertelde haar al dat de valse
Matabrune de koning gezegd had. Toen riep Beatris deerlijk tot God almachtig,
en zei aldus:
O God
van hemelrijk mijn toeverlaat
Die de
verlosser gezonden hebt tot onzer dienst,
Als uw
vader bekwam,
Welke is
de oorzaak, welke de misdaad
Of
vilein kwaad,
Dat ik
tegen u of uw zoon eerzaam,
Buiten
het betamelijke,
Gedaan
mag hebben? dat dus ik me schaam
Uit mijn
lichaam zeven honden gekomen zijn,
Waarbij
ik mijns heer vriendschap van hoger faam
Verloren
heb? Ja ik weet wat ik raam,
Al dat
mijn is, is niet dan zware gedachte,
O kostelijk
karbonkel, o klare robijn,
Verleen
me dat ik mijns mans vriendschap win,
Dat bid
ik u zoon der hemelse koningin.
O Jezus
Christus, opperste Heer gebenedijd,
Die
verlosser bent,
En om
onze zonden hebt gestort uw bloed,
Dus we
kregen voorspoed,
U gebenedijde
moeder, hemels jolijt,
Kreeg
droefheid in het hart als volle vloed,
Dus ben
ik wel bekend,
Ik bid u
Heer door minnen gloed,
Die ge
tot ons waart had, dat ge al mijn zonden
Afwassen
wil, die nooit deden onspoet
Door
vijand bedriegen o vader zoet,
Dat bid
ik u minnelijk door uw vijf wonden
O Gods
schat, s werelds troost bevonden,
Wees
mijn advocaat en ik uw vriendin,
Dat bid
ik u zoon der hemelse koningin.
Alzo
waarlijk Heer als gij door uw propoost,
Uw
moeder hebt vertroost,
Op de
Paasdag toen ge u hebt vertoond,
Glorieus
verschoont,
Voor de
vrouwen en apostelen ongenood,
Nochtans
elk een kroont,
Die u
met harten aanroepen ongehoond:
Ik
onwaardige dienares van woorden klein,
Roep u
aan Allerhoogste gekroonde,
Dat ge me
wilt verwerven rein persoon,
De
gratie mijn mans in ere alleen,
Want ik
nooit peinsde hem onwaarde geen,
Of
ongelijk te doen met hart of zin,
Dat bidt
ik u zoon der hemelse koningin.
Prinselijke
prins der engelenscharen,
Wil me
bewaren,
Ik zet
me onder uw beschermen voort,
Spreek
toch mijn woord,
Dat de
vriendschap mijn man mag varen
Tot mij
waart zonder sparen:
Ge kent
me onschuldig, dus maak akkoord,
Mijn
bede aanhoort,
Vertroost
me Christus is mijn comfort
Want ik
bedrukt ben, ten einde van begin,
Dat bid ik
u zoon der hemelse koningin.
HOE
KONING ORIANT ZIJN RAAD LIET VERGADEREN OM TE WETEN WAT HIJ DOEN ZOU MET ZIJN
KONINGIN DIE ONTERECHT VAN ZIJN MOEDER MATABRUNE WAS BESCHULDIGD.
Hierna
liet de koning zijn raad vergaderen geestelijk en wereldlijk en zei: Ik heb u
allen laten komen om mijn koningins wil, want me is gezegd dat ze gelegen is
van een hond zoals men haar oplegt, daarom zou ik me schamen haar te houden in
mijn gezelschap en daarom wil u me hierin het beste aanraden. Toen was daar een
wijs man, een bisschop, die gekozen was om het woord te doen en die zei; heer
koning onder correctie van u en van u heren zo zal ik u zeggen het goeddunken
van ons allen van uw koningin die men zegt ontvangen te hebben 7 honden, zo bid
ik dat ze niet sterven zal want het is mogelijk dat in haar slaap enig beest
gekomen is die haar deze overdaad gedaan heeft buiten haar weten en wil, hierom
is zij niet schuldig en ook uw edel lichaam heeft bij haar gerust naar het
inhouden van het huwelijk. Hierom dunkt me bij uw waardigheid dat gij haar niet
zal laten doden, maar zal haar laten bewaren in een eerlijke plaats en geven
het recht God op, die een oprecht rechter is, want de waarheid zal noch wel
openbaar worden. Van deze raad was de koning vertroost en was hem zeer
behaaglijk want hij de koningin zeer beminde. Toen stond een andere ridder op
die zeer straf zei: Heer koning wil ge dit wijf laten leven die u zo grote
schande aangedaan heeft? Indien zij altijd gevangen blijft zo mag ge nimmermeer
een ander wijf nemen en zo zou het koninkrijk blijven zonder erfgenaam van u:
Hierom want zij het wel verdiend heeft zoals blijkt zou ge haar laten
verbranden en dan mag ge een ander trouwen daar ge uw druk mee vergeten zal. De
koning prees die raad niet, maar besloot en zei, als die de koningin behoeden
wilde: Mijne heren als ze schuldig was de dood zo heb ik beloofd en noch beloof
dat ik na haar dood nimmermeer een ander wijf trouwen zal om geen goed ter
wereld. Toen besloten de heren dat ze gevangen zou blijven zoals de bisschop
uitgesproken had en toen werd ze gevangen gezet in een eerlijke plaats daar ze
van twee ridders gediend werd als een koningin. En toen Matabrune hoorde dat de
bisschop alzo de uitspraken gedaan had sprak ze hem schandelijk met felle
woorden. Niet te min de twee ridders legden Beatris zoetelijk in een schone
kamer als gevangen en ze zeiden haar hoe de hele raad gesloten was en hoe haar
de koning bevrijd had van de dood en hoe hij belast had dat men haar eerlijk
dienen zou. Nochtans bleef ze jammerlijk wenen en besloten in de kamer, maar ze
gebood dikwijls tot de koning en dankte hem van de gratie die hij haar bewezen
had na de grote overdaad die men van haar zei en ze beloofde altijd voor hem te
bidden. En zo bleef ze besloten tot de tijd dat er een van haar zes zonen in
goede oudheid zijnde, Helias geheten, haar verloste uit de gevangenis.
HOE DE
HEREMIET DE ZEVEN KLEINE KINDERTJES DOOPTE EN HOE EEN VAN MATABRUNEN JAGERS DIE
VOND SPELEND IN DE BOSSEN BIJ DE KLUIS.
Ik wil nu
achterlaten van koning Oriant en van de koningin en verhalen weer van de zeven
kindertjes die ellendig gevoed waren in het huisje van de heremiet. Nadat deze
kinderen gevoed waren van de witte geit die bij mirakel van God gezonden was zo
liet hij ze allen dopen en onder de zeven kinderen was er een die hem
wonderlijk goed behaagde en die hij naar hem Helias liet heten. En als ze waren
in de tijd van hun jonkheid zo liepen ze in het bos gekleed met een rokje van
bladeren gemaakt en barvoet, blootshoofds en gingen altijd tezamen. En het gebeurde
op een tijd dat een jager van Matabrune, Savari geheten, kwam jagen in het bos
daar de heremiet woonde: Zo wilde God schepper aller creaturen dat deze jager
zou vinden deze zeven kinderen die onder een boom waren gezeten en hadden elk
een zilveren ketting aan de hals en onder deze boom raapten ze wilde appels die
ze aten met brood en de jager kreeg groot genoegen toen hij ze zag en groette
ze vriendelijk, maar ze antwoorden hem niet en liepen weg voor hem en hij
volgde ze tot de kluis omdat hij weten zou van waar ze kwamen. Toen de heremiet
hem zag o zei hij: O goede vriend, ik bid u om Gods wil dat ge deze arme kleine
kindertjes geen kwaad doet. Neen ik, in vertrouwen zei de jager, maar ik
verwonder me aan te zien hun arme staat en ook om de zilveren kettingen die ik
hun zie dragen aan hun hals. Toen zei de heremiet, mijn vriend zo ge ze ziet zo
heb ik ze gevonden klein en net geboren in het bos en om hun te voeden zo kwam
bij mirakel een witte geit die ze opgevoed heeft met haar eigen melk de tijd van
drie jaar en daarna heb ik ze opgehouden naar mijn macht winter en zomer. Toen
zei de jager: God zal u goed loon geven en hij vertrok van de heremiet. Toen
hij weer te Lillefoort gekomen was zo vertelde hij Matabrune hoe hij gevonden
had zeven kinderen in het bos en elk met een zilveren ketting aan de hals die
hij vond onder een boom spelen. Waarvan Matabrune verwonderd was en wist wel
dat het de zeven kinderen waren die koning Oriant had van Beatris en die ze
meende dood te wezen. Maar God die hen alle beschermt die hem dienen had ze
behoed voor alle kwaad: Waarvan Matabrune verstoord was en ontbood heimelijk de
jager en zei: O mijn vriend, ik wilde om geen goed ik had deze tijding gehoord,
maar wil je mijn vriendschap hebben zo neem nog mee uw gezellen die ge wilt, ge
moet deze zeven kinderen gaan doden en is het dat ge ze niet doden wil, ik zal
u terstond laten doden en is het dat ge het doet ik zal u belonen en ge zal
nimmermeer gebrek lijden. Hij zei: Ik zal ze doden naar uw wil en ge zal wel
weten dat het waar is. Toen ging Matabrune met dolle zinnen tot hem die ze de
zeven kinderen had we laten dragen om te doden wat hij niet gedaan had door
ontferming waarom ze hem beide zijn ogen uitstak.
HOE DE
JAGER SAVARI DOOR HET GEBOD VAN MATABRUNE, GING OM TE DODEN DE ZEVEN KINDEREN
EN HOE ZE IN ZWANEN VERANDERDEN.
Bij het
gebod van Matabrune nam de jager Savari met hem zeven mannen om te doden de
zeven kinderen en deze jager kwam in een dorp daar ze zagen grote vergadering
van volk en ze gingen derwaarts en vroegen wat daar te doen was en hun werd
gezegd dat men ging een vrouw verbranden bij recht omdat ze haar kind gedood
had. Toen ging Savari van daar en dacht om de moord daar hij om gezonden was om
te doden de zeven kindertjes en zei: zie hier een goede spiegel voor ons want
men gaat verbranden dit wijf omdat ze haar kind gedood heeft, welk oordeel
zouden wij wachten doden we de zeven kinderen die ik in het bos gevonden heb en
el heeft een zilveren kettingen aan de hals, maar vermaledijd moet hij zijn van
God die hun enig kwaad doen zal. Toen de jagers gezien hadden de
justitie die over de vrouw gedaan werd zo zeiden ze: Wij willen de kinderen
niets misdoen, maar we zullen hun de ketens af doen en brengen die Matabrune
tot een teken dat ze dood zijn: Dit dacht hun allen goed en ze gingen in het
bos en kwamen in de kluis daar die zeven kinderen woonden met de heremiet want
de heremiet was bidden in het naaste dorp en had met hem geleid een van de
kinderen om het brood te dragen dat men hem geven zou en de kinderen begonnen
jammerlijk te roepen van bangheid. Toen zei Savari schrik niet kindertjes, wij
zullen u geen kwaad doen. Toen namen ze hun de kettingen van de hals en zo gauw
als zij ze afgedaan hadden zo waren ze in een ogenblik veranderd in witte
zwanen, bij de toelating van God, en vlogen in de lucht, ontrent het bos
deerlijk en jammerend roepend waarvan Savari en zijn gezellen zeer verschrikt
waren en vielen in onmacht en toen ze opstonden beefden ze van groot gevaar en
zeiden:
O God die alle dingen ten gronde doorziet,
Wat is
hier geschiedt, die weet wat het betekent,
Dat deze
zes kinderen zijn in zwanen veranderd?
O valse
Matabrune verraadster doorkneed,
Door u
hebben we groot verdriet
Verdient,
want we Gods toren hebben vermeerderd,
Dat we
hier ooit kwamen om te doen kwaad,
O God
almachtig wreek dit valse verraad.
Hier
moet wat wonders in zijn gedachte,
Van Gods
kracht die bij zijn macht,
Dit laat
geschieden om wonderlijke zaken
Gods
hoge mogendheid groot geacht,
Dit
lijden doch zacht, van eender dracht
Zeven
kinderen geboren is ons zwaar te maken,
Zendt uw
hand op verraderij kwaad,
O God
almachtig wreek dit valse verraad.
Al waren
onze harten in zonden versteend
God
heeft ons verkleind dat we hadden gemeend
Te
volbrengen om deze kinderen te doden,
Het zij
u Matabrune, ons hart verenigt,
Uw
misdaad ook beweent die wil het hebben verkleind
Dit edel
bloed, we zullen ze niet minderen,
O
opperste regent wil hun druk verminderen,
En op
het behoeden van deze misdaad
O God
almachtig wreek dit valse verraad.
Prins,
Prinselijke
Vader hoogste glorie,
Deze
jonge kindertjes weer veranderen laat,
En we
bidden u met hartelijke memorie,
O God
almachtig wreek dit valse verraad.
Laat ons gaan
van hier: want we zijn hier te lang geweest, we hebben niet dan zes kinderen
gevonden en al waren ze levend hier, we zouden hun niets misdoen. Maar om
Matabrune te antwoorden zo zullen we haar brengen deze zes kettingen en zeggen
dat we de zevende verloren hebben onderweg, aldus zijn ze weder gekeerd tot
Matabrune en zeiden dat ze de zeven kinderen gedood hadden en ze gaven haar de
zes kettingen in een teken van de waarheid en zeiden dat de zevende verloren
was, waarvan Matabrune zeer uitzinnig werd, maar om vrede te hebben boden ze
haar zoveel te geven als de ketting waard was waarvan ze wat beter tevreden
was. En toen Matabrune de kettingen had zo ontbood ze een goudsmid en liet
daarvan maken een nap. Toen de goudsmid een ketting in het vuur gelegd had om
te proeven of het goed zilver was zo werd de ketting zo zwaar en woog meer dan
al de zes kettingen deden tezamen waarvan hij zeer verwonderd was en gaf de
andere vijf kettingen zijn wijf te bewaren in haar koffer, want de ketting die
gesmolten was die was zwaar genoeg voor twee zulke nappen zoals Matabrune
begeerde te hebben. Zo maakte hij twee zilveren nappen van deze ketting en hij
behield de ene nap met de andere vijf kettingen die hij behield tot een tijd
die van God gezet was zo ge horen zal. En hij bracht Matabrune de ene nap. En
ze verwonderde zich dat hij had mogen maken zo’n grote nap van zo luttel zilver
zoals ze docht dat ze hem had gegeven.
HOE DE
HEREMIET WEDEROM KWAM TOT ZIJN KLUISE MET ZIJN PETERS.
Toen de kinderen veranderd waren in witte zwanen zo kwam de heremiet weer tot zijn kluis met de jonge Helias en ze vonden de andere zes kinderen niet die ze daar gelaten hadden waarvan ze ontevreden waren. En de heremiet zocht aan de ene zijde en de jonge Helias aan de andere zijde, het hele bos door de hele dag lang tot de avond toe, maar ze vonden ze niet, dus ze droevig waren. ‘s Morgens vroeg begon de jonge Helias zijn broeders en zuster weer te zoeken al wenende totdat hij op een water kwam daar hij zag zes schone zwanen dat zijn broeders en zuster waren alzo veranderd bij de wil van God, maar het was hem onbekend, nochtans verheugde hij zich in het aanzien van de zwanen natuurlijk en hij ging naarder bij hen en ze kwamen hem feliciteren en hij gaf hun brood dat hij had en hij streek ze over hun lijf van naturen die hem dat deed doen en alzo hier geschreven is, zo ging deze kleine Helias hun alle dagen bezoeken en droeg hun het brood dat hem gegeven werd om Gods wil. Toen de heremiet vernam dat hij dikwijls op dat water ging spelen zo vroeg hij hem wat hij daar deed, zo zei hij de heremiet dat hij gevonden had zes schone zwanen die hem onuitsprekelijke vriendschap bewezen. Deze Helias was schoon en jong, sterk en gracieus en daar kwam niet een beest in het bos hij achtervolgde die met nalopen, hij was ook van goede zeden zodat de heremiet ordineerden om hem priester te maken en ten dienste van God te stellen. En dit was de heremiets mening tot de tijd toe dat hem de engel boodschapte dat God anders met hem geordend had, alzo het later wel scheen .
HOE
MATABRUNE VALSELIJK LIET BEWIJZEN DAT DE KONINGIN HAD MISDAAN MET EEN HOND.
Deze Beatris zat als gevangen, maar niettemin altijd loofde ze God. En Matabrune zocht altijd list om haar ter dood te brengen: En ze maakte toen bij giften een valse ridder geheten Macharis die zei dat Beatris had bekend geweest van een hond waarvan ze had ontvangen zeven honden en dat ze er op gestaan had haar koning te vergeven met zijn moeder Matabrune. Wat de goede vrouwe nooit had gedacht, want ze had haar heer zo lief als ooit een vrouw haar man deed waarom ze haar man geen ongeluk zou hebben willen doen. Toen de koning hoorde van deze valsheid van deze ridder was hij vertoornend en bedroefd. En boven op dit zei Macharis: Ik begeer een kamp te slaan tegen al diegene die haar verantwoorden willen. Waarom de koning meer verwonderd en vergramd was tegen zijn vrouwe die het alles onschuldig was en zwoer bij God dat hij haar doden zou zover als niemand voor haar kampen wilde.Toen kwam daar een schildknecht en zei dit tot Beatris hoe de koning gezworen had dat hij haar zou laten sterven was het dat niemand kampen wilde tegen Macharis. Toen de goede koningin deze woorden gehoord had was ze bijna dood gebleven en begon te roepen.
Waar ik
me wend of keer te alle zijden,
Ik heb
eylaas niets dan druk en lijden
Die mij
bestrijden
Zo hard,
ik zie wel ik ben verraden
En ik
weet geen man als nu ten tijden,
Die mijn
recht beschermen zou zonder vermijden:
Maar aan
de oppersten God roep ik genade,
O Heer
Jezus Christus die kon het ontladen
Alle
bedrukte harten, ik roep aan dij,
Ootmoedig,
wil me niet versmaden,
Maar
door uw grondeloze goedheid sta me bij:
Op uw
rechtvaardigheid vertrouw ik mij
Want
elke onschuld is u bekend in het slechte,
En
twijfel niet Heer ge zal vrij
Me goedertieren
helpen tot mijn recht.
O God
die door uw goedheid de geest
Van de
jonge Daniël verwekte allermeest
Om
Susanna bevreesd
Van de
doodt, mits haar onschuld, te beschermen,
Die
openbaar gelegd werd, vat wel het verhaal,
In het
recht beschuldigd in zwaar tempeest,
Ter dood
geëist,
Van twee
valse getuigen zonder ontfermen,
Van de
zonde des overspel, ge hoorde haar kermen,
En zond
haar Daniël te onderstaan.
Zo
waarlijk als ge weet mijn onschuld beschermen,
Zo
behoedt me Heer voor schande,
Zo
waarlijk als ge vernielde de vijanden
Van
Susanna en bracht in doods gevecht.
Zowil
ook, want altijd al door uw handen,
Me
goedertieren helpen tot mijn recht.
Ge weet
wel Heer mijn God waarachtig,
Dat ik
tegen mijn man voorbedacht,
Ben
beschuldigd krachtig,
Onschuldig,
wat u alleen is bekend:
En me te
verantwoorden ben ik niet machtig,
Zonder
uw rechtvaardige hulp krachtig,
Die ik
ben te verwachten,
Zo wel
als Susanna, o hemelse regent:
U
goddelijke ogen tot mij waart went
En wil
me barmhartig aanzien,
Zodat ik
mag blijven ongeschonden,
En dat
me mijns mans gratie mag geschieden,
Dat bid
ik u Heer ootmoedig:
Verlos
me uit dat verraad hecht,
En wil
me o Heer door u gebieden
Goedertieren
helpen tot mijn recht.
Prins.
Prinselijke
prins aller prinsen prinsier
Wil me behoeden
o Heer der Heren,
En me
bevrijden van dit gevaar,
Opdat ik
mag blijven in mijn eren.
Bescherm
me minnelijk voor vijands gevechten,
En wil o
God, om uw lof wil te vermeerderen,
Me
goedertieren helpen tot mijn recht.
De
schildknecht troostten haar zoetelijk en hij scheidde ootmoedig van haar en
Beatris bleef altijd in haar kamer gevangen totdat God haar verloste.
HOE DE
ENGEL DE HEREMIET TE KENNEN GAF DAT DE ZEVEN KINDEREN DIE HIJ GEVONDEN HAD
KINDEREN WAREN VAN KONING ORIANT EN DAT HIJ ZIJN PETER ZOU ZENDEN OM DE
WAARHEID AAN TE TONEN.
Nu heeft
God verhoord het gebed van Beatris en heeft gezonden zijn engel uit de hemel om
te openbaren de heremiet dat de zes zonen en een dochter die hij gevonden had
in het bos waren kinderen van koning Oriant en Beatris die ze van hem ontvangen
en gebaard had in een dracht, maar de kwade Matabrune en de vroedvrouw gaven
hem te verstaan dat zij ontvangen had van een hond en de zwanen die de jonge
Helias dagelijks spijst zijn zijn vijf broeders en zuster alzo verandert toen
Matabrunens jager Savari met zijn gezellen hun namen de zilveren kettingen van
hun hals gelijk Helias heeft. En dat hij zou zenden de jonge Helias om te
bevechten de valse ridder die te onrecht beschuldigde de goede koningin, zijn
moeder, bij ingeven van Matabrune die haar graag had laten doden en de 7
kinderen mede, welke Matabrune heeft Beatris laten gevangen houden 16 jaar lang
en hij zal zijn vijanden overwinnen en zijn broeders en zuster zullen later
weder komen in hun menselijke vorm en van hun zal komen een grote vreugde. Toen
de engel dit alles gezegd had zo keerde hij weer ten hemel en de heremiet bleef
half uitgelaten. En toen hij weer bijgekomen was riep hij de jonge Helias die
van het water kwam en had de zwanen brood gedragen zoals hij dagelijks deed
door ingeven van de natuur en vertelde hem al hetgeen dat de engel gezegds had,
o mijn peter ik wist niet dat gij van zo edel bloed gekomen bent zoals ge bent
en ik zou u met recht eren als van Gods wegen en uwe edele vrienden. Toen zei
de jonge Helias, welke nieuwe tijding heb je gehoord? Toen zei de heremiet: Gij
zal weten, mijn heer, mijn vriend, dat de engel van de hemel me heeft
geboodschapt dat gij bent een zoon van koning Oriant en van de edele koningin
Beatris. En het is nodig bij het gebod van God dat ik u zeggen zal al hetgeen
dat hij me bevolen heeft. Dus zal ge weten dat uw moeder u alle zeven tezamen
ontvangen heeft van de koning Oriant en baarde u in 'eenmaal, maar de kwade
Matabrune met hulp van de vroedvrouw, toen gij en uw andere vijf broeders en uw
zuster ontvangen werd van haar lichaam, deden te verstaan geven dat ze gelegen
was van zeven honden die ze tevoren daartoe bereid hadden en uw moeder wist ook anders niet. Want Matabrune gaf een
van haar dienaars de zeven kinderen die ze beval te doden, maar van ontferming
liet hij u lieden in het bos al naakt om van honger te sterven, op dezelfde
plaats daar ik u eerst vond. En daarna hoorde Matabrune tijding van u lieden en
ze zond van haar volk om u te doden, maar ze vonden toen maar uw vijf broeders
en uw zuster die ze hun zilveren kettingen namen van hun hals zoals gij ook
hebt en terstond waren ze veranderd bij de wil van God in zwanen en vlogen
naast het bos in het water en zijn diegene die ge dagelijks te eten gaat geven
op het water, maar ze zullen op toekomende tijden weer veranderen in hun
menselijke natuur zoals ze tevoren geweest hebben. En om deze voorzegde
verraderij zo liet uw vader uw moeder zetten in een gevangenis daar ze in is
geweest 15 jaren lang. En nu heeft Matabrune gedaan met geld dat een ridder van
uw vaders hof, Macharis geheten, heeft gezegd dat ze zou bekennen en ontvangen
hebben van een hond en dat uw moeder zou hebben vergeven willen uw vader en
Matabrune, waarom de koning gezworen heeft te laten doden uw moeder, is het dat
ze niemand vindt die voor haar kampen wil tegen de ridder om haar recht te
bewaren. Hierom is het geschikt van Gods wegen dat ge daar zou gaan om te
behoeden haar recht tegen de valse ridder en tegen allen die haar beschuldigen
met onrecht en ge zal victorie hebben en zal verlost worden uit de gevangenis
en gesteld in meer eer dan tevoren. En uit uw geslacht zal komen een vroom heer
geheten Godefroy van Billoen die door zijn kracht winnen zal het land van
Jeruzalem en andere landen om te verbreiden de hoge naam Jezus en de heilige
wet van God. Toen de jonge Helias die wijs en geleerd was bij het ingeven God
gehoord had alle woorden van de heremiet zo stelde hij hem in de goddelijke wil
en bereidde zich voor om te zien zijn vader en moeder. En zo ging hij tot zijn
vader en moeder gekleed met bladeren, barrevoets, blootshoofd en een stok in
zijn hand om te behoeden zijn moeder omdat men weten zou het mirakel dat God
bij hem vertonen wilde en hij nam verlof aan de heremiet en zei dat hij toch
elke dag wilde te eten dragen de zwanen op het water en de goede heremiet
beloofde zijn peter dat te doen tot de tijd toe dat God het anders ordineerde.
Hierna vertrok de jonge Helias te Lillefoort, volbrengende het gebod van God.
HOE DE
KONING BEATRIS VOOR RECHT LIET KOMEN.
De dag kwam dat de koning Beatris ter dood veroordelen zou en hij liet haar uit de gevangenis brengen om haar te verontschuldigen in zijn tegenwoordigheid van hetgeen daar ze mee was beschuldigd van de ridder. En toen ze daar stond voor alle ridders en heren die daar vergaderd waren zo begroette ze ootmoedig de koning op beide haar knieën hem biddende genade, zo deerlijk dat alle heren ontferming hadden op haar en bijzonder de koning die haar aanzag met grote rouw zodat hij nauwelijks spreken kon. Toen gebood de koning de valse ridder te zeggen in zijn tegenwoordigheid daar hij haar mee bezwaarde. Terstond zei Macharis als een verrader: heer ik heb u gezegd en ik blijf er bij dat ik haar gezelschap heb zien hebben met een hond waarvan ze gebaard heeft en daarna heeft ze me heimelijk venijn willen geven om u te doden en u moeder Matabrune dat ik niet doen wilde. Toen zei de koning: Vrouwe ge wordt hier zwaar beschuldigd, wat zeg je op dit stuk? zeg de waarheid, ge zal niet sterven, maar ik zal u in een klooster doen om te verbeteren uw zonden en God voor u en mij te bidden en is het dat ge het niet belijden wil, ik zal u laten sterven een schandelijke dood tenzij dat iemand uw rechten beschermt. Beatris zei: heer ik weet wel dat ik niemand vinden zal die mijn recht zal helpen beschermen, nochtans zweer ik hier voor u allen dat ik onschuldig ben van al deze zaken en is God waarachtig zo heb ik dit schandelijke werk nooit gedacht dat men van mij zegt tegen uw eer en in mijne en ik klaag de almachtige God en geef hem de wraak van mijn vijanden die me vals beliegen.
HOE
HELIAS TE HOF KWAM OM ZIJN MOEDER TE VERLOSSEN EN HOE HIJ DE PORTIER MET ZIJN
STOK TER AARDE SLOEG EN DE VERRADER OOK IN DE ZAAL.
Ze waren
allen vergaderd in de konings hof om te verwijzen de koningin ter dood, zo kwam
daar de jonge Helias, de koning en de koningin zoon, die een stok had in zijn
hand en heeft groot vertrouwen in God om te beshoeden zijn moeder Beatris. En
toen hij kwam bij de poort van het hof daar vond hij een man die hem vroeg wat
hij zocht. Toen zei hij: ik zoek de valse ridder Macharis en hij meende met hem
te spotten en zei ik ben het en terstond sloeg Helias hem met zijn stok ter
aarden en daar kwam een dienaar en ving hem, menende dat hij zot was omdat hij
zo gekleed was en bespotte diegene die geslagen was en zei dat men met geen
zotten spelen zou en Helias trok hem kloek uit de dienaars handen en zei laat
me gaan want ik zal niet rusten eer ik heb me gewroken van de valse Macharis
die te onrecht beschuldigt de koningin, mijn moeder. En zo was er een die hem
zei dat Macharis was in de zaal en beklaagde Beatris voor de koning met groot
misdaad dat hij dacht vals te zijn en zei dat de koningin een goede vrouw was
en dat men haar te onrecht wilde laten sterven. En toen hem Helias zo hoorde
spreken kwam hij hem omhelzen. Toen leidde hij hem naar de zaal daar men raad
hield en daar menig bedrukt man was om Beatris en toen kwamen zij ook om te
zien wat Helias maken zou die scheen te zijn een wilde man en kwam binnen bij
de koning die vroeg wat daar was en men zei hem dat er een jongen was geheel
naakt die naar Macharis vraagt en zegt dat hij hem wil bevechten om te behoeden
de eer van de koningin die hij zegt te wezen zijn moeder. Ay zei de koning, ik
zie wel het is maar een zot. Toen zei daar een ridder: heer ik heb hem nochtans
wijs horen spreken. Toen liet de koning vragen wat hij zocht en hij zei ik zoek
Macharis en hij werd hem gewezen, toen ging hij hem nader en zei: Ay valse
verrader en ontrouwe ridder, ik roep u te kamp en terstond gaf hij Macharis een
slag met de vuist zodat hij ter aarde viel en zou hem de hals afgestoken hebben
had hij een mes gehad, maar hij werd uit zijn handen genomen waarom veel
ridders zeiden dat het goed besteed was omdat hij zo schandelijk de goede
Beatris beschuldigd had. En toen de koning Macharis de vuistslag zag geven zo
zei hij tot Helias: Wie maakt u zo koen dit te doen in mijn presentie? Toen zei
hij: O heer ik ben hier gekomen bij het gebod van God om te zeggen de waarheid
van de zaken en van alle stukken daar ge hier te recht om zit. De koning zei:
Doe dat, Helias zei, ik zal het zeggen. En terstond ging hij tot zijn moeder
die hij daar zag en omhelsde en zei, mijn beminde en echte moeder hebt niet
meer droefheid in uw hart, laat varen uw wenen want ik zal u bij de gratie van
God weer in genoegen helpen en zal laten blijken dat gij valselijk verraden
bent van diegene die uw eer met recht zou bewaren en behoeden. Toen dit de
koning hoorde was hij zeer verwonderd denkende in zichzelf: zie toch nu een
teken van God almachtig. En die daar omtrent waren bleven zeer verwondert. En
Helias bleef bij zijn woorden en zei aldus: Mijn heer mijn vader ik laat u
zeker weten toen ge liet bewaren Matabrune uw moeder mijn vrouw moeder die zwaar
ging van mij en mijn broeders en van mijn zustertje om te gaan strijden tegen
uw vijanden zo kreeg uw moeder zo’n grote nijd op mijn vrouw moeder (door hulp
van de vroedvrouw) en overdroeg de valsheid die ge horen zal, maar in de
waarheid ze baarde zes zonen waarvan ik er een ben en een dochter en we
brachten elk aan onze hals een zilveren ketting zoals ge mij ziet dragen. Toen
we geboren waren liet ze ons weg dragen in een kleine plaats en nam zeven
kleine honden en liet mijn moeder verstaan dat zij ze gebaard had wat ze ook
meende door de grote pijn die ze had. En ze had bevolen een van haar dienaars
ons te doden, maar toen hij in het bos kwam zag hij ons aan met ontferming en
liet ons daar naakt liggen zonder ons enig kwaad te doen. Daarna werden we gevonden
van een heremiet geheten Helias die ons minnelijk droeg in zijn kluis daar hij
nog woont en verwarmde en voedde ons naar zijn macht en deed zijn gebed tot God
dat hij ons zou mogen opbrengen. Zo kwam daar bij mirakel een witte geit om ons
te spijzen met haar melk drie jaren. En daarna voedde ons de heremiet met het
brood dat hem om Gods wil gegeven werd. En op een tijd toen we zaten en aten
wilde appelen in het bos zo vond ons de jager van Matabrune en wij hadden een
zilveren ketting aan de hals wat hij Matabrune zei. Toen zond ze de jager voor
gezegd weer om ons alle zeven te doden. En op een tijd toen de heremiet en ik
waren uutgegaan om brood en nooddruft te bidden zo kwam diezelfde jager met 7
andere gezellen, die namen de zilveren kettingen van mijn vijf broeders en van
mijn zuster die terstond werden veranderd in witte zwanen en zijn in de vijver
bij het bos daar ik ze dikwijls brood gegeven heb om te spijzen en tenslotte is
gekomen de engel Gods die deze dingen heeft gezegd de devote heremiet, mijn
peter, en heeft hem bevolen van God dat ik op deze zelfde dag zou komen al hier
om te beschermen mijn moeder, hierom ben ik gekomen door Gods bevel om te
beschermen mijn moeder en te bestrijden de verrader Macharis die mijn moeder
heeft beschuldigd van onmenselijke stukken. En om de waarheid van dezen zal ge
hem en mij gevangen stellen tot de tijd toe dat ge ontbieden wil de goede
heremiet om getuigenis te geven van de waarheid. Toen koning Oriant hem aldus
hoorde spreken was hij nog meer verwonderd en sprak tot zijn koningin, hoor
hier naar, wat dunkt u van deze woorden? Ze zei, ik weet het niet want toen ik
baarde was ik zo overladen dat ik nooit verstond of gevoel had, maar niettemin
heeft ze wel of kwalijk gedaan en dat zal ze nog wel ondervinden, maar ik geef
God en deze jongeling op die me God gezonden heeft om voor mij te vechten en ik
bid u dat ge hem doen wil zoals uw zoon en hem geven alles dat hem van node is
om onze eer te bewaren.
HOE DE KONING
GEBOOD EEN HARNAS TE MAKEN VOOR ZIJN ZOON HELIAS OM TE KAMPEN TEGEN DE VERRADER
MACHARIS EN IN HET BOS KWAM TOT DE HEREMIET.
Na deze
woorden die ze onderling hadden gehad zo liet de koning in een eerbare kamer
zetten zijn koningin, lovende God almachtig. Toen vertelde hij al hetgeen dat
hij gehoord had van zijn moeder Matabrune waarvan zij ontstak in haar aanzicht
en kreeg groot gevaar, maar nochtans meende zij het te bedekken met haar
valsheid, maar de koning achtte haar woorden niet, maar hij gebood dat men
Macharis vangen zou want hij dacht dat het alles verraad was. Daarna beval hij
dat men een harnas zou laten maken naar het lijf van Helias die zo schoon en
dapper was zodat elk hem beminde met goede harten. Dit alles gedaan zijnde
maakte de koning gereedschap om te jagen en was zeer verblijd van deze
tijdingen en vertrok heimelijk tot de heremiet in het bos om zelf te horen de
waarheid van hetgeen dat hem de jongeling gezegd had. Toen hij de heremiet
gevonden had vertelde hij hem hetgeen dat hem de jongeling gezegd had. En de
heremiet zei hem weer de tijd en dag dat hij de zeven kinderen gevonden had in
het bos en alles dat er geschied is, dat heeft de jongeling gezegd. Toen kreeg
de koning grote rouw in zijn hart om het groot ongelijk dat hij zijn koningin
zo’n lange tijd gedaan had om de verraderijen en zei.
O
Eerwaardige beminde vrouw,
Hoe zou
ik u in enige vouw,
Genoegen
doen voor die grote ontrouw
Daar me
verraad toe heeft gebracht.
O moeder
vol dodelijk venijn bij uw aanschouwen
Breng ik
mijn koningin in rouw,
Me dunkt
dat ik tot de dood verflauw,
Mijn
kinderen zijn in zwanen veranderd o goddelijke kracht,
Hoe mag
iemand zo vals zijn bedacht
Verraad
te stichten en gekijf
Daar
eendracht behoorde te zijn geacht.
Maar
valse tongen en verraders geslacht,
Stichten
tweedracht tussen man en wijf.
Tenzij
heb je in het bed de problemen
Doen
liggen gij verraderlijke natie,
Mijn
koningin die stond in mijn gratie,
Wreed
bedekt onder het deksel der tranen,
Die
genoegens, solaas tot elke spatie,
Behoorde
te hebben zonder problemen
Met mij
als haar hare tot eender fundatie,
Het is
meer dan het zij, het is drukkend vermanen,
O Heer
vergeef me mijn onrecht wanen,
En gij
edele Beatris me rouwt dit bedrijf,
Denkt
dat verraders valsheid te alle banen
Veel leed
bedrijven, vreugde zij uitbannen,
Ze
stichten tweedracht tussen man en wijf.
Ge weet
wel opperste God vermogend
Hoe ik
gedaan heb bij vals bedrogen
Die me
aanbracht valse leugen,
Dus
vergeef me mijn onwetendheid:
Uit
mezelf heb ik nooit gezogen
Al heb
ik het bij valse raad gekozen
Ik bid u
om gratie met menige bede,
Ik wil
graag verbeteren mijn wrede zede
Tegen u
o God met ziel met lijf,
Verminkt
Heer de verraders in het lijf en leden
Ze
minnen twist, ze haten vrede,
Ze
stichten tweedracht tussen man en wijf.
Prins.
Prinselijke
koning ter hoogste erven,
Verhoort
toch mijn bede met woorden stijf
Wil de
valse verraders bloed bederven
Want van
hun komt nimmermeer heel beklijf,
Ze
stichten tweedracht tussen man en wijf.
En zo
bedrukt nam hij verlof aan de heremiet die hij liet geven veel goeds om te
laten maken een kerk ter eren Gods in gedachtenis van de kinderen die daar
opgevoed waren en toen kwam hij wederom om te volbrengen de dag van kamp die
geordend was tussen de jonge Helias en de valse verrader.
HOE DE
KONINGIN KWAM UIT DE GEVANGENIS EN HOE DE KONING BEVAL HELIAS TE BEVECHTEN ZIJN
VIJAND.
Toen de
koning nu de hele waarheid wist van de heremiet zo zette hij de koningin in
haar vrijheid en meerdere eer en liefde dan ze ooit was en ze mocht gaan daar
ze wilde als onschuldig bevonden waarvan ze God almachtig dankte en het hele
volk was verblijd en loofden God eendrachtig. Daarna liet hij Matabrune
gevangen leggen en liet haar bewaren van vier dienaars. Daarna liet hij halen
de verrader Macharis dat hij zich bereiden zou om te kampen tegen zijn zoon
Helias die van God gezonden was om te bewaren de rechtvaardige zaak van
Beatris. En hij liet zijn zoon wapenen zoals dat behoorde. En Macharis was niet
blijde omdat hij kampen moest omdat zijn zaken vals waren en omdat Beatris vrij
gelaten was en Matabrune gevangen, nochtans hield hij zich of hij gelijk had.
En aldus kwamen ze beide in het kampveld daar veel heren en ridders kwamen en
men liet hun beide zweren dat elk meende goede zaken te hebben en toen werden
ze tot het kamp veroordeeld daar veel volk vergaderde om het einde te zien en
de koning en Beatris waren daar ook en andere grote heren. En aldus reden zij
in het perk daar Helias zeer rijkelijk in kwam met veel edelen en met kloek
hart hebbende de gratie Gods en Macharis kwam ook geheel bang toen hij zag dat
elk zo’n goed hart had tot Helias, maar in een manier van kloekheid riep hij:
Kom aan gij verwaande jongeling, ik zal heden deze dag zien wat uw kloekheid
tegen mij vermag. Helias zei: Ay valse verrader ik ben blij dat ik u hier zien
mag want ik kom ootmoedig tot u in de naam des Heren mits zijn gebod om mijn
moeders zaak gerechtelijk te behoeden die gij zo verraderlijk beschuldigd hebt.
Daar zal ik aan u voldoen de wil van God. Aldus zo zijn ze vergaderd en hebben
de lansen geveld, de paarden zo sterk laten lopen dat de jonge Helias de
verrader liet buigen met het paard ter aarden waarvan Macharis zeer verwonderd
was en zei: ha jongeling wil u uw jongheid op mij tonen met macht dan zal ge
dan voelen de macht van mijn arm. Toen zei Helias: Ik ben dus tevreden, komt
vrij kloek en dapper aan. Toen de jonge Helias en Macharis hun lansen lieten
zinken zo meende de verrader verraderlijk Helias te raken en nam hem in het
onbedekte zodat hij hem een luttel kwetste zodat daar bloed uit kwam. Toen dat
Beatris zag werd ze bang en bad God dat hij haar zoon wilde bijstaan en helpen
hem die de rechte zaak had en zei:
Vader,
Zoon, Heilige Geest, een waarachtige God,
Die
victorie geeft de kinderen van Israël
Tegen Farao
die ze onrechtvaardig hield in slot
Als
gevangen, verleent de gratiën lot
Van
victorie mijn zoon, in het gekwel
De
verrader te brengen, wiens vals opstel,
Tegen
mij opponeert om mijn diffamatie,
Gij hebt
hem mij gezonden uit liefde snel,
Dus bid
ik u Heer te deze spatie,
Om
victorie te krijgen, gun hem gratie.
Gun hem
uw gratie tot deze tijden,
Dat bid
ik u met knieën gebogen ootmoedig,
Door uw
passie en bitter lijden,
Dat gij
voor ons leed om ons te verblijden,
Aan het
heilige kruis met wonden bloederig,
Wiens
vurige liefde uit minnen gloeit
Nooit
iemand liet blijven in problemen,
Die in u
vertrouwen ter beden spoedig,
Ik
vertrouw in u en bid zonder falen,
Om
victorie te krijgen, gun hem gratie.
Ik bid u
ootmoedig buigende ter aarde,
Behoedt
mijn zoon voor verraders steken,
Die bij
rechtvaardige zaak nu gaat aanvaarden,
Het kamp
om mij te beschermen van onwaarden,
O Heer
laat uw hulp aan hem niet ontbreken,
Laat de
dauw der comfort op hem lekken,
Zodat
hij overwinnen mag de verraders natie,
Die
tegengesteld tot mijn eer spreken,
Doe van
mijn zoon vlieden alle moeilijkheden,
Om
victorie te krijgen, gun hem gratie.
Prins.
Victorieus
prins wilt hem gratie gunnen
Alle die
rechtvaardigheid beminnen,
Want
alle victorie is in het kruis begonnen,
Onder het
schild bedekt toch naar beginnen
Mijn
zoon Helias, koning der serafijnen,
Dat bid
ik u ootmoedig in mijn oratie,
Hoedt
hem van bedrog des verraders vinnen,
Niet
anders begeer ik in de eerste statie,
Om
victorie te krijgen, gun hem gratie.
En van
deze steek was het volk geheel verwonderd die hun hoop hadden op de goede
jongeling, maar God wilde hem niet verlaten. En toen Helias hem gewond voelde
deed hij als een edele ridder, toen hij zijn bloed zag nam hij een kloek hart
en riep: O gij verrader meende je me zo te verraden, is het u niet genoeg dat
ge mijn moeder meende te verraden maar meen je haar zoon ter dood te brengen,
maar ik hoop u zo te nopen bij de hulp van God dat ik niet weder keren zal of
heb u overwonnen, en ze zijn op elkaar gekomen en Helias stak Macharis de helm
af en ontblootte hem zijn hoofd. Toen sloeg hem Helias met het zwaard zodat hij
een lid niet kon verroeren en Helias keerde hem om en sloeg hem zijn arm af
daar hij het zwaard in had en toen de verrader hem zo gauw overwonnen zag zo
gaf hij zich over in Helias handen en zei: Och jongeling, ge hebt me
overwonnen, ik geef me op in uw wil. En ik bezweer u bij de almachtige God dat
ge me zegt wie dat ge bent. Toen zei Helias. Ik ben koning Oriants zoon van
zijn getrouwde koningin Beatris en ben hier gekomen om te behoeden mijn moeder
tegen u en al haar vijanden. De verrader zei, och edele zoon neem me gevangen
en vergeef me mijn misdaad. Helias zei, o valse verrader, ik zal zien het einde
van uw leven eer we uit dit kamp scheiden. Macharis zei: Ik bid u, laat me
leven totdat ik beken de waarheid van de verraderij die uw moeder gedaan is en
haar kinderen en ik zal u zeggen de goudsmid die de kettingen heeft die uw
broeders en zuster afgenomen waren toen ze veranderden in zwanen. Toen Helias
hem aldus hoorde spreken zo liet hij hem nog leven. Toen kwamen diegene die
daar geordineerd waren om het recht van het kamp te wijzen en ze wezen voor
recht Helias het kamp gewonnen te hebben en zijn vijand ondergebracht heeft met
de hulp van God. Toen zei Helias: Laat de koning mijn vader komen met mijn
moeder en met de heren om te horen het verraad van Macharis en Matabrune die ze
opgesteld hadden tegen mijn moeder en haar kinderen. Aldus kwam de koning en
koningin in het perk van het kamp met de edelen. Toen vroeg de koning: O
Macharis bent ge overwonnen en begeer je u op te geven in de handen van mijn
zoon Helias die me God hier gezonden heeft? Toen zei de verrader Macharis. Ja,
ik geef me op aan uw zoon en ik weet wel dat nooit kwaad ongewroken bleef en
niemand mag weerstaan de wil van God. Maar ik bid u om genade en ik zal zeggen
al dit verraad en geschiedenis en dan doe met mij uw wil. De koning zei: Het is
goed gezegd. Toen zei Macharis: Het is waar dat Matabrune uw moeder haar
beraadde met mij van hetgeen dat ze gedaan heeft. En ze gaf eerst te verstaan
uw koningin die hier tegenwoordig is dat ze ontvangen had zeven kleine honden,
maar weet dat het gelogen is want ze bracht ter wereld zeven schone kindertjes
en brachten elk een zilveren ketting aan de hals. Maar Matabrune meende deze te
doden door een van haar dienaren geheten Marcus die dat niet deed, maar liet ze
in een bos zo het uw zoon gezegd heeft en toen Matabrune dat hoorde stak ze
zelf hem zijn ogen uit die nog blind is en daarna zond ze van haar dienaars om
die te doden, maar ze vonden maar zes kinderen die ze hun kettingen van de hals
namen en terstond veranderden ze in zwanen, van deze zes kettingen liet
Matabrune een nap maken daar u de goudsmid wel meer van zeggen zal. En dat ik
zei dat ze u en uw moeder vergeven wil dat beken ik hier voor u allen dat ze
dat niet dacht. En toen de koning hem aldus hoorde spreken weende hij en
omhelsde vriendelijk de koningin en zei: mijn lief, ik heb u groot ongelijk
gedaan, maar vergeef het me, ik heb het onwetend gedaan dat me leed is. Toen
zei Beatris, ik vergeef het u graag van goede harten want ik weet wel dat het u
leed is. En toen gingen ze met hun zoon Helias gebenedijde God van de victorie
die hij gehad had en ook alle edel vrouwen met de gemeente en maakten groot
feest omdat de koning en koningin in goede liefde verzameld waren. En bij gebod
van de koning werd de verrader gehangen aan de galg naar zijn verdienste.
HOE
KONING ORIANT LIET HALEN DE GOUDSMID DAAR DE VIJF ZILVEREN KETTINGE GEBRACHT WAREN.
Toen het
kamp gedaan was en de verrader gedood was zo keerden de koning en de koningin
te hof met hun zoon daar hun grote eer gedaan werd en ze worden eerlijk
ingehaald van de bisschop en zijn staat, de volgende dag hield men processie
generaal, God dankende. Toen hield de koning open hof met grote tornooien en
veel geneugten. Na dit feest werd gehaald Matabrunens goudsmid om de waarheid
te weten van de zilveren kettingen daar hij een nap van zou maken en de
goudsmid bracht vijf zilveren kettingen en de nap die hem over gebleven was van
de andere kettingen en gaf ze de koning en zei: Uw moeder bracht me zes
zilveren kettingen om te maken een nap, maar toen ik de ene ketting smolt werd
ze zeer zwaar van zilver zodat ze alleen woog tweemaal zoveel als de zes
kettingen waarom ik de nap met de andere kettingen eerlijk heb bewaard in mijn
koffer die ik nu breng en is het dat ik hierom tegen uw waardigheid misdaan
heb, dat wil ik graag verbeteren. De koning zei: ge spreekt wijs als een trouwe
man, alle ding is vergeven. De koning en koningin namen de kettingen en kusten
ze en ze beklaagden zeer hun arme kindertjes die in zwanen veranderd waren.
Daarna kwam Marcus die Matabrune zijn ogen uitstak en toen de koning hem zag
vroeg hij hem waar hij aan de blindheid gekomen was. Aylaas, zei Marcus, dat
heeft me uw moeder gedaan. Waarom, zei de koning? hij zei, Toen uw zeven
kinderen geboren waren gaf ze me die om te doden en liet u verstaan dat uw
edele koningin had gebaard zeven honden. En toen kwam ik in het bos daar ik ze
legde op mijn mantel om die te aanzien en ze lachten op mij zodat het me
deerde, al zou ik mijn lijf verloren hebben, ik had ze niets kunnen misdoen en
nog was het me leed dat ik daartoe gedwongen was dat ik ze daar laten moest. En
toen ze wist dat ze nog leefden en dat ik haar valse wil niet volbracht had zo
stak ze me zelf de ogen uit. En toen hem Helias aldus had horen spreken had hij
ontfermen op hem en bad ootmoedig tot God en zei.
O klaar
licht, de hemelse gezicht,
Die een
fondament is van alle licht,
Als
gever des lichts hier lichtende helder,
Die de
blinden op de weg gaf zijn gezicht,
Die zijn
nooddruft bad bij nood gewicht,
Want een
blinde man is een arme man zegt men eenparig,
Verleen
deze arme blinde in lijden zwaar,
Die
oorzaak is Heer om mijn behouden,
En
daarom is blind gemaakt waarlijk,
Ik bid u
ootmoedig Heer uit vertrouwen,
Geef hem
zijn gezicht, verlos hem van rouwen.
Ik
twijfel niet Heer het is in uw macht,
Dus toon
aan hem uw goddelijke kracht
Opdat uw
lof wordt vermeerderd,
Want vals
is deze gebracht
Ter
blindheid, daar hij luttel op had gewacht.
Dus bij
gratie Heer verleen hem het zien,
Dat bid
ik ootmoedig met gebogen knieën,
Laat de
dauw der genaden op hem dauwen
En doe
de duisterheid van hem vlieden,
Want de
blindheid komt bij mijn aanschouwen,
Geef hem
zijn gezicht, verlos hem van rouwen.
Deugdelijk
werk zal men deugdelijk belonen
Dus bid
ik u koning boven alle tronen
Wil deze
het gezicht weer geven,
Uw
goddelijke kracht en gratie wil hier tonen,
Opdat
hij mag zien om een verschonen
Zo hij
voormaal deed vrij als van sneven
Wil mijn
bede aanhoren o levend leven
Ik zal u
voorts dienen in elke vouwen,
Naar
dezelfde macht die me mag aankleven,
Dus bid
ik u Heer zonder wachten,
Geef hem
zijn gezicht, verlos hem van rouwen.
Prins van
de hemel en de aarde mede,
Ik bid u
hartelijk aanhoort mijn bede,
Laat
deze blinde uw gratie gewinnen,
Ontsla
hem van de blindheid onlede,
Die hij
om mijnent wil heeft, zonder flauwten,
Opdat uw
glorie te meer waardig zich ontvouwt,
Geef hem
zijn gezicht, verlos hem van rouwen.
Toen
Helias zijn gebed gedaan had zo tekende hij Marcus ogen met een kruis die
terstond bij de gratie van God wel zag waarvan de koning en al het volk zich
verwonderde en dankten God met Marcus. En Matabrune die gevangen zat gaf de
knechten die haar bewaarden zoveel te drinken zodat ze in slaap vielen en ze
brak uit en ging op een kasteel, Mambrandt geheten, om haar te behoeden voor
ongevallen dat ze bezorgd was haar nog toe te komen om haar verraad en de
knechten die Matabrune bewaard hadden werden deerlijk gepijnigd. Daarna bad
Helias zijn vader dat hij hem wilde geven de zilveren kettingen van zijn
broeders en zuster wat de koning deed. Toen zwoer hij niet te rusten voor hij
had gevonden zijn broeders en zuster die in zwanen veranderd waren, maar God
wilde nu zijn macht tonen want in het water dat om het slot liep werden
terstond zes zwanen gezien van al het volk. En toen Helias ze zag riep hij
terstond zijn vader en moeder en zei: kom hier en aanzie uw andere kinderen,
mijn broeders en zuster die zich vertonen komen bij de gratie van God in de
rivier van uw paleis. Terstond kwam de koning met de koningin van het hof met
de edelen om de zwanen aan te zien. En toen ze nu zagen dat Helias tot hen kwam
zo maakten ze wonderlijk feest in het water. En Helias kwam op de oever en ze
kwamen bij hem vliegen en hij streek ze over hun pluimen. Toen toonde Helias de
zwanen de zilveren kettingen en toen stelden ze zich in ordinantie op voor hem.
En daarna deed hij de vijf zwanen de kettingen aan de hals en terstond waren ze
veranderd in hun menselijke vorm en zo bij mirakel vertoonden daar 4 zonen en
een dochter. En de koning en koningin liepen hun kinderen tegen om hen te
kussen en te omhelzen. En toen de zesde zwaan zag dat ze allen hadden hun
menselijke vorm en hij niet omdat zijn ketting gesmolten was zo bedreef hij
groot jammer alsof hij al zijn pluimen uit getrokken zou hebben. Toen dit
Helias zag zo weende hij zeer en troostte de zwaan zijn broeder en zei: Mijn
lieve broeder hebt geduld en wil u niet verslaan, ik wil God ootmoedig voor u
bidden dat ik u nog zal zien een edele ridder. En de zwaan neigde met het hoofd
nederwaarts als hem dankende en alle die dit zagen hadden medelijden met hem,
maar Helias troostte ze en zei dat hij nog zou weder keren in zijn menselijke
vorm alzo devoot zou hij God voor hem bidden en met deze woorden waren de
koning en de koningin wat vertroost. En ze namen de andere vijf kinderen en
brachten hen zeer eerlijk ter kerk en lieten ze dopen en de dochter werd
geheten Rasse en de zonen hebben nog later geweest dappere ridders en bemint
van God. En toen werden ze gebracht van de kerk ter paleis daar groot genoegen
en vrolijkheid was. En elk kwam daar om te zien die grote mirakels.
HOE
KONING ORIANT ZIJN RIJK OVER GAF AAN ZIJN ZOON HELIAS DIE HIJ LIET KRONEN.
Na al deze
dingen toe4n koning Oriant zag de grote gratie die God op zijn zoon Helias
toonde zo liet hij tot hem komen zijn heren en baronnen en liet daarbij komen
zijn zooe Helias en zei: Mijn zoon ik en al mijn heren zien wel dat gij vol
bent van de gratie God zoals het blijkt bij mirakels die geschied zijn tot uw
gebeden waarom ik u overgeef al mijn rijk en maak u koning van al mijn landen
en ik wil dat men u eer en bijstand doet zonder weerzeggen. In een teken dat me
zo belieft, zie de kroon van het rijk die ik op uw hoofd stel en geef ze u als
koning in tegenwoordigheid van al mijn heren. Helias zei: Ik dank u vader, al
ben ik niet machtig te regeren dit land, maar omdat u alzo belieft zo wil ik daar
niets tegen zeggen. En Oriant zei, ik geef u mijn moeder Matabrune tot uw wil
om de grote overdaad die ze uw moeder aangedaan heeft en ze is nu op een van
haar sloten dat genaamd is Mombrandt, aldus stel ik deze zaken in uw handen om
justitie te doen naar recht, maar ik wild er niet bij wezen. Helias zei, wel
heer vader als het u belieft, ik zweer bij de waarheid ik zal niet rusten ik
heb het slot gewonnen en ik zal justitie doen over haar die met groot onrecht
en ongelijk heeft willen verraden mijn moeder en al haar kinderen.
HOE
KONING HELIAS HET SLOT BESTORMDE DAAR MATABRUNE ZIJN GROOTMOEDER IN WAS EN HOE
HIJ HAAT LIET VERBRANDEN.
Nadat
Helias koning gekroond was zo nam hij met hem 3000 voedboogschutters en 2000
lansen uitgezonderd het voetvolk en daar waren 500 gravers die waren gesteld
bij 100 edele ridders, zo trok hij van Lillefoort en belegerde het slot
Mambrant en bestormde het zo geweldig zodat hij het won en daar binnen kwam. En
koning Helias riep dat elk wel toezag dat de valse Matabrune niet ontliep. Dit
hoorde die kwade vrouwe en liep op de toren van het slot met wat volk en maakte
zich sterk en meende zich te beschermen en te bevrijden, maar de koning
overliep de toren daar hij Matabrune heeft gevonden en hij greep haar en wierp
haar ter aarde en zei: Ay valse vrouw, hoe hebt ge mijn moeder willen verraden
en ons zo veel verdriet aangedaan, tenzij ter ere Gods en door de ere van het
bloed daar ik van gekomen ben, ge zou van mijn eigen handen sterven. Toen wist
Matabrune niet wat te zeggen, anders dan dat men haar leiden zou tot haar zoon
Oriant, mar Helias zei dat ze hem niet meer zien zou en hij gaf haar in de
handen van zijn dienaren en liet haar zetten aan een staak en liet hout en stro
brengen om haar te verbranden zoals ze verdiend had. Toen nu Matabrune zag dat
ze sterven moest zo overdacht ze haar kwaad met rouw en riep Helias en zei,
mijn kind ik bid genade, ik beken dat ik de dood verdiend heb want i uw moeder
vals verraden heb en zei dat van haar waren gekomen zeven honden, maar ze baarde
zeven kinderen, maar bij mijn valse wil liet ik ze wegzenden om te doden, maar
God heeft ze behoed. Ook zei ik dat ze had willen vergeven koning Oriant en mij
wat ze nooit dacht: hierom is het wel terecht dat ik sterf, ik heb het wel voor
God verdiend en ik bid dat hij het mij wil vergeven en de dood die ik sterven
moet wil keren tot vergiffenis van mijn zonden en ik bid u dat ge het me ook
vergeven wil want ik sterf gewillig en vergeef u mijn dood. Toen zei Helias: Ik
vergeef u geheel mijn deel, nochtans zo zal ge sterven bij justitie, bid God
dat hij het u vergeven wil. Toen werd daar hout en turf om Matabrune gestookt
en het vuur daar ingestoken, aldus werd ze verbrand om haar misdaad. En toen de
justitie gedaan was is de koning weer gekeerd te Lillefoort daar hij eerlijk
ontvangen werd en gaf zijn moeder te kennen dat er geschied was en zei: mijn
moeder verblijd u want ge bent gewroken van de valsheid van Matabrune die ik
heb laten verbranden om haar kwaad. Toen zei Beatris, mijn beminde zoon ik dank
u zeer, Jezus wil het haar vergeven. En na dezen bleven ze bij elkaar in goede
vrede waarvan het volk verblijd was.
HOE DE
ZWAAN HELIAS BROEDER ZICH VERTOONDE IN DE RIVIER VOOR EEN SCHIP.
Toen
Helias een wijl tijd bezeten had zijn rijk van Lillefoort in goede vrede zo zag
hij uit een venster van het paleis en zag de zwaan zijn broeder. En dezelfde
zwaan was in het water voor een schip dat hij te land bracht als te wachten op
zijn broeder Helias. Toen Helias dit zag zei hij in zichzelf: Dit is een teken
dat God me zendt om me te kennen te geven dat ik zou gaan met deze zwaan die me
begeleiden zal in enig land om eer te verkrijgen. Met deze opzet en ingeven van
God zo verzamelde hij zijn zuster en broeders en kwam tot zijn vader en moeder
en zei.
Mijn beminde
eerwaardige vader,
Deugdelijke
moeder en broeders alle tezamen,
Lieve
zuster en al mijn vrienden tezamen,
Het is
noodzakelijk dat ik uit goede ader,
Minnelijk
verlof neem, wees druk ontladen,
Bidt God
dat hij me behoedt van blaam,
Want
mijn broeder de zwaan naar goddelijk ramen,
Komt me
halen in een schip dat hij heeft gebracht
Aan het
land daar hij mij zonder beschamen
Opwacht
zo ge zien mag hoe hij wacht,
Dus de
koninklijke kroon vader hoog geacht,
Die ge
me van Lillefoort hebt gegeven,
Die stel
ik weer geheel in uw macht
En in uw
handen vader verheven,
Ik neem
aan u allen verlof die het hoort of ziet
Ter
liefde God reizen daar hij het gebiedt.
Bij het
bewijs van mijn broeder de zwaan,
En ter
ere God pijn ik te bestaan
Deze reis
want ik me vertrouw boven maten
In God,
al heeft hij mijn broeder in gedaante
Van de
zwaan gelaten, ik hoop nog te ontvangen,
Bij
kracht van zijn hulp troost bij baten
God
heeft een licht in deze gedaante gelaten,
Om me in
enige goede haven te leiden,
Daar ik
zijn waardige wil uit charitatief,
En goede
vruchten mag doen, dus willen we scheiden.
Adieu
vader, adieu moeder, ten baat gaan beiden,
Adieu
broeders, adieu zuster, adieu geminde,
Adieu
vrienden algemeen, adieu met schreien,
Adieu al
tezamen die ik hier vind,
Hiermee
ik me op de vaart bevind.
Ik
beveel me in uw gebed wat er geschiedt
Ter
liefde God reizen daar hij het gebiedt.
Beminde
broeder de zwaan ik ben bereid,
Aldaar
te reizen daar gij me leidt.
Ik
twijfel niet aan het hoge Gods geweld
En heeft
u dus gelaten bij gratiën bereid
Om
zonderlinge zaken die hij alleen weet,
En dat
ge mijn leidsman wezen zal:
Mijn
hoop en wil is vast gesteld
In Gods
wil zonder enig censeren,
Want
zijn kracht is grondeloos ongeteld,
Wil hij me
helpen, wie zal me deren?
Niemand,
zo schrifturen zal declareren,
Hier op
stel ik mijn hoop al,
De
vijand nog mensen mogen me niet bang maken,
Beletten,
van dat me nog gebeuren zal:
Dus bij
de goddelijke gratie toeval
Ben ik
gewillig naar mijn betekenis
Ter
liefden God reizen daar hij het gebiedt.
Prinselijke
koning in wiens handen,
Staan
alle provinciën, steden en landen,
Wil me
bewaren en de zwaan mijn broeder,
Beschermen
ons van schaden en van schande,
En de
koning van Lillefoort en waranden,
Mijn beminde
vader en ook mijn moeder,
En al
mijn broeders en zuster vroed,
We nemen
verlof, welk is een droef leed,
Ter
liefde God reizen daar hij het gebiedt.
Toen
Helias dit gezegd had kuste hij ze allen en nam deerlijk verlof. Toen liet hij
brengen zijn harnas en zilveren schild daarin stond een dubbel gouden kruis.
Toen kwam Oriant, zijn vader, en gaf hem een hoorn en zei; Bewaar het goed deze
hoorn want al diegene die hem luid blazen die mag geen letsel nog schande
gebeuren bij de hulp van God. Nu bidt ik God ootmoedig dat hij u geeft te
reizen en weer te keren met vreugde en met eer. En de zwaan riep zeer
wonderlijk drie of vier maal daar ze allen van verwonderd waren. Toen ging
Helias terstond met al zijn vrienden naar het water daar de zwaan was. En toen
de zwaan hem zag speelden hij met zijn vleugels op het water recht alsof hij
hem welkom zei en hij gebenedijde daar de zwaan. En de zwaan neigde hem met het
hoofd en deed hem reverentie. Maar de tijd die van God gezet was, was nog niet
vervuld om hem te veranderen in zijn menselijke vorm om enige grote toekomende
zaak. De koning en koningin beweenden hun kind zeer, zijn edel bloed verandert
in een zwaan. Aldus is Helias in het schip gegaan en nam verlof aan alle
vrienden die zeer droevig waren omdat hij weg reisde in vreemde landen bij
geleide van de zwaan. Toen stelde hem de zwaan voor het schip en liet het
vlieten op het water alzo dat ze in korte stond waren ver van Lillefoort en hij
begeleidde het schip van rivier tot rivier ter plaatse die van God geordineerd
was om te hebben een wijf waarvan zou komen een schone dochter die zou
voortbrengen drie zonen waarvan dan versterkt zou worden het christelijke
geloof waarvan de eerste was Godfried van Bouillon die daarna zou verkrijgen en
bezitten het koninkrijk van het H. lande van Jeruzalem. De tweede broeder was
Boudewijn die dat zelfde koninkrijk zou bezitten na hem, de derde was
Eustachius die een grote prins was, maar geen koning gelijk de andere twee
omdat hij eens een andere vrouwenborst zoogde dan zijn eigen moeder alzo dat
hierna nog zal verklaard worden.
HOE DE
GRAAF VAN FRANKENBORG VALSELIJK BEKLAAGDE CLARISSE VOOR KEIZER OTTO DE EERSTE
IN HET PARLEMENT TE NIJMEGEN EN HOE DE RIDDER MET DE ZWAAN TE NIJMEGEN AANKWAM.
Hier wil
ik het laten van de ridder met de zwaan Helias die nu reist naar Nijmegen bij
de keizer om te beschermen de hertogin van Billioen als volgt. De keizer Otto
van Duitsland de eerste van die naam die onder hem houdt het land van Ardennen,
van Luik en Namen die hield zijn parlement te Nijmegen en allen die ongelijk
gedaan werden kwamen voor de keizer om recht te hebben. Zo gebeurde het dat de
graaf voor recht liet roepen voor de keizer de hertogin en hij wilde haar
onterecht onterven en hij zei valsheid over haar. Toen nu de raad van de keizer
al vergaderd was zo vertoonden zich de twee partijen voor recht. Toen liet de
graaf zijn zaken open en betoogde de hertogin onterecht en zei dat ze had laten
vergeven haar man en dat haar man was over zee geweest zonder weerkeren drie
jaar lang binnen welke tijd zij gebaard heeft een dochter en dat die te onrecht
gewonnen was en dat het land van Billoen gekomen was van zijn vaderlijke erven
waarom hij zei voor zijn recht dat de hertogin niet mocht behouden dit hertogdom als voor haar
recht van haar man nog desgelijks haar dochter als onterecht oor van dit
hertogdom want zij onterecht is, dit wilde hij waar doen om het hertogdom te
bezitten als gerechtigd oor van zijn broeder, de man van de hertogin. De
hertogin antwoordde zo ze het best kon en ze ontkende alles dat haar en haar
dochter opgelegd werd en ze zei dat hij haar eer gekwetst had en meende daarom
recht te hebben van de schande en ongelijk die hij haar oplegde. De keizer zei:
Vrouw deze schandelijke stukken zijn zaken om u te doden is het dat ge daar
niet tegen bent aangezien dat hij het tonen wil. De graaf zei: heer in bewijs
van de waarheid zo geef ik mijn handschoen om te weerstaan en daarom te kampen
zodat het zo is zo ik gezegd heb waarom ze de dood schuldig is en mag het
hertogdom niet bezitten. Toen zei de keizer: ge ziet wat hij doet waarom ik hem
niet weerzeggen mag, hierom zoek een ridder om te kampen en om uw recht te
houden dat ge hem ontkent en ik zal u dag en tijd geven om uw best te doen. De
goede vrouw zag al om of er iemand was die voor haar kampen wilde, maar ze vond
niemand, hierom zocht ze troost aan God om haar te helpen in haar recht. Aldus
waren de graaf en hertogin in het geding voor het parlement van de keizer te
Nijmegen in Gelderland: Alwaar de edele ridder Helias te scheep aankwam bij
geleide van de zwaan en hij blies zijn horen die hem zijn vader gegeven had
zodat zij het allen hoorden die bij de keizer waren en ze zagen ter venster uit
en een zwaan een schip voorttrekken daar Helias in stond goed gewapend als een
dappere ridder toebehorend. Toen de keizer hem te lande zag komen was hij
verwonderd want hij zag terstond de zwaan met het schip weer keren toen er de
ridder uit was. Toen ontbood hij de ridder voor hem te komen en de hertogin zag
hem ook komen, toen vertelde ze haar dochter een droom en zei: O mijn lieve
dochter hoort. Deze nacht heb ik gedacht dat ik geding tegen de graaf en dat ik
veroordeeld was ter dood te verbranden, maar daar kwam een vliegende zwaan die
water bracht om het vuur te blussen en uit het water kwam een vis die ontzag
men alzo zodat elk beefde, daarom ik geloof dat deze ridder me zal verlossen
van de dood. En Helias begroette hoffelijk de keizer en de keizer hem weer en
vroeg hem hoe hij daar gekomen was. Toen zei Helias: Ik ben een arme ridder van
avonturen om u trouw te dienen had ge mijn dienst van doen. De keizer zei: ben
je een ridder van avonturen zo heb jij het hier gevonden, want zie hier de
hertogin van Billoen met haar dochter die heeft de graaf van Frankenborg
beschuldigd met een oneerlijk stuk zondig genoeg ter dood en om haar jonge
dochter te onterven tenzij dat ze iemand vindt die voor haar kampt om haar
recht te beschermen tegen hem die het kamp beroepen heeft voor al dit volk, zo
moet ze de dood sterven en het hertogdom van Billoen zal de graaf toekomen:
Hierom indien ge voor haar kampen wil en ge de graaf overwint zo zal ik haar
wederom vrij stellen in haar erven en ge zal hebben haar dochter te
huwelijk.Toen Helias de keizer had horen spreken aanzag hij de hertogin die hem
dacht te zijn een eerbare vrouw en zag de schoonheid en wezenlijkheid van de
dochter die hem wel beviel en bad de keizer dat hij alleen wat spreken mocht
met de hertogin, dat hem geschiedde, toen nam hij de hertogin alleen en zei:
Vrouw is het dat het u belieft zo zal ge me zweren de echte waarheid en ik zal
heden een trouw dienaar wezen in uw zaak. Ze zei: O edele ridder, ik zweer u
bij de levende God dat ik u de waarheid zeg. Toen zei Helias: Vrouw, bij de eed
die ge me gedaan hebt, bent ge niet schuldig aan deze zaak? Toen zei ze, nee
ik, God moet nimmermeer mijn ziel ontfermen heb ik ooit gedacht daar ik mee
beschuldigd ben. Toen zei Helias: Vrouw zo heb je dan gevonden een kampioen die
uw eer bewaren zal en ik zal deze dag uw vijand te onderbrengen.
HOE HELIAS
KAMPTE TEGEN DE GRAAF VAN FRANKENBORG DIE HIJ OVERWON.
De edele
ridder met de zwaan kwam weer tot de keizer en zei: heer laat komen ten perk
diegenen die deze vrouw beschuldigt om die te onteren en te laten doden want ik
ben bereid tegen hem te slaan. En toen hij dit gezegd had zo kwam de graaf en
zei: Vriend, wat begeer je, ge toont u zeer moedig dat ge u zo graag wil
onderwinden een zaak die u niet aangaat. Helias zei, zie daar mijn handschoen,
ik lever het u om de eer Gods en om de minne van die edele vrouw, ge zal deze
dag zien wat een ridder van avonturen doen kan. En de graaf nam de handschoen
en terstond werd het kamp gesteld van de keizer die een eed van hun beiden
ontving en vroeg wanneer ze kampen wilden. Toen begeerde Helias de dag terstond
dat hij consenteerde en de graaf dorst het niet te ontzeggen van schande en het
perk werd gereed gemaakt. Toen kwamen die kampioenen en Helias nam zijn
zilveren schild met het dubbele kruis en de graaf kwam ook goed voorzien en daar
waren tegenwoordig de keizer en zijn heren en de hertogin en haar dochter en
nog meer andere met haar. En toen de hertogin en haar dochter zagen komen hun
kampioen Helias zo baden ze God dat hij hem helpen wilde en victorie verlenen
tegen hun vijand naar hun goed recht. Toen kwamen ze aan elkaar zodat ze beide
hun lansen braken. En toen vochten ze met het zwaard zodat de graaf zich niet
meer verweren mocht, maar de dappere Helias hoopte altijd in God als diegene
die rechtelijk kampte. En de graaf bad Helias dat hij hem tijd gaf om met hem
te spreken, dat Helias deed, en de graaf zei, o edele ridder belieft het u geef
vrede en mag ik tot mijn recht komen ik zal u mijn dochter geven met het land
van Ardennen dat zeer vruchtbaar is. Toen zei Helias, meent ge dat ik het
verraad zal volgen dat ge opgesteld hebt, ik liet me liever ontleden van lid
tot lid, hierom zeg er niets van want van mij zal ge geen ontfermen hebben en
ik beloof God die me gezonden heeft dat ik de hertogin verlossen zal van alle
verraad op deze dag en trouwen haar dochter tegen uw wil, aldus verweert uw
lijf. Toen sloeg de graaf Helias op zijn rechterarm zodat hem het zwaard
ontviel. Toen dit Helias zag sprong hij van zijn paard ter aarden en nam de
graaf en wierp hem met macht ter aarden en brak hem zijn schild van de hals en
nam hem zijn zwaard uit de hand. Toen de graaf hem overwonnen zag gaf hij zich
over en zei: Edele ridder ik roep genade en om Gods wil behoedt mijn lijf, ik
zal u mijn land geven. Helias zei: O valse verrader aldus zal ge niet uit mijn
handen komen, maar ik wil wreken de edele hertogin en haar dochter. En dit
zeggende verhief hij zijn zwaard dat hij de graaf ontnomen had en sloeg hem de
helm van het hoofd en sloeg hem de hals af. Toen de hertogin en haar dochter
dit zagen dankten ze God dat hij hun kampioen victorie had gegeven.
HOE
HELIAS TROUWDE DE DOCHTER VAN DE HERTOGIN OMDAT HIJ DE GRAAF OVERWONNEN HAD IN
HET KAMP.
Toen de
edele Helias de graaf overwonnen had zo begroette hij hoffelijk keizer Otto die
hem eerlijk ontving. En daarna begroette hij de edele hertogin die hem zeer
bedankte van hetgeen dat hij gedaan had voor haar. En terstond kwam de keizer
tot de hertogin zeggende: Vrouw, ik geef u wederom uw land en stel u wederom in
uw eer zonder enige schuld alzo men de waarheid nu bekent. Toen zei zij: Ik
dank u heer van dat en nu geef ik weer mijn land Billioen die dat eerlijk
gewonnen heeft en daartoe geef ik hem mijn dochter die nu voortaan met hem het
land bezitten zal want ik wil me begeven in een klooster om God te dienen zoals
ik God beloofd heb die me bewaard heeft bij deze ridder. Toen riep de keizer+
de ridder met de zwaan is nu hertog van Billoen en hij zal trouwen Clarisse de
hertogins dochter zoals hem beloofd is. De ridder was tevreden en de volgende dag
werd de bruiloft gehouden in keizers hof te Nijmegen daar grote geneugte
gemaakt was in veel manieren. En aldus heeft de ridder met de zwaan het
hertogdom van Billoen gekregen. En toen dit feest en geneugte 14 dagen geduurd
had zo nam de hertog verlof aan de keizer en deed hem manschap zoals dat recht
was en vertrok zo tezamen naar Billoen. Maar toen hij onderweg kwam zo vond hij
veel vrienden van de graaf van Frankenborg die hem zeer vreselijk besprongen om
te wreken de dood van de graaf, maar hij stelde zich dapper met zijn volk te
weer zodat ze door reisden tegen zijn vijanden dank en kwam zo eerlijk in het
land van Billoen daar hij met grote blijdschap ontvangen werd en daar hield men
open hof een maand lang voor alle man, gaande en komende. En zijn vrouwe werd
bevrucht zodat ze de negende maand baarde een dochter die eerlijk ten doop
gedragen werd en Yda werd genoemd die later was de moeder van de edele prins
Godfried, Boudewijn en Eustaes, en deze dochter groeide op in alle deugden
totdat ze groot geworden was: Toen gebeurde het op een dag dat de hertogin was
spelen gereden met haar man en zo vroeg ze hem van welk land hij was en van
welke vrienden en verwanten en hij wilde haar daarop niet antwoorden, maar hij
verbood haar dat ze hem niet meer vragen zou of hij zou van haar scheiden en zo
sprak ze niet meer en ze bleven tezamen in goede vrede zes jaren lang. In die
tijd had zich de oude hertogin begeven in een klooster om God aldaar te dienen.
HOE
HELIAS VERLIET HET HERTOGDOM VAN BILLOEN EN VAN DAAR SCHEIDDE OMDAT ZIJN WIJF
ANDERE MAAL VROEG VAN WELK LAND HIJ WAS EN HOE HEM DE ZWAAN WEER VERTOONDE MET
HET SCHIP OM HEM TE BEGELEIDEN.
Toen de
hertogin op een nacht lag bij haar man vroeg ze andere maal van welke afkomst
hij gekomen was, dat hij nochtans haar verboden had, maar het is gelijk men
zegt wat men de vrouwen verbiedt dat doen ze meest, o heer ik zou zo graag
weten van welke afkomst ge bent. Toen Helias dat hoorde zo was hij droevig en
antwoordde gram, ge weet wel dat gij het niet weten zal en ik geloof dat ik
morgen uit dit land scheiden zal en ik zal gaan tot Nijmegen om verlof te nemen
aan de keizer in uw presentatie van al de heren. Toen weende de hertogin zeer
en beklaagde haar volk en zei:
Aylaas nu
heb ik verloren het gezelschap van mijn goede man omdat ik teveel heb gesproken
en heb mijn mond niet kunnen bedwingen en ze ging ook tot haar dochters bed die
de vader zeer beminde en zei dit haar ook die toen tot haar vader ging,
jammerlijk wenende en zei. O lieve heer vader, heb toch ontfermen op mijn vrouw
en moeder en op mij. Aylaas wil ge ons verlaten wat zal ik dan aanvangen, och
zal ik nu blijven vaderloos in mijn jonge dagen, mijn uitverkoren vader wil ons
niet verlaten. Toen dit de edelman zag troostte hij haar zeggende. Mijn lieve
dochter wil zulke rouw niet hebben, want ik zal u en uw moeder goed bezorgen.
En ‘s morgens stond de hertog op droef wenend en hij zei tot zijn heren: Ik bid
u dat ge mijn wijf en mijn dochter wil begeleiden te Nijmegen om daar eerlijk
verlof te nemen aan de keizer en dat ik hem bevelen mag al mijn zaken die ik te
doen heb want ik zal nimmermeer weer keren. Toen zei hij: mijn vrienden ik
beveel u dat ge altijd wil helpen bewaren dit land van Billoen met mijn wijf en
mijn dochter. En de tijd is dat ik moet scheiden want ge zal zien komen een
zwaan die brengen zal een scheepje en zal me begeleiden te Nijmegen en nog
sprekende kwam de zwaan alzo hij gezegd had en hij maakte groot gekrijs recht
of hij Helias riep en hij nam ootmoedig verlof aan hun allen waarom de edelen
zeer weenden omdat hij achterliet zijn wijf en kind dat jammer was om te zien.
En alle burgers beklaagden het scheiden van hun heer. En de edele Helias ging
te scheep daar de zwaan grote blijdschap om maakte want de tijd naakte dat hij
zou weerkeren in zijn menselijke vorm en zijn zo gescheiden en vertrok tot de
keizer om hem aan te bevelen zijn wijf en dochter.
HOE DE
HERTOGIN EN HAAR DOCHTER TE NIJMEGEN TROKKEN.
Toen nu
Helias te Billoen was zo kwam de hertogin met haar dochter te Nijmegen voor de
keizer wenende en klagende over haar goede man die haar verlaten wilde en zei:
Och genadige heer keizer wil ontferming hebben op mij en op mijn dochtertje
want tenzij bij uw gratie ik zal verliezen diegenen die ge me gaf tot een man
en heer. De keizer zei: hoezo? Ze zei: hij wil weder keren te lande vandaar hij
kwam toen hij me eerst kwam beschermen want die zwaan die ge zag is weder
gekomen met zijn schip en heeft hem gehaald en hij is bij hem. Toen zei de
keizer; ge moet hem vertoornend hebben. Toen zei ze hoe ze zijn gebod gebroken
had. En toen ze nog tezamen spraken zo kwam de edele Helias met de zwaan aan
keizers paleis en blies zijn horen zoals hij eerst deed en zei: ik hoor uw man.
Ze zei: Ik weet wel dat hij hier komen zal, maar het is om verlof te nemen aan
u en aan ons om nimmermeer weer te keren, tenzij bij uw voorzienige wijsheid.
Toen kwam Helias voor de keizer die hij ootmoedig groette en de keizer ontving
hem minnelijk. En Helias zei: heer keizer, ik verlaat het hertogdom van Billoen
want dat zal ik niet meer bezitten want ik moet weer keren tot het land daar ik
van kwam, dus beveel ik u mijn dochter en geef ze u over als uw dochter en ik
bid uw goedertierenheid dat ge voor haar wil zijn een vader en vriend en wil
haar huwen als de tijd is naar uw believen, gelijk als ge geweest bent een zaak
van ons huwelijk en houd haar onder uw bescherming in vrijheid van haar land,
want ik zal niet weder keren. Toen zei de keizer: O edele ridder mijn vriend,
ge hebt me een grote eed gedaan en behoort die te volbrengen en uw huisvrouw te
verlaten is tegen God en de liefde en hier is uw dochter Yda, ge zout haar met
recht ontfermen. Toen zei Helias: Heer bij noodzaak moet ik vertrekken in een
ander land, aldus bid ik u dat ge me wil vergheven dat ik heb misdaan want ik
mag niet langer blijven, zie daar de zwaan die op me wacht. Toen zei de keizer,
om de wil van God te doen zo wil ik er niets tegen zeggen. Toen kwam hij en
kuste zijn vrouw en dochter zeer wenend en verlof nemende, toen nam hij verlof
aan de keizer hem aanbevelende zijn wijf en zijn dochter in gratie. En de
keizer beloofde het beste te doen en zijn dochter te huwen als het profijt was.
En toen vertrok de edele Helias en ging op het water daar de zwaan wachtte en
toen de zwaan hem zag was hij blijde. En toen begeleide hem de zwaan weer tot
Lillefoort.
HOE
HELIAS KWAM TE LILLEFOORT EN HOE DE ZWAAN BIJ DE WIL VAN GOD WEERKEERDE IN ZIJN
MENSELIJKE VORM.
Toen de
edele koning Oriant op een dag ter tafel was gezeten met zijn koningin en vijf
kinderen zo kwam in de rivier haar andere twee zonen, Helias en de zwaan zijn
broeder, die hem daar had begeleid en toen Helias bij de plaats van Lillefoort
was zo blies hij blijde zijn horen zodat de vader het geluid hoorde en stond
haastig van de tafel op en zei; Mijn wijf en mijn kinderen wees blijde, want
hier komt mijn zoon Helias en ze zagen door het venster Helias uit het schip
gaan en toen gingen ze hem tegemoet en hebben hem omhelst en gekust door grote
blijdschap die ze hadden en gingen tezamen te paleis voor vader en moeder die
hem blijde ontvingen. Toen zei Beatris, mijne zoon waar ben je geweest, het is
bijna acht jaar dat we u niet gezien hebben. Toen zei hij: Moeder ge zal dat
wel weten op een andere tijd wil God. En ze vroeg, waar is onze zoon de zwaan die
u begeleidde met een schip? Toen zei Helias, hij is weer gekeerd in het water,
doch ik zal hem gaan halen en zullen zien of we hem door gebeden kunnen tot
zijn menselijke gedaante brengen, wat zijn vader en moeder behaagde en hij ging
naar de rivier en riep de zwaan zijn broeder tot hem die wel blijde naar hem
toe kwam en Helias begeleidde hem gelijk zoals hij Helias begeleid had. Toen ze
in de hof waren liet de koning gebieden een biddag en vastendag opdat elk een
eendrachtig God zou bidden zijn zoon te willen verlenen zijn natuurlijke
gestalte. Hiertussen heeft de koning de goudsmid ontboden die de twee nappen
van de kettingen van deze jongeling gemaakt had en beval hem wederom een
ketting daarvan te maken zoals die geweest was, wat de goudsmid terstond deed
en bracht die de koning die ze Helias gaf. De volgende dag is de koning met de
koningin en Helias met de zwaan, zijn broeder, en alle heren ter kerke gegaan
al waar ze de geestelijkheid en bijna al het volk van de stad vonden om God
eendrachtig te bidden. Toen ze nu alle bereid waren om God aan te roepen zo
heeft Helias de zwaan op een altaar gesteld en hem de ketting om den hals
gehangen en is hij neder geknield als ook alle die daar tegenwoordig waren en
hebben God eendrachtig gebeden dat hij zijn genade en barmhartigheid wilde
bewijzen aan de konings zoon hem te veranderen in zijn menselijke gestalte en
aldus een tijd lang biddende heeft God hun gebed verhoord en de zwaan is
veranderd en tot een schone jongeling geworden en werd terstond gedoopt en Esmeri
genaamd waardoor zulke blijdschap was dat de koning processie generaal liet
gaan en alle klokken liet luiden, lovende en dankende God van zijn mirakel en
ontferming en de koning hield open hof 14 dagen lang van blijdschap dat hij al
zijn kinderen welvarend en gezond bij hem had.
HOE
HELIAS ZIJN VRIENDEN VERTELDE AL ZIJN GESCHIEDENIS EN HOE HIJ RELIGIEUS WERD.
Toen
Helias weer gekomen was en luttel tijd bij zijn vader en moeder geweest was zo
wilde hij zich begeven om God te dienen ter plaatse daar hij genodigd was daar
de koning een klooster had laten maken. Zo verzamelde Helias zijn vrienden en
verwanten en vertelde hun al zijn avonturen die hij gehad had sinds de tijd af
dat hij van daar getrokken was. En daarna zei Helias: Mijn beminde vader en moeder,
mijn lieve broeders en zuster en alle mijn hartelijke vrienden, ik neem aan u
alle verlof om mijn leven te verbeteren en religieus te worden om mijn ziel te
bewaren en om te bidden voor al mijn vrienden. Daarom mijn broeders en heren,
ik bid u ootmoedig dat ge wil helpen behoeden uw land als dappere ridders en
erfgenamen van het land. En hier dorst niemand iets tegen te zeggen want het
goddelijk was en de zielen zaligheid en een goed voorbeeld voor hun allen. Maar
de heren beweenden alle tezamen het deerlijk scheiden van Helias en die ging
met een stok in zijn hand tot de hermitage daar hij blijde ontvangen werd van
de anderen religieuzen die zijn vader had gefundeerd. Daarna liet hij maken een
schoon groot slot dat leek op het slot van Billoen en liet het noemen Billoen
en dat ontrent de Ardennen. En om het profijt van het klooster gaf hij grote
vrijheden en stelde daar markten dat elk vrij gaan mocht en hij ordineerde
dertig religieuzen om God te dienen en hij bleef bij hun en hield ootmoedig
dezelfde regels.
HOE
KEIZER OTTO HELIAS DOCHTER TE WIJF GAF EUSTACHIUS, DE GRAAF VAN BOENEN.
Toen Yda
Helias dochter 14 jaren oud was zo heeft de keizer haar te huwelijk gegeven de
graaf van Boenen, Eustachius. En kort daarna werd ze bevrucht en ze zag een
visioen in de nacht dat ze dacht dat ze in haar bed vond drie kleine kindertjes
die ze zelf ophield met haar borsten en de twee eerste hadden elk een kroon op
hun hoofd en men brak de derde de kroon omdat hij een andere vrouwe zoogde dan
zijn moeder en toen ontwaakte ze. Toen hoorde ze een stem van de engel,
zeggende: Yda, ge zal ontvangen van uw man drie knapen kinderen die ge zelf
opvoeden zal met uw borsten, welke kinderen God geven zal zijn benedictie, want
ze zullen winnen het Heilig Land uit de handen der ongelovigen. Toen Yda dit
hoorde loofde ze God daarvan. En binnen drie jaren achter elkaar bracht ze ter
wereld drie schone kinderen, de eerste was geheten Godevaert, de andere Boudewijn,
de derde Eustachius die ze zeer wijs opvoedde. Op een tijd op de Pinksterdag zo
kwam te Billoen de bisschop van Ludick, de hertog van Brabant, de graaf van
Vlaanderen, de graaf van Namen en meer grote heren die daar gekomen waren om
een traktaat aangaande het land. En de gravin was ter kerk en ze wachtte wat
lang van haar jonge zoon Eustachius die zo zeer weende dat een andere vrouw hem
te zuigen gaf. En toen zijn moeder van de kerk kwam vond ze de vrouw, dus ze
verwonderd was en zei: Ach vrouwe, wat heb je gedaan? nu zal Eustachius mijn
zoon zijn waardigheid verliezen omdat hij uw borsten gezogen heeft waarom ik u
wel haten mag. De vrouw zei: Ik meende goed te doen omdat hij zo weende en
meende het kind te stillen. En zo bleef de gravin bij haar kinderen zonder eten
en drinken van ongenoegen. En na het eten bracht de graaf al de heren in zijn
kamer om hun zijn drie zonen te tonen en ze zagen de gravin bij haar kinderen
en de heren groette ze vriendelijk, maar ze stond niet op om hun lieden weer
reverentie te doen, waarom haar man gram was en hij zond elk weer in zijn
herberg en toen strafte hij zeer zijn vrouw zeggende: Ge hebt me vertoornend
omdat ge geen eer bewezen hebt zulke grote heren, daarvoor de koningin van
Frankrijk opgestaan zou hebben om hun te groeten. Toen zei ze: Heer, wees niet
gram op mij want door de eer van uw twee zonen zo mag ik me zo edel prijzen als
een koningin. Hoezo, zei de graaf. Ze zei: De hele wereld mag me wel eren om de
waardigheid van de kinderen, want ze zullen nog eens winnen het koninkrijk van
Jeruzalem en zullen het heilig graf brengen uit de handen der Sarasinen en daar
is geen koning die het zou durven bestaan. Toen zei de graaf, ik meen dat ge
droomt en allen die het horen zouden zeggen dat ge zot was. Toen zei ze: Heer,
hou niet voor spot dat ik u zeg, want de engel heeft me geboodschapt. En daarna
strafte de graaf haar niet meer en zei: God geeft.
HOE DE
HERTOGIN VAN BILLOEN LIET ZOEKEN HAAR MAN EN HOE HAAR DOCHTER MET NAARSTIGHEID
OPVOEDDE HAAR KINDEREN.
De goede
hertogin van Billoen was dikwijls in het gezelschap van haar dochter daar ze
zeer beklaagde haar man Helias waarom ze menige bode had gezonden om te zoeken.
Zo gebeurde het dat ze een van haar dienaars, Pontius geheten, uitzond naar
Jeruzalem daar hij vijf dagen was of Helias die weg had genomen en zo kwam
Poncius op een dag in een kerk daar hij een abt vond gekleed naar de manier van
Frankrijk naar zijn orde die hij vroeg van waar hij was en zei; ik ben uit het
Waalse land van Billoen en ik ben de abt van S. Truyen Gerardus en Poncius zei;
ik ben ook van Billioen. Toen zei de abt welkom moet ge zijn, ik ben blijde van
uw komst want als dit God aldus belieft zo willen we onder ons beiden weer
keren te lande. En de abt leidde Poncius in zijn herberg daar ze spraken van
hun zaken en toen waren in Jeruzalem verzameld veel heren uit Turkije en andere
landen zoals de sultan van Perzië, koning Dorbie, Abraham van Damascus, de
koning van Dortanie, Dedekijn van Taberien, de koning van Antiochië, Salomon
van Nigea, de koning Phileston, de koning Schabon, Dodekijn van Damascus,
Matabrune van Olifernen en Colobrane zijn zoon die gekomen waren bij gebod van
de koning Corbohap die zijn zon Cormunerant overgaf het koninkrijk van
Jeruzalem bij zijn levende lijf in tegenwoordigheid van al die heren en de zoon
was 15 jaar oud en hij werd koning gekroond daar zo’n groot feest was dat het
onzeglijk was. Deze koning kwam spreken de abt van de prinsen van Frankrijk en
van hun mannieren waarvan hem de abt de waarheid zei waardoor Cormunerant de
heren van Frankrijk zeer prees. Toen bad de abt om geleide voor hem en Poncius
wat de koning hem graag gaf en presenteerde hem veel gaven om hun wijsheid.
Toen trokken ze van Jeruzalem naar de haven Jaffa en gingen aldaar te scheep.
HOE DE ABT
EN PONCIUS IN HET WEDER KEREN VAN JERUZALEM NAAR ROME TROKKEN EN HOE ZE HELIAS
VONDEN.
Toen de
abt en Poncius hun devotie gedaan hadden te Rome zo keerden ze weder in hun
land. En toen ze onderweg waren zo wilde God dat ze verdolen zouden en ze
gingen in een wildernis daar ze niets wisten van de weg en zo gebeurde het na
veel reizen dat ze kwamen bij het kasteel dat Helias had laten maken. En
Poncius zei: Zie, we zijn in ons land, de abt zei, me dunkt dat we er nog ver
daarvan af zijn. Toen zei Pontius. Heer zo is dit slot heel gelijk het slot van
Billoen. Na deze woorden omdat de nacht aankwam zo gingen ze te herbergen in
een dorp bij het kasteel en ze ontboden de burgemeester van het dorp om te
weten in welk land ze waren. Toen zei de burgemeester; ge bent gepasseerd het
grote bos van Ardennen en nu bent ge gekomen tot aan het slot van Billoen. Toen
zei de abt; hoe kan dat wezen, we zijn uit het land dat ge noemt en we zijn
noch veel mijlen daaraf. Toen zei de burgemeester; dat is waar, ik ben in het land
geweest daar ge van zegt, maar dit slot is genoemd Billoen omdat Helias de zoon
van koning Oriant trok tot Nijmegen bij de geleide van een zwaan daar hij een
kamp sloeg tegen de graaf van Frankenborg, daarom de keizer hem tot wijf gaf de
hertogin van Billoen daar ge van spreekt zodat hij ontrent zeven jaar daar was.
Daarna keerde hij weer in dit land bij de geleide van de zwaan. En in het weer
keren liet hij maken een kasteel en noemde het Billoen. Toen Poncius dit hoorde
zo herkende hij wel dat hij tijding zou hebben en dankte God. Toen zei hij tot
de burgemeester. Heer, de koning en koningin die ge zegt te wezen zijn vader en
moeder wonen ze hier in dit kasteel. De burgemeester zei ja, want ze beminden
hun zoon Helias zo zeer dat ze gelaten hebben Lillefoort en zijn hier komen
wonen. Poncius zei; is Helias dood? Neen, zei de burgemeester: Ik heb hem nog
binnen zes dagen gezien en God heeft menig schoon mirakel door hem en zijn
gebeden vertoont. Hij is een religieus in een klooster dat zijn vader heeft laten
maken daar hij God dient in penitentie. Toen zei Poncius. Nu God zij geloofd
dat ik tijding van hem gehoord heb en Poncius bleef verblijdt de hele nacht.
HOE
PONCIUS KONING ORIANT TIJDING BRACHT VAN DE HERTOGIN VAN BILLOEN.
De abt van
St. Truyen en Poncius gingen ‘s morgens vroeg tot het kasteel daar hem koning
Oriant tegen kwam en Beatris met haar kinderen en toen Esmeri de koningszoon
hun lieden zag zo herkende hij de habijten en kwam bij hun en deed reverentie
vragende van waar ze kwamen? Poncius zei; we zijn van Billoen en hebben lang
gezocht een ridder die een zwaan begeleidde toen hij zijn wijf verliet, de
hertogin van Billoen, wiens dienaar ik ben. Toen Esmeri dit hoorde begon hij te
lachen en zei: Lieve vriend dat is mijn broeder. Poncius zei: Leeft hij ook
nog? Ja, zei Esmeri. Toen riep Esmeri zijn vader en moeder en zei: Zie hier
twee mannen gezonden van de hertogin van Billoen, mijn broeders wijf, die
zullen ons van haar en van haar dochter tijding zeggen. En Pontius vertelde hem
alle zaken hoe dat de hertogin zeer bedroefd was en hoe haar dochter getrouwd
was aan de graaf van Boenen. En men leidde de abt en Pontius in het kasteel
daar ze goed ontvangen werden en daar bleven ze die nacht. De volgende dag
leidde Esmeri ze in het klooster daar ze Helias vonden in de kerk voor het hoge
altaar zitten op zijn knieën. En Helias zei: O broeder Esmeri wat is er nieuws?
Esmeri zei: Hier zijn twee mannen die u tijding brengen van uw vrouw en dochter
Yda die getrouwd is aan de graaf van Boenen. Toen Helias hun lieden zag zo
herkende hij Poncius en kwam hem omhelzen en kussen en zei: Wees welkom mijn
vriend, hoe is het met mijn vrouw en mijn dochter Yda? Toen vertelde hem
Poncius hoe ze hem had laten zoeken in menig land en vroeg hem of hij niet
wilde weder keren tot het land van Billoen en Helias zei; neen ik, want
nimmermeer zal ik uit dit klooster gaan daar ik nu in vinden mag de zaligheid
van mijn ziel. Toen zei Poncius: Heer ik ben zeer verblijd in mijn hart dat ik
u zien en spreken mag en uw vrouw de hertogin zal zeer verblijd zijn als ze dit
hoort. En Helias zei: Ge zal me zeer gebieden tot haar en mijn dochter Yda en
ik ben zeer verblijd dat ze eerlijk getrouwd is. Toen nam hij al wenende verlof
aan de abt en aan Poncius en hij leidde ze om het klooster te bezien en hij
deed hun goede sier met zijn broeder Esmeri. Daarna bad Pontius om een teken
dat de hertogin zeker weten mocht dat hij hem gevonden had. En Helias zei; geef
haar in een waar teken deze ring die ze me uit liefde gaf: En daartoe zond hij
haar en zijn dochter grote giften en de abt en Poncius gaf hij grote gaven. En
ze namen verlof aan Helias en gingen met zijn broeder Esmeri naar het slot van
Billoen daar ze welkom waren. De koning en koningin lieten bereiden grote
presenten die ze zonden hun dochter de hertogin en haar dochter Yda de gravin
van Boenen. Toen namen ze verlof aan de koning en aan hen allen en zijn vandaar
gescheiden.
HOE
PONCIUS TE BILLOEN KWAM EN DE TIJDING BRACHT DE HERTOGIN VAN HAAR MAN HELIAS.
Op onze
Heer Hemelvaart dag zo zaten aan tafel de graaf van Boenen en zijn wijf Yda met
de hertogin van Billoen en toen kwam Poncius die bij hem heeft een muilezel
geladen met kostelijke presenten en giften in de zaal daar zij aten en toen de
hertogin van Billoen hem zag stond ze op van de tafel en zei: Wees welkom
Pontius, heb je mijn man Helias niet gevonden? Toen zei Poncius: Ja ik vrouwe,
in een teken zie hier zijn ring die hij u zendt waarvan ze verblijd was en
kuste de ring wenende en klagende haar getrouwde man Helias en zei tot Pontius:
Dit is een waarachtig teken dat ge hem gevonden hebt. Pontius zei: Vrouw ik heb
met me gebracht een muilezel met kostelijke juwelen die hij u en uw dochter
zend en hij is een zoon van koning Oriant en heeft vijf edele ridders tot
broeders en een zuster en hij is van groot geslacht. En de hertogin en haar
dochter waren zeer verblijd van deze en ook de graaf van Boenen. En Pontius zei
dat hij een religieus was in een abdij die zijn vader had laten maken en zei
dat hij dit alles gezien had en de abt van St. Truyen met hem in het weer komen
van Jeruzalem. Toen de hertogin wist dat haar man Helias religieus was zo
reisde ze derwaarts met haar dochter Yda en ze namen verlof aan de graaf hem
aanbevelende zijn drie zonen goed te bewaren als Godevaert, Boudewijn, en
Eustaes dat al proper kinderen waren en scheiden van Billoen en reisden tot het
voor beschreven klooster met Pontius daar hij ze begeleidde en ze vonden Helias
zeer ziek te bed liggen en God weet hoe vriendelijk dat ze elkaar aanzagen, de
vrouw beweende haar man en de dochter haar vader. En toen ze daar een luttel
tijd geweest waren zo werd de goede Helias zo ziek dat hij God de Heer zijn
ziel op gaf. En toen de hertogin haar man zag verscheiden zo werd ze zo zeer
bedroefd dat ze ook ziek werd en stierf waarvan haar dochter Yda grote rouw
bedreef. Daarna worden ze eerlijk begraven in het klooster voor het hoge altaar
met schone staat naar hun toebehoren. En toen begiftigde Yda haar dochter het
klooster zeer rijkelijk om Gods wille en om de liefde van haar vader en moeder
die daar begraven waren. Toen keerde ze weer in haar land daar ze haar man
Eustachius vond die ze vertelde hoe haar vader en moeder buiten gestorven waren
waarvan Eustachius en al zijn volk zeer bedroefd waren. Daarna zette de gravin
Yda zich in de dienst van God en leerde haar zonen in eer en deugden in de
dienst God zodat ze later overwonnen het Heilig Land van Jeruzalem daar
Godfried en Boudewijn de kroon van droegen en stierven als koningen van
Jeruzalem. En deze drie zonen bedreven wonderlijke dingen en feiten van wapens
bij de hulp van God zo ge vinden mag in de Historie van Godfried van Bouillon
welke kinderen ook zalig stierven wat ons ook gunt God de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest.
AMEN.
Gevisiteerd en
onderzocht van de eerwaardige meester Willem, burgemeester van Kapelle tot
Brussel en is toegestemd te mogen drukken gegeven te Brussel. Anno 1547. De 2de
februari.
Zie verder: http://www.volkoomen.nl/ en : http://volkoomenoudeherbariaenmedisch.nl/